B02-20251110-40-vka-inspectierapport-als-overheidsingrijpen-kinderen-geen-bescherming-biedt-bijlage1
Tekst van het document
22
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
In de dossiers die de inspecties inzagen en tijdens de dossierinzage met de jeugdzorgwerkers zien de inspecties dat de veiligheidsplannen kort na aanvang van een maatregel worden opgesteld. Hierbij wordt een eerste veiligheidsinschatting gemaakt en wordt de ARIJ afgenomen. In achttien van de twintig dossiers hebben de inspecties de tijdigheid van de plannen van aanpak beoordeeld. In drie dossiers was het plan van aanpak binnen de gestelde zes weken gereed. In drie dossiers stond de jeugdige op de wachtlijst en was er geen plan van aanpak. In twaalf dossiers is het plan van aanpak ook niet gereed binnen zes weken. In deze dossiers was veelal wel het veiligheidsplan aanwezig. De jeugdbeschermers vertellen dat een plan dynamisch is, en daarmee eigenlijk ook nooit af. Daarbij benadrukken de jeugdbeschermers dat ze bij het plan van aanpak rekening moeten houden met meerdere gezinsleden en dat niet iedereen zich overal in kan vinden. Dit maakt het opstellen van een plan van aanpak complex. De instrumenten die JbGld gebruikt om de doorlooptijden te monitoren, zoals PowerBI, ervaart de ene jeugdbeschermer als helpend, terwijl de andere voelt dat er druk wordt opgevoerd. In gesprek met de gedragswetenschappers en teamleiders horen de inspecties dat het lastig is om een plan op te stellen in zes weken tijd, omdat niet alle partijen direct achter het plan staan.
Gelet op de hoge aantallen van gezinnen met (vecht)scheidingsproblematiek is dit een ingewikkelde opgave. De gedragswetenschappers en de teamleiders geven aan dat hierbij niet alleen gekeken dient te worden naar te termijnen, omdat deze volgens hen te krap en niet haalbaar zijn. Het proces verloopt altijd anders, vertellen jeugdzorgwerkers, waarbij het belangrijk is dat je gezamenlijk met ouders een inschatting moet maken wanneer je toe bent aan nieuwe stappen. Dat maakt volgens jeugdzorgwerkers dat het niet altijd lukt om een goed plan van aanpak op tijd gereed te hebben. Jeugdzorgwerkers benadrukken dat je enkel tot een gedragen koers komt als ouders hier ook achter staan en als zij nog niet willen of kunnen praten, zal het nooit een gedragen koers worden. De cliëntenraad vertelt de inspecties dat uit contacten met cliënten blijkt dat bij veel casussen het plan van aanpak niet op tijd klaar is. Tekortkoming
JbGld slaagt er voor een groot deel van de jeugdigen niet in om tijdig samen met jeugdige en ouders een plan van aanpak op te stellen, op basis van een gezamenlijke integrale analyse van de gezinssituatie. Het veiligheidsplan is geen vervanging voor het plan van aanpak.
23
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Thema 2: Tijdige inzet van passende hulp In dit thema kijken de inspecties in hoeverre het lukt om de hulp die nodig is om de ontwikkelingsbedreiging af te wenden en/of het recidiverisico te verminderen tijdig in te zetten.
Oordeel Het oordeel van de inspecties over de tijdigheid van het inzetten van passende hulp is grotendeels onvoldoende. De inspecties komen tot dit oordeel omdat jeugdigen en hun ouders te vaak niet tijdig passende hulp krijgen. Dit ligt meestal niet aan de inspanningen van de jeugdzorgwerkers van de JbGld. Het proces om te komen tot de inzet van hulp is veelal tijdrovend en vraagt veel inspanning van medewerkers. Het heeft ook te maken met onvoldoende beschikbaarheid van passende (jeugd)hulp. Gemeenten zijn hier verantwoordelijk voor. Het ligt ook aan onvoldoende toegankelijkheid van de beschikbare hulp, doordat gemeenten bijvoorbeeld de inzet van de door de JbGld noodzakelijk geachte hulp heroverwegen. In onderstaand figuur ziet u direct wat de oordelen zijn van de inspecties op de normen die vallen onder dit thema.
