CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

2.2c) Nota van Motivering Ontwerp Herziening omgevingsbeleid 2025 [25-0186132]

Commissie Ruimte en Wonen 10 februari 2026, gemeente WestlandBij agendapunt: Schrijven college d.d. 03-12-25 inzake zienswijze herziening omgevingsbeleid provincie Zuid-Holland 202535.596 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het beschermingsgebied onbebouwde ruimte houden rekening met de benodigde ruimte voor deze prioritaire opgaven en moeten in hun landschappelijke en bovenregionale context worden bezien. De provincie hanteert hiervoor een integrale en gebiedsgerichte aanpak, waarbij ze in samenwerking met de regio belangen weegt om tot een nieuwe balans te komen. De wijze waarop die samenwerking plaatsvindt is als onderdeel van het programma toegelicht in de maatregel ‘6.2.1.1 Gebiedsgerichte uitwerking ruimtelijke koers’. Hiermee werkt de provincie toe naar gebiedsprogramma’s die in samenwerking met de regionale partners worden uitgewerkt en in het provinciale Omgevingsbeleid verankerd. De gebiedsprogramma’s kunnen leiden tot afspraken over aanpassing van het Omgevingsbeleid of toepassing van flexibiliteitsbepalingen binnen de kaders van het Omgevingsbeleid. Voor de verdere provinciale inzet op de prioritaire opgaven wordt binnen de beleidskeuze ‘Toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling’ primair naar hieraan gerelateerde beleidsdoelen en onderliggende beleidskeuzes in het beleidsnetwerk verwezen. Het gaat hier om de beleidsdoelen: -

Toekomstbestendige landbouw; Klimaatbestendig Zuid-Holland; Leven met water; Energietransitie; Gezonde natuur; Duurzame en veilige bereikbaarheid voor iedereen; Bevorderen recreatie, duurzaam toerisme en sport.

Als gevolg van de beleidskeuze ‘Toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling’ wijzigen ook enkele artikelen op het gebied van ruimtelijke kwaliteit. Dit hangt samen met de keuze om vraagstukken met betrekking tot de ruimtelijke ordening (de wat/waar-vraag) zoveel mogelijk bij de beleidskeuze ‘Toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling’ onder te brengen en de manier waarop het onderwerp van dat vraagstuk vervolgens in de fysieke leefomgeving landt (nadruk op de hoe-vraag) onderdeel te laten zijn van de beleidskeuze ‘Ruimtelijke kwaliteit en landschap’. Hiermee is er sprake van een tweetrap en werkt de beleidskeuze ‘Toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling’ als het ware als een slagboom voor vraagstukken op het gebied van ruimtelijke kwaliteit. Ten slotte zijn er in de verordening ook aanpassingen in paragraaf 7.3.8 (stedelijke ontwikkelingen). Een nieuw artikel is ingevoegd over het rekening houden met voldoende ruimte voor voorzieningen (waaronder sport en spel, recreatie en eerstelijns zorg). In het bestaande artikel over het rekening houden met een zo hoog mogelijke woningdichtheid, is een ondergrens opgenomen van 33 woningen per hectare. Herijking grote buitenstedelijke bouwlocaties Voor herijking van grote buitenstedelijke bouwlocaties wijzigt de Omgevingsverordening.

Voor de motivering en de exacte wijzigingen, zie het Ontwerp wijzigingsbesluit Zuid-Hollandse Omgevingsverordening herziening omgevingsbeleid 2025.

Motivering De provincie streeft naar een toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling waarbij de beperkt beschikbare ruimte zo optimaal mogelijk wordt benut.

67

In de afgelopen 50 jaar is het ruimtegebruik in Zuid-Holland sterk veranderd. Daarbij is veel ruimte geboden aan ontwikkelingen op het gebied van wonen en werken. Dit heeft geresulteerd in een verdubbeling van de totale oppervlakte voor woon- en werkmilieus, terwijl het aantal inwoners in diezelfde periode met ‘slechts’ 25% is toegenomen en het aantal banen per hectare bebouwd gebied met 35% is gedaald. Daarmee wordt de bebouwde ruimte in Zuid-Holland relatief gezien dus steeds minder intensief benut terwijl de sterk afgenomen onbebouwde ruimte steeds meer onder druk komt te staan. Daarnaast is de fysieke leefomgeving in zowel het bebouwd als het onbebouwd gebied kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering, zoals toenemende weersextremen, verzilting, bodemdaling en zeespiegelstijging. Ook zijn er in Zuid-Holland uitdagingen op het gebied van onder andere (drink)water beschikbaarheid, energievoorziening, natuur en recreatie. Daarom heeft de provincie in 2024 een nieuwe koers voor een toekomstbestendig Zuid-Holland vastgesteld. Deze koers wordt sindsdien stapsgewijs uitgewerkt en in het provinciale Omgevingsbeleid doorgevoerd. Met de beleidskeuze ‘Toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling’ wordt na vaststelling van Herziening 2025 invulling gegeven aan enkele belangrijke uitgangspunten van de nieuwe koers.

Door de onbebouwde ruimte beter tegen stedelijke ontwikkelingen te beschermen blijft er voldoende ruimte beschikbaar voor de realisatie van prioritaire opgaven die voorwaardelijk zijn voor een toekomstbestendig Zuid-Holland en met het beter en efficiënter benutten van de bebouwde ruimte zet de provincie verder in op het versterken van lokale gemeenschappen en het bevorderen van de brede welvaart. Gebiedsgerichte uitwerking ruimtelijke koers De provincie staat voor complexe ruimtelijke opgaven. De hoge ruimtedruk vraagt om scherpere keuzes over wat waar gerealiseerd kan worden. Met het Ruimtelijk Voorstel hebben Provinciale Staten de koers en richting aangegeven, zoals de verdere gebiedsgerichte uitwerking en bijbehorende gebied specifieke afwegingen. In het met het Rijk afgesloten Ruimtelijk Arrangement zijn uitwerkingsvragen geformuleerd waarbij de provincie een regie- en coördinatierol vervult en voor een aantal opgaven zelf de uitwerking ter hand neemt. Het Ruimtelijk Arrangement wordt jaarlijks geactualiseerd. Deze maatregel is toekomstbestendig door ruimtelijke opgaven op te pakken met oog voor uitdagingen op de lange termijn, zoals bevolkingsgroei en klimaatverandering. Een actief gebiedsproces is essentieel, waarbij de provincie intensief samenwerkt met onder andere gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en brancheverenigingen.

Participatie en internetconsultatie Bij de uitwerking van het beleidsvoornemen ‘Toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling’ voor Herziening 2025 is gebruik gemaakt van de participatiemogelijkheden die in het kader van het proces van de herziening van het provinciale Omgevingsbeleid zijn georganiseerd. In een werksessie op 6 maart 2025 is tijdens het Open Huis 2025 met aanwezige belanghebbenden gesproken over dit beleidsvoornemen en zijn de beleidsalternatieven toegelicht die onderdeel uitmaken van de Omgevingseffectrapportage (OER), die in het kader van Herziening 2025 wordt uitgevoerd. Tijdens de ambtelijke internetconsultatie van 6 tot 24 maart 2025 zijn daarop diverse reacties binnengekomen.

68

Daarnaast hebben in het proces in aanloop naar Herziening 2025 op meerdere momenten diverse ambtelijke en bestuurlijke overleggen plaatsgevonden met gemeenten, waterschappen en vertegenwoordigers van andere belanghebbende partijen. -

Aan de voorkant is op 14 mei 2024 ambtelijk het proces richting de startnotitie besproken. Hierover zijn op 23 en 30 mei bestuurlijke overleggen gevoerd. De Startnotitie is op 18 september 2024 vastgesteld door Provinciale Staten. In het najaar van 2024 zijn gesprekken gevoerd over de vigerende beleidskeuzes Vitaal landelijk gebied en Toekomstbestendige stedelijke ontwikkeling (30 september ambtelijk en op 23 oktober bestuurlijk). Deze beleidskeuzes zijn mede op basis van de ontvangen input samengevoegd tot de nieuwe beleidskeuze Toekomstbestendige Ruimtelijke Ontwikkeling, zoals die nu voorligt in Herziening 2025. In deze beleidskeuze komt tot uitdrukking dat het landelijk en stedelijk gebied geen gescheiden werelden zijn, maar een samenhangend systeem. Deze nieuwe beleidskeuze bestaat uit 3 beleidslijnen: Uitgangspunten voor een toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling; Groen en gezond intensiveren in steden en dorpen; en Ruimtelijke keuzes in de onbebouwde ruimte. In de nieuwe beleidskeuze ligt de focus op wat en waar, het hoe blijft geregeld worden via de beleidskeuze Ruimtelijke kwaliteit.

