CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

2.6d) ruimtelijke onderbouwing (21-0329241)

Gemeenteraad 25 januari 2022, gemeente WestlandBij agendapunt: Vaststelling van de afhandeling van de Lijst met Ingekomen Stukken (LIS)17.432 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.

pas de woningbouwplannen aan, of;

b. ga na wat de werkelijke bedrijfsactiviteiten zijn. Indien de daadwerkelijke bedrijfsactiviteitenkleinere richtafstanden opleveren, beoordeel dan of het benedenwaarts aanpassen van richtafstanden in het – vigerende – bestemmingsplan wenselijk is. Overweeg dit ook los vande daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten, vanuit een langere termijn visie op de gewenste ontwikkeling van het bedrijventerrein. Bestaande bedrijven kunnen immers vertrekken en nieuwe bedrijven kunnen zich aandienen. Indien de daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten van de gevestigde bedrijven strijdig zijn met de gewenste woningbouw: a. pas de woningbouwplannen aan, of; b. doe gewenst vervolgonderzoek naar de daadwerkelijke milieubelasting van de bedrijven.

Aqua-Terra Nova Projectnummer 20130 Versie 21 november 2021

23

Uitwerking stap 3b (werkelijke bedrijfsactiviteiten) Voor de bestemde bedrijfsactiviteiten t/m milieucategorie 2 waarvan de richtafstanden het plangebied overlappen is bepaald wat de werkelijke bedrijfsactiviteiten zijn en zijn deze ingedeeld in milieucategorieën. In onderstaande tabel zijn de beschouwde bedrijfslocaties weergegeven.

Tabel: Beschouwde locaties Voor maneges wordt in de VNG-publicatie voor stofhinder voor gemengd gebied een richtafstand van 10 meter gehanteerd. Er is hier echter geen sprake van een manege maar van eigen particulier gebruik (extensief gebruik). De paardenbak is verder dermate beperkt van omvang dat hier slechts een paard tegelijk gebruik van zal maken. Hierdoor valt significant minder stofoverlast te verwachten dan bij een manege waar een paardenbak intensief wordt gebruikt. De paardenbak is gelegen op ca. 9 meter van de dichtstbijzijnde woonunit. Gezien het bovenstaande valt door het particuliere gebruik van de paardenbak geen stofoverlast te verwachten bij de dichtstbijzijnde woonunit. Voor maneges wordt in de VNG-publicatie voor geurhinder voor gemengd gebied een richtafstand van 30 meter gehanteerd. Geuroverlast treedt bij gebruik van een paardenbak niet op. Geuroverlast kan wel ontstaan vanuit mestopslagen en stallen. De kleine paardenstal (geschiktvoor 1-3 pony’s/paarden) is gelegen op 20 meter afstand van de dichtstbijzijnde woonunit (een vaste mestopslag is niet aanwezig). De geuroverlast vanuit een manege (stallen met in de ordegrootte van 50-100 paarden) zal veel groter zijn dan bij een kleinschalige stal voor het houden van enkele dieren. Verder gelden op grond van het Activiteitenbesluit geen afstandsnormen voor geur als er minder dan 5 paarden worden gehouden.

Gezien het bovenstaande valt door het particulier houden van enkele paarden/pony’s geen geuroverlast te verwachten bij de dichtstbijzijnde woonunit. Op grond van deze tabel kan worden geconcludeerd dat op de beschouwde locaties geen bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden. De aanwezige kleine paardenbak voor hobbymatig gebruik zal niet leiden tot een aantasting van een goed woon- en leefklimaat bij de woonunits in het plangebied. Het plangebied is gelegen langs de N223 met rondom voornamelijk glastuinbouwbedrijven en enkele vrijstaande (bedrijfs)woningen. Gezien het bovenstaande kan de omgeving waarin het plangebied gelegen is het beste worden getypeerd als “gemengd gebied”. Het gehele plangebied zelf worden in Aqua-Terra Nova Projectnummer 20130 Versie 21 november 2021

24

de te bestemmen situatie tijdelijk ingericht als woonpark voor arbeidsmigranten waarvoor de richtafstanden van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ in beginsel niet van toepassing zijn. De dichtstbijzijnde woning buiten het plangebied (de voormalige bedrijfswoning behorend bij de kas in het plangebied) is gelegen op 6 meter afstand van het plangebied en 13 meter van de dichtstbijzijnde parkeerplaats in het plangebied. De activiteiten in het plangebied leiden niettot een aantasting van een goed woon- en leefklimaat bij de bestaande woningen rondom het plangebied. In de directe omgeving van het plangebied zijn bestemmingsplanvlakken gelegen die bestemd zijn voor glastuinbouwbedrijven en bedrijven t/m milieucategorie 2. Geconcludeerd wordt dat de volgende milieuzones (richtafstanden) van de bestemde bedrijfsactiviteiten de woonunits in het plangebied overlappen: • bestemming “Agrarisch-Glastuinbouw”. Glastuinbouwbedrijven zijn ingedeeld in milieucategorie 2 (locatie nr. 1 in figuur 9); • bestemming “Bedrijf”. Hier zijn bedrijven t/m milieucategorie 2 toegestaan (locatie nr. 2 in figuur 9). Voor de bestemde bedrijfsactiviteiten t/m milieucategorie 2 waarvan de richtafstanden het plangebied overlappen is bepaald wat de werkelijke bedrijfsactiviteiten zijn. Geconcludeerd wordt dat op de beschouwde locaties geen bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden.

De aanwezige kleine paardenbak voor hobbymatig gebruik zal niet leiden tot een aantasting van een goed woon- en leefklimaat bij de woonunits in het plangebied. 3.3 Externe veiligheid Externe veiligheid is een begrip in het milieurecht en gaat over het beheersen van de risico’s voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer over de weg, water en spoor en door buisleidingen van gevaarlijke stoffen. Als gevaarlijke stoffen kunnen worden genoemd vuurwerk, lpg en munitie. Het beleid en de wetgeving zijn erop gericht om maatregelen te treffen om de risico’s van deze risicovolle activiteiten te reguleren. Het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI) legt veiligheidsnormen en zoneringen op aan bedrijven (inrichtingen) die een risico vormen voor de omgeving. Voor wat betreft het transport van gevaarlijke stoffen, inclusief buisleidingen, zijn in circulaires veiligheidszonering vastgelegd tussen transportroutes voor gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten. Op grond van bovengenoemde regelgeving dienen de verplichte afstandsnormen tussen aanwezige milieugevaarlijke en risicovolle inrichtingen/ activiteiten en de zogenaamde (beperkt) kwetsbare objecten in acht te worden genomen bij ruimtelijke ontwikkelingen. In het onderzoek naar externe veiligheid wordt ingegaan op de externe veiligheidsaspecten die kunnen zijn verbonden aan het project.

Vervolgens wordt op basis van de professionele risicokaart en informatie van derden een inventarisatie gemaakt van: 1. Risicorelevante bedrijven en activiteiten in de nabijheid van het plangebied. 2. Relevante transportroutes voor gevaarlijke stoffen. In deze risicoanalyse worden risicovolle activiteiten in de nabijheid van het plangebied in kaart gebracht die onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) of Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vallen. Verder wordt gekeken of er andere objecten in de omgeving bevinden die beschikken over een aan te houden veiligheidsafstand of risicocontour (propaanreservoir, luchthaven, etc.) Transportroutes voor gevaarlijke stoffen betreffen zowel verkeersroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg als ondergrondse buisleidingen onder hoge druk. Vervoer van gevaarlijke stoffen over het water en spoor komt in de omgeving niet voor en wordt in dit rapport niet verder beschouwd. Geïnventariseerd wordt of aan de omliggende inrichtingen en transportroutes veiligheidscontouren zijn verbonden en of deze van invloed zijn op het project. In dit onderzoek is op een adequate en zorgvuldige wijze getracht een zo volledig mogelijk beeld te schetsen van de externe veiligheidsrisico’s aan de hand van de meest recente en beschikbare informatie.

