CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

2.2d) OER herziening omgevingsbeleid 2025 [25-0186133 ]

Commissie Ruimte en Wonen 10 februari 2026, gemeente WestlandBij agendapunt: Schrijven college d.d. 03-12-25 inzake zienswijze herziening omgevingsbeleid provincie Zuid-Holland 202535.025 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Het gaat dan om het verhogen van het waterpeil tot circa 30 cm onder maaiveld, het extensiveren van het grondgebruik door het verminderen van de veedichtheid en de bemesting, het inzetten op meer kruidenrijk grasland en meer (extensieve) beweiding, het tegengaan van predatie. Voor akkervogels worden regio's aangewezen waarbinnen, in overleg met gebiedspartijen, gebieden van minstens 500 ha aangewezen worden waar minstens 10% optimaal biotoop wordt gerealiseerd. • Aanpassing omgevingsverordening. Net als alternatief 1 zal ook dit alternatief leiden tot aanpassing van de huidige begrenzing van de belangrijke weidevogelgebieden in de omgevingsverordening. Bovenop de onder alternatief 1 voorgestelde wijzigingen, zullen de in overleg met de gebiedspartijen aangewezen gebieden worden beschermd onder categorie 1 met een nee, tenzij-regime. Aangezien de meeste kerngebieden zullen liggen op de plekken waar nu ook al hoge weidevogeldichtheden aanwezig zijn, is de verwachting dat er niet veel extra gebied zal hoeven worden aangewezen. Voor de belangrijke akkervogelgebieden zal worden onderzocht of ruimtelijke gebiedsbescherming kan worden geïntroduceerd.

5.2.2. Beoordeling doelbereik ZHPLG: Boerenlandvogels Doelstelling: Voor weidevogels wordt in het kader van de Europese inbreukprocedure op korte termijn een actuele doelstelling verwacht. Voor zowel weide- als akkervogels zal in het natuurplan, dat in het kader van de verordening natuurherstel opgesteld wordt door het rijk, naar verwachting ook een doelstelling geformuleerd worden. Tot die tijd houdt de provincie Zuid-Holland vast aan de opgaven uit het voormalige NPLG, waarin de opgave voor ZuidHolland circa 3.500 extra broedparen van de grutto als vlaggenschip voor de weidevogels bedroeg. En de opgave voor akkervogels werd vertaald in circa 300 extra broedparen van de patrijs. Als je de aantallen door vertaalt naar benodigd oppervlak dan zouden bovenstaande aantallen resulteren in een kwantitatieve hectare-opgave voor weidevogels van 11.000 ha en voor akkervogels van 1.900 ha (geschikt areaal). De doelstelling voor extra broedparen en hectares heeft een grote overlap met de opgave voor het verhogen van de grondwaterstand voor reductie van CO2-emissie in het veenweidegebied. Beoordeling doelbereik en toelichting:

70

Alternatief 1: Aantalsdoelstelling boerenlandvogels opnemen in omgevingsvisie, uitvoering via bestaand instrumentarium

Alternatief 2: Provincie stuurt op kerngebieden met aparte ruimtelijke status

Alternatief 1 is gericht op de uitvoering via het bestaand instrumentarium. Uitgangspunt is dat boeren vrijwillig deelnemen. Door de betere vergoedingen zullen meer boeren, meer zwaar beheer willen afsluiten. De effecten op doelbereik zijn afhankelijk van de inrichting van het instrumentarium. Uit een evaluatie van de Rekenkamer blijkt dat maatregelen zoals verhoging van het waterpeil of de aanleg van plas-dras greppels het meest effectief zijn.20 Uit de evaluatie blijkt ook dat lichtere beheermaatregelen zoals legselbeheer beperkt effectief zijn maar meer toegepast worden. De overkoepelende conclusie is dan ook dat het beleid niet effectief was: “In de afgelopen 20 jaar groeide de subsidie voor boeren om weidevogels te beschermen van € 4,2 miljoen in 2001 tot € 33,4 miljoen in 2020. Maar in diezelfde periode daalde het aantal broedparen grutto’s van 60.000 tot 30.000.” Doelbereik: het doelbereik is dus afhankelijk van de specifieke uitvoering van het instrumentarium en lokale en bedrijfsmatige condities. De inzet van zwaardere maatregelen zal een grotere bijdrage leveren aan het doelbereik. Tegelijkertijd hebben deze maatregelen de grootste impact op de agrarische bedrijfsvoering. Op voorhand zijn derhalve geen uitspraken te doen over doelbereik in termen van aantal broedparen.

Alternatief 2 kent een sterkere provinciale sturing door in bepaalde gebieden eisen op de leggen aan de agrarische bedrijfsvoering. Daarbij wijst de provincie in de omgevingsverordening, afhankelijk van de doelstelling, een aantal gebieden aan van 1.000-2.000 ha waar weidevogels op z’n minst een volwaardige neventak worden binnen de agrarische bedrijfsvoering. Dit betreft de Krimpenerwaard, Alblasserwaard, Midden-Delfland, en de regio’s Nieuwkoop, Bodegraven en Kaag. In deze gebieden is agrarisch medegebruik mogelijk, maar met extra eisen aan beheer een inrichting gericht op weidevogels. Het gaat dan om het verhogen van het waterpeil tot circa 30 cm onder maaiveld, het extensiveren van het grondgebruik door het verminderen van de veedichtheid en de bemesting, het inzetten op meer kruidenrijk grasland en meer (extensieve) beweiding, het tegengaan van predatie. Doelbereik: vanwege de inzet van effectieve ‘zware beheermaatregelen’ (zoals het verhogen van het slootwaterpeil tot 30cm) zal dit alternatief de grootste bijdrage aan het doelbereik leveren. Ten opzichte van alternatief 1 is dit alternatief meer sturend waardoor het aannemelijker is dat de beoogde effecten in de praktijk

Algemene Rekenkamer (2021), Meer subsidie, minder grutto’s: https://www.rekenkamer.nl/actueel/nieuws/2021/12/14/meer-subsidie-minder-gruttos.

20

71

gerealiseerd zullen worden (overigens, dat geldt ook voor de positieve en negatieve leefomgevingseffecten zoals hiervoor omschreven). Het doelbereik is dus afhankelijk van de specifieke uitvoering van het instrumentarium en lokale en bedrijfsmatige condities. De inzet van zwaardere maatregelen zal een grotere bijdrage leveren aan het doelbereik. Op voorhand zijn derhalve geen uitspraken te doen over doelbereik in termen van aantal broedparen.

5.2.3. Effectbeoordeling In onderstaande tabel hebben we een overzicht opgenomen van de relevante beoordelingscriteria, de referentiesituatie per criterium en de beoordeling van de beleidsalternatieven. In paragraaf 5.5 is een onderbouwing van de beoordeling per aspect en per alternatief opgenomen. De uitwerking en onderbouwing van de referentiesituatie is opgenomen in de ‘Foto van de Leefomgeving’ (bijlage).

Overzichtstabel effecten beleidsalternatieven op relevante beoordelingsaspecten Beoordelingscriteria

Referentiesituatie Huidige situatie

Autonome ontwikkeling

Agrarisch verdienvermogen Bedrijventerreinvoorraa dontwikkeling Uitstoot broeikasgassen

Geen knelpunten Wisselend knelpunten Veel knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Veel knelpunten Veel knelpunten Wisselend knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Veel knelpunten Veel knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Veel knelpunten Wisselende knelpunten

Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Positieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling

Klimaatadaptatie – hittestress Klimaatadaptatie – wateroverlast Klimaatadaptatie overstromingsdiepte Oppervlaktewater kwaliteit Waterbeschikbaarheid Grondwater Bodemkwaliteit 4D ordening: drukte in de ondergrond 4D ordening: bodemdaling Landschappelijke kwaliteit Cultuurhistorie en erfgoed Archeologie Luchtkwaliteit

Beoordeling Alternatief 1:

Beoordeling alternatief 2:

Aantalsdoelstelling boerenlandvogels opnemen in omgevingsvisie, uitvoering via bestaand instrumentarium

Provincie stuurt op kerngebieden met aparte ruimtelijke status.

