2.2d) OER herziening omgevingsbeleid 2025 [25-0186133 ]
Tekst van het document
22
Verspreide bouwlocaties leiden tot meer bodembedekking over een groter oppervlak, zonder de efficiëntie van bundeling. Sponswerking wordt structureel ondermijnd, tenzij mitigerende eisen worden toegevoegd (zoals infiltratievoorzieningen). Oordeel: bijdrage aan doelbereik is waarschijnlijk negatief. Van de vier beleidsalternatieven voor het beschermen van onbebouwd gebied is het aannemelijk dat alternatief 4 een negatief effect zal hebben op landschappelijke kwaliteit, luchtkwaliteit en geur. Alternatief 1 scoort negatief op geluid. De alternatieven zijn met name onderscheiden op het vlak van bedrijventerreinvoorraadontwikkeling en woningbouw (alternatief 1 en 2 hebben mogelijk een negatieve impact, alternatief 3 en 4 hebben mogelijk een positieve impact). Beoordelingscriteria
Agrarisch verdienvermogen Bedrijventerrein voorraadontwikkeling Uitstoot broeikasgassen Klimaatadaptatie – hittestress Klimaatadaptatie – wateroverlast Klimaatadaptatie overstromingsdiepte Oppervlaktewater kwaliteit Waterbeschikbaarheid Grondwater Bodemkwaliteit 4D ordening: drukte in de ondergrond 4D ordening: bodemdaling Landschappelijke kwaliteit Cultuurhistorie en erfgoed Archeologie Geluid Luchtkwaliteit Licht Geur N2000 NNN Soortendiversiteit
Referentiesituatie Huidige situatie
Autonome ontwikkeling
Geen knelpunten Wisselende knelpunten Veel knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Veel knelpunten Veel knelpunten Wisselend knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Veel knelpunten Veel knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Veel knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Onbekend
Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Positieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Onbekend
Veel knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten
Negatieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling
Beoordeling Alternatief 1:
Beoordeling Alternatief 2:
Beoordeling Alternatief 3:
Beoordeling Alternatief 4:
-
0
-
-
-
-
+
+
0
0
0
0
-
-
0
0
-
-
0
0
-
-
0
0
?
?
?
?
?
?
?
?
?
?
?
?
0
0
0
0
-
-
0
0
-
-
-
-
-
+
+
--
0
0
-
0
+
+
-
-
--
-
0
0
-
+
-
--
+
+
-
-
-
-
-
--
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Rode contour
Uitbreiden beschermingsca tegorie Ruimtelijke Kwaliteit
Groene contour en ontwikkelcontou r
Gebiedsspecifieke kwantitatieve grens
23
Energiegebruik Duurzame energieopwekking Netcapaciteit Externe veiligheid Woningbouw Nabijheid voorzieningen Beweegvriendelijke leefomgeving Leefbaarheid
Geen knelpunten Veel knelpunten Wisselende knelpunten Onbekend Veel knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten
Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling
+
+
-
-
-
0
+
+
-
0
+
+
-
-
0
0
-
-
+
+
0
0
+
+
++
+
-
-
?
?
?
?
TRO: Sturen op kwaliteit en selectieve groei in bebouwd gebied Er zijn vier beleidsalternatieven onderzocht om sturen op kwaliteit en selectieve groei in bebouwd gebied. Het beleidsvoornemen is gericht op zeven subdoelstellingen. In onderstaande tabel is per alternatief de bijdrage aan de subdoelstellingen beschreven. In algemene zin kan gesteld worden dat het aannemelijk is dat alternatief 2 tot en met 4 een positieve bijdrage zullen leveren aan de subdoelen. Alternatief 1 heeft een beperkte bijdrage aan het doelbereik. Toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling: Kwaliteit en selectieve groei Het beleidsvoornemen is gericht op de volgende doelstellingen: I. Niet meer bouwen op basis van enkel kwantitatieve, sectorale behoefteramingen, maar (locatie)keuzes voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen integraal afwegen; II. Ruimtelijke keuzes meer gaan prioriteren vanuit gezondheid, kwaliteit en veiligheid, en andere aspecten van brede welvaart; III. Bouwen op risicovolle locaties voorkomen (bijvoorbeeld door wateroverlast/ milieuaspecten); IV. Het bereiken van een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied, met voldoende ruimte voor groenblauwe netwerken; V. De vitaliteit en leefbaarheid in de dorpen en de klimaatbestendigheid van het landelijk gebied vergroten; VI. Binnen steden en dorpen bevorderen van zuinig en meervoudig ruimtegebruik; VII.
Inzetten op de beschikbaarheid en bereikbaarheid van voldoende voorzieningen in steden en dorpen, waaronder ruimte voor eerstelijns zorg. Beoordeling doelbereik en toelichting: De beoordeling is vergelijkend en kwalitatief. Waar mogelijk zijn relatieve verschillen benoemd. De mate van doelbereik zal in alle gevallen afhankelijk zijn van de mate waarin het Omgevingsbeleid doorwerking kent. De beoordeling van het doelbereik is op de inhoud van de alternatieven uitgevoerd waarbij steeds is uitgegaan van de daadwerkelijke realisatie van de alternatieven zoals beschreven. Alternatief 1. Alternatief 1 scoort beperkt in doelbereik. Dit alternatief richt zich op Bouwen aan economische kracht en clustering, met enige ruimte voor meekoppelkansen, economische maar brede welvaart en risicobeperking zijn onderbelicht. kracht 1. Integrale afweging van locatiekeuzes. Oordeel: beperkte bijdrage. Toelichting: Alternatief is gericht op economische clustering en agglomeratie, minder op brede integrale afweging.
24
Alternatief 2. Behoefte gestuurd groen en gezond verdichten
Alternatief 3. Evenwichtig
2. Gezondheid, kwaliteit, veiligheid als prioriteit. Oordeel: Matige bijdrage Toelichting: Deze worden deels meegenomen via meekoppelkansen, maar niet als uitgangspunt. 3. Vermijden risicolocaties. Oordeel: Beperkte bijdrage. Toelichting: Geen expliciete uitsluiting of sturing op risicolocaties. 4. Compact en kwalitatief bebouwd gebied. Oordeel: Redelijke bijdrage. Toelichting: Compactheid wordt nagestreefd rond OV-knooppunten, kwaliteit minder expliciet. 5. Vitaliteit dorpen en landelijk gebied. Oordeel: Beperkte bijdrage. Toelichting: Focus ligt op stedelijke economische zones, dorpen vallen buiten scope. 6. Zuinig en meervoudig ruimtegebruik BSD. Oordeel: Redelijke bijdrage. Toelichting: Meervoudig gebruik wordt gestimuleerd, maar zonder normering. 7. Voorzieningen bereikbaarheid. Oordeel: Matige bijdrage. Toelichting: Voorzieningen volgen economische groei, geen actieve sturing op evenwichtige spreiding. Alternatief 2 scoort goed in doelbereik ten aanzien van brede welvaarts- en gezondheidsdoelen, met gebiedsspecifieke afwegingen en prioritering. Minder sterk op ruimtelijke compactheid en normering. 1. Integrale afweging van locatiekeuzes. Oordeel: Aannemelijke bijdrage. Toelichting: Afweging gebeurt gebiedsspecifiek op basis van brede welvaartsscores. 2. Gezondheid, kwaliteit, veiligheid als prioriteit. Oordeel: Aannemelijke bijdrage.
Toelichting: Deze criteria staan centraal bij programmering. 3. Vermijden risicolocaties. Oordeel: Beperkte bijdrage. Toelichting: Impliciet via gezondheidsdoelen, maar niet strikt begrensd. 4. Compact en kwalitatief bebouwd gebied. Oordeel: Redelijke bijdrage. Toelichting: Binnen BSD, maar zonder harde normering op compactheid. 5. Vitaliteit dorpen en landelijk gebied. Oordeel: Aannemelijke bijdrage. Toelichting: Aandacht voor maatwerk in dorpen en buurten. 6. Zuinig en meervoudig ruimtegebruik BSD. Oordeel: Redelijke bijdrage. Toelichting: Wordt aangemoedigd, maar is niet genormeerd. 7. Voorzieningen bereikbaarheid. Oordeel: Aannemelijke bijdrage Toelichting: Behoefte aan voorzieningen vormt basis voor ruimtelijke keuzes. Alternatief 3 scoort sterk op ruimtelijke efficiëntie, kwaliteit en gezondheid. Minder aandacht voor vitaliteit van het landelijk gebied.
