Bestemmingsplan De Driesprong - Toelichting
Tekst van het document
Het verrichten van aanvullend onderzoek wordt niet zinvol geacht. Vanuit milieuhygienisch oogpunt worden geen bezwaren verwacht voor het verstrekken van een omgevingsvergunning en de voorgenomen herinrichting. Opgemerkt wordt dat indien bijvoorbeeld bij herinrichtingswerkzaamheden grond vrijkomt die niet ter plaatse kan worden hergebruikt er restricties gelden ten aanzien van het hergebruik. Toetsing Omgevingsdienst Haaglanden
63
Op 28 april 2021 heeft Omgevingsdienst Haaglanden een bevindingenrapport opgesteld (kenmerk ODH-2021-00063409). Aanleiding voor de beoordelingsverzoeken is de geplande herinrichting van het terrein voor woningbouw. ODH heeft op 31 maart 2021 de volgende rapporten ontvangen: 1. 'Verkennend bodemonderzoek De Driesprong 22 Kwintsheul' (opgesteld door Ingenieursbureau Mol, met kenmerk A4209_LCO_A van 27 december 2018); 2. 'Verkennend bodem- en asbest in grondonderzoek De Driesprong 12a/12b Kwintsheul' (opgesteld door Ingenieursbureau Mol met kenmerk A4209_LOC._B van 31 december 2018); 3. 'Verkennend bodem- en asbest in grondonderzoek Mariëndijk Kwintsheul' (opgesteld door Ingenieursbureau Mol met kenmerk A4209_LOC._C van 27 december 2018); 4. 'Verkennend bodem- en asbest in grondonderzoek De Driesprong 26 Kwintsheul' (opgesteld door Ingenieursbureau Mol met kenmerk A409_LOC.D van 28 december 2018); 5. 'Verkennend bodemonderzoek De Driesprong 26 Kwintsheul' (opgesteld door Ingenieursbureau Mol met kenmerk A4209_D_AANV. van 24 januari 2019); 6. 'Verkennend bodem- en asbest in grondonderzoek De Driesprong 23 Kwintsheul' (opgesteld door Ingenieursbureau Mol met kenmerk A4209_LOC._E van 18 januari 2019); 7. 'Asfalt- en funderingsonderzoek Driesprong (locatie A) Kwintsheul' (opgesteld door Ingenieursbureau Mol met kenmerk A4301 van 20 december 2018); 8.
'Asfalt- en funderingsonderzoek Driesprong (locatie C) Kwintsheul' (opgesteld door Ingenieursbureau Mol met kenmerk A4301 van 17 december 2018); 9. 'Asfalt- en funderingsonderzoek Mariëndijk Kwintsheul' (opgesteld door Ingenieursbureau Mol met kenmerk A4301 van 20 december 2018); 10. 'Rapportage Asbestinventarisatie van een tuinbouwbedrijf gelegen op de locatie De Driesprong 22, 2295 LM te Kwintsheul' (opgesteld door Ingenieursbureau Mol met kenmerk A4231-2 Versie:1.0 van 17 december 2018); 11. 'Verkennend bodem- en asbest in grondonderzoek De Driesprong 23 Kwintsheul' (opgesteld door Ingenieursbureau Mol met kenmerk A4209_LOC._E (concept) van 28 december 2018). Uit de toetsing van de bovengenoemde rapporten blijkt het volgende: Het onderzoek van rapport 1 is uitgevoerd conform de NEN 5740 en wordt als voldoende beoordeeld. Het onderzoek van rapport 2 is uitgevoerd conform de NEN 5740 en niet uitgevoerd conform de NEN 5707, maar wordt als voldoende beoordeeld. Het onderzoek van rapport 3 is niet uitgevoerd conform de NEN 5740 en wel uitgevoerd conform de NEN 5707 en wordt als voldoende beoordeeld. Het onderzoek van rapport 4 is niet uitgevoerd conform de NEN 5740, maar wordt als voldoende beoordeeld. Het onderzoek van rapport 5 is uitgevoerd conform de NEN 5740 en wordt als voldoende beoordeeld.
Het onderzoek van rapport 6 is niet uitgevoerd conform de NEN 5740 en de NEN 5707, maar wordt als voldoende beoordeeld. De rapporten 7 t/m 10 zijn niet getoetst, omdat hier geen sprake is van een bodemonderzoek. Het onderzoek van rapport 11 is uitgevoerd conform NTA 5755 en wordt als voldoende beoordeeld. Nader bodemonderzoek diverse percelen Driesprong Kwintsheul (Mol ingenieursbureau, rapport A7498, 16 november 2021) Op basis van de resultaten van het nader onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Het bodemvolume sterk verontreinigde grond bedraagt ongeveer 18 m 3 bij zowel deellocatie A en B. Op beide deellocaties is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging omdat het volumecriterium uit voornoemde wetgeving niet wordt overschreden; Bij deellocatie C is geen sprake van een ernstige verontreiniging; de interventiewaarde wordt immers niet overschreden. Het bodemvolume matig verontreinigde grond bedraagt ongeveer 18 m 3. Geconcludeerd wordt dat: Ten aanzien van het 'Nader onderzoek diverse percelen' (rapport A7498) heeft Omgevingsdienst
64
Haaglanden op 26 november 2021 een beoordeling opgesteld. De conclusie luidt dat locatie voldoende is onderzocht. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
5.9
Verkeer
Voor het plangebied heeft Goudappel een verkeerskundig onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 13 bijgevoegd. 5.9.1
Uitgangspunten
Uitgangspunten In Kwintsheul zijn er plannen voor een woningbouwontwikkeling van 220 woningen op locatie De Driesprong. Deze ontwikkeling ligt ten noorden van de Kerkstraat, ten oosten van de Mariëndijk en ten zuiden van de Van Buerenlaan. In dit onderzoek maken we gebruik van de ontsluitingsplannen, zoals weergegeven in onderstaande afbeelding, waarbij een hoofdontsluiting ontstaat op de Mariëndijk en de Van Buerenlaan, via De Driesprong.