Onderdeel:
Passende hulp
Tijdig
Afgestemd
Oordeel:
-
-
-
Hieronder leest u per norm een toelichting op het oordeel van de inspecties.
Norm 2.1 Norm De ingezette hulp draagt bij aan het afwenden van de ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk het recidiverisico.
Oordeel
-
Waar kijken de inspecties naar? De ingezette hulp vloeit voort uit het plan (gedragen koers), dat aansluit bij de problematiek, ontwikkelingsbehoefte en mogelijkheden van jeugdigen en ouders. De professional kan toelichten waarom de hulp passend is en de jeugdige en ouders ervaren dat de hulp bijdraagt aan het opheffen van de onveiligheid en/of ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk het recidiverisico. Passende hulp Uit de antwoorden op de vragenlijst onder ouders en jeugdigen komt naar voren dat 49% van de ondervraagden vindt dat de hulp voor verbetering zorgt, 51% procent is het hier niet mee eens. Ten aanzien van het aansluiten van de hulp op het plan van aanpak zegt 46% dat dit het geval is en 15% geeft aan dit niet te weten. 39% vindt dat de hulp niet volgens het plan van aanpak is. Er is met vier jeugdigen gesproken over de ingezette hulp, van wie twee jeugdigen de hulp passend vinden. Een jeugdige geeft aan dat de hulp tijdelijk zou zijn, maar heeft zelf besloten door te gaan met de ingezette hulp. De jeugdige vertelt dat de jeugdbeschermer altijd checkt of het goed gaat en de jeugdbeschermer weet goed in te schatten of er iets nodig is. Twee jeugdigen geven aan dat de hulp niet heeft geholpen. 24
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Twee ouders geven aan dat de hulp passend is, een andere ouder vindt het deels passend omdat de medewerker onvoldoende naar het belang van de jeugdige kijkt waar het gaat over de omgang. In een wachtlijstcasus is geen hulp geweest. In een ander geval kon de jeugdige, door het handelen van de wachtlijstmedewerker en op verzoek van de ouder, binnen een week terecht bij de zorgaanbieder. Uit de gesprekken met de jeugdzorgwerkers, komt naar voren dat het vinden en inzetten van passende hulp veel tijd kost en afstemming vraagt met gemeenten. Gemeenten hanteren verschillende werkwijzen en/of de eisen verschillen voor de inzet van hulp per gemeenten. Gedragswetenschappers geven aan dat het aanbod van zorgaanbieders op minder complexe zorg extreem hoog is waardoor dit makkelijker inzetbaar is. Het ontbreekt aan zorg voor jeugdigen en gezinnen met meer complexe problematiek. Jeugdreclasseerders vertellen dat er weinig forensisch aanbod is en dat zij een groot tekort aan (forensisch) culturele zorg ervaren, dit speelt in alle regio’s. GGZzorg en behandelsettingen worden gemist. Jeugdreclasseerder: ”Het bespreken van de casus bij een expertisetafel voelt soms dubbel.
