CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

2.2c) Nota van Motivering Ontwerp Herziening omgevingsbeleid 2025 [25-0186132]

Commissie Ruimte en Wonen 10 februari 2026, gemeente WestlandBij agendapunt: Schrijven college d.d. 03-12-25 inzake zienswijze herziening omgevingsbeleid provincie Zuid-Holland 202535.596 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Enkele respondenten zien ook mogelijkheden in behoud door ontwikkeling, bijvoorbeeld beschermde landschappen in relatie tot duurzame energievraagstukken in het landelijk gebied. 46

• • •

•

Ook zijn enkele verbeterpunten genoemd. Deze hebben onder meer betrekking op de Cultuurhistorische Atlas Zuid-Holland. Uitkomst van het participatietraject i.r.t. het Beleidsperspectief: Beschermen van erfgoed is belangrijk, maar het is in het licht van de ruimtelijke transitieopgaven belangrijk om erfgoed ook meer ontwikkelingsgericht/voorwaarts in te kunnen zetten, binnen en buiten de provinciaal beschermde locaties. De kracht van erfgoed om inspiratie te bieden bij planvorming en gebiedsontwikkeling ligt ook in de unieke aan de locatie gerelateerde verhalen. Meer verbinding met de verhalende kant van erfgoed, zoals de erfgoedlijnen, is daarbij belangrijk.

Hoe zijn de uitkomsten wel/niet meegenomen in de uiteindelijke besluitvorming/tekst? Waarom wel of niet? De uitkomsten van de internetconsultatie passen in de al in gang gezette acties om erfgoed naast bescherming meer ontwikkelingsgericht en als inspiratiebron in te zetten bij ruimtelijke transities en gebiedsontwikkelingen. Een van die acties is het actualiseren van de Cultuurhistorische Atlas van Zuid-Holland. De uitkomsten hebben ook tot wijzigingen in de tekst van de beleidskeuze geleid. Die wijzigingen hebben voornamelijk betrekking op het gebruiken van erfgoed en erfgoedexpertise als inspiratiebron bij ruimtelijke ontwikkelingen in de bredere leefomgeving, en op het verbinden van de ruimtelijke opgaven met de verhalende kant van erfgoed (o.a. via de erfgoedlijnen).

Beleidskeuze 4.2.2 Rijksmonumenten en molens in goede staat De beleidskeuze en maatregel 4.2.2.1 zijn geactualiseerd. Provincie Zuid-Holland blijft actief inzetten op het terugdringen van de restauratieachterstand bij rijksmonumenten en het toekomstbestendig maken van ons erfgoed. De subsidieregeling wordt aangepast om beter aan te sluiten op de noden van agrarisch, industrieel, religieus en klein erfgoed. De provincie beperkt zich tot kleine en middelgrote restauratieopgaven en vraagt het Rijk nadrukkelijk om een landelijke regeling voor grote restauratieprojecten (‘Kanjers’). De aanjager herbestemmen richt zich op complexe opgaven, met aandacht voor thema’s als verduurzaming, leegstand en klimaatadaptatie. We ondersteunen gemeenten, met name de kleinere en new Towns, bij de bescherming van wederopbouw- en post 65-erfgoed. In 2025 implementeren we een nieuwe aanpak binnen het IBT om gemeenten beter te begeleiden bij hun erfgoedtaken. Met het molenveld onderzoeken we hoe subsidies voor groot onderhoud en draaipremies effectief ingezet kunnen worden om historische molens in stand te houden.

Motivering De Erfgoedmonitor 2024 laat zien dat de restauratieopgave voor niet-woonhuis rijksmonumenten is gedaald naar 12,9%, waarmee Zuid-Holland op koers ligt richting het gezamenlijke doel van 10% in 2030. Toch blijft voortdurende inzet noodzakelijk, vooral bij categorieën zoals religieus, industrieel, agrarisch en klein erfgoed, waar de druk het hoogst is. Leegstand schommelt rond de 5% en vertoont een lichte stijging, wat het risico op verval vergroot. De provincie heeft daarnaast te maken met grote restauratieopgaven (‘Kanjers’), waarvoor geen landelijke regeling bestaat. De druk op budgetten is hierdoor hoog. Ook recent erfgoed uit de wederopbouw en post 65-periode staat onder druk door sloop en herontwikkeling, 47

terwijl de bescherming nog vaak ontbreekt. De taakuitvoering op erfgoedbeleid bij kleine gemeenten schiet geregeld tekort. Tegelijkertijd is het draaiend houden van historische molens van essentieel belang voor hun instandhouding.

Participatie en internetconsultatie Wat is er gedaan aan participatie en welke doelgroepen zijn er gesproken? • Internetconsultatie in het kader van de herziening omgevingsvisie (inclusief Open Huis). • Participatie bij totstandkoming Beleidsperspectief Erfgoed en cultuur  Strategische sessie met externe stakeholders vanuit verschillende werkvelden (o.a. gemeenten, historische verenigingen, Kunstgebouw, onderwijsinstellingen etc.)  Werksessies met Erfgoedhuis Zuid-Holland  Participatie met interne stakeholders van relevante beleidsvelden. Wat waren de uitkomsten van het (de) participatietraject(en) • Bij de internetconsultatie in het kader van de herziening omgevingsvisie is deze beleidskeuze niet expliciet genoemd. De reacties hadden vooral betrekking op de ruimtelijke omgeving van molens (beleidskeuze 4.2.1) en niet op restauratie, onderhoud of verduurzaming van de monumenten zelf. • De participatie met erfgoedstakeholders (gemeenten, historische verenigingen, Erfgoedhuis Zuid-Holland, interne beleidsvelden) heeft geleid tot een brede bevestiging van het belang van restauratie, herbestemming en verduurzaming van rijksmonumenten. Deze input is opgenomen in het Beleidsperspectief Erfgoed en Cultuur.

Hoe zijn de uitkomsten wel/niet meegenomen in de uiteindelijke besluitvorming/tekst? Waarom wel of niet? • De internetconsultatie heeft geen directe doorwerking gehad in beleidskeuze 4.2.2, omdat erfgoed en restauratie daar niet expliciet aan de orde kwamen. • De uitkomsten van de erfgoedgerichte participatie zijn wel verwerkt. Zij vormen de basis voor de beleidsmatige uitwerking rond behoud, restauratie, verduurzaming en herbestemming van rijksmonumenten en molens, zoals beschreven in beleidskeuze 4.2.2.

Beleidskeuze 4.2.3 Erfgoed verbindt (erfgoedlijnen, immaterieel erfgoed en digitalisering) De beleidskeuze is geactualiseerd, de erfgoedlijnen zijn herijkt. De erfgoedlijn Trekvaarten wordt geografisch uitgebreid. Deze uitbreiding hoeft niet vermeld te worden in de omgevingsvisie, omdat in de visie niet de geografische afbakening is opgenomen van de erfgoedlijnen. Ook is besloten de erfgoedlijn Waterdriehoek te transformeren tot de erfgoedlijn Maritiem-industrieel erfgoed. Ten behoeve van de herijking is de Vierde monitor erfgoedlijnen uitgevoerd. Met de aanbevelingen uit deze monitor gaan de provincie en de erfgoedtafels aan de slag. Met deze herziening wordt immaterieel erfgoed en digitalisering erfgoed opgenomen in de omgevingsvisie. Dit wordt samengevoegd met ‘erfgoedlijnen’ onder het kopje ‘Verbinding door erfgoed’.

48

Motivering Sinds 2012 werkt de provincie aan het ontwikkelen van zeven erfgoedlijnen met ruim 300 partners, die zijn georganiseerd in de erfgoedtafels. Het gaat om de volgende erfgoedlijnen: Atlantikwall, Historisch Haringvliet, Landgoederenzone, Maritieme Industrie, Neder-Germaanse Limes, Oude Hollandse Waterlinie en Trekvaarten. Het is van belang om met de erfgoedlijnen maatschappelijk relevant te blijven voor de (toekomstige) inwoners en bezoekers van ZuidHolland. Voor hen ontwikkelen we de erfgoedlijnen. Dit betekent iets voor de keuze van de verhalen die we vertellen, de manier waarop we ze vertellen, welke doelgroepen we bereiken en hoe we ons instrumentarium inzetten. In het coalitieakkoord heeft de provincie derhalve de ambitie opgenomen om de erfgoedlijnen te herijken. De provincie wil meer in lijn met het verdrag van Faro werken, daarom is in het beleidsperspectief Erfgoed en Cultuur 2026 – 2030 de ambitie opgenomen om immaterieel erfgoed te ondersteunen. Erfgoed beleven kan fysiek en direct. Maar het kan ook digitaal of virtueel. Omdat erfgoed ons vertelt waar we vandaan komen en wie we zijn is het belangrijk dat iedereen ook online toegang heeft tot archieven, erfgoedcollecties en verhalen. In het beleidsperspectief Erfgoed en Cultuur 2026 – 2023 is opgenomen dat de provincie inzet op digitalisering erfgoed.

