2.2d) OER herziening omgevingsbeleid 2025 [25-0186133 ]
Tekst van het document
Voor de technisch best beoordeelde gebieden (die uiteindelijk beleidsmatig verankerd zullen worden) geldt voor 1 gebied (IA.04.HR) dat er mogelijk een negatief effect op N2000 kan optreden. Indien in dit gebied een project gerealiseerd wordt behoeft dit een nadere analyse van mogelijke gevolgen voor Natura 2000 en mitigerende maatregelen. De zoekgebieden worden opgenomen in de omgevingsvisie en kennen daarmee nog geen doorwerking voor de realisatie van windturbines (windturbines zijn alleen toegestaan binnen de locaties voor windenergie in de provinciale omgevingsverordening).
Het beleidsvoornemen tot verhoging van de as-hoogte voor boerenerfmolens kan mogelijk significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Daarom stelt de provincie voorwaarden aan initiatieven die kleine windturbines mogelijk maken. Dit houdt onder andere in dat een locatiespecifiek onderzoek gedaan wordt om een goede landschappelijke en ecologische inpassing te waarborgen.
Wat er na dit OER gebeurt Het ontwerp van de Herziening 2025 zal samen met dit OER ter inzage liggen. Mede op grond van de zienswijzen worden de definitieve teksten voor de Herziening 2025 vastgesteld door
45
Gedeputeerde Staten. Vervolgens vindt de definitieve vaststelling van de Herziening 2025 plaats in Provinciale Staten. Het voorgenomen beleid ziet op wijzigingen in het omgevingsbeleid van programma, verordening en met nam de visie. De beleidsvoornemens vormen veelal een kader voor verdere uitwerking in (omgevings)plannen en programma’s. In de plannen en programma’s moet verder duidelijk worden hoe en op welke locaties de beleidswijzigingen concreet tot uitvoering komen. De conclusies en aandachtspunten uit dit OER kunnen daarin worden meegenomen om te borgen dat het belang van de leefomgeving zo optimaal mogelijk meegenomen blijft worden. De Omgevingswet stelt monitoring en evaluatie van het beleid verplicht, om in beeld te krijgen of de uitwerking van het beleid daadwerkelijk bijdraagt aan het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving. Door monitoring en evaluatie ontstaat een gesloten beleidscyclus. De beleidscyclus is uitgewerkt in een Lange Termijn Agenda (LTA) Omgevingsbeleid. Dit is een instrument van Provinciale Staten, ter ondersteuning van hun agenderende rol. De digitale LTA is raadpleegbaar, gesorteerd aan de hand van de beleidscyclus (verkenningen, onderzoeken en gebiedspraktijk, beleidsvoornemens, modules, beleidsuitvoering en evaluaties en monitoring).5 De Monitor Leefomgeving vormt een goede basis voor de monitoring van het Omgevingsbeleid.
De Monitor wordt jaarlijks geactualiseerd, waardoor deze een actueel beeld geeft van de stand van zaken. De indicatoren uit de Monitor Leefomgeving zijn ook gebruikt als basis voor de beoordelingscriteria in dit OER. Op deze manier wordt bijgedragen aan een eenduidige monitoring van effecten en leefomgeving. Daarnaast wordt de doeltreffendheid van het Omgevingsbeleid regelmatig geëvalueerd. De evaluatieplanning is opgenomen in de LTA.6 De inzichten uit de monitoring en evaluaties kunnen gebruikt worden voor toekomstige herzieningen van het Omgevingsbeleid en om de kwaliteit van de leefomgeving te monitoren (en bij te sturen).
Zie: Provincie Zuid-Holland, Lange Termijn Agenda: https://lta.zuid-holland.nl/. Zie: Provincie Zuid-Holland, Lange Termijn Agenda. 5. Evaluaties en Monitoring: https://lta.zuidholland.nl/categorie/e01e340d-9796-4b43-879e-9f9258e88ae3.
5 6
46
1. Voornemen: Herziening Omgevingsbeleid 2025 1.1 Inleiding Voor u ligt het Omgevingseffectrapport (hierna OER) Herziening Omgevingsbeleid 2025 (hierna Herziening 2025). Dit rapport dient ter ondersteuning van de besluitvorming over de voorgestelde wijzigingen van het Omgevingsbeleid van de Provincie Zuid-Holland (de Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid 2025). Het OER levert informatie die nodig is voor een zorgvuldig besluit over de Herziening 2025 waarbij de relevante leefomgevingseffecten worden meegewogen.
1.2 Waarom een Herziening Omgevingsbeleid 2025? Opbouw van het Omgevingsbeleid Het Omgevingsbeleid bevat al het beleid van de provincie Zuid-Holland over de fysieke leefomgeving. Het Omgevingsbeleid bestaat uit drie instrumenten: de Omgevingsvisie, het Omgevingsprogramma en de Omgevingsverordening. De gedachte hierachter is dat het overzichtelijker is dat het beleid niet meer in verschillende documenten staat maar in één systeem bij elkaar. • Omgevingsvisie. De visie van de provincie Zuid-Holland geeft aan waar de provincie voor staat. Het beschrijft hoe de provincie de toekomst van Zuid-Holland voor zich ziet. De Omgevingsvisie bevat verschillende onderdelen: in de ambities wordt omschreven waar we als provincie heen willen, de beleidsdoelen geven hier richting aan en de beleidskeuzes bepalen hoe de ambities bereikt dienen te worden. • Omgevingsprogramma. In het Omgevingsprogramma staat beschreven welke maatregelen de provincie treft om de visie waar te maken. Het Omgevingsprogramma geeft bijvoorbeeld aan voor welke initiatieven subsidies worden verleend en aan welke provinciale wegen wordt gewerkt. Het Omgevingsprogramma is een overzicht van alle maatregelen inclusief de onderliggende activiteiten. • Omgevingsverordening. Voor het in stand houden van goede omgevingskwaliteit zijn er regels nodig over wat wel en niet is toegestaan binnen de provinciegrenzen.
Denk bijvoorbeeld aan regels in stiltegebieden of ter bescherming van cultureel erfgoed. Het merendeel van deze regels betreffen instructieregels die voorschrijven hoe waterschappen en gemeenten bepaalde onderwerpen op moeten nemen in hun plannen. Daarnaast zijn er een aantal direct werkende regels waar burgers en bedrijven zich aan moeten houden. Al deze regels van de provincie over de fysieke leefomgeving zijn ondergebracht in de Omgevingsverordening. De Provinciale Staten stellen de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening vast. Gedeputeerde Staten stellen het Omgevingsprogramma vast. Waarom een Herziening 2025? Het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland wordt regelmatig herzien, om het actueel en ontwikkelingsgericht te houden. Nieuwe ontwikkelingen en nieuwe inzichten kunnen aanleiding geven tot vernieuwing en aanpassing van het omgevingsbeleid. De Herziening 2025 is aangekondigd in de Lange Termijn Agenda Omgevingsbeleid (LTA) van Provinciale Staten.7
7
Provincie Zuid-Holland, Lange Termijn Agenda: https://lta.zuid-holland.nl/.
47
•
•
De startnotitie Herziening Omgevingsbeleid 2025 is het begin van de herziening van het Omgevingsbeleid van de provincie. De aanleiding is meervoudig. In de startnotitie is aangegeven welke onderwerpen aanleiding zijn om aanpassingen door te voeren in het omgevingsbeleid (zie hoofdstuk 3 van de startnotitie). Het gaat onder meer om de nieuwe ruimtelijke koers van Zuid-Holland (toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling), het Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied (ZH-PLG), de opwek van duurzame energie en de verwerking van een deel van de afspraken uit het coalitieakkoord 2023-2027 ‘Krachtig Zuid-Holland’. In dit OER is ook steeds bij ieder beleidsvoornemen (hoofdstuk 5 t/m 10) beschreven wat de aanleiding voor de herziening is. De Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) bakent de inhoud van het Omgevingseffectrapport (OER) af. Daarmee is het de eerste stap in het onderzoeksproces naar de effecten van de herziening 2025 op leefomgeving en milieu. De NRD laat zien wat de provincie van plan is te onderzoeken en op welke manier dit onderzoek wordt uitgevoerd. Namelijk, welke alternatieven worden onderzocht en welke milieuaspecten (of breder: leefomgevingsaspecten) zijn relevant in het OER?