25
groen en gezond verdichten
Alternatief 4. Systematisch groen en gezond verdichten
1. Integrale afweging van locatiekeuzes. Oordeel: Aannemelijke bijdrage. Toelichting: Richtlijnen voor verdichting en functiemenging stimuleren brede afweging. 2. Gezondheid, kwaliteit, veiligheid als prioriteit. Oordeel: Aannemelijke bijdrage. Toelichting: Expliciet onderdeel van referentiekader. 3. Vermijden risicolocaties. Oordeel: Redelijke bijdrage. Toelichting: Impliciet via compact bouwen in BSD, maar geen harde uitsluiting. 4. Compact en kwalitatief bebouwd gebied. Oordeel: Aannemelijke bijdrage. Toelichting: Hoge dichtheden en functiemenging zijn leidend. 5. Vitaliteit dorpen en landelijk gebied. Oordeel: Matige bijdrage. Toelichting: Dorpen krijgen minder specifieke aandacht dan in alternatief 2. 6. Zuinig en meervoudig ruimtegebruik BSD. Oordeel: Aannemelijke bijdrage. Toelichting: Betreft de centrale doelstelling van dit alternatief. 7. Voorzieningen bereikbaarheid. Oordeel: Aannemelijke bijdrage. Toelichting: Verankerd in de referentiewaarden. Alternatief 4 scoort sterk op het consistent en systematisch bereiken van ruimtelijke en maatschappelijke doelen binnen BSD. Wel is er minder inzet op leefbaarheid van dorpen buiten BSD. 1. Integrale afweging van locatiekeuzes. Oordeel: Aannemelijke bijdrage. Toelichting: Gericht op maximale benutting van BSD, met normstelling. 2. Gezondheid, kwaliteit, veiligheid als prioriteit. Oordeel: Aannemelijke bijdrage.
Toelichting: Genoemd als expliciete norm, via bijvoorbeeld groennormen en voorzieningen. 3. Vermijden risicolocaties. Oordeel: Aannemelijke bijdrage. Toelichting: Uitsluiting van uitleglocaties, focus op bestaande wijken voorkomt bouw op kwetsbare gronden. 4. Compact en kwalitatief bebouwd gebied. Oordeel: Aannemelijke bijdrage. Toelichting: Normen voor dichtheid en functiemenging gelden als verplicht. 5. Vitaliteit dorpen en landelijk gebied. Oordeel: Matige bijdrage. Toelichting: Dorpen vallen grotendeels buiten ontwikkelrichting. 6. Zuinig en meervoudig ruimtegebruik BSD. Oordeel: Aannemelijke bijdrage. Toelichting: Verplicht meervoudig gebruik binnen BSD. 7. Voorzieningen bereikbaarheid. Oordeel: Aannemelijke bijdrage. Toelichting: Normstelling op voorzieningen en bereikbaarheid.
26
Van de vier beleidsalternatieven voor het sturen op kwaliteit en selectieve groei in bebouwd gebied is het aannemelijk dat alternatief 1 de meeste negatieve effecten zal hebben op criteria zoals klimaatadaptatie, bodemdaling, archeologie, luchtkwaliteit, natuur, et cetera. Alternatief 2, 3 en 4 laten vergelijkbare effecten voor de leefomgeving zien, waarbij alternatief 4 de meeste positieve effecten zal hebben voor klimaatadaptatie, woningbouw, beweegvriendelijkheid en leefbaarheid. Beoordelingscriteria
Referentiesituatie Huidige situatie
Autonome ontwikkeling
Geen knelpunten Wisselende knelpunten Veel knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Veel knelpunten Veel knelpunten Wisselend knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Veel knelpunten Veel knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Veel knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Onbekend
Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Positieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Onbekend
Externe veiligheid
Veel knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Geen knelpunten Veel knelpunten Wisselende knelpunten Onbekend
Woningvoorraadontwikkel ing
Veel knelpunten
Negatieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling
Agrarisch verdienvermogen Bedrijventerrein voorraadontwikkeling Uitstoot broeikasgassen Klimaatadaptatie – hittestress Klimaatadaptatie – wateroverlast Klimaatadaptatie overstromingsdiepte Oppervlaktewater kwaliteit Waterbeschikbaarheid Grondwater Bodemkwaliteit 4D ordening: drukte in de ondergrond 4D ordening: bodemdaling Landschappelijke kwaliteit Cultuurhistorie en erfgoed Archeologie Geluid Luchtkwaliteit Licht Geur N2000 NNN Soortendiversiteit Energiegebruik Duurzame energieopwekking Netcapaciteit
Beoordeling Alternatief 1:
Beoordeling alternatief 2:
Beoordeling alternatief 3:
Beoordeling alternatief 4:
0
0
0
0
++
?
?
?
-
0
+
+
--
0
0
+
--
0
0
+
--
0
0
+
0
+
+
0
0
-
0
0
0
+
0
0
0
0
0
0
-
0
0
0
--
-
-
-
+
0
0
+
0
0
0
0
--
-
-
-
--
+
-
-
-
+
+
+
-
+
-
-
-
+
-
-
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
-
0
0
0
+
0
+
+
--
0
0
0
-
+
-
-
+
+
+
++
Bouwen aan economische kracht
Behoefte gestuurd groen en gezond verdichten
Evenwichtig groen en gezond verdichten
Systematisch groen en gezond verdichten
27
Nabijheid voorzieningen Beweegvriendelijke leefomgeving Leefbaarheid
Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten
Negatieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling
-
+
+
+
-
++
+
++
-
++
+
++
Boerenerfmolens Er zijn vijf alternatieven onderzocht om via hogere boerenerfmolens de opwek van elektriciteit voor eigen gebruik door agrarische ondernemers te bevorderen. Dit zou leiden tot een wijziging van de toegestane hoogte in de omgevingsverordening (huidig: 15 meter). Alle alternatieven dragen bij aan zelfvoorziening van agrarische ondernemers op het gebied van elektriciteit. Alternatief 1 levert de grootste bijdrage (in termen van aantal potentiële boerenerfmolens). De alternatieven verschillen met name in waar, hoeveel en welke hoogte van turbines geplaatst kunnen worden. Het is daarmee aannemelijk dat de alternatieven die meer mogelijkheden bieden aan bedrijven een groter doelbereik kennen. Echter, de precieze effecten op de mate van zelfvoorziening zijn afhankelijk van de energiebehoefte van agrarische ondernemingen. Die lopen sterk uiteen (afhankelijk van bijvoorbeeld het type bedrijf, de omvang en specifieke bedrijfsactiviteiten met veel energiegebruik). Boerenerfmolens Beoordeling doelbereik en toelichting: De doelstelling is om zelfvoorziening te bevorderen van agrarische ondernemers op het gebied van elektriciteit door hogere boerenerfmolens toe te staan in de verordening, daar waar mogelijk.
Alternatief 1: Belang Dit alternatief levert de grootste bijdrage aan het doelbereik in energietransitie en agrariërs termen van aantal potentiële boerenerfmolens en hoogte van de voorop boerenerfmolens. Alternatief 2: Afweging tussen wind, energie en landschap Alternatief 3: ‘Landschap voorop’ (verschil met alternatief 2: ashoogte 25 ipv 30 meter in grootschalige landschappen) Alternatief 4: ‘Ook in NNN en weidevogelgebied’ (verschil met alternatief 2: boerenerfmolens mogelijk in NNN en belangrijk weidevogelgebied) Alternatief 5: ‘Ook waterschappen’ (verschil met alternatief 2: boerenerfmolens mogelijk bij riool zuiveringsinstallaties en gemalen)
Dit alternatief biedt ruimte aan ongeveer 40% van het totale potentieel voor boerenerfmolens ten opzichte van alternatief 1. Ten opzichte van alternatief 2 biedt dit alternatief geen ruimte voor boerenerfmolens met een ashoogte tot 30 meter, maar wel tot 25 meter. Ten opzichte van alternatief 2 biedt dit alternatief ruimte voor meer boerenerfmolens (namelijk, ook bij NNN en belangrijk weidevogelgebied).
Ten opzichte van alternatief 2 biedt dit alternatief ook ruimte aan waterschappen voor boerenerfmolens bij rioolzuiveringsinstallaties en gemalen.