Participatie en internetconsultatie Wat is er gedaan aan participatie en welke doelgroepen zijn er gesproken? • Internetconsultatie in het kader van de herziening omgevingsvisie. • Vierde monitor erfgoedlijnen waarbij alle partijen van de erfgoedtafels betrokken

•

•

zijn. De vierde monitor is een periodieke monitor, waarbij in de volle breedte wordt gekeken naar de stand van zaken van de erfgoedlijnen. In dit kader hebben enquêtes, interviews en groepsgesprekken plaatsgevonden. Alle partners van de erfgoedlijnen hebben de kans gehad input te leveren en de meeste partijen hebben hier gebruik van gemaakt. Intervisieoverleg gedeputeerde met de voorzitters van de erfgoedlijnen. Jaarlijks heeft de gedeputeerde een moment met alle voorzitters van de erfgoedlijnen om de voortgang en koers van de erfgoedlijnen te bespreken. Participatie bij totstandkoming Beleidsperspectief Erfgoed en cultuur  Strategische sessie met externe stakeholders vanuit verschillende werkvelden (o.a. gemeenten, historische verenigingen, Kunstgebouw, onderwijsinstellingen etc.)  Werksessies met Erfgoedhuis Zuid-Holland  Participatie met interne stakeholders van relevante beleidsvelden.

Wat waren de uitkomsten van het (de) participatietraject(en) • Bij de internetconsulatie in het kader van de herziening omgevingsvisie is in enkele gevallen gerefereerd aan de erfgoedlijnen. Waar van toepassing is contact opgenomen met de respondenten. • Bij de participatie bij totstandkoming Beleidsperspectief Erfgoed en cultuur zijn de erfgoedlijnen aan bod gekomen. Dit heeft niet geleid tot specifiek op erfgoedlijnen gerichte uitkomsten, behalve dat de huidige werkwijze goed werkt en wordt gewaardeerd. 49

•

De vierde monitor erfgoedlijnen heeft een rapport opgeleverd met een stand van zaken. Op de verschillende onderdelen geeft dat een beeld d.m.v. scores. Ook zijn er aanbevelingen gedaan.

Hoe zijn de uitkomsten wel/niet meegenomen in de uiteindelijke besluitvorming/tekst? Waarom wel of niet? • De Uitkomsten van de vierde monitor en het intervisieoverleg zijn meegenomen in de besluitvorming rondom de herijking van het programma erfgoedlijnen. Deze herijking was eind 2024 (GS-besluit). Deze herijking is verwerkt in de wijziging omgevingsvisie. • Voor de erfgoedlijnen vormden de uitkomsten van de internetconsultatie geen aanleiding tot aanpassingen. De bestaande werkwijze is bestendigd. Uitvoering wordt gegeven aan de herijking. • Vanuit beleidskeuze 4.2.1 wordt onderzocht hoe de ruimtelijke kansen van erfgoedlijnen beter benut kunnen worden.

Beleidskeuze 4.2.4 Archeologie beschermen en beleefbaar maken Deze beleidskeuze wordt geactualiseerd. De komende jaren wordt toegewerkt naar een nieuw archeologisch depot. In verband met het verdrag van Faro actualiseert de provincie haar beleid op publieksbereik en publieksparticipatie en wordt de mens meer centraal gesteld. Ook zet de provincie in op kennisvergroting, zodat ze beter zicht krijgt op de archeologie in de ZuidHollandse bodem en de invloed van klimaatverandering. De provincie ondersteunt gemeenten bij hun archeologiebeleid en de uitvoering van hun taken. De provincie actualiseert de terreinen van provinciaal belang en de provinciale onderzoeksagenda.

Motivering Het huidig archeologisch depot is in toenemende mate ontoereikend (capaciteit en klimatologische omstandigheden) om aan de wettelijke taak (Erfgoedwet) tot het behoud van archeologische vondsten en documentatie te kunnen blijven voldoen. In 2024 is het Verdrag van Faro geratificeerd die de mens, samenleving en hun relatie met erfgoed, waaronder archeologie, centraal stelt. Klimaatverandering en bodemdaling hebben in toenemende mate invloed op archeologie in onze bodem. De provincie vindt het belangrijk dat gemeenten toegerust zijn in hun wettelijke taken ten aanzien van archeologie. Archeologie als provinciaal belang is geregeld in de Verordening. De komende jaren actualiseert de provincie samen met gemeenten de terreinen van provinciaal belang. Tevens ontwikkelt de provincie kaders ten behoeve van archeologisch onderzoek.

Participatie en internetconsultatie Wat is er gedaan aan participatie en welke doelgroepen zijn er gesproken? • Open huis sessie in kader van herziening omgevingsbeleid op 6 maart 2025. • Internetconsultatie in het kader van de herziening omgevingsvisie (inclusief Open Huis) • Participatie bij totstandkoming Beleidsperspectief Erfgoed en cultuur

50

a. Strategische sessie met externe stakeholders vanuit verschillende werkvelden (o.a. gemeenten, historische verenigingen, Erfgoedhuis Zuid-Holland onderwijsinstellingen, musea etc.) op 7 februari 2025 Wat waren de uitkomsten van het (de) participatietraject(en) • Bij de internetconsulatie in het kader van de herziening omgevingsvisie is in enkele gevallen gerefereerd aan archeologie en Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes. • In de strategische sessie kwam aan bod dat o De basis op orde moest blijven en dat dit ook geldt voor de wettelijke taken t.a.v. archeologie. o Het waardevol is om te verkennen hoe het Faro-gedachtengoed nog meer een rode draad kan vormen binnen de archeologie. o Het zinvol is om te kijken hoe de archeologische data van de verschillende organisaties beter op elkaar aangesloten kan worden en o Het van belang is om te kijken naar de risico’s en consequenties van klimaatverandering en klimaatadaptatie voor archeologie. Hoe zijn de uitkomsten wel/niet meegenomen in de uiteindelijke besluitvorming/tekst? Waarom wel of niet? • Voor wat betreft de internetconsulatie in het kader van de herziening omgevingsvisie lag de nadruk zeer sterk op het ruimtelijk domein. Voor archeologie vormden de uitkomsten geen aanleiding tot aanpassingen.

• De opmerkingen een suggesties uit de strategische sessie zijn verwerkt in zowel het beleidsperspectief Erfgoed en Cultuur als de wijziging omgevingsvisie.

Beleidskeuze 4.2.5 Cultuur en bibliotheken Met de wijziging van deze beleidskeuze bereidt de provincie zich voor op de wijziging van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (Wsob) en de nieuwe IBT-taak voor bibliotheekwerk. De provincie vraagt de provinciale ondersteuningsinstelling van Zuid-Holland binnen hun taakuitoefening aansluiting te zoeken bij de focus uit het landelijk bibliotheekconvenant. 1. Ondersteuning openbare bibliotheken Zuid-Holland 2. Cultuurparticipatie Zuid-Holland De uitkomst van het onderzoek naar de toekomstbestendigheid van de basisvoorziening wordt benut als input voor het beleidsperspectief c.q. de herijking van het afsprakenkader basisvoorziening cultuurparticipatie. Een op de (toekomstige) behoefte toegesneden ondersteuning van cultuurbeoefening draagt bij aan een sterk ecosysteem voor cultuurbeoefening in Zuid-Holland en heeft een positief effect op de brede welvaart in ZuidHolland.