0

-

0

0

0

+

0

0

0

-

0

-

0

0

0

-

0

+

0

0

0

0

0

++

0

++

0

+

0

+

0

0

72

Geur

Onbekend

Onbekend

N2000

Veel knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Geen knelpunten Veel knelpunten Wisselende knelpunten

Negatieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling

NNN Soortendiversiteit Energiegebruik Woningbouw Leefbaarheid

0

+

0

++

0

++

0

++

0

0

0

0

0

?

5.3 Emissieplafond ammoniak 5.3.1. Uitwerking beleidsalternatieven Aanleiding Te hoge stikstofdepositie leidt tot verslechtering van de natuur. De reductie van stikstofemissies is wettelijk vastgelegd als resultaatsverplichting in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (en inmiddels de Omgevingswet, artikel 2.15a). Volgens deze verplichting moet in 2035 landelijk minimaal 74% van het areaal van alle stikstofgevoelige habitats en leefgebieden van soorten in Natura 2000-gebieden zich onder de Kritische Depositie Waarde (KDW) bevinden. Om deze omgevingswaarde te halen zijn richtinggevende emissiereductiedoelen ammoniak (NH3) toebedeeld aan de provincies. In oktober 2024 heeft de minister van LVVN aangegeven dat het stikstofdoel voor 2025 landelijk al niet haalbaar is. Voor de komende jaren vergt dat nog extra inspanningen, zeker nu de rechtbank in de Greenpeace uitspraak van 22 januari 2025 de Staat heeft opgedragen op laste van een dwangsom aan de eigen wettelijk gestelde doelen voor 2030 te voldoen. Doelstelling De doelstelling is 2,5 kton ammoniakreductie in de Landbouw in Zuid-Holland ten opzichte van 2020 per 2035 om zo aan de provinciale doelstelling te voldoen. Dit draagt bij aan het reduceren van de depositie van ammoniak op Natura 2000-gebieden in en buiten de provincie ZuidHolland.

Hiermee draagt de provincie Zuid-Holland op een evenredige manier bij aan de doelstelling van 74% van het stikstofgevoelige areaal in Natura 2000-gebieden onder de KDW in 2035 te brengen. Gezien de landbouwsector relatief klein is in Zuid-Holland, draagt dit op de totale stikstofopgave maar erg beperkt bij. Het grootste deel van de depositie is afkomstig van buiten de provincie. Het gaat dan ook niet om het directe doelbereik op onze natuurgebieden, maar om de evenredig bijdrage aan de landelijke doelstellingen (want als iedereen dat doet komt ons doel ook binnen bereik).

Beschrijving beleidsalternatieven emissieplafond ammoniak

Voor de alternatievenbeoordeling in het OER is per alternatief een selectie van te beoordelen beleidsuitspraken gemaakt op basis van de volgende criteria: • Het is nieuw beleid, het wordt nu nog niet gedaan; • Er kan een relatie gelegd worden met beoordelingsaspecten van het OER (zoals opgenomen in het beoordelingskader); • Het is voldoende concreet om te kunnen beoordelen op kansen op positieve effecten en negatieve effecten.

73

Beschrijving beleidsalternatieven op hoofdlijnen Er zijn slechts een paar stikstofgevoelige N2000 gebieden in Zuid-Holland waar het vanuit de focus op depositie zin heeft meer dan generiek te reduceren in de directe nabijheid van het gebied. Hieruit volgt dat het merendeel van de reductie (2,5 kton) een generieke aanpak behoeft en bijdraagt aan het verminderen van ‘de deken’. Daarom betreffen de alternatieven een uniforme, generieke aanpak van de stikstofopgave met een gelijke doelstelling voor alle melkveehouderijbedrijven in heel Zuid-Holland. Alternatieven waarbij er wordt uitgegaan van een ‘generieke korting’ (waarbij elke boer een gelijk percentage omlaag moet in emissies) vielen af, omdat je daarmee geen recht doet aan boeren die al bezig zijn met het reduceren van emissies of al een emissiearm bedrijfsmodel hebben. In de referentiesituatie zit de gemiddelde emissie van melkveehouderijen in Zuid-Holland op zo’n 60-64kg per hectare. Een gemiddelde reductie van 30-45% is nodig om aan de alternatieven te voldoen. De bijdrage van de melkveehouderij (binnen de provincie ZH) op de depositie is zeer wisselend, in sommige gebieden is dat enkele procenten, in andere gebieden kan dit oplopen tot zo’n 10%.

Het doelbereik is dan ook beperkt, omdat stikstof niet stopt bij de provinciegrenzen en dit één klein puzzelstukje is in de landelijke stikstofopgave van een provincie waar de landbouwsector relatief klein is. Voor doelbereik zijn we als ZH daarom vooral afhankelijk van andere provincies, maar andere provincies omgekeerd ook van ons. Door allemaal de benodigde emissiereductie te realiseren kan de depositie wel flink dalen. Ten behoeve van de besluitvorming over het beleidsvoornemen zijn er drie alternatieven uitgewerkt. De alternatieven onderscheiden zich van elkaar in de hoogte van het emissieplafond. Niet gespecificeerd is de mate waarin de alternatieven sturend zijn. Varianten zijn een streefwaarde in de omgevingsvisie, een norm in de omgevingsverordening of een omgevingswaarde met een programmaplicht voor GS. De streefwaarde / normering geldt voor alle melkveehouderijen in Zuid-Holland. Waarbij voor het berekenen van de emissie per hectare alle hectare mogen worden meegeteld die worden gebruikt voor de melkveehouderij (dus bijvoorbeeld geen hectare voor voedselproductie). Dit zijn geen vastgestelde gronden, dit zijn de gronden die melkveehouders op het betreffende moment in gebruik hebben voor hun melkveehouderij.

Beschrijving alternatief 1 op basis beleidsuitspraken Alternatief 1: Streefwaarde/omgevingswaarde van 45 kg NH3/ha/jr voor de ZuidHollandse melkveehouderij • Omgevingsvisie. Streefwaarde van 45 kg NH3/ha/jr voor de Zuid -Hollandse melkveehouderij. OF • Omgevingsverordening. Norm van 45 op bedrijfsniveau kg NH3/ha/jr voor de Zuid Hollandse melkveehouderij. OF • Omgevingswaarde. Omgevingswaarde van (gemiddeld) 45kg NH3/ha/jr met programmaplicht voor GS wanneer dit niet gehaald wordt. Beschrijving alternatief 2 op basis beleidsuitspraken Alternatief 2: Streefwaarde/omgevingswaarde van 40 kg NH3/ha/jr voor de ZuidHollandse melkveehouderij

74

•

Omgevingsvisie. Streefwaarde van 40 kg NH3/ha/jr voor de Zuid-Hollandse melkveehouderij.

OF • Omgevingsverordening. Omgevingswaarde van 40 kg NH3/ha/jr voor de Zuid-Hollandse melkveehouderij. OF • Omgevingswaarde. Omgevingswaarde van (gemiddeld) 40kg NH3/ha/jr met programmaplicht voor GS wanneer dit niet gehaald wordt. Beschrijving alternatief 3 op basis beleidsuitspraken Alternatief 3: Streefwaarde/omgevingswaarde van 35 kg NH3/ha/jr voor de ZuidHollandse melkveehouderij • Omgevingsvisie. Streefwaarde van 35 kg NH3/ha/jr voor de Zuid-Hollandse melkveehouderij. OF • Omgevingsverordening. Omgevingswaarde van 35 kg NH3/ha/jr voor de Zuid-Hollandse melkveehouderij. OF • Omgevingswaarde. Omgevingswaarde van (gemiddeld) 35kg NH3/ha/jr met programmaplicht voor GS wanneer dit niet gehaald wordt. Algemene toelichting Emissieplafond ammoniak/ doelsturing melkveehouderij Zuid-Holland is een provincie bekend om de tuinbouw in de kustregio, akkerbouw in de ZuidHollandse Delta en melkveehouderij in de Veenweidegebieden. Bij al deze vormen van land- en tuinbouw komt in meer of mindere mate emissie vrij in de vorm van (onder andere) ammoniak. Het is van belang om in de komende jaren in deze sectoren de emissies terug te dringen. Gezien een groot deel van de emissies afkomstig is uit de melkveehouderij er Zuid-Holland veel aan gelegen om in deze sector vooruitgang te boeken.