Hieronder is weergeven welke onderwerpen terugkomen in dit OER bij de herziening 2025. Thema’s ZH-PLG
Water en bodem Ruimtelijke ontwikkeling Energie
Onderwerpen in dit OER Verhogen grondwaterstand veenweiden (peil) Boerenlandvogels Emissieplafond ammoniak
Uitwerking in OER Paragraaf 5.1
Drukfactoren rondom N2000gebieden wegnemen Water en Bodem Sturend
Paragraaf 5.4
Toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling Boerenerfmolens
Hoofdstuk 7
Warmte Windenergie (implementatie RES)
Hoofdstuk 9 Hoofdstuk 10
Paragraaf 5.2 Paragraaf 5.3
Hoofdstuk 6
Hoofdstuk 8
1.3 Waarom een OER? Het Omgevingsbeleid vormt een kader voor toekomstige activiteiten die belangrijke gevolgen met zich mee kunnen brengen voor het milieu en de leefomgeving. Een milieueffectenrapport brengt de milieueffecten van een plan of project in kaart. Om PS en belanghebbenden een omvattend en completer beeld van de mogelijke effecten te geven heeft GS besloten een Omgevingseffectrapport (OER) op te stellen vanwege de herziening van het Omgevingsbeleid. Het OER bevat – naast milieueffecten - ook informatie over sociale en economische effecten. Het doel van het OER is om informatie aan te leveren die nodig is voor een zorgvuldig besluit over de herziening van het Omgevingsbeleid waarbij de relevante leefomgevingseffecten worden meegewogen. Daarnaast beschrijft en verantwoord het OER de resultaten van dit proces. Over mer, MER en OER De afkorting mer staat voor ‘milieueffectrapportage’ en is de procedure waarbinnen een MER wordt opgesteld. MER staat voor ‘Milieueffectrapport’ en bevat de resultaten van het onderzoek naar de (milieu)effecten binnen een mer. De toevoeging ‘plan’ (planMER) wil zeggen dat het om
48
een MER voor een plan gaat (zoals de herziening van het Omgevingsbeleid). Gedeputeerde Staten heeft ervoor gekozen om niet alleen milieueffecten maar ook andere omgevingseffecten in beeld te brengen. Daarom praten we niet over een planMER maar over een Omgevingseffectrapport (OER). In juridische zin wordt nog wel gesproken van een merprocedure.
1.4 De mer-procedure In het OER zijn op basis van een mer-procedure de gevolgen van de herziening 2025 van het Omgevingsbeleid op de leefomgeving in beeld gebracht. Die informatie moet gebruikt worden bij de besluitvorming over de herziening. Het doel van mer is het bieden van voldoende informatie op basis waarvan de provincie het milieu- en leefomgevingsbelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvorming over de herziening van het omgevingsbeleid kan betrekken. De merprocedure voor de herziening 2025 is verlopen in lijn met de wettelijke vereisten. De procedure ziet er als volgt uit: 1. Openbare kennisgeving van het voornemen door bevoegd gezag. De procedure is gestart met een bekendmaking van het voornemen via een openbare kennisgeving en publicatie van de startnotitie en NRD.8 2. Raadplegen belanghebbenden over reikwijdte en detailniveau van het OER. Eenieder heeft de mogelijkheid gehad schriftelijk te reageren op de terinzage gelegde startnotitie en NRD.
Ook heeft de Provincie Zuid-Holland de Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie mer) gevraagd te adviseren over de inhoud van het op te stellen OER.9 Ten behoeve van het advies van de Commissie mer heeft – in aanvulling op de startnotitie en NRD – na de vaststelling van de NRD een nadere inventarisatie plaatsgevonden van de in het OER te onderzoeken alternatieven voor de Herziening 2025 (de scope van het onderzoek). Deze gewijzigde conceptscope is 17 december 2024 door GS vastgesteld.10 Het advies van de Commissie is op 18 maart 2025 gepubliceerd. 3. Vaststellen reikwijdte en detailniveau. Op 22 april 2025 zijn reikwijdte en detailniveau vastgesteld door GS met daarbij een motivatie voor het verwerken van het advies van de Commissie mer in het OER.11 4. Opstellen OER. Vervolgens is het OER opgesteld. Het OER beschrijft de kwaliteiten van de leefomgeving in de huidige situatie en bij autonome ontwikkeling (zie Foto van de Leefomgeving), de effecten daarop van het nieuwe beleid in de ontwerp herziening 2025 en in welke mate het nieuwe beleid bijdraagt aan het behalen van de doelstellingen (zie Provincie Zuid-Holland, Startnotitie en NRD Herziening Omgevingsbeleid 2025: https://www.zuidholland.nl/politiek-bestuur/gedeputeerde-staten/besluiten/besluit/startnotitie-en-notitie-reikwijdte-endetailniveau-herziening-omgevingsbeleid-20.
9 Commissie voor de milieueffectrapportage, Herziening Omgevingsbeleid 2025 Provincie Zuid-Holland: advies over reikwijdte en detailniveau van het milieueffectrapport (2025), https://www.commissiemer.nl/docs/mer/p39/p3907/a3907rd.pdf. 10 Concept scope Omgevingseffectrapportage Herziening Omgevingsbeleid 2025, https://www.zuidholland.nl/politiek-bestuur/gedeputeerde-staten/besluiten/besluit/concept-scopeomgevingseffectrapportage-herziening-omgevingsbeleid-2025. 11 Commissie voor de milieueffectrapportage, Herziening Omgevingsbeleid 2025 Provincie Zuid-Holland: advies over reikwijdte en detailniveau van het milieueffectrapport (2025), https://www.commissiemer.nl/docs/mer/p39/p3907/a3907rd.pdf, Verwerken advies Commissie mer OER Herziening Omgevingsbeleid 2025, https://www.zuid-holland.nl/politiek-bestuur/gedeputeerdestaten/besluiten/besluit/verwerken-advies-commissie-mer-oer-herziening-omgevingsbeleid-2025. 8
49
deelrapporten). Ook zijn in het kader van het OER zogenaamde ‘botsproeven’ uitgevoerd, waarbij de voorgenomen beleidsvoorstellen onderling met elkaar zijn geconfronteerd en beoordeeld op potentiële onderlinge versterking en strijdigheid. 5. Ter inzage leggen OER en ontwerp herziening 2025 Omgevingsbeleid. Het OER wordt samen met de ontwerp herziening Omgevingsbeleid ter inzage gelegd. Eenieder heeft in deze periode de gelegenheid zienswijzen in te dienen. De Commissie mer toetst in deze periode de kwaliteit van het OER en beoordeelt of de juiste (milieu)informatie aanwezig is om een besluit over de herziening van het Omgevingsbeleid te kunnen nemen. 6. Besluit en vervolg. Mede op grond van de zienswijzen worden de definitieve teksten voor de herziening 2025 vastgesteld door Gedeputeerde Staten. Vervolgens vindt de definitieve vaststelling van de herziening 2025 plaats in Provinciale Staten. Zoals in de hiervoor genoemde startnotitie beschreven was het oorspronkelijke plan om de herziening 2025 in twee delen te doorlopen en daarvoor één startnotitie en NRD te hanteren. Echter bleek na het verschuiven van meerdere onderwerpen naar deel II van de herziening deze planning niet haalbaar waardoor GS besloot alle onderwerpen tegelijk te behandelen met uitzondering van ‘Windenergie Alblasserwaard’ als aparte herziening.12
1.5 Leeswijzer Het OER is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 wordt de totstandkoming van de inhoud van dit Omgevingseffectrapport weergegeven. In hoofdstuk 3 beschrijven we de totstandkoming van het beoordelingskader en de referentiesituatie (huidige en autonome ontwikkeling). In hoofdstuk 4 geven we aan hoe de onderzochte alternatieven, doelstellingen en onderzoek naar leefomgevingseffecten en doelbereik tot stand zijn gekomen. Vervolgens analyseren we in een aantal deelrapporten de leefomgevingseffecten en het doelbereik van de verschillende alternatieven: • Hoofdstuk 5. Deelrapport Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied (ZH-PLG) • Hoofdstuk 6. Deelrapport Water en Bodem Sturend (WBS) • Hoofdstuk 7. Deelrapport Toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling (TRO) • Hoofdstuk 8. Deelrapport Boerenerfmolens • Hoofdstuk 9. Deelrapport Warmte • Hoofdstuk 10. Deelrapport Windenergie In hoofdstuk 11 wordt middels botsproeven onderzocht of het nieuwe beleid consistent is. In hoofdstuk 12 wordt ingegaan op het vervolg van dit OER. Hoofdstuk 13 is een bijlage waarin de Foto van de Leefomgeving van alle beoordelingscriteria is uitgewerkt en onderbouwd.