-

Tijdens bestuurlijke overleggen op 17 april 2025 is een 2-pager gedeeld met de hoofdlijnen van de voorgenomen beleidswijzigingen onder de nieuwe beleidskeuze Toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling. Die zijn op 27 mei 2025 tijdens een ambtelijke bijeenkomst met drie startmomenten nader toegelicht en besproken om input voor verdere uitwerking op te halen.

-

Tijdens een speciale editie van het bestuurlijk overleg ruimtelijke ordening (BO-RO) op 11 september 2025 zijn de beoogde aanpassingen in de inleidende hoofdstukken van de Omgevingsvisie en de daarbij horende analysekaarten toegelicht. Met Herziening 2025 worden deze in lijn gebracht met de ruimtelijke koers en de lagenbenadering die daarin is omschreven. Omdat de nieuwe beleidskeuze Toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling een uitwerking is van enkele belangrijke uitgangspunten van de koers is de stand van zaken in de ontwikkeling van deze beleidskeuze tijdens deze bijeenkomst toegelicht en besproken.

Uit alle gesprekken blijkt een breed gedeeld belang voor het beschermen van nog onbebouwde ruimte, waarbij helder is dat onbebouwd niet hetzelfde is onbenut. De onbebouwde ruimte is juist van groot belang voor de realisatie van prioritaire opgaven zoals benoemd in het Ruimtelijk Voorstel met de koers voor een toekomstbestendig Zuid-Holland, zoals dat op 6 maart 2024 door Provinciale Staten is vastgesteld. De nieuwe beleidskeuze Toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling is daarvan een uitwerking. Niet alle inbreng uit het participatietraject kan direct in Herziening 2025 worden meegenomen, omdat daarvoor eerst nog het een en ander moeten worden onderzocht. Dat geldt bijvoorbeeld voor de invulling van (schuif)ruimte voor de overgang naar een toekomstbestendige circulaire economie, voor de gebiedsgerichte uitwerking van prioritaire opgaven in de onbebouwde ruimte, voor het opstellen van een ruimtelijk afweegkader en voor het vastleggen van regionale afspraken in gebiedsprogramma’s. Verder vraagt de wijze waarop provinciaal beleid gemeenten kan ondersteunen bij het sturen op voldoende voorzieningen, waaronder op het gebied van 1e lijns-zorg, ook nog extra aandacht.

Met betrekking tot dit laatste voorbeeld wordt in deze herziening bijvoorbeeld al wel gewezen op de mogelijkheid om hiervoor met referentiewaarden te werken, maar verdere uitwerking hiervan zal in nauw overleg met de gebieden plaatsvinden. Via de Omgevingsverordening dienen gemeenten hiervoor nu een beleidsmaatregel in hun omgevingsplannen op te nemen.

69

Hieronder staan de belangrijkste punten vermeld die tijdens de internetconsultatie in maart van dit jaar en de ambtelijke bijeenkomst op 27 mei 2025 zijn opgehaald. Internetconsultatie (6 – 24 maart 2025) Er zijn 195 reacties binnengekomen, waarvan driekwart op deze beleidskeuze heeft gereageerd. Ca. 30 gemeenten/ samenwerkingsverbanden en 6 waterschappen hebben gereageerd. Het merendeel van de reacties betreft het beschermen en benutten van de onbebouwde ruimte. Op het beleidsvoorstel over het sturen op kwaliteit en selectieve groei (verdichting) binnen steden en dorpen (met onder andere inzet op functiemenging, dichtheden en voorzieningen) is minder gereageerd. De hoofdlijnen zijn: -

-

-

-

-

-

-

Van de indieners zijn het vooral gemeenten die reageren op het beleidsvoorstel over het sturen op kwaliteit en selectieve groei binnen steden en dorpen. Er blijkt begrip voor de agendering hiervan, zolang het niet met harde normen is (maar bijv. met referentiewaarden). Hierbij wordt gewezen op de beperkte mogelijkheden voor gemeenten om planologisch te sturen op voorzieningenpeil en dat het vooral om de betaalbaarheid van voorzieningen gaat. Het belang van het beschermen van onbebouwde ruimte en het benutten hiervan voor opgaven zoals landbouw, natuur, recreatie, energie en water wordt door meerdere respondenten herkend. Opvallend is de reactie van meerdere bewoners uit de Krimpenerwaard, waaruit bezorgdheid blijkt over de druk van woningbouw en bedrijven op het landschap. Daarbij is benoemd dat grotere bouwplannen worden opgeknipt tot onder 3 hectare. Zo kunnen deze ontwikkelingen tot ongewenste verstedelijking van het buitengebied leiden. Veel reacties gaan over ongewenste windturbinelocaties. Andere respondenten zien kansen voor windenergie en duurzame energieopwekking in onbebouwde gebieden, met mogelijkheden voor combinaties met andere functies zoals recreatie en natuur. Ook wijst een aantal respondenten op de noodzaak voor prioritering en voor bescherming van energieinfrastructuur binnen ruimtelijke plannen.

Een aantal gemeenten benoemt dat ruimte gewenst is voor woningen en bedrijven buiten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Hierbij wordt om nieuwe grootschalige bouwlocaties (3-hectare locaties) gevraagd. Andere respondenten vragen juist meer aandacht voor binnenstedelijke ontwikkeling, zodat nieuwe ontwikkelingen niet ten koste gaan van landbouwgrond. Een aantal gemeenten benoemt het belang van de NOVEX-samenwerking Zuidelijke Randstad als plek waar afspraken over verdichten of intensiveren kunnen worden gemaakt. Ook het belang dat het beleid van de provincie in lijn is met het ontwikkelperspectief wordt genoemd. Een andere gemeente vraagt om voldoende schuifruimte (bijvoorbeeld voor werken) ten behoeve van verdichting in de stad. Ook is op het subsidiariteitsbeginsel gewezen met het verzoek aan de provincie om niet te veel te sturen waar dat taken van gemeenten betreft, zodat er ruimte blijft voor maatwerk. De reacties van waterschappen blijken ondersteunend aan de beleidsinzet te zijn.

Ambtelijke bijeenkomst 27 mei 2025 Aan deze bijeenkomst hebben verspreid over de dag en verdeeld over drie rondes ongeveer 115 genodigden van gemeenten, waterschappen, Rijk en belangenorganisaties deelgenomen. Na een toelichting vanuit de provincie over de laatste stand van zaken in de beleidsontwikkeling zijn 70

aan meerdere tafels in diverse groepssamenstellingen gesprekken gevoerd en aandachtspunten ingebracht en bediscussieerd. De hoofdlijnen van de ingebrachte aandachtspunten zijn: Beleidslijn ‘Ruimtelijke keuzes in de onbebouwde ruimte’ - In de gesprekken is aangegeven dat de omschrijving van het ‘Beschermingsgebied onbebouwde ruimte’ nog concreter kan worden uitgewerkt, vooral welke functies toegestaan worden ten behoeve van de transitieopgaven (bijv. energietransitie). - Door een aantal deelnemers is gevraagd om een eenduidige gebiedsindeling, zodat meer duidelijkheid over het proces ontstaat. - Gewezen is op het belang van een integrale aanpak van verschillende vraagstukken, waarbij een regierol van de provincie nodig is, maar ook samenwerking met alle andere stakeholders. De behoefte aan vroegtijdige afstemming tussen de provincie en andere overheden/belanghebbenden is daarbij benadrukt. - Uit de gesprekken komt naar voren dat schuifruimte nodig kan zijn voor verdichting of herstructurering. Door verdichting kan namelijk verdringing van functies plaatsvinden. Ook kunnen te strikte regels en gebrek aan flexibiliteit een verplaatsing/schuifruimte lastig kan maken. - Er is behoefte aan een duidelijke definitie van stadsranden en of de functies die zich hierin bevinden tot het bebouwd of onbebouwd gebied worden gerekend. Het gaat bijvoorbeeld om sport- en recreatiefuncties.

De voorkeur is om deze functies tot bebouwd gebied te rekenen. - Enerzijds is er brede steun voor duidelijke provinciale richtlijnen, normen en keuzes voor het sturen op regionaal schaalniveau, anderzijds wordt er gewezen op het belang van flexibiliteit en maatwerk om gebiedsgerichte oplossingen mogelijk te maken. - Duidelijkheid wordt gevraagd over de plek van glastuinbouw in het nieuwe beleid en of het onderdeel gaat uitmaken van het nieuwe beschermingsregime. Zowel argumenten voor als tegen het opnemen van glastuinbouw zijn genoemd. - Gevraagd is naar de status van al gemaakte afspraken. Hierop is aangegeven dat gemaakte afspraken worden nagekomen, bijvoorbeeld over de bouw van woningen of over bedrijven (3ha-lijst locaties) en ruimte voor ‘Straatje erbij en ertussen’. Beleidslijn ‘Groen en gezond intensiveren in steden en dorpen’ - Ook met betrekking tot het intensiveren van het bestaand stads- en dorpsgebied blijkt behoefte te zijn aan sturing vanuit de provincie en aan inzicht in de betekenis hiervan op langere termijn. Anderzijds is er gewezen op het subsidiariteitsbeginsel met het verzoek aan de provincie om niet te veel op lokaal niveau te sturen. - Uit de gesprekken blijkt brede steun voor adviserende referentiewaarden. Aangegeven is dat referentiewaarden voor werkgelegenheid mogelijk ook wenselijk zijn.

Gevraagd is om louter adviserende referentiewaarden, zodat geen bevoegdheden van de gemeente worden ingevuld. - De waarde van de principes 15-minuten stad en 30-minuten landelijk gebied is in de gesprekken onderstreept. Aandachtspunt is dat lokale omstandigheden en de behoefte aan voorzieningen van elkaar kunnen verschillen. Daarbij zijn ook factoren genoemd die van invloed kunnen zijn op de beleving van het voorzieningenpeil, zoals verschillen in ervaring van afstanden/reistijden en de mate van sociale cohesie.

71

-

-

-

-

Ook is het belang van openbaar vervoer benadrukt zodat niet nog meer autoafhankelijkheid ontstaat, hoewel voor sommige dorpen autogebruik als onvermijdelijk wordt gezien. De behoefte bestaat aan extra ruimte voor voorzieningen bij intensivering, waarbij flexibiliteit en maatwerk nodig is. Waar maatschappelijke voorzieningen achterblijven is behoefte aan prioritering, al bestaat het besef dat niet alles kan worden behouden en bijgestuurd. Verder is het belang van functiemenging benadrukt zodat zuinig kan worden omgesprongen met de ruimte, vooral op bedrijventerreinen. Flexibiliteit is hierbij nodig zodat ruimte kan worden geboden aan creatieve oplossingen. Door deelnemers is erop gewezen dat de invloed van overheden op het op peil houden van huisartsen niet alomvattend is. Voor de instandhouding van voorzieningen is geld nodig en huisartsen maken eigen afwegingen. Tot slot zijn er zorgen geuit over beperkte gemeentelijke financiën in relatie tot de uitwerking van de verschillende opgaven en het realiseren van maatschappelijke voorzieningen.

Beleidskeuze 6.2.2 Ruimtelijke kwaliteit en landschap Deze Beleidskeuze is gewijzigd als onderdeel van de ‘ruimtelijke koers’. Voor de volledige conclusie, motivatie en het participatieverslag verwijzen we naar de toelichting onder ‘Beleidskeuze 6.2.1 ‘Toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling’.

Beleidskeuze 6.2.3 Groenblauw netwerk In de Omgevingsvisie wijzigt de beleidskeuze Groenblauwe netwerken. In het Omgevingsprogramma wordt de maatregel 6.2.3.1 Aanpak groenblauw netwerk toegevoegd. Daarnaast wordt de maatregel over de Vlietzone ingetrokken en vervangen door de maatregel 6.2.3.2 Ontwikkeling en realisatie deelgebieden Landschapspark. Het omvat daarmee meer gebieden.

Motivering Een gezonde, veilige, prettige omgeving voor mens en dier vraagt om een steviger ambitie en een urgenter verhaal, gezien de bouwopgave en andere transities die landen in Zuid-Holland. Er wordt een koppeling gelegd tussen verschillende groenblauwe opgaves. Teksten zijn hierop verbeterd. De kracht zit in de samenhang van het netwerk. Samenwerken aan een groenblauw netwerk is van belang. We benoemen hoe we een versterking en verbetering van het groenblauwe netwerk willen bereiken in het programma. Op dit moment staat er slechts een specifieke maatregel (een onderdeel van het landschapspark, te weten de Vlietzone) in het omgevingsprogramma. We breiden dit uit, waarmee we voorsorteren op een programma groenblauw. In de praktijk zijn onderdelen van het groenblauwe netwerk niet altijd goed beschermd. Een voorbeeld hiervan zijn de groenblauwe ontwikkellijnen van het landschapspark of het stedelijk groen als onderdeel van het hoofdnetwerk. Ook wil de provincie nieuwe barrièrewerking binnen het groenblauwe netwerk voorkomen. We voegen deze onderdelen daarom toe aan de verordening. Over de specifieke plekken en lijnen wordt parallel aan de inspraak overleg gevoerd met gemeenten. Ten aanzien van drinkwatervoorziening in de Vlietzone is een passage opgenomen in maatregel 6.2.3.2 Ontwikkeling en realisatie deelgebieden Landschapspark. 72

Participatie Ten behoeve van beleidsaanpassingen met betrekking tot het groenblauw netwerk in Herziening 2025 is een ateliergroep opgericht met daarin een selectie van gemeenten, waterschappen en terreinbeherende organisaties. Deze groep is 3 keer fysiek en 4 keer digitaal bijeengeweest om te werken aan de teksten en de ambitiekaart groenblauw netwerk. Daarnaast is de groep uitgenodigd om te reageren op de stukken. In de internetconsultatie waren uitgesproken voor- en tegenstanders van het vastleggen van het groenblauw netwerk in de verordening. Er waren zorgen over het niet voldoende of juist te stevig vastleggen van het netwerk. Deze zorgen zijn zorgvuldig meegenomen in de verdere uitwerking van de teksten en kaarten. Zo is in de toelichting van de verordening duidelijker gemaakt wat met de vastlegging wordt beoogd. Dit zal parallel aan de inspraak met gemeenten worden gesproken. Bij de verdere uitwerking van het groenblauw netwerk, de deelgebieden van het Landschapspark Zuidvleugel en in de Groene Cirkel Groene Gezonde Stad werkt de provincie intensief samen. Dit doet ze in projectorganisaties voor de deelgebieden van het Landschapspark en in bijeenkomsten die ze samen met de partners uit de Groene Cirkel organiseert.

Verder wordt daarbij in verschillende verbanden met bewoners, lokale organisaties en overheden samengewerkt om stedelijke gebieden in Zuid-Holland groener en duurzamer te maken.

Beleidskeuze 6.2.4 Ontwikkelingen houden rekening met water en bodem Met deze wijziging zijn bestaande teksten in de omgevingsvisie aangescherpt en aangevuld door water en bodem randvoorwaardelijk te maken. Dit is gedaan in de beleidsdoelen ‘Leven met Water’, ‘Wonen’, ‘Ruimte en Landschap’ en ‘Klimaatbestendig Zuid-Holland, opgewassen tegen de effecten van klimaatverandering’ en in enkele van de onderliggende beleidskeuzes. Tevens is het beleidsdoel Ruimte en landschap aangevuld met een nieuw doel ‘Ontwikkelingen houden rekening met water en bodem’. Dit heeft geleid tot de nieuwe beleidskeuze ‘6.2.4 Ontwikkelingen houden rekening met water en bodem’. De visiewijzigingen hebben voor drinkwatervoorziening geleid tot een aanvulling van ‘5.3.2.9 Verkennen toekomstige bronnen voor drinkwaterproductie en verlenen vergunningen’ in het programma. Daarnaast is de maatregel ‘6.2.4.1 Water en bodem in locatiekeuze en locatieinrichting’ opgesteld. Hierin wordt een koppeling gelegd met de ‘Signaleringskaart klimaatrisico’s voor bouwactiviteiten’ en een set van prestatie-eisen gebaseerd op de ‘Leidraad klimaatadaptief bouwen’. Om zo water en bodem mee te nemen in locatiekeuzes en locatie-inrichting bij ruimtelijke ontwikkelingen; Tot slot zijn er wijzigingen in de Omgevingsverordening aangebracht. De titel van paragraaf 7.3.6a wordt aangepast in “toekomstbestendig ruimtelijk ontwikkelen”.

Artikel 7.41a (risico’s van klimaatverandering) wordt verplaatst naar paragraaf 7.3.3 Risico’s voor klimaatverandering, en hernummerd naar 7.23 (waar dit artikel eerder ook heeft gestaan). Ingevoegd wordt artikel 7.41ff (klimaatadaptief ruimtelijk ontwikkelen) met bijbehorende toelichting. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten in voldoende mate bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem.

73

Motivering We lopen tegen de grenzen van het water- en bodemsysteem aan. Het blijkt niet meer maakbaar om met ons huidige systeem de risico’s die zijn verbonden aan water te veel, water te weinig en overstromingsrisico’s op te lossen. Bodemdaling en lage waterstanden zorgen voor veel schade aan funderingen van gebouwen en extra onderhoud aan wegen en spoorwegen. Voldoende goed drinkwater is niet langer vanzelfsprekend. Het voortbestaan van planten- en diersoorten staat onder druk. De kwaliteit en beschikbaarheid van water en bodem hebben grote invloed op de scheepvaart, landbouw, energievoorziening, industrie en natuur. Op verzoek van PS is uitgewerkt hoe water en bodem sturend randvoorwaardelijk kunnen zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen.

74

Participatie en internetconsultatie Wat is er gedaan aan participatie en welke doelgroepen zijn er gesproken? Tijdens het open huis is een goed bezochte sessie georganiseerd in de vorm van een Lagerhuisdebat. Van deze sessie is een beeldverslag (zie figuur op volgende pagina) gemaakt. Diezelfde dag zijn de tekstvoorstellen meegegaan in de internetconsultatie. Voor WBS zijn van ruim 20 stakeholders reacties binnengekomen. Daarnaast is vanuit het programmateam WBS een eigen participatielijn georganiseerd. Gemeenten zijn uitgenodigd via de DPRA-werkregio’s (klimaatadaptatie) en de accounts Ruimte waren schriftelijk uitgenodigd te reageren op de teksten. De belangrijkste doelgroepen voor de participatie van water en bodem sturend zijn gemeenten en waterschappen. Ten behoeve van afstemming met de waterschappen heeft het programmateam WBS tevens maandelijks een afstemmoment met hun waterschap strategen over de rol van de waterschappen bij locatiekeuze en expertise aangaande prestatie-eisen. Op 21 juli zijn de Omgevingsdiensten ingelicht over het proces en de inhoud van de herziening van het Omgevingsbeleid 2025, teneinde gezamenlijk een beeld te vormen wat het nieuwe beleid betekent voor hun adviserende rol voor de gemeenten. De gesprekken in de ontwerp fase waren zeer nuttig en zullen vervolg krijgen in de definitieve fase van de Herziening 2025.

Wat waren de uitkomsten van het (de) participatietraject(en)? Uit de internetconsultatie is gebleken dat veel stakeholders het nieuwe beleid voor water en bodem bemoedigen. De waterschappen hebben hun complimenten uitgesproken voor de voornemens voor beleid en de voorstellen om prestatie eisen op te nemen als instructieregels in de verordening. Vanuit de gemeenten zijn juist een aantal kritische reacties ontvangen; deze gemeenten gaven aan dat zij juist voorkeur hebben voor meer gemeentelijke beleidsvrijheid. De omgevingsdiensten benadrukken het belang van de duidelijkheid en uitvoerbaarheid van de prestatie-eisen. Hoe zijn de uitkomsten wel/niet meegenomen in de uiteindelijke besluitvorming/tekst? Mede naar aanleiding van de internetconsultatie zijn de beginselen van ‘Water Bodem Sturend’ verankerd in het Ontwerp Omgevingsbeleid. In de visie is een nieuwe beleidskeuze opgenomen. In het programma zijn handvaten/maatregelen gegeven hoe met de signaleringskaart risico s voor locatiekeuze ingeschat kunnen worden en met de prestatie eisen worden handvaten voor inrichting gegeven. En ook in de Verordening wordt opgenomen dat, ruimtelijke ontwikkelingen in voldoende mate moeten bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem.

75

Ter illustratie: Beeldverslag Open huis dd. 6 maart

76

Beleidsdoel 7.1 Bevorderen verbetering milieukwaliteit en gezondheid Beleidskeuze 7.1.4 Beschermen en benutten van de kwaliteiten van het bodem- en grondwatersysteem De beleidskeuze is geactualiseerd en de ontwikkeling van 4D-Ordening is meegenomen.

Motivering Gezien landelijke ontwikkelingen onder andere rondom water en bodem sturend en de verdere ontwikkeling van 4D-Ordening is een actualisatie van het beleid wenselijk. Voor het duurzaam beheren van waarden van de ondergrond wil de provincie dit verder bevorderen om zodoende beter inzicht te krijgen in het hedendaagse landschap en slimmer om te gaan met toekomstig ruimtegebruik.

Participatie en internetconsultatie Vanuit Bodem & Ondergrond is wat betreft participatie aangesloten bij de internetconsultatie vanuit het Omgevingsbeleid. Op deze wijze zijn alle doelgroepen betrokken, ook degenen die minder deskundigheid over -of affiniteit met- het thema hebben. Vanuit bodem hebben we daarnaast de Omgevingsdiensten, aangezien zij een verbindende rol hebben naar gemeenten toe en gemeenten inhoudelijk adviseren over dit thema, gewezen op de internetconsultatie. Omtrent de internetconsultatie is er 1 reactie van de Omgevingsdienst West-Holland geweest die tot aanpassing van de huidige tekst heeft geleid. De definitie van 4D-Ordening is naar aanleiding hiervan aangepast. Vanuit de Omgevingsdienst Midden-Holland is een reactie gekomen over ecologische waarden. Dat thema wordt nog verder uitgewerkt en zal naar verwachting in een latere herziening worden opgenomen.

Beleidskeuze 7.1.6 Gezondheid en welzijn Motivering en conclusie De maatregel ‘Samenwerken aan een gezond Zuid-Holland’ geeft op hoofdlijnen inzicht in het programma Gezondheid en Welzijn. Dit programma is eerder, na brede afstemming met partnerorganisaties, door Gedeputeerde Staten vastgesteld. Om inzichtelijk te maken hoe de beleidskeuze Gezondheid en Welzijn wordt uitgevoerd is de maatregel ‘Samenwerken aan een gezond Zuid-Holland’ aan het omgevingsbeleid toegevoegd.

Participatie en internetconsultatie De provincie heeft met het programma gezondheid en welzijn de ambitie om de gezondheid van de inwoners te verbeteren en de gezondheidsverschillen te verkleinen. Gezondheid is hierin de uitkomst van een groot aantal factoren en daarom speelt participatie een centrale rol binnen het programma. Vooraf aan de vaststelling van het programma zijn verschillende interne- en externe sessies georganiseerd om op te halen hoe we het programma willen vormen. De uitkomsten hiervan zijn geïntegreerd in de drie verschillende programmalijnen: gezonde leefomgeving, gezond voedsel en kennisinfrastructuur. Daarnaast is bij de uitvoering van de programmalijnen regelmatig contact met verschillende bestaande en nieuwe partners en worden kennis en inzichten gebruikt en gedeeld met elkaar. 77

Beleidsdoel 7.2 Bevorderen recreatie, duurzaam toerisme en sport Beleidskeuze 7.2.1 Recreatie, sport en bewegen In de beleidskeuze wordt een nuance aangebracht met het woord ‘meer’. Voor Recreatie worden daarnaast de volgende wijzigingen aan de ZHOV voorgesteld: Haagse stadsbossen beschermen Op verzoek van de gemeente is de provincie voornemens de Scheveningse bosjes beschermingscategorie 1 NNN toe te kennen en tevens de beschermingscategorie 2 recreatiegebied. Daarbij geldt wel als randvoorwaarde dat de gemeente Den Haag de gebieden in het Omgevingsplan een passende functie geeft die zowel de natuurwaarde als de recreatieve waarde borgt. Als alternatief voor de gecombineerde aanduiding NNN en recreatie, overweegt de provincie aan dit gebied de aanduiding “groenblauw netwerk” toe te kennen. Dit is een nieuwe aanduiding die in deze herziening wordt geïntroduceerd. Recreatiegebieden De provincie is voornemens om voor recreatie in de herziening 2025 een aantal wijzigingen door te voeren ten aanzien van begrenzingen van recreatiegebieden.

Motivering Haagse stadsbossen beschermen De gemeente Den Haag heeft aan de provincie verzocht de Haagse stadsbossen toe te voegen aan het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Het gaat onder meer om de Scheveningse Bosjes. Ecologisch onderzoek heeft aangetoond dat ze een waardevolle en robuuste toevoeging voor het NNN betekenen. Deze natuurwaarden gaan samen met het huidige recreatieve gebruik, voor wandelen, fietsen etc. Door ze de beschermingscategorie 1 van het NNN toe te kennen worden ze beschermd, zodat natuurwaarden behouden blijven voor toekomstige generaties. Door de toekenning van de beschermingscategorie 2, recreatiegebied, brengt de provincie tot uitdrukking dat de natuurwaarden in dit gebied samengaan met het recreatieve gebruik. Maatregelen voor natuurbeheer en - ontwikkeling mogen het recreatieve gebruik dus niet inperken en andersom mogen nieuwe recreatieve ontwikkelingen niet ten koste gaan van de natuurwaarden. Recreatiegebieden Om de grenzen in overeenstemming te laten zijn met de bestaande situatie, worden de geometrische begrenzingen in overeenstemming gebracht met de werkelijke situatie. Zo is duidelijk van wat er onder de bescherming valt en wat niet (bijvoorbeeld een doorgaande weg of achtertuin van een particulier) en wordt er tevens meer consistentie in de aanwijzing hiervan aangebracht. Dit zullen dus kleine wijzigingen zijn, welke technisch van aard zijn.

Anderzijds worden er wijzigingen worden gedaan naar aanleiding van zienswijzen op de herziening van 2024 of naar aanleiding van verzoeken van gemeenten die de provincie wil overnemen. Daarbij gaat het om grotere wijzigingen. Dit betreft de Uitwaayer, de noordrand van het Oostvoornse Meer en 't Weegje.

78

Participatie en internetconsultatie Deze wijzigingen zijn ook eerder aangekondigd in de internetconsultatie. Omdat het technische wijzigingen betreft zijn er geen verdere participatietrajecten geweest.

Beleidsdoel 7.3 Klimaatbestendig Zuid-Holland, opgewassen tegen de effecten van klimaatverandering In deze herziening zijn wijzigingen opgenomen waaruit meer ruimtelijke sturing op basis van het water- en bodemsysteem is ontstaan. Om het omgevingsbeleid zo eenduidig mogelijk vorm te geven is ervoor gekozen om beleidstekst, tekst met dezelfde strekking, uit dit beleidsdoel en beleidskeuze ‘7.3.2 Klimaatadaptatie’ te halen. Daarbij zijn een aantal accenten in de beleidskeuze aangebracht waarin het belang van het water- en bodemsysteem voor een klimaatbestendiger Zuid-Holland terugkomen. De motivering van deze wijzigingen is terug te vinden onder ‘6.2.4 Ontwikkelingen houden rekening met water en bodem’.

Beleidskeuze 7.3.1 Beperken CO2-eq emissies en bodemdaling voor toekomstbestendige veenweiden Enkele tekstenonderdelen in de beleidskeuze 7.3.1 zijn redactioneel gewijzigd. Daarnaast is de taakstelling voor CO2-reductie uit veen voor Zuid-Holland is aangescherpt. Uit recent onderzoek blijkt dat het verhogen van de grondwaterstand noodzakelijk is om de gestelde doelen te realiseren. De Omgevingsvisie agendeert verdere verkenningen om ondersteunende of sturende instrumenten en middelen aan te kondigen. In de Omgevingsverordening wordt de status quo vastgelegd door ervoor te zorgen dat het huidige tempo en de omvang van de CO2-emissie uit veen tenminste niet toenemen. Daarnaast wijzigt de titel van de beleidskeuze. De huidige titel, 7.3.1 ‘beperken maatschappelijke kosten door bodemdeling’, dekt de lading niet goed meer. Dit is versterkt doordat de overlap met beleidskeuzes 6.1.2 ‘toekomstbestendig bouwen’ en 7.3.2 ‘klimaatadaptatie’ uit de tekst is gehaald.

Motivering In deze herziening zijn wijzigingen opgenomen waaruit meer ruimtelijke sturing op basis van het water- en bodemsysteem is ontstaan. De motivering is te vinden onder ‘Beleidskeuze 6.2.4 Ontwikkelingen houden rekening met water en bodem’. Daarnaast is in de beleidskeuze de taakstelling voor CO2-reductie uit veen in Zuid-Holland aangescherpt. Dit is gebaseerd op recente onderzoeksresultaten die aantonen dat het verhogen van de grondwaterstand essentieel is om de gestelde doelen te bereiken. Dit onderzoek biedt een duidelijker beeld van de noodzakelijke maatregelen voor doelrealisatie. De Klimaatakkoordopgave voor CO2-reductie in Zuid-Holland ontbrak nog en is nu toegevoegd. Door recente studies zoals de “impactstudie verhogen grondwaterstand veenweiden” en de Omgevingseffectrapportage (OER), is ons kennisniveau over CO2 en bodemdaling in veengebieden toegenomen. Hoewel we nu meer inzicht hebben in de oorzaken, gevolgen, mogelijkheden en benodigde inzet, is het halen van de gestelde doelen nog ver weg en vereist het veel extra of andere inzet.

79

Participatie en internetconsultatie Zie voor de participatie op dit onderdeel het participatieverslag bij ‘Beleidskeuze 6.2.4 Ontwikkelingen houden rekening met water en bodem’, in aanvulling daarop: Er is een Impactstudie ‘verhogen grondwaterstand veenweiden Groene Hart’– tot stand gekomen met ambtelijke input vanuit een klankbordgroep waarin provincies waterschappen, het rijk, LTO en enkele agrariërs hebben deelgenomen. De klankbordgroep kwam om de 6 tot 8 weken bij elkaar. Het resultaat is gedeeld in een aantal veenweide deelgebied-regieteams. In het vervolg op de bovengenoemde impactstudie zijn en worden diverse overleggen gevoerd met het Groene Hart, de provincies en de Zuid-Hollandse waterschappen over hoe met de resultaten moet worden omgegaan bij uitrol van maatregelen en in verdere beleidsontwikkeling. De overleggen vonden en vinden om de 6 tot 8 weken plaats. Overige participatiemomenten die plaats hebben gevonden: - Open Huis 6 mrt’25 - Toelichtende sessie gehouden voor aanwezige overheden en maatschappelijke organisaties. - Internetconsultatie mrt’25 - Reacties gekregen van overheden en maatschappelijke organisaties. - Daarnaast heeft PZH geparticipeerd in diverse kennis genererende pilots en onderzoeksprogramma’s en aan diverse bestuurlijke/ambtelijke tafels deelgenomen.

Het blijkt uit het Open Huis, de internetconsultatie en de bestuurlijk/ambtelijke tafels dat het nodig is om de kennis over de impact van het verhogen van de grondwaterstand veenweiden en over de nog (lastige) keuzen/beheersvraagstukken die daarbij komen kijken te verbeteren bij alle partijen. De reacties uit het Open Huis en internetconsultatie bevestigen dat het nat(ter) houden veenweiden raakt aan gevestigde belangen en opgaven. Soms is dit negatief en soms is dit positief. Dat zien we terug in de reacties van vooral waterschappen en grondgebruikers. De reacties uit het Open Huis en de internetconsultatie stellen dat het belangrijk en noodzakelijk is dat voor het beleidsvraagstuk “nat(ter) houden veenweiden” extra ondersteunende instrumenten en middelen worden vrijgemaakt. De uitkomsten zijn meegenomen door in deze Herziening 2025 (nog) terughoudend te zijn met stevige instructies via de Verordening en te kiezen voor een Visie waarin de nadere verkenning van ondersteunende of sturende instrumenten en middelen wordt geagendeerd

80

8. Verantwoording Omgevingseffectrapport (OER) 8.1 Zuid-Hollands programma landelijk gebied (ZH-PLG) Het onderdeel ZHPLG bestaat uit verschillende onderdelen: Grondwaterstand verhogen, Boerenlandvogels, Emmissieplafond ammoniak en Drukfactoren N2000.

8.1.1 Grondwaterstand verhogen Wat gaat er in de Herziening 2025 concreet wijzigen in het Omgevingsbeleid: VISIE • Opgave/taakstelling reductie CO2 uit veen voor ZH is aangescherpt • Uitkomst recent onderzoek is toegevoegd en daarmee zicht op wat nodig is voor de doelrealisatie: het bewegen naar een grondwaterstand van 40cm onder maaiveld of minder. • In ‘agenderende’ visie worden nadere verkenningen voor ondersteunende of sturende instrumenten en middelen aangekondigd PROGRAMMA • Actualisatie van tekst op ontwikkelingen ZHPLG, gebiedsplannen en onderzoeken. VERORDENING • In verordening wordt status quo vastgelegd door huidige tempo/omvang huidige CO2-emissie uit veen tenminste niet te laten toenemen. Betreft dit één van de onderzochte alternatieven in het OER of een combinatie daarvan: Voor de OER is gebruik gemaakt van de uitkomsten van ander/eerder gedaan onderzoek. En de OER heeft zich beperkt tot rekenkundige doelrealisatie en is voorbijgegaan aan wat daarvoor nodig is aan te ontwikkelen instrumenten en middelen. Hoe zijn de uitkomsten van het OER gebruikt voor het definitieve Ontwerp: Het OER heeft dilemma's van verhogen grondwaterstand in veenweiden, door de impact op het watersysteem en grondgebruik, bevestigd en breder bekend gemaakt. Welke overige inzichten heeft het OER opgeleverd: Zie vorige

8.1.2 Boerenlandvogels Wat gaat er in de Herziening 2025 concreet wijzigen in het Omgevingsbeleid: In de visie wordt de tekst onder beleidskeuze 5.1.1 Nieuwe natuur realiseren en onder 5.1.1.2 Versterken natuur- en landschapswaarden op een aantal plekken aangepast. Er wordt een aantalsdoelstelling opgenomen incl. een indicatieve vertaling naar benodigd oppervlak aan extra inzet op Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb). En er wordt aangegeven dat de landelijke extra middelen voor Agrarisch Natuurbeheer (ANB) hiervoor zullen worden ingezet. In het programma worden de teksten voor boerenlandvogels en agrarisch natuurbeheer onder beleidsdoel 5-1 Gezonde natuur - Versterken natuur en landschapswaarden op een aantal plekken uitgebreid. De aantalsdoelstellingen uit de visie worden hier herhaald en er wordt een verwijzing opgenomen naar landelijke ontwikkelingen en kansen voor uitbreiding ANLb (extra landelijke middelen ANB en maatregelpakketten). 81

Betreft dit één van de onderzochte alternatieven in het OER of een combinatie daarvan: In het Omgevingsbeleid worden teksten geactualiseerd en er wordt een aantalsdoelstelling opgenomen. Er zijn twee alternatieven beoordeeld in het OER met betrekking tot de uitvoeringsstrategie voor het bereiken van die doelstelling. Alternatief 1 was vrijwel gelijk aan het referentiescenario en komt neer op uitvoering via bestaand instrumentarium. Alternatief 2 ging uit van een sterkere provinciale sturing en van het opleggen van vergaande beperkingen aan agrarische ondernemers op het gebied van waterpeil, veebezetting en bemesting. Omdat er in de wijziging van het Omgevingsbeleid geen keuze is gemaakt over de uitvoeringsstrategie, wordt bestaand beleid voortgezet. En dat komt dus overeen met het onderzochte alternatief 1. Hierbij leven sterke twijfels over doelbereik, dat wordt ondersteund door het OER. De aantallen zelf zijn niet beoordeeld in het OER, omdat het noemen van aantallen op zichzelf niet per se omgevingseffecten heeft. Hoe zijn de uitkomsten van het OER gebruikt voor het definitieve Ontwerp: De uitkomsten van het OER zijn niet gebruikt voor het definitieve ontwerp, omdat het opnemen van een aantalsdoelstelling geen omgevingseffecten heeft.

Welke overige inzichten heeft het OER opgeleverd: Verhoging van het waterpeil in veenweiden blijkt nog wel wat aandachtspunten op te leveren met betrekking tot over wateropgaven op het gebied van wateroverlast en -beschikbaarheid.

8.1.3 Emissieplafond ammoniak Wat gaat er in de Herziening 2025 concreet wijzigen in het Omgevingsbeleid: In de herziening 2025 worden de teksten in de Visie en het programma gewijzigd. De oude reductiecijfers worden vervangen door recente gegevens. Ook wordt er gewerkt aan een geborgd systeem van emissiereductie richting 2035. Hierbij wordt gewerkt met een doel in de bandbreedte van 35-45kg/ha/jr. Betreft dit één van de onderzochte alternatieven in het OER of een combinatie daarvan: Het betreft een combinatie van de alternatieven, omdat er nog geen definitieve keuze is gemaakt over de hoogte van het doel. Hoe zijn de uitkomsten van het OER gebruikt voor het definitieve Ontwerp: Uit de OER blijkt dat de omgevingseffecten van de alternatieven elkaar niet (of heel beperkt) ontlopen. Bij alle varianten treden dezelfde effecten op, maar dat betekent niet dat de effecten ook even groot zijn. De visieteksten laten ruimte om op termijn de juiste invulling te kunnen geven aan deze doelstellingen. Dat doet recht aan de zorgen die er leven en aan de randvoorwaarden die moeten worden ingevuld voordat er (mogelijk) op termijn een normering kan volgen.

8.1.4 Drukfactoren N2000 Wat gaat er in de Herziening 2025 concreet wijzigen in het Omgevingsbeleid: De Natura 2000-doelen worden op dit moment niet altijd gehaald. Een belangrijke reden hiervoor is dat er drukfactoren spelen die een negatieve invloed hebben op de instandhoudingsdoelen (VHR-doelen) van deze gebieden. De algemene onderzoeksuitwerking wordt vervangen door een expliciete keuze voor een gebiedsspecifieke aanpak (in plaats van 82

generieke zonering of borging via beheerplannen), met de mogelijkheid van overgangszones en bijbehorend flankerend beleid, dit is opgenomen onder maatregel 5.1.2.3. Betreft dit één van de onderzochte alternatieven in het OER of een combinatie daarvan: Dit betreft deels één van de onderzochte vormen, namelijk een gebiedsgerichte aanpak per Natura2000-gebied, met waar nuttig en noodzakelijk een overgangszone zoals voorgesteld in het derde alternatief van de OER. Qua doelbereik is uit de Omgevingseffectrapportage (OER) gebleken dat een gebiedsspecifieke zone per Natura 2000-gebied beter scoort dab een generieke zone van 1 kilometer. Daarnaast geeft een gebiedsspecifieke zonering ook meer ruimte om per gebied en in samenwerking met de gebiedspartners te kijken wat voor maatregelen nodig, nuttig en kansrijk zijn. Hoe zijn de uitkomsten van het OER gebruikt voor het definitieve Ontwerp: De Omgevingseffectrapportage (OER) heeft een belangrijke rol gespeeld in het aanscherpen en richting geven van de beleidskeuze onder 5.1.2 Beschermen en versterken bestaande natuur en soorten. Waar in de eerdere tekst nog sprake was van een open verkenning van overgangsgebieden, zijn de uitkomsten van de OER gebruikt om verschillende varianten te beoordelen op hun bijdrage aan doelbereik en hun effecten op de leefomgeving.

Uit de OER blijkt dat een gebiedsspecifieke zonering meer effect heeft dan generieke maatregelen, omdat deze aansluit bij de specifieke drukfactoren en ecologische omstandigheden van ieder afzonderlijk Natura 2000-gebied. Hierdoor is gekozen voor een gebiedsspecifieke aanpak, in nauwe samenwerking met gebiedspartners, waarbij maatregelen beter afgestemd kunnen worden op de lokale situatie. De OER heeft duidelijk gemaakt dat het gebruik van overgangszones een kansrijke aanvulling kan zijn, mits toegepast waar dit daadwerkelijk nuttig, nodig en haalbaar is. Daarom is in de beleidsaanpassing opgenomen dat overgangszones niet langer als generiek instrument worden verkend, maar gericht en gebiedsspecifiek kunnen worden toegepast om drukfactoren te verminderen. Omdat de OER ook wijst op mogelijke negatieve effecten voor de leefomgeving en voor bestaande activiteiten, is in het beleid nu voorzien in flankerend beleid. Dit houdt in dat waar beperkingen optreden voor bijvoorbeeld agrarische activiteiten, compenserende of ondersteunende maatregelen worden ontwikkeld. Dit is vastgelegd onder maatregel 5.1.2.3. Mitigerende maatregelen agrarisch verdienvermogen Uit het OER blijkt dat de ZH-PLG alternatieven leiden tot negatieve effecten op agrarisch verdienvermogen, uitgaande van de huidige bedrijfsvoering.

Ook blijkt dat de mate waarin de negatieve effecten optreden nog afhangt van de implementatie in het Omgevingsbeleid: of een beleidswijziging bijvoorbeeld als streefwaarde wordt opgenomen in de visie of normerend via de verordening. Om de besluitvorming over deze exacte implementatie te ondersteunen is een inventarisatie gemaakt van mitigerende maatregelen in het provinciaal beleid die hier tegenover kunnen worden gezet. Maatregelen die agrariërs ondersteunen, maar vooral maatregelen waarmee zij maatschappelijke doelen kunnen realiseren op hun bedrijf. Hier is een brede inventarisatie van gemaakt, waarbij hieronder de belangrijkste inzichten zijn opgenomen. 83

•

•

•

•

•

Uit de inventarisatie blijkt dat de provincie een brede waaier aan flankerend beleid heeft dat ruimte kan (blijven) bieden voor agrarisch ondernemerschap. Dit varieert van subsidies, maatregelen op het gebied van ruimtelijke ordening (waaronder de bescherming van het open gebied via de beleidslijn toekomstbestendig landelijk gebied) tot grondinstrumenten. Een deel van dit instrumentarium kan verder ontwikkeld worden om beweging op de maatschappelijke doelstellingen mogelijk te maken. Het gaat bijvoorbeeld om de inzet van de extra rijksmiddelen voor agrarisch natuurbeheer (ANB), het onderzoeken van beperkingen in de ruimtelijke regels voor de diversifiëring van agrarische bedrijven, een nieuwe ruimtelijke titel of landgebruikscategorie (zoals hoogwaterlandbouw) om beperkingen financieel te kunnen faciliteren, herziening van het grondinstrumentarium en het bieden van tijd en voorspelbaarheid om doelen te halen. Tussen verordenen en niets wijzigen in het Omgevingsbeleid zit een bandbreedte aan keuzeruimte. Voor een deel van de maatregelen is onvoldoende zicht op financiële middelen om forse ingrepen via de verordening te ondersteunen (stand september 2025).

Bijvoorbeeld het op zo kort mogelijke termijn verordenen van een emissieplafond ammoniak leidt tot nadeelcompensatie of flankerend beleid (subsidiemaatregelen) waar tientallen tot honderden miljoenen voor nodig zijn, waar nu nog geen zicht op is. Dit betekent echter niet dat in deze herziening geen keuzes mogelijk zijn: tussen verordenen en niets wijzigen zitten nog veel mogelijkheden waarmee de provincie kan aangeven op welke koers zij wil inzetten. Er zit een sterke samenhang tussen het kunnen mitigeren van negatieve effecten en het kiezen van richting via het Omgevingsbeleid. Uit de inventarisatie blijkt dat het ontwikkelen van instrumentarium om de negatieve effecten te compenseren pas goed gedaan kan worden op het moment dat richting gekozen wordt. Tegelijkertijd is het kiezen van richting zonder zicht op instrumentarium maatschappelijk gevoelig. Daarmee dreigt dit dus een kip-ei situatie te worden. Dit vraagt dus om een keuze, die recht doet aan beide realiteiten. Een belangrijke conclusie van de inventarisatie is dat uitstel van een keuze op de ZH-PLG onderwerpen leidt tot vertraging in het komen tot perspectief op deze onderwerpen.

Voor de ZH-PLG onderwerpen is daarom als belangrijkste lijn gekozen om de doelstellingen voorspelbaar vast te leggen in de omgevingsvisie, in het omgevingsprogramma op te nemen dat het instrumentarium verder uitgewerkt wordt en in Omgevingsverordening maatregelen op te nemen die toezien op het tegengaan van verdere verslechtering, naast een specificering in de verordening van de maatschappelijke belangen van het watersysteem voor peilbesluiten door waterschappen. Tot slot is op zowel korte als lange termijn veel mogelijk in het effectief op elkaar afstemmen van maatregelen, financieel of anderszins. In het stapelen van doelen en middelen zit veel potentie om een gerichte omslag in specifieke gebieden mogelijk te maken. Op dit moment zijn de verschillende instrumenten te versnipperd. Niet alleen bij provincie, maar ook in de samenwerking met medeoverheden en andere maatschappelijke partners. Veel maatregelen staan nog erg los van elkaar, waardoor mogelijkheden om elkaar te versterken gemist worden. Dit vraagt zowel bestuurlijk als ambtelijk om goede samenwerking bij de verdere uitwerking van het instrumentarium.

84

8.2 Water en Bodem Sturen (WBS) Wat gaat er in de Herziening 2025 concreet wijzigen in het Omgevingsbeleid: Aanscherpen van bestaande teksten in de omgevingsvisie en aanvullen met het randvoorwaardelijk maken van water en bodem. Dit is gedaan in de beleidsdoelen ‘Leven met Water’, ‘Wonen’, ‘Ruimte en Landschap’, ‘Klimaatbestendig Zuid-Holland, opgewassen tegen de effecten van klimaatverandering’ en in enkele van de onderliggende beleidskeuzes. Tevens is een nieuwe beleidskeuze ‘Ontwikkelingen houden rekening met water en bodem’ geïntroduceerd. Toevoegen van enkele maatregelen aan het omgevingsprogramma, over drinkwatervoorziening, over de koppeling van de ‘Signaleringskaart klimaatrisico’s voor bouwactiviteiten’ en leidraad Klimaatadaptief bouwen 2.0 aan de locatiekeuze en locatie-inrichting bij ruimtelijke ontwikkelingen. Toevoegen nieuwe instructieregel aan gemeenten met een set aan prestatie-eisen voor klimaatadaptieve ruimtelijke ontwikkeling die in acht genomen moeten worden, en instructies om in algemene zin rekening te houden bij het vaststellen van het omgevingsplan. Betreft dit één van de onderzochte alternatieven in het OER of een combinatie daarvan: De beleidswijziging voor water en bodem sturend komt in grote lijnen overeen met een combinatie van alternatief 1 en 2 zoals onderzocht in het OER.

De ‘Signaleringskaart klimaatrisico’s voor bouwactiviteiten’ is namelijk vastgesteld in het programma om slimme locatiekeuze voor woningbouw te stimuleren (dus niet in de verordening zoals in de OERalternatieven is inbegrepen). Daarnaast zijn prestatie-eisen vastgesteld in de Omgevingsverordening als instructieregel voor gemeenten. In de instructieregel is een onderscheid gemaakt tussen de verschillende eisen wat betreft bestuurlijke afwegingsruimte. Dit zit hem in de formulering en zwaarte van de eis, voor een aantal eisen geldt: ‘in acht nemen’, de overige eisen zijn beland in de toelichting van de verordening, hiervoor geldt: ‘rekening houden met’. Hoe zijn de uitkomsten van het OER gebruikt voor het definitieve Ontwerp: Uit het OER blijkt dat alle 3 de WBS-alternatieven goed scoren op de indicatoren: Klimaatadaptatie (Hittestress, wateroverlast en overstromingsdiepte), 4D ordening: bodemdaling, Landschappelijke kwaliteit, Soortendiversiteit, Energiegebruik en Leefbaarheid. Dit zijn criteria waarop autonoom veelal negatieve ontwikkelingen worden verwacht, en waar nieuw beleid dus tot een verbetering leidt. De alternatieven 2 en 3 scoren het meest positief op de genoemde criteria. De 3 WBS-alternatieven scoren (licht) negatief op het beoordelingscriteria 4D ordening: drukte in de ondergrond.

Deze uitkomst in combinatie met andere (politiek en bestuurlijke) belangen, en de juridische haalbaarheid van een aantal prestatie-eisen heeft geresulteerd in de genoemde wijzigingen voor de Herziening 2025. De beoogde beleidsontwikkeling heeft een (licht) negatief effect op het thema drukte in de ondergrond. Klimaatadaptatiemaatregelen zoals bomen of wadi’s doen als vanzelfsprekend een beroep op de (soms al) beperkte ruimte in de ondergrond. Voor een goede ruimtelijke inpassing dient een lokale afweging te worden gemaakt op het schaalniveau van de planontwikkeling. Vanuit water en bodem sturend zijn hier geen mitigerende maatregelen op geformuleerd. In de

85

herziening van 2025 is 4D-ordening opgenomen onder het thema bodem en ondergrond. Welke overige inzichten heeft het OER opgeleverd: Naast het beleidsvoorstel vanuit WBS beschouwt het OER ook andere beleidsvoorstellen zoals het ZH-PLG. Hieruit blijkt onder andere dat een hogere grondwaterstand een positief effect heeft op grondwaterkwantiteit- & kwaliteit en bodemdaling. WBS is een integraal thema dat zowel terugkomt in de beleidsalternatieven als in de beoordelingscriteria (zoals grondwaterkwantiteit& kwaliteit, bodemkwaliteit, 4D-ordening en klimaatadaptatie).

86

8.3 Toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling (TRO) Wat gaat er in de Herziening 2025 concreet wijzigen in het Omgevingsbeleid: Omdat ruimtelijke ontwikkelingen in bestaand stads- en dorpsgebied en het landelijke gebied met het oog op de nieuwe koers beter in relatie tot elkaar moeten kunnen worden bezien is ervoor gekozen om de vigerende beleidskeuzes ‘Toekomstbestendige stedelijke ontwikkeling’ en ‘Vitaal landelijk gebied’ samen te voegen tot de nieuwe beleidskeuze ‘Toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling’. Deze nieuwe beleidskeuze is in lijn met de uitgangspunten van de nieuwe koers verder uitgewerkt in de volgende drie beleidslijnen: • • •

Uitgangspunten voor een toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling; Ruimtelijke keuzes in de onbebouwde ruimte; Groen en gezond intensiveren in steden en dorpen.

Hieruit volgt dat steden en dorpen zich zo optimaal mogelijk binnen het bestaand stads- en dorpsgebied en binnen de daarvoor reeds gereserveerde ruimte moeten ontwikkelen. Daarnaast wordt een beschermingsgebied onbebouwde ruimte geïntroduceerd waar regels gelden om stedelijke ontwikkelingen te beperken en ruimte te houden voor de realisatie van prioritaire opgaven die voorwaardelijk zijn voor een toekomstbestendige ontwikkeling van Zuid-Holland. Op deze manier kunnen ruimtelijke ontwikkelingen beter in relatie tot elkaar worden bezien en wil de provincie ervoor zorgen dat de juiste functie op de juiste plek landt. Betreft dit één van de onderzochte alternatieven in het OER of een combinatie daarvan: Het betreft een combinatie van onderzochte alternatieven. Beleidslijn A volgt uit de koers en maakt gebruik van onderdelen uit de vigerende beleidskeuzes die in TRO zijn samengevoegd. Voor beleidslijn B en C zijn in het OER ieder 4 alternatieven onderzocht. In de uitwerking van beleidslijn B is gebruik gemaakt van de uitkomsten van het alternatief ‘Behoefte gestuurd groen en gezond verdichten’ en in de uitwerking van beleidslijn C van de uitkomsten van het alternatief ‘Aanscherping en extra beschermingscategorie in Ruimtelijke Kwaliteit’.

Hoe zijn de uitkomsten van het OER gebruikt voor het definitieve Ontwerp: Bij het alternatief voor beleidslijn C bleek het definiëren van agrarisch gebied ingewikkeld te zijn, waardoor de grens van te beschermen landbouwgrond nog onbepaald is. Daarom is ervoor gekozen om hiervoor geen extra beschermingscategorie in het ruimtelijke kwaliteitsbeleid op te nemen maar daarvoor in de plaats het huidige ‘beschermingsgebied categorie 3’ aan te passen door de gebieden van Greenport West-Holland en alle bedrijventerreinen groter dan 1ha hiervan af te trekken (voor die gebieden geldt immers meer specifiek ruimtelijk beleid) en regels in te stellen waarmee de ruimte voor stedelijke ontwikkelingen in dit gebied wordt beperkt. Daarbij is ervoor gekozen om de bescherming niet alleen op het agrarisch gebied te laten rusten maar op de onbebouwde ruimte als geheel. Voor ruimtelijke keuzes in deze onbebouwde ruimte zijn vervolgens prioritaire opgaven benoemd die voorwaardelijk zijn voor een toekomstbestendige ontwikkeling van Zuid-Holland. Deze opgaven richten zich op het bevorderen van een toekomstbestendige en veerkrachtige landbouwsector; een robuust en klimaatadaptief wateren bodemsysteem; een duurzaam en toekomstbestendig systeem voor energie- en (drink)watervoorziening; en op natuurherstel t.b.v. behoud en verbetering van de biodiversiteit.

87

8.3.1 Toekomstbestendige Landbouw Wat gaat er in de Herziening 2025 concreet wijzigen in het Omgevingsbeleid: • Visie: In de Omgevingsvisie wordt het beschermen van landbouwgrond beter geborgd in de beleidskeuze Toekomstbestendige landbouw. Daarnaast zijn enkele tekstuele wijzigingen doorgevoerd en is het begrip ‘toekomstbestendige landbouwsector’ nader geduid. • Programma: In het Omgevingsprogramma worden de drie bestaande maatregelen die uitwerking geven aan de beleidskeuze Toekomstbestendige landbouw aangepast en aangevuld. Specifiek voor het beschermen van landbouwgrond is maatregel 5.2.1.1 Ruimte voor toekomstbestendige landbouw aangescherpt en aangevuld met activiteiten ten behoeve van de verdere beleidsuitwerking hiervan. Betreft dit één van de onderzochte alternatieven in het OER of een combinatie daarvan: In de OER is ‘agrarisch verdienvermogen’ opgenomen als beoordelingscriterium. Het beschermen van landbouwgrond is onderdeel van de alternatieven die zijn onderzocht voor Toekomstbestendige Ruimtelijke Ontwikkeling (TRO). Het gaat hierbij om de beleidsalternatieven voor het beleidsvoornemen ‘steviger beschermen onbebouwd gebied’.

Voor landbouw zijn hiervan de volgende onderzochte beleidsopties relevant: - Het toevoegen van een extra beschermingscategorie voor agrarisch gebied; - Het regime dat voor agrarisch gebied geldt dat aanpassing en transitie voor natuur en recreatie en voor de water-, energie-, klimaat- en groenopgaven zijn toegestaan, mits het agrarisch gebruik of medegebruik mogelijk blijft. Verder is bij variant 3 benoemd dat de grens van te beschermen landbouwgrond nog niet is bepaald; daarvoor zijn eerst keuzes nodig voor de opgave van landbouw zelf. Hoe zijn de uitkomsten van het OER gebruikt voor het definitieve Ontwerp: Uit de OER blijkt dat voor het beschermen van landbouwgrond alternatief 2 (toevoegen extra beschermingscategorie 4: agrarisch gebied) het beste scoort. In dit alternatief wordt het huidige gebruik van het agrarisch gebied het beste geborgd, door bescherming tegen stedelijke ontwikkelingen (nee, tenzij) in combinatie met het beperkt mogelijk maken van andere ontwikkelingen. Ontwikkelingen voor natuur, recreatie en voor de water-, energie-, klimaat- en groenopgaven die in agrarisch gebied leiden tot wijziging van de agrarische functie, zijn in dit alternatief alleen toegestaan mits het agrarisch gebruik of medegebruik mogelijk blijft (ja, mits).

Dilemma bij dit alternatief is dat het op dit moment nog niet mogelijk is om specifieke agrarische gebieden aan te wijzen voor een extra beschermingscategorie ‘agrarisch gebied’. Daarom is in de beleidsuitwerking gekozen om de landbouwgrond nu als onderdeel van een breder ‘beschermingsgebied onbebouwde ruimte’ te beschermen tegen verdere bebouwing. Daarbij blijft het mogelijk om voor landbouw op een later moment alsnog specifiek te beschermen agrarische gebieden aan te wijzen. Ook het sturen op het zoveel mogelijk behouden van de agrarische functie danwel agrarisch medegebruik bij functieverandering, zien we als mogelijke beleidsoptie die nog om nadere uitwerking vraagt en daarom nog niet is opgenomen in het ontwerp van deze Herziening. Mitigerende maatregelen De aanscherping van de beleidsteksten voor Toekomstbestendige landbouw (beleidskeuze en maatregel) voor het beschermen van landbouwgrond is een mitigerende maatregel om het effect van de gekozen beleidsvariant voor TRO op het agrarisch verdienvermogen te minimaliseren. In de maatregel “Ruimte voor toekomstbestendige landbouw” zijn activiteiten 88

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=8904142e-75de-42f9-9ef9-95b64e6f2317