CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

2.2d) OER herziening omgevingsbeleid 2025 [25-0186133 ]

Commissie Ruimte en Wonen 10 februari 2026, gemeente WestlandBij agendapunt: Schrijven college d.d. 03-12-25 inzake zienswijze herziening omgevingsbeleid provincie Zuid-Holland 202535.025 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

De bedrijfsvoering (aantal dieren/hectare, melkproductie, deelname agrarisch natuurbeheer etc.) is er al afgestemd op een geringere drooglegging. In gebieden met een grotere drooglegging zoals de Alblasserwaard en Groene Hart ligt dit anders. Daar is de drooglegging van ca. 55% van de percelen groter dan 40 cm. Indien een melkveehouderij met een voor Zuid-Hollands begrippen zeer grote drooglegging (50 cm) te maken krijgt met een hogere grondwaterstand en de bedrijfsvoering (rantsoen, aantal dieren, melkproductie etc.) verder op geen enkele manier aanpast, loopt het inkomenseffect op tot 40.000 euro. Als een melkveehouder stuurt op het gelijk houden van de melkproductie, leidt dit namelijk tot hogere kosten voor de aankoop van voer (ruwvoer, krachtvoer). Afhankelijk van de uitgangssituatie (grondpositie, eigen vermogen, hypotheeklasten) en motivatie kan een veehouder ook kiezen voor aanpassing van zijn bedrijfsmodel. Bijvoorbeeld door te investeren in de aankoop van grond of om minder dieren (op dezelfde hectares) te melken. Bij deze vormen van extensivering dalen de inkomsten/hectare van de melkproductie, maar ook de kosten (per hectare) voor mestafvoer (momenteel zeer hoog door verlies derogatie), inkoop van ruwvoer, krachtvoer, kunstmest, loonwerk (bemesting en voederwinning), energie (brandstof) en arbeid.

Bij verhoging van de grondwaterstand, al dan niet in combinatie met extensivering, is het voor ondernemers als collectief mogelijk om gebruik te maken van de Rijksregeling Samenwerking in veenweidegebieden en Natura 2000overgangsgebieden. Deze regeling wordt in 2026 opnieuw opengesteld. Omdat verhoging van de grondwaterstand leidt tot tragere grasgroei in het voorjaar wordt voor ondernemers die hiermee te maken krijgen de uitvoering van de wat zwaardere (en betere beloonde) beheerpakketten voor agrarisch natuurbeheer financieel aantrekkelijker. De Minister van LVVN heeft in Kamerbrief “Contourenbrief Agrarisch Natuurbeheer” van 29-112025 aangegeven te werken aan hogere vergoedingen voor agrarisch natuurbeheer (ANLb) en een nieuwe GLB-regeling met gebiedsspecifieke vergoeding voor een verhoogd waterpeil in de

91

veenweiden. In de Kamerbrief “Startpakket Nederland van het Slot” van 25-04-2025 is ook een extensiveringsregeling aangekondigd. Het uiteindelijke effect van deze beleidskeuze op het inkomen van bedrijven (ten opzichte van de referentiesituatie) hangt dus zowel af van de uitgangssituatie en keuzes van individuele ondernemers en hun ondernemerschap als de middelen en instrumenten die Rijk en provincie beschikbaar stellen waarmee eventuele negatieve inkomenseffecten kunnen worden beperkt. Dit laatste is nog een onzekere factor. ZH-PLG: Boerenlandvogels Alternatief 1: Aantalsdoelstelling boerenlandvogels opnemen in omgevingsvisie, uitvoering via bestaand instrumentarium