Motivering Ondersteuning openbare bibliotheken Zuid-Holland Dat wat op dit moment in de Wsob als een open opdracht aan gemeenten, openbare lichamen en provincies is geformuleerd zal een wettelijke taak worden na wijziging van de Wsob. Vanaf dan geldt een zorgplicht van provincies voor de provinciale ondersteuningsinstelling en van gemeenten voor de lokale bibliotheek. Vanaf dat moment wordt de provincie geacht toe te zien 51

op de taakuitoefening door gemeenten (Interbestuurlijk toezicht). In het Bibliotheekconvenant 2024 - 2027 hebben de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO), het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Koninklijke Bibliotheek, de Stichting Samenwerkende POI’s Nederland en de Vereniging van Openbare Bibliotheken afspraken gemaakt over de bijdrage van de openbare bibliotheekvoorzieningen aan bepaalde maatschappelijke opgaven. Cultuurparticipatie Zuid-Holland Bevolkingsgroei en verstedelijking, verandering in cultuurbeoefening, financiële krapte en personeelstekort hebben invloed op de vraag naar ondersteuning door de basisvoorziening cultuurparticipatie Zuid-Holland. Daarom doen we in 2024-2025 onderzoek naar de toekomstbestendigheid van de basisvoorziening cultuurparticipatie. Met het Rijk en gemeenten hebben we nieuwe afspraken gemaakt over samenwerking op het terrein van cultuurbeoefening (bestuurlijke afspraken cultuurbeoefening 2025-2028) en op thema's die gericht zijn op het verbinden van cultuur met sociaal-maatschappelijke en economisch opgaven (Cultuurconvenant Zuid-Holland 2025-2028).

Participatie en internetconsultatie Wat is er gedaan aan participatie en welke doelgroepen zijn er gesproken? • Open huis sessie in kader van herziening omgevingsbeleid op 6 maart 2025. • Internetconsultatie in het kader van de herziening omgevingsvisie (inclusief Open Huis) • Bestuurlijk overleg Probiblio en provincie Noord- en Zuid-Holland op 23 januari 2025. • Participatie bij totstandkoming Beleidsperspectief Erfgoed en cultuur  Strategische sessie met externe stakeholders vanuit verschillende werkvelden (o.a. gemeenten, historische verenigingen, Kunstgebouw, onderwijsinstellingen, musea etc.) op 7 februari 2025  Werksessies met Kunstgebouw, Jeugdtheaterhuis Zuid-Holland, Popunie, Stichting Educatieve Orkestprojecten Wat waren de uitkomsten van het (de) participatietraject(en)? • De provincie wordt algemeen gezien als verbinder. • Het belang van cultuurparticipatie voor gezondheid, welzijn, gelijke kansen kwam breed naar voren • Toekomstgerichtheid wordt belangrijk geacht en is een punt van aandacht. • De basis moet op orde zijn en blijven. • Uit de internetconsultatie kwamen geen opmerkingen voor Cultuur en Bibliotheken. Hoe zijn de uitkomsten wel/niet meegenomen in de uiteindelijke besluitvorming/tekst? Waarom wel of niet? Deze thema's zijn alle vier opgenomen en uitgewerkt in het beleidsperspectief Erfgoed en Cultuur.

52

Beleidsdoel 5.1 Gezonde natuur Het beleidsdoel Gezonde natuur is redactioneel gewijzigd. De tekst dubbelde met de beleidskeuzes, dit is verholpen.

Beleidskeuze 5.1.1 Nieuwe natuur aan het realiseren De beleidskeuze wordt inhoudelijk gewijzigd, dit betreft voornamelijk het aanvullen en aanscherpen van doelstellingen voor onderstaande uitgelichte onderwerpen. Naast de wijzigingen in de visie worden er wijzigingen in het onderliggende programma doorgevoerd. Zo wordt er naast onderstaande thema’s ook een uitwerking gegeven van onze werkwijze in het ZHPLG. Groenblauwe dooradering Voor groenblauwe dooradering zijn wijziging opgenomen bij maatregel 5.1.1.2 Versterken natuuren landschapswaarden. Met de wijziging wordt nadere uitwerking gegeven aan de doelstelling en de betekenis van Groenblauwe dooradering (GBDA). Versterken natuur-en landschapswaarden In Maatregel 5.1.1.2 Versterken natuur- en landschapswaarden, wordt enkel de tekstuele toevoeging gedaan dat de 400 ha bosuitbreiding in 2030 gerealiseerd wordt. Boerenlandvogels De maatregel 5.1.1.2 Versterken natuur- en landschapswaarden wordt op een aantal plekken aangepast. Er wordt een aantalsdoelstelling opgenomen incl. een indicatieve vertaling naar benodigd oppervlak aan extra ANLb. En er wordt aangegeven dat de landelijke extra middelen voor ANB hiervoor zullen worden ingezet. Daarnaast wordt in de maatregel de teksten voor boerenlandvogels en agrarisch natuurbeheer uitgebreid.

De aantalsdoelstellingen uit de visie worden hier herhaald en er wordt een verwijzing opgenomen naar landelijke ontwikkelingen en kansen voor uitbreiding ANLb (extra landelijke middelen ANB en maatregelpakketten).

Motivering Groenblauwe dooradering Met de herziening omgevingsbeleid 2024 is groenblauwe dooradering voor het eerst als doelstelling opgenomen in het Omgevingsbeleid. Gelijktijdig is doorgewerkt aan een concrete uitwerking waarmee de groenblauwe dooradering vorm kan krijgen. Deze uitwerking is onderdeel van de herziening 2025 de kleine aanvulling bouwt voort op herziening 2024. Versterken natuur-en landschapswaarden Bossen en bomen leveren veel verschillende ecosysteemdiensten en dragen bij aan diverse provinciale opgaven zoals CO2 opslag, recreatie, gezondheid (o.a. door versterken immuunsysteem en verminderen van stress), biodiversiteit en klimaatadaptatie (tegengaan hittestress en opvang overmatige neerslag). In 2020 heeft het Rijk samen met alle provincies de bossenstrategie vastgesteld. Het doel is het verbeteren van de kwaliteit in bestaande bossen en de realisatie van 37.000 hectare extra bos in Nederland. Dit is een stijging van 10% meer bos dan voorheen. De provincie Zuid-Holland heeft een belangrijke rol in deze strategie. In 2020 bestond slechts 3% van het landschap in Zuid-Holland uit bos. Zuid-Holland staat dan ook, net als 53

andere provincies, voor de lange termijn voor een grote opgave. Er is binnen het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) door het Rijk een conceptverdeling tussen de provincies gemaakt en voor Zuid-Holland is 1150 ha bosuitbreiding als doelstelling opgenomen. Sinds 2020 is in Zuid-Holland het bos- en bomenbeleid verder uitgewerkt en zijn kansen voor bosuitbreiding verkend. Dit ook naar aanleiding van de Motie 1117 De Spade de grond in & de Motie 1142 Duurzaam bos- en bomenbeleid. Uit de beleidsverkenningen blijkt dat er ruimte is om in 2030, 400 hectare bosuitbreiding te realiseren. Bij behandeling van de “Ruimtelijke koers naar een toekomstbestendig Zuid-Holland van 13 februari 2024” is via een amendement verzocht om deze 400 ha als beleidsdoelstelling vast te leggen in de ruimtelijke koers. Deze 400 ha is nu ook vastgelegd in het Omgevingsbeleid. Boerenlandvogels De bestaande tekst voor boerenlandvogels in het Omgevingsbeleid is heel algemeen en geeft weinig richting. Met het opnemen van een concrete doelstelling voor het aantallen extra broedparen grutto en patrijs en een indicatieve vertaling naar extra benodigd oppervlak aan Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) geven we richting aan de omvang van de opgave. In de buitenwereld/gebiedsprocessen wordt hier geregeld naar gevraagd.

Daarnaast geven we meer context en leggen we de relatie met de actualiteit door te verwijzen naar landelijke ontwikkelingen op het gebied van extra inzet voor Agrarisch Natuurbeheer. In het OER zijn vooral alternatieven beoordeeld om de genoemde aantallen te kunnen halen. De aantallen zelf zijn niet beoordeeld in het OER, omdat het noemen van aantallen op zichzelf niet per se omgevingseffecten heeft.