Daarbij is er ook voor de melkveehouderij gekozen omdat voor de andere sectoren nog (veel) meer uitzoekwerk nodig is om tot reële, werkbare emissieplafonds te komen. Zo is het per akkerbouwgewas afhankelijk hoeveel emissie er plaatsvindt. Aangezien er veel verschillende akkerbouwgewassen worden geteeld is één enkel plafond dus niet mogelijk. Dat zou leiden tot strategische keuzes in gewassen in plaats van tot reductie van emissies per gewas. De nietgrond gebonden veehouderij (kippen en varkens) kunnen ook niet worden gehouden aan een emissieplafond per hectare, gezien er geen koppeling is tussen het aantal dieren en het aantal hectare op een bedrijf (vandaar de term niet-grondgebonden). Dat betekent niet dat in de rest van de landbouwsectoren geen reductie nodig is, uitwerking van beleidsregels voor deze sectoren zal in de komende periode verder worden uitgewerkt. Wat is een emissieplafond (per hectare)? Een emissieplafond is een limitering van de hoeveelheid ammoniakemissie van een bedrijf, bepaald naar het aantal hectare wat het bedrijf in gebruik heeft (voor het produceren van gewassen bedoelt voor het voeren van de dieren). Een bedrijf met 10 hectare bij een emissieplafond van 35kg per hectare heeft dan een in totaal een emissieplafond van 350kg (10*35). Hoogte van het plafond Op dit moment is de emissie van melkveehouders zo'n 60-64kg per hectare.

Met een gewenste emissiereductie van zo'n 40-45% zou het plafond rond de 35kg per hectare komen te liggen.

75

Juridische borging Een emissieplafond kan op verschillende manieren worden ingevoerd, waarbij er in meer of mindere mate een vorm van afdwingbaarheid is. Zo kan een emissieplafond ingevoerd worden door middel van het vastleggen van een streefwaarde in de omgevingsvisie. Dit is de meest ‘zachte’ manier van invoeren waarbij boeren alleen wordt gevraagd toe te werken naar de norm, zonder dat dit op enige manier wordt afgedwongen. Daarentegen kan er ook worden gedacht aan het invoeren van een normering, waarbij het emissieplafond wordt opgenomen als onderdeel van de vergunning. Een derde variant is het vaststellen van een omgevingswaarde (per gebied). Bij het niet halen van een gemiddelde hectare norm voor het vastgestelde gebied ligt er dan een programmaplicht bij het bevoegd gezag om het realiseren van de doelstelling te bewerkstelligen. Zo’n programmaplicht kan bij gemeente of GS belegd worden. Impact op stikstofreductie en natuurherstel Op dit moment is de emissie van melkveehouders zo'n 60-64kg per hectare. Wanneer dit wordt teruggebracht naar 35kg/ 40kg/ 45kg per hectare levert dat dus een aanzienlijke reductie op. In heel Zuid-Holland gaat het dan over een reductie van 1,3/1,1/0,8 kton ammoniak op jaarbasis (respectievelijk). Deze emissiereductie leidt tot een vermindering van de depositie in onze (en ook andere) Natura 2000-gebieden.

Tabel 1 laat een inschatting zien van de reductie van de deposities op de Natura 2000-gebieden bij een invoering van een emissieplafond van 35kg/ha/jr. Dit is er vanuitgaande dat iedereen zich aan het nieuwe emissieplafond houdt. Bij een invoering via een streefwaarde zal slechts een (klein) deel van dit doelbereik daadwerkelijk gerealiseerd worden. Gebied Depositiereductie bij Reductie totale depositie plafond 35kg afkomstig uit sector rundvee [mol/ha/jr] Lingegebied & Diefdijk-Zuid 33 8% Kennemerland-Zuid 13 12% Coepelduynen 15 19% Meijendel & Berkheide 17 19% Westduinpark & Wapendal 13 17% Solleveld & Kapittelduinen 15 20% Voornes Duin 16 19% Duinen Goeree & Kwade Hoek 12 20% Nieuwkoopse Plassen & De Haeck 70 25% Biesbosch 27 16% Voordelta 5 12% Krammer-Volkerak 11 12% Grevelingen 8 13% Tabel 1: Inschatting maximale potentiële reductie depositie als gevolg van instellen emissieplafond [DASH].

Relatie tot andere thema's en staand beleid PZH Het instellen van een emissieplafond ammoniak zal gunstig bijdragen aan de waterkwaliteit doelen (KRW) en de klimaatdoelen (methaan). We hebben 35-40 kg/ha/jaar als streefwaarde in

76

het voorontwerp ZH-PLG opgenomen.21 Ook is de streefwaarde in de omgevingsvisie opgenomen. Landelijk draagvlak In beginsel is het Rijk al bezig met het bekijken van bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en broeikasgassen. De contouren hiervan werden beschreven in een recente kamerbrief (DGLGS/ 96535513). In feite is er dus geen sprake van een wijziging van Rijksbeleid maar van een versnelling. In de genoemde contourenbrief is de tijdsplanning nog zeer vaag: ‘de komende periode’ en ‘in ieder geval niet dit jaar’ (=2025). Dit vraagt bij het Rijk om een significante versnelling. Randvoorwaarden voor invoering Belangrijke randvoorwaarden voor de invoering van een hectare-norm zijn een juridische verankering van de norm en een manier om het te monitoren. Dat laatste is nodig voor toezichten handhaving systematiek. Beiden zijn nodig om een norm in te voeren. Uitvoerbaarheid Toezicht en handhaving is een belangrijk punt van aandacht en daarmee ook de beschikbare capaciteit. Te denken valt aan de capaciteit van het ambtenarenapparaat voor de uitvoering van strategisch grondbeleid en de capaciteit van provincies en externe partners voor een grootschalige uitrol van doelsturing voor bedrijfsspecifiek emissienormen.

5.3.2. Beoordeling doelbereik ZHPLG: emissieplafond ammoniak Doelstelling: De doelstelling is 2.5 kton ammoniakreductie in de Landbouw in Zuid-Holland ten opzichte van 2020 per 2035 om zo aan de provinciale doelstelling te voldoen. Dit draagt bij aan het reduceren van de depositie van ammoniak op Natura 2000-gebieden in en buiten de provincie Zuid-Holland. Hiermee draagt de provincie Zuid-Holland op een evenredige manier bij aan de doelstelling van 74% van het stikstofgevoelige areaal in Natura 2000gebieden onder de KDW in 2035 te brengen. Om aan deze doelstelling te voldoen is een gemiddelde reductie van 40-45% ammoniakuitstoot nodig. Beoordeling doelbereik en toelichting: Alternatief 1: Een gemiddelde melkveehouderij heeft een Streefwaarde/omgevingswaarde ammoniakemissie van 60-64 kg NH3/ha/jaar. In dit van 45 kg NH3/ha/jr voor de Zuidalternatief wordt een reductie van 25-30% gerealiseerd. Hollandse melkveehouderij Daarmee is een ‘doelgat’ van 10-20%. De doelstelling wordt dus niet behaald. Alternatief 2: Een gemiddelde melkveehouderij heeft een Streefwaarde/omgevingswaarde ammoniakemissie van 60-64 kg NH3/ha/jaar. In dit van 40 kg NH3/ha/jr voor de Zuidalternatief wordt een reductie van 33-38% gerealiseerd. Hollandse melkveehouderij Daarmee is een ‘doelgat’ van 2-12%. De doelstelling wordt dus niet behaald.

Alternatief 3: Een gemiddelde melkveehouderij heeft een Streefwaarde/omgevingswaarde ammoniakemissie van 60-64 kg NH3/ha/jaar. In dit van 35 kg NH3/ha/jr voor de Zuidalternatief wordt een reductie van 42-46% gerealiseerd. Hollandse melkveehouderij Daarmee wordt de doelstelling behaald.

Provincie Zuid-Holland (2023), ZHPLG toetsbaar voorontwerp 30 juni 2023: https://pzh.notubiz.nl/document/12954812/1?connection_type=16&connection_id=860345.