Het is aannemelijk dat alle onderzochte beleidsalternatieven een negatief effect zullen hebben op N2000 en soortendiversiteit. Ook zijn negatieve effecten ten aanzien van landschappelijke kwaliteit en geluid te verwachten. Het is aannemelijk dat alle alternatieven een positieve
28
bijdrage zullen leveren aan het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen, duurzame energieopwekking en netcapaciteit. Beoordelingscriteria
Referentiesituatie
Beoordeling Alternatief 1: Belang
Beoordeling alternatief 2: Afweging
Beoordeling alternatief 3: ‘Landschap
Beoordeling alternatief 4: ‘Ook in
Beoordeling alternatief 5: ‘Ook
Huidige situatie
Autonome ontwikkeling
energietransiti e en agrariërs voorop
Agrarisch verdienvermogen
Geen knelpunten
Neutrale / geen ontwikkeling
++
+
+
+
+
Bedrijventerrein voorraadontwikkeling Uitstoot broeikasgassen Oppervlaktewater kwaliteit Waterbeschikbaarheid
Wisselend knelpunten Veel knelpunten Veel knelpunten Wisselend knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten
Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Positieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling
0
0
0
0
0
++
++
++
++
++
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
--
-
0
-
-
--
0
0
0
0
-
0
0
0
0
-
-
-
-
-
--
--
--
--
--
--
0
0
--
0
--
--
--
--
--
0
0
0
0
0
++
++
++
++
++
++
++
++
++
++
0
0
0
0
0
Woningvoorraadontwik keling Nabijheid voorzieningen
Veel knelpunten Wisselende knelpunten
Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling
0
Externe veiligheid
Veel knelpunten Veel knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Veel knelpunten Wisselende knelpunten Veel knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Geen knelpunten Veel knelpunten Wisselende knelpunten Onbekend
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Grondwater Bodemkwaliteit 4D ordening: drukte in de ondergrond 4D ordening: bodemdaling Landschappelijke kwaliteit Cultuurhistorie en erfgoed Archeologie Geluid N2000 NNN Soortendiversiteit Energiegebruik Duurzame energieopwekking Netcapaciteit
tussen wind, energie en landschap
voorop’
NNN en weidevogelgeb ied’
waterschappe n’
Warmte De provincie Zuid-Holland streeft naar een CO2-neutraal energiesysteem. Warmtenetten kunnen bijdragen aan de realisatie van dit doel. Het onderzochte alternatief is de opname van verkenningsgebieden in de omgevingsvisie. Dit zal bijdragen aan het doel omdat het richting geeft aan de provinciale voorkeur in de warmtetransitie. In termen van doorwerking bevat de visie geen regels voor burgers, bedrijven of andere overheden. De mate waarin uiteindelijk
29
doelbereik zal plaatsvinden is afhankelijk van de verdere uitwerking van de tracés waar warmtenetten daadwerkelijk aangelegd worden. Warmte (pMIEK) Doelstelling: De provincie Zuid-Holland streeft naar een CO2-neutraal energiesysteem. Beoordeling doelbereik en toelichting: Alternatief 1: Dit alternatief betreft het opnemen van verkenningsgebieden in de Verkenningsgebied Omgevingsvisie. Dat is een planologische en beleidsmatige stap. warmtenetten richting Uiteindelijk zal voor het bereiken van het doel realisatie van 2050 warmtenetten nodig zijn. Dit alternatief zal daaraan bijdragen omdat het – op het niveau van de Omgevingsvisie – richting geeft aan de provinciale voorkeur in de warmtetransitie. De Omgevingsvisie is zelfbindend. Dat wil zeggen dat de visie alleen bindend is voor het bestuursorgaan dat de visie vaststelt. In termen van doorwerking bevat de visie dus geen regels voor burgers, bedrijven of andere overheden. De mate waarin uiteindelijk doelbereik zal plaatsvinden is afhankelijk van de verdere uitwerking van de tracés waar warmtenetten daadwerkelijk aangelegd worden. De uitwerking van verkenningsgebieden voor warmtesystemen laat vooral positieve of neutrale effecten zien. Uitzonderingen hierop vormen ‘archeologie’, ‘bodemdaling’ en ‘drukte in de ondergrond’. Het benoemen van de beoogde verkenningsgebieden heeft nog geen directe gevolgen voor de leefomgeving.
Beoordelingscriteria
Referentiesituatie Huidige situatie
Autonome ontwikkeling
Agrarisch verdienvermogen
Geen knelpunten
Neutrale / geen ontwikkeling
Bedrijventerrein voorraadontwikkeling Uitstoot broeikasgassen
Wisselend knelpunten Veel knelpunten
Klimaatadaptatie – hittestress Klimaatadaptatie – wateroverlast Klimaatadaptatie overstromingsdiepte Oppervlaktewater kwaliteit
Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Veel knelpunten
Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling
Waterbeschikbaarheid
Wisselend knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Veel knelpunten
Grondwater Bodemkwaliteit 4D ordening: drukte in de ondergrond 4D ordening: bodemdaling Landschappelijke kwaliteit
Veel knelpunten
Veel knelpunten Wisselende knelpunten
Negatieve ontwikkeling Positieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling
Beoordeling Alternatief 1: Verkenningsgebied warmtenetten richting 2050
+ + + + 0 0 0 0 -0
30
Cultuurhistorie en erfgoed Archeologie
Wisselende knelpunten Veel knelpunten
Geluid
Geur
Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Onbekend
N2000
Veel knelpunten
NNN
Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten Geen knelpunten
Lucht Licht
Soortendiversiteit Energiegebruik Duurzame energieopwekking Netcapaciteit
Veel knelpunten
Externe veiligheid
Wisselende knelpunten Onbekend
Woningbouw
Veel knelpunten
Nabijheid voorzieningen
Wisselende knelpunten Wisselende knelpunten
Leefbaarheid
Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Onbekend Negatieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Negatieve ontwikkeling Neutrale / geen ontwikkeling
0 -0 + 0 0 0 0 0 + + 0 0 + 0 0
Windenergie (implementatie RES) Het beleidsvoornemen is om in de herziening 2025 van het omgevingsbeleid nieuwe gebieden voor windenergie op te nemen. Dit ten behoeve van het haalbaar maken van de RESdoelstellingen voor RES Midden-Holland, RES Holland Rijnland en RES Drechtsteden door voldoende gebieden voor windenergie aan te wijzen in het omgevingsbeleid. In dit OER zijn vier alternatieven opgesteld voor gebieden voor de opwek van elektriciteit door middel van windenergie. Het opgetelde bod (in TWh) van de RES-regio’s vormt hierbij de doelstelling. De scope is vertaald in het aantal nieuw te ontwikkelen windturbines. De alternatieven laten zien hoe binnen de onderzoeksgebieden op verschillende manieren invulling gegeven kan worden aan de doelstelling. Op grond van de beoordeling van de onderzoeksgebieden in de alternatieven Natuur, Leefomgeving en Landschap is een selectie van gebieden te maken die er in de beoordeling binnen de verschillende alternatieven als beste uitkomen. Voor deze onderzoeksgebieden zijn er geen harde belemmeringen en beperkte zachte belemmeringen vanuit natuur, leefomgeving en veiligheid. Dit neemt niet weg dat er wel degelijk effecten zijn voor mensen en dieren rondom deze gebieden. De technisch best beoordeelde locaties bestaan uit: • Opstellingen in de droogmakerijen langs de noordrand van het Groene Hart.
Binnen Kaag en Braassem en Nieuwkoop zijn geclusterde opstellingen mogelijk. Daarnaast is er ook nabij Waddinxveen een clusteropstelling in een droogmakerij mogelijk.
31
• • •
Langs de N11 en parallel aan de spoorlijn en Oude Rijn zijn er enkele langgerekte opstellingen mogelijk. Dit kan een lange zone van windenergie worden parallel aan deze infrastructuur. Twee lijnopstellingen aan de randen van Krimpenerwaard sluiten aan bij de langgerekte ruimtes binnen dit gebied. Ten slotte is er ten zuiden van Dordrecht ruimte voor een opstelling parallel aan de A16 en Dordtse Kil.
Voor de gebieden in Holland Rijnland rond de N11 tot nabij Bentwoud, zou er een nadere keuze gemaakt kunnen worden. Daar zijn 4 gebieden met meer of mindere geschiktheid waarvan er slechts 2 gekozen zouden moeten worden wegens korte afstanden tussen de opstellingen.