0 Neutraal effect (geen of nagenoeg geen effecten) Het opnemen van aantalsdoelstellingen in de Omgevingsvisie heeft geen effect op het inkomen van bedrijven. Dit geldt ook voor aanpassingen van het Belangrijk weidevogelgebied in de omgevingsverordening. Voor Belangrijk weidevogelgebied geldt weliswaar dat het totale oppervlak dat beschermd wordt groter wordt dan het huidige beschermde gebied, maar het gebied met de strengere bescherming neemt af. Hierdoor zullen er in de praktijk waarschijnlijk meer mogelijkheden zijn voor andere ruimtelijke ontwikkelingen. Sowieso zijn ontwikkelingen binnen de agrarische bedrijfsvoering zondermeer toegestaan. Besteding van extra middelen vanuit ZH-PLG (SPUK gelden) en de 500 miljoen (die het Rijk jaarlijks structureel vrijmaakt) heeft wel positieve effecten op het inkomen ten opzichte van de referentiesituatie. Het Rijk is voornemens de tarieven de verhogen binnen de kader van geoorloofde staatssteun. De honderden boeren die in Zuid-Holland nu al veel aan agrarisch natuurbeheer doen, zullen hun inkomsten vanuit ANLb-beheerpakketten zien toenemen. De mate waarin dit het geval is, hangt af van de hoogte van de nieuwe tarieven.

Hoewel dit een positief effect heeft is de inzet van de extra gelden (indien beschikbaar) onderdeel van de autonome ontwikkeling. Alternatief 2: Provincie stuurt op - Kans op een negatief effect kerngebieden met aparte Indien een melkveehouderij in kerngebied te maken krijg ruimtelijke status. In deze met eisen t.a.v. een hogere grondwaterstand, minder gebieden is weidevogelbeheer bemesting, een lagere vee-dichtheid, het tegengaan van een volwaardige neventak predatie en meer kruidenrijk grasland zal dit, zonder binnen agrarische onderneming. aanpassing van het bedrijfsmodel, leiden tot hoge kosten, Extra eisen beheer/inrichting: minder opbrengsten en een lager inkomen. waterpeil 30 cm –mv, extensiveren door lagere De Minister van LVVN heeft in Kamerbrief “Contourenbrief veedichtheid en minder Agrarisch Natuurbeheer” van 29-11-2025 aangegeven te bemesting. werken aan hogere vergoedingen voor agrarisch natuurbeheer (ANLb) en een nieuwe GLB-regeling met gebiedsspecifieke vergoeding voor een verhoogd waterpeil in de veenweiden. In de Kamerbrief “Startpakket Nederland

92

van het Slot” van 25-04-2025 is ook een extensiveringsregeling aangekondigd. De middelen hiervoor komen o.a. voort uit de 500 miljoen extra structureel voor agrarisch natuurbeheer en het Startpakket stikstof (627 miljoen euro voor extensivering). De hoogte van deze vergoedingen is op dit moment nog niet bekend. Zonder een marktconforme vergoeding zullen bedrijven negatief effecten ondervinden op de ontwikkeling van hun inkomen ten opzichte van de referentiesituatie. De vergoedingen voor agrarisch natuurbeheer zijn niet voor alle bedrijven voldoende interessant om te kunnen concurreren met optimalisatie van de melkproductie. Voor bedrijven met een hoge productie per ha. die bovendien in staat zijn om hun product ook goed te verwaarden zullen vergoedingen voor agrarisch natuurbeheer mogelijk ook in de toekomst onvoldoende blijven om een negatief effect op het inkomenseffect te compenseren. ZH-PLG: emissieplafond ammoniak Alternatief 1: -- Negatief effect is aannemelijk Streefwaarde/omgevingswaarde Het instellen van een ammoniakplafond zal ondernemers van 45 kg NH3/ha/jr. voor de aanzetten tot het nemen van maatregelen die kunnen Zuid-Hollandse zorgen voor extra kosten en minder opbrengsten.