21

77

Bij bovenstaande analyse geldt de belangrijke kanttekening dat nog niet helder is op welke manier het emissieplafond zal (kan) worden ingevoerd. Er zijn drie manieren waarop invoering mogelijk is: • Door middel van het vastleggen van een streefwaarde in de omgevingsvisie. Dit is de meest ‘zachte’ manier van invoeren waarbij boeren alleen wordt gevraagd toe te werken naar de norm, zonder dat dit op enige manier wordt afgedwongen. • Door het invoeren van een normering, waarbij het emissieplafond wordt opgenomen als onderdeel van de vergunning. • Door het vaststellen van een omgevingswaarde (per gebied). Bij het niet halen van een gemiddelde hectare norm voor het vastgestelde gebied ligt er dan een programmaplicht bij het bevoegd gezag om het realiseren van de doelstelling te bewerkstelligen. Zo’n programmaplicht kan bij gemeente of GS belegd worden. De verschillende manieren van invoering zijn in meer of mindere mate afdwingbaar. Het doelbereik én de omgevingseffecten zullen, naarmate het emissieplafond meer afdwingbaar wordt, groter worden. Andersom: wordt voor de meest ‘zachte’ variant gekozen, dan is te verwachten dat het doelbereik en de omgevingseffecten beperkt zullen zijn. Om tot een normerend plafond te kunnen komen zijn bovendien aanvullende middelen nodig (financiële ondersteuning).

Een andere kanttekening is dat Zuid-Holland relatief weinig intensieve veeteelt heeft waardoor een eventuele krimp voor ammoniakreductie daar relatief weinig aan bijdraagt. De provincie heeft veel industrie, die voornamelijk stikstofoxiden uitstoot. Die uitstoot neemt al jaren af en die lijn wordt doorgezet, omdat de industrie al jaren de verplichting heeft altijd de beste beschikbare technieken in te zetten. De mogelijkheden om vanuit het provinciale beleid een aanvullende wezenlijke bijdrage te leveren aan het stikstofvraagstuk kennen beperkingen. Vanuit een breder perspectief bezien heeft de provincie namelijk weinig knoppen om aan te draaien met het provinciale beleid. Daar komt bij dat het grootste deel van de depositie is afkomstig van buiten de provincie. Het emissieplafond heeft een beperkt effect als het niet ook in andere provincies wordt ingevoerd. De provincie ziet landelijke invoering daarom als randvoorwaardelijk voor de invoering in ZuidHolland. Het gaat bij de effectbeoordeling dan ook niet om het directe doelbereik (vermindering ammoniak binnen de provincie), maar om de evenredig bijdrage aan de landelijke doelstellingen.

5.3.3. Effectbeoordeling In onderstaande tabel hebben we een overzicht opgenomen van de relevante beoordelingscriteria, de referentiesituatie per criterium en de beoordeling van de beleidsalternatieven. In paragraaf 5.5 is een onderbouwing van de beoordeling per aspect en per alternatief opgenomen. De uitwerking en onderbouwing van de referentiesituatie is opgenomen in de ‘Foto van de Leefomgeving’ (bijlage).

Overzichtstabel effecten beleidsalternatieven op relevante beoordelingsaspecten Beoordelingscriteria

Referentiesituatie Huidige situatie

Autonome ontwikkeling

Agrarisch verdienvermogen Bedrijventerreinvoorraa dontwikkeling

Geen knelpunten Wisselend knelpunten

Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling

Beoordeling Alternatief 1:

Beoordeling alternatief 2:

Beoordeling Alternatief 3:

45 kg NH3/ha/jr

40 kg NH3/ha/jr

35 kg NH3/ha/jr

--

--

--

0

0

0

78

Uitstoot broeikasgassen Klimaatadaptatie – hittestress Klimaatadaptatie – wateroverlast Klimaatadaptatie overstromingsdiepte Oppervlaktewater kwaliteit Waterbeschikbaarheid Grondwater Bodemkwaliteit 4D ordening: drukte in de ondergrond 4D ordening: bodemdaling Landschappelijke kwaliteit Cultuurhistorie en erfgoed Archeologie Luchtkwaliteit Geur N2000 NNN Soortendiversiteit Energiegebruik Woningbouw Leefbaarheid

Veel knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Veel knelpunten Veel knelpunten Wisselend knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Veel knelpunten Veel knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Veel knelpunten Wisselende knelpunten Onbekend

Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Positieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Onbekend

Veel knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Geen knelpunten Veel knelpunten Wisselende knelpunten

Negatieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling

+

+

+

0

0

0

0

0

0

0

0

0

++

++

++

0

0

0

+

+

+

0

0

0

0

0

0

0

0

0

+

+

+

0

0

0

0

0

0

+

+

+

++

++

++

++

++

++

++

++

++

++

++

++

0

0

0

0

0

0

+

+

+

5.4 Drukfactoren N2000 5.4.1. Uitwerking beleidsalternatieven Aanleiding Aanleiding zijn verplichtingen die volgen uit het gebiedenspoor uit de Vogel- en Habitatrichtlijn om natuurlijke habitats en soorten met gebiedsbescherming (via Natura 2000-gebieden) in een gunstige staat van instandhouding te brengen. Voor het duurzaam halen van deze doelen moet de provincie werken aan systeemherstel. Om te komen tot systeemherstel moeten drukfactoren worden weggenomen. Dit gebeurt zoveel mogelijk met maatregelen binnen de Natura 2000-gebieden (N2000-gebieden), maar dit is niet voldoende. Voor het wegnemen van bepaalde drukfactoren zijn ook maatregelen buiten de N2000-gebieden nodig. Eerder dit jaar heeft de provincie geïnventariseerd voor welke drukfactoren maatregelen buiten de N2000-gebieden nodig zijn. Deze inventarisatie is gedaan op basis van de

79

Natuurdoelanalyses (NDA)22 ,de beheerplannen23 voor alle N2000-gebieden en de onafhankelijke adviezen van de Ecologische Autoriteit24 van de stikstofgevoelige N2000gebieden. De provincie wil voor het OER inzetten op drie veelvoorkomende en representatieve drukfactoren, zodat de uitkomsten van het OER richting geven voor een aanpak die passend is voor alle drukfactoren. Stikstof is hier bewust niet in meegenomen, aangezien we hiervoor apart een beleidsvoornemen onderzoeken bij het thema ‘emissieplafond ammoniak’. De drie veelvoorkomende en representatieve drukfactoren waarop de provincie zich richt in deze omgevingseffectrapportage zijn: • Invasieve exoten • Hydrologie (kwantiteit) • Recreatie De keuze voor deze drie drukfactoren is gebaseerd op een aantal criteria; • De drukfactor speelt in minimaal een derde van alle gebieden een rol. Daarnaast speelt bij twee derde van alle N2000-gebieden altijd één van de drie gekozen drukfactoren een rol (blijkt uit de NDA’s en beheerplannen); • Voor de aanpak van de drukfactor zijn niet alleen maatregelen binnen de N2000gebieden voldoende om deze goed te kunnen beheersen. Er zijn ook maatregelen buiten de N2000-gebieden noodzakelijk; door het wegnemen van kunnen extra maatregelen (bijv.

complexe beheersmaatregelen) in de gebieden voorkomen worden; • De methodiek die wordt toegepast op de drie drukfactoren is representatief voor andere meer gebiedsspecifieke drukfactoren. Doelstelling De doelstelling waarnaar in dit OER onderzoek wordt gedaan is een aanpak voor het reduceren van de drie drukfactoren invasieve exoten, hydrologie (onvoldoende waterkwantiteit) en recreatiedruk. De keuze om enkel tot een aanpak van de reducering van deze drie drukfactoren te komen, is hierboven toegelicht. Een afname van drukfactoren is nodig om te komen te systeemherstel binnen de N2000-gebieden. Doordat deze drukfactoren nu een negatieve impact hebben op de N2000-gebieden worden de instandhoudingsdoelen niet gehaald, dit blijkt uit de Natuurdoelanalyses (NDA’s). De provincie Zuid-Holland heeft voor elk N2000-gebied binnen haar grenzen een NDA opgesteld. In deze NDA is gebiedsspecifiek in beeld gebracht welke knelpunten er zijn om de instandhoudingsdoelstellingen te kunnen bereiken. De NDA’s van de14 stikstofgevoelige N2000-gebieden zijn getoetst door de ecologische autoriteit. De ecologische autoriteit (EA) adviseert om deze drukfactoren te reduceren met behulp van maatregelen buiten de begrenzing van het N2000-gebied, naast de beheersmaatregelen die binnen de N2000-gebieden worden gecontinueerd.