32
Hierna vatten we de beoordeling van de technisch best beoordeelde gebieden samen in tabelvorm.
33
Beoordeling effecten natuur Gebied
N2000
NNN
Weidevogelgebieden
Ganzenrustgebieden
Broedvogels en nietbroedvogels
Vogeltrek
Vleermuizen
IA.01.HR IA.02.HR IA.03.HR IA.04.HR IA.05.HR/MH
0 0 0 -
0 0 0 0
0 0 -
0 0 0 0
0 0 0 --
0 0 0 -
0 0 0 0
0
-
--
0
0
0
-
IA.06.MH IA.07.MH IA.08.MH IA.09.D
0
0
0
0
-
-
-
0
-
-
0
-
0
0
0
0
-
0
--
0
0
0
0
0
0
0
-
0
Inpassing energie infrastructuur
Recreatiegebieden
Stiltegebieden
Erfgoed en cultuurhistorie
0
0
0
0
Beoordeling effecten leefomgeving Gebied
IA.01.HR IA.02.HR IA.03.HR IA.04.HR IA.05.HR/MH IA.06.MH IA.07.MH IA.08.MH IA.09.D
Geluid
Richtafstand tot solitaire bebouwing
-
0
Ontwikkellocaties wonen en werken 0
0
0
0
0
0
0
0
-
0
0
++
0
0
0
-
0
0
-
0
0
0
0
0
0
++
0
0
0
0
0
0
++
-
0
0
0
0
0
++
0
-
0
0
0
0
++
0
0
-
-
0
0
++
0
0
0
Bouwhoogtebeperking
Risicoinrichtingen
Beoordeling effecten veiligheid Gebied
IA.01.HR IA.02.HR IA.03.HR IA.04.HR IA.05.HR/MH IA.06.MH IA.07.MH IA.08.MH IA.09.D
Waterveiligheid
Grondwaterbescherming
Buisleidingen
0
0
0
--
0
0
0
0
-
0
0
0
0
--
0
0
0
0
-
-
0
0
0
-
0
0
0
0
-
0
0
0
0
-
0
0
-
-
-
0
0
-
0
-
0
Beoordeling effecten landschap Gebied
Heldere concentratie
Landschappelijke hoofdlijn
Lokaal passend in schaal & karakter
Kwaliteit en inpassing
34
IA.01.HR Rijnsaterwoude
#9 mogelijkheden voor flinke concentratie
+ Grote open ruimte zonder duidelijke hoofdrichting + Grote open ruimte zonder duidelijke hoofdrichting. Wegdoorsnijding valt op. + Grote open ruimte begrenst door wegen
IA.02.HR Woubrugge
#12 mogelijkheden voor flinke concentratie
IA.03.HR Nieuwkoop
#9 mogelijkheden voor flinke concentratie
IA.04.HR N11 energylane
#6 Veel ruimte voor flink opstelling
Aansluiting bij bundel van infrastructuur. Rustig beeld.
IA.05.HR/MH N11 bodengraven
#9 lange lijn. flinke concentratie
+- op ruime afstand volgend aan stroomgordel/ N11. Redelijk rustig beeld. Storende knik in lijn
IA.06.MH polder onder Bentwoud
#9 cluster,
Leeg gebied. Achterkant polders volgend.
IA.07.MH
#6 redelijk lange lijn
Grote ruimte. Past in richting landschap.
IA.08.MH Lekkerkerk
#7 Grote lijn.
Voegt in lange lijnen. Passend
IA.09.D Dordrecht de Kil
#5 redelijke lijn
Voegt zich in infra bundel en in grote ruimte
Scherpe dorpsranden en achterkanten leiden tot zicht Beplantingen en diepe kavels van linten geven enige verzachting. Wel heel dichtbij
Leegte en relatief weinig relatie met andere objecten. Beplantingen langs wegen is kans Dichter op elkaar geeft beter opstelling. Steviger beplanting Ontwerpopgave.
Veel moderne gebouwen flinke schaal. Veel ruimte. Bedrijvigheid. +Weinig contrast. Wel verandering leegte langs de weg die dan bij infra lijkt te horen Enkele doorsnijdingen van polders. Langs Hoogendoornlaan dicht op lint. Bij voshol knik in lijn en mgl conflict met polders. Aan noordzijde / toegangswetering past lijn bij achterkant Boskoop Weinig hinderlijk contrast. Ruime afstanden.
Beplantingen bieden kansen. Tevens bedrijfsmatig landschap aanwezig
Linten aan 3 kanten eromheen. Wel op afstand Weinig contrast. Wel enkele oude boerderijen in lint.
Afstemmen op VKlocatie Utrecht en op aangrenzend N2000 Willeskop Lengte bepalen in verband met nabijheid natuur oostzijde. Invloed vanuit Kinderdijk mogelijk.
Lokaal is aansluiting bij polder en wegen divers
Onderzoek of 5 of zelfs 6 turbines kunnen. Beetje krap.
Afstand tot weg en linten optimaliseren. Mogelijk te verbinden met bestaande opstelling Alphen Als optimalisatie ivm natuur kan de lijn bij Voshol in de knik onderbroken worden. Kan de lijn dichter bij de N11??
Ontwerpopgave nabij natuur NNN.
Beoordeling doelbereik
Voor het realiseren van de RES-doelstelling van de drie regio’s zijn in totaal 52 tot 67 windturbines van 5,6MW nodig. De technisch best beoordeelde onderzoeksgebieden kennen een theoretisch potentieel van 72 windturbines (indien de ruimte in de locaties benut wordt conform de onderzoeksopstellingen in dit OER). Potentiële energieproductie technisch best beoordeelde gebieden Aantal windturbines Holland Rijnland Aantal windturbines MH Aantal windturbines Drechtsteden Aantal windturbines totaal
Potentieel doelbereik 40 27 5 72
Botsproeven: is het voorgestelde nieuwe beleid consistent? De Herziening 2025 is een brede herziening van het provinciale omgevingsbeleid. Bij een integrale herziening is het van belang dat het voorgenomen beleid consistent is. Kortom, er dient zoveel mogelijk voorkomen te worden dat de ene uitspraak voor nieuw beleid afbreuk doet aan een andere uitspraak. Het doel van de botsproeven is om te analyseren in hoeverre de ambities
35
in de Herziening 2025 strijdig met elkaar (kunnen) zijn qua benodigde ruimte en/of gevolgen voor de (leef)omgeving. In drie bijeenkomsten met de ambtelijke verantwoordelijken voor de beleidsvoornemens zijn de botsingen van de voornemens in de Herziening 2025 in beeld gebracht. Uit de botsproeven komen onderstaande vijf aandachtspunten voor de Herziening 2025 naar voren. Het gaat hier om inconsistenties tussen nieuw beleid met ander nieuw of bestaand omgevingsbeleid. Per botsing is beschreven hoe hiermee is omgegaan in het ontwerp van de Herziening 2025. Botsing 1. In de herziening zit overlap tussen nieuw beschermd weidevogelgebied (kansrijk weidevogelgebied – beschermingscategorie 2) en zoekgebieden windenergie. Tussen de realisatie voor de opgaven voor groot wind (RES-doelstellingen) en boerenlandvogels (VHR-verplichting) zit overlap. Dit heeft betrekking op een ‘ruimteclaim’. Namelijk, het aanwijzen van gebieden voor zowel windturbines en als kansrijk weidevogelgebied categorie 2. De botsing wordt veroorzaakt doordat windturbines negatieve effecten kunnen hebben op boerenlandvogels als beschermde soorten. De overlap is inhoudelijk verklaarbaar: gebieden kunnen kansrijk zijn voor zowel weidevogels als windturbines.
Realisatie van windturbines kan dus wel in deze gebieden, echter de realisatie wordt door de compensatieverplichting van de aangewezen kansrijke weidevogelgebieden complexer (en mogelijk duurder). In de totstandkoming van de aangewezen gebieden is deze overlap al geconstateerd en beperkt tot de kansrijke weidevogelgebieden. Daarnaast zit er ook overlap tussen nieuw kansrijk weidevogelgebied en bestaande locaties voor windenergie en bestaande zoekgebieden zon. 2. Botsingen tussen verschillende biodiversiteitsopgaven: bos en bomen en groenblauwe dooradering kunnen botsen met de herziening van de kaart voor weidevogelgebieden. De nieuwe bescherming belangrijk weidevogelgebied botst (bijna) niet. Hier bevinden zich hoge dichtheden weidevogels. De nieuwe bescherming kansrijk weidevogelgebied kan lokaal wel tot botsingen leiden met biodiversiteitsdoelen zoals groenblauwe dooradering en aanleg van bos.