Niettemin kunnen aan dit onderzoek geen rechten worden ontleend. Beleidsvisie externe veiligheid De gemeente Westland heeft geen specifiek eigen beleid vastgesteld ten aanzien van het aspect ‘externe veiligheid’. De ontwikkelingen in de planlocatie zijn daarom getoetst aan het landelijk geldende beleid ten aanzien van externe veiligheid. Aqua-Terra Nova Projectnummer 20130 Versie 21 november 2021

25

Onderzoek “Bedrijven en Milieuzonering en Externe Veiligheid Woonpark De Lier” (20130AQT304 EV BMZ PB) 1. Transport van gevaarlijke stoffen over de weg Voor het transport van gevaarlijke stoffen over wegen is het wettelijk toetsingskader voor externe veiligheid bij ruimtelijke besluiten opgenomen in het Besluit externe veiligheid transportroutes. De planlocatie bevindt zich op 23 meter afstand van een provinciale weg die is vrijgesteld voor het transport van gevaarlijke stoffen in bulk (N223, nr. 6 in figuur 4.1 van het rappport). De omvang van het invloedsgebied van de N233 bedraagt 880 m (vanwege het transport van toxische vloeistoffen, stofcategorie LT2). Het plangebied is daarmee gelegen binnen het invloedsgebied van de N223. Conform het Bevt moet er onderzoek plaatsvinden naar het groepsrisico wanneer een ontwikkeling zich binnen 200 meter van deze route plaatsvindt. De afstand tussen de bebouwing in hetplangebied en de N223 is kleiner dan 200 meter. Voor de N223 is nader onderzoek naar het groepsrisico noodzakelijk. Ligging plangebied ten opzichte van de N223 De N223 is gelegen op 23 meter afstandvan het plangebied en 25 meter van de bestaande agrarische bedrijfsbebouwing in het plangebied (gerekend vanaf het hart van de N223). De nieuwe woonunits in het plangebied zijn gelegen op eenafstand van 28 meter van het hart van de N223.

Gehanteerde telgegevens N223 Een actueel overzicht van de uitgevoerde telgegevens wordt bijhouden door Rijkswaterstaat in een Excel-bestand. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van de meest recente versie (juni 2019). Voor het betreffende wegvak van de N223 zijn geen telgegevens bekend. Voor het aansluitende wegvak van de N223 zijn telgegevens bekend uit 2017 (digitale telling gedurende 14 dagen, wegvak Z188, gelegen op ca. 4,5 km afstand ten westen van het plangebied). Deze telgegevens zijn weergegeven in tabel 4.1 in het rapport. Voor de verdere toetsing is uitgegaan van deze telgegevens. 2. Verkennend onderzoek inrichtingen Voor risicovolle activiteiten is het wettelijk toetsingskader voor externe veiligheid bij ruimtelijke besluiten opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. De meest dichtbij zijnde risicovolle inrichtingen (Bevi-inrichtingen) op de risicokaart zijn gelegen op 1,9 km afstand (LPG tankstation, nr. 1 in figuur 4.1 van het rapport) en 1,6 km afstand (Gasontvangstation, nr. 2 in figuur 4.1 van het rapport). Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen. De aanwezigheid van risicovolle activiteiten binnen inrichtingen (Bevi-inrichtingen) vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied. 3.

Verkennend onderzoek buisleidingen Voor het transport van gevaarlijke stoffen is het wettelijk toetsingskader voor externe veiligheid bij ruimtelijke besluiten opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen. In de omgeving van het plangebied bevinden zich 3 hoge druk aardgasbuisleidingen van Gasunie. Buisleiding A-617 (79 bar, 12,76 inch, nummer 3 in figuur 4.1 van het rapport) heeft een invloedsgebied van 200 meter en is gelegen op ca. 445 meter van het plangebied. Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van buisleiding A-617. Buisleiding A-517-07 (66,2 bar, 30 inch, nummer 4 in figuur 4.1) heeft een invloedsgebied van 380 meter en is gelegen op ca. 575 meter van het plangebied. Hetplangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van buisleiding A-517-07. Buisleiding W-522-04(40bar, 15,98 inch, nummer 5 in figuur 4.1 van het rapport) heeft een invloedsgebied van 170 meteren isgelegen op ca. 840 meter van het plangebied. Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van buisleiding W-522-04. De aanwezigheid van buisleidingen met gevaarlijke stoffenvormt geen belemmering voor de ontwikkelingen op de planlocatie. 4. Verkennend onderzoek ondergrondse explosieven Met de beschikbare informatie kan gesteld worden dat er zich geen ongeëxplodeerde explosieven in het plangebied bevinden. Nader onderzoek hiernaar is niet nodig.

Naast bovenstaande zijn er geen aanvullende veiligheidsaspecten aan het licht gekomen. Conclusie Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect Externe Veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. De ontwikkelingen in het plangebied zijn getoetst aan de normen voor het plaatsgebonden- en groepsrisico, die zijn vastgesteld voor risicovolle inrichtingen en transportroutes voor gevaarlijke Aqua-Terra Nova Projectnummer 20130 Versie 21 november 2021

26

stoffen door buisleidingen en over de weg, water en het spoor en voor luchthavens. De ontwikkelingen in het plangebied vinden plaats buiten het invloedsgebied van risicovolle inrichtingenen buisleidingen. De normen voor het plaatsgebonden risico en groepsrisico in het Bevi en het Bevb vormen geen belemmering voor de ruimtelijke ontwikkeling. De ontwikkelingen in het plangebied zijn gelegen binnen het invloedsgebied van een provinciale weg die is vrijgesteld voor het transport van gevaarlijke stoffen in bulk (N223). Langs de N223 is geen PR=10-6 contour aanwezig. De normen voor het plaatsgebonden risico vormen geen belemmering voor de planlocatie. Het groepsrisico is berekend met RBMII. Door de ontwikkeling in het plangebied neemt het groepsrisico toe van 0,015 tot 0,04 maal de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico blijft onder 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Op grond van artikel 8 van het Bevt is een verantwoording van het groepsrisico niet vereist. De normenvoor het groepsrisico in het Bevt vormen geen belemmering voor deze ontwikkeling.

Vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van de N223 moet op grond van artikel 7 van het Bevt in de toelichting van het bestemmingsplan of omgevingsbesluit worden in gegaan op: • de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp met gevaarlijke stoffen op de N223, en; • voor zover het plan of de vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp met gevaarlijke stoffen voordoet. Deze aspecten zijn in deze rapportage beschouwd. 3.4 Geluid Inleiding Voor alle nieuwe situaties van geluidsgevoelige bestemmingen (onder andere nieuwe woningen) in de zin van de Wet geluidhinder binnen de geluidszone van een nieuwe en/of een bestaande weg dient akoestisch onderzoek plaats te vinden. Dit akoestisch onderzoek dient uit te wijzen of voldaanwordt aan de normen van de Wet geluidhinder De Wet geluidhinder (Wgh) geeft aan dat de geluidbelasting dient te worden getoetst ter plaatse van de gevel van geluidgevoelige bestemmingen. Geluidgevoelige bestemmingen zijn woningen, scholen, gezondheidszorggebouwen, en kinderdagverblijven. Kantoren, hotels, en horecagebouwen zijn volgens de wet in principe niet geluidgevoelig. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Tradiro Woonpark De Lier (rapportnr.