Participatie en internetconsultatie Groenblauwe dooradering Voor groenblauwe dooradering wordt er een toevoeging gedaan aan het omgevingsbeleid, hiervoor is participatie ingezet om tot afgewogen stappen te komen. Sinds 2023 wordt verkend of landschapselementen opgenomen kunnen worden in het omgevingsbeleid van Zuid-Holland. Sindsdien zijn gesprekken gevoerd met verschillende partijen, zowel over beleidswijzigingen als benodigde instrumenten om de uitvoering tot stand te brengen. De meest gekozen vorm van gespreksvoering was een informerende presentatie gevolgd door een uitgebreide vragen en feedbackronde. Hiermee is input opgehaald van onder andere (vertegenwoordigers van) agrariërs, waterschappen, gemeentes, natuurorganisaties en andere grondeigenaren. Uit de opgehaalde input zijn met name vragen gekomen die beleidsmatig worden uitgezocht en uitgewerkt in de pilots voor groenblauwe dooradering. Hiernaast is via de internetconsultatie een breed net aan reacties opgehaald. In deze reacties kwamen drie rode lijnen naar voren: het belang van GBDA wordt benadrukt, er worden vragen gesteld over de nadere uitwerking van het beleid en er worden kansen voor de ontwikkeling van GBDA benoemd. Het meenemen van deze input in de huidige herziening is nog te voortijdig en wordt daarom meegenomen in verdere beleidsontwikkeling.

Versterken natuur-en landschapswaarden Voor deze kleine tekstuele toevoeging heeft geen participatie traject plaatsgevonden omdat met de vaststelling van het bos- en bomen beleid in de Herziening van het Omgevingsbeleid in 2024 uitvoerige participatie is georganiseerd. Deze participatie heeft plaatsgevonden met o.a. natuurorganisaties en medeoverheden. Er is wel een internetconsultatie georganiseerd. De uitkomsten van de internetconsultatie hebben niet geleid tot een wijziging van de 54

beleidsteksten. De meeste reacties gaven aan achter de uitbreiding van meer bos te staan, en de meerwaarde hiervan te zien. Meerdere reacties gaven het advies meer te sturen op het combineren van de klimaat- en natuuropgaven en het meervoudig ruimtegebruik natuur, recreatie en energie. De provincie stuurt op deze integrale manier van ontwikkelen. Een mooi voorbeeld hiervan is de bosuitbreiding in de Hoeksche Waard waar een recreatief, natter bos gerealiseerd wordt in combinatie met een zonneveld en windenergie. Eén inspreker gaf aan tegen de uitbreiding van 4000ha bos op landbouwgrond te zijn. De 400ha bosuitbreiding zoals beschreven in het nieuwe beleid betreft hier een tiende van de door de inspreker benoemde uitbreiding. De uitbreiding zal niet enkel op landbouwgrond plaatsvinden, maar ook binnen bestaande recreatiegebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Boerenlandvogels Belanghebbenden konden participeren in twee bijeenkomsten en is er een internetconsultatie georganiseerd. Ten eerste zijn de voorgestelde toevoeging van een concrete doelstelling en de manieren waarop die doelstelling te halen toegelicht in een werksessie op een ZHPLG-dag. Hierbij waren gemeenten, waterschappen, belangenorganisaties en terreinbeherende organisaties aanwezig. Ten tweede is de voorgenomen wijziging van het Omgevingsbeleid besproken op het Zuid-Hollandse Collectievenoverleg.

Dit overleg wordt een aantal keren per jaar georganiseerd en voorgezeten door BoerenNatuur Zuid-Holland. De 10 agrarische collectieven die actief zijn in Zuid-Holland worden hiervoor uitgenodigd. Het doel van dit overleg is het bespreken van actualiteiten op het gebied van agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Tot slot heeft de internetconsultatie plaatsgevonden. Tijdens de werksessie, het collectievenoverleg en in de internetconsultatie zijn geen opmerkingen gemaakt over het opnemen van een aantalsdoelstelling. Dit heeft dus ook niet geleid tot wijzigingen in de voorgenomen tekstwijziging. De participatie met betrekking tot de aanpassing van beschermd weidevogelgebied is toegelicht onder belangrijke weidevogelgebieden.

Beleidskeuze 5.1.2 Beschermen en versterken bestaande natuur en soorten De beleidskeuze wordt inhoudelijk gewijzigd, dit betreft voornamelijk het aanvullen en aanscherpen van onderstaande uitgelichte onderwerpen. Naast de wijzigingen in de visie worden er wijzigingen in het onderliggende programma doorgevoerd. Aanpak drukfactoren rondom Natura 2000 Op dit moment staat er onder beleidskeuze 5.1.2 Beschermen en versterken bestaande natuur en soorten het volgende over overgangsgebieden: “De provincie werkt verder uit of en in welke vorm overgangsgebieden een mogelijk middel zijn om efficiënt natuur-, water- en klimaatdoelen te behalen, waaronder de instandhoudingsdoelen binnen de N2000-gebieden, door wegnemen van drukfactoren buiten de begrenzing.”. Inmiddels zijn verschillende vormen voor een aanpak van drukfactoren in de Omgevingseffectrapportage (OER) onderzocht en wat hiervan de effecten zijn op de leefomgeving en het doelbereik. Uit de OER blijkt dat een gebiedsspecifieke aanpak rondom de Natura 2000-gebieden qua doelbereik het beste scoort. Aangezien de drukfactoren die een negatief effect hebben om de instandhoudingsdoelen ook per gebied verschillen, dit vraagt om maatwerk per Natura2000gebied. Een gebiedsspecifieke aanpak geeft ook meer ruimte om per gebied en in samenwerking met de gebiedspartners te kijken wat voor maatregelen nodig, nuttig en kansrijk zijn.

Om die reden is de wijziging in het omgevingsbeleid gericht op een gebiedsspecifieke aanpak van de 55

maatregelen buiten de Natura 2000-gebieden die nodig zijn om de drukfactoren te verminderen. Met waar nuttig, nodig en kansrijk het gebruik van een overgangszone. Daarbij hoort flankerend beleid om bestaande activiteiten waar nodig te compenseren, dit is opgenomen onder maatregel 5.1.2.3. Nieuwe NNN Gebieden Zie motivering van dit onderwerp. Gebiedsbescherming Weidevogels In het Omgevingsprogramma worden de maatregelen ‘5.1.2.1 Actieve soortenbescherming’ en ‘5.1.2.5 Passieve natuurbescherming’ beleidsarm samengevoegd tot Maatregel ‘5.1.2.1 beschermen natuur en soorten’. Aan de maatregel wordt enkel de inhoudelijke toevoeging gedaan dat de bescherming weidevogelgebied bestaat uit twee regimes met bijbehorende beperkingen. In de verordening worden onder ruimtelijke kwaliteit, artikelen 7.42 en 7.43, de regels en toelichting voor de bescherming belangrijk weidevogelgebied aangepast naar regels voor belangrijk en kansrijk weidevogelgebied en wordt de geometrische begrenzing van belangrijk weidevogelgebied aangepast naar twee categorieën; Belangrijk weidevogelgebied en Kansrijk weidevogelgebied en worden gebieden aan de begrenzing toegevoegd. Hiermee wordt het belangrijkste weidevogelgebied strikter beschermd en in totaal wordt een groter oppervlak aan gebied beschermd ten behoeve van de weidevogels die onder druk staan.

Motivering Aanpak drukfactoren rondom Natura 2000 De Natura 2000-doelen worden op dit moment niet gehaald, een belangrijke reden hiervoor is dat er drukfactoren spelen die een negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelen (VHRdoelen) van deze gebieden. Op dit moment worden voornamelijk maatregelen binnen de Natura 2000-gebieden genomen voor het beheersen van drukfactoren. Voor het wegnemen, opvangen en beheersen van deze drukfactoren zijn ook (preventieve) maatregelen buiten de Natura 2000gebieden nodig die geborgd moeten worden in het omgevingsbeleid. Nieuwe NNN Gebieden 1. Aanpassing beschermingscategorie Strijen Op 3 juni 2025 hebben GS ingestemd dat bij de Herziening van de Omgevingsverordening PS worden gevraagd de beschermingscategorie van een perceel van Rijkswaterstaat in het Oudeland van Strijen te wijzigen van ‘blijvend agrarisch in het Natuurnetwerk’ naar ‘Natuurnetwerk’. Hierdoor kan deze grond ingezet worden als compensatie van verloren gegaan weidevogelgrasland bij de aanleg van de verbindingsweg A13-A16 en de Blankenburgerverbinding. 2. Aanpassing begrenzing Hoenkoopse Buurweg en Steinse Tiendweg Aanleiding van deze aanpassingen zijn de zienswijzen die Staatsbosbeheer heeft ingediend bij het Natuurbeheerplan.