Omgang met botsing in voorgenomen beleid De technisch best beoordeelde zoekgebieden krijgen een plaats in de Omgevingsvisie met een ontwikkelstrategie die de provincie wil doorlopen met de betrokken RES-regio’s. Het doel van dit traject is dat een selectie van zoekgebieden worden omgezet naar locaties voor windenergie in de Verordening. Mochten dat locaties zijn die botsen met kansrijk weidevogelgebied dan kan een uitzonderingsbepaling worden toegevoegd. Voor de al bestaande locaties voor windenergie en voor bestaande RES-zoekgebieden zon in de verordening, is in het ontwerp een bepaling toegevoegd die voorkomt dat compensatie nodig is als de ontwikkeling van de windlocatie plaatsvindt in nieuw kansrijk weidevogelgebied.
De aanleg van groen en bos is niet uitgesloten in kansrijk weidevogelgebied (beschermingscategorie 2), maar dan is wel de compensatieverplichting van toepassing. Dit heeft dus niet geleid tot aanpassing van de regeling. In belangrijk weidevogelgebied (beschermingscategorie 2) is het niet toegestaan om bomen of struiken te planten in open gebieden.
36
3. Botsingen tussen natuur- en recreatieopgaven: bestaande of in deze herziening nieuw aan te wijzen recreatiegebieden kunnen botsen met de herziening van de kaart voor weidevogelgebieden. Mogelijk kan dit ook gelden voor het realiseren van recreatieve of groenblauwe netwerken. Hier geldt hetzelfde als met windturbines: realisatie kan wel, maar dan geldt een compensatieplicht. De eventuele kosten hiervan zijn voor natuur- en recreatieprojecten lastiger te dragen, waarmee deze onder druk kunnen komen te staan.
Op enkele plekken valt beschermd weidevogelgebied (beschermingscategorie 2) samen met recreatiegebied. Voor die situaties is een bepaling toegevoegd die voorkomt dat ontwikkelingen die passen in de regels voor recreatiegebied, zoals de aanleg van wandel- en fietspaden, compensatieplichtig zijn.
4. De realisatie van boerenerfmolens is afhankelijk van opname in het omgevingsplan van gemeenten en afhankelijk van vergunningverlening (eventueel kan dat met een BOPA als het niet past binnen het omgevingsplan van een gemeente). Gemeenten zijn dus aan zet om hun beleid te actualiseren naar eigen inzicht. Tegelijk worden Met name vanuit de vergunningverlening worden met betrekking tot het aspect natuur grote knelpunten gezien voor de aspecten natuur/biodiversiteit en landschappelijke inpassing. Dit kan betekenen dat in de praktijk kleine windturbines slechts beperkt mogelijk gemaakt worden vanwege gemeentelijke afwegingen, gevolgen voor de biodiversiteit of landschappelijke inpassing. 5. Impact op 3ha-locaties voor wonen en werken. Een aantal voorgestelde nieuwe belangrijke weidevogelgebieden overlappen met greenports en 3ha-locaties voor woningbouw en bedrijventerreinen. Ook het voornemen tot ‘rekening houden met’ de klimaatonderlegger (water en bodem sturend, WBS) overlapt met de 3ha-locaties.
8-10% van de locaties valt in de categorie ‘veel klimaatrisico's te verwachten’ van de klimaatonderlegger (let op: dit wil niet zeggen dat er op deze locaties geen ontwikkeling kan plaatsvinden, wel dat er grotere uitdagingen vanuit water, bodem en klimaat zijn op deze locaties, mogelijk met hogere investeringskosten tot gevolg die de gebiedsontwikkeling financieel onder druk kan zetten). Ook het voornemen ‘Straatje erbij (transformatie naar woningbouw) botst mogelijk met uitbreiding van weidevogelbeschermingsgebieden en overgangszones rondom N2000.
De provincie maakt het duurzaam opwekken van elektriciteit ook buiten BSD onder condities mogelijk voor windturbines met een as-hoogte groter dan 15 meter tot maximaal 30 meter. Voorwaarde is dat een locatiespecifiek onderzoek gedaan wordt om een goede landschappelijke en ecologische inpassing te waarborgen.
De klimaatonderlegger is alleen in het beleid opgenomen, maar niet in de verordening. De reden hiervoor is dat locatiekeuze al plaatsvindt ruim voordat het omgevingsplan wordt opgesteld. Een instructieregel in de verordening heeft daarom weinig of geen effect op de locatiekeuze, het zou meer een verantwoording achteraf zijn. De samenloop tussen nieuw (belangrijk of kansrijk) weidevogelgebied en grote buitenstedelijke bouwlocaties (3 ha locaties, inclusief ruillocaties die onderdeel zijn van deze herziening) is vermeden. Dit heeft in een paar gevallen nog geleid tot aanpassing van de begrenzing van weidevogelgebied. Als er ook al bestaand weidevogelgebied lag, is de begrenzing van het nieuwe weidevogelgebied niet aangepast. De compensatie-eis blijft dan van toepassing.
37
Kanttekening: het beleidsvoornemen voor drukfactoren gaat in op het onderzoeken van de beheersen en het verminderen van alle, per Natura 2000 gebied relevante, drukfactoren. Daar waar nuttig en noodzakelijk kunnen overgangszones hier een mogelijk effectgerichte of brongerichte maatregel zijn.
Voorkeursalternatief: voorgestelde wijzigingen in het ontwerp omgevingsbeleid: doelbereik en leefomgevingseffecten Hiervoor zijn de effecten op doelbereik en leefomgeving van de onderzochte alternatieven samengevat. Mede op basis van het onderzoek naar de beleidsalternatieven in dit OER heeft GS keuzes gemaakt die zijn geland in het ontwerp van de Herziening 2025 (de voorkeuralternatieven). In onderstaande tabel is per onderwerp het voorkeursalternatief weergegeven. Daarbij is steeds aangegeven wat de belangrijkste gevolgen in termen van doelbereik en leefomgevingseffecten van het beleid in de ontwerp Herziening 2025 zijn.
Voorkeursalternatief ZH-PLG: grondwaterstand verhogen Beleidsvoornemens in ontwerp Herziening 2025 Wat gaat er concreet wijzigen in het Omgevingsbeleid: Visie: De opgave voor reductie van CO2-emissie als gevolg van afbraak van veenbodem voor Zuid-Holland is aangescherpt. Dit is de uitwerking van het klimaatakkoord. Hierdoor wordt ook de bodemdaling in veengebieden afgeremd. De uitkomst van recent onderzoek is toegevoegd en daarmee zicht op wat het meest effectief is voor doelrealisatie: het bewegen naar een grondwaterstand van 40cm onder maaiveld of minder. In de visie wordt de ontwikkeling van instrumenten en middelen aangekondigd, die beweging naar dit doel mogelijk maken (perspectief). Programma: actualisatie van tekst op ontwikkelingen ZH-PLG, gebiedsplannen en onderzoeken. En aankondiging dat instrumenten ontwikkeld gaan worden om grondgebruikers in staat te stellen om mee te bewegen met een hogere grondwaterstand. Verordening: in verordening worden de bredere maatschappelijke functies van het watersysteem opgenomen, waaronder het voorkomen van bodemdaling / uitstoot van broeikasgassen uit veen. De waterschappen moeten deze maatschappelijke functies meenemen bij het nemen van peilbesluiten, Verder worden regels opgenomen om de status quo vast te leggen door huidige tempo/omvang huidige CO2-emissie uit veen tenminste niet te laten toenemen.