2004555520201412w-2) In opdracht van Tradiro Park BV is door Aqua Terra Nova BV in samenwerking met AV-Consulting BV een akoestisch onderzoek verricht naar de geluidsbelasting op de gevels van meerdere te realiseren woningen op een perceel tussen de Oostbuurtseweg en de Burgemeester van der Goeslaan te De Lier. Het betreft woonpark Tradiro. Het betreft een tijdelijk project (tijdelijk bouwwerk) waarbij toetsing aan de Wet geluidhinder niet aan de orde is. In het kader van het Bouwbesluit zal echter toch de geluidwering van de gevels berekend moeten worden. Om de geluidwering van de gevels van de woningen te kunnen berekenen is het noodzakelijk om eerst de geluidsbelasting te berekenen die op de gevels van de woningen invalt. Het wegverkeerslawaai zal daarbij maatgevend zijn. Derhalve is de geluidsbelasting vanwege wegverkeerslawaai berekend aan de hand van de verkeersgegevens van de omliggende wegen. De onderhavige situatie betreft een tijdelijke situatie met tijdelijke bouwerken voor een periode van maximaal 10 jaar. Het gaat om woningen voor arbeidsmigranten die daar periodiek zullen verblijven. De Wet geluidhinder is in dit geval niet van toepassing.

Omdat er in het kader van het Bouwbesluit wel aan de geluidseisen ten behoeve van de gevelgeluidwering getoetst dient te worden, is het noodzakelijk om eerst de geluidsbelasting te berekenen die op de gevels van de woningen invalt. Het wegverkeerslawaai zal daarbij maatgevend zijn. Conclusie Uit de rekenresultaten blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden door de Burg. Van der Goeslaan en de Woudseweg (na aftrek van op grond van artikel 110 van de Wet geluidhinder). De geluidsbelasting vanwege de Burg. Van der Goeslaan ligt ook hoger dan de dan de hoogst toelaatbare waarde van 53 dB voor buitenstedelijk gebied. Omdat het in het onderhavige geval om een tijdelijke situatie gaat met tijdelijke bouwwerken, zijn de grenswaarden uit de Wet geluidhinder echter niet van toepassing. Tijdelijk bouw is dus mogelijk. Permanente bouw is echter Aqua-Terra Nova Projectnummer 20130 Versie 21 november 2021

27

niet mogelijk omdat de hoogst toelaatbare waarde van 53 uit de Wet geluidhinder wordt overschreden. Permanente bouw kan alleen mogelijk worden gemaakt als er geluidsreducerende maatregelen worden getroffen in de vorm van bijvoorbeeld een geluidsscherm of dove gevels. Deze maatregelen dienen eerst nader onderzocht te worden. Geluidwering gevels Omdat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB(A) wordt overschreden, dient er in het kader van het Bouwbesluit een onderzoek plaats te vinden naar de geluidwering van de gevels van de woningen. Bij dit onderzoek dient uitgegaan te worden van de (cumulatieve) geluidsbelasting zonder toepassing van de aftrek op grond van artikel 110 Wet geluidhinder. De cumulatieve geluidsbelasting is weergegeven in tabel 8 (alleen de hoogste waarden) en in bijlage 2 bij het rapport (volledige resultaten alle toetspunten). 3.5

Luchtkwaliteit

Volgens artikel 5.16, lid 1 onder c., van de Wet milieubeheer is onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet noodzakelijk voor gevallen die 'niet in betekende mate bijdragen' aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 3 van de Wet milieubeheer een grenswaarde is opgenomen. De betreffende gevallen worden benoemd in de bijbehorende ministeriële Regeling 'niet in betekende mate bijdragen' (luchtkwaliteitseisen). In artikel 5 van het genoemde besluit is een anticumulatieregeling opgenomen. Hierin wordt het onderscheid aangegeven in welke gevallen meerdere projecten als één of als zelfstandig project dienen te wordengetoetst. Het doel van de Wet luchtkwaliteit is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De wet is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van de mens. Daartoe zijn in het besluit normen (grenswaarden en plandrempels) voor zes luchtverontreinigende stoffen opgenomen: zwaveldioxide, stikstofdioxide, lood, koolmonoxide, benzeen en fijn stof (PM10). Deze normen dienen door de bestuursorganen in Nederland (rijk, provincies en gemeenten) in acht te worden genomen. Dit geldt o.a. voor het uitoefenen van taken en bevoegdheden op basis van de Wet op de ruimtelijke ordening.

De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe ‘Wet luchtkwaliteit’ geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking treedt nadat de EU derogatie heeft verleend. In het Besluit NIBM is vastgesteld wanneer een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: a. Aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig. b. Aannemelijk maken dat een project niet meer dan 3% toename van de concentratie van een stof veroorzaakt.

De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). De voorgenomen ontwikkeling betreft het oprichten van woonunits voor arbeidsmigranten. Naar verwachting zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een significante toename in het aantal verkeersbewegingen. Ook de voorgenomen ontwikkeling zelf draagt niet in betekende mate bij aan luchtverontreiniging. Aqua-Terra Nova Projectnummer 20130 Versie 21 november 2021

28

Conclusie De luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het project (oprichten woonunits voor arbeidsmigranten) zoals is vastgelegd in artikel 5.16, lid 1 onder c, van de Wet milieubeheer. 3.6

Bodemkwaliteit

3.6.1 Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (hierna: Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. 3.6.2 Wet bodembescherming De Wbb regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Uitgangspunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van het plangebied of de projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's.

Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet altijd nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. 3.6.3 Situatie in het plangebied Het plangebied is momenteel in gebruik als kassengebied en is niet gelegen in een milieubeschermingsgebied voor grondwater. Er zijn geen ondergrondse brandstoftanks bekend. Het plangebied ligt in buurt ‘Buitengebied de De Lier van de wijk De Lier. Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Westland blijkt dat de locatie is gelegen in de zone (voormalige) kassengebied. Er is voldoende inzicht in de bodemkwaliteit van het plangebied. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De locatie is geschikt voor de voorgenomen ontwikkeling tot woongebied Onderzoek (rapportnummer MBO.2020.0219) Op 29 april 2021 is er een milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd door BMA Milieu B.V. bestaande uit vooronderzoek, verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest, op een locatie gelegen aan de Oostbuurtseweg nabij 49 en 53 te De Lier in de gemeente Westland. Aanleiding tot het uitvoeren van het onderzoek is de aanvraag omgevingsvergunning voor bouw van woonunits voor de huisvesting van arbeidsmigranten (tijdelijk bouwwerken voor een periode van 10 jaar).