Na analyse van de omgevingseffecten bleek dat er geen nieuwe locaties voor windmolens mogelijk waren in de Alblasserwaard waardoor de Herziening Omgevingsbeleid Module Alblasserwaard 11 maart 2025 via een GS-besluit werd afgerond. Daarmee verviel deel I en bleef alleen deel II over die nu de Herziening Omgevingsbeleid 2025 heet. Zie Afronding Herziening Omgevingsbeleid Module Alblasserwaard en samenwerkingsovereenkomst: https://www.zuid-holland.nl/politiekbestuur/gedeputeerde-staten/besluiten/besluit/afronding-herziening-omgevingsbeleid-modulealblasserwaard-en-samenwerkingsovere.
12
50
2. Aanpak van het OER 2.1 Proces en aanpak In het voorgaande hoofdstuk is de procedure van de totstandkoming van dit OER en de herziening 2025 uiteengezet. Onderstaande figuur geeft de aanpak van de totstandkoming van de inhoud van dit OER schematisch weer.
Hierna lichten we de stappen uit bovenstaande figuur kort toe en verwijzen we naar de betreffende onderdelen van dit OER voor een uitgebreidere uitwerking. 1. Uitwerken beleidsvoornemens en alternatieven. Ten behoeve van de herziening 2025 zijn voor de beleidsvoornemens verschillende alternatieven voor het nieuwe beleid uitgewerkt. GS heeft de alternatieven vastgesteld.13 In hoofdstuk 5 t/m 10 zijn per beleidsvoornemen de beleidsalternatieven beschreven. 2. Beoordelingscriteria uitwerken. Op grond van de indicatoren in de Monitor Leefomgeving zijn de beoordelingscriteria uitgewerkt. De Monitor Leefomgeving is als startpunt genomen en op basis daarvan is een set met relevant beoordelingscriteria vastgesteld voor dit OER. In hoofdstuk 3 is de werkwijze nader toegelicht. 3. Beoordelen referentiesituatie. In de Monitor Leefomgeving is voor de verschillende criteria een scoringsmethodiek voor het bepalen van de referentiesituatie (huidige situatie en autonome ontwikkeling) opgesteld en vastgesteld. Deze systematiek is als startpunt genomen en waar nodig verder uitgewerkt. De methodiek is in hoofdstuk 3 nader toegelicht. In hoofdstuk 13 is de gehele ‘Foto van de Leefomgeving’ opgenomen waar voor de 25 beoordelingsaspecten de referentiesituatie is uitgewerkt. 4. Beoordelen alternatieven en botsingen. De alternatieven zijn beoordeeld op doelbereik en leefomgevingseffecten.
Per beleidsalternatief is een (kwalitatieve) beoordeling van het doelbereik gemaakt. We beoordelen daar de mate waarin het aannemelijk is dat dankzij het beleidsalternatief het geformuleerde doel wordt behaald (in hoeverre draagt heb beleid bij aan het behalen van de ambities). Aan de hand van het Provincie Zuid-Holland, Concept scope Omgevingseffectrapportage Herziening Omgevingsbeleid 2025: https://www.zuid-holland.nl/politiek-bestuur/gedeputeerde-staten/besluiten/besluit/concept-scopeomgevingseffectrapportage-herziening-omgevingsbeleid-2025.
13
51
beoordelingskader zijn de effecten van de alternatieven ten opzichte van de referentiesituatie in beeld gebracht. Hierbij is steeds aangesloten bij het abstractieniveau van de uitwerking van de verschillende beleidsvoornemens in de Ontwerp Herziening 2025. De manier waarop de effecten in beeld worden gebracht sluit aan bij het detailniveau van de uitwerking van de beleidsvoornemens. Gezien het abstractieniveau van de beoogde herzieningen van het Omgevingsbeleid is het OER met name een kwalitatieve beschouwing van kansen en risico’s en waar mogelijk van aannemelijke effecten. Deze effecten, kansen en risico’s worden ‘gewaardeerd’ op basis van expert judgement, met gebruik van reeds beschikbare informatie (zowel kwantitatief als kwalitatief). De kansen en risico’s en eventuele concrete effecten worden beschreven en vervolgens gewaardeerd ten opzichte van de referentiesituatie (huidige situatie plus de autonome ontwikkeling). De referentiesituatie levert de basis waartegen de effecten van de beleidsvoornemens en de alternatieven worden afgezet. In hoofdstuk 4 is de aanpak voor de beoordeling van doelbereik en leefomgevingseffecten nader uitgewerkt. Tot slot is met de zogenaamde ‘botsproeven’ is beoordeeld in hoeverre het nieuwe beleid consistent is, en of, verschillende beleidsonderdelen elkaar versterken en kunnen conflicteren.
De aanpak en uitkomsten van de botsproeven zijn in hoofdstuk 11 beschreven. 5. Opstellen OER (digitaal rapport). Het OER is opgesteld in de vorm van een digitaal rapport.14
2.2 Totstandkoming en kwaliteitscontrole Dit OER is door medewerkers van de Provincie Zuid-Holland opgesteld. De beoordelingen zijn uitgevoerd door mer/OER-specialisten, en specialisten op de verschillende beoordelingscriteria (bijvoorbeeld: ecologen en beleidsmedewerkers verantwoordelijk voor de beoordelingscriteria) vanuit de Provincie Zuid-Holland. De beoordelingen en Foto van de Leefomgeving zijn vervolgens door tweede lezers vanuit Omgevingsdiensten en specialisten vanuit de Provincie Zuid-Holland geverifieerd. Op grond van de feedback zijn aanscherpingen doorgevoerd in de beoordeling en onderbouwing. Waar relevante expertise binnen de provinciale organisatie niet beschikbaar was is gebruik gemaakt van externe experts. De uitwerking en beoordeling van de criteria ‘landschappelijke kwaliteit’, ‘cultuurhistorie en erfgoed’ en ‘archeologie’ is door een extern bureau uitgevoerd (in afstemming met interne experts vanuit de provincie). Dit geldt ook voor de beoordeling van de effecten op ‘Natura2000’, ‘NNN’ en ‘soortendiversiteit’. De Provincie Zuid-Holland is zowel initiatiefnemer als bevoegd gezag voor deze herziening. Daarom is er via overdracht van taken aan DCMR Milieudienst Rijnmond op ambtelijk niveau een scheiding aangebracht tussen de rollen van initiatiefnemer en bevoegd gezag.
De provincie raadpleegt de onafhankelijke Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie mer) voor een toetsingsadvies op dit OER.
De milieueffectrapporten van de Provincie Zuid-Holland zijn terug te vinden via https://planmer.zuidholland.nl/.
14
52
3. Referentiesituatie: hoe staat de leefomgeving ervoor? 3.1
Waarom een ‘Foto van de Leefomgeving’?
Als basis voor het beoordelen van de leefomgevingseffecten hebben we in dit omgevingseffectrapport (OER) een ‘Foto van de Leefomgeving’ opgesteld. In de Foto van de Leefomgeving hebben we voor de 25 beoordelingsaspecten de referentiesituatie uitgewerkt. De referentiesituatie bestaat uit de huidige situatie én de autonome ontwikkeling. De mogelijke effecten van het nieuwe beleid binnen de Herziening 2025 worden afgezet tegen deze referentiesituatie. De Foto van de Leefomgeving laat zien bij welke aspecten van de leefomgeving er nu en in de toekomst problemen of knelpunten worden verwacht, en welke autonome trends hierin een rol spelen. De Foto van de Leefomgeving is in hoofdstuk 13 opgenomen.
3.2
Monitor leefomgeving en beoordelingsaspecten OER
De basis voor de beoordelingsaspecten in dit OER is gelegd in de Monitor Leefomgeving. De Provincie Zuid-Holland heeft een ‘Monitor Leefomgeving’ ontwikkeld die laat zien hoe het er ‘buiten’ in de provincie Zuid-Holland voor staat.15 De staat van de leefomgeving in Zuid-Holland wordt weergegeven aan de hand van een rad, met elf thema’s en drieënveertig indicatoren. Het rad ziet er in mei 2025 als volgt uit:
15
Provincie Zuid-Holland, Monitor Leefomgeving: https://monitorleefomgeving.zuid-holland.nl/.