Belangrijkste gevolgen van het beleid in de ontwerp herziening (doelbereik en leefomgevingseffecten) Doelbereik: De verwachting is dat de directe effecten van aanpassing van de Omgevingsvisie op het bereiken van de doelstelling beperkt zullen zijn. Immers, de omgevingsvisie is zelfbindend. Dat wil zeggen dat ze alleen het bestuursorgaan binden dat de omgevingsvisie heeft vastgesteld (de Provincie Zuid-Holland). Een omgevingsvisie bevat dus geen regels voor burgers, bedrijven of andere overheden. De visie kondigt nadere verkenningen van andere beleidsinstrumenten aan. De verordening legt de status quo vast en is daarmee gelijk aan referentiesituatie. Geen bijdrage aan doelbereik. Leefomgevingseffecten: Aanpassing van de omgevingsvisie zal beperkte effecten voor de leefomgeving hebben. De verordening legt de status quo vast en is daarmee gelijk aan referentiesituatie (effecten beschreven bij alternatief 2).
Hoe verhoudt dit zich tot de onderzochte alternatieven:
38
In de OER zijn alternatieven voor grondwaterpeilen onderzocht. De waterschappen nemen peilbesluiten, die heel bepalend zijn voor het grondwaterpeil, niet de provincies. In de herziening is ervoor gekozen om richting te kiezen en in het verlengde daarvan de opdracht aan de waterschappen expliciet vast te leggen.
Voorkeursalternatief ZH-PLG: boerenlandvogels Beleidsvoornemens in ontwerp Herziening 2025 Wat gaat er concreet wijzigen in het Omgevingsbeleid: Er wordt een aantalsdoelstelling in de visie opgenomen inclusief een indicatieve vertaling naar benodigd oppervlak aan extra inzet op Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb). En er wordt aangegeven dat de landelijke extra middelen voor Agrarisch Natuurbeheer (ANB) hiervoor zullen worden ingezet. In het programma worden de teksten voor boerenlandvogels en agrarisch natuurbeheer onder beleidsdoel 5-1 Gezonde natuur - Versterken natuur en landschapswaarden op een aantal plekken uitgebreid. De aantalsdoelstellingen uit de visie worden hier herhaald en er wordt een verwijzing opgenomen naar landelijke ontwikkelingen en kansen voor uitbreiding ANLb (extra landelijke middelen ANB en maatregelpakketten). In de verordening worden artikelen opgenomen om de status quo vast te leggen, door het plaatsen van ooievaarspalen en aanplant van bomen en struiken in belangrijke weidevogelgebieden niet toe te staan. Ook wordt opgenomen dat waterschappen bij het vaststellen van het peilbesluit rekening moeten houden met behoud of de versterking van de hydrologische condities van weidevogelgebieden.
Belangrijkste gevolgen van het beleid in de ontwerp herziening (doelbereik en leefomgevingseffecten) Doelbereik: Gelijk aan de referentiesituatie. Lichtere beheermaatregelen zijn beperkt effectief. Het doelbereik is afhankelijk van de specifieke uitvoering van het instrumentarium en lokale en bedrijfsmatige condities. De inzet van zwaardere maatregelen zal een grotere bijdrage leveren aan het doelbereik. Tegelijkertijd hebben deze maatregelen de grootste impact op de agrarische bedrijfsvoering. Leefomgevingseffecten: De leefomgevingseffecten zijn overeenkomstig alternatief 1 (zie paragraaf 5.2.3). De effecten zijn gelijk aan de referentiesituatie en daarmee als ‘neutraal’ beoordeeld.
Hoe verhoudt dit zich tot de onderzochte alternatieven: In het Omgevingsbeleid worden teksten geactualiseerd en er wordt een aantalsdoelstelling opgenomen. Omdat er in de wijziging van het Omgevingsbeleid geen keuze is gemaakt over de uitvoeringsstrategie, wordt bestaand beleid voortgezet. En dat komt dus overeen met het onderzochte alternatief 1.
Voorkeursalternatief ZH-PLG: emissieplafond Beleidsvoornemens in ontwerp Herziening 2025
Belangrijkste gevolgen van het beleid in de ontwerp herziening (doelbereik en leefomgevingseffecten)
39
Wat gaat er concreet wijzigen in het Omgevingsbeleid: In de herziening 2025 worden de teksten in de Visie en het programma gewijzigd. De oude reductiecijfers worden vervangen door recente gegevens. In de visie wordt opgenomen dat de provincie onderzoekt op welke manier per 2035 een geborgd systeem van emissiereductie kan worden gerealiseerd. Hierbij wordt toegewerkt naar emissie van 35 tot 45 kg/ha in 2035) voor melkveebedrijven. De maatregel (omgevingsprogramma) ammoniakreductie voor natuurherstel is aangepast met daarin de aankondiging voor een emissieplafond voor ammoniakemissie op melkveebedrijven in 2035.
Doelbereik: Aankondiging van een emissieplafond heeft geen direct effect op doelbereik. Voor doelbereik is een plafond van 35-40kg/ha nodig. Leefomgevingseffecten: Aankondiging van emissieplafond heeft geen directe leefomgevingseffecten.
Hoe verhoudt dit zich tot de onderzochte alternatieven: Het aankondigen van normering in de visie is een variant op de alternatieven van het OER (daarin is normering van verschillende plafonds onderzocht). Hier is voor gekozen omdat op korte termijn normeren niet haalbaar blijkt maar op termijn normeren wel de voorkeur heeft.
Voorkeursalternatief ZH-PLG: drukfactoren N2000 Beleidsvoornemens in ontwerp Herziening 2025 Wat gaat er concreet wijzigen in het Omgevingsbeleid: De algemene onderzoekspassage wordt vervangen door een door een expliciete keuze voor een gebiedsspecifieke aanpak (in plaats van generieke zonering of borging via beheerplannen), met de mogelijkheid van overgangszones en bijbehorend flankerend beleid, dit is opgenomen onder maatregel 5.1.2.3. Op dit moment staat er onder beleidskeuze 5.1.2 Beschermen en versterken bestaande natuur en soorten het volgende over overgangsgebieden: “De provincie werkt verder uit of en in welke vorm overgangsgebieden een mogelijk middel zijn om efficiënt natuur-, water- en klimaatdoelen te behalen, waaronder de instandhoudingsdoelen binnen de N2000-gebieden, door wegnemen van drukfactoren buiten de begrenzing.”. Hoe verhoudt dit zich tot de onderzochte alternatieven: De – nader uit te werken – gebiedsspecifieke zonering komt overeen met alternatief 3. Met de herziening is beleidsmatig vastgelegd dat overgangszones niet langer als generiek instrument worden verkend, maar gericht en
Belangrijkste gevolgen van het beleid in de ontwerp herziening (doelbereik en leefomgevingseffecten) Doelbereik: De daadwerkelijke bijdrage aan het doelbereik is afhankelijk van de nadere invulling en borging van deze gebiedsspecifieke zoneringen. Een gebiedsspecifieke zonering zal een grotere bijdrage leveren aan het doelbereik dan meer generieke maatregelen, omdat deze aansluit bij de specifieke drukfactoren en ecologische omstandigheden van ieder afzonderlijk Natura 2000-gebied. Leefomgevingseffecten: De daadwerkelijke leefomgevingseffecten zijn afhankelijk van de nadere invulling en borging van deze gebiedsspecifieke zoneringen. Van alternatief 3 zijn de grootste positieve effecten op de verschillende natuurcriteria te verwachten. Er zijn ook mogelijke negatieve effecten voor de leefomgeving en voor bestaande activiteiten. In het beleid is daarom nu voorzien in flankerend beleid. Dit houdt in dat waar beperkingen optreden voor bijvoorbeeld agrarische activiteiten, compenserende of
40
gebiedsspecifiek kunnen worden toegepast om drukfactoren te verminderen.
ondersteunende maatregelen worden ontwikkeld. Dit is vastgelegd onder maatregel 5.1.2.3.
Voorkeursalternatief Water Bodem Sturend (WBS) Beleidsvoornemens in ontwerp Herziening 2025 Wat gaat er concreet wijzigen in het Omgevingsbeleid: Aanscherpen van bestaande teksten in de omgevingsvisie en aanvullen met het randvoorwaardelijk maken van water en bodem. Dit is gedaan in de beleidsdoelen ‘Leven met Water’, ‘Wonen’, ‘Ruimte en Landschap’, ‘Klimaatbestendig Zuid-Holland, opgewassen tegen de effecten van klimaatverandering’ en in enkele van de onderliggende beleidskeuzes. Tevens is een nieuwe beleidskeuze ‘Ontwikkelingen houden rekening met water en bodem’ geïntroduceerd. Toevoegen van enkele maatregelen aan het omgevingsprogramma, over drinkwatervoorziening, over de koppeling van de ‘Signaleringskaart klimaatrisico’s voor bouwactiviteiten’ aan de locatiekeuze en de introductie van prestatie-eisen, gebaseerd op de leidraad Klimaatadaptief bouwen 2.0, voor de locatie-inrichting bij ruimtelijke ontwikkelingen. Omgevingsverordening: toevoegen nieuwe regel met in de toelichting van de verordening een uitwerking van de prestatie-eisen voor klimaatadaptieve ruimtelijke ontwikkeling. Hoe verhoudt dit zich tot de onderzochte alternatieven: De beleidswijziging voor water en bodem sturend komt het meest overeen met alternatief 1 zoals onderzocht in het OER.