Doel van hetbodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. De werkzaamheden uit onderhavig onderzoek zijn door BMA Milieu B.V. uitgevoerd onder het procescertificaat ‘Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek’ BRL SIKB 2000 en bijbehorend protocol 2001 ‘het plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen’, protocol 2002 ‘het nemen van grondwatermonsters’ en protocol 2018 ‘maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem’. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater in gehaltes boven respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden

Aqua-Terra Nova Projectnummer 20130 Versie 21 november 2021

29

Conclusie Bovengrondse olietank Oostbuurtseweg nabij 53 Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de opgestelde hypothese ‘verdacht’ niet juist is. Ter plaatse zijn in de grond en in het grondwater geen overschrijdingen van de achtergronden streefwaarde vastgesteld. Op basis van het onderhavige onderzoek is de eindsituatie vastgelegd. Overige verdachte terreindelen Oostbuurtseweg nabij 53 Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de opgestelde hypothese ‘verdacht’ niet juist is. Ter plaatse zijn in de grond en in het grondwater geen overschrijdingen van de achtergronden streefwaarde vastgesteld. Op basis van het onderhavige onderzoek is de eindsituatie vastgelegd. Onderzoekslocatie Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de opgestelde hypothese ‘verdacht’ juist is. Ter plaatse zijn in de grond en in het grondwater overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarde vastgesteld. Voor lichte verontreinigingen behoeft echter geen nader onderzoek te worden aanbevolen. Nikkel in de grond Naar aanleiding van de matige verontreiniging met nikkel in MM9 is het mengmonster uitgesplitst en zijn de deelmonsters separaat geanalyseerd op nikkel. In de separate monster zijn ten hoogste lichte verontreinigingen aangetoond. Nikkel in het grondwater Uit de Nota vergunningverlening, toezicht en handhaving 2018-2021 (d.d.

19 december 2017) en bijbehorende Beleidsregel Onderzoek en Sanering van Bodemverontreiniging blijkt dat in gebieden waar gehalten aan arseen, nikkel, zink, lood en/of barium de interventiewaarde voor grondwater overschrijden, nader onderzoek naar de grondwaterverontreiniging niet is vereist wanneer er geen specifieke bron voor deze verontreiniging aanwijsbaar is. Dit geldt alleen als de gehalten in de vaste bodem lager zijn dan de landelijke achtergrondwaarden of specifieke achtergrondwaarden. Aangezienter plaatse van vrijwel de gehele locatie de grond ter hoogte van de grondwaterstand licht is verontreinigd met nikkel, worden licht verhogingen als specifieke (lokale) achtergrondwaarden beschouwd en wordt geen verder nader onderzoek aanbevolen. Aanbevolen wordt dit af te stemmen met het bevoegd gezag (ODH). Algemeen Aanbevolen wordt onderhavige rapportage, in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor bouw van woonunits voor de huisvesting van arbeidsmigranten (tijdelijk bouwwerken voor een periode van 10 jaar), af te stemmen met Omgevingsdienst Haaglanden (ODH, uitvoeringsdienst milieutaken voor o.a. gemeente Westland). De mogelijk bij bouwactiviteiten vrijkomende of aan te voeren grond is voor hergebruik onderhevig aan wettelijke bepalingen (Besluit Bodemkwaliteit). De gemeente waar de grond wordt toegepast is in dergelijke gevallen het bevoegd gezag. 3.7

Waterhuishouding

Wet- en regelgeving Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota’s verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met het doel van een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Het uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat deze voldoen aan het waterbeleid. Dit beleid is vastgelegd in diverse beleidsdocumenten van Europees (Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG), het Nationaal Bestuursakkoord Water ((NBW) tot gemeentelijk niveau (Het WaterplanWestland, met als ondertitel 'Westlands water, nu en later'). Het Waterbeheerplan 2010-2015, 'Keuzes maken en kansen benutten' is het document waarin Het Hoogheemraadschap van Delfland zijn beleid heeft vastgelegd. Onderzoek (rapportnummer 20130/Aqua-Terra Nova 301bWT/AW) In het kader van de watertoets is een waterstudie opgesteld door Aqua-Terra Nova (20049/AquaTerra Nova 301b WT/AW, d.d. 5 oktober 2021). De conceptrapportage is na goedkeuring van de opdrachtgever via het Watertoetsportaal aan het Hoogheemraadschap van Delfland voorgelegd voor Aqua-Terra Nova Projectnummer 20130 Versie 21 november 2021

30

een informeel advies. Het informeel advies is op 6 juli 2021 en 1 oktober 2021 ontvangen en verwerkt in de bovenstaande rapportage. Veiligheid en waterkeringen Het Hoogheemraadschap van Delfland is verantwoordelijk voor de veiligheid van haar beheergebied. Het bouwen en opslaan op waterkeringen mag niet zonder meer en hierop is de Keur Delfland toepassing. Met de Keurbepalingen wil Delfland voorkomen dat de stabiliteit of het functioneren van de waterkering wordt beïnvloed. Tevens moet de waterkering in de toekomst, indien nodig, opgehoogd of verbreed kunnen worden. Het perceel grenst niet direct aan de Regionale waterkering (zie figuur 10 waarin met rode lijn het plangebied is weergegeven).

Figuur 10: Weergave waterkeringen in de buurt van het plangebied (Bron: Leggerkaart Delfland)

Waterkwantiteit Het plan dient te voldoen aan de provinciale normen voor bergings- en afvoercapaciteit. De planlocatie is gelegen in de Groeneveldse polder (peilgebied GPG2010GRN VII). Voor dit peilgebied geldt een waterpeil van -2,05 m NAP Conform de Handreiking Watertoets en de beleidsnota Beperken en voorkomen wateroverlast van Delfland (https://www.hhdelfland.nl/) mag de waterhuishoudkundige situatie niet verslechteren als gevolg van de ontwikkeling, het zgn. stand-still beginsel. Voor dit project is toetsing aan de bergings- en afvoernormen het belangrijkste uitgangspunt. Bij planologische omzetting geldt de maximale inspanning voor de norm van de waterberging (zie bijlage 4 van het rapport) met toepassing van een effectgerichte, gebiedsgerichte en marktgerichte aanpak. Het stand-still beginsel betekent dat de kans op wateroverlast niet mag toenemen als gevolg van een ontwikkeling.Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, of de vasthoudcapaciteit van een gebied op andere manieren wordt verkleind, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar hetoppervlaktewater. Dit kan leiden tot wateroverlast. Versnelde afvoer door meer verharding voldoet daarmee niet aan het stand-still beginsel, tenzij ter compensatie extra waterberging wordt gerealiseerd.

Delfland heeft de Watersleutel ontwikkeld, een rekentool waarbij op basis van een aantal relevante kenmerken van de ontwikkeling en het watersysteem wordt bepaald hoeveel waterberging moet worden gerealiseerd. Om te bepalen hoeveel waterberging nodig is om de ontwikkeling hydrologisch neutraal te kunnen uitvoeren, kan ook een modelstudie worden uitgevoerd. Voor veel ontwikkelingen kan worden volstaan met deze methode om inzicht te krijgen in de benodigde watercompensatie. In bijlage 5 van het rapport staat op basis van de gegevens in deze rapportage de uitgangspunten voor de berekening van de watercompensatie van het project: - De huidige en toekomstige verharding van zowel terrein verharding als bebouwing; Aqua-Terra Nova Projectnummer 20130 Versie 21 november 2021

31

- huidige en toekomstig maaiveldhoogte; - maatgevend peil en gemiddelde drooglegging; - toelaatbare peilstijging; - bodem en grondwater; - onderhoud en bagger; - klimaatadaptatie. In onderstaand tabel staan de huidige en toekomstige oppervlakten weergegeven, dit is verder uitgewerkt in bijlage 2 bij het rapport. Tabel 3.1 Oppervlakten plangebied Bestaande situatie