melkveehouderij Het effect van deze beleidskeuze op het inkomen van bedrijven (ten opzichte van de referentiesituatie) hangt van de uitgangssituatie en keuzes van individuele ondernemers en hun ondernemerschap. Maar ook van de middelen en instrumenten die Rijk en provincie beschikbaar stellen om ondernemers te ondersteunen in het nemen van maatregelen waardoor eventuele negatieve inkomenseffecten kunnen worden beperkt. Dit laatste is nog een onzekere factor. Wel geldt dat het effect ten opzichte van de referentiesituatie van alternatief 1 het minst negatief zal worden beïnvloed (aangezien het ammoniakplafond hier de hoogste waarde heeft). Alternatief 2: -- Negatief effect is aannemelijk Streefwaarde/omgevingswaarde Het effect is hetzelfde als bij alternatief 1. Alternatief 2 zal van 40 kg NH3/ha/jr. voor de wel een groter effect hebben dan alternatief 1 (maar een Zuid-Hollandse kleiner effect dan alternatief 3). melkveehouderij Alternatief 3: -- Negatief effect is aannemelijk Streefwaarde/omgevingswaarde Het effect is hetzelfde als bij alternatief 1 en 2. Bij alternatief van 35 kg NH3/ha/jr. voor de 3 zal het effect het grootst zijn. Zuid-Hollandse melkveehouderij Toelichting en achtergrondinformatie Melkveehouderijen kunnen verschillende maatregelen treffen om ammoniakreductie te

93

bewerkstelligen, zoals: meer beweiding, voeraanpassingen (minder ruw-eiwit in het voer), stalaanpassingen (bijvoorbeeld emissiearme stalsystemen en mestopslag verminderen), mesttoediening (zoals mestverdunning en specifieke uitrijmethoden) en het extensiveren van de bedrijfsstructuur (bijvoorbeeld minder koeien per hectare). De Wageningen Universiteit heeft in 2020 onderzocht wat de kosten zijn voor een gemiddeld boerenbedrijf om aan de ammoniakdoelstelling van 2030 te gaan voldoen (gebaseerd op 28% reductie van NH3 in 20230 ten opzichte van 2018). Daaruit kwam dat dit €1,07 per 100 kg melk gaat kosten. Omdat de marges in de sector klein zijn, moet dit als een substantieel effect worden gezien.30 Net als bij “verhoging grondwaterstand”, “boerenlandvogels” en “overgangsgebieden” is de impact van deze beleidskeuze op het agrarisch verdienvermogen ten opzichte van. de referentiesituatie sterk afhankelijk van de huidige emissie en de specifieke context van het bedrijf (omvang, situatie en financieringslasten) en de middelen en instrumenten die Rijk en provincie beschikbaar stellen waarmee eventuele negatieve inkomenseffecten kunnen worden beperkt. Het Rijk heeft in de Contourenbrief agrarisch natuurbeheer van 29-11-2024 aangegeven te werken aan gebieds-specifieke vergoedingen voor weidevogels, een verhoogd waterpeil en maatregelen in en rond Natura 2000 gebieden.

Naar verwachting valt een vergoeding voor generieke emissie-reducerende maatregelen hier niet onder. ZH-PLG: drukfactoren N2000 Alternatief 1. Maatregelen 0 Neutraal effect (geen of nagenoeg geen effecten) buiten N2000-gebieden Dit alternatief heeft nauwelijks tot geen effect ten opzichte opnemen in de N2000van de referentiesituatie. In dit alternatief worden wel beheerplannen. (aanvullende) preventieve maatregelen opgenomen in de beheerplannen voor maatregelen buiten de N2000gebieden, maar er is geen mandaat om de uitvoering van deze maatregelen ook daadwerkelijk af te dwingen. Alternatief 2. Maatregelen - Kans op een negatief effect buiten N2000-gebieden borgen Voor de agrarische bedrijven die zich in de zone bevinden zal door het aanstellen van een dit alternatief mogelijk een negatieve impact hebben op het zone rondom N2000-gebieden verdienvermogen ten opzichte van de referentiesituatie. Een van 1 kilometer. van de maatregelen ziet op hydrologie (het verhogen van het grondwaterpeil). Dit kan een negatieve impact hebben, zoals uitgebreid beschreven bij de effectbeoordeling van het verhogen van de grondwaterstand in het veenweidegebied.