53
De Monitor Leefomgeving geeft per indicator inzicht in de huidige situatie (zijn er geen, wisselend of veel knelpunten), de trend (de afgelopen jaren) en de verwachte langjarige ontwikkeling. De kleuren groen, geel en rood corresponderen met de scores. Voor (bijna) alle indicatoren is zodoende ook een scoringsmethodiek vastgesteld. De Monitor Leefomgeving geeft hiermee een beeld van de stand van zaken op tal van indicatoren die voor Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten van belang zijn. Dat vormde een goed startpunt voor dit OER. Tegelijkertijd geldt dat niet alle indicatoren uit de Monitor Leefomgeving (even) relevant zijn voor de beoordeling van de beleidsalternatieven in dit OER. Zo ziet een deel van de indicatoren op aspecten waar de beleidsalternatieven in het OER geen (direct) raakvlak mee hebben zoals innovatie, verkeersslachtsoffers en duurzame mobiliteit. Ook zijn er aspecten die wellicht wel indirect worden beïnvloed door de beleidsvoornemens in de OER, maar waarbij het om tweede of derde orde effecten gaat. Bijvoorbeeld ondernemersvertrouwen: beleidskeuzes die impact hebben op het agrarisch verdienvermogen of bedrijventerreinvoorraadontwikkeling hebben wellicht ook een vervolgeffect op ondernemersvertrouwen.
Of beleidskeuzes die impact hebben op de nabijheid van voorzieningen, beweegvriendelijkheid en leefbaarheid hebben ook een vervolgeffect op tevredenheid over de woonomgeving. We hebben ervoor gekozen om deze vervolgeffecten niet als eigenstandige beoordelingsaspecten op te nemen in het OER. Effecten worden dan namelijk indirecter en afhankelijker van verschillende variabelen. Daarom hebben we bijvoorbeeld gekozen om agrarisch verdienvermogen als beoordelingsaspect op te nemen (en dus niet het ondernemersvertrouwen). De beleidsalternatieven hebben daar wel directe invloed op. Daar waar relevant zijn vervolgeffecten wel genoemd bij de betreffende beoordelingsaspecten.
54
Daarnaast geldt dat sommige leefomgevingsaspecten die wel relevant zijn voor dit OER, geen onderdeel van de Monitor Leefomgeving vormen. Kortom: we hebben de Monitor Leefomgeving als startpunt genomen en op basis daarvan een set met relevant beoordelingscriteria vastgesteld voor dit OER. Onderstaande tabel laat zien welke indicatoren uit de Monitor Leefomgeving we hebben overgenomen (en in sommige gevallen verbreed), welke we niet hebben overgenomen en welke indicatoren we hebben toegevoegd. Thema
Indicator Monitor Beoordelingsaspect OER Toelichting Leefomgeving Overgenomen indicatoren monitorleefomgeving en toegevoegde beoordelingsaspecten: Economie 1. Agrarisch Toegevoegd, want directe relevantie verdienvermogen voor de onderwerpen in het OER. Bedrijventerrein2. Bedrijventerreinvoorraadontwikkeling voorraadontwikkeling Klimaat Uitstoot 3. Uitstoot broeikasgassen broeikasgassen CO2(-equivalenten) Onderdeel van uitstoot uitstoot veenoxidatie broeikasgassen Hittestress 4. Klimaatadaptatie (omvat hittestress) Wateroverlast 4. Klimaatadaptatie (omvat wateroverlast) Waterveiligheid 4. Klimaatadaptatie In de Monitor Leefomgeving gaat (omvat overstromingskans) waterveiligheid over regionale keringen. Dit aspect komt aan bod bij de beoordelingen voor de gebieden voor windturbines. Voor de overige beleidsontwikkelingen is dit aspect verbreed naar overstromingskans. Water en Oppervlaktewater 5. Water (omvat In het OER hebben we naast bodem oppervlaktewaterkwaliteit) kwaliteit ook gekeken naar waterbeschikbaarheid Grondwater 5. Water (omvat grondwater) Bodem en ondergrond 6. Bodemkwaliteit We hebben dit beoordelingsaspect (3D-ondergrond) 7. 4D-ordening verbreed naar bodemkwaliteit (chemische verontreiniging) en 4Dordening. Bij 4D-ordening kijken we zowel naar bodemdaling als drukte in de ondergrond. Ruimtelijke Fysieke 8.
Landschappelijke kwaliteit Landschapskenmerken kwaliteit (omvat fysieke landschapskenmerken) Waardering van het 8. Landschappelijke landschap kwaliteit (omvat de waardering van het landschap) Cultuurhistorie 9. Cultuurhistorie en (Erfgoed) erfgoed 10. Archeologie Toegevoegd in verband met de relevantie voor effecten vanuit beleidsvoornemens. Milieu Geluid – berekend 11. Geluid We hebben het aspect geluid geluid langs provinciale verbreed naar al het wegen
55
omgevingsgeluid door wegen, spoorwegen, industrie en luchtvaart. Luchtkwaliteit Licht Geur Kwaliteit habitattypen in Natura 2000 gebied
Natuur
Kwaliteit leefgebied/ populatiegrootte vogelen habitatrichtlijnsoorten in N2000 gebied Stikstofoverschrijding gebieden
Energie
Externe veiligheid Wonen en welzijn
Kwaliteit NNN Soortenontwikkeling Energiegebruik Duurzame energieopwekking Capaciteit elektriciteitsnetwerk Zuid-Holland Omgevingsveiligheid: aandachtsgebieden en zeer kwetsbare gebouwen Woningbouw Nabijheid voorzieningen Beweegvriendelijke leefomgeving Leefbaarheid
12. Lucht 13. Licht 14. Geur 15. Natura2000 (VR en HR) (omvat de kwaliteit habitattypen) 15. Natura2000 (VR en HR) (omvat de kwaliteit leefgebied/populatiegrootte) 15. Natura2000 (VR en HR) (omvat stikstofoverschrijdingen) 16. Kwaliteit NNN 17. Soortenontwikkeling 18. Energiegebruik 19. Duurzame energieopwekking 20. Netcapaciteit 21. Externe veiligheid
We hebben dit aspect verbreed naar externe veiligheid.
22. Woningbouw 23. Nabijheid voorzieningen 24. Beweegvriendelijke leefomgeving 25. Leefbaarheid
Het beoordelingskader sluit hiermee aan op de brede en integrale benadering uit de Omgevingswet. Dit betekent dat naast de thema’s van de fysieke leefomgeving het beoordelingskader ook sociale en economische thema’s bevat. De volgorde van bovenstaande beoordelingsaspecten is willekeurig.
3.3 Wijze van beoordelen We hebben voor ieder beoordelingsaspect een scoringsmethodiek voor de huidige situatie en voor de autonome ontwikkeling opgesteld. De huidige situatie kan drie scores krijgen: • • •
Groen: geen knelpunten Oranje: wisselend knelpunten Rood: veel knelpunten
In de Monitor Leefomgeving is voor de verschillende aspecten een scoringsmethodiek opgesteld en vastgesteld. Deze systematiek hebben is als startpunt genomen voor het opstellen van de scoringsmethodiek voor dit OER. Daar waar we in dit OER breder kijken dan in de Monitor Leefomgeving (zoals hierboven beschreven), hebben we scoringsmethodiek uitgebreid.
56
Ook voor de autonome ontwikkeling (de beleidsneutrale ontwikkeling) hebben we een indeling met drie mogelijke scores gehanteerd: • • •
Groen: positieve ontwikkeling Grijs: neutrale/geen ontwikkeling Rood: negatieve ontwikkeling
De score voor de autonome ontwikkeling geeft dus aan wat de ontwikkeling is ten opzichte van de huidige situatie: kent de huidige situatie geen knelpunten, en is de ontwikkeling bijvoorbeeld neutraal, dan zal de toekomst ook geen knelpunten kennen. Zijn er momenteel wel knelpunten, dan zullen er bij een neutrale ontwikkeling ook in de toekomst knelpunten zijn.