Nieuwe situatie

Totaal oppervlak

29.382

29.382

Verhard oppervlak

22.897

12.509

Onverhard oppervlak

5.173

15.561

Wateroppervlak

1.312

1.312

In bijlage 5 van de Watertoets staat de analyse op basis van de Watersleutel van Delfland weergegeven. In de Watersleutel wordt er een berekening gemaakt voor het scenario Klimaat 2050. Hiervoor is er een wateropgave van 1.050 m3. In de nieuwe situatie neemt de verharding af, dit heeft een positief effectop de Watersleutel. De afname aan verharding compenseert de wateropgave voor de berekening Klimaat 2050. Ten aanzien van het stand-still beginsel wordt met name naar 3 onderdelen gekeken: Kans op wateroverlast mag niet toenemen; dit gebeurt niet doordat de verharding afneemt structuur van het watersysteem mag niet verslechteren; er vinden geen veranderingen plaats aan de watergangen beheerbaarheid van het watersysteem mag niet achteruit gaan; watergangen worden beter bereikbaar omdat er minder verharding komt in de buurt van de watergangen. Afvalwater en riolering De woningen worden volgens het Verbreed GRP 2011 – 2015 van gemeente Westland aangesloten op het gescheiden gemeentelijke rioleringsstelsel. Afvalwater wordt afgevoerd naar de dichtstbijzijnde afvalwaterzuivering. Voor zover bekend zijn er geen problemen bekend omtrent de capaciteit van riolering of zuivering.

Voor de afvoer van het hemelwater zijn creatieve en efficiënte maatregelen mogelijk, zoals het ophogen van gronden, een hoger bouwpeil van woningen, open verharding ter plekke van parkeerplaatsen of water vasthouden op particulier terrein, bijvoorbeeld door middel van de aanleg van wadi's, groene daken, het afkoppelen van hemelwaterafvoer, en dergelijke. De nieuwe woningen zullen het hemelwater op oppervlaktewater lozen. Het plan dient te voldoen aan de Leidraad Riolering West Nederland en de Leidraad aan- en afkoppelen verhard oppervlak en de Beslisboom Aan- en afkoppelen verharde oppervlakten (2003). Het projectgebied is aangesloten op een gemengd rioolsysteem. De woningen zullen aangesloten worden op drukriolering. Watersysteemkwaliteit en ecologie Delfland en gemeenten zijn in de KRW Delfland overeengekomen om de toestand van de waterlichamen te verbeteren. Onderdeel van deze overeenkomst is dat daar waar langs waterlichamen ruimtelijke mogelijkheden zijn om invulling te geven aan de KRW-opgave, deze worden benut, en dat bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt onderzocht of een deel van de ruimtelijke KRW-opgave hieraan kan worden gekoppeld. In het Waterplan Westland is aangegeven dat als er ruimte is, er een natuurvriendelijke oever moet worden aangelegd. En als er geen ruimte is maar wel dynamiek, kansen worden benut.

Daarnaast mogen ruimtelijke ontwikkelingen niet leiden tot een verslechtering van de ecologische en chemische toestand van deze waterlichamen. Het afstromend hemelwater vanaf het plangebied kan een gering positief effect op de waterkwaliteit hebben. Door de infiltratie van hemelwater in de bodem kan door de bodempassage eveneens een kwaliteitsverbetering plaatsvinden van het grondwater. Er mag bij de opvang en afvoer van Aqua-Terra Nova Projectnummer 20130 Versie 21 november 2021

32

hemelwater geen gebruik worden gemaakt van uitlogende of andere materialen die een negatief effect op de waterkwaliteit kunnen hebben. Onderhoud en bagger Delfland is verantwoordelijk voor het onderhoud van het primaire watersysteem en de waterkeringen. Voor secundair boezemwater en polderwateren zijn veelal andere partijen (gemeente, grondeigenaar) onderhoudsplichtig. Onderhoudsplichtigen zijn in de Legger Delfland vastgesteld. Onderhoud aan water en waterkering betekent dat deze toegankelijk moeten zijn voor onderhoud. Ook houdt Delfland ruimte die eventueel nodig is voor dijk- of kadeverzwaring, vrij van andere, conflicterende functies. Het beheer en onderhoud van het watersysteem binnen het plangebied is vastgelegd in de Keur Delfland en Legger Delfland. Voor onderhoud van watergangen is het van belang rekening te houden met de benodigde onderhoudsstroken. Onderhoudsstroken zijn noodzakelijk voor onderhoudsmateriaal en werkruimte, en er kan bagger op de onderhoudsstroken worden gezet. Er gelden de volgende criteria: • als er sprake is van 'varend' onderhoud van watergangen, natuurvriendelijke oevers en waterkeringen zijn de dimensionering van het doorstromingsprofiel en van de kunstwerken aan specifieke ontwerpeisen gebonden, bijvoorbeeld een vaardiepte en doorvaarthoogte van 1,0 m en een minimale doorvaarbreedte van 3,1 m bij bruggen.

Dit is zeker het geval bij een breedte van meer dan 10 m (gemeten op de waterlijn). • voor onderhoudsdoeleinden langs primaire watergangen is aan weerszijde een onderhoudsstrook (4 m) vrij van bebouwing en obstakels. Is de primaire watergang 5 m of smaller, dan kan in veel gevallen volstaan met een strook van 5 m aan één zijde en 1 m aan de andere zijde. • voor natuurvriendelijke oevers langs watergangen, bijvoorbeeld in verband met de Kaderrichtlijn Water, is ruimte nodig om onderhoud te plegen. Hierbij geldt hetzelfde als voor primaire watergangen. De watergangen zijn secundaire watergangen en dienen onderhouden te worden door de aangrenzende eigenaren. Er is voldoende ruimte om onderhoud vanaf de kant uit te voeren: er wordt 2,5 meter afstand gehouden tussen de watergang en de bomen. Op de locaties waar dit gewenst is, bijv. als gevolg van de breedte van de watergang of het ontbreken van voldoende onderhoudsstrook aan de andere kant, kan de afstand verbreed worden naar 4 meter. Bodem en grondwater Bij het bouwen van de nieuwe woning moet rekening gehouden worden met voldoende drooglegging om grondwateroverlast te voorkomen. In een waterhuishoudingsplan voor Westland wordt standaard uitgegaan van minimaal 1 m. Overigens helpt een voldoende hoog bouwpeil niet alleen tegen grondwateroverlast, maar ook tegen wateroverlast algemeen. De maaiveld hoogte bedraagt momenteel ca.

-1,42 m NAP volgens hoogtekaart.nl. Het maatgevend peil zit op - 2,05 m voor het peilgebied van de Groeneveldse polder. Hiermee is de drooglegging ca. 0,63 m vanhet maaiveld en voldoet daarmee niet aan de standaard van Delfland. Het maaiveld in de nieuwe situatie wordt glooiend aangelegd waarbij het vloerpeil van de wooneenheden op ca -1,00 m NAP wordt aangelegd. Hiermee wordt voldaan aan de 1 m drooglegging. Afvalwater en riolering Het Hoogheemraadschap van Delfland is verantwoordelijk voor de veiligheid van haar beheergebied. Het bouwen en opslaan op waterkeringen mag niet zonder meer en hierop is de Keur Delfland toepassing. Met de Keurbepalingen wil Delfland voorkomen dat de stabiliteit of het functioneren van de waterkering wordt beïnvloed. Tevens moet de waterkering in de toekomst, indien nodig,opgehoogd of verbreed kunnen worden. Het perceel grenst niet direct aan de Regionale waterkering Conclusie Op basis van het onderzoek dient er geen extra waterberging gerealiseerd te worden. Door de grote afname aan verhardoppervlak is er voldoende ruimte gecreëerd om te voldoen aan Klimaat 2050. De drooglegging voldoet niet aan de standaard van 1.0 m van het Hoogheemraadschap. Het maaiveld wordt niet verhoogd omdat het om een tijdelijke functie gaat. Aqua-Terra Nova Projectnummer 20130 Versie 21 november 2021