Uit de NDA's en de adviezen blijkt dat er knelpunten zijn die niet gebiedspecifiek zijn maar in hele landschapstypen (duinen, veeweiden of delta-specifiek) spelen. Deze algemene knelpunten kunnen beter op landschaps- of zelfs provinciaal niveau worden aangepakt en zijn

De Natuurdoelanalyses zijn te raadplegen via de website van Zuid-Holland: https://www.zuidholland.nl/onderwerpen/natuur-landschap/natuurrijk-zuid/natura-2000/. 23 De beheerplannen zijn te raadplegen via de website van Bij12: https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/natura-2000-beheerplannen/. 24 De adviezen van de ecologische autoriteit zijn te raadplegen via de website van de Ecologische Autoriteit: https://www.ecologischeautoriteit.nl/adviezen?regio=zuid-holland&it=fp. 22

80

daarmee relevant voor de herziening van het omgevingsbeleid, resulterende in de aanpak drukfactoren rondom Natura 2000. Beschrijving beleidsalternatieven drukfactoren Natura 2000 Voor de alternatievenbeoordeling in het OER is per alternatief een selectie van te beoordelen beleidsuitspraken gemaakt op basis van de volgende criteria: • Het is nieuw beleid, het wordt nu nog niet gedaan; • Er kan een relatie gelegd worden met beoordelingsaspecten van het OER (zoals opgenomen in het beoordelingskader); • Het is voldoende concreet om te kunnen beoordelen op kansen op positieve effecten en negatieve effecten. Beschrijving beleidsalternatieven op hoofdlijnen Werken aan systeemherstel binnen de N2000-gebieden is nodig voor het halen van de N2000instandhoudingsdoelen. Hiervoor moeten drukfactoren binnen én buiten de N2000-gebieden worden verminderd. Voor het beleidsvoornemen om drukfactoren buiten N2000-gebieden te verminderen zijn drie alternatieven uitgewerkt. Twee van de drie alternatieven betreffen zones rondom N2000-gebieden waar gestuurd wordt op het verminderen van drukfactoren. Deze zones bieden daarnaast de mogelijkheid voor doelstapeling met andere opgaven, dit is in lijn met de aanpak van het Rijk om voor soortgelijke zones/gebieden specifieke middelen en instrumenten beschikbaar te stellen met het Agrarisch Natuurbeheer (ANB)25.

De alternatieven onderscheiden zich van elkaar in de mate waarin ze sturend zijn (vrijwilligheid van maatregelen versus beperkingen). Voor de aanpak van het reduceren van de drie drukfactoren (invasieve exoten, hydrologische condities en recreatiedruk) zijn drie alternatieven geformuleerd, om te verkennen hoe dit ruimtelijk tot uitdrukking zou kunnen komen. Hieronder wordt per alternatief toegelicht waarom er is gekozen voor deze alternatieven. 1) Maatregelen buiten de Natura 2000-begrenzing opnemen in het bestaande beleidsmiddel; de Natura 2000 beheerplannen. De beheerplannen zijn een bestaand instrument om maatregelen mee te borgen voor het halen van de VHR-doelen (in de N2000-gebieden). Deze maatregelen worden veelal binnen de begrenzing getroffen, omdat we als provincie mandaat hebben voor het beheer binnen de begrenzing. Aangezien de beheerplannen een bestaand beleidsmiddel zijn, wordt in dit alternatief onderzocht of we dit beleidsmiddel kunnen uitbreiden om hiermee ook maatregelen buiten de N2000-gebieden te treffen voor het wegnemen van drukfactoren. Het ligt juridisch echter ingewikkeld in hoeverre de provincie voldoende mandaat heeft om alle maatregelen buiten de begrenzing van de N2000-gebieden te treffen voor het afnemen van de drie drukfactoren.

Juridisch gezien is het zo dat je die maatregelen kan en wellicht zelfs moet opnemen in een beheerplan, want in de wet staat dat een beheerplan bedoeld is om de doelen in het gebied te halen. Wel is het zo dat een beheerplan zelfbindend is en dat dit wellicht een risico is voor de uitvoering, omdat maatregelen buiten N2000-gebied wellicht complexer zijn of moeilijker te Rijksoverheid, Gebiedsspecifieke uitkeringen met Agrarisch Natuurbeheer (ANB): https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2024/11/29/contourenbrief-agrarischnatuurbeheer.

25

81

realiseren zijn. Dus het blijft een afweging of maatregelen concreet en uitvoerbaar zijn binnen 6 jaar (de termijn van een beheerplancyclus) en of ze bijdragen aan de VHRdoelen in het gebied. Als de maatregel noodzakelijk is voor de VHR-doelen, dan moeten we reactief handelen en de maatregelen opnemen in het beheerplan en uitvoeren. Voor de aanpak van de drie drukfactoren maakt deze juridische afweging het ingewikkeld, aangezien de maatregelen voor het afnemen van de drukfactoren ook als preventieve maatregelen gezien kunnen worden. Met maatregelen voor het afnemen van drukfactoren wil je voorkomen dat er negatieve impact op de instandhoudingsdoelen zou kunnen gaan plaatsvinden. Doordat je de negatieve impact van de drukfactoren preventief voorkomt, maak je reactief handelen (waarvoor we nu al mandaat hebben in de beheerplannen) minder noodzakelijk en werk je preventief aan natuurherstel binnen de N2000-gebieden. Dit doe je door actief, en dus preventief, maatregelen te nemen rondom het N2000-gebied. 2) Maatregelen buiten de begrenzing op basis van een zone van 1 kilometer Dit alternatief is gekozen omdat een zone van 1 kilometer als concrete realistische zone kan worden gebruikt die duidelijk in kaart is te brengen.

Met het ruimtelijk instellen van een eenduidige zone kunnen de te nemen maatregelen (op basis van beperkingen) of het stimuleren van maatregelen (op basis van vrijwilligheid) ook worden geborgd in extra beleid. Het Rijk heeft ook vaker zoneringen26 als oplossing/middel geïntroduceerd voor het reduceren van drukfactoren ten behoeve van de N2000-doelen. 3) Maatregelen buiten de begrenzing op basis van de maximaal noodzakelijk zone buiten de begrenzing, op basis van wat er nodig is voor de drukfactor. Deze maatregelen ook borgen in extra beleid. Dit alternatief is gekozen om te kijken wat de opties zijn naast de zone van 1 kilometer, aangezien de zone van 1 kilometer een grootte is die op basis van expert judgement tot stand is gekomen. Daarnaast is de zone van 1 kilometer (alternatief 2) gekozen om dit als ‘eerste startpunt’ te nemen, omdat dit voor zowel het doelbereik als realistische impact op de leefomgeving een goede grootte is. Dit laatste alternatief (alternatief 3) is om te toetsen wat andere mogelijkheden zijn en wat daarvan de impact is op de leefomgeving en het doelbereik. Zijn er alternatieven afgevallen op voorhand? Op voorhand zijn geen concrete alternatieven afgevallen. Wat is de referentiesituatie? In de referentiesituatie blijft de situatie zoals omgeschreven in de natuurdoelanalyses.

Hierin staat dat de drukfactoren een negatief effect hebben op het behalen van de natuurdoelen. Zolang we geen beleid maken voor de aanpak van deze drukfactoren, blijft dit zo. Enkele autonome ontwikkelingen die mogelijk positief kunnen bijdragen is het behalen van de KRWdoelstellingen, mogelijk dat de drukfactor waterkwantiteit hier (deels) op mee kan liften. Daarnaast is een andere mogelijkheid dat met behulp van de subsidieregeling agrarisch natuur- en landschapsbeheer op basis van vrijwilligheid toevallig beheersmaatregelen Meer informatie over Zonering als oplossing voor natuurherstel in N2000-gebieden: BIJ12, Aan de slag in de overgangsgebieden Natura-2000: https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2023/10/Eindrapportageovergangsgebieden_v23okt23-1.pdf.

26

82

worden getroffen rondom N2000-gebieden die positief bijdragen aan het afnemen van de drukfactoren. Daar tegenover staat dat als we niks doen voor bijvoorbeeld de drukfactor exoten in de nabije omgeving van N2000-gebieden, de verspreiding van deze exoot mogelijk alleen maar breder wordt waardoor de exoot alleen maar vaker/meer het N2000-gebied in terug verspreid.