Hierbij moet ook worden opgemerkt dat het instellen van een grondwaterpeil niet precies langs de lijnen van de 1 kilometer zone kan worden gerealiseerd: het gaat namelijk om een grondwatersysteem dat de fysische eigenschappen van de bodem en het landschap volgt. In dit alternatief wordt een nadeelcompensatie voor agrariërs voorzien, waardoor er wel een kans is op een negatief effect, maar het niet met zekerheid te stellen is dat dit effect ook optreedt. Alternatief 3. Maatregelen - Kans op een negatief effect buiten N2000-gebieden borgen Bij alternatief 3 is, net als bij alternatief 2 kans op een door het aanstellen van een negatief effect. De omvang van de zones kan zowel groter

Wageningen Economic Research, Perspectief voor het verlagen van NH3-emissie uit de Nederlandse melkveehouderij: https://research.wur.nl/en/publications/perspectief-voor-het-verlagen-van-nh3emissie-uit-de-nederlandse-.

30

94

gebiedsspecifieke zone, waarbij de grootte van de zone afhankelijk is van de relevante drukfactoren.

als kleiner uitvallen dan bij alternatief 2. In dit alternatief wordt, net als bij alternatief 2, ook voorzien in een nadeelcompensatie voor agrariërs.

2. Bedrijventerreinvoorraadontwikkeling Beoordelingscriterium: bedrijventerreinvoorraadontwikkeling Referentiesituatie Huidige situatie Autonome ontwikkeling In 2021 was 81% van de geraamde vraag De autonome ontwikkeling is lastig beschikbaar in hard planaanbod. Daarbij geldt inschatten. Deze hangt namelijk af van bovendien dat bij deze berekening is uitgegaan verschillende beleidskeuzes (onder andere van de bovenkant van de bandbreedte in de ten aanzien van bedrijventerreinen en onderzochte scenario’s, en het zachte bijvoorbeeld woningvoorraadontwikkeling). planaanbod niet is meegenomen. Beleidsalternatieven: Beoordeling en toelichting: ZHPLG: grondwaterstand verhogen Alternatief 1: Slootwaterpeil naar 0 Neutraal effect (geen of nagenoeg geen effecten) 50cm-mv (maar slootpeilen die In dit scenario zal op een gering aantal plekken waar ondieper zijn niet omlaag brengen) het slootwaterpeil lager is dan 50 cm een verhoging van het grondwaterpeil plaatsvinden. Dit zal op die plekken een (klein) effect hebben op de ontwikkeling van bedrijventerreinen. Een hoger grondwaterpeil kan namelijk ervoor zorgen dat extra maatregelen moeten worden getroffen (bijvoorbeeld voor fundering en stabiliteit) en aanvullende voorzieningen zoals drainage nodig zijn, met extra kosten tot gevolg.

Omdat dit alternatief echter (in vergelijking met de andere alternatieven) aanzienlijk minder effect zal hebben, beoordelen we dit alternatief als ‘neutraal’. Alternatief 2. Slootwaterpeil op circa - Kans op een negatief effect huidige peil (mediaan van <40 cm-mv) Hoe hoger het slootwaterpeil, hoe meer aanvullende maatregelen en voorzieningen moeten worden getroffen. In dit alternatief wordt het slootwaterpeil slechts deels verhoogd (in de gebieden die nu een slootwaterpeil onder de 40 cm hebben). Hierdoor is een (klein) negatief effect te verwachten. Alternatief 3. Huidig slootwaterpeil + 0 Neutraal effect (geen of nagenoeg geen effecten) vernatting door Passief Water Infiltratie In dit alternatief blijft het slootwaterpeil gelijk. Dat Systeem (PWIS) heeft dus geen effect op bouwkosten (en ontwikkeling van bedrijventerreinen als gevolg daarvan). Wel zal in dit alternatief vernatting plaatsvinden door PWIS. Bij PWIS liggen drains onder het land die verbonden zijn met de sloot; ze laten water instromen bij hoog slootpeil en water weglekken bij laag slootpeil, zonder actieve aansturing. PWIS heeft echter nauwelijks tot geen direct effect op de bouwkosten die gemaakt