3.4 Overzichtstabel Foto van de Leefomgeving Onderstaande tabel bevat een overzicht van de referentiesituatie op alle beoordelingscriteria. Een uitgebreide toelichting is te vinden in hoofdstuk 13, Bijlage: Foto van de Leefomgeving. In deze bijlage is per criterium een toelichting te vinden op de wijze van beoordelen, gehanteerde referentiewaarden en bronnen. Daar waar mogelijk is de referentiesituatie weergegeven met kaartmateriaal. De referentiesituatie (en de beoordeling daarvan) behelst in de Monitor Leefomgeving veelal een ‘provinciebreed’ beeld. Effecten maar ook de referentiesituatie zijn echter vaak gebiedspecifiek. Zo zijn er bijvoorbeeld verschillen te zien tussen stedelijk en landelijk gebied, langs (water)wegen en bijvoorbeeld tussen bodemtypen. Ten behoeve van de effectanalyes is, indien mogelijk en van toegevoegde waarde, steeds een gebiedspecifieke verbijzondering gemaakt van de beoordelingscriteria. Hiervoor is gebruik gemaakt van geografische informatie (GIS) in een viewer. Beoordelingscriteria
Referentiesituatie
Agrarisch verdienvermogen
Huidige situatie Geen knelpunten
Autonome ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling
Bedrijventerrein voorraadontwikkeling
Wisselende knelpunten
Neutrale / geen ontwikkeling
Uitstoot broeikasgassen
Veel knelpunten
Neutrale / geen ontwikkeling
Klimaatadaptatie – hittestress
Wisselende knelpunten
Negatieve ontwikkeling
Klimaatadaptatie – wateroverlast
Wisselende knelpunten
Negatieve ontwikkeling
Klimaatadaptatie – overstromingsdiepte
Veel knelpunten
Negatieve ontwikkeling
Water - oppervlaktewater kwaliteit
Veel knelpunten
Neutrale / geen ontwikkeling
Water – waterbeschikbaarheid
Wisselende knelpunten
Negatieve ontwikkeling
Water - grondwater
Wisselende knelpunten
Positieve ontwikkeling
Bodemkwaliteit
Wisselende knelpunten
Neutrale / geen ontwikkeling
4D ordening – drukte in de ondergrond
Veel knelpunten
Negatieve ontwikkeling
4D ordening – bodemdaling
Veel knelpunten
Negatieve ontwikkeling
Landschappelijke kwaliteit
Wisselende knelpunten
Negatieve ontwikkeling
Cultuurhistorie en erfgoed
Wisselende knelpunten
Neutrale / geen ontwikkeling
Archeologie
Veel knelpunten
Neutrale / geen ontwikkeling
57
Geluid
Wisselende knelpunten
Neutrale / geen ontwikkeling
Luchtkwaliteit
Wisselende knelpunten
Negatieve ontwikkeling
Licht
Wisselende knelpunten
Neutrale / geen ontwikkeling
Geur
Onbekend
Onbekend
N2000
Veel knelpunten
Negatieve ontwikkeling
NNN
Wisselende knelpunten
Neutrale / geen ontwikkeling
Soortendiversiteit
Wisselende knelpunten
Neutrale / geen ontwikkeling
Energiegebruik
Geen knelpunten
Neutrale / geen ontwikkeling
Duurzame energieopwekking
Veel knelpunten
Neutrale / geen ontwikkeling
Netcapaciteit
Wisselende knelpunten
Negatieve ontwikkeling
Externe veiligheid
Onbekend
Negatieve ontwikkeling
Woningbouw
Veel knelpunten
Negatieve ontwikkeling
Nabijheid voorzieningen
Wisselende knelpunten
Negatieve ontwikkeling
Beweegvriendelijke leefomgeving
Wisselende knelpunten
Neutrale / geen ontwikkeling
Leefbaarheid
Wisselende knelpunten
Neutrale / geen ontwikkeling
58
4. Inleiding op de deelrapporten
beleidsalternatieven, leefomgevingseffecten en doelbereik Voor ieder beleidsvoornemen zijn verschillende alternatieven uitgewerkt. Ten behoeve van de effectbeoordeling is In het OER voor ieder alternatief uitgewerkt wat de onderliggende beleidsuitspraken zijn. Kortom, wat het alternatief inhoudt, hoe het in het ontwerp van de herziening kan worden uitgewerkt, hoe sturing plaatsvindt en wat bijvoorbeeld bijbehorende mitigerende maatregelen zijn.
4.1 Totstandkoming alternatieven Ten behoeve van de herziening 2025 zijn voor de beleidsvoornemens verschillende alternatieven voor het nieuwe beleid uitgewerkt. GS heeft de alternatieven vastgesteld (zie paragraaf 1.4 voor de gevolgde procedure). In hoofdstuk 5 t/m 10 zijn per beleidsvoornemen de beleidsalternatieven beschreven.
4.2 Toelichting beoordeling doelbereik Per beleidsalternatief is een (kwalitatieve) beoordeling van het doelbereik gemaakt. We beoordelen daar de mate waarin het aannemelijk is dat dankzij het beleidsalternatief het geformuleerde doel wordt behaald. Kortom, het gaat om een ex-ante beoordeling van de doeltreffendheid. De definitie van doeltreffendheid is: ‘de mate waarin de beleidsdoelstelling daadwerkelijk wordt bereikt met behulp van het ingezette beleid’.16 De beoordeling is kwalitatief van aard en waar mogelijk is gebruik gemaakt van monitoringsgegevens en evaluatieonderzoeken ter onderbouwing. De beoordeling ziet op drie aspecten: • Het inhoudelijke ambitieniveau van het alternatief. Bijvoorbeeld waar ligt het ammoniakplafond of hoe hoog komt het slootwaterpeil te liggen. • De mate van doorwerking. De verwachte doorwerking is afhankelijk van de manier waarop het beleidsalternatief in de herziening wordt ingevoerd (visie, programma en/of verordening). De verschillende manieren van invoering zijn in meer of mindere mate afdwingbaar. Het doelbereik zal naarmate het beleid meer afdwingbaar wordt, groter worden (bijvoorbeeld: het opnemen van een ammoniakplafond in de omgevingsverordening). • Het samenspel tussen de beleidsinstrumenten. Het samenspel van de drie instrumenten heeft invloed op de doeltreffendheid.
Zo geeft de omgevingsvisie richting aan de besluiten over en realisatie van ruimtelijke opgaven door het vastleggen van lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving. Echter, een wijziging van de omgevingsvisie op zichzelf is nog niet altijd voldoende om de ruimtelijke opgaven te realiseren, want de omgevingsvisie is alleen zelfbindend. Aanvullende regels in de verordening en concrete maatregelen gericht op uitvoering in het programma of instrumenten zoals subsidies kunnen in samenspel effectief zijn voor het realiseren van beleid.
Definitie uit Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek 2022 (RPE): https://wetten.overheid.nl/BWBR0046970/2022-07-27.
16
59
4.3
Toelichting beoordeling leefomgevingseffecten
Vaststellen relevante criteria per onderwerp Elk alternatief is beoordeeld aan de hand van de onderliggende beleidsuitspraken. Ieder alternatief is beoordeeld op de relevante beoordelingscriteria. Onderstaande tabel bevat een overzicht van de onderwerpen in de herziening en de beoordelingscriteria waarop het onderwerp is beoordeeld.
60
Of een beoordelingscriterium relevant is voor een onderwerp in de herziening is bepaald aan de hand van een inschatting van de potentiële effecten: heeft een onderwerp overduidelijk geen (direct) effect op een beoordelingscriterium, dan hebben we geen effectbeoordeling uitgevoerd. Zo heeft het voornemen voor Water en Bodem Sturend (klimaatadaptief ontwikkelen) overduidelijk geen effect op geluid. Wanneer het minder evident was of er wel of geen effect was, hebben we het criterium wel in de analyse meegenomen. Zodoende zijn er ook onderwerpen die – na een zorgvuldige weging – op een beoordelingscriterium neutraal scoren. Beoordelingsmethodiek Elk alternatief is beoordeeld aan de hand van de onderliggende beleidsuitspraken zoals bij de alternatievenbeschrijving uitgewerkt. Voor de alternatievenbeoordeling is per alternatief een selectie van te beoordelen beleidsuitspraken gemaakt op basis van de volgende criteria: • Het is nieuw beleid, het wordt nu nog niet gedaan; • Er kan een relatie gelegd worden met beoordelingsaspecten van het OER (zoals opgenomen in het beoordelingskader); • Het is voldoende concreet om te kunnen beoordelen op kansen op positieve effecten en negatieve effecten. Elke beleidsuitspraak is op systematische wijze langs het beoordelingskader gehaald.
Bij elk beoordelingsaspect is bepaald wat de directe en indirecte gevolgen van de betreffende uitspraak kunnen zijn op dat aspect ten opzichte van de referentiesituatie (huidige situatie en autonome ontwikkeling in 2030), gerelateerd aan de beoordelingscriteria zoals beschreven in de Foto van de leefomgeving. Het gaat daarbij om een kwalitatieve beoordeling op basis van expertjudgement in termen van kansen op positieve en negatieve effecten. De beoordelingen zijn uitgevoerd door mer/OER-specialisten, en specialisten op de verschillende beoordelingscriteria (bijvoorbeeld: ecologen en beleidsmedewerkers verantwoordelijk voor de beoordelingscriteria) vanuit de Provincie Zuid-Holland. De beoordelingen zijn vervolgens door tweede lezers vanuit Omgevingsdiensten en specialisten vanuit de Provincie Zuid-Holland geverifieerd. Op grond van de feedback zijn aanscherpingen doorgevoerd in de beoordeling en onderbouwing. Het gaat daarbij om een kwalitatieve beoordeling op basis van expert-judgement. Ieder alternatief heeft een van de vijf onderstaande beoordelingen gekregen: Effect Positief effect is aannemelijk Kans op positief effect Neutraal effect (geen, nagenoeg geen effecten of zowel positieve als negatieve effecten waardoor het ‘netto effect’ niet duidelijk optelt naar een positieve of negatieve beoordeling) Kans op een negatief effect Negatief effect is aannemelijk
Beoordeling ++ + 0 --
Interpreteren van de effectbeoordelingen De uitkomsten geven per alternatief inzicht in de effecten op de leefomgeving. De overzichtstabellen geven daarmee in één oogopslag een beeld van de (mogelijke) positieve en negatieve effecten van de beleidsalternatieven. Het interpreteren van deze tabellen vraagt echter wat van de lezer. Het is namelijk niet zo dat het optellen van alle plussen en minnen resulteert in een finaal oordeel: sommige leefomgevingseffecten zijn (mogelijk) groter dan anderen, of zwaarwegender. Daarmee zijn de overzichtstabellen dus niet geschikt om direct een finaal oordeel op te baseren welk alternatief het ‘beste’ is: de tabellen dien(d)en als startpunt
61
van een nadere afweging over doelbereik, beleidskeuzes en instrumenteninzet (inclusief mitigerende maatregelen). Daartoe zijn beoordelingstabellen met een nadere toelichting uitgewerkt.
62
5. Deelrapport Zuid-Holland Programma Landelijk Gebied (ZH-PLG) 5.1. Grondwaterstand verhogen 5.1.1. Uitwerking beleidsalternatieven
Aanleiding In de Zuid-Hollandse veenweiden leidt ont- en afwatering van de veenbodem, ten behoeve van het agrarische (grasland)gebruik tot CO2-uitstoot en bodemdaling. Dat gebeurt door oxidatie van het veen, het materiaal rot weg waardoor de bodem snel kan dalen. Als/doordat de waterpeilen mee dalen met de bodemdaling (dat gebeurt door om de zoveel jaren de peilen te “indexeren”) gaat het proces van bodemdaling en CO2-emissie steeds door. Op deze manier zijn grote delen van Nederland in de loop der eeuwen meerdere meters gedaald. Het optreden van oxidatie en bodemdaling wordt versterkt wordt door toenemende droogte en hitte, wat bij klimaatverandering vaker voorkomt. De oxidatie van veen in Zuid-Holland is in onderstaand kaartbeeld opgenomen. https://monitor-klimaatadaptatie-zuid-holland.hub.arcgis.com/ Doelstelling De doelstelling is de reductie van CO2-emissie uit veenweiden zoals in Klimaatakkoord is opgenomen. De opgave voor provincie Zuid-Holland is 0,21 Mton/jr reductie in 2030 (ten opzichte van referentiejaar 2016). Het reductiedoel voor 2030 is een tussendoel. De Klimaatwet is gericht op verdere reductie (naar nul emissie) in 2050. De (vooralsnog enige) manier om tot die reductie van de CO2-emissie uit veen te komen, is door het hoog(er) houden van de grondwaterstand.
Dat wordt bereik door middel van een combinatie van sturen op hoog(er) slootpeil (via peilbesluit) en vernattingsmaatregelen in de percelen (zoals waterinfiltratiesystemen of greppelinfiltratie). Het verhogen van de grondwaterstand draagt ook bij aan andere doelstellingen: • De opgave gaat samen met de opgave van remmen bodemdaling van de veengronden; doorgaande bodemdaling is een doorgaande en toenemende kostenpost voor de toekomst op onder meer keringen, infrastructuur, funderingen en verzilting. • Ook in het kader van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn opgaven (VHR-opgaven) is het verhogen van de grondwaterstand in veenweidegebieden een belangrijk uitgangspunt. Daarbij gaat het dus om aan boerenland gebonden VHR-soorten met een ongunstige staat van instandhouding waaronder boerenlandvogels zoals grutto. Zie daarvoor onderdeel “2 boerenlandvogels”. • Indirect zal, áls een hogere grondwaterstand leidt tot een lagere veebezetting c.q. extensivering, een bijdrage worden geleverd aan verminderen van emissies ammoniak en methaan. Het verhogen van de grondwaterstand levert echter ook risico’s van ongewenste bijeffecten op, die aanvullende beheersmaatregelen en -afspraken vergen.
Dat gaat met name om: • Toename risico op wateroverlast (hoger peil zorgt voor minder buffercapaciteit om piekbuien op te vangen); • Risico van verslechtering waterkwaliteit (hoger peil, tot in bouwvoor, kan zorgen voor uitspoeling nutriënten naar water);
63
•
•
Watertekort (nat houden van veen vraagt extra water, terwijl aanbod zoetwater niet altijd voldoende is, vanwege verdringingsreeks kan watertekort ook consequenties hebben voor andere gebieden) en Inkomen/vermogensverlies huidig agrarisch gebruik.
Beschrijving beleidsalternatieven verhogen grondwaterstand
Voor de alternatievenbeoordeling in het OER is per alternatief een selectie van te beoordelen beleidsuitspraken gemaakt op basis van de volgende criteria: • Het is nieuw beleid, het wordt nu nog niet gedaan; • Er kan een relatie gelegd worden met beoordelingsaspecten van het OER (zoals opgenomen in het beoordelingskader); • Het is voldoende concreet om te kunnen beoordelen op kansen op positieve effecten en negatieve effecten. Beschrijving beleidsalternatieven op hoofdlijnen De provincie Zuid-Holland heeft als doelstelling om bodemdaling en CO2-emissie uit veenweiden tegen te gaan door het verhogen van de grondwaterstand (te bereiken door sturen op grondwaterstand/drooglegging en aanleg waterinfiltratieststemen (WIS). De alternatieven leveren input voor beleid gericht op het “bewegen naar een hogere grondwaterstand, in combinatie met regelen van instrumenten en middelen die het voor zowel grondgebruikers als waterbeheerder mogelijk maakt die beweging te maken”. En daarmee de bodemdaling en CO2-emissie uit veen te remmen. In de referentiesituatie wordt doorgegaan met “peilindexatie”, oftewel, het slootpeil periodiek laten meezakken met bodemdaling door veenoxidatie (huidig beleid). Daarbij is het goed te weten dat in de huidige situatie (2021) ca 55% van de ZH-se veenweiden een drooglegging van 40cm-mv of minder heeft, en 75% een drooglegging van 45cm-mv of minder.
Ten behoeve van de besluitvorming over het beleidsvoornemen zijn er vijf alternatieven uitgewerkt. De alternatieven onderscheiden zich van elkaar door de diepte van het slootwaterpeil (ofwel drooglegging) in combinatie met het al dan niet toepassen van perceelvernattingsmaatregelen (actieve of passieve) waterinfiltratie systemen (WIS). • •
•
Een PWIS (ook bekend als onderwaterdrainage) bestaat uit geperforeerde buizen die horizontaal in de bodem zijn gebracht en onder slootpeil in de sloot uitkomen, zodat slootwater de bodem in kan stromen. Met een AWIS (ook bekend als drukdrainage) kan de grondwaterstand, in enige mate, onafhankelijk van het slootpeil worden geregeld. Het slootwater wordt daarvoor in een drukvat gepompt waardoor het waterpeil iets hoger komt te liggen en het water onder druk de bodem in stroomt. Drooglegging is slootpeil ten opzichte van maaiveld (en is dus echt iets anders dan de grondwaterstand ten opzichte van maaiveld).
Uit de Impactstudie verhogen grondwaterstand veenweiden Provincie Zuid-Holland17 weten we dat de CO2-reductie doelstelling uit veen 2030, theoretisch gehaald kan worden door combinatie van generieke drooglegging/slootpeil van 30cm-mv met aanleg WIS, maar ook dat dit ongewenste bijeffecten heeft op de omgeving (watersysteem en grondgebruik). Provincie Zuid-Holland (2024), Impactstudie verhogen grondwaterstand veenweiden: https://pzh.notubiz.nl/modules/1/Ingekomen%20stukken/980427.
17
64
Om de maatregelen te kunnen uitvoeren en ongewenste bijeffecten te beheersen, zijn aanvullende beleidskaders, afspraken, instrumenten en middelen nodig, die afhankelijk van (bestuurlijke) keuzen om te mitigeren, compenseren, accepteren of temporiseren kunnen verschillen. Vooralsnog wordt gedacht/gewerkt aan zaken zoals subsidie voor aanleg maatregelen, een nieuwe RO titel en een compensatiesystematiek veenweiden. Beschrijving alternatief 1 op basis beleidsuitspraken Slootwaterpeil lager dan huidig peil, naar 50cm-mv --> Generieke drooglegging/slootpeil van mediaan <50cm-maaiveld: slootpeil dat dieper zit omhoog brengen, maar slootpeilen die ondieper zijn niet omlaag brengen. Ca 55% van de ZH-se veenweiden een drooglegging van 40cm-mv of minder heeft, en 75% een drooglegging van 45cm-mv of minder. Niet onderzocht in de “impactstudie”, maar wel kwalitatief te beoordelen.
Beschrijving alternatief 2 op basis beleidsuitspraken Slootwaterpeil op circa huidig peil --> Generieke slootpeil/drooglegging van mediaan <40cm-maaiveld: slootpeil dat dieper zit omhoog brengen, maar slootpeilen die ondieper zijn niet omlaag brengen. Circa 55% van de ZH-se veenweiden heeft nu een drooglegging van 40cm-mv of minder. Instellen van mediaan DL 40cm-mv (mediaan per peilgebied wordt bedoeld), lijkt erg op de huidige situatie. Beschrijving alternatief 3 op basis beleidsuitspraken Huidig slootwaterpeil + PWIS --> Generiek behoud huidige slootpeil in combinatie met overal bodemvernatting door aanleg Passieve Water Infiltratie Systemen (PWIS). Niet onderzocht in de “impactstudie”, maar wel kwalitatief te beoordelen. Beschrijving alternatief 4 op basis beleidsuitspraken Slootwaterpeil hoger dan huidig, naar 30cm-mv + AWIS --> Generieke slootpeil/drooglegging van mediaan 30cm-mv in combinatie met overal bodemvernatting door aanleg Actieve Water Infiltratie Systemen (AWIS). Zie impactstudie. 18
Beschrijving alternatief 5 op basis beleidsuitspraken Slootwaterpeil hoger dan huidig, naar 20cm-mv zonder perceelmaatregel --> Generieke drooglegging/slootpeil van mediaan 20 cm-maaiveld. Zie impactstudie. 19 Provincie Zuid-Holland (2024), Impactstudie verhogen grondwaterstand veenweiden: https://pzh.notubiz.nl/modules/1/Ingekomen%20stukken/980427. 19 Provincie Zuid-Holland (2024), Impactstudie verhogen grondwaterstand veenweiden: https://pzh.notubiz.nl/modules/1/Ingekomen%20stukken/980427. 18
65
5.1.2. Beoordeling doelbereik ZHPLG: grondwaterstand verhogen Doelstelling: In het Nationaal Klimaatakkoord is vastgelegd dat de reductie van broeikasgassen (CO2- eq) uit veen tegen 2030 met 1 Mton per jaar verminderd moet worden. Waarvan Zuid-Holland 21% ofwel 0,21 Mton per jaar voor zijn rekening neemt. Concreet betekent dit dat 210.000 ton CO2 per jaar gereduceerd moet worden. Het reductiedoel voor 2030 is een tussendoel. De Klimaatwet is gericht op verdere reductie (naar nul emissie) in 2050. Beoordeling doelbereik en toelichting: Alternatief 1: Slootwaterpeil Bij dit alternatief is het specifieke doelbereik niet naar 50cm-mv (maar onderzocht. Omdat dit alternatief het minste impact heeft slootpeilen die ondieper zijn op CO2-reductie, zal het doelbereik hierbij het kleinst zijn. niet omlaag brengen) Alternatief 2. Slootwaterpeil op Bij alternatief 2 is de totale jaarlijkse reductie CO2-uitstoot circa huidige peil (mediaan van 47%. Dat bekent dus dat jaarlijks 47% van de 210.000 ton <40 cm-mv) te reduceren CO2 per jaar wordt gereduceerd. Ondanks dat een positief effect op zal treden, wordt hiermee de doelstelling voor reductie van broeikasgasemissie uit veen, zoals vastgelegd in het Nationaal Klimaatakkoord, niet gehaald. Alternatief 3. Huidig Bij alternatief 3 is de totale jaarlijkse reductie CO2-uitstoot slootwaterpeil + vernatting door 65%.
Dat bekent dus dat jaarlijks 65% van de 210.000 ton Passief Water Infiltratie te reduceren CO2 per jaar wordt gereduceerd. Ondanks Systeem (PWIS) dat een positief effect op zal treden, wordt hiermee de doelstelling voor reductie van broeikasgasemissie uit veen, zoals vastgelegd in het Nationaal Klimaatakkoord, niet gehaald. Alternatief 4. Slootwaterpeil Bij alternatief 4 wordt jaarlijks 103% van de 210.000 ton te hoger dan huidig, naar 30cmreduceren CO2 per jaar gereduceerd. De doelstelling voor mv + vernatting door Actief jaarlijkse reductie van broeikasgasemissie uit veen, zoals Water Infiltratie Systeem (AWIS) vastgelegd in het Nationaal Klimaatakkoord, wordt met dit alternatief gehaald (en 3% meer). Alternatief 5: Slootwaterpeil Bij alternatief 5 is de totale jaarlijkse reductie CO2-uitstoot hoger, naar 20cm-mv zonder 121%. Dat bekent dus dat jaarlijks 121% van de 210.000 vernattingsmaatregelen ton te reduceren CO2 per jaar wordt gereduceerd. De doelstelling voor jaarlijkse reductie van broeikasgasemissie uit veen, zoals vastgelegd in het Nationaal Klimaatakkoord, wordt met dit alternatief gehaald (en 21% meer).
Kanttekening bij het doelbereik is de wijze waarop het provinciale omgevingsbeleid wordt ingezet om te “bewegen naar een hogere grondwaterstand, in combinatie met regelen van instrumenten en middelen die het voor zowel grondgebruikers als waterbeheerder mogelijk maakt die beweging te maken”. In de huidige uitwerking van het beleidsvoornemen zoals gedeeld in de internetconsultatie wordt gesproken over het wijzigen van de omgevingsvisie. We verwachten dat de directe effecten van aanpassing van de Omgevingsvisie op zowel doelstelling als omgevingseffecten beperkt zullen zijn. Immers, de omgevingsvisie is zelfbindend. Dat wil zeggen dat ze alleen het bestuursorgaan binden dat de omgevingsvisie heeft vastgesteld (de Provincie Zuid-Holland). Een omgevingsvisie bevat dus geen regels voor burgers, bedrijven of andere overheden. Beleidsdoorwerking kan worden vormgegeven via bijvoorbeeld de
66
verordening (bijvoorbeeld via instructieregels). Uit oogpunt van behoorlijk bestuur dienen bestuursorganen wel rekening te houden met elkaars beleid, taken en bevoegdheden. 5.1.3. Effectbeoordeling In onderstaande tabel hebben we een overzicht opgenomen van de relevante beoordelingscriteria, de referentiesituatie per criterium en de beoordeling van de beleidsalternatieven. In paragraaf 5.5 is een onderbouwing van de beoordeling per aspect en per alternatief opgenomen. De uitwerking en onderbouwing van de referentiesituatie is opgenomen in de ‘Foto van de Leefomgeving’ (bijlage).
Overzichtstabel effecten beleidsalternatieven op relevante beoordelingsaspecten Beoordelingscriteria
Agrarisch verdienvermogen Bedrijventerreinvo orraadontwikkelin g Uitstoot broeikasgassen Klimaatadaptatie – hittestress Klimaatadaptatie – wateroverlast Klimaatadaptatie overstromingsdiep te Oppervlaktewater kwaliteit Waterbeschikbaar heid Grondwater Bodemkwaliteit 4D ordening: drukte in de ondergrond 4D ordening: bodemdaling Landschappelijke kwaliteit Cultuurhistorie en erfgoed Archeologie Luchtkwaliteit Geur N2000 NNN
Referentiesituatie Huidige situatie
Autonome ontwikkeling
Geen knelpunten Wisselend knelpunten
Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling
Veel knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Veel knelpunten
Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling
Veel knelpunten Wisselend knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Veel knelpunten
Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Positieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling
Veel knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Veel knelpunten Wisselende knelpunten Onbekend
Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Onbekend
Veel knelpunten Wisselende knelpunten
Negatieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling
Beoordelin g Alternatief 1:
Beoordelin g alternatief 2:
Beoordelin g alternatief 3:
Beoordelin g alternatief 4:
Beoordelin g Alternatief 5:
50 cm
Huidige peil (<40 cm)
Huidig peil + PWIS
30 cm + AWIS
20cm zonder maatregelen
0
-
+
-
--
0
-
0
-
-
0
+
+
++
++
0
0
0
0
0
0
-
0
--
--
0
-
0
--
--
0
-
--
--
--
0
-
--
--
--
0
+
+
++
++
0
-
-
--
--
0
0
0
0
0
0
+
+
++
++
0
++
+
++
-
0
0
0
+
+
0
0
+
+
+
0
+
0
++
++
0
+
0
+
+
0
0
+
+
++
0
0
+
+
++
67
Soortendiversiteit Energiegebruik Woningbouw Leefbaarheid
Wisselende knelpunten Geen knelpunten Veel knelpunten Wisselende knelpunten
Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling
0
0
+
++
++
0
0
0
-
0
0
-
0
-
-
?