Afbeelding: ontsluiting De Driesprong, Kwintsheul in planvariant 2040 Voor het berekenen van de verkeerseffecten maken we gebruik van het meest actuele verkeersmodel V-MRDH2.8, waarbinnen Kwintsheul valt. In het verkeersmodel werken we met drie varianten: 1. 2.
3.
1. Basisjaar 2016: dit is de huidige situatie, met de huidige gebiedsontsluiting en zonder de 220 nieuw te bouwen woningen. Het basisjaar wordt gekalibreerd aan de hand van tellingen. 2. Referentie 2040: voor het zichtjaar 2040 wordt in het verkeersmodel de zonering aangepast, maar worden de woningen nog niet toegevoegd. Dat geeft ons inzicht in de autonome verkeerseffecten tussen nu en 2040. 3. Planvariant 2040: De Driesprong wordt toegevoegd met 220 woningen, waarbij tevens een netwerkaanpassing wordt toegepast, waarbij een aansluiting tussen de Van Buerenstraat en de Mariëndijk, via De Driesprong ontstaat.
65
5.9.2
Verkeersgeneratie
5.9.2.1 Wegvakken Het gemotoriseerde verkeer vanuit De Driesprong ontsluit op de Mariëndijk en op de Van Buerenlaan. Welk effect dat heeft op de omliggende wegen, wordt inzichtelijk in deze wegvakkenanalyse. Een zevental wegvakken wordt geanalyseerd, waarbij wordt gekeken naar het verschil in intensiteit met en zonder de planontwikkeling van De Driesprong: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
Van Buerenlaan ten westen van De Driesprong; Van Buerenlaan ten oosten van De Driesprong; De Driesprong; In- en uitrit De Driesprong bij de Mariëndijk (nieuw); Mariëndijk ten noorden van de nieuwe in- en uitrit De Driesprong; Mariëndijk ten zuiden van de nieuwe in- en uitrit De Driesprong; Mariëndijk ten zuiden van de Karper; Kerkstraat ten oosten van Mariëndijk; Kerkstraat ten westen van Mariëndijk.
Op vier van de negen wegvakken wordt een toename in verkeersintensiteit verwacht (onderstaande tabel). Ten opzichte van de referentiesituatie is er een afname op De Driesprong, omdat het verkeer van de ontwikkeling ontsluit op de Mariëndijk. De intensiteiten op de wegvakken zijn vergeleken met de grenswaarde voor de typen wegen. In alle gevallen blijft de intensiteit onder deze grenswaarde. Daaruit kan geconcludeerd worden dat de toename in verkeersintensiteiten van De Driesprong geen capaciteitsproblemen oplevert op de omliggende wegvakken.
66
Afbeelding: wegvakkenanalyse directe omgeving De Driesprong
67
Tabel: Verkeersintensiteiten op wegvak met bijbehorende wegcategorie en grenswaarde (mvt/etm) 5.9.2.2 Kruispunten De verkeersafwikkeling van een tweetal omliggende kruispunten van locatie De Driesprong is nader onderzocht. Daarbij maken we gebruik van de verhouding tussen de intensiteit en capaciteit (I/C-verhouding of verzadigingsgraad). Deze indicator geeft aan hoeveel verkeer op het kruispunt rijdt ten opzichte van de theoretische afwikkeling van het kruispunt. In dit onderzoek wordt naar twee kruispunten gekeken: A. Vogelaer - Mariëndijk; B. Mariëndijk – Kerkstraat; C. Vogelaer – Middel Broekweg. Van deze kruispunten worden kruispunt A en C geregeld met verkeerslichten (VRI). Kruispunt B betreft een voorrangskruispunt, waarbij de Kerkstraat voorrang heeft. Een verzadigingsgraad boven de 0,85 geeft aan dat de doorstroming wordt beperkt en dat er wachtrijen ontstaan. Voor een VRI-kruising is in het verkeersmodel de I/C-standaard 0,85, behalve als de verkeersbelasting groter is. Voor beide kruispunten geldt dat deze grenswaarde niet wordt overschreden, wat duidt op een voldoende afwikkeling in 2040 voor zowel de referentie- als planvariant.
Afbeelding: kruispunten analyse rondom ontwikkeling De Driesprong
Tabel: verzadigingsgraad (I/C) kruispunten voor de ochtend- en avondspits rondom De Driesprong
68
5.9.3
Parkeren
Binnen het plan 'De Driesprong' moet worden voorzien in de voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein en in de openbare ruimte. Voor het vaststellen van de parkeervraag van het plan is de 'Beleidsregel Parkeernormering Gemeente Westland 2018' het uitgangspunt. De normering en beoogde uitvoering van de parkeervakken is wel beschreven in het Stedenbouwkundig programma van Eisen (SPvE). Op basis van het Programma Stedenbouwkundig plan 'De Driesprong' is de totale parkeervraag van het plan bepaald. Uit het onderstaande figuur is het planvoornemen de beoogde invulling van de woningen weer gegeven.
Afbeelding Stedenbouwkundig ontwerp 'De Driesprong'(Bron RROG d.d. 15-7-2022) Woningcategorie
Parkeernorm
Aantal woningen
Parkeerbehoefte
Appartementen
1,5
87
130,5
Beneden- bovenwoning
1,9
12
22,8
Rijwoning & semibungalow
2,0
64
128,0
Twee-onder-een kapwoning
2,2
22
48,4
Vrijstaande woning
2,3
5
11,5
Totaal
341,2
Een parkeervraag van in totaal circa 341 parkeerplaatsen heeft. Voor de telling van parkeerplaatsen op eigen terrein worden de aantallen aangehouden zoals weergegeven in de onderstaande tabel. Bij het nader uit te werken ontwerp van de verkaveling van woonruimte, verkeersruimte, groen en water moet rekening worden gehouden met bovenstaande randvoorwaarden van het aspect parkeren. 5.9.4
Conclusie
In het verkeersonderzoek is rekening gehouden met het maximumaantal woningen dat in De Driesprong ontwikkeld gaat worden: 220 woningen. Voor de verkeersgeneratie die ontstaat uit de 220 nieuwe woningen is het volgende te concluderen:
69
de extra verkeersgeneratie is 1.400 mvt/etm; op alle negen beoordeelde wegvakken kan de toename van het verkeer afgewikkeld worden; de twee geanalyseerde kruispunten hebben ruim voldoende afwikkelingscapaciteit.
5.10 Vormvrije m.e.r.-beoordeling De realisatie van de woonbuurt wordt in de milieueffectrapportage(m.e.r.)-wetgeving aangemerkt als "de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen" zoals genoemd in de D-lijst (D.11.2) van het Besluit m.e.r. Dit duidt op een verplichting vanuit de m.e.r.-wetgeving. De in bijlage D genoemde drempelwaarden (een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m 2 of meer) worden met de ontwikkeling niet overschreden. Hiermee is alleen een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde. In de vormvrije m.e.r. beoordeling wordt nagegaan, of belangrijk nadelige milieueffecten te verwachten zijn die aanleiding geven om voor de ontwikkeling een milieueffectrapport (MER) op te stellen. Uitgangspunt hierbij is dat geen MER wordt opgesteld, tenzij belangrijk negatieve effecten te verwachten zijn. In het kader van de structuurvisie is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd (5 november 2019). Deze is als Bijlage 25 bij dit bestemmingsplan gevoegd.
70
Hoofdstuk 6
Water
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met het doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); Waterwet. Nationaal waterplan Provinciaal: Provinciaal Waterplan; Visie Ruimte en Mobiliteit; Verordening Ruimte en de waterverordening Zuid-Holland.
6.1
Nationaal beleid
Nationaal Waterplan Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust.
6.2
Provinciaal beleid
6.2.1
Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2016-2021
Het Provinciaal Waterplan is opgebouwd uit verschillende documenten: de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM), vastgesteld door Provinciale Staten van Zuid-Holland d.d.9 juli 2014 (en daarna vastgestelde wijzigingen), voor wat betreft de onderdelen die behoren tot het regionale waterbeleid, waaronder specifiek paragraaf 4.2: 'Water: versterking van de samenhang in identiteit, kwaliteit, en veiligheid', inclusief de kaarten 11 (Waterveiligheid) en 12 (Zoetwatervoorziening en oppervlaktewater); inclusief bijbehorende bijlagen. de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2015 inclusief bijlagen, vastgesteld door PS van Zuid-Holland d.d. 14 oktober 2015. het provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015, op verscheidene onderdelen. Binnen deze kaders nemen hoogheemraadschappen en gemeenten maatregelen om inwoners te beschermen tegen overstromingen en wateroverlast, de kwaliteit van het water te verbeteren en te zorgen voor voldoende water aan- en afvoer. De waterparagraaf van dit bestemmingsplan heeft ten doel om het Waterplan door te vertalen en dit plan is derhalve in overeenstemming met het Provinciaal Waterplan. 6.2.2
Waterverordening Zuid-Holland
In de provinciale Waterverordening Zuid-Holland zijn normen voor wateroverlast vastgesteld. Deze normen omvatten een beschermingsniveau, waarop regionale wateren moeten zijn ingericht en hebben betrekking op de berging- en afvoercapaciteit. De normen voor wateroverlast zijn verschillend per vorm
71
van landgebruik en zijn gerelateerd aan de economische waarde van landgebruik en de te verwachte schade bij overstromingen. Dit is een toetskader voor het waterhuishoudingsplan.
6.3
Waterschapsbeleid
6.3.1
Waterbeheersprogramma 2022 - 2027
Het Hoogheemraadschap Delfland heeft haar waterbeleid vastgelegd in het Waterbeheersprogramma 2022 - 2027 'Waterwerk en Watermerk'. In dit Waterbeheerprogramma 6 (WBP 6) heeft het Hoogheemraadschap van Delfland (Delfland) zijn strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven. Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2022-2027. Bij de uitvoering van het WBP 6 staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: droge voeten; voldoende water; schoonwater gezuiverd afvalwater. In het waterbeheerplan worden kaders gesteld voor, onder andere, de waterveiligheid en het voorkomen van wateroverlast. Eén van de instrumenten om het waterbeleid vorm te geven is de watertoets. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.
6.3.2
Handreiking watertoets voor gemeenten
Op 14 april 2014 (herzien op 7 juli 2016) is de "Handreiking watertoets voor gemeenten" vastgesteld. Deze is raadpleegbaar op www.hhdelfland.nl/watertoets. De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van het proces en de inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Crisis- en herstelwet en de Waterwet. 6.3.3
Keur en Beleidsregels
Hierin staan onder andere de eisen waaraan nieuwe watergangen en kunstwerken moeten voldoen. Specifieke ontwerpeisen Delfland: 1.
Aan- en afvoer van water en waterberging
Eis: de aan- en afvoer van water in en uit het plangebied mag niet verslechteren door dit ontwerp (standstill en hydraulische norm). Concrete eis is dat het mogelijk moet blijven om het water van de zuidelijk gelegen woonwijk afgelaten moet kunnen worden. Met name de aan- en afvoer naar gemalen net buiten het peilgebied zijn hierbij een aandachtspunt, ook in de tijdelijke situatie. Relevante beleidsregel waar ontwerp door Delfland aan getoetst wordt is te vinden via de onderstaande link. Hier staan de ontwerpeisen in voor nieuwe wateren en de regels omtrent het dempen van water. https://www.hhdelfland.nl/overheid/beleid-en-regelgeving/bijbehorende-documenten/documenten-beleid sregels/beleidsregel-dempen-en-graven 2.
Ontwerp oevers nieuw aan te leggen watergangen
Het is van belang dat de oevers voldoende beschermd zijn tegen afslag/erosie en inzakken en de oevers
72
zoveel mogelijk worden ingericht als natuurvriendelijke oevers. Er liggen in het gebied kansen op het realiseren van een NEZ die bijdraagt aan de KRW opgave van Delfland. Dit hangt mede af van een mogelijk ontwikkeling van een NEZ iets verderop in het gebied. Relevante beleidsregel waar ontwerp aan getoetst wordt is te vinden via de onderstaande link. Hier staan de ontwerpeisen in voor nieuwe wateren. https://www.hhdelfland.nl/overheid/beleid-en-regelgeving/bijbehorende-documenten/documenten-beleid sregels/beleidsregel-dempen-en-graven 3.
Mogelijk aanpassen kunstwerken
Aan- en afvoer van water moet gewaarborgd blijven. Kunstwerken moeten voldoen aan ontwerpeisen van Delfland die in de genoemde beleidsregel staat. Relevante beleidsregels waar een ontwerp aan getoetst wordt is te vinden via de onderstaande link. Hierin staan de ontwerpeisen voor nieuwe duikers. https://www.hhdelfland.nl/overheid/beleid-en-regelgeving/bijbehorende-documenten/documenten-beleid sregels/beleidsregels-kunstwerken-in-wateren 4.
Watercompensatie
Door een eventuele toename van verharding mag de maximale peilstijging niet toenemen. Door een toename van verharding wordt hemelwater sneller richting het oppervlaktewater afgevoerd. Om dit effect te compenseren moet een watercompensatie worden gerealiseerd. Wat betreft de compensatie voor de extra verharding moet in principe eerst onderzocht worden of het mogelijk is om oppervlakte water te graven. Mocht het dan niet lukken om de wateropgave in te vullen, dan kan er ook gekeken worden naar bijvoorbeeld wadi's. Aan het ontwerp van wadi's hangen wel bepaalde eisen vast, willen ze kunnen dienen als waterberging. De eisen kunnen gevonden worden in de richtlijn vasthoudmaatregelen. Ook verwachten we bij een dergelijke ontwikkeling dat rekening wordt gehouden met een aandeel water voor klimaatontwikkeling. 5.
Waterkering
Een gedeelte van de ontwikkeling vindt plaats in de zoneringen van een regionale waterkering. Hoogheemraadschap is voornemens deze waterkering deels te laten vervallen. In overleg met het hoogheemraadschap is daarom besloten dit deel de waterkering niet op te nemen in het bestemmingsplan. 6.
Onderhoud
Toegang voor onderhoud tot de nieuw aan te leggen watergangen (primair en secundair), moet ook in de nieuwe situatie gegarandeerd zijn. Ofwel er moet ruimte zijn voor onderhoud vanaf de kant, of een inlaatpunt zijn voor een boot bij varend onderhoud, afhankelijk van de breedte van de watergangen. In de beleidsregel graven en dempen staat opgenomen hoe breed de onderhoudsstroken naast nieuwe watergangen moeten zijn. Relevante beleidsregel waar ontwerp door Delfland aan getoetst wordt is te vinden via de onderstaande link. Hierin staan de ontwerpeisen voor nieuwe wateren en de regels omtrent onderhoudsstroken rondom watergangen. https://www.hhdelfland.nl/overheid/beleid-en-regelgeving/bijbehorende-documenten/documenten-beleid sregels/beleidsregel-dempen-en-graven 7.
Bodem en grondwater
Algemeen: de ontwikkeling mag geen negatief effect hebben op grondwatersysteem, zowel voor de kwantiteit als kwaliteit. 8.
Afvalwater en riolering
De toename aan afvalwater moet verwerkt kunnen worden door het rioolgemaal. Een check hiervoor wordt gedaan bij Delfland. Aan de hand van de uitkomst, worden eventuele maatregelen getroffen om de afvalwaterstroom te kunnen verwerken.
73
9.
Onderhoud
Bij watergangen, waterkeringen en natte ecologische zones wordt conform de Keur ruimte voor onderhoudsstroken gereserveerd. Deze worden vrijgehouden van bebouwing en obstakels (o.a. bomen). De Keur heeft een zelfstandige werking.
6.4
Gemeentelijk beleid
Het Waterplan Westland, met als ondertitel 'Westlands water, nu en later' is een product van de gemeente Westland en het Hoogheemraadschap van Delfland. Hierin wordt onder andere de waterhuishoudkundige visie en ambities tot 2027 en de daarbij horende uitvoeringsplan 2015 tot 2018 beschreven. De thema's: ”Toekomstig ruimtelijk beleid, Duurzaamheid, Schoon water, waterkeringen, Droge voeten, Afvalwaterketen Beheer en onderhoud, Zoetwatervoorzieningen en grondwater, Recreatie“, worden hierin uitgewerkt. De ruimtelijke vertaling van de hieruit voortkomende maatregelen is per polder in kaart gebracht. De gewenste waterstructuur wordt door de gemeente vertaald in bestemmingsplannen en structuurvisies. In dit Waterplan Westland staan drie thema's centraal: 1. 2. 3.
het terugdringen van de kans op wateroverlast; het verbeteren van de waterkwaliteit; het verhogen van de belevingswaarde van het water, zodat Westlanders meer kunnen genieten van de watergangen in de openbare ruimte. Deze drie thema's gaan dus primair over het houden van droge voeten, over de boezemwatergangen en het beleefbaar maken van water in de openbare ruimte en groenvoorzieningen en het zichtbaar maken van water. Praktisch gezien komt dit erop neer dat er grond wordt vrijgemaakt voor de opvang van overtollig water in polder- en boezemgebieden. Ook dient de wateraanvoer in droge perioden te worden verbeterd en dient er rekening te worden gehouden met versterking van waterkeringen en grondwateroverlast. Daarnaast wordt er extra aandacht gegeven aan de chemische waterkwaliteit (waaraan op dit moment niet wordt voldaan vanwege het afvalwater van glastuinbouwbedrijven, heftige buien, kwel en bestrijdingsmiddelen) en ecologische waterkwaliteit (natuurvriendelijke oevers, visvriendelijke voorzieningen aanleggen en bij onderhoud en beheer rekening houden met de ecologische functie). Verder wordt aandacht gegeven aan de cultuurhistorische waarde van het water (gebruik in het verleden) en recreatief water, waarbij de gemeente Westland nog meer wil inzetten op een recreatief vaarcircuit.
In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Westland heeft de gemeente haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd. Met het Verbreed GRP Westland wordt niet alleen uitvoering gegeven aan de wettelijke eisen, maar wordt ook de onderlinge samenhang tussen de drie zorgplichten en reeds in gang gezette ontwikkelingen zoals het project Riolering Glastuinbouw Westland (RGW) weergegeven.
74
Tabel.: Minimale afmetingen Het uitgangspunt is om het gebied dusdanig in te richten dat rijdend onderhoud mogelijk is. Alleen bij bredere watergangen en indien de inrichting niet anders toelaat wordt uitgegaan van varend onderhoud waarbij dan de inrichtingseisen uit tabel 3.4 worden gehanteerd voor varend onderhoud.
Tabel: Onderhoudsstroken Thema Waterkwaliteit Uitgangspunten het ruimtelijk plan leidt niet tot een achteruitgang van de chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem. er is aandacht voor diffuse verontreinigingen, deze mogen niet leiden tot een achteruitgang van de waterkwaliteit. waar mogelijk worden natte ecologische zones op de verbeelding als water bestemd.
6.5
Waterhuishoudkundig plan
Waterhuishoudkundig plan Door Waterfeit Adviseurs is een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Dit rapport is als Bijlage 26 toegevoegd. Het plangebied bevindt zich deels in het boezemgebied van het Hoogheemraadschap van Delfland en in een hoger gelegen peilgebied GPG2016ONP 16 met peil -0,25 m NAP. Het plangebied wordt gekruist door een regionale waterkering. Het gebied is in de huidige situatie grotendeels verhard vanwege de glastuinbouw. In de nieuwe situatie wordt het gehele plangebied onderdeel van de boezem. Dit betekent dat de regionale waterkering zijn functie verliest en deels komt te vervallen, voor zover deze zich binnen het plangebied bevindt. De peilopzet aan de westzijde van het plan wordt verlaten en de bestaande inlaat aan de Karper wordt verplaatst, zodat het systeem kan worden doorgespoeld. Het maaiveld wordt circa 20 cm opgehoogd tot +0,70 m NAP. Hiermee wordt een drooglegging van +1,13 m gerealiseerd. Vanwege de lokaal slechte doorlatendheid van de bovenste bodemlaag zijn mogelijk
75
aanvullende ontwateringsvoorzieningen benodigd. Nader onderzoek moet dit uitwijzen. Als gevolg van de peilverlaging aan de westzijde daalt ook de grondwaterstand. Vanwege de invloed van de aangrenzende peilgebieden is de verwachting dat deze daling slechts beperkt zal zijn. Er komt ten opzichte van de huidige situatie minder verhard oppervlak terug. Ook wordt de hoeveelheid oppervlaktewater uitgebreid. Hiermee voldoet het plan volgens de watersleutel aan de doelstelling voor waterberging in het klimaatscenario WL-2050. Er is een hoog ambitieniveau op gebied van duurzaamheid. Door een ruime hoeveelheid oppervlaktewater te realiseren, wordt bijgedragen aan het beperken van de kans op wateroverlast, droogte- en hittestress. Waar mogelijk worden natuurvriendelijke oevers met plas/draszones aangelegd die bijdragen aan de waterkwaliteit en biodiversiteit. De bebouwing wordt (bijna) energieneutraal en deels voorzien van groene daken die zorgen voor extra waterberging, verkoeling en meer biodiversiteit. Planuitwerking Randvoorwaarden en uitgangspunten Vanwege de vooringenomen peilwijziging, deels vervallen van de waterkering en de toename van het verhard oppervlak is overleg met het hoogheemraadschap noodzakelijk.
Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren). Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren). De ontwikkeling dient hydrologisch neutraal plaats te vinden (HNO). Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd. De wateropgave baseren op de daadwerkelijke toekomstig verhard oppervlak. Vooralsnog is uitgegaan van 34.355 m 2. Wateropgave 725 m 3. Totaal te realiseren oppervlaktewater 6.549 m 2, waarvan extra 3.336 m 2. Gehele planlocatie binnen peilgebied met waterpeil van 0,43 m -NAP (Code GPG2019BZM). Waterkering deels vervallen binnen de plangrenzen. Calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden). Elke demping moet voor 100% gecompenseerd worden. Calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden). GHG ingeschat op 0,0 m +NAP (0,25 m -mv tot 0,5 m -mv). Bouwen volgens Duurzaam Bouwen (DuBo) principe. Hemelwater Het schone hemelwater zal niet op het vuilwater worden aangesloten maar separaat binnen de planlocatie worden verwerkt. Dit betekent dat bij de verdere planuitwerking water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen en dat hemelwater op een duurzame wijze wordt verwerkt. De ontwikkeling zal hiermee hydrologisch neutraal zijn.
Afstroming van hemelwater richting gebouwen en/of aangrenzende percelen dient te worden voorkomen. Toekomstige waterhuishouding Aan de hand van de watersleutel is bepaald of voldoende oppervlaktewater wordt gerealiseerd om te kunnen voldoen aan de doelstellingen op basis van het (WL)-klimaatscenario 2050. Volgens de watersleutel bedraagt het totaal te realiseren oppervlaktewater in het plangebied 1.386 m 2 bovenop de bestaande 1.700 m 2. In het plan wordt een toename gerealiseerd van 2.800 m 2, waarmee ruimschoots wordt voldaan. De resultaten van de watersleutel zijn toegevoegd als bijlage 6 bij het waterhuishoudkundig plan. Als gevolg van de wijziging van peilgebied naar boezemgebied is mogelijk aanvullende waterberging vereist. De boezem bestaat in de uitgangssituatie voor 6,79% uit water. Om het percentage oppervlaktewater gelijk te houden is met de toename van 1,46 ha bruto oppervlak minimaal een aanvullend wateroppervlak van 991 m 2 vereist. In de nieuwe situatie wordt meer oppervlaktewater gerealiseerd dan minimaal is vereist. Geconcludeerd wordt dat het plan hiermee voldoet. Enkele oevers worden voorzien van een plas/draszone. Deze oppervlakken zijn in de huidige waterbalans niet meegenomen als wateroppervlak, maar leveren hieraan wel een bijdrage.
76
Kwaliteit Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater niet mag verslechteren ten opzichte van de huidige situatie. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. In de toekomstige situatie wordt het watersysteem alleen belast met hemelwater, waardoor de kwaliteit van het oppervlaktewater wordt verbeterd. Bij de bouw mogen geen uitlogende materialen worden toegepast. Ook het realiseren van natuurvriendelijke oevers levert een bijdrage aan het verbeteren van de waterkwaliteit. Deze worden zoveel mogelijk gerealiseerd conform de “Algemene Regels Natuurvriendelijke oevers” van het Hoogheemraadschap van Delfland. Keur Voor alle handelingen aan of in de nabijheid van een watergang zoals: dempen, graven, bouwen, onttrekken, lozen etc. is in het kader van de keur een vergunning van het waterschap benodigd en zal in overleg aangevraagd moeten worden. Ten aanzien van het beoogde planvoornemen zullen zeer waarschijnlijk voor de onderstaande onderdelen een watervergunning worden aangevraagd of geldt tenminste een meldingsplicht: Toename verhard oppervlak; Lozen van hemelwater op het oppervlaktewater; Het graven van water; Het dempen van water; Het plaatsen van kunstwerken; Het verwijderen van kunstwerken; Doorvoeren van een peilwijziging; Tijdelijke grondwateronttrekkingen; Tijdelijke lozingen van bemalingswater.
Riolering Het afvalwater van de woningen zal in de toekomstige situatie gaan afvoeren naar de gemengde riolering in de kern Kwintsheul. Hiertoe wordt in het projectgebied een vuilwaterstelsel met een gemaal gerealiseerd. De dichtstbijzijnde riolering waarop kan worden aangesloten ligt in de Vorkotterstraat. De afvoerpersleiding van het noordelijk gelegen drukrioleringscluster die in de huidige situatie het plangebied doorkruist kan worden aangesloten op het nieuwe vuilwaterstelsel. Met de ontwikkeling worden circa 190 woningen gerealiseerd. Uitgaand van een inwonerequivalent van 2,5 inwoner per woning en een piekafvoer van 12 l per inwoner per uur bedraagt de totale piekafvoer 5,70 m 3/uur. In overleg met de gemeente dient te worden nagegaan of de huidige afvoercapaciteit van de riolering (het gemaal) toereikend is. De toename wordt deels gecompenseerd door de afname van 2,49 ha glastuinbouw die in de huidige situatie ook al afvoert naar het rioleringsstelsel Kwintsheul. Bij een gefaseerde uitvoering van de werkzaamheden is het van belang dat het afvalwater vanaf de eerste fase direct moet kunnen worden afgevoerd naar het gemaal. Dit is mogelijk van invloed op de locatiekeuze van het gemaal. Onderhoud De nieuwe hoofdwatergangen worden varend onderhouden.
De overige watergangen kunnen vanaf de kant worden onderhouden en door de aanliggende eigenaren op de locaties waar de watergang direct grenst aan uitgeefbaar terrein.
77
6.6
Conclusie
Vanuit het oogpunt van water is het plan realiseerbaar. In het kader van zowel de structuurvisie als tijdens het opstellen van dit bestemmingsplan is diverse malen overleg gevoerd met het waterschap. Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Hierover vindt overleg plaats met het Hoogheemraadschap van Delfland.
78
Hoofdstuk 7
Juridische planbeschrijving
7.1
Planvorm
7.1.1
Wettelijk voorgeschreven standaardisering
De planregels en de planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen als gepubliceerd door het ministerie van VROM (SVBP 2008) en als wettelijk voorgeschreven in de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008 (Staatscourant 2008, nr. 377, van 30 oktober 2008). Daarnaast zijn in de planregels de standaardregels opgenomen als geboden in artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. In een apart artikel zijn de bijzondere gebruiksverboden opgenomen voor alle bestemmingen, welke verboden aansluiten op het wettelijk verbod als neergelegd in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening. Voor uitleg van die planregels wordt verwezen naar de toelichting op het Besluit ruimtelijke ordening en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008, in samenhang met de jurisprudentie over die uitleg. 7.1.2
Aanvulling en geoorloofde afwijking van de SVBP 2012
6.1.2
Aanvulling en geoorloofde afwijking van de SVBP 2012
De planregels en planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn toegesneden op de specifieke behoefte aan planregulering voor het gegeven plangebied. In de hierna volgende paragrafen is de aan het bestemmingsplan eigen plansystematiek toegelicht voor zover die een aanvulling of een geoorloofde afwijking vormt van de SVBP 2012. 7.1.3
Systematiek van de planregels
Opbouw planregels De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: Hoofdstuk 1 Inleidende regels; Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 Algemene regels; Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels. Hoofdstuk 1 Inleidende regels Begrippen (Artikel 1) Dit artikel definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels De bestemmingsregels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: doeleindenomschrijving (gebruiksregels); bouwregels; nadere eisen; afwijkingsregels. Groen (artikel 3) In deze bestemming zijn de aspecten van het groen geregeld.