95

moeten worden. Daarom scoort dit alternatief neutraal. Alternatief 4. Slootwaterpeil hoger dan - Kans op een negatief effect huidig, naar 30cm-mv + vernatting door Hoe hoger het slootwaterpeil, hoe meer aanvullende Actief Water Infiltratie Systeem (AWIS) maatregelen en voorzieningen moeten worden getroffen bij de ontwikkeling van bedrijventerreinen (met name op de 3ha locaties). In dit alternatief wordt het slootwaterpeil verhoogd tot 30 cm onder het maaiveld. Omdat veel van de 3ha locaties al in harde plancapaciteit zijn vastgelegd, verwachten we dat deze locaties alsnog (in grote mate) ontwikkeld zullen worden. Zodoende is mogelijk kans op een negatief effect. Alternatief 5: Slootwaterpeil hoger, - Kans op een negatief effect naar 20cm-mv zonder In alternatief 5 treedt hetzelfde effect op als in vernattingsmaatregelen alternatief 4, maar dan in grotere mate. Omdat ook hier geldt dat veel van de 3ha locaties al in harde plancapaciteit zijn vastgelegd, is mogelijk een kans op een negatief effect. ZH-PLG: Boerenlandvogels Alternatief 1: Aantalsdoelstelling 0 Neutraal effect (geen of nagenoeg geen effecten) boerenlandvogels opnemen in De extra gelden (indien beschikbaar) worden ongeacht omgevingsvisie, uitvoering via deze herziening ingezet en maken daarmee onderdeel bestaand instrumentarium uit van de autonome ontwikkeling.

Alternatief 2: Provincie stuurt op kerngebieden met aparte ruimtelijke status. In deze gebieden is weidevogelbeheer een volwaardige neventak binnen agrarische onderneming. Extra eisen beheer/inrichting: waterpeil 30 cm – mv, extensiveren door lagere veedichtheid en minder bemesting.

Eén bedrijventerreinontwikkellocatie overlapt met kansrijk weidevogelgebied (zie onderstaande kaart). Voor deze ontwikkellocatie kan mogelijk een negatief effect gelden. Omdat het slechts om één locatie gaat schatten we het totale effect (nagenoeg) neutraal in. 0 Neutraal effect (geen of nagenoeg geen effecten) Eén locatie voor bedrijventerreinen valt in een kansrijk weidevogelgebied. Hier treedt mogelijk een negatief effect op. Omdat het slechts om één locatie gaat schatten we het totale effect (nagenoeg) neutraal in.

96

Toelichting en achtergrondinformatie:

ZH-PLG: emissieplafond ammoniak Alternatief 1: Streefwaarde/omgevingswaarde van 45 kg NH3/ha/jr voor de ZuidHollandse melkveehouderij Alternatief 2: Streefwaarde/omgevingswaarde van 40 kg NH3/ha/jr voor de ZuidHollandse melkveehouderij Alternatief 3: Streefwaarde/omgevingswaarde van 35 kg NH3/ha/jr voor de ZuidHollandse melkveehouderij ZH-PLG: drukfactoren N2000 Alternatief 1. Maatregelen buiten N2000-gebieden opnemen in de N2000-beheerplannen.

Alternatief 2. Maatregelen buiten N2000-gebieden borgen door het aanstellen van een zone rondom N2000-gebieden van 1 kilometer.

0 Neutraal effect (geen of nagenoeg geen effecten) Het opnemen van een ammoniakplafond voor melkveehouderij heeft geen direct effect op de bedrijventerreinvoorraadontwikkeling. 0 Neutraal effect (geen of nagenoeg geen effecten) Idem. 0 Neutraal effect (geen of nagenoeg geen effecten) Idem.

0 Neutraal effect (geen of nagenoeg geen effecten) Dit alternatief heeft nauwelijks tot geen effect ten opzichte van de referentiesituatie. In dit alternatief worden wel (aanvullende) preventieve maatregelen opgenomen in de beheerplannen voor maatregelen buiten de N2000-gebieden, maar er is geen mandaat om de uitvoering van deze maatregelen ook daadwerkelijk af te dwingen. 0 Neutraal effect (geen of nagenoeg geen effecten) Dit alternatief zal nauwelijks effect hebben op de bedrijventerreinvoorraadontwikkeling. In onderstaande kaart is te zien dat slechts één