?
?
?
?
5.2 Boerenlandvogels 5.2.1. Uitwerking beleidsalternatieven Aanleiding De weidegebieden in onder andere het Groene Hart zijn van landelijk en Europees belang voor weidevogels en andere diersoorten. Van de grutto broedt ongeveer 16% van de Nederlandse populatie binnen de provinciegrenzen. De populaties van grutto en andere weidevogels nemen sterk af. Vanwege de afname van de grutto is de Europese Commissie gestart met een inbreukprocedure. Dit betekent dat Nederland doeltreffende maatregelen moet nemen voor behoud van deze soort. Doelstelling Voor de grutto wordt in het kader van de Europese inbreukprocedure op korte termijn een actuele doelstelling verwacht. Voor de overige weidevogels en de akkervogels zal in het natuurplan, dat in het kader van de verordening natuurherstel opgesteld wordt door het rijk, naar verwachting ook een doelstelling geformuleerd worden. Tot die tijd houden we vast aan de opgaven uit het voormalige NPLG, waarin de opgave voor Zuid-Holland circa 3.500 extra broedparen van de grutto als vlaggenschip voor de weidevogels bedroeg. En de opgave voor akkervogels werd vertaald in circa 300 extra broedparen van de patrijs. Als je de aantallen door vertaalt naar benodigd oppervlak dan zouden bovenstaande aantallen resulteren in een kwantitatieve hectare-opgave voor weidevogels van 11.000 ha en voor akkervogels van 1.900 ha.
De doelstelling voor extra broedparen en hectares heeft een grote overlap met de opgave voor het verhogen van de grondwaterstand voor reductie van CO2-emissie in het veenweidegebied.
Beschrijving beleidsalternatieven boerenlandvogels
Voor de alternatievenbeoordeling in het OER is per alternatief een selectie van te beoordelen beleidsuitspraken gemaakt op basis van de volgende criteria: • Het is nieuw beleid, het wordt nu nog niet gedaan; • Er kan een relatie gelegd worden met beoordelingsaspecten van het OER (zoals opgenomen in het beoordelingskader); • Het is voldoende concreet om te kunnen beoordelen op kansen op positieve effecten en negatieve effecten. Beschrijving beleidsalternatieven op hoofdlijnen De provincie Zuid-Holland heeft een doelstelling voor extra broedparen en daarmee indicatieve hectares. De alternatieven leveren input voor beleid gericht op het vergroten van de populatie boerenlandvogels. In de referentiesituatie wordt doorgegaan met de uitvoering van het Actieplan Boerenlandvogels. Dat heeft echter de achteruitgang van de weidevogels niet kunnen stoppen, dus is extra inzet nodig. Ten behoeve van de besluitvorming over het beleidsvoornemen zijn twee alternatieven uitgewerkt. De alternatieven onderscheiden zich
68
van elkaar in de mate waarin ze sturend zijn in het opleggen van eisen aan de agrarische bedrijfsvoering. Alternatief 1 is gericht op de uitvoering via het bestaand instrumentarium. Uitgangspunt is dat boeren vrijwillig deelnemen. Door de betere vergoedingen zullen meer boeren, meer zwaar beheer willen afsluiten. Alternatief 2 kent een sterkere provinciale sturing door in bepaalde gebieden eisen op de leggen aan de agrarische bedrijfsvoering. Daarbij wijst de provincie in de omgevingsverordening, afhankelijk van de doelstelling, een aantal gebieden aan van 1.000-2.000 ha waar weidevogels op z’n minst een volwaardige neventak worden binnen de agrarische bedrijfsvoering. In de omgevingsverordening zijn op dit moment belangrijke weidevogelgebieden aangewezen die een ruimtelijke beschermingsstatus hebben. De huidige begrenzing van gebieden is verouderd. In de alternatieven wordt voorgesteld om de begrenzing te actualiseren, maar daarbij rekening te houden met de extra opgave die de provincie krijgt door naast de kerngebieden de potentieel waardevolle gebieden ruimtelijk te beschermen.
Beschrijving alternatief 1 op basis beleidsuitspraken Alternatief 1: Aantalsdoelstelling boerenlandvogels opnemen in omgevingsvisie, uitvoering via bestaand instrumentarium. • Aanpassing omgevingsvisie. Aantalsdoelstellingen voor grutto (weidevogels) en voor patrijs (akkervogels) broedparen opnemen in de Omgevingsvisie, met daarbij de indicatieve vertaling naar hectaren. • Aanpassing omgevingsprogramma. Aanvullende maatregelen op huidige Actieplan Boerenlandvogels (voor de beoordelingen van de effecten geldt dat dit onderdeel is van de autonome ontwikkeling. Het is reeds voorgenomen beleid maar nog niet opgenomen in het programma): o Inzet van middelen uit maatregelpakket ZH-PLG. Dit betreft extra middelen voor bevordering van weidevogelbeheer, afwaardering van agrarische gronden en aanleg van groenblauwe dooradering. Dit wordt nog ruimtelijk uitgewerkt o Inzet van extra gelden die beschikbaar komen als reactie op de herstelopgave voor de weidevogels/inbreukprocedure grutto. Het gaat hierbij om de € 500 miljoen die vanaf 2026 landelijk beschikbaar komt voor agrarisch natuurbeheer en ecosysteemdiensten. Naast veel meer geld voor agrarisch natuurbeheer komt er naar verwachting ook geld voor investeringen, grondinstrumentarium, monitoring. • Aanpassing omgevingsverordening. Actualiseren van de aangewezen belangrijke weidevogelgebieden.
Daarbij rekening houdend met de extra opgave (broedparen en hectares) door naast de kerngebieden de potentieel waardevolle gebieden ruimtelijk te beschermen. In de voorliggende aanpassing wordt voorgesteld om onderscheid te maken in twee categorieën voor belangrijk weidevogelgebied; o Belangrijke weidevogelgebieden met hoge dichtheden aan broedende weidevogels. We stellen voor om deze gebieden een strengere ruimtelijke bescherming te geven met een zogenaamd nee, tenzij...-regime. Hierbinnen zijn ruimtelijke ontwikkelingen in principe niet toegestaan tenzij er sprake is van een groot openbaar belang en er geen reële alternatieven zijn. Als dat zo is, dan is mitigatie en compensatie verplicht. o Kansgebieden met lagere dichtheden aan broedende weidevogels en met de gebieden waar agrarische collectieven kunnen inzetten op vrijwillig weidevogelbeheer via het ANLb (Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer). Deze gebieden krijgen een lichtere beschermingsstatus. Deze gebieden
69
zouden een zogenaamd ja, mits-regime moeten krijgen. Hier is meer ruimte voor ruimtelijke ontwikkelingen mits er gecompenseerd wordt. Voor de aanpassing van de Omgevingsverordening geldt dat het totale oppervlak dat beschermd wordt groter wordt dan het huidige beschermde gebied. Maar het gebied met de strengere bescherming neemt af. Hierdoor zullen er in de praktijk waarschijnlijk meer mogelijkheden zijn voor andere ruimtelijke ontwikkelingen. Sowieso zijn ontwikkelingen binnen de agrarische bedrijfsvoering zondermeer toegestaan. Daarmee verwachten we dat de omgevingseffecten beperkt zullen zijn. Beschrijving alternatief 2 op basis beleidsuitspraken Alternatief 2: Provincie stuurt op kerngebieden met aparte ruimtelijke status. • Aanpassing omgevingsverordening. In de omgevingsverordening worden regio's aangewezen waarbinnen, in overleg met gebiedspartijen, gebieden van 1.000-2.000 ha worden gerealiseerd waar weidevogels op z’n minst een volwaardige neventak worden binnen de agrarische bedrijfsvoering. Dit betreft de Krimpenerwaard, Alblasserwaard, Midden-Delfland, en de regio’s Nieuwkoop, Bodegraven en Kaag. In deze gebieden is agrarisch medegebruik mogelijk, maar met extra eisen aan beheer een inrichting gericht op weidevogels.