Beschrijving alternatief 1 op basis beleidsuitspraken Alternatief 1. Maatregelen buiten Natura2000-gebieden opnemen in de N2000beheerplannen. Maatregelen ten behoeve van de instandhouding van de VHR-doelen (Vogel- habitatrichtlijn) binnen de N2000 begrenzing worden op dit moment via het beleidsmiddel de N2000beheerplannen geborgd. Met dit alternatief willen we ook de maatregelen die buiten de begrenzing genomen zouden moeten worden in de beheerplannen borgen. Juridisch gezien is het al mogelijk om maatregelen buiten de gebieden in de beheerplannen op te nemen die noodzakelijk zijn om de instandhoudingsdoelen van het N2000-gebied te nemen en niet op een andere wijze uitgevoerd kunnen worden. Denk bijvoorbeeld aan het instellen van strandreservaten of het aanwijzen van locaties waar geen aanpassingen in de grondwaterstand mogen worden gedaan, omdat deze wijziging direct effect heeft op het N2000 gebied. Met dit alternatief voegen we maatregelen toe waarmee de instandhoudingsdoelen effectief behaald kunnen worden. Bijvoorbeeld het bestrijden van exoten binnen N2000-gebieden is alleen effectief als in de directe omgeving deze ook worden bestreden. Juridisch gezien is het op dit moment nog niet voldoende geborgd om dit type maatregelen buiten de gebieden, voor het reduceren van de drukfactoren, ook daadwerkelijk te kunnen implementeren.

In hoeverre wijkt dit af van de huidige situatie? •

•

Nauwelijks, we kunnen de maatregelen opnemen in de beheerplannen, maar hiermee hebben we nog geen mandaat om ze ook daadwerkelijk buiten de begrenzing uit te voeren. De maatregelen die noodzakelijk zijn, zijn wel geborgd met de N2000beheerplannen. Stimulerende maatregel. Mogelijk geeft dit enkel een stimulans aan stakeholders rondom de N2000-gebieden die de beheerplannen lezen. Stimulatie door het op te nemen in de beheerplannen is ook gelijk het belangrijkste middel, hiermee kunnen we voorsorteren/aansluiten op andere ontwikkelingen. Bijvoorbeeld voor de drukfactor recreatie: als we in de N2000-beheerplannen opnemen dat we zien dat recreatiedruk op het gebied aan het toenemen is, dan kan de gemeente die de parkeerplaatsen binnen en/of buiten het gebied beheert, hier vrijwillig op anticiperen. Hiermee kan voorkomen worden dat het aanpassen van de parkeerplaatsen mogelijkerwijs een noodzakelijke maatregel wordt.

Hoe gaan we dit regelen? • •

In de omgevingsvisie opnemen dat we de ambitie hebben om ook maatregelen te treffen buiten de begrenzing van de N2000-gebieden voor het afnemen van de drukfactoren. Daarnaast nemen we de specifieke maatregelen op via bestaande beheerplannen zonder extra middelen (tenzij er geld beschikbaar is via incidentele middelen (subsidies)) .

83

•

Beschikbaar stellen van Programma Natuur SPUK 2 middelen (alleen voor stikstofgevoelige natuur) of andere toekomstige incidentele middelen.

Kaartbeeld Dit zijn de huidige/bestaande kaarten van de N2000-gebieden. Met dit alternatief wijzigt er niks op de kaart. Beschrijving alternatief 2 op basis beleidsuitspraken Alternatief 2. Maatregelen buiten Natura2000-gebieden borgen door het aanstellen van een zone rondom N2000-gebieden van één kilometer. A. Omgevingsverordening. Zone van één kilometer rondom N2000-gebieden met vrijwilligheid om maatregelen te nemen die de drukfactoren verminderen. In hoeverre wijkt dit af van de huidige situatie? De ruimtelijke buffer van één kilometer rondom ieder N2000-gebied wijkt af van de huidige situatie. Deze variant maakt ruimtelijk inzichtelijk dat het noodzakelijk is om een buffer te hebben waarin activiteiten mogelijk worden aangepast ten gunste van het reduceren van de drukfactoren. Hierdoor ontstaat een ruimtelijke buffer voor de N2000-gebieden. Er is gekozen voor één kilometer breedte, omdat dit voor de meeste drukfactoren ruimtelijk gezien voldoende is om maatregelen in te nemen. Voor de ene drukfactor is namelijk een afstand van vijf kilometer nodig om de drukfactor te reduceren en voor de andere drukfactor bijvoorbeeld 500 meter. Met een kilometer is de verwachting dat dit qua doelbereik én qua uitvoerbaarheid voor de leefomgeving een goede kadering is. Door overal voor één kilometer te gaan kunnen we transparant onderzoeken wat de voor- en nadelen van een vaste zone zijn.

Hoe gaan we dit regelen? • Zone vastleggen in de omgevingsverordening, waarin duidelijk wordt dat in die zone (een afname van) bepaalde activiteiten gestimuleerd wordt met als doel een afname van de drukfactoren. • In diezelfde zone (extra) subsidies openstellen voor exotenbestrijding, waterbergingsmaatregelen/peilverhogingsmaatregelen en voor het aanleggen van alternatieve recreatiemogelijkheden (denk aan boerenwandelpaden). B. Omgevingsverordening. Zone van één kilometer rondom N2000-gebieden met beperkingen die de drukfactoren verminderen. In hoeverre wijkt dit af van de huidige situatie? Zie hiervoor deels de tekst bij A. Het verschil met alternatief A (vrijwilligheid) is dat de zone van 1 kilometer hiermee ook echt beperkingen met zich meebrengt. De zone wordt ook vastgelegd in de omgevingsverordening, maar hierbij worden bepaalde verplichtingen aan de activiteiten gekoppeld die in die zone van 1 kilometer plaatsvinden. Hoe gaan we dit regelen? Hieronder een aantal denkrichtingen: •

Voor exoten kunnen we in die zone verplichtingen opnemen om bepaalde invasieve exoten (die (nog) niet in artikel 17 van de Unielijst staan, want dat is een verplichting van de provincie) te beheersen. Daarnaast kunnen we bijvoorbeeld het aanplanten van een invasieve exoot in plantsoenen ook verbieden, aanplanting van invasieve exoten gebeurt op dit moment nog in enkele gemeenten).

84

•

•

Voor waterkwantiteit kunnen we in de zone een verplichting opnemen voor het aanpassen van het waterpeil gericht op de grondwatergevoelige habitattypen in de N2000 gebieden. Dit heeft mogelijk nadelige gevolgen voor de huidige activiteiten in het gebied, bijv. voor agrarische activiteiten. Hiervoor moet een nadeelcompensatievergoeding worden opengesteld. Dit is naar grote waarschijnlijkheid de nieuwe ANB-regeling27 van het Rijk, waarin wordt gesproken over het openstellen van gebiedsspecifieke vergoedingen voor ondernemers die vanwege hun ligging nadeel gaan ervaren. Voor recreatiedruk sluiten we aan bij de ontwikkelingen die vanuit het recreatiebeleid plaatsvinden voor het stimuleren, faciliteren en verbeteren van (bestaande) recreatiemogelijkheden. Daarbij wordt onderzocht of een bepaalde prioritering kan worden aangebracht in de te nemen maatregelen ten behoeve van de N2000-doelen.

Beschrijving alternatief 3 op basis beleidsuitspraken Maatregelen buiten Natura2000-gebieden borgen door het aanstellen van een gebiedsspecifieke zone, waarbij de grootte van de zone afhankelijk is van de relevante drukfactoren. Waarom dit alternatief: Het is per drukfactor verschillend wat je moet doen om de negatieve effecten op de N2000gebieden te beperken. Bijvoorbeeld, voor sommige exoten is de verspreidingsafstand 15 kilometer en voor sommige één kilometer. Bij dit alternatief wordt per N2000-gebied bepaald welke drukfactoren er spelen (dus bijvoorbeeld welke exoten) en wat de (verspreidings)afstand van deze drukfactor is qua negatieve effecten op de N2000-gebieden. Op basis van onderzoeken kan in beeld worden gebracht welke zone voor welke drukfactor nuttig en noodzakelijk is. Hoe we de grootte van de zone willen bepalen verschilt per drukfactor en moet blijken uit verder onderzoek. Hieronder zijn enkele denkrichtingen geformuleerd: Exoten: • Voor de grootte van zonering kunnen we gebruik maken van de verspreidingsafstand op basis van de verspreidingskaarten van soorten (https://www.verspreidingsatlas.nl/). • Daarnaast kunnen we nog waar nodig een prioritering maken in eigenschappen en risicobeoordeling van de invasieve soorten (www.nvwa.nl ).