97

Alternatief 3. Maatregelen buiten N2000-gebieden borgen door het aanstellen van een gebiedsspecifieke zone, waarbij de grootte van de zone afhankelijk is van de relevante drukfactoren.

ontwikkellocatie voor bedrijventerreinen in de bufferzone valt. Hier zijn mogelijk negatieve effecten te verwachten (zie hieronder). Op het totaal van het aantal bedrijventerrein ontwikkellocaties is het te verwachten effect echter minimaal. - Kans op een negatief effect Dit alternatief kan mogelijk negatief effect hebben op de bedrijventerreinvoorraadontwikkeling. In deze bufferzone zal het grondwaterpeil mogelijk worden verhoogd, met potentieel een negatief effect op de ontwikkeling van bedrijventerreinen (zie beoordeling alternatieven grondwaterpeil verhogen). Ook zal gelden dat in de bufferzone plek gevonden moet worden voor recreatie (om die drukfactor in de N2000 gebieden weg te nemen). Hierdoor zal er in de bufferzone meer concurrentie van de ruimte plaatsvinden. In de viewer (link) is te zien dat een aantal ontwikkellocaties in de buurt van N2000 gebieden liggen. Als de gebiedsspecifieke zone groter is dan de buffer van 1 km, kan het zo zijn dat negatieve effecten optreden.

Toelichting en achtergrondinformatie

3.

Uitstoot broeikasgassen

98

Beoordelingscriterium: Uitstoot broeikasgassen Referentiesituatie Huidige situatie

Autonome ontwikkeling

De totale broeikasgassen uitstoot uitgedrukt in CO2 equivalenten in PZH was in 2023 35,7 Mton. Dit betekent dat minder dan 60% van de reductiedoelstelling is behaald.

De verwachting is dat de CO2-uitstoot zal dalen. Echter is het onzeker of in 2030 de reductiedoelstelling van 55% wordt behaald.

Beleidsalternatieven: Beoordeling en toelichting: ZHPLG: grondwaterstand verhogen Alternatief 1: Slootwaterpeil 0 Neutraal effect (geen of nagenoeg geen effecten) naar 50cm-mv (maar Dit scenario is niet onderzocht in de impactstudies. Wel is slootpeilen die ondieper zijn niet op hoofdlijnen te beredeneren wat het effect zal gaan zijn. In omlaag brengen) dit scenario zal namelijk een gering aantal plekken waar het slootwaterpeil lager is dan 50 cm een verhoging van het grondwaterpeil plaatsvinden. Dit zal op die plekken een (kleine) reductie van veenoxidatie realiseren. Omdat dit alternatief echter (in vergelijking met de andere alternatieven) aanzienlijk minder effect zal hebben, beoordelen we dit alternatief als ‘neutraal’. Alternatief 2. Slootwaterpeil op + Kans op positief effect circa huidige peil (mediaan van Totale jaarlijkse reductie CO2-uitstoot: 47% van de jaarlijks <40 cm-mv) te reduceren 210.000 kiloton CO2. Ondanks dat een positief effect op zal treden, wordt hiermee de doelstelling voor reductie van broeikasgasemissie uit veen, zoals vastgelegd in het Nationaal Klimaatakkoord, niet gehaald. Alternatief 3. Huidig + Kans op positief effect slootwaterpeil + vernatting door Totale jaarlijkse reductie CO2-uitstoot: 65% van de jaarlijks Passief Water Infiltratie te reduceren 210.000 kiloton CO2.