Door deze twee (relatief kleine) aanpassingen van de begrenzing worden natuurlijk ingericht gebied toegevoegd en ontstaan natuurlijke eenheden voor het beheer. 3. Aanpassing Rijnsburg compensatie

56

De compensatie van het NNN bij de aanleg van de Rijnlandroute is niet helemaal goed op de kaart van de Verordening gekomen. Door deze aanpassing is het wel correct. Gebiedsbescherming Weidevogels De regels voor gebiedsbescherming weidevogels in de verordening worden aangepast. De concrete tekstwijzigingen en bijbehorende motivatie zijn te lezen in het wijzigingsbesluit ZHOVherziening 2025.

Participatie en internetconsultatie Aanpak drukfactoren rondom Natura 2000 Op het vlak van participatie hebben een aantal bijeenkomsten plaatsgevonden. In het kader van het ZH-PLG zijn de drukfactoren en de voorgestelde alternatieven toegelicht in ZH-PLG gebiedssessies. Vanuit gemeenten en waterschappen werd hierop veelal positief gereageerd, deze reactie kwam voort vanuit een gedeeld belang voor de aanpak van drukfactoren. Met daarbij de nadrukkelijke oproep om gezamenlijk op te trekken. Vanuit de agrarische ondernemers en belangenvertegenwoordigers zijn verschillende gedachten geuit over de aanpak van drukfactoren, waarbij het grootste verschil zit in of de aanpak ‘beperkingen’ voor de bedrijfsvoering gaat opleveren of dat zij met behulp van ‘vrijwillig’ instrumentarium kunnen bijdragen aan de aanpak van de drukfactoren. Over de aanpak met beperkingen is negatief gereageerd, deze zorgen worden meegenomen in de verdere uitwerking. Er worden ook kansen gezien voor bijvoorbeeld de aanpak van invasieve exoten en het tegengaan van verdroging, drukfactoren die op dit moment niet alleen voor natuurgebieden maar ook voor de agrarische ondernemers zelf negatieve gevolgen hebben. Deze kansen gaan we in de nadere uitwerking verder verkennen in samenwerking met de gebieden.

Naast deze bijeenkomst zijn de uitkomsten van de internetconsultatie meegenomen in de uiteindelijk tekstvoorstellen voor het omgevingsbeleid. Zo zijn er zorgen geuit over het meenemen van de drukfactor recreatie in deze aanpak, omdat gevreesd wordt dat dit zou leiden tot een afname van de recreatiemogelijkheden. Deze aanpak is juist bedoeld om de druk op de Natura2000-gebieden te verminderen door (extra) recreatiemogelijkheden rondom Natura2000gebieden te realiseren en/of vernieuwen. Om die reden is in de nieuwe tekst toegevoegd dat het niet alleen om wegnemen, maar ook om het “opvangen” van drukfactoren buiten de begrenzing gaat. Tot slot zijn er zorgen geuit over het aanpakken van drukfactoren middels zonering, bijvoorbeeld dat één kilometer vanaf de begrenzing te veel is voor de aanpak van de drukfactor stikstof. De aanpak die in de OER is onderzocht voor de aanpak drukfactoren middels zonering is echter niet gericht op de drukfactor stikstof, omdat hiervoor een apart beleidsvoornemen is onderzocht bij het thema ‘emissieplafond ammoniak’. Daarnaast is de verwachting geuit dat zonering een negatief gevolg heeft op het gebruik willen maken van Agrarisch Natuurbeheer (ANB).

Met deze aanpak wil de provincie aansluiten op de contourenbrief van het Rijk over het ANB, waarin wordt nagedacht over gebiedsspecifieke vergoedingen voor het nemen van maatregelen in en rondom N2000-gebieden. Nieuwe NNN Gebieden Er zijn doorgaans jaarlijks meerdere wijzingen van deze begrenzing en deze worden bij de herziening van de Verordening aangeboden aan PS. Zo ook bij deze herziening en dit betreft dus geen aanpassing van het beleid. 57

Voor deze ronde zijn er 12 voorstellen om de begrenzing aan te passen, waarvan er 9 beschikbaar waren ten tijde van de internetconsultatie, waardoor het mogelijk was te participeren. Voorstellen voor aanpassing van de begrenzing gebeuren in overleg en doorgaans op verzoek van de grondeigenaar of het betreft de correctie van fouten. De gemeenten worden geïnformeerd zodat de wijzing ook meegenomen kan worden bij de eerstvolgende aanpassing van het Omgevingsplan. Voor de internetconsultatie zijn er 41 reacties gekomen op de aanpassing van de begrenzing van het NNN. De meeste hadden betrekking op het NNN en natuur in ‘algemene zin’, in een aantal staan concrete vragen en enkele hadden betrekking op de concrete voorstellen van de wijziging. Hier zullen we ingaan hoe we de participatie van deze drie groepen vormgeven. De reacties in algemene zijn zeer divers van aard en betreffen bijvoorbeeld voorstellen om de oppervlakte van de natuur aanzienlijk te vergroten of te verkleinen. Daarnaast worden er suggesties gedaan om gebieden toe te voegen en voorstellen gedaan hoe de natuur ingericht zou moeten worden. Doorgaans betreffen deze ideeën nieuw beleid en de aanpassing van de begrenzing betreft geen wezenlijke wijziging van het beleid, waar sommige reacties om vragen. We nemen deze bijdragen ter kennisneming aan en zullen proberen het mee te nemen in vervolgtrajecten.

De gestelde vragen – doorgaans inhoudelijke van gemeenten – zullen we beantwoorden en de reacties rechtstreeks aan de vraagstellen sturen. De concrete reacties over de aanpassing van de begrenzing, betreffen ‘Bilwijk’ en aanvullende vragen over de begrenzing van Rijkswaterstaat en gemeenten. Wat betreft ‘Bilwijk’ zullen we naar de vraagstellers reageren want in de vraag staan een aantal onjuiste aannames (“de gemeente heeft de NNN-begrenzing aangepast” en er zou een procedure bij de Raad van State lopen). Ook voor de vragen en suggesties van de gemeenten zullen we afzonderlijk reageren naar de afzonderlijke vraagstellers. Gebiedsbescherming Weidevogels Voor de herziening beleid bescherming van de weidevogelgebieden met bijbehorende regels en kaarten is in het afgelopen jaar participatie ingezet. Voor de eerste opzet is bij kernteam Boerenlandvogels input opgehaald over de ervaring met de huidige regels en de gewenste aanpassing in het beschermingsbeleid. De voorgenomen wijziging in de regels en kaarten en motivatie zijn gedeeld via de internetconsultatie, gepresenteerd bij het open huis en gepresenteerd en toegelicht aan de agrarische collectieven. Vanuit de internetconsultatie zijn veel reacties gekomen. Zowel positieve reacties over de toename in beschermingsgebieden als negatieve reacties vanuit de beperking voor andere ontwikkelingen.

De stukken voor de internetconsultatie waren nog globaal van opzet. In de reacties waren meerdere verzoeken ingediend voor een meer gedetailleerde en uitgebreidere onderbouwing over de wijzigingen en keuzes van de provincie. Daaropvolgend zijn de kaart en regels verder uitgewerkt en de onderbouwing is uitgebreid. Daarnaast zijn er vanuit de gemeente en de ontwikkelaars vragen over de (on)mogelijkheden van ontwikkelingen in de gebieden gesteld, waarbij specifieke voorbeelden zijn genoemd van 58

geplande ontwikkelingen. Wijzigen in Initiatieven in nieuw aan te wijzen gebieden waarover principeafspraken zijn gemaakt met de Provincie zijn uit de beschermingskaart verwijderd of zijn uitzonderingsregels voor opgenomen. De voorstellen vanuit de agrarische collectieven die aansluiten bij de uitgangspunten van het nieuwe beleid zijn ook in de kaarten verwerkt. De reacties die niet verwerkt zijn richtten zich o.a. op de zorg over de beperking voor de agrarische bedrijfsvoering binnen de weidevogelgebieden. De bescherming is gericht op de toetsing van buitenplanse ruimtelijke ontwikkelingen die het gebied significant aantasten. De huidige agrarische bedrijfsvoering is uitgesloten van de bescherming en worden door de beschermingsregels niet beperkt. Aanpassing op basis van de reacties is daarom niet nodig. Meerdere reacties vroegen om compensatiemogelijkheden voor ontwikkelingen in kwalitatief minder goede gebieden. In de huidige regels voor de kansrijke weidevogelgebieden wordt daar meer ruimte voor geboden.

Beleidskeuze 5.1.4 Stikstofreductie De beleidskeuze en maatregel ‘5.1.4.1 Ammoniakreductie voor natuurherstel zijn inhoudelijk’ gewijzigd. Daarnaast is de maatregel ‘5.1.4.2 Stikstofoxidenreductie voor natuurherstel’ geactualiseerd.

Motivering In de omgevingsvisie en het omgevingsprogramma stonden op verschillende plekken reductieopgave genoemd (2,5kton reductie ammoniak t.o.v. 5,4kton in 2019). Deze cijfers zijn achterhaald en er zijn ondertussen recent in de kamerbrief “startpakket Nederland van het stikstofslot” nieuwe cijfers genoemd. Deze nieuwe cijfers zijn nu opgenomen in de tekstvoorstellen. De maatregel (omgevingsprogramma) ammoniakreductie voor natuurherstel is aangepast met daarin de streefwaarde voor ammoniakemissie op melkveebedrijven (35-45kg/ha) in 2035. Uit de OER blijkt dat de omgevingseffecten van de alternatieven elkaar niet (of heel beperkt) ontlopen. Bij alle varianten treden dezelfde effecten op, maar dat betekent niet dat de effecten ook even groot zijn. Voor het doelbereik is een plafond van 35-45kg/ha nodig. De negatieve omgevingseffecten uit de OER nemen we mee in de verdere uitwerking van het plafond, als onderwerpen waar mitigerende maatregelen op nodig zijn. Op dit moment staat er in het omgevingsbeleid nog niks over het voornemen om een emissieplafond in te voeren voor de melkveehouderij. In de herziening is opgenomen dat we werken aan een aanpak voor een geborgd systeem van emissiereductie richting 2035.

Participatie en internetconsultatie Op het vlak van participatie is er al het nodige gebeurt rondom doelsturing en meer specifiek het emissieplafond voor de melkveehouderij. In 2022/2023 zijn er verschillende sessies met melkveehouders gehouden om te onderzoeken hoe zij aankijken tegen een mogelijk emissieplafond. Uit deze sessies bleek dat (in die periode) agrariërs vaak nog onvoldoende wisten waar ze precies stonden op het vlak van emissies maar dat in het algemeen het sturen op doelen in plaats van met maatregelen als goed idee werd ontvangen. Naar aanleiding van deze 59

sessies is het emissieplafond ook als streefwaarde (35-40kg/ha) in het voorontwerp ZH-PLG terecht gekomen. Zo is deze als uitgangspunt genomen voor de agrarische werkgroepen in midden Delfland, de Hoeksche Waard en Voorne Putten. Uit de internetconsultatie bleek dat veel melkveehouders zich zorgen maken om de implementatie van het emissieplafond. Daarbij worden vooral zaken als haalbaarheid en financiële draagkracht genoemd. Deze aandachtspunten (die ook in de OER naar voren komen) zullen we meenemen in de verdere uitwerking. Ook wordt er naar aanleiding van de participatie ingezet op borging op gebiedsniveau.

Beleidsdoel 5.2 Toekomstbestendige landbouw Beleidskeuze 5.2.1 Toekomstbestendige landbouw In de Omgevingsvisie wordt het beschermen van landbouwgrond beter geborgd in de beleidskeuze Toekomstbestendige landbouw. Daarnaast zijn enkele tekstuele wijzigingen doorgevoerd en is het begrip ‘toekomstbestendige landbouwsector’ nader geduid. In het Omgevingsprogramma worden de drie bestaande maatregelen die uitwerking geven aan de beleidskeuze Toekomstbestendige landbouw aangepast en aangevuld.

Motivering Uitvoeringsstrategie landbouw In de herziening van het omgevingsbeleid van 2024 heeft de provincie de beleidskeuze Toekomstbestendige landbouw opgenomen in de omgevingsvisie. In het omgevingsprogramma is toen een eerste aanzet gemaakt voor de uitwerking en realisatie van deze beleidskeuze. De provincie heeft de uitvoeringsstrategie voor landbouw nu verder uitgewerkt, wat heeft geleid tot aanvullingen in de maatregelen voor Toekomstbestendige landbouw in het omgevingsprogramma. Beter beschermen landbouwgrond In de afgelopen decennia is het areaal landbouwgrond afgenomen. De provincie ziet het behoud van voldoende en kwalitatief goede landbouwgrond als een randvoorwaarde voor een toekomstbestendige landbouw en wil dit belang steviger borgen in haar omgevingsbeleid. Dit heeft geleid tot de voorgestelde aanpassingen hiervoor in de visie en het programma. Het doel van deze aanpassingen is het beter beschermen van het bestaande landbouwareaal voor voedselproductie, een realistische extensiveringsopgave en agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Via het voorgestelde beleid voor Toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling (TRO) wordt de nog onbebouwde ruimte, waaronder landbouwgrond, beter beschermd.

Hiervoor wordt geregeld dat bij nieuwe ontwikkelingen rekening wordt gehouden met het beschikbaar houden van voldoende ruimte voor prioritaire ontwikkelingen, waaronder een toekomstbestendige en veerkrachtige landbouwsector. De verdere uitwerking van de prioritaire opgaven vindt plaats in de beleidsuitwerkingen van de betreffende beleidskeuzes. Voor het beschermen van landbouwgrond heeft dit geleid tot enkele aanvullingen in de visietekst van de beleidskeuze Toekomstbestendige Landbouw en in de maatregel Ruimte voor toekomstbestendige landbouw.

60

Participatie en internetconsultatie Over de uitvoeringsstrategie (de maatregelen in het omgevingsprogramma) hebben in het kader van de ‘uitvoeringsagenda landbouw’ gesprekken plaatsgevonden met een afvaardiging van de landbouwsector, waaronder LTO Noord, HAJK (Holland Agrarisch Jongeren Kontakt), BoerenNatuur en enkele individuele boeren en agrarisch adviseurs. Voor het beter beschermen van landbouwgrond is aangesloten bij de participatie zoals die voor de beleidskeuze Toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling (TRO) heeft plaatsgevonden. Zo is tijdens het Open Huis 2025 een werksessie georganiseerd over de varianten voor de OER voor de beleidskeuze TRO, waar het beter beschermen van landbouwgrond onderdeel van was. Tijdens deze sessie is het belang van voldoende landbouwgrond ten behoeve van voedselproductie, extensivering en natuur- en landschapsbeheer aan de orde geweest. Daarnaast is tijdens de bestuurlijke gesprekken die voor TRO hebben plaatsgevonden gesproken over het belang van het behoud van voldoende landbouwgrond, naast ruimte die nodig is voor (andere) prioritaire opgaven in de onbebouwde ruimte. Bij de internetconsultatie zijn geen opmerkingen gekomen over de voorgenomen aanvullingen in het omgevingsprogramma.

Over het beschermen van landbouwgrond zijn wel verschillende opmerkingen gemaakt, waarbij onder meer wordt gepleit om ervoor te zorgen dat het beschermen van landbouwgrond ook echt wordt nageleefd. Om dat te kunnen doen borgt de provincie het belang van voldoende ruimte voor een toekomstbestendige en veerkrachtige landbouwsector in de visie en in de Omgevingsverordening. Verder zijn vragen gesteld over de betekenis van dit belang voor andere prioritaire opgaven die ook om ruimte vragen en is benoemd dat de provincie meer ruimte kan geven aan duurzame landbouw en aan functiecombinaties van landbouw met bijvoorbeeld energie of natuur. De provincie ziet deze opmerkingen als ondersteunend aan het beleidsvoornemen en de verdere uitwerking daarvan. De provincie heeft overwogen om in deze herziening het verbod op het uitsluiten van boom- en sierteelt buiten het aangewezen boom- en sierteeltgebied aan te passen. Dit door dit verbod expliciet te beperken tot “de teelt van houtachtige gewassen ten behoeve van de verkoop van die gewassen”. Uit reacties die we onder andere in de internetconsultatie hebben ontvangen, hebben we geconcludeerd dat deze aanpassing om nader onderzoek vraagt. De consequenties van zowel het expliciet uitsluiten van houtachtige gewassen als van het niet uitsluiten van andere siergewassen (eenjarige planten, vaste planten en bollen), zijn nog onvoldoende in beeld.

Deze voorgenomen beleidsaanpassing gaat nu niet mee in deze herziening. Het onderwerp wordt opnieuw geagendeerd voor een volgende herziening.

61

Beleidsdoel 5.3 Leven met water Het beleidsdoel is inhoudelijk gewijzigd, de wijziging richt zich op het versterken van het wateren bodemsysteem. Een robuust water- en bodemsysteem is de basis voor brede welvaart en economisch verdienvermogen nu en voor toekomstige generaties. Belangrijke onderdelen daarvan zijn waterkwaliteit (Kaderrichtlijn water) en waterbeschikbaarheid.

Beleidskeuze 5.3.1 Waterveiligheid en waterbeschikbaarheid Deze Beleidskeuze is gewijzigd als onderdeel van de ´Water Bodem Sturend´ opgave. Voor de volledige conclusie, motivatie en het participatieverslag verwijzen we naar de toelichting onder ‘Beleidskeuze 6.2.4 Ontwikkelingen houden rekening met water en bodem’. Hernormering van Regionale waterkeringen Daarnaast vindt er in de verordening ‘Hernormering van Regionale waterkeringen’ plaats. De motivering hiervoor is te vinden bij het artikel in het ‘wijziging van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV)’.

Participatie en internetconsultatie Voor de herziening van de omgevingswaarden heeft de participatie plaatsgevonden door middel van de internetconsultatie. Uit de reacties blijkt dat men waterveiligheid belangrijk vindt en in sommige reacties werden zorgen geuit over de veiligheid tegen overstromingen. Uiteraard hebben we daar begrip voor. Waterschap Rivierenland heeft onderzoek gedaan naar de huidige normen van de keringen. Dankzij nieuwe kennis en techniek kan nu beter worden gerekend aan overstromingsrisico’s dan voorheen. Ook werkt het waterschap aan verbetering van het regionale watersysteem waardoor waterstanden beter te beheersen zijn. De bestuurlijke overwegingen van destijds blijken door voortschrijdend inzicht inmiddels achterhaald te zijn. Door dit alles blijkt dat de veiligheidsnorm (omgevingswaarde) voor een aantal keringen minder streng kan zijn dan voorheen was aangenomen. De waterveiligheid in de Alblasserwaard blijft daarom voldoende gewaarborgd. Het hoogheemraadschap van Rijnland heeft in de internetreactie kenbaar gemaakt dat zij ook een aantal aanpassingen wil van tracés en normen van regionale keringen. De reacties hebben niet geleid tot wijziging van het voorstel voor de aanpassingen in de Alblasserwaard.

Naar aanleiding van de reactie van Hoogheemraadschap Rijnland zal een voorstel met betrekking tot een aantal aanpassingen van tracés en normen van regionale keringen worden meegenomen in de Herziening 2025.

Beleidskeuze 5.3.2 Waterkwaliteit en waterbeschikbaarheid Deze Beleidskeuze is gewijzigd als onderdeel van de ´Water Bodem Sturend´ opgave. Voor de volledige conclusie, motivatie en het participatieverslag verwijzen we naar de toelichting onder ‘Beleidskeuze 6.2.4 Ontwikkelingen houden rekening met water en bodem’.

62

Beleidsdoel 6.1 Wonen Beleidskeuze 6.1.1 Voldoende en betaalbare huisvesting voor iedereen De beleidskeuze ‘6.1.2 Toekomstbestendig bouwen’ wordt ingetrokken, de tekst wordt beleidsarm ondergebracht in ‘Voldoende en betaalbare huisvesting voor iedereen’ zodat er een geheel is ontstaan. Daarnaast zijn het provinciale plan asielopvang en de aanpak Huisvesting arbeidsmigranten ondergebracht en verder uitgewerkt in het omgevingsprogramma.

Motivering Tijdens de internetconsultatie is een aantal keer ingegaan op het Wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting (Wvrv). Verschillende partijen riepen op vooral geen extra regelgeving op te werpen. Tijdens de bespreking van het wetsvoorstel zijn een aantal amendementen aangenomen door de Tweede Kamer. Een aantal zijn juridisch niet haalbaar. Er wordt gewerkt aan een Novelle om dit te corrigeren. De Novelle moet worden getoetst door de Raad van State om vervolgens te worden besproken in de Tweede Kamer. Daar moet het geheel worden behandeld in de Eerste Kamer. Het is nog onduidelijk wanneer dit zal gebeuren en of het leidt tot aanpassingen. Omdat het wetsvoorstel nog aan verandering onderhevig is, vinden wij het voorbarig om er in deze herziening al veel op vooruit te lopen. Bovendien blijkt uit een simulatie van de effecten van de tweede wijziging van dit wetsvoorstel dat het zal leiden tot (in onze ogen) onrealistische en niet-financierbare woningbouwprogramma’s, daarom handhaven we nu de huidige wijze van beoordelen en vaststellen van woningbouwprogrammering. Toekomstbestendig bouwen kan oplossingen bieden in het tegengaan van vermijdbare vertragingen bij woningbouw. Om dit goed aan elkaar te koppelen is de beleidskeuze ‘Toekomstbestendig bouwen’ opgenomen in de beleidskeuze ‘Voldoende en betaalbare huisvesting voor iedereen’. Aanpassing a.g.v.

wet- en regelgeving en andere afspraken De volgende thema’s zijn aangepast in de Omgevingsvisie het Omgevingsprogramma: Huisvestingswet De rol van de provincie inzake wijzigingen in huisvestingsverordeningen is veranderd in de Huisvestingswet 2014. De provincie krijgt een adviesrol. Deze rol is opgenomen in het omgevingsbeleid. Sturing op voldoende huisvesting voor ouderen De definities van nultredenwoningen, geclusterde woonvormen voor ouderen en zorggeschikte woningen worden aangepast aan de gemaakte afspraken over definities en monitoring. Dit betreft een technische wijziging en heeft weinig gevolgen voor staand beleid. Huurprijzen sociale huur en betaalbare koop De huurprijzen van sociale huur en betaalbare koop zijn aangepast naar de laatste wettelijke aanpassing (Wet betaalbare huur). Sturing op voldoende locaties voor asielopvang Begin 2024 is de Spreidingswet in werking getreden. Hiermee hebben gemeenten een wettelijke taak om asielopvang te realiseren. Dit betreft een nieuwe stedelijke ontwikkeling met een maatschappelijke functie. De provincie wil samen met gemeenten verantwoordelijkheid nemen 63

in de maatschappelijke opgave om meer en kwalitatief betere asielopvang te realiseren. Maatwerk oplossingen zijn onder voorwaarden bespreekbaar. Dit leidde in de herziening 2024 al tot een aanpassing in de Omgevingsvisie en het Omgevingsprogramma. In de herziening 2025 is dit verder uitgewerkt. Huisvestingseffect bij nieuwe economische ontwikkelingen (huisvesting arbeidsmigranten) Het huisvestingseffect is als sinds 2022 onderdeel van de Omgevingsverordening. Nu zijn er wijzigingen en aanvullingen ingevoerd met de volgende motivering: - In verordening: regionaal afstemmen van het huisvestingseffect. Dit is ingesteld om de effecten niet alleen binnen de eigen gemeente, maar ook breder te bezien en te delen. Ook in de Visie staat een motivering. - In Visie: o A. vroeg regionaal bespreken: bedoeld om hier niet pas over te spreken in de regio als er al een bedrijf in zicht is, maar al eerder waar mogelijk. o B. wenselijk dat gemeenten hun algemene behoefte huisvesting arbeidsmigranten actueel houden en voorzien in voldoende mogelijkheden. Daarvoor is het gewenst dat zij ook de mogelijkheden te scheppen en dat zij dit ook vastleggen. Het is goed als vraag en aanbod worden meegenomen in woonzorgvisie/ Volkshuisvestingsprogramma, omgevingsvisies, omgevingsplannen of onderbouwingen van afwijkingen daarop en in planregistraties. o C.