33

3.8 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient te worden nagegaan of er planten en dieren voorkomen of worden verwacht, die bedreigd zijn dan wel beschermd zijn in het kader van de Natuurbeschermingswet. Het uitvoeren van een onderzoek heeft als doel te inventariseren of het project mogelijk in strijd is met de Wet Natuurbescherming of het Natuurnetwerk Nederland in de Wet ruimtelijke ordening. Hiertoe worden de effecten van de activiteiten op beschermde gebieden en soorten inzichtelijk gemaakt. Daarnaast wordt geadviseerd hoe te handelen in het kader van de natuurwetgeving. Voor activiteiten met een toename van neerslag van stikstof op een Natura 2000 gebied dient bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen een Aerius-berekening te worden overlegd. Onderzoek “Eco-effectscan Tradiro Woonpark De Lier” (rapportnummer 20130/AQT303FF/LVS) In opdracht van aanvrager heeft Aqua-Terra Nova BV een onderzoek uitgevoerd naar de consequenties van natuurwetgeving op de geplande werkzaamheden met betrekking tot het project Tradiro Woonpark, De Lier. Op basis van een locatiebezoek en een literatuurstudie is geïnventariseerd welke beschermde soorten er in het plangebied aanwezig kunnen zijn. Aan de hand van de projectbeschrijving is getoetst of de geplande activiteiten in strijd kunnen zijn met de Wet natuurbescherming.

De conclusie van de toetsing worden in dit hoofdstuk gegeven Gebiedsbescherming Op grond van dit onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: • Het plangebied bevindt zich op circa 7 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Solleveld & Kapittelduinen’. Negatieve effecten van de werkzaamheden op het Natura-2000gebied kunnen worden uitgesloten. Een nadere toetsing in het kader van gebiedsbescherming is niet noodzakelijk; • Door de aard van de werkzaamheden en ligging ten opzichte van stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, is een stikstofdepositieberekening noodzakelijk. Deze is inmiddels uitgevoerd door Aqua-Terra Nova met als kenmerk 2013AQT302RS, d.d. 14 mei 2021; • Het plangebied bevindt zich op circa 1,8 km van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Negatieve effecten op het NNN kunnen worden uitgesloten. Een nadere toetsing is niet noodzakelijk; Soortenbescherming n tabel 6.1 is per soortgroep de benodigde vervolgstappen conform de Wet natuurbescherming aangegeven. In tabel 6.2 wordt de betekenis van de kleurencode weergegeven.

Aqua-Terra Nova Projectnummer 20130 Versie 21 november 2021

34

Tabel 6.1. Overzicht beschermde soorten Soortgroep

Wet

Geadviseerde vervolgstappen

Vaatplanten Beschermde soorten Algemene soorten

Wnb 3.5 of 3.10 Wnb 1.11

Aanwezigheid uitgesloten Werken conform zorgplicht.

Vogels Soorten met jaarrond beschermde verblijfplaats

Wnb 3.1

Categorie 5 soorten Algemene soorten

Wnb 3.1 Wnb 3.1

Sloop- en heiwerkzaamheden dienen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd van de steenuil, sperwer, boomvalk, huismus en gierzwaluw. Indien de sloop- en heiwerkzaamheden tussen maart en augustus worden uitgevoerd is nader onderzoek noodzakelijk. Verstoring broedende vogels voorkomen. Verstoring broedende vogels voorkomen.

Beschermde soorten

Wnb. 3.5 en 3.10

Aanwezigheid uitgesloten

Algemene en vrijgestelde soorten

Wnb 1.11

Werken conform zorgplicht.

Wnb 3.5

Werken conform zorgplicht.

Wnb 3.5

Werken conform zorgplicht.

Grondgebonden zoogdieren

Vleermuizen Verblijfplaatsen Vliegroutes en foerageergebied Amfibieën

Beschermde soorten

Wnb 3.5 of 3.10

Aanwezigheid uitgesloten

Algemene en vrijgestelde soorten

Wnb 1.11

Werken conform zorgplicht.

Wnb 3.5 of 3.10

Aanwezigheid uitgesloten

Reptielen Beschermde soorten Vissen Beschermde soorten Algemene soorten Overige soorten Beschermde soorten

Wnb 3.5 of 3.10 Wnb 1.11 N.v.t.

Aanwezigheid uitgesloten Werken conform zorgplicht. Aanwezigheid uitgesloten

Tabel 6.2. Betekenis kleurencodes. Kleur

Betekenis

Groen

Werkzaamheden kunnen uitgevoerd worden met inachtneming van de algemene zorgplicht. Verdere vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.

Geel

Werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd mits maatregelen genomen worden of conform een goedgekeurde gedragscode gewerkt wordt. Indien negatieve effecten niet uitgesloten kunnen worden is nader onderzoek noodzakelijk.

Rood

Nader onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde soorten, functie van het plangebied voor de betreffende soorten en de invloed van het project op individuen en de gunstige staat van instandhouding van de soort is noodzakelijk. Indien uit het onderzoek blijkt dat betreffende soort aanwezig is en negatieve effecten niet uit te sluiten dan wel te voorkomen zijn dient ontheffing aangevraagd te worden.

Aqua-Terra Nova Projectnummer 20130 Versie 21 november 2021

35

Broedvogels Alle in Nederland broedende vogels en hun eventuele nesten zijn strikt beschermd en mogen tijdens het broeden niet verstoord worden. De meeste vogels broeden in de periode maart tot en met juli. Echter zijn vogels welke buiten deze periode broeden ook te allen tijde beschermd. Er wordt aanbevolen om werkzaamheden binnen het broedseizoen te vermijden. Indien werkzaamheden in de periode maart t/m juli moeten worden uitgevoerd, dient de aanwezigheid van broedende vogels voorafgaand aan de werkzaamheden gecontroleerd te worden. Indien vogelnesten of broedende vogels aangetroffen worden, dienen de werkzaamheden nabij het nest of broedplaats uitgesteld te worden totdat de jongen vliegvlug zijn of dient er een verstoringsvrije zone rond de broedplaats opgesteld te worden. Vleermuizen Er wordt geadviseerd de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uit te voeren om zo overvliegende en/of foeragerende vleermuizen niet te verstoren. Indien dit niet mogelijk is, dient uitstraling van verlichting naar de omgeving voorkomen te worden. Ook kan ervoor gekozen worden om in de periode te werken wanneer vleermuizen in winterslaap zijn. De winterslaap van vleermuizen duurt grofweg van november t/m maart, maar is afhankelijk van soort en weersomstandigheden.

Indien er bij de werkzaamheden nieuwe verlichting wordt geplaatst, wordt aanbevolen om verlichting toe te passen die verstoring bij vleermuizen zoveel mogelijk beperkt. De lichthinder voor vleermuizen door straatverlichting kan aanzienlijk worden beperkt door amberkleurig UV-vrije LED-armaturen, lagere lichtmasten en een scherpe afsnede van de lichtinval toe te passen. Aquatische fauna Indien er werkzaamheden aan de watergang plaatsvinden moet dit buiten de kwetsbare periode voor aquatische fauna uitgevoerd worden. De voorkeursperiode voor de uitvoering is begin september t/m eind oktober. Dit is ná de voortplantingsperiode en vóór de winterrust van vissen en amfibieën. Indien dit niet mogelijk is wordt aanbevolen om de werkzaamheden in de minder kwetsbare periode van november- februari uit te voeren. In deze periode is aquatische fauna in winterrust en zijn ze minder mobiel.

Dempen watergang * Groen: voorkeursperiode, oranje minder kwetsbare periode en rood meest kwetsbare periode. Indien er tijdens de werkzaamheden uitheemse rivierkreeften aangetroffen worden, dienen deze naderhand en in hetzelfde water terug geplaatst te worden. Indien dit niet mogelijk is, dienen de uitheemse rivierkreeften op humane wijze te worden gedood. Zorgplicht Te allen tijde dient er rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht, artikel 1.11 Wet natuurbescherming. Dit houdt in dat er altijd rekening met in het wild levende dieren en planten gehouden moet worden. Tijdens de werkzaamheden moet gelet worden op de aanwezigheid van planten en dieren en moet voorkomen worden dat deze onnodig gedood, verwond of aangetast worden. Alle dieren, ook de niet beschermde soorten, moeten de ruimte krijgen om te kunnen vluchten en zichzelf in veiligheid te brengen. Geldigheid Afhankelijk van de tijd tussen dit onderliggende onderzoek en de werkzaamheden, kan een actualiserend of aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn. De conclusies van dit onderzoek zijn drie jaar geldig.

Aqua-Terra Nova Projectnummer 20130 Versie 11 november 2021

36

December

November

Oktober

September

Augustus

Juli

Juni

Mei

April

Maart

Februari

Januari

Bij het dempen van de watergang moet het water één richting uitgedreven naar een naastliggende sloot, zodat aanwezige vissen, amfibieën en libellenlarven zich daarnaartoe kunnen verplaatsen. Bij leegpompen van de watergang wordt de aquatische fauna en amfibieën tijdig weggevangen en elders uitgezet.

3.9 Stikstof Onderzoek “Stikstofdepositieberekening Tradiro woonpark” (rapportnummer 20130/AQT302)Voor dit

project moet onderzocht worden wat de consequenties zijn van de verbouwing en het nieuwe gebruik op nabij gelegen Natura-2000- gebieden. In het onderzoeksrapport wordt, door middel van een stikstofdepositieberekening, gecalculeerd of het project mogelijk in strijd is met de Wet natuurbescherming. Wanneer de stikstofdepositie van de beoogde activiteiten ten behoeve van dit project hoger is dan 0,00 mol/ha/jr zijn vervolgstappen noodzakelijk. Conclusie In opdracht van Tradiro BV heeft Aqua-Terra Nova BV stikstofdepositieberekeningen gemaakt van de beoogde activiteiten op het perceel tussen de Burgermeester van der Goeslaan en de Oostbuurtseweg in De Lier. Op basis van de nieuwe wetgeving en de berekening die gemaakt is voorde gebruiksfase is er geen vergunning nodig voor de beoogde activiteiten. 3.10

Cultuurhistorie en archeologie

Wettelijk kader Als gevolg van het Verdrag van Valetta, dat in 1998 door het Nederlandse parlement is goedgekeurd en in 2006 zijn beslag heeft gekregen in de gewijzigde Monumentenwet 1988, stellen Rijk en Provincie zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het Rijk heeft deze beleidsuitgangspunten neergelegd in onder meer de Cultuurnota 2005 - 2008, de Nota Belvedère, de Nota Ruimte en het Structuurschema Groene Ruimte 2. De provincie Zuid-Holland hanteert het uitgangspunt dat op terreinen die voorkomen op de Archeologische Monumentenkaart Zuid-Holland en in gebieden die op de kaart archeologische waarden van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS-kaart) ten minste een redelijke tot grote kans op archeologische sporen hebben, archeologisch vooronderzoek in het kader van de planvoorbereiding dient plaats te vinden.

Voor zover er onzekerheid bestaat over de precieze aanwezigheid van archeologische waarden, dient in het bestemmingsplan voor het bouwrijp maken een omgevingsvergunningplicht te worden gehanteerd. Het verlenen van een omgevingsvergunning wordt daarbij afhankelijk gesteld van de uitkomsten van nader archeologisch onderzoek en de belangenafweging op grond daarvan. Doelstelling van het Verdrag van Valetta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. Gemeentelijk kader Conform de Monumentenwet 1988 zijn overheden gehouden archeologie op te nemen in ruimtelijke plannen. Op 26 juni 2012 heeft de gemeente Westland haar archeologische beleidskaart vastgesteld. Op deze kaart is weergegeven waar in de gemeente – en in welke mate – er kans is op het aantreffen van archeologische resten, uitgedrukt in een verwachtingszone. Aan deze verwachtingszones zijn ondergrenzen gekoppeld die aangeven wanneer archeologisch onderzoek vanwege een voorgenomen ontwikkeling nodig is. De beleidskaart geeft een globaal inzicht in de te verwachten archeologie, in het bestemmingsplan wordt het beeld aangescherpt.

Het archeologiebeleid legt vast hoe de gemeente Westland met haar bodemarchief omgaat. De gemeente Westland stelt met dit beleidsplan: • ondergrenzen vast (uitgedrukt in oppervlakte en diepte), die duidelijk aangeven of een initiatiefnemer, dan wel een vergunningaanvrager verplicht is om archeologisch vooronderzoek te laten verrichten; • de in dit beleidsplan opgestelde normen vast teneinde deze normen op te nemen in alle bestemmingsplannen; • de beleidskaart vast 37

Aqua-Terra Nova Projectnummer 20130 Versie 11 november 2021

Verkennend archeologisch bureauonderzoek Oostbuurtseweg nabij 49 en 53, De Lier In opdracht van Tradiro B.V. en in samenwerking met ArcheoWest heeft ADC ArcheoProjecten in mei 2021 een bureauonderzoek uitgevoerd naar de kans op de aanwezigheid van archeologische waarden op de locatie Oostbuurtseweg nabij 49 en 53 in De Lier, gemeente Westland. De aanleiding voor het onderzoek betreft de realisatie van een woonpark voor arbeidsmigranten. Hiervoor is een nieuw planologische procedure nodig. Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde verwachting opgesteld. Uit de aardkundige gegevens blijkt dat het plangebied deel uitmaakte van een getijdengebied. Op de in de diepere ondergrond aanwezige kleiige afzettingen heeft zich vanaf de Bronstijd een uitgestrekt veengebied gevormd. Op het veen (Hollandveen Laagpakket binnen Formatie van Nieuwkoop) kan in de Midden-/Late IJzertijd, als het oppervlak door de vorming van getijdengeulen goed ontwaterd was, bewoning hebben plaatsgevonden. Een archeologisch niveau zal zich manifesteren als een veraarde veenlaag met daarin archeologische vondsten zoals houtskool, aardewerk, puinspikkels, metaal en dierlijk bot. In de Romeinse tijd werd bij voorkeur gewoond op de hoger gelegen oeverwallen van de veenkreken.

In het plangebied sprake is van fossiele kreeksystemen, moet op de kleiige oeverafzettingen rekening worden gehouden met bewoningssporen uit deze periode. Een archeologisch niveau zal zich manifesteren als een gerijpte, humeuze kleilaag met daarin archeologische indicatoren. De meeste typen vondsten kunnen door de ligging beneden de grondwaterspiegel goed geconserveerd zijn. De kans bestaat echter dat de top van het veen of de top van de oeverafzettingen en daarmee het archeologisch niveau tijdens laatmiddeleeuwse inbraken van de zee geheel of gedeeltelijk is geërodeerd. Vanaf de Laat-Romeinse tijd trad een sterke vernatting op, waardoor het gebied vermoedelijk ongeschikt werd voor bewoning. De kans op de aanwezigheid van resten uit de Vroege Middeleeuwen wordt daarom als laag ingeschat. In de 12e eeuw drong via verschillende vloedkreken het veengebied binnen waarbij de Lee actief werd en ter plaatse van het onderzoeksgebied kleiige dekafzettingen (Laag van Poeldijk) werden gevormd. Deze afzettingen hebben op basis van profielen van in het plangebied verrichte milieukundige boringen een dikte van circa 1,0 tot 1,5 m en vormen het huidige maaiveld. In en direct onder de bouwvoor moet rekening worden gehouden met archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd.

Op basis van oude kaarten zullen deze enkel uit sporen van agrarisch gebruik van de locatie, zoals greppelsystemen en sporen van percelering, bestaan. Bewoningssporen en dijkophogingen zijn in het plangebied niet te verwachten. Uit gegevens van eerder genoemd milieukundige boringen is af te leiden dat de bovenste circa 50 cm van het bodemprofiel is verstoord. Ter plaatse van de silo’s en de funderingen van de aanwezige bebouwing en kassen moet echter rekening gehouden met diepere verstoringen. ADC ArcheoProjecten adviseert om en inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van een verkennend booronderzoek. Het doel van dit onderzoek is de bodemopbouw en de aard, omvang en diepte van eventuele verstoringen in beeld te krijgen. Aan de hand van de gegevens van het veldonderzoek kan de gespecificeerde verwachting worden aangevuld. Hiertoe zullen handmatig circa 30 boringen in eenverspringend circa 30 x 35 m grid worden verricht, waarbij gebruik zal worden gemaakt van een 7 cm Edelman en een 3 cm gutsboor. De boringen zullen tot tenminste 200 cm –mv worden doorgezet. Vier boringen zullen om de opbouw van de diepere ondergrond in beeld te krijgen tot tenminste 400 cm –mv worden doorgezet. De werkzaamheden dienen voorafgaand aan het veldwerk te worden vastgelegd in een Plan van Aanpak (PvA).

Wij wijzen erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport een selectiebesluit neemt. De mogelijkheid bestaat dat dit selectiebesluit afwijkt van het door ons opgestelde advies. Conclusie De eerste, voor het bureauonderzoek opgestelde onderzoeksvraag “Zijn mogelijk archeologische waarden in het plangebied aanwezig, en zo ja, wat is de specifieke archeologische verwachting?” kan als volgt worden beantwoord: Uit de aardkundige gegevens blijkt dat het plangebied deel uitmaakte van een getijdengebied. Op de in de diepere ondergrond aanwezige kleiige afzettingen heeft zich vanaf de Bronstijd een uitgestrekt veengebied gevormd. Op het veen (Hollandveen Laagpakket binnen Formatie van Nieuwkoop) kan in de Midden-/Late IJzertijd, als het oppervlak door de vorming van getijdengeulen goed ontwaterd was, bewoning hebben plaatsgevonden. Een archeologisch niveau zal zich manifesteren als een veraarde veenlaag met daarin archeologische vondsten zoals houtskool, aardewerk, puinspikkels, metaal en dierlijk bot. In de Romeinse tijd werd bij voorkeur gewoond op de hoger gelegen oeverwallen van de veenkreken. In het plangebied sprake is van fossiele kreeksystemen, moet op de kleiige oeverafzettingen rekening worden gehouden met bewoningssporen uit deze periode. Een archeologisch niveau zal zich manifesteren als een gerijpte, humeuze kleilaag met daarin archeologische indicatoren.

De meeste typen vondsten kunnen door de ligging beneden de grondwaterspiegel goed geconserveerd zijn. De kans bestaat echter dat de top van het veen of de top van de oeverafzettingen en daarmee het archeologisch niveau tijdens laatmiddeleeuwse inbraken van de zee geheel of gedeeltelijk is geërodeerd. Vanaf de Laat-Romeinse tijd trad een sterke vernatting op, waardoor het gebied vermoedelijk ongeschikt werd voor bewoning. Aqua-Terra Nova Projectnummer 20130 Versie 11 november 2021

38

De kans op de aanwezigheid van resten uit de Vroege Middeleeuwen wordt daarom als laag ingeschat. In de 12e eeuw drong via verschillende vloedkreken het veengebied binnen waarbij de Lee actief werd en ter plaatse van het onderzoeksgebied kleiige dekafzettingen (Laag van Poeldijk) werden gevormd. Deze afzettingen hebben op basis van profielen van in het plangebied verrichte milieukundige boringen een dikte van circa 1,0 tot 1,5 m en vormen het huidige maaiveld. In en direct onder de bouwvoor moet rekening worden gehouden met archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. Op basis van oude kaarten zullen deze enkel uit sporen van agrarisch gebruik van de locatie, zoals greppelsystemen en sporen van percelering, bestaan. Bewoningssporen en dijkophogingen zijn in het plangebied niet te verwachten. Uit gegevens van eerder genoemd milieukundige boringen is af te leiden dat de bovenste circa 50 cm van het bodemprofiel is verstoord. Ter plaatse van de silo’s en de funderingen van de aanwezige bebouwing en kassen moet echter rekening gehouden met diepere verstoringen.

De beantwoording van de tweede onderzoeksvraag “Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd?” is als volgt: Om de kans op de aanwezigheid van archeologische resten te bepalen is vooral het verwerven van inzicht in de bodemopbouw en de mate van intactheid daarvan van belang. Geadviseerd wordt daarom een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uit te voeren. Aanbeveling ADC ArcheoProjecten adviseert om een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van een verkennend booronderzoek. Het doel van dit onderzoek is de bodemopbouw en de aard, omvang en diepte van eventuele verstoringen in beeld te krijgen. Aan de hand van de gegevens van het veldonderzoek kan de gespecificeerde verwachting worden aangevuld. Hiertoe zullen handmatig circa 30 boringen in een verspringend circa 30 x 35 m grid worden verricht, waarbij gebruik zal worden gemaakt van een 7 cm Edelman en een 3 cm gutsboor. De boringen zullen tot tenminste 200 cm – mv worden doorgezet. Vier boringen zullen om de opbouw van de diepere ondergrond in beeld te krijgen tot tenminste 400 cm –mv worden doorgezet. De werkzaamheden dienen voorafgaand aan het veldwerk te worden vastgelegd in een Plan van Aanpak (PvA). Wij wijzen erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport een selectiebesluit neemt.

De mogelijkheid bestaat dat dit selectiebesluit afwijkt van het door ons opgestelde advies. 3.11 Conclusie Uit de hierboven beschreven onderzoek rapportages komt het volgende naar voren: • Op basis van de gehanteerde bedrijven- en milieuzonering is er geen belemmering voor het plan. Conclusie daarbij is dat wordt zorggedragen voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woonfunctie voor arbeidsmigranten en dat de bestaande bedrijven niet in hun functioneren worden beperkt. • Uit het oogpunt van externe veiligheid, geluid, luchtkwaliteit, bodem, ecologie en stikstof zijn er geen belemmeringen voor het plan; • Uit het oogpunt van water voldoet de drooglegging aan de standaard van 1.0 m van het Hoogheemraadschap. Het vloerpeil van de wooneenheden wordt op ca -1,00 m NAP aangelegd; • Uit het oogpunt van archeologie wordt een inventariserend veldonderzoek aanbevolen door middel van een verkennend booronderzoek.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=d8831385-6195-463e-be07-856e07850f8c