79
Verkeer (artikel 4) In deze bestemming zijn de aspecten van het verkeer geregeld. Water (artikel 5) In deze bestemming zijn de aspecten van het water geregeld. Wonen (artikel 6) De voormalige bedrijfswoningen gesitueerd tussen de te realiseren woningbouw en de kern Kwintsheul vormen nog een onderdeel van het bestemmingsplan Glastuinbouw. Deze woningen worden met de bestemming “Wonen” opgenomen in het bestemmingsplan 'De Driesprong. Woongebied (artikel 7) In deze bestemming zijn de aspecten van het woongebied geregeld. Woongebied - Uit te werken (artikel 8) De gronden met deze bestemming maken deel uit van het gebied waarop de vastgestelde Structuurvisie De Driesprong van toepassing is. De gronden zijn evenwel niet verworven door de gemeente. Ten einde de mogelijkheid open te houden de gronden alsnog te ontwikkelen conform in de structuurvisie is opgenomen, zijn deze opgenomen in een bestemming Woongebied - Uit te werken. Onderzoek(slasten) en kostenverhaal zijn aan de orde als een uitwerking van de bestemming daadwerkelijk wordt voorbereid. In deze bestemming is globaal de voorgenomen ontwikkeling vastgelegd. Waarde - Archeologie (artikel 9) In deze bestemming zijn de aspecten van de archeologie geregeld.
Hoofdstuk 3 Algemene bestemmingsregels Anti-dubbelregel (artikel 11) Algemene b ouwregels (Artikel 12) Algemene geb ruiksregels (Artikel 13) Algemene aanduidingsregels (Artikel 14) Algemene afwijkingsregels (Artikel 15) Overige regels (Artikel 16) Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In de artikelen 17 en 18 zijn de volgende onderdelen opgenomen: het overgangsrecht; en het onderdeel "slotregel". 7.1.4
Systematiek van de planverbeelding
Wettelijke vereisten De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Hierbij vormt de inhoud van de digitale versie de beslissende versie. De digitalisering brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. De planverbeelding is digitaal vorm gegeven overeenkomstig de Regeling standaarden ruimtelijke
80
ordening 2008. De digitale planverbeelding en de andere onderdelen van de dataset hebben het volgende planidentificatie-nummer gekregen: NL.IMRO.1783.KWIDRIESPRONGOBP-VA01 De dataset bestaat uit: het GML-bestand van de planverbeelding; het XML-geleideformulier; de onderliggende bestanden zoals ondergrond en overige topografische informatie; de PDF- en HTML-bestanden voor respectievelijk de verbeelding van plantoelichting en planregels. Leeswijzer verbeelding Wegwijzer via internet Met de digitalisering van ruimtelijke plannen is het lezen en interpreteren van de verbeelding (voorheen plankaart) een nieuwe aangelegenheid. Via de website www.ruimtelijkeplannen.nl kunnen bestemmingsplannen (ook in voorbereiding zijnde plannen voor zover deze ter inzage zijn gelegd) worden ingezien. Via het tabblad 'bestemmingsplannen' kan worden doorgeklikt naar de provincie, de woonplaats of nog specifieker de straatnaam. De gebieden die zwart omlijnd op de kaart staan aangeduid, zijn de gebieden waarvoor een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar is. Zodra het gewenste bestemmingsplan is gevonden en deze voldoende is ingezoomd, wordt de betreffende bestemmingslegging zichtbaar. Om een beter beeld van de omgeving te krijgen, kan voor verschillende ondergronden worden gekozen (luchtfoto, topografie).
Zodra linksonder 'legenda' wordt aangeklikt, wordt inzichtelijk wat de verschillende kleuren betekenen. Door vervolgens op een locatie binnen het plangebied te klikken wordt aan de rechterzijde van de kaart de bijbehorende informatie getoond. Indien meer informatie is gewenst, kan worden doorgeklikt naar de toelichting en/of de regels van het plan. Analoge verbeelding Alhoewel de digitale verbeelding het uitgangspunt vormt, blijft het mogelijk het bestemmingsplan analoog in te zien. Het lezen van de analoge verbeelding is verschillend van de digitale verbeelding. Op de analoge verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. Bestemmingsvlak en bouwvlak Vrijwel elke bestemming bestaat doorgaans uit twee vlakken: een bestemmingsvlak en een bouwvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik toegestaan is. Het bouwvlak is een gebied waarvoor de mogelijkheden om gebouwen te bouwen in de regels zijn aangegeven. Bouwvlakken worden doorgaans voorzien van aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering. Soms komt het voor dat het bestemmingsvlak en het bouwvlak met elkaar samenvallen.
Op de plankaart is dan uitsluitend een bouwvlak te zien (het bestemmingsvlak ligt hieronder). Aanduidingen Op de digitale plankaart is een onderscheid gemaakt in verschillende aanduidingen. Een aantal functieaanduidingen is gebruikt om de gebruiksmogelijkheden binnen een bestemming of een gedeelte daarvan nader te specificeren. Het kan hierbij gaan om een nadere specificatie van de gebruiksmogelijkheden, een expliciete verruiming daarvan of juist een beperking. Voorbeelden van functieaanduidingen zijn 'bedrijfswoning', 'detailhandel' en 'kantoor'. Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken, worden bouwaanduidingen genoemd. Voorbeelden van bouwaanduidingen zijn 'gestapeld' en 'onderdoorgang'. Alle aanduidingen die betrekking hebben op afmetingen, percentages en oppervlakten, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn maatvoeringaanduidingen.
81
Hoofdstuk 8 8.1
Handhaving
Handhavingsbeleid
Op 11 oktober 2016 heeft de gemeenteraad de 'Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht' vastgesteld. Deze verordening regelt de kwaliteit van de door en in opdracht van het college van burgemeester en wethouders uitgevoerde vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) van het omgevingsrecht. De verordening gaat uit van een brede verantwoordelijkheid van gemeenten en provincies voor kwaliteit. Dat wil zeggen dat als vertrekpunt wordt genomen dat alle taken van het college van burgemeester en wethouders op grond van de Wabo en de betrokken wetten, onderwerp van de verordening vormen. Het gaat dan om thuistaken, die het college "in eigen huis" verricht, de basistaken die krachtens de wet in opdracht van het college door omgevingsdiensten worden verricht en de plustaken, die het college naast de basistaken heeft belegd bij de omgevingsdienst. Behalve milieutaken betreft het dus ook uitdrukkelijk de zogenaamde "BRIKS-taken" (inzake bouw-, reclame-, inrit-, kap- en sloopvergunningen).