De partijen die daar aan tafel zitten, zijn vaak al benaderd en konden de hulp niet bieden.” In gesprekken met de bestuurder, jeugdzorgwerkers, teamleiders, gedragswetenschappers en gemeenten horen de inspecties dat er geen sprake is van een dekkend zorglandschap. Met name de beschikbaarheid van geestelijke gezondheidszorg (GGZ) en forensische zorg ontbreekt, terwijl jeugdigen eigenlijk direct geholpen hadden moeten worden. Jeugdigen worden voor forensische hulp bovenregionaal verwezen. Er is sprake van lange wachtlijsten bij zorgaanbieders en soms wordt daardoor andere hulp ingezet. Het kost jeugdzorgwerkers veel tijd om passende zorg te vinden. Wachtlijst Wachtlijstmedewerkers vertellen dat voor casussen die op de wachtlijst staan hulpverlening wordt ingezet als er overeenstemming is tussen ouders en dat reeds ingezette hulp wordt voortgezet. Wanneer dit niet het geval is geeft de wachtlijstmedewerker aan onvoldoende tijd te kunnen investeren om tot overeenstemming met jeugdige en ouders te komen. Bij triage van wachtlijstcasussen wordt beoordeeld of (passende) hulpverlening aanwezig is. Uitgangspunt is dat casussen zonder hulpverlening niet op de wachtlijst staan. In de praktijk lukt het niet altijd om een jeugdbeschermer aan een jeugdige of gezin zonder hulpverlening te koppelen, vertelt de wachtlijstmedewerker.
Tijdens wachtlijstbeheer sluit de wachtlijstmedewerker online aan bij evaluaties van de hulpverlening. De hulp sluit aan en vloeit voort uit het plan De inspecties horen van teamleiders en gedragswetenschappers dat zij in het teamoverleg, gezamenlijk met jeugdzorgwerkers, besluiten over de in te zetten hulp. De gedragswetenschapper geeft aan dat haar betrokkenheid bij het maken van een plan, afhankelijk is van de casus. De jeugdzorgwerker geeft aan zicht te houden op de ingezette hulpverlening door af te stemmen met betrokken hulpverleners. Ook bespreken de jeugdzorgwerkers de in te zetten hulp in het casuïstiekteam. Dossiers De inspecties zien dat in acht van de elf cliëntdossiers die zij zelf hebben ingezien dat de ingezette hulpverlening (deels) aansluit bij de problematiek, risico’s en doelen (voor zover deze in kaart is gebracht, zie thema 1). In een dossier zien de inspecties dat de hulpverlening is voortgezet nadat de maatregel was gestart. 25
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
In de negen cliëntdossiers die de inspectie met een jeugdzorgwerker hebben ingezien, kunnen de jeugdzorgwerkers aan de inspecties uitleggen waarom de hulp passend is en aansluit bij wat de jeugdige nodig heeft. Tekortkomingen
De hulp die noodzakelijk is om de ontwikkelingsbedreiging van een jeugdige af te wenden of om het recidiverisico te verminderen kan JbGld te vaak niet inzetten. Het ontbreekt aan een kwalitatief en kwantitatief toereikend hulpaanbod en indien nodig voldoende mogelijkheden om maatwerk te organiseren voor een jeugdige en diens gezin. Gemeenten zijn hier verantwoordelijk voor.
Ouders en jeugdigen ervaren te weinig dat de ingezette hulp bijdraagt. Norm 2.2 Norm De hulp wordt tijdig ingezet.
Oordeel -
Waar kijken de inspecties naar? Binnen drie maanden na het opleggen van de maatregel is passende hulp voor de jeugdige (en diens gezin) gestart, of zoveel eerder als de professionals en betrokkenen noodzakelijk achten gezien de onveilgheid, ontwikkelingsbedreiging, en/of het recidiverisico van de jeugdige. De professional organiseert tijdig alternatieve hulp indien de professional met jeugdige, ouders en andere betrokkenen vaststelt dat de ingezette hulp niet doeltreffend of veilig is. De professional schaalt op indien de noodzakelijke hulp niet beschikbaar is. Wachtlijsten en wachttijden Van de bestuurder, gedragswetenschappers, teamleiders en jeugdzorgwerkers horen de inspecties verschillende ervaringen over wachttijden. Voorbeelden die zijn genoemd:
Zes weken wachttijd om een casus in te brengen bij het Regionaal Expertteam (RET).
Zorgaanbieders met wachtlijsten van anderhalf jaar. Advies PIJ-maatregel vanwege geen beschikbaarheid ambulante hulp. Wachtlijsten voor woonvormen bij jeugdreclassering lopen snel op. Beperkt aanbod forensische zorg, vooral bij 18- is een tekort aan passende hulp. Terughoudendheid bij inzet van overbruggingshulp, als het over kinderen gaat willen weinig partijen zich hieraan wagen.
Lange wachttijd voor GGZ, waarbij de wachttijd voor specialistische GGZ 12 tot 20 weken bedraagt. J-GGZ is het grootste probleem, zowel voor onderzoek en behandeling. Het lukt wel om ambulante spoedhulp en ambulante hulpverlening tijdig in te zetten. De jeugdbeschermers geven aan dat het moeilijk is om tijdig –binnen drie maanden– passende hulp te realiseren. Dit lukt ook niet altijd. De jeugdreclassering loopt in alle regio’s tegen wachtlijsten aan voor hulp. Soms lukt het niet om een jeugdige te schorsen, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van een wachtlijst van zes tot negen maanden bij zorgaanbieders, of om aan de voorwaarden te kunnen voldoen vanwege een wachtlijst voor of het gebrek aan passende hulp. Jeugdzorgwerkers zoeken naar alternatieven of vragen een alternatief aan gemeenten als bepaalde hulp niet beschikbaar is.
26
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Gedragswetenschapper: “Het gaat ook om het verdragen dat je niet altijd kan doen wat je zou willen doen, waardoor je continu de vraag moet stellen hoe hoog de nood is. Soms is het inzetten van andere hulpverlening, wanneer er sprake is van een wachtlijst, schadelijker dan wachten, en andersom.” De RvT erkent dat het vinden van passende hulp en ondersteuning een grote zorg is en geeft aan dat het vinden van passende hulp en ondersteuning complex is en jeugdzorgwerkers veel tijd kost. Zij krijgt hier signalen over van de OR en CR. Bij zeven van de elf dossiers die ze inspecties zelf hebben ingezien, is de hulp binnen drie maanden na de start van de maatregel opgestart, waarvan in drie dossiers sprake is van voortzetting van hulpverlening. Eén dossier betreft een wachtlijstcasus waarbij geen hulpverlening is ingezet, vanwege een conflict tussen ouders. Bij JbGld is de werkwijze dat in wachtlijstzaken alleen hulpverlening wordt ingezet wanneer hierover overeenstemming is tussen ouders. In een ander dossier is te zien dat ambulante hulpverlening tijdig is ingezet en dat voor de benodigde ggz-zorg sprake is van een wachtlijst.
In zeven van de negen dossiers die de inspecties met jeugdzorgwerkers hebben bekeken, zien de inspecties dat er sprake is of is geweest van lange wachtlijsten voor hulp, maar dat in de casus inmiddels hulp is ingezet, of dat jeugdzorgwerkers zoeken naar alternatieven om de wachttijd te overbruggen. Signaleren, opschalen en escaleren indien de passende hulp niet beschikbaar is Gedragswetenschappers en teamleiders vertellen dat ze een escalatiemodel hanteren. Als de hulp niet passend is, of als de problematiek van een jeugdige of gezin voor een zorgaanbieder te zwaar is, dan wordt er door de teamleiders gestuurd op de inzet van het Regionaal Expertteam. Jeugdzorgwerkers kunnen escaleren, waarna de teamleider dit doorzet naar de volgende laag in de organisatie. Jeugdzorgwerkers geven aan zowel intern te escaleren als extern bij gemeenten en zorgaanbieders waarbij, het escaleren soms lijkt te stokken op het niveau van teamleider of beleidsmedewerker. Escaleren helpt om gezien te worden, aldus een medewerker. Tekortkoming
JbGld kan onvoldoende tijdig (binnen drie maanden na het opