CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan De Driesprong - Toelichting

Gemeenteraad 19 april 2023, gemeente WestlandBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan De Driesprong33.609 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

24

Hoofdstuk 4 4.1

Beleidskaders

Algemeen

Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de regels in het bestemmingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is een taak die primair bij de gemeente ligt. Deze beleidsvrije taak is een vervolg op het criterium van een goede ruimtelijke ordening uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), maar dan in de bredere strekking van de fysieke leefomgeving. Een evenwichtige toedeling van functies aan activiteiten houdt in dat alle regels in het bestemmingsplan samen moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Op welke manier de functies zijn toebedeeld in De Driesprong is toegelicht in Hoofdstuk 7 Juridische planbeschrijving. De gemeente hoeft niet alle regels die bijdragen aan het bereiken van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het bestemmingsplan op te nemen. Regels van het Rijk, de provincies en de waterschappen dragen ook bij aan een evenwichtige regulering van activiteiten. Bij het vaststellen van het bestemmingsplan moet de gemeente hier rekening mee houden. bestemmingsplan Het is niet nodig en soms ook niet mogelijk - om regels te stellen in het bestemmingsplan die ergens anders al zijn gesteld. Al die regels samen dragen bij aan het tot stand te brengen evenwicht.

Zoals aangegeven is het bestemmingsplan kaderstellend en onderdeel van beleidsdoorwerking. Om doelen en ambities voor de fysieke leefomgeving te bereiken dienen deze vastgelegd te worden in het bestemmingsplan. De regels in het bestemmingsplan zijn bindend voor de burgers, bedrijven, initiatiefnemers en de gemeente. Alvorens de regels opgesteld kunnen worden dienen de ambities en kaders bepaald te worden. Beleidskader De beleidscontext voor de visie op het plangebied wordt gevormd door gemeentelijk, regionaal, provinciaal en landelijk beleid. Onderstaand wordt dit beleid kort samengevat, waarna in een conclusie de relevantie van dat beleid wordt beschreven.

4.2

Gemeentelijk beleid

4.2.1

Structuurvisie Driesprong

In januari 2020 is de structuurvisie Driesprong vastgesteld, met daarin een raamwerk dat ruimte biedt voor een het maken van een gemengde woonbuurt en spelende maatschappelijke vraagstukken integreert. De planstructuur is gebaseerd op een stevig groen-blauw raamwerk, waarmee in de buurt voldoende ruimte ontstaat die ook goed toegankelijk is vanuit het bestaande dorp. De wijk is klimaatadaptief en toekomstbestendig. De groenstructuur verbindt de ecologische zone van de Gantel met de Holle Watering. De afwikkeling van het gemotoriseerd verkeer vindt plaats via de Mariëndijk en de Van Buerenlaan. Voor langzaam verkeer komen diverse verbindingen naar het dorp beschikbaar en de woonbuurt zelf verkrijgt eveneens een fijnmazig netwerk voor langzaam verkeer. Het voorliggende bestemmingsplan vormt de juridisch-planologische uitwerking van de structuurvisie. 4.2.2

Omgevingsvisie Westland

De omgevingsvisie 2.0 schetst de toekomst van Westland en doet dit voor de komende 10 tot 20 jaar. De gemeente wil in deze periode een goede balans bereiken tussen betrouwbaarheid, continuïteit en flexibiliteit. De visie bevat een aantal ambities en kernopgaven, waarvan de gemeente graag wil dat deze in respectievelijk 2030 en 2040 worden bereikt. Doordat ontwikkelingen in de maatschappij erg veelzijdig zijn wordt hierbij geen eindbeeld vastgelegd. Eerder is er sprake van een wensbeeld waarbij er voldoende ruimte gegeven moet worden om: op externe ontwikkelingen te reageren; initiatieven te ontplooien en afwegingen te maken.

25

Een van de doelen van de Omgevingswet is om plannen op een meer integrale manier op te stellen. Door de gemeente wordt hier invulling aan gegeven door in de Omgevingsvisie 2.0 verschillende thema's bij elkaar te brengen die voorheen niet altijd onderdeel van een structuurvisie uit maakten. Naast de traditionele onderwerpen zoals woningbouw, bedrijventerreinen, kassen, groen en water maken bijvoorbeeld ook het sociale domein, gezondheid, veiligheid, klimaatadaptatie, erfgoed en de energietransitie onderdeel uit van de Omgevingsvisie 2.0. De ambities die de gemeente hiervoor in de Omgevingsvisie opgenomen heeft betreffen: 1. 2. 3. 4. 5.

Westland werkt samen aan vitale, sociaal krachtige, gezonde en duurzame dorpen; Westland versterkt haar economie en bestendigt haar (economische) toppositie als regio; Westland versterkt en benut het menselijk kapitaal van de gemeente; Westland behoudt en versterkt haar ruimtelijke, cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten; Westland is in 2040 klimaatbestendig en energieneutraal en focust eerst op verduurzaming van het tuinbouwcluster.

4.2.3

Omgevingsvisie Westland - Kwintsheul

In de omgevingsvisie 2.0 wordt een apart hoofdstuk gewijd aan Kwintsheul. Wonen Het woningaanbod in Kwintsheul wordt door de inwoners als niet goed beoordeeld: er is behoefte aan woningen voor starters, jonge gezinnen en voor ouderen gecombineerd met zorg. De grootste behoefte bestaat aan appartementen. Omdat deze er nu te weinig zijn, trekken veel jongeren weg. Dit heeft effect op de leefbaarheid van het dorp. Daarnaast mag ook de glastuinbouw en het buitengebied meer gebruikt worden voor het realiseren van woningbouw. Met woningbouw op de Driesprong kan worden gezorgd voor betere aansluiting op de lokale vraag, zodat doorstroming op gang kan komen. De gemeente wil met name kleine en betaalbare woningen aanbieden voor senioren en/of jongeren uit het dorp zelf. Voorzieningen Inwoners geven aan dat meer woningen kunnen bijdragen aan het handhaven van voorzieningen in het dorp. Er is een bloeiend verenigingsleven en er zijn voldoende vrijwilligers. Sportvereniging Quintus is van groot belang voor de identiteit van Kwintsheul met een groot aanbod van verschillende sporten. De inwoners, waarvan 30,4% lid is bij een sportbond, zijn bovengemiddeld tevreden over het sportaanbod. Voor de behartiging van hun belangen hebben maatschappelijke organisaties zich verenigd in de 'Heulse Aanpak', een platform van verenigingen en organisaties in Kwintsheul.

Zij bespreken lopende zaken rondom bijvoorbeeld leefbaarheid, cultuur, en veiligheid. Zij zijn gesprekspartner van de gemeente en kunnen advies uitbrengen. Groen en water "Meer groen' vinden veel mensen voor de toekomst van het dorp van groot belang. In Kwintsheul is behoefte aan meer groen om te fietsen en te wandelen. De groenstructuur is in Kwintsheul duidelijk gekoppeld aan de waterstructuur. Langs de Lange Watering en rondom de Van Luijklaan zijn groengebieden te vinden. De Driesprong moet een stepping stone worden in de groene verbinding tussen Solleveld en de Zwethzone. Glastuinbouw In Kwintsheul moet er voldoende groen en water rondom de kassen blijven, alsmede innovatief worden omgegaan met energieverbruik. Aan de noordkant liggen kassen met sierteelt en groenteteelt. Er is relatief veel stenen bebouwing (bedrijfsruimtes en laboratoria), met redelijk veel verkeersbewegingen. Hier ziet Westland kansen voor energietransitie en herstructurering. Mobiliteit Wanneer het gaat om de bereikbaarheid van het dorp zijn de deelnemers vooral zeer tevreden over de fietsverbindingen. Het openbaar vervoer wordt gemiddeld beoordeeld, wel geeft men aan dat de verbinding met het treinnetwerk beter kan. Wat opvalt is dat men in Kwintsheul de bereikbaarheid met de auto negatief beoordeelt. Met de realisatie van een aantal infrastructurele projecten in Westland is een

26

gedeelte van de problematiek van het vrachtverkeer opgelost. We zijn alert op vrachtverkeer door de kern, want dat is verboden. Ontwerpprincipes De woningen die op de Driesprong gebouwd worden, zijn met name gericht op doorstroming, starters en senioren. Er is ruimte voor hogere of gestapelde bebouwing tot maximaal vier bouwlagen, mits dit goed wordt ingepast. 4.2.4

Woningbouwprogramma algemeen

De opgave om in De Driesprong woningbouw te realiseren komt voort uit de wens om in de kleinere kernen in het Westland woningbouw te realiseren voor de eigen inwoners. De vraag naar woningen in Kwintsheul is zowel een kwalitatief als een kwantitatief vraagstuk. De verwachting is dat het aantal 1- en 2 persoonshuishoudens en de vraag vanuit de doelgroepen starters en senioren verder toenemen. Omdat Kwintsheul een vrij eenzijdige woningvoorraad (veel eengezinswoningen) en weinig doorstroming kent, is er sprake van een mismatch tussen de vraag en de beschikbaarheid aan geschikte woningen. Daarnaast is door de lichte groei van het aantal huishoudens sprake van een kwantitatief vraagstuk. 4.2.4.1 Woonvisie Westland 2020-2030 De Woonvisie 2020-2030 is een actualisatie van de Woonvisie Westland 2030 die is opgesteld in 2016 en vastgesteld door de raad in 2020. Met de actualisatie krijgt de gemeente de gelegenheid om integraal de afweging te maken voor welke doelgroep er gebouwd moet worden in Westland op basis van actuele gegevens. De visie vormt de basis voor nieuwe woningmarktafspraken met de regio Haaglanden, afspraken voor de huisvesting van arbeidsmigranten, zorginstellingen en de prestatieafspraken met de woningcorporaties.

Conclusies Woonvisie De conclusies die uit de "Woonvisie 2020-2030" getrokken kunnen worden zijn: de behoefte aan sociale huurwoningen blijft onverminderd groot en krijgt een belangrijke plaats in het (ambitieuze) bouwprogramma; blijvende aandacht voor de groep middeninkomens is gerechtvaardigd; het aantal 70-plussers verdubbelt, zodat wonen met zorg verder moet worden ontwikkeld; de huisvestingsopgave voor arbeidsmigranten is substantieel; flexwonen krijgt een plaats in het bouwprogramma. Voor nieuwe bouwplannen geldt in beginsel de volgende verdeling in prijssegmenten: 45% dure/extra dure koop, 20% middeldure koop/huur, 5% goedkope koop, 30% sociale huur. Daarbij geldt een ambitie voor zorg- en ouderenwoningen en de huisvesting van arbeidsmigranten. Planspecifiek Het woningbouwprogramma moet voorzien in de doorstroming in Kwintsheul en een vereist minimum sociale huisvesting. Hoe de verdeling van de woningen er in typen en aantallen precies uit komt te zien, is niet exact vastgelegd, maar wel gelden de volgende regels: Bij de realisatie van een bouwfase is het wenselijk om afstemming te zoeken met nieuwbouwinitiatieven elders in Kwintsheul, waardoor nieuwbouw beter kan inspelen op de specifieke behoefte. De woningdichtheid in dit bestemmingsplan is geregeld in artikel 7.2 Bouwregels. De woningdichtheid is gemeten naar bruto plangebied.

Door middel van een afwijking kan een hoger aantal worden toegestaan, met bijbehorende voorwaarden (compensatie verhard oppervlak, parkeren etc. eveneens regelen binnen de woonvlekken en niet afwentelen op openbaar gebied (zijnde de bestemmingen verkeer, water, groen). Sociaal aandeel In de Woonvisie Westland 2030 is aangegeven dat er een hernieuwde inzet nodig is op de bouw van voldoende betaalbare woningen op basis van de Westlandse woningbehoefte.

27

4.2.5

Stimuleringsbeleid uitplaatsing

De gemeente heeft de opgave om circa 1.200 woningen uit het buitengebied uit te plaatsen. Deze woningen staan de ontwikkeling van duurzame glastuinbouw 'in de weg'. Door woningen uit te plaatsen wordt het mogelijk om in het gebied dat op de Strategiekaart Werkboek Westland als 'Glas' is aangegeven, meer efficiënte glastuinbouwgebieden en een meer duurzame ontwikkeling van glastuinbouw te realiseren. Voor deze zogenaamde 'Uitplaatskavels' worden in Westland locaties gezocht in 'gemengde dorpsranden'. In De Driesprong is ruimte voor dergelijke Uitplaatskavels. In de structuurvisie is hiervoor een zone aangewezen langs de noord- en oostrand van het toekomstige woongebied. De gemeente heeft een inventarisatie gedaan van de woonbehoefte van deze doelgroep. Dit geeft aanleiding om te veronderstellen dat er een gevarieerder behoefte is dan alleen grote kavels met een traditionele vrijstaande woning. Dit leidt tot de gedachte om niet (alleen) een rand aan te wijzen met kavels, maar te onderzoeken of een zone met een gemengd aanbod denkbaar is. Richtlijnen Het aanbod is beperkt, maar de interesse is er wel onder tuinders uit Kwintsheul en elders uit de gemeente. De ervaring aan de Casembrootlaan (Monster) of Rettichlaan ('s-Gravenzande) laat zien dat kwaliteit van de leefomgeving belangrijk weegt. Bewoners neigen naar rust, vrijheid en ruimte.

Indien de opgave binnen de realisatietermijn van De Driesprong daadwerkelijk concreet is, dan vindt dit plaats in een zone als overgangsgebied tussen het glas en de kern. Vanuit de glastuinbouw is overeengekomen dat het gaat om kavels van 800 á 1000 m². Op basis van het bestemmingsplan is het bouwvolume 1,5x het oppervlak van de kavel tot een max van 1.000 m 3 (vanaf 667 m 3 , dus kavels max 1.000 m 2). Niet alle uitplaatsers hebben behoefte aan een kavel met die omvang. De interesse gaat eerder uit naar kavels van 500 á 600 m² en andere woningtypen Er kan van het bovenstaand principe om alleen kavels na te bieden worden afgeweken, omdat de behoefte breder is. In de zone is daarom ook ruimte voor geschakelde woningen, kleine woningen, woningen met steiger aan het water, seniorenwoningen of zelfs appartementen zijn voor deze doelgroep interessant. 1. Deze woningen zijn bedoeld voor tuinders. 2. Er moet worden onderbouwd waarom er voor een afwijkende woningtype gekozen is. 3. Ongeacht het woningtype is van belang dat de milieucontour van glastuinbouw in acht wordt genomen. Er moet onderzoek worden gedaan of de realisatie van een overgangszone ook vanuit milieukundig oogpunt aanvaardbaar is. Dit onderzoek is opgenomen in paragraaf 5.2 Bedrijven en milieuzonering.

4.3

Regionaal beleid

4.3.1

Regionaal structuurplan Haaglanden

Het Regionaal Structuurplan Haaglanden is een integraal plan voor de ruimtelijke ontwikkeling van Haaglanden en het kader voor het regionale beleid op het gebied van milieu, groen, mobiliteit, wonen en economie en voor lokale plannen, zoals de bestemmingsplannen. De ambitie is, dat het in heel Haaglanden voor iedereen goed wonen, werken en ontspannen is. De ruimtelijke structuur moet mensen stimuleren maatschappelijk actief te zijn en zich te ontwikkelen. De vraag naar woningen, houdt aan, maar de ontwikkeling van nieuw stedelijk gebied gaat al snel ten koste van het groen of water. De realisatie van woningbouw in De Driesprong is afgestemd met de provincie en de regio en is derhalve niet tegenstrijdig aan het regionaal beleid.

28

4.3.2

Verstedelijkingsagenda Zuidelijke Randstad

In de Zuidelijke Randstad is een stagnatie in de realisatie van stedelijke woningbouw. De verwachte stedelijke woningbehoefte bedraagt circa 149.000 woningen tot 2030. Het realiseren van deze stedelijke woonwens biedt kansen voor versterking van de stedelijke en regionale economie en van de agglomeratiekracht. Er is een toenemende vraag naar stedelijke woningen maar er worden er onvoldoende gebouwd door onder meer belemmeringen in regelgeving en marktfalen bij herstructurering en transformatie. Het netwerk Zuidelijke Randstad, waarin de provincie, regio en gemeenten samenwerken, heeft in 2016 een Verstedelijkingsagenda opgesteld. Afgesproken is dat de nieuwe woningen terecht moeten komen rond (vervoers)knooppunten en op economische toplocaties, te transformeren verouderde haven- en bedrijventerreinen, toekomstbestendige wijken en overige ontwikkellocaties zoals braakliggende terreinen in het stedelijk gebied. 4.3.3

Werkboek Westland

In het Werkboek Westland is aangegeven dat het gebied ten noordwesten van Kwintsheul geschikt is voor middelgrote glastuinbouwbedrijven. De bijgaande strategiekaart geeft een abstracte weergave van de indeling van glastuinbouwgebieden in het Westland. De plaatselijke situatie is doorgaans veel genuanceerder dan op een dergelijke kaart is weer te geven en dat is ook in De Driesprong het geval. Ondernemers hebben in De Driesprong te maken met een zeer versnipperd eigendom, kavelgroottes variërend van 0,6 tot 3 hectare, een smalle langgerekte kavelstructuur en de aanwezigheid van burgerwoningen, waartoe een hindercontour van 30 meter moet worden aangehouden. Het zuidelijk gedeelte van het plangebied is derhalve niet tot duurzaam glastuinbouwgebied in te richten, waar optimale productieomstandigheden zijn te creëren. Dit betreft grofweg het gebied ten zuiden van de lijn die in het verlengde ligt van de Mariëndijk. In tegenstelling tot de strategiekaart is de structuurvisie gemaakt vanuit het feitelijke ruimtegebruik en toekomstmogelijkheden in het gebied. Tuinders geven aan dat de gronden nabij de dorpskern niet als duurzaam glastuinbouwgebied kunnen worden aangewend. Dat argument in combinatie met het langdurig braak liggen van de gronden en de behoefte aan woningbouw heeft geleid tot de keuze om dan deze gronden aan te wenden voor de woningbehoefte.

De realiteit van het plangebied noodzaakt naar de mening van de gemeente dus tot een genuanceerde benadering.

4.4

Provinciaal beleid

4.4.1

Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Zuid-Holland

In de Omgevingsverordening (hierna OR) worden regels gesteld aan bestemmingsplannen. Die regels betreffen glastuinbouwgebied, bestaand stads- en dorpsgezicht en de ruimtelijke kwaliteit, de combinatie landschap-groen-erfgoed en de combinatie energie-water-bodem. 4.4.2

Relatie met Omgevingsvisie Zuid-Holland

Glastuinbouw De realisatie van woningbouw is vooralsnog strijdig met de Omgevingsvisie Zuid-Holland en de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Artikel 6.1.5 Glastuinbouwgebied, Lid 1: glastuinbouwgebied voor teelt onder glas, geeft aan dat een bestemmingsplan voor gronden binnen het glastuinbouwgebied (als verbeeld op Kaart 3 Teeltgebieden) alleen glastuinbouwbedrijven en openlucht tuinbouwbedrijven toelaat, alsmede de daarbij behorende voorzieningen en voorzieningen voor energieopwekking. Lid 3 van ditzelfde artikel geeft een afwijkingsmogelijkheid voor niet voorziene ontwikkelingen met een zwaarwegend algemeen belang, indien er geen reële mogelijkheid is om die ontwikkeling buiten het glastuinbouwgebied te realiseren. De afwijkingsmogelijkheid biedt de gemeente de mogelijkheid om in het bestemmingsplan gemotiveerd af te wijken van artikel 6.1.5. Onder zwaarwegend algemeen belang wordt in ieder geval verstaan de ontwikkeling van een locatie die in het Programma ruimte is aangeduid op de zogenoemde 3 ha kaart. Uitgangspunt voor het opnemen

29

van een locatie op de '3 ha kaart' is dat het gaat om een reële ontwikkeling. Binnen een periode van ten hoogste 10 jaar moet er voldoende behoefte bestaan voor ontwikkeling van de locatie.

Figuur kaart Omgevingsverordening - glastuinbouwgebied In paragraaf 4.2 van dit bestemmingsplan wordt beargumenteerd dat het genuanceerd toevoegen van specifieke woningtypen aan de bestaande voorraad in Kwintsheul, niet kan worden opgelost binnen het bestaand stedelijk gebied. In de specifieke situatie van Kwintsheul, waar het gehele buitengebied in de Omgevingsverordening is aangewezen als glastuinbouwgebied, zal deze opgave ten koste gaan van het glastuinbouwgebied. De gemeente heeft overwogen dat de planlocatie Driesprong momenteel slechts gedeeltelijk in gebruik is als glastuinbouwgebied. Analyse heeft uitgewezen dat de huidige en toekomstige gebruikswaarde van De Driesprong als glastuinbouwgebied beperkt is, dit in tegenstelling tot andere glastuinbouwgebieden grenzend aan de dorpskern. Het aanwenden van deze locatie om de woningbehoefte van Kwintsheul op te lossen is een weloverwogen keuze. De ontwikkeling van woningbouw in Kwintsheul is realistisch en is voorzien binnen een periode van circa 4-6 jaar. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen van de OR is opgenomen dat de toelichting van het bestemmingsplan ingaat op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening.

Als de in de ladder vastgestelde behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet kan worden voorzien binnen bestaand stadsen dorpsgebied, dan moet gebruik worden gemaakt van de locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Het betreft hierbij uitsluitend locaties groter dan 3 hectare. Het plangebied ligt buiten het aangewezen stads- en dorpsgebied en heeft een oppervlakte van groter dan 3 hectare. In paragraaf 4.6 wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking toegelicht.

30

Figuur kaart Omgevingsvisie - b estaand stads- en dorpsgebied Ruimtelijke kwaliteit Artikel 6.9 Provinciale verordening 1. 2.

3.

4.

5.

Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit, zoals vermeld op kaart 14 in bijlage II en beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap. Bij het beantwoorden van de vraag of bij een beoogde ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd kan blijven, wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd als bedoeld in het vijfde lid Een bestemmingsplan kan een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken, mits een zorgvuldige afweging is gemaakt over de locatiekeuze. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van het gebied en de effecten van de ontwikkeling daarop. Deze vereisten gelden voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling waarbij: a. een of meer richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit in het geding zijn zoals beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap; of b. sprake is van aanpassen of transformatie als bedoeld in het vijfde lid. Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: a.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; b. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke

31

c.

kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.

In het algemeen zijn er voor ouderen in het Westland, en zeker in Kwintsheul, te weinig mogelijkheden om door te stromen naar een seniorenwoning. De bestaande seniorenwoningen en accommodaties van zorginstellingen voldoen in veel gevallen niet aan de moderne eisen. De woningen zijn klein en niet geschikt om met moderne hulpmiddelen zorg te verlenen. Mede omdat senioren vaak comfortabel wonen met een dragelijke hypotheeklast is de verhuisgeneigdheid klein. Dit heeft als effect dat sprake is van een zeer beperkte doorstroming, hetgeen op haar beurt zorgt voor onvoldoende kansen op de woningmarkt voor jongeren om een wooncarrière binnen de eigen kern of het Westland te beginnen. De gemeente heeft overwogen dat de planlocatie Driesprong momenteel slechts gedeeltelijk in gebruik is als glastuinbouwgebied. Analyse heeft uitgewezen dat de huidige en toekomstige gebruikswaarde van De Driesprong als glastuinbouwgebied beperkt is, dit in tegenstelling tot andere glastuinbouwgebieden grenzend aan de dorpskern. Het aanwenden van deze locatie om de woningbehoefte van Kwintsheul op te lossen is een weloverwogen keuze. De keuze om De Driesprong aan te wijzen als plangebied heeft te maken met diverse ruimtelijk-functionele aspecten.

Er is gezocht naar een locatie waarbij de woningbouw op een ruimtelijk en verkeerskundige manier goed aansluit op het dorp en waarbij het aangrenzende glastuinbouwgebied logisch en efficiënt te verkavelen is. Kwintsheul is van oudsher gegroeid tussen de kassen en kent daardoor een bijzonder compacte opbouw. Daardoor is er verhoudingsgewijs zeer weinig groen in het dorp, en dat beperkt zich grotendeels tot de private tuinen. Een uitbreiding in noordelijke richting van de kern Kwintsheul is logisch, omdat hier goed kan worden aangesloten op de dorpsstructuur, het ligt dichtbij de voorzieningen en er is een grotere synthese mogelijk met het dorp. De Driesprong valt niet in een gebied waaraan een beschermingscategorie, zoals vermeld op kaart 14 in bijlage II bij de Provinciale verordening is verbonden. De Driesprong past binnen de bestaande gebiedsidentiteit. De Driesprong is gesitueerd in een gebied waar al woningen en bedrijven aanwezig zijn. Tussen de glastuinbouw is een mix van oude en nieuwe woningbouw te herkennen. Opvallend zijn de duidelijk te herkennen historische dijken (Mariëndijk) en linten (Kerkstraat) waarlangs in het algemeen de bebouwing aanzienlijk ouder is. Het nieuwe woongebied zal goed worden ingepast in de bestaande omgeving. Het is de bedoeling om een duurzame en kwalitatief goede relatie tot stand te brengen tussen het dorp en de omringende glastuinbouw.

Aan de rand van het plangebied is ruimte gereserveerd ten behoeve van de uitplaatsing uit het buitengebied (voor het beleid waaruit deze opgave afkomstig is zie 4.2.5 Stimuleringsbeleid uitplaatsing). In de Structuurvisie De Driesprong is een uitgebreide analyse gemaakt van de historische achtergrond van het plangebied. Daaropvolgend is een ruimtelijke analyse gemaakt die handvatten biedt voor de beoogde toekomstige structuur van De Driesprong. De planstructuur die is opgebouwd aan de hand van groene en blauwe structuurelementen heeft rekening gehouden met de typerende historische en ruimtelijke waarden van het plangebied en de directe omgeving. In de structuurvisie De Driesprong zijn de kwaliteitsaspecten van De Driesprong vastgelegd. Daarin speelt de bestaande gebiedsidentiteit van Kwintsheul een centrale rol. Voor de inhoud van deze gebiedsidentiteit wordt verwezen naar Hoofdstuk 3 Gebiedsvisie. Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen Artikel 6.27a Risico’s van klimaatverandering In een bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte; alsmede de effecten van de bovengenoemde risico’s op het risico van bodemdaling.

32

Voor zover risico’s zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico’s. In de paragraven 3.5 en 3.7 wordt de toetsing en onderbouwing van bovengenoemde regels op het gebied Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen toegelicht. Richtpunten Glastuinbouwgeb ieden Concentratiegebieden voor glastuinbouw kunnen qua belevingswaarde worden beschouwd als bedrijventerrein. Ontwikkelingen in de glastuinbouw dienen bij voorkeur bij te dragen aan een grootschalig, geconcentreerd, modern uiterlijk en functioneren. Gericht op zoveel mogelijk meervoudig ruimtegebruik en collectieve voorzieningen, met aandacht voor aansluiting op bestaande landschappelijke structuren. Een dooradering van het gebied met water en recreatieve routes is gewenst. Relevante richtpunt: Ontwikkelingen aan de rand van een glastuinbouwgebied dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). Stads- en dorpsranden De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap.

Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij onderscheiden we drie typen ‘overgangskwaliteiten’. Het front, het contact en de overlap. Op kaart vinden we de hoogwaardige en bijzondere fronten terug. Daar waar recreatiegebieden voorkomen langs stads- of dorpsrand is veelal sprake van overlap. Uitgangspunt bij ontwikkelingen aan dorpsranden is de contactkwaliteit. Richtpunt Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap).

4.5

Rijksbeleid

4.5.1

Nationale omgevingsvisie (NOVI)

Het Rijk heeft op 11 september 2020 de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend gaan veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. Tot 2025 gaan er nog circa 500.000 huishoudens bij komen die allemaal een plek moeten krijgen. De trek naar de stad, waar een groot deel van de vraag plaatsvindt, gaat de komende decennia aanhouden. Dat betekent dat de huidige steden moeten verdichten. Het Rijk wil iedereen de mogelijkheid bieden om betaalbaar in de stad te wonen, zonder dat dit de kwaliteit, leefbaarheid en identiteit van onze steden wezenlijk aantast.

Natuurlijk geldt deze uitdaging niet alleen voor de grote steden. Een groot deel van de woningvraag komt

33

de komende periode van ouderen en jonge gezinnen, die soms voorkeur hebben voor een (grondgebonden) woning in een middelgrote of kleine gemeente. Ook daar moet een deel van de woningbehoefte worden gerealiseerd, en ook daar geldt dat dit niet ten koste mag gaan van de kwaliteit van de leefomgeving. Met nieuwe stedenbouwkundige concepten kunnen er woonmilieus gecreëerd worden die prettiger zijn om in te leven dan nu, ook al wonen er meer mensen. Er is genoeg ruimte voor dergelijke nieuwe stedelijke gebieden. Planspecifiek Het planvoornemen voorziet in de realisatie van de lokale en regionale woningbehoefte. Bij de inpassing van het woongebied is voldoende oog voor de kwaliteit van de leefomgeving en de ruimtelijke inpassing. Dit wordt navolgend in dit hoofdstuk toegelicht. Er is geen sprake van strijdigheid met de NOVI. 4.5.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin de kaderstellende uitspraken uit het SVIR. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur (de artikelen worden later aan het Barro toegevoegd) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van de EHS is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Planspecifiek Voor het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.

4.6

Ladder

Wettelijk kader In deze paragraaf is het bestemmingsplan getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking als neergelegd in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening en als verder aangevuld in artikel 6.10 van de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. De ladder voor duurzame verstedelijking is op 1 juli 2017 vereenvoudigd. Op grond van het nieuwe artikel 3.1.6, tweede lid, moet in de toelichting van een bestemmingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de behoefte aan die ontwikkeling worden beschreven. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het bestaand stedelijk gebied, dan moet de behoefte op grond van een goede ruimtelijke ordening worden gemotiveerd. Preliminaire toets Bij de beoordeling of de ladder voor duurzame verstedelijking moet worden toegepast, moet eerst nagegaan worden of er met woningbouwplan De Driesprong sprake is van een stedelijke ontwikkeling en of dit plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft. Met het bestemmingsplan wordt een stedelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt, namelijk woningbouw.

Motivering van de b ehoefte aan ontwikkeling In artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen in de Omgevingsverordening is bepaald, dat Gedeputeerde Staten bij de aanvaarding van een regionale visie kunnen aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting bij het bestemmingsplan kan - volgens de provinciale regels - in dat geval worden verwezen naar die regionale

34

visie, als motivering of gedeeltelijke motivering van het aanwezig zijn van de actuele regionale behoefte. De te realiseren woningbouw zoals opgenomen in de regionale woningbehoefte is in de structuurvisie Westland 2025 verdeeld over de verschillende kernen. Per kern is een ruimtelijk ontwikkelingskader vastgesteld door de gemeenteraad. In dit ruimtelijk ontwikkelingskader zijn binnenstedelijke gebieden aangewezen waarbinnen het realiseren van nieuwbouw mogelijk is, tevens zijn de uitleglocaties hierin aangewezen. Toepassing in dit bestemmingsplan Op basis van demografische trends is zoals in paragraaf 4.2.4 beschreven de (Westlandse) woningbehoefte tot en met 2030 onderzocht. Dit leidt tot inzicht in welke strategische woningbouwprogrammering nodig is om optimaal aan te sluiten bij de Westlandse woningbehoefte. Door inzet op een mix van nieuwbouw in de sociale huur, betaalbare en (middel)dure koop en vrije sector huur kan het nieuwbouw-programma een bijdrage leveren aan het creëren van verhuisketens en daarmee de gewenste doorstroming op de Westlandse woningmarkt bevorderen. De woningbehoefte is vertaald in de benodigde woningbouwprogrammering, welke is vergeleken met het huidige planaanbod. Voor wat betreft de kwantitatieve behoefte verwijst de woonvisie naar de Structuurvisie Westland 2025-Perspectief 2040.

Er is volgens de structuurvisie behoefte aan 7040 woningen in Westland tot en met 2030. Aan het plan De Driesprong zijn in de structuurvisie 500 woningen toegewezen. De Driesprong is feitelijk een uitleglocatie, ook al is het gebied in het provinciale programma ruimte aangewezen als bebouwd gebied. Het programma van 7040 woningen kan niet volledig in bestaand stedelijk gebied worden gerealiseerd. Het gemeentelijk programma is afgestemd op de ambitie om 30% van de nieuw te realiseren woningen binnen de bestaande woonkernen te realiseren. De overige 70% is op uitleglocaties, waaronder De Driesprong. In artikel 6.10 van de Omgevingsverordening is bepaald dat als er binnen het bestaand stads- en dorpsgebied niet kan worden voorzien in de behoefte gebruik moet worden gemaakt van de locatie die zijn opgenomen in het Omgevingsprogramma Zuid-Holland koers 2020 (hierna Omgevingsprogramma). Het betreft hier uitsluitend locaties die groter zijn dan 3 hectare. In 4.4 Provinciaal beleid is toegelicht dat deze regel van toepassing is op het plangebied De Driesprong. De locatie De Driesprong is opgenomen in het Omgevingsprogramma. Omgevingsprogramma Bestuurlijke afspraken over woningbouw Kwintsheul – De Driesprong De woningbouwlocatie heeft een omvang van bijna 7 ha en biedt ruimte aan ongeveer 230 woningen.

De woningen zijn onder andere nodig om de doorstroming binnen de woningvoorraad van Kwintsheul te bevorderen. Voldoende sociale woningbouw (meer dan 30%) is voor de provincie voorwaarde voor ontwikkeling van deze locatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied. In het kader van de regionale woonvisie zal dit worden vastgelegd. De planlocatie is aangewezen als woningbouwlocatie op de 3ha kaart en is opgenomen in de daarbij horende lijst van woningbouwlocaties. De locatie ligt weliswaar buiten bestaand stads- en dorpsgebied, maar is vermeld in de zogenaamde 3 hectare kaart in de categorie 3 tot en met 8 hectare. Er hoeft daarom niet te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaande stedelijk gebied wordt gerealiseerd.

35

Figuur: Uitsnede 3 hectare kaart Het plan voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking, zowel op rijks- als provinciaal niveau.

4.7

Conclusie

Planspecifiek De ontwikkeling voor woningbouwlocatie De Driesprong is in overeenstemming met de beleidskaders van de verschillende overheden. Dit bestemmingplan bouwt voort op en is in volledige overeenstemming met de Structuurvisie De Driesprong en het overige beleid van de gemeente. Na vaststelling van het Omgevingsprogramma Bestuurlijke afspraken over woningbouw is er tevens overeenstemming met het beleid van de provincie.

36

Hoofdstuk 5

Onderzoek

5.1

Archeologie

5.1.1

Wettelijke kader

In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Sinds 2016 is deze wet vervangen door de Erfgoedwet. Door middel van het overgangsrecht blijven enkele bepalingen uit de Monumentenwet 1988 van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta die in de Nederlandse wetgeving zijn overgenomen zijn dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke (in situ) dient te worden behouden (artikel 4), dat het archeologisch erfgoed deel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van ruimtelijke ordening (artikel 5) en het 'veroorzakersprincipe' (artikel 6). Het veroorzakersprincipe betekent dat de verstoorder verantwoordelijk is voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van noodzakelijk archeologisch (voor)onderzoek en de financiering daarvan. Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeentes in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Conform de Erfgoedwet beschermt de gemeente Westland het archeologisch erfgoed middels het bestemmingsplan.

Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeentes bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk. De gemeente Westland beschikt sinds 2012 over een vastgestelde archeologische beleidskaart, die wordt gebruikt als basis voor het bestemmingsplan. Bekende en verwachte archeologisch waardevolle gebieden krijgen in het bestemmingsplan een archeologische (mede)bestemming met daarbij horende vrijstellingsgrenzen. Binnen deze zones dienen bodemverstorende ingrepen zoveel mogelijk te worden beperkt. Bodemverstorende werkzaamheden die de aan de bestemmingszones gekoppelde vrijstellingsgrenzen overschrijden, worden gebonden aan het vergunningenstelsel. Zodoende kan het belang van het archeologisch erfgoed worden meegewogen bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning. Dit kan ertoe leiden dat er eisen worden gesteld aan de uitvoering van de werkzaamheden, of dat de voorgenomen ingreep alleen na archeologisch onderzoek wordt toegestaan. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek.

5.1.2

Onderzoek

In februari 2021 is er een concept rapport van een archeologisch bureauonderzoek opgesteld. De gemeente Westland heeft dit rapport beoordeeld. Na deze beoordeling zijn de gevraagde aanvullingen verwerkt en is er een definitief rapport opgesteld. SOB Research heeft voor het plangebied in opdracht van de gemeente Westland een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 3 bijgevoegd. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is om op basis van de bestaande archeologische, historische en geologische informatie de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied nader vast te stellen. In het vigerend bestemmingsplan 'Glastuingebied Westland' is ter plaatse van het plangebied een zone weergegeven met een archeologische dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1 met functieaanduidingen 'specifieke vorm van waarde - 2' en 'specifieke vorm van waarde - 4'. De bouwregels zijn opgenomen in artikel 9.2 Bouwregels.

37

Uit het archeologisch bureauonderzoek volgen de volgende aspecten: Ter plaatse van het plangebied kan een zone aanwezig zijn met een lokaal hoger gelegen top van de Oude Duin- en Strandafzettingen, op een diepte van circa 3.0 - 4.0 meter beneden het maaiveld. Archeologische resten uit de Nieuwe Tijd en de Late Middeleeuwen kunnen hier direct onder de bouwvoor aanwezig zijn. De verwachting voor wat betreft de aanwezigheid van dergelijke resten ter plaatse van het omgrachte boerderijerf ''De Wilde Zee'' is zeer hoog. Het is waarschijnlijk dat er resten van oude bebouwing naast en onder de huidige bebouwing bewaard zijn gebleven. Archeologische resten uit de Middeleeuwen zouden aanwezig kunnen zijn, maar de verwachting is laag. Archeologische resten uit de Romeinse Tijd en de Late IJzertijd kunnen aanwezig zijn. De verwachting voor wat betreft de aanwezigheid van dergelijke resten is zeer hoog. In de directe omgeving van het plangebied is een groot aantal vindplaatsen aangetroffen uit de Midden Romeinse Tijd. Daarnaast kunnen archeologische resten uit de IJzertijd, de Bronstijd en Laat Neolithicum aanwezig zijn. De verwachting voor de aanwezigheid van dergelijke resten is middelhoog. Ook kunnen er in een deel van het plangebied resten aanwezig zijn uit het Midden- en Laat Neolithicum, waar de verwachting voor resten middelhoog en hoog is.

Op basis van recent booronderzoek (in concept) in een deel van het bestemmingsplangebied, wordt de zeer hoge verwachting voor resten uit de IJzertijd en mogelijk Romeinse tijd bevestigd. 5.1.3

Conclusie

Voor het gehele plangebied geldt een archeologische verwachting. Op basis van het uitgevoerde archeologische bureau- en booronderzoek kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen planrealisatie kan leiden tot de aantasting van behoudenswaardige archeologische resten. Archeologisch vervolgonderzoek wordt daarom noodzakelijk geacht. Dit is nodig tot het moment waarop de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Dit vertaalt zich in twee beleidszones: Waarde - Archeologie 1: 50m2 en 30cm Voor het noordwestelijke deel van het plangebied geldt een hoge archeologische verwachting voor het boerderijerf uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. Ook bestaat er nog een archeologische verwachting voor resten uit de IJzertijd en/ of de Romeinse Tijd. Bovendien wordt gedacht dat de bodem slechts beperkt is verstoord. In verband met de hoge verwachting voor resten van bakstenen funderingen gelden voor deze zone de grenswaarden van 50m2 en 30cm. Ook mogen ondergrondse sloopwerkzaamheden van de huidige bebouwing niet plaatsvinden zonder aanvullend archeologisch onderzoek. Waarde - Archeologie 2: 100m2 en 50cm Het overige deel van het bestemmingsplangebied is recent door middel van een verkennend booronderzoek onderzocht.

Op basis van de resultaten blijkt dat er nog steeds een hoge tot zeer hoge verwachting bestaat voor resten uit de IJzertijd en de Romeinse tijd. De grenswaarden voor deze zone zijn 100m2 en 50cm. De archeologische waarden van het plangebied zijn in dit bestemmingsplan geborgd in Artikel Artikel 9 Waarde - Archeologie 1 en Artikel 10 Waarde - Archeologie 2.

38

5.2

Bedrijven en milieuzonering

5.2.1

Wettelijk kader

Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de aanwezige functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. 5.2.2

Onderzoek bedrijven en milieuzonering

Aan de hand van de VNG-Uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) is voor De Driesprong onderzocht in hoeverre het plangebied wordt beïnvloed door bedrijfsactiviteiten in en rond het plangebied. Dit is gedaan op basis van de in de VNG-uitgave opgenomen richtafstanden die tussen bedrijfsactiviteiten en woningen moeten worden aangehouden. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 4 Quickscan bedrijven en milieuzonering. Naar aanleiding van dit onderzoek is een tweede onderzoek uitgevoerd naar specifieke bedrijfsactiviteiten in relatie tot de ontwikkeling van de Driesprong. Dit onderzoek d.d. 22 juli 2021 is eveneens aan de bijlagen bij de toelichting toegevoegd als Bijlage 5 Nader onderzoek milieuzonering geluid. Uit de onderzoeken blijkt dat de omliggende (glastuinbouw-) bedrijvigheid niet wordt gehinderd de voorgenomen woningbouwontwikkeling. In het onderzoek is een kaart opgesteld, waarin de diverse milieucontouren van relevante bedrijven zijn ingetekend. Bij het opstellen van de kaart en het intekenen van de contouren is uitgegaan van een maximale planologische invulling van de vigerende bestemmingen. Wanneer buiten de aangegeven contouren woningen worden geprojecteerd kan er van worden uitgegaan, dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat de bestaande bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd.