Belangrijk dat gemeenten ook zicht hebben op de huidige huisvesting binnen de gemeente. Hoewel dit vaak lastig is, is het wel wenselijk dit waar het kan, te doen. En dat is waar nodig en mogelijk, aanvullend op de landelijke monitor. Eén persoon per kamer (onderdeel wonen/arbeidsmigranten in Omgevingsvisie). Het doel is de kwaliteit van huisvesting voor arbeidsmigranten te verbeteren, daarom is het wenselijk dat gemeenten bij nieuwbouw van huisvesting voor arbeidsmigranten aansluiten bij de aanbevelingen uit de rapportage Arbeidsmigranten van Emile Roemer. De norm van één persoon per kamer is een uitgangspunt dat bijdraagt aan kwaliteitsverbetering van de huisvesting. Dit leidt tot een wijziging in de Omgevingsvisie en het Omgevingsprogramma. Toekomstbestendig bouwen In dit onderdeel, wat is verschoven naar beleidskeuze ‘6.1.1 Voldoende en betaalbare huisvesting voor iedereen’, komen verschillende wettelijke taken, opgaven van de provincie en de uitwerking van diverse thematische akkoorden integraal samen. Met aandacht voor Toekomstbestendig bouwen draagt de provincie bij aan een toekomstbestendige inrichting van de bebouwde leefomgeving in Zuid-Holland.

Hierbij richt zij zich op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling van de bebouwde leefomgeving; het creëren van een veilige en schone leefomgeving op het gebied van milieu, energie, klimaat en emissies; versterking van het vestigingsklimaat voor bedrijven én natuur in de bebouwde leefomgeving. Door regionale afstemming in beleid kan worden voorkomen dat onderlinge concurrentie tussen gemeenten afbreuk doet aan een evenwichtige toekomstbestendige ontwikkeling van functies aan locaties op lokale en (boven)regionale schaal.

Participatie Ten aanzien van deze technische wijzigingen is geen uitgebreide participatie uitgevoerd, anders dan via de reguliere contacten. 64

Sturing op voldoende locaties voor asielopvang In 2024 hebben verschillende overleggen met gemeenten, die bezig zijn met het ontwikkelen van een locatie voor asielopvang, plaatsgevonden. Op basis daarvan zijn in het Omgevingsprogramma een aantal wijzigingen gedaan. Zo is de ondergrens van minimaal 250 opvangplekken losgelaten als voorwaarde voor een ontheffing en is opgenomen dat nevenactiviteiten (zoals flexwonen) onder voorwaarden ook door gemeenten kunnen worden meegenomen in de tijdelijke ontheffingsaanvraag voor asielopvang. Tijdens het Open Huis is aan de hand van een presentatie gesproken over het thema asielopvang. Dit heeft niet geleid tot verdere wijzigingen. Huisvestingseffect bij nieuwe economische ontwikkelingen (huisvesting arbeidsmigranten) Het huisvestingseffect bij nieuwe economische ontwikkelingen is in internetconsultatie geweest. Dit heeft niet geleid tot wijzigingen. Voorafgaand aan Herziening 2025 is ambtelijk gesproken met verschillende gemeenten, Rijk en marktpartijen, belangenorganisaties, zowel branches als individuele partijen: huisvesters, werkgevers, vakbond, uitzendbureaus. Dit is gedaan in circa 10 interviews specifiek over dit onderwerp.

Over het algemeen vonden alle partijen het gewenst om voor arbeidsmigranten één persoon per kamer in te stellen als wenselijkheid voor nieuwbouw en situaties in de bestaande voorraad waar een nieuwe vergunning vereist is. Het fysiek en mentaal welzijn van de arbeidsmigrant wordt hierdoor bevorderd. Aangegeven is dat mogelijk de kosten voor een kamer per persoon hierdoor stijgen. De verwachting is echter dat deze kosten niet zozeer bij de arbeidsmigrant terecht komen (beschermd door maximale huurprijs in wet- en regelgeving en regels uitzendbranche). De kostenstijging zal naar mening van (bonafide) huisvesters erg meevallen uitgaand van een slim ontwerp. De hogere prijzen zullen bij uitzendbureaus en/of werkgevers/inleners terecht komen. Dit blijkt echter geen reden voor de partijen om één persoon per kamer niet in te stellen. Aangegeven is dat ook SNF (Stichting Normering Flexwonen) binnenkort overgaat tot deze maatregel, maar uitzonderingen biedt die PZH – ten goede - niet overneemt. Ook is aangegeven dat de maatregel bonafide huisvesters stimuleert. Deze huisvesters zijn vaak al in de breedte bezig met kwaliteit, waardoor de verwachting is dat de kwaliteitsslag breder uitpakt dan alleen één persoon per kamer. Opgemerkt werd dat het goed is om mee te nemen dat het gaat om groepsaccommodaties in geval van nieuwbouw (vanaf 10 bedden).

Dit is meegenomen in de beschrijving in de Omgevingsvisie. De wens is wel dat accommodaties dan minimaal 15 jaar mogen blijven staan zodat de kosten beheersbaar blijven. Ook zal iets moeten worden gevonden op de huurcontracten; bij ongewijzigde koers van het Rijk ter zake zullen anders alle logiescontracten op termijn vervallen.

65

Beleidsdoel 6.2 Ruimte en landschap De ruimtelijke koers heeft voor nieuwe beleidsdoelen gezorgd. De wijziging van het beleidsdoel zorgt ervoor dat er wordt aangesloten bij de nieuwe beleidskeuze ‘6.2.1 Toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling’ en ‘6.2.4 Ontwikkelingen houden rekening met water en bodem’. Daarnaast zijn de wijzigingen uit de beleidskeuze ‘6.2.3 Groenblauw netwerk’ vertaald in doelen.

Beleidskeuze 6.2.1 Toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling De beleidskeuzes ‘Toekomstbestendige stedelijke ontwikkeling’ en ‘Vitaal landelijk gebied’ worden in deze herziening samengevoegd tot de nieuwe beleidskeuze ‘Toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling’. Met deze wijziging worden ruimtelijke ontwikkelingen in bestaand stads- en dorpsgebied en het landelijk gebied in relatie tot elkaar bezien. Deze nieuwe beleidskeuze is in lijn met de uitgangspunten van de nieuwe koers verder uitgewerkt in de volgende drie beleidslijnen: • Uitgangspunten voor een toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling; • Ruimtelijke keuzes in de onbebouwde ruimte; • Groen en gezond intensiveren in steden en dorpen. De provincie wil dat nieuwe bebouwing en verharding voor alle opgaven zoveel mogelijk in bestaand stads- en dorpsgebied wordt gerealiseerd. Alleen als dat niet mogelijk is, kan hiervoor ruimte worden gezocht in het beschermingsgebied onbebouwde ruimte. Het ‘Beschermingsgebied onbebouwde ruimte’ is als werkingsgebied opgenomen in de provinciale verordening. In paragraaf 7.3.6a zijn de regels opgenomen die binnen dit werkingsgebied van toepassing zijn. Het beschermingsgebied onbebouwde ruimte omvat alle ruimte buiten bestaand stads- en dorpsgebied minus het glastuinbouwgebied West-Holland en solitaire bedrijventerreinen. De ruimte is nodig voor prioritaire ontwikkelingen.

In het beschermingsgebied onbebouwde ruimte zijn de mogelijkheden voor verdere bebouwing beperkt. Zuinig en meervoudig ruimtegebruik is uitgangspunt. Stedelijke ontwikkelingen zijn uitgesloten, waarbij enkele uitzonderingen gelden voor noodzakelijke stedelijke ontwikkelingen, grote buitenstedelijke bouwlocaties (3 hectare locaties) en kleinschalige buitenstedelijke bouwlocaties (tot 3 hectare), waaronder ‘straatje erbij en ertussen’, kleinschalige uitbreiding van lokale bedrijvigheid en kleinschalige stedelijke ontwikkelingen van het type ‘inpassen’. Er blijft ruimte voor maatwerk, onder meer op basis van gebiedsprogramma’s. De prioritaire opgaven zijn benoemd in de visie en in de verordening en zijn voorwaardelijk voor de ontwikkeling van een toekomstbestendig Zuid-Holland. Deze opgaven richten zich op het bevorderen van: -

Een toekomstbestendige en veerkrachtige landbouwsector; Een robuust en klimaatadaptief water- en bodemsysteem; Een duurzaam en toekomstbestendig systeem voor energie- (drink)watervoorziening; En natuurherstel t.b.v. behoud en verbetering van de biodiversiteit.

Bij de realisatie van deze prioritaire opgaven dienen kansen voor combinaties met extensieve, groene recreatie, zoals het toevoegen van wandel- en fietspaden en het verbeteren van de toegankelijkheid van het gebied voor bewoners en recreanten, zoveel mogelijk benut te worden om de kwaliteiten van het landschap beter ervaarbaar te maken en zo bij te dragen aan de brede welvaart in Zuid-Holland. 66

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=8904142e-75de-42f9-9ef9-95b64e6f2317