De reikwijdte vloeit voort uit het gegeven dat waar de zorg voor een gezonde en veilige leefomgeving gestalte krijgt via vergunningverlening, het toezicht en de handhaving, de regeling van de kwaliteit van deze verrichtingen niet dient te berusten op een kunstmatig onderscheid naar de plaats waar een taak wordt verricht, of op een opsplitsing van de omgevingsvergunning, het toezicht of de handhaving. In de praktijk blijkt dat de kwaliteit van de uitvoering en handhaving afhankelijk is van de wijze waarop alle betrokken partijen bij de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving zich daarvoor inzetten door samenwerking. De gemeente Westland wil een prettige woon-, werk- en leefomgeving voor haar burgers en ondernemers. Dat wil de gemeente bereiken door de duurzaamheid, veiligheid en leefbaarheid in het Westland te vergroten en te waarborgen. Handhaving is hierbij één van de middelen die hiervoor wordt ingezet. Handhaving is dus geen doel op zich, maar een onderdeel van de reguleringsketen (ontwikkeling wet - en regelgeving - normstelling - vergunningverlening - uitvoering - toezicht -handhaving). De handhaving van de regelgeving vervat in dit omgevingsplan is de bevoegdheid van burgemeester en wethouders. Het gaat daarmee vooral om de planregels inzake het bouwen en het gebruik van gronden en bouwwerken en het realiseren en beschermen van vastgelegde ambities.
Een aantal vormen van gebruik wordt specifiek aangeduid als strijdig met de bestemming, om handhavend optreden hiertegen goed mogelijk te maken. Uiteraard betreft het hier een niet-limitatieve opsomming. Handhaving van dit bestemmingsplan is van belang om de ruimtelijke kwaliteit en de fysieke leefomgeving te beschermen en te benutten. Daarnaast heeft handhaving uiteraard ook een belangrijke functie in het kader van de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. De planregels in dit plan zijn voldoende duidelijk, concreet en toepasbaar om te kunnen handhaven. Handhaving van het plan zal in de praktijk primair plaatsvinden via de omgevingsplanplantoets in het kader van de omgevingsvergunning en door feitelijk toezicht op de aanwezigheid van bouwwerken en op gebruiksactiviteiten.
82
Hoofdstuk 9 9.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4, onderscheidenlijk 5, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Planspecifiek Concreet betekent dit voor het plan, dat er bij een nieuw bestemmingplan een exploitatieplan of exploitatieovereenkomst moet worden toegevoegd. Hierin leggen gemeente en initiatiefnemer afspraken vast over de exploitatie van de nieuwe ontwikkeling. In plaats van een exploitatieplan mag er ook een exploitatieovereenkomst bij het nieuwe bestemmingsplan gevoegd worden.
Doel van een exploitatieovereenkomst is het maken van sluitende en kostendekkende financiële afspraken tussen betrokken partijen over de ontwikkeling van een locatie. Een exploitatieovereenkomst wordt ook wel 'anterieure overeenkomst' genoemd, omdat deze voorafgaand aan de bestemmingsplanprocedure wordt opgesteld. Een exploitatieovereenkomst valt onder het privaatrecht: als zodanig zijn er geen verplichte onderdelen en hoeft niet de gehele overeenkomst openbaar gemaakt te worden. Ook hoeft een exploitatieovereenkomst geen wettelijke procedure te doorlopen en behoeft de overeenkomst evenmin ter inzage voor inspraak en/of zienswijzen te worden gelegd. Wel moet het college van Burgemeester en wethouders binnen twee weken na het sluiten van de overeenkomst een publicatie doen met de mededeling dat de exploitatieovereenkomst gesloten is, met daarbij een zakelijke omschrijving van de inhoud van de overeenkomst. Op grond van de Wet Open Overheid (Woo) is het wel mogelijk om een verzoek in te dienen voor inzage in de overeenkomst. De Woo biedt evenwel mogelijkheden om - onder voorwaarden - bepaalde delen van of de gehele overeenkomst vertrouwelijk te houden. De anterieure overeenkomst is opgesteld en getekend voorafgaand aan de ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan.
9.2
M aatschappelijke uitvoerbaarheid
9.2.1
Overleg
In de periode vanaf 11 september 2021 gedurende zes weken heeft over het voorontwerp van dit bestemmingsplan bestuurlijk overleg plaatsgehad als geboden in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Hierbij hebben de volgende instanties gereageerd: Veiligheidsregio Haaglanden Hoogheemraadschap van Delfland Omgevingsdienst Haaglanden De uitkomsten van het overleg, als bedoeld in artikel 3.1.6, eerste lid, onder c., van het Besluit ruimtelijke ordening, zijn opgenomen in Bijlage 27 van deze toelichting.
83
9.2.2
Inspraak
In het kader van de Inspraakverordening Westland 2004 zal er voor het voorontwerp bestemmingsplan inspraak plaatsvinden. Omdat in het traject van het opstellen van de structuurvisie uitvoerige informatie en inspraak heeft plaatsgevonden, wordt er geen informatiebijeenkomst georganiseerd. Gelijktijdig met het bestuurlijk overleg plaatsgehad als geboden in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, heeft het bestemmingsplan ook ter inzage gelegen met het voorontwerp vanaf 11 september 2021 gedurende zes weken. In de nota van beantwoording van inspraak- en vooroverlegreacties, die opgenomen is als Bijlage 27, komen de artikelen overeen met het voorontwerp van het bestemmingsplan. Door aanpassingen en aanvullingen corresponderen de nummers van ontwerpbestemmingsplan niet met de nota. 9.2.3
Zienswijzen
Vanaf 17 maart 2022 heeft het ontwerp van dit bestemmingsplan 6 weken ter visie gelegen voor het indienen van zienswijzen, als bedoeld in artikel 3.8, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening in verbintenis met Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Gedurende de periode van tervisielegging zijn 11 zienswijzen ingediend. De ontvangen zienswijzen zijn beoordeeld. Voor een overzicht van de zienswijzen wordt verwezen naar Bijlage 28 van deze toelichting. De wijzigingen die uitgevoerd zijn, zijn opgenomen in bijlage 29
84