Waterkwantiteit: • Op basis van peilgebieden kaart van Zuid-Holland: Nationaal georegister • Op basis van peilbuisgegevens (netwerk voor N2000 en voor erbuiten; dit is een wens maar dit is nog niet dekkend voor Zuid-Holland). Dit is noodzakelijk voor inzichten in hoogtes van de grondwaterstand maar ook voor de kwaliteit van het grondwater. • Wegzijgingskaarten. Dit is noodzakelijk om de grondwaterstromen in beeld te hebben om zo in kaart te kunnen brengen welke locaties door elkaar worden beïnvloed. Rijksoverheid, Kamerbrief over contouren agrarisch natuurbeheer van Minister van LVVN (2024): https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2024/11/29/contourenbrief-agrarischnatuurbeheer.

27

85

•

Op basis van grondwaterafhankelijke habitattypen in de N2000-gebieden.

Recreatie: • Algemene en gebiedsspecifieke recreatieonderzoeken. • Op basis van trends, zijn te vinden in de natuur en recreatieprofielenkaarten.28 • Extrapoleren van recreatiedata. A. Omgevingsverordening. Gebiedsspecifieke zone met vrijwilligheid om maatregelen te nemen die de drukfactoren verminderen. Met vrijwilligheid willen we in deze zone dezelfde maatregelen nemen zoals omschreven bij alternatief 2(A). B. Omgevingsverordening. Gebiedsspecifieke zone met beperkingen die de drukfactoren verminderen. Met beperkingen willen we in deze zone dezelfde maatregelen nemen zoals omschreven bij alternatief 2(B). In hoeverre wijkt dit af van de huidige situatie: De ruimtelijke buffer rondom N2000-gebieden waarbij de grootte afhankelijk is van de spelende drukfactoren wijkt af van de huidige situatie. Met dit alternatief worden in de buffer activiteiten aangepast ten gunste van het reduceren van de drukfactoren. Hiermee wordt toegewerkt naar een balans tussen natuur, stedelijk- en landelijk gebied. De mate van effectiviteit op doelbereik is afhankelijk van de variant vrijwilligheid (2C) of beperkend (2D). Hoe gaan we dit regelen: • Uitgangspunt is hetzelfde als voor de één kilometer zone maar dan is de verspreidingsdata, grondwaterkaart en de recreatiezonering leidend, niet de afstand tot het gebied. • Uitgangspunt is hetzelfde als voor de één kilometer zone.

Beleidsregel uitwerken voor invasieve soorten (in Zuid-Holland) actieve verwijdering en verkoopverbod.

5.4.2. Beoordeling doelbereik ZHPLG: drukfactoren N2000 Doelstelling: De doelstelling is het reduceren van de drie drukfactoren invasieve exoten, hydrologie (onvoldoende waterkwantiteit) en recreatiedruk. Een afname van drukfactoren is nodig om te komen te systeemherstel binnen de N2000-gebieden. Beoordeling doelbereik en toelichting: Alternatief 1. Maatregelen buiten Met dit alternatief wordt waarschijnlijk het minste N2000-gebieden opnemen in de doelbereik gerealiseerd. De verwachting is namelijk dat N2000-beheerplannen. het in dit alternatief niet mogelijk is om direct maatregelen te kunnen treffen met de beheerplannen. Voor het uitvoeren van maatregelen buiten de N2000Nationaal Park Hollandse Duinen (2024), Natuur en recreatieprofielenkaarten: https://www.nationaalparkhollandseduinen.nl/wp-content/uploads/2024/07/NPHD-Natuur-enrecreatieprofielkaarten.pdf.

28

86

Alternatief 2. Maatregelen buiten N2000-gebieden borgen door het aanstellen van een zone rondom N2000-gebieden van 1 kilometer.

Alternatief 3. Maatregelen buiten N2000-gebieden borgen door het aanstellen van een gebiedsspecifieke zone, waarbij de grootte van de zone afhankelijk is van de relevante drukfactoren.

gebieden, ten behoeve van het reduceren drukfactoren, heeft de provincie namelijk geen mandaat. Er is dus sprake van vrijblijvendheid richting de gebiedsbeheerders rondom de N2000-gebieden. De verwachting is dat dit alternatief effectief is om de doelstellingen te bereiken (en de drukfactoren weg te nemen). Aandachtspunt is wel de mate waarin sprake is van vrijblijvendheid (zie onder deze tabel). Voordeel van dit alternatief is bovendien overzichtelijkheid, eenduidigheid en duidelijkheid richting (agrariërs) ondernemers en andere (overheids-)organisaties in de zonering. Het nadeel is dat de zonering bij sommige gebieden wellicht groter is dan nuttig en noodzakelijk. Dit alternatief zal het hoogste doelbereik hebben. De grootte van de te hanteren zone wordt namelijk bepaald aan de hand van de drukfactor. Tegelijkertijd impliceert dit wel hele grote bufferzones voor verschillende drukfactoren, waardoor verschillende uitdagingen ontstaan (mandaat, veel activiteiten die binnen de zone vallen, et cetera). De uitvoering van dit alternatief kan hiermee ingrijpender zijn op de leefomgeving, waardoor het moeilijk in te schatten is of dit realistisch en uitvoerbaar is. Dit zal moeten blijken uit verdere uitwerking van de benodigde maatregelen.

Openstaande vraag is welke instrumenten ingezet kunnen worden voor het realiseren van de alternatieven (bijvoorbeeld verordening, programma of visie). Op het doelbereik én de omgevingseffecten zal, naarmate het beleid een dwingender karakter krijgt, meer effect gesorteerd worden. We zijn in de beoordeling telkens uitgegaan van het scenario van volledige realisatie. 5.4.3. Effectbeoordeling In onderstaande tabel hebben we een overzicht opgenomen van de relevante beoordelingscriteria, de referentiesituatie per criterium en de beoordeling van de beleidsalternatieven. In paragraaf 5.5 is een onderbouwing van de beoordeling per aspect en per alternatief opgenomen. De uitwerking en onderbouwing van de referentiesituatie is opgenomen in de ‘Foto van de Leefomgeving’ (bijlage).

Overzichtstabel effecten beleidsalternatieven op relevante beoordelingsaspecten

87

Beoordelingscriteria

Referentiesituatie Huidige situatie

Autonome ontwikkeling

Agrarisch verdienvermogen Bedrijventerreinvoorraa dontwikkeling Uitstoot broeikasgassen

Geen knelpunten Wisselend knelpunten Veel knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Veel knelpunten Veel knelpunten Wisselend knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Veel knelpunten Veel knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Veel knelpunten Wisselende knelpunten Onbekend

Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Positieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Onbekend

Veel knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Geen knelpunten Veel knelpunten Wisselende knelpunten

Negatieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling

Klimaatadaptatie – hittestress Klimaatadaptatie – wateroverlast Klimaatadaptatie overstromingsdiepte Oppervlaktewater kwaliteit Waterbeschikbaarheid Grondwater Bodemkwaliteit 4D ordening: drukte in de ondergrond 4D ordening: bodemdaling Landschappelijke kwaliteit Cultuurhistorie en erfgoed Archeologie Luchtkwaliteit Geur N2000 NNN Soortendiversiteit Energiegebruik Woningbouw Leefbaarheid

Beoordeling Alternatief 1:

Beoordeling alternatief 2:

Beoordeling Alternatief 3:

Maatregelen buiten N2000-gebieden opnemen in de N2000beheerplannen.

Maatregelen buiten N2000-gebieden borgen door het aanstellen van een zone rondom N2000gebieden van 1 kilometer.

Maatregelen buiten N2000-gebieden borgen door het aanstellen van een gebiedsspecifieke zone, waarbij de grootte van de zone afhankelijk is van de relevante drukfactoren.

0

-

-

0

0

-

0

+

++

0

0

0

0

0

-

0

-

-

0

-

-

0

-

-

0

+

+

0

-

-

0

0

0

0

+

++

0

+

+

0

0

0

0

0

0

0

+

++

0

+

++

0

++

++

0

++

++

0

++

++

0

0

0

-

-

0

?

?