Daarbij is als uitgangspunt genomen dat de bestaande glastuinbouwbedrijven inclusief silo's binnen het plangebied verdwijnen. De VNG-handreiking houdt ten aanzien van glastuinbouwbedrijven minimaal aan te houden afstanden van 30 meter voor geluid en 10 meter voor geur, stof en gevaar. Deze afstanden gelden voor een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. In het onderzoek van Econsultancy wordt gewezen op de sterke functiemenging van het gebied waarvan De Driesprong een onderdeel vormt. Nu in de omgeving van het plangebied sprake is van functies als glastuinbouw en diverse vormen kleine bedrijvigheid, zoals een keukencentrum en verhuisbedrijf, kan conform de brochure van de VNG worden uitgegaan van een "gemengd gebied". De richtafstanden kunnen dientengevolge met één afstandstap worden verlaagd. Dit is eveneens overeenkomstig met de systematiek van het bestemmingsplan Glastuinbouw, vastgesteld bij raadsbesluit van 19 december 2012. Indien wordt uitgegaan van gemengd gebied stuit de oprichting van woningen op afstand van minstens 10 meter vanaf gronden met de bestemming Glastuinbouw met een eventuele oprichting van kassen niet op planologische bezwaren om dat een passend woonklimaat is geborgd.

Door voor de woningen, gelegen aan de grens van het plangebied, zoveel mogelijk uit te gaan van ruime uitplaatskavels, wordt bereikt dat zoveel mogelijk afstand gecreëerd wordt naar de bedrijfsfunctie en de achterliggende woningen worden afgeschermd van de bedrijfsactiviteiten. Daarnaast wordt binnen de bestemming "Woongebied" met aanduiding "Uitplaatsingskavels" gewerkt met een bouwvlak zodat de afstand tussen woningen en glastuinbouwactiviteiten ook via deze weg wordt geborgd.

39

5.2.2.1 Uitplaatskavels Econsultancy heeft een quickscan bedrijven en milieuzonering uitgevoerd voor het plangebied. Dit rapportage is als Bijlage 4 bijgevoegd. Door de realisatie van het voornemen wordt het plangebied ingedeeld als woongebied, en dus in de basis een rustige woonwijk. Echter gelet op de aanwezigheid van bedrijvigheid en glastuinbouw rondom het plangebied wordt op basis van functiemenging uitgegaan van een gemengd gebied. Analyse - Bestemmingen binnen 200 meter Binnen dorpskernen of aan de randen daarvan kunnen normaliter bestemmingen tot en met milieucategorie 4.2 aanwezig zijn. De bijbehorende richtafstand bedraagt 200 meter. Op onderstaand afbeelding zijn de richtafstanden tot en met 200 meter rondom het plangebied geprojecteerd. De genummerde bestemmingen worden nader toegelicht.

Afbeelding relevante b estemmingsplannen binnen 200 meter tot het plangebied. Direct ten westen van het plangebied is een bedrijfsbestemming aanwezig met functieaanduiding ‘detailhandel in keukens’ (1). Het betreft een showroom zonder werkplaats. De richtafstand bedraagt daarom 0 meter, waarmee deze bestemming niet relevant is te noemen. Op circa 200 meter ten zuiden van het plan is in bestemmingsplan Kern Kwintsheul een bedrijfsbestemming aanwezig (2). Alleen bedrijven van ten hoogste categorie ‘B1’ uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten behorend bij het bestemmingsplan. Geconverteerd naar bijlage 1 van de VNG-publicatie zijn dit ten hoogste inrichtingen in milieucategorie 3.2. Er is geen functieaanduiding die een hogere milieucategorie toestaat. Deze bestemming is daarom niet relevant voor de invulling van het plan. Verder zijn binnen het bestemmingsplan Glastuinbouw de specifiek glastuinbouwinrichtingen relevant te noemen, met name: 3: Grashopper V.O.F. aan De Driesprong 11; 4: Vitapep / Frutatlantic aan de Vogelaer 8; 5: Gebr. Grootscholten aan de Van Buerenlaan 16; 6: Kastuinbouw aan de Van Buerenlaan / De Driesprong 29; 7: Van Koppen aan het Slimpad 6.

40

Met uitzondering van champignonkwekerijen met mestfermentatie is glastuinbouw in te delen in milieucategorie 2, met een richtafstand van 10 meter specifiek voor 'geluid'. Voor zover bekend zijn er binnen relevante afstand geen champignonkwekerijen gevestigd. Inrichtingen nummer 3 en 7 zijn gelegen binnen 10 meter afstand tot het plangebied, en ook binnen 10 meter tot het geprojecteerd woongebied wanneer rekening wordt gehouden met de watergang richting nummer 7. Daarom wordt voor de betreffende inrichtingen voorgesteld nader akoestisch onderzoek uit te voeren indien het bouwvlak binnen 10 meter afstand wordt voorzien. Herplaatsing voormalige b edrijfswoningen In het buitengebied is sprake van diverse losgekoppelde bedrijfswoningen. De gemeente is voornemens een aantal van deze woningen te amoveren en terug te plaatsen binnen plan De Driesprong. Het gaat om circa 9 woningen, die op 10 meter afstand of minder tot de rand van het plangebied worden geprojecteerd. Op grond van het bovenstaande wordt geoordeeld dat voor deze woningen ook binnen De Driesprong sprake is van ‘gemengd gebied’. Onder voorbehoud van nader akoestisch onderzoek voor de twee genoemde inrichtingen is ook ter plaatse van de betreffende van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op basis van ruimtelijke afweging volgens de publicatie.

Analyse - Bestemmingen op meer dan 200 meter Inrichtingen tot milieucategorie 4.2 kennen een richtafstand tot ten hoogste 200 meter. Op grotere afstand zijn derhalve alleen inrichtingen vanaf categorie 5.1 potentieel belemmerend in relatie tot het plangebied. De grootste richtafstand uit de VNG-publicatie bedraagt 1.000 meter. Binnen 1.000 meter afstand tot het plan zijn diverse bedrijfsbestemmingen gelegen. Geen van deze bestemmingen staat echter de aanwezigheid van een inrichting in milieucategorie 5.1 of hoger toe. Daarom is nader onderzoek niet noodzakelijk. Nader akoestisch onderzoek Voor de herplaatsing van de voormalige bedrijfswoningen (in het vervolg uitplaatskavels) is nader akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit rapport is toegevoegd als Bijlage 5. Uit de quickscan volgt dat de uitplaatskavels zijn gelegen binnen de richtafstand voor twee nabijgelegen inrichtingen, te weten: Grashopper V.O.F. aan de Driesprong 11; Van Koppen aan het Slimpad 6. Slimpad 6 Het betreft een inrichting die in 1996 is gemeld onder het Besluit tuinbouwbedrijven, en sinds 2006 onder het Besluit glastuinbouw. In 2010 is dit Besluit komen te vervallen en valt de inrichting onder het Activiteitenbesluit. In het dossier is terug te vinden dat bevoegd gezag geen akoestisch onderzoek heeft verlangd.