De ‘Signaleringskaart klimaatrisico’s voor bouwactiviteiten’ is namelijk vastgesteld in het programma om slimme locatiekeuze voor woningbouw te stimuleren (dus niet in de verordening zoals in de OERalternatieven is onderzocht). Ook de prestatieeisen zijn opgenomen in het omgevingsprogramma en in de toelichting van de omgevingsverordening (dus niet in de verordening zelf zoals in de OER-alternatieven is onderzocht).
Belangrijkste gevolgen van het beleid in de ontwerp herziening (doelbereik en leefomgevingseffecten) Doelbereik: Door rekening te houden met de klimaatrisico’s in locatiekeuze en de prestatie-eisen bij ruimtelijke ontwikkelingen, krijgt het water en bodemsysteem aandacht in het planproces. Dit is vastgelegd in het omgevingsprogramma van de provincie, wat betekent dat het beleid zelfbindend is. Het omgevingsprogramma is dus niet bindend voor burgers, bedrijven en andere overheden. De bijdrage aan het doelbereik is daarom minder groot dan wanneer was gekozen om de signaleringskaart en/of de prestatie-eisen te verankeren in de verordening. Leefomgevingseffecten: De WBS-alternatieven scoren goed op de indicatoren: Klimaatadaptatie (Hittestress, wateroverlast en overstromingsdiepte), 4D ordening: bodemdaling, Landschappelijke kwaliteit, Soortendiversiteit, Energiegebruik en Leefbaarheid. Dit zijn criteria waarop autonoom veelal negatieve ontwikkelingen worden verwacht, en waar nieuw beleid dus tot een verbetering leidt. De alternatieven met een meer dwingend karakter scoren het meest positief op de genoemde criteria. De beoogde beleidsontwikkeling heeft een (licht) negatief effect op het thema drukte in de ondergrond. Klimaatadaptatiemaatregelen zoals bomen of wadi’s doen als vanzelfsprekend een beroep op de (soms al) beperkte ruimte in de ondergrond.
Voor een goede ruimtelijke inpassing dient een lokale afweging te worden gemaakt op het schaalniveau van de planontwikkeling. Vanuit water en bodem sturend zijn hier geen mitigerende maatregelen op geformuleerd.
41
Voorkeursalternatief Toekomstbestendige Ruimtelijke Ontwikkeling (TRO) Beleidsvoornemens in ontwerp Herziening 2025 Wat gaat er concreet wijzigen in het Omgevingsbeleid: De vigerende beleidskeuzes ‘Toekomstbestendige stedelijke ontwikkeling’ en ‘Vitaal landelijk gebied’ worden samengevoegd tot de nieuwe beleidskeuze ‘Toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling’ (TRO). Deze nieuwe beleidskeuze is uitgewerkt in drie beleidslijnen: A. Uitgangspunten voor een toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling; B. Groen en gezond intensiveren in steden en dorpen; C. Ruimtelijke keuzes in de onbebouwde ruimte. Hieruit volgt dat steden en dorpen zich zo optimaal mogelijk binnen het bestaand stads- en dorpsgebied en binnen de daarvoor reeds gereserveerde ruimte moeten ontwikkelen. Daarnaast wordt een beschermingsgebied onbebouwde ruimte geïntroduceerd waar regels gelden om stedelijke ontwikkelingen te beperken en ruimte te houden voor de realisatie van prioritaire opgaven die voorwaardelijk zijn voor een toekomstbestendige ontwikkeling van ZuidHolland. Hoe verhoudt dit zich tot de onderzochte alternatieven: Beleidslijn A volgt uit de vastgestelde ruimtelijke koers voor een toekomstbestendige ontwikkeling van Zuid-Holland en maakt gebruik van onderdelen uit de vigerende beleidskeuzes die in TRO zijn samengevoegd. Voor beleidslijnen B en C zijn in het OER ieder 4 alternatieven onderzocht.
In de uitwerking van beleidslijn B is gebruik gemaakt van de uitkomsten van het alternatief ‘Behoefte gestuurd groen en gezond verdichten’. In de uitwerking van beleidslijn C is gebruik gemaakt van de uitkomsten van het alternatief ‘Aanscherping en extra beschermingscategorie in Ruimtelijke Kwaliteit’ Een uitbreiding met een extra categorie voor agrarisch gebied wordt nu niet meegenomen.
Belangrijkste gevolgen van het beleid in de ontwerp herziening (doelbereik en leefomgevingseffecten) Doelbereik: Door de aanpassing wordt de onbebouwde ruimte zoveel mogelijk beschikbaar gehouden voor de opgaven en transities voor een toekomstbestendige landbouw, natuur, recreatie en voor de water-, energie-, klimaat- en groenopgaven. In de bebouwde ruimte wordt zoveel mogelijk ingezet op een integrale afweging met focus op brede welvaart en vitaliteit. Aandachtspunt bij de beleidsvarianten voor beleidslijn C is dat het definiëren van agrarisch gebied ingewikkeld blijkt, waardoor de grens van te beschermen landbouwgrond nog onbepaald is. Daarom is ervoor gekozen een ‘beschermingsgebied onbebouwde ruimte’ in te stellen dat overeenkomt met het huidige beschermingsgebied categorie 3 minus Greenport West-Holland minus bedrijventerreinen groter dan 1ha. De ontwikkeling naar een toekomstbestendige en veerkrachtige landbouwsector is daarbij als een van de vier prioritaire opgaven benoemd. Leefomgevingseffecten: Beleidslijn B heeft naar verwachting positieve effecten op kwaliteit oppervlaktewater, geluid, luchtkwaliteit, licht, geur en aannemelijke positieve effecten voor de beweegvriendelijkheid van de leefomgeving en leefbaarheid. Er zijn een aantal aandachtspunten op het gebied van waterbeschikbaarheid, bodemdaling en archeologie.
Beleidslijn C heeft mogelijk positieve effecten voor landschappelijke kwaliteit, archeologie, luchtkwaliteit, licht, energiegebruik en de beweegvriendelijkheid van de leefomgeving. Aandachtspunten zijn klimaatadaptatie, de ondergrond, geluid en woningbouw op de lange termijn. De aandachtspunten worden meegenomen in de ontwikkeling van de gebiedsprogramma's.
42
Voorkeursalternatief Boerenerfmolens Beleidsvoornemens in ontwerp Herziening 2025 Wat gaat er concreet wijzigen in het Omgevingsbeleid: De provincie maakt het duurzaam opwekken van elektriciteit ook buiten BSD onder condities mogelijk voor windturbines met een as-hoogte groter dan 15 meter tot maximaal 30 meter. De condities van de provincie houden onder andere in dat een locatiespecifiek onderzoek gedaan wordt om een goede landschappelijke en ecologische inpassing te waarborgen. De provincie hanteert als uitgangspunt dat de impact op het net van een molen minimaal is en netcongestie niet wordt vergroot. Hoe verhoudt dit zich tot de onderzochte alternatieven: De mogelijkheid om hogere boerenerfmolens mogelijk te maken is een afspraak uit het coalitieakkoord om lokale ondernemers te helpen meer zelfvoorzienend te worden op energie en/of nieuwe verdienmodellen te kunnen ontwikkelen op het gebied van de energietransitie. Deze maatregel is onderzocht in het OER door – aan de hand van verschillende alternatieven - de landschappelijke, ecologische en omgevingseffecten in kaart te brengen. Het voornemen om de as-hoogte te verhogen tot maximaal 30 meter is in lijn met alternatief 1 (met daarbij de voorwaarde dat locatiespecifiek onderzoek gedaan wordt om de een goede landschappelijke en ecologische inpassing te waarborgen).
Belangrijkste gevolgen van het beleid in de ontwerp herziening (doelbereik en leefomgevingseffecten) Doelbereik: De provincie maakt het duurzaam opwekken van elektriciteit ook buiten BSD onder condities mogelijk voor windturbines met een ashoogte groter dan 15 meter tot maximaal 30 meter. Dit levert een grote bijdrage aan het doelbereik in termen van aantal potentiële boerenerfmolens (zie toelichting doelbereik alternatief 1). Leefomgevingseffecten: Het is aannemelijk dat een verhoging van de ashoogte tot 30 meter een negatief effect zal hebben op N2000 en soortendiversiteit. Ook zijn negatieve effecten ten aanzien van landschappelijke kwaliteit en geluid te verwachten. Het is aannemelijk dat er een positieve bijdrage is aan het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen, duurzame energieopwekking en netcapaciteit (zie toelichting leefomgevingseffecten alternatief 1). Het grote risico op de populaties van verschillende vleermuis- en vogelsoorten vanwege aanvaringen, en daarmee het risico voor de soortendiversiteit heeft ertoe geleid dat de provincie voorwaarden stelt aan het ontwikkelen van kleine windturbines.
Voorkeursalternatief Warmte Beleidsvoornemens in ontwerp Herziening 2025 Wat gaat er concreet wijzigen in het Omgevingsbeleid: Visie: Toevoeging van verkenningsgebieden voor toekomstige bovenlokale warmtesystemen. Toevoeging van een afwegingskader Koude aan het provinciale afwegingskader Warmtekeuze (Hiervoor wat het OER niet toegepast) Programma: Geen wijziging, wel actualisatie van teksten en omzetting van visietekst naar programmatekst. Verordening: Geen wijziging.
Belangrijkste gevolgen van het beleid in de ontwerp herziening (doelbereik en leefomgevingseffecten) Doelbereik: Uiteindelijk zal voor het bereiken van het doel de realisatie van warmtenetten nodig zijn. Opname van verkenningsgebieden in de visie zal daaraan bijdragen omdat het richting geeft aan de provinciale voorkeur in de warmtetransitie. De Omgevingsvisie is zelfbindend. Dat wil zeggen dat de visie alleen bindend is voor het bestuursorgaan dat de visie vaststelt. In termen van doorwerking bevat de visie dus geen regels voor burgers, bedrijven of andere overheden. De mate waarin uiteindelijk doelbereik zal plaatsvinden is
43
Hoe verhoudt dit zich tot de onderzochte alternatieven: In het OER-onderdeel ‘warmte’ zijn geen alternatieven vergeleken. Dit is eerder al gedaan in het pMIEK 2.0 van de provincie en in andere beleidsanalyses die aansluiten op het pMIEK. In het pMIEK 2.0 komt de ontwikkelvariant met maximale inzet op collectieve warmtebronnen in de provincie als meest kansrijk naar voren. Deze is in het OER verder verdiept.
afhankelijk van de verdere uitwerking van de tracés waar warmtenetten daadwerkelijk aangelegd worden. Leefomgevingseffecten: Het OER laat vooral positieve of neutrale effecten zien van de uitwerking van verkenningsgebieden voor warmtesystemen. Uitzonderingen hierop vormen ‘archeologie’, ‘bodemdaling’ en ‘drukte in de ondergrond’. De uitzonderingen leiden niet tot mitigerende maatregelen. Het benoemen van de beoogde verkenningsgebieden heeft nog geen gevolgen voor de leefomgeving. Dit speelt pas bij realisatie en het in kaart brengen van de verkenningsgebieden kan bijdragen aan het nemen van mitigerende maatregelen in de realisatiefase.
Voorkeursalternatief Windenergie Beleidsvoornemens in ontwerp herziening 2025 Wat gaat er concreet wijzigen in het Omgevingsbeleid: Op basis van het OER voor RES Drechtsteden, RES Holland Rijnland en RES Midden-Holland hebben GS een aantal primaire en secundaire zoekgebieden voor windenergie geselecteerd. De primaire en secundaire zoekgebieden en de geometrische begrenzing hiervan worden opgenomen in de Omgevingsvisie. Het gaat hier om de zoekgebieden die zijn beschreven in paragraaf 10.6 van dit OER (technisch best beoordeelde locaties). In het Omgevingsprogramma is beschreven hoe deze zoekgebieden, zoveel mogelijk samen met de RES-partners, worden uitgewerkt tot locaties voor windenergie. Hoe verhoudt dit zich tot de onderzochte alternatieven: Alle zoekgebieden die in de Omgevingsvisie worden opgenomen zijn onderzocht in het OER. In het OER zijn vier alternatieven onderzocht: aangeleverde locaties, natuur, leefomgeving en landschap. Op basis van de beoordeling in het OER zijn de best beoordeelde zoekgebieden uit alle alternatieven geselecteerd. Deze vormen samen de primaire en secundaire zoekgebieden. De primaire en secundaire zoekgebieden bevatten zoekgebieden uit alle vier de verschillende alternatieven.
Belangrijkste gevolgen van het beleid in de ontwerp herziening (doelbereik en leefomgevingseffecten) Doelbereik: voor doelbereik (realisatie van windturbines) is uiteindelijk opname in de provinciale Omgevingsverordening nodig (windturbines zijn alleen toegestaan binnen de locaties voor windenergie in de provinciale Omgevingsverordening). De opname van zoekgebieden in de Omgevingsvisie is daartoe een eerste stap en heeft nog geen directe bijdrage aan het doelbereik. Leefomgevingseffecten: Voor deze gebieden zijn er geen harde belemmeringen en beperkte zachte belemmeringen vanuit natuur, leefomgeving en veiligheid. Dit neemt niet weg dat er wel degelijk effecten zijn voor mensen en dieren rondom deze gebieden. Voor een nadere beschrijving, zie paragraaf 10.6 voor de leefomgevingseffecten van het realiseren van windturbines in deze zoekgebieden. Met de opname van de zoekgebieden in de visie kunnen er in deze gebieden nog geen windturbines worden gerealiseerd. Opname van de zoekgebieden in de Omgevingsvisie heeft daarmee geen effecten voor de leefomgeving.
44
Passende beoordeling In Zuid-Holland liggen 21 Natura 2000-gebieden. De Natura 2000-gebieden in Zuid-Holland zijn weliswaar ruimtelijk beschermd, maar staan onder druk. In het kader van de Omgevingseffectrapportage (OER) is een analyse uitgevoerd naar mogelijke effecten van de voorgenomen beleidsaanpassingen op Natura 2000-gebieden. Aan de hand van alternatieven is beoordeeld of er sprake kan zijn van significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van deze beschermde gebieden. Samenvattend leidt de analyse tot de volgende effectbeoordelingen: Beleidsalternatieven ZHPLG: grondwaterstand verhogen ZHPLG: boerenlandvogels ZHPLG: emissieplafond ammoniak ZHPLG: drukfactoren N2000 Water Bodem Sturend Toekomstbestendige Ruimtelijke Ontwikkeling (TRO) Boerenerfmolens Warmte Gebieden voor groot wind
Beoordeling effecten N2000 op hoofdlijnen 2 van de 5 alternatieven hebben een neutraal effect. De andere drie alternatieven hebben kans op een positief effect of een aannemelijk positief effect voor N2000-gebieden 1 alternatief heeft een neutraal effect. Het andere alternatief heeft een aannemelijk positief effect voor N2000-gebieden Alle drie de alternatieven hebben een aannemelijk positief effect op N2000gebieden 1 alternatief heeft een neutraal effect. De andere twee alternatieven hebben een aannemelijk positief effect voor N2000-gebieden Alle drie de alternatieven hebben een neutraal effect (geen effect) op N2000gebieden Alle onderzochte alternatieven (8) hebben een neutraal effect (geen effect) op N2000-gebieden Bij alle onderzochte alternatieven is het aannemelijk dat er negatieve effecten ten aanzien van N2000-gebieden zullen optreden Het onderzochte alternatief heeft een neutraal effect (geen effect) op N2000gebieden Vogelrichtlijngebieden (VR) zijn met een effectafstand van 500 meter uitgesloten bij het opstellen van de alternatieven voor zoekgebieden. Voor de gebieden in de onderzochte alternatieven geldt dat er alleen in het alternatief ‘aangeleverde locaties’ een gebied is waar de realisatie van windturbines een negatief effect op een Natura 2000-gebied zal hebben.