0

88

5.5 Uitwerking scores overzichtstabel effecten ZH-PLG 1.

Agrarisch verdienvermogen

Beoordelingscriterium: agrarisch verdienvermogen Zuid-Holland werkt aan een veerkrachtige en robuuste sector. Een sector die in staat is om de transitie in te gaan, doelen van water, natuur en klimaat te behalen en ook in de toekomst wendbaar en toonaangevend te blijven (zie Beleidskeuze 5.2 Toekomstbestendige landbouw in Omgevingsvisie). Dit doet de provincie via stimulerend beleid, maar ook door helderheid te verschaffen over de doelen (water, klimaat en natuur) waarvan zij een bijdrage vanuit de sector nodig heeft. Om te kunnen beoordelen of doelen zodanig gekozen worden dat de sector zich hierop aan kunnen passen wordt in deze Omgevingseffectrapportage de impact van beleidskeuzes op het inkomen van agrarisch ondernemers onderzocht. Referentiesituatie Huidige situatie Autonome ontwikkeling Het inkomen van ondernemers met land- en Verdere schaalvergroting, verhoging efficiency en tuinbouwbedrijven in Zuid-Holland bedroeg een betere verwaarding van producten zullen de in 2022 gemiddeld circa 170.000 euro. komende jaren een positieve invloed blijven hebben Vanaf 2010 is een duidelijk stijgende trend op de ontwikkeling van het inkomen van zichtbaar. landbouwondernemers. De positieve ontwikkeling van het inkomen vloeit deels voort uit schaalvergroting, toegenomen efficiency en goede marktprijzen.

De inkomensgroei van de afgelopen 10 jaar wijst uit dat ondernemers, ondanks aangepaste wet- en regelgeving (rondom bijvoorbeeld broeikasgasemissies, gewasbeschermingsmiddelen en dierenwelzijn) en wensen vanuit markt en consument, in staat zijn gebleken hun inkomen blijvend te laten groeien. Tussen en ook binnen bedrijfstypen in de land- en tuinbouw zijn de verschillen in inkomen ieder jaar groot.

Met de maatregelen die zijn opgenomen in het vigerende Omgevingsbeleid (Beleidskeuzes 5.2.1 Toekomstbestendige Landbouw) werkt provincie aan het vergroten van de veerkracht en het aanpassingsvermogen van de landbouw. De uitwerking van dit provinciale beleid is nog in ontwikkeling, maar het beleid zal naar verwachting ook een positieve invloed hebben op de ontwikkeling van het inkomen. Als consument of beleidsmakers (Europa, Rijk, Provincie) nieuwe duurzaamheidseisen stellen, kan dit leiden tot (initieel) hogere productiekosten dan wel lagere opbrengsten. Als het inkomenseffect hiervan niet volledig wordt gedekt vanuit aanvullende inkomsten uit subsidies of betere verkoopprijzen, kan dit de (autonome) inkomensgroei in bepaalde sectoren remmen of leiden tot een afname van het inkomen. Dit effect treedt op als gevolg van het verlies van derogatie voor (niet-biologische) melkveehouders. De kosten voor mestafvoer voor deze sector stijgen, maar de gevolgen voor het inkomen worden ook bepaald door de ontwikkeling van de melkprijs. Naar verwachting ontwikkelt de melkprijs zich positief door een dalend aanbod van melk op de markt als

89

gevolg van landelijke beëindigingsregelingen en de afroming van fosfaat- en dierrechten. Of dit het effect van extra kosten voor mestafvoer opheft, is onzeker, maar op de korte termijn niet waarschijnlijk. Beoordeling en toelichting:

Beleidsalternatieven: ZHPLG: grondwaterstand verhogen Alternatief 1: Slootwaterpeil 0 Neutraal effect (geen of nagenoeg geen effecten) naar 50cm-mv (maar Dit alternatief is niet onderzocht in de impactstudies. Wel is slootpeilen die ondieper zijn niet op hoofdlijnen te beredeneren wat het effect zal gaan zijn. In omlaag brengen) dit scenario zal namelijk een gering aantal plekken waar het slootwaterpeil lager is dan 50 cm een verhoging van het grondwaterpeil plaatsvinden. Aangezien de gangbare situatie voor drooglegging 50cm is29, zal er nauwelijks tot geen (aanvullend) effect op het agrarisch verdienvermogen optreden ten opzichte van de referentiesituatie. Alternatief 2. Slootwaterpeil op - Kans op een negatief effect circa huidige peil (mediaan van Zie vanwege omvang van de uitwerking de toelichting in het <40 cm-mv) kader hieronder. Alternatief 3. Huidig slootwaterpeil + vernatting door Passief Water Infiltratie Systeem (PWIS)

Alternatief 4. Slootwaterpeil hoger dan huidig, naar 30cm-mv + vernatting door Actief Water Infiltratie Systeem (AWIS)

Alternatief 5: Slootwaterpeil hoger, naar 20cm-mv zonder vernattingsmaatregelen

+ Kans op positief effect Dit scenario is niet onderzocht in de impactstudie verhogen grondwaterstand veenweiden. Omdat dit alternatief ervoor zorgt dat de grondwaterstand in voorjaar en zomer minder ver uit zakt dan in de huidige situatie, kan dit alternatief, in zeer droge jaren, leiden tot verhoging van de grasopbrengst. Veel agrariërs maken op dit moment reeds vrijwillig gebruik van subsidieregelingen om in hun land WIS te realiseren. Dit geeft aan dat het voor veel bedrijven past in het bedrijfseconomische plaatje van de melkveehouderij en leidt tot positieve effecten ten opzichte van de referentiesituatie. - Kans op een negatief effect Zie beoordeling Alternatief 2. Ten opzichte van alternatief 2 zal dit alternatief effect hebben op de opbrengsten/grasproductie van een groter deel (77%) van de percelen in de veenweiden. Het effect op de opbrengsten (grasproductie) wijkt volgens de impactstudie niet veel af van het effect van alternatief 2 -- Negatief effect is aannemelijk Zie beoordeling Alternatief 2. Ten opzichte van alternatief 2 zal dit alternatief effect hebben op de opbrengsten/grasproductie van een groter deel (85%) van de percelen in de veenweiden. Voor die percelen zorgt het alternatief, ten opzichte van alternatief 2, bovendien voor een grotere opbrengstenderving. Uit praktijkonderzoek op Hoogwaterboerderij KTC Zegveld is gebleken dat de

Wageningen University & Research, Effecten vernattingsmaatregelen op veenweidebedrijven in NoordHolland: https://www.veenweiden.nl/wp-content/uploads/2020/12/Effecten-vernattingsmaatregelen-opveenweidebedrijven.pdf.

29

90

werkelijke opbrengstenderving fors lager uitvalt dan de berekende opbrengstenderving. In dit alternatief zijn er maar beperkt mogelijkheden om door aanpassing van de bedrijfsvoering de bewegingsruimte voor ondernemers bij dit alternatief kleiner dan bij alternatief 2 en 4. Het is dan ook aannemelijk dat bedrijven, met louter aanpassingen in hun bedrijfsmodel, niet in staat zijn om hun inkomen in stand te houden. En sterk afhankelijk zijn voor instrumenten die Rijk en provincie beschikbaar kan stellen om inkomenseffecten te compenseren. Toelichting en achtergrond: Uitwerking alternatief 2 Slootwaterpeil op circa huidige peil (mediaan van <40 cm-mv) De melkveehouderij is de meest voorkomende vorm van landbouw in de veenweiden. Voor de Impactstudie verhogen grondwaterstand is gerekend met een referentie melkveebedrijf met 54 ha. grond en 105 melkkoeien in de westelijke veenweiden (Utrecht, Noord-Holland, ZuidHolland). Dit referentiebedrijf kent een gemiddelde drooglegging van 50 cm. Dit soort bedrijven komt in Zuid-Holland weinig voor omdat zo’n 10% van de veenweiden in Zuid-Holland een drooglegging van >50 cm kent. De veenweiden in Krimpenerwaard, Nieuwkoopse Plassen, Midden-Delfland, Zuidplas en Boskoop kennen nu al een drooglegging met een mediaan <40 cm. Daar zal dit alternatief dus nauwelijks effect hebben op de opbrengsten (grasproductie) en het inkomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=a0908469-2e32-45b0-a370-3f7f903aaa4c