Er is derhalve geen gedetailleerde informatie aanwezig betreffende de geluidsemissie naar de omgeving. Wel is uit het dossier af te leiden dat binnen de inrichting diverse installaties aanwezig zijn of waren, waaronder een stookruimte, traforuimte en wkk. Met betrekking tot die laatste wordt gemeld dat de meest nabijgelegen woning op 80 meter afstand is gelegen, wordt aangenomen dat de wkk staat opgesteld ter hoogte van het ‘pleintje’ tussen kassen aan de zijde van het Slimpad. Verder wordt nog beschreven dat aan de ‘voorzijde’ (Slimpad) 20 minuten per dag wordt geladen en gelost met behulp van een heftruck. Deze activiteiten vinden plaats op meer dan 80 meter afstand tot de nieuwe woningen en worden afgeschermd door de kassen van de inrichting. Geconcludeerd wordt dat de geluidsbelasting als gevolg van de inrichting voldoet aan de richt- en grenswaarden. Driesprong 11 Ook voor deze inrichting is niet eerder akoestisch onderzoek uitgevoerd op aangeven van bevoegd gezag. De informatie in het dossier richt zich met name op handhaving en is beperkt in akoestisch relevante informatie. Wel is bekend dat er een stookinstallatie van 2 MW aanwezig is. De exacte positie van de installatie is niet bekend.

41

In onderstaand figuur is het bestemmingsplan geprojecteerd op een recente luchtfoto. Hieruit blijkt dat de toegang tot het perceel verschuift van de westzijde naar de verkeersbestemming aan de zuidzijde. Het woongebied is op voldoende afstand geprojecteerd om te kunnen stellen dat geluidhinder als gevolg van transporten van en naar de inrichting te verwaarlozen is. Bovendien zijn deze activiteiten in het Activiteitenbesluit uitgezonderd van toetsing, zodat de inrichting op dit punt ook niet in de activiteiten wordt belemmerd.

Conclusie nader akoestisch onderzoek Uit een scan van de vergunningendossiers voor de inrichtingen aan het Slimpad 6 en de Driesprong 11 wordt geconcludeerd dat beide bedrijven geen negatief effect zullen hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van nieuw te realiseren woningen binnen bestemmingsplan De Driesprong. Ook worden de betreffende bedrijven niet belemmerd in de bedrijfsvoering.

5.2.2.2 Lichthinder Ten aanzien van lichthinder heeft de NSVV in 2014 een Richtlijn Lichthinder uitgevaardigd (geactualiseerd 2020). In bijlage 10 en 11 van deze richtlijn wordt ingegaan op lichtgloed. Op grond van artikel 3.59 van het Activiteitenbesluit moet bij kassen waar assimilatiebelichting wordt toegepast de zijgevels van de betreffende kas zodanig zijn afgeschermd dat de lichtuitstraling op een afstand van ten hoogste 10 meter van de betreffende zijgevel ten minste met 95% wordt gereduceerd en dat de gebruikte lampen niet zichtbaar zijn. Verder is op grond van de artikelen 3.57 en 3.58 een bovenafscherming vereist die de lichtuitstraling met 98% reduceert (of met 74% als de verlichtingssterkte minder dan 15.000 lux bedraagt en alleen wordt toegepast in de nanacht). Door deze maatregelen wordt er voldaan aan de richtlijn. 5.2.2.3 Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij bepaalt dat tussen niet-intensieve veehouderijen en nieuwe geurhindergevoelige functies bepaalde vaste afstanden aangehouden moeten worden. Voor intensieve veehouderijen geldt dat de geurhinder berekend moet worden. Rondom het plangebied zijn uitsluitend glastuinbouwbedrijven toegestaan, geen veehouderijen. Geurhinder wordt daarom niet verwacht.

42

5.2.2.4 Wkk- centrales Ingevolge het bestemmingsplan Glastuinbouwgebied Westland, vastgesteld bij raadsbesluit van 19 december 2012, mogen ook Wkk centrales worden opgericht. (Deze centrales houden ingevolge het bestemmingsplan Glastuinbouw een afstand van 65 meter ten opzichte van omliggende woningen. De afstand houdt verband met de geluidsproductie van deze centrales. Uitgaande van deze afstand houdt dit in, dat binnen 65 meter van de noordgrens van het plangebied geen Wkk-centrales mogen worden opgericht. De beïnvloeding van deze mogelijkheid door de realisatie van de Driesprong is echter zeer beperkt omdat in het plangebied al sprake is van verspreide woningbouw die belemmerend werkt voor de oprichting van Wkk-centrales. Daarnaast is de woningbouwontwikkeling langs de noordrand al omzoomd met de bestemmingen verkeer en water, zodat al in belangrijke mate afstand tot het glastuinbouwgebied wordt gerealiseerd. Het bestemmingsplan Glastuinbouwgebied Westland gaat weliswaar uit van 65 meter ten opzichte van omliggende woningen, de VNG-Uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) gaat voor een WKK uit van een richtafstand van 50 meter. Als er sprake is van gemengd gebied, zoals hier het geval is, kan de richtafstand met 1 afstandsstap verkleind worden. Dat betekent dat voor de beoogde woningen in het plangebied uit moet worden gegaan van een richtafstand van 30 meter.

Die afstand wordt voor de beoogde woningen in het plangebied gehaald. Overigens geldt in zijn algemeenheid dat vanuit bedrijfseconomische overwegingen van de mogelijkheid om wkk-centrales te realiseren geen gebruik meer wordt gemaakt. In de praktijk zal dus, voor zover praktisch nog mogelijk in het gebied rond De Driesprong gezien de aanwezige verspreide woningbouw, gelet op de richtafstanden van de VNG en de bedrijfseconomische overwegingen, geen gebruik meer worden gemaakt van de mogelijkheid een wkk-centrale op te richten. 5.2.3

Conclusie onderzoek bedrijven en milieuzonering

Rondom het plangebied zijn diverse bedrijfsmatige bestemmingen aanwezig. Twee inrichtingen liggen binnen de richtafstand van 30 meter tot de te projecteren woongebieden. Voor deze twee bedrijven is een nader onderzoek uitgevoerd waaruit blijkt dat beide bedrijven geen negatief effect zullen hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de uitplaatskavels die op 10 meter van de bedrijven worden geprojecteerd. Dit is ook conform de systematiek van het bestemmingsplan Glastuinbouw, vastgesteld bij raadsbesluit van 19 december 2012. Hierbij is de rand van het gebied De Driesprong zo ingericht dat voor deze rand kan worden uitgegaan van "gemengd gebied". Als aan te houden afstand kan hierdoor van 10 meter worden uitgegaan. De uitplaatskavels vormen een scheiding tussen de rustige woonwijk en de bestemming glastuinbouw. Daarnaast wordt met een bouwvlak binnen de uitplaatskavels om de afstand van 10 meter geborgd. Voor de woningen die gelegen zijn nabij de Mariëndijk wordt een gevellijn opgenomen waarbij wordt voldaan aan de richtafstand van 30 meter.

5.3

Geluid

5.3.1

Wettelijk kader

Wet geluidhinder Met de Wet geluidhinder wordt, vanuit een goed milieubeheer, een aantal specifieke geluidsgevoelige bestemmingen beschermd zoals woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. Aan de geluidsbelasting op de (gevels van de) geluidsgevoelige objecten worden grenzen gesteld terwille van het woon- en leefklimaat.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=009d6943-3164-43d4-87c2-83daad3309f9