Ondanks dat een positief Systeem (PWIS) effect op zal treden, wordt hiermee de doelstelling voor reductie van broeikasgasemissie uit veen, zoals vastgelegd in het Nationaal Klimaatakkoord, niet gehaald. Alternatief 4. Slootwaterpeil ++ Positief effect aannemelijk hoger dan huidig, naar 30cm-mv Totale jaarlijkse reductie CO2-uitstoot: 103% van de jaarlijks + vernatting door Actief Water te reduceren 210.000 kiloton CO2. De doelstelling voor Infiltratie Systeem (AWIS) jaarlijkse reductie van broeikasgasemissie uit veen, zoals vastgelegd in het Nationaal Klimaatakkoord, wordt met dit alternatief gehaald. Alternatief 5: Slootwaterpeil ++ Positief effect aannemelijk hoger, naar 20cm-mv zonder Totale jaarlijkse reductie CO2-uitstoot: 121% van de jaarlijks vernattingsmaatregelen te reduceren 210.000 kiloton CO2. De doelstelling voor jaarlijkse reductie van broeikasgasemissie uit veen, zoals vastgelegd in het Nationaal Klimaatakkoord, wordt met dit alternatief gehaald. Toelichting en achtergrondinformatie: Bovenstaande percentages zijn afkomstig uit de ‘Impactstudie verhogen grondwaterstand veenweiden.’ Deze studie heeft een analyse gemaakt van de effecten van verschillende scenario’s (alternatieven) voor de veenweidegebieden in de provincies Noord-Holland, ZuidHolland en Utrecht. Daaruit is niet makkelijk de absolute hoeveel CO2-uitstoot reductie voor

99

enkel Zuid-Holland te herleiden. Daarom hebben we ervoor gekozen om bij de effectbeoordeling enkel de percentages reductie over te nemen. Hierbij moet bovendien worden opgemerkt dat de CO2-emissiereductie voor de verschillende alternatieven niet overal gelijk is (het percentage is het gemiddelde percentage van de verschillende deelgebieden). In sommige deelgebieden is de reductie (per hectare) meer of juist minder dan in andere gebieden.31 ZH-PLG: Boerenlandvogels Alternatief 1: 0 Neutraal effect (geen of nagenoeg geen effecten) Aantalsdoelstelling Vanuit de in dit alternatief voorgestelde aanpassing van de boerenlandvogels opnemen in Omgevingsvisie en Omgevingsverordening zijn er geen omgevingsvisie, uitvoering via directe effecten op de uitstoot van broeikasgassen. De extra bestaand instrumentarium middelen voor de herstelopgave kunnen een positief effect hebben op de uitstoot van broeikasgassen. Bijvoorbeeld wanneer dit leidt tot extensivering van het grondgebruik (minder uitstoot per hectare). Echter, deze extra gelden (indien beschikbaar) worden ongeacht deze herziening ingezet en maken daarmee onderdeel uit van de autonome ontwikkeling. Alternatief 2: Provincie stuurt op + Kans op positief effect kerngebieden met aparte In dit alternatief is agrarisch medegebruik mogelijk.

Via de ruimtelijke status Omgevingsverordening worden extra eisen aan beheer en inrichting gericht op weidevogels doorgevoerd. Het gaat om het verhogen van het waterpeil tot circa 30cm onder maaiveld, het extensiveren van het grondgebruik door het verminderen van de veedichtheid en de bemesting. Dit alternatief heeft een positief effect op de uitstoot van broeikasgassen: - Verhogen van het waterpeil: minder veenoxidatie betekent minder uitstoot van broeikasgassen (in veenweidegebied). Zie ook de beoordeling van alternatief 4 van grondwaterstand verhogen (++) - Extensiveren van het grondgebruik: minder uitstoot per hectare. - Verminderen van bemesting: minder kunstmest en drijfmest betekent minder uitstoot van N₂O. Uitgangspunt van dit alternatief is dat het waterpeil vooral in het voorjaar hoger zou moeten zijn en in de zomer iets omlaag kan. Dat vermindert risico op wateroverlast (veel waterschappen staan deze tijdelijke peilverhoging ook toe) maar voor tegengaan veenoxidatie betekent dat een kleiner positief effect (-) ZH-PLG: emissieplafond ammoniak

31

Aequator Groen+Ruimte, Arcadis, RH-DHV en Sweco, Impactstudie verhogen grondwaterstand veenweiden: https://pzh.notubiz.nl/document/14659911/1?connection_type=16&connection_id=980427. RH-DHV, Deelrapport Broeikasgasemissiereductie.

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=a0908469-2e32-45b0-a370-3f7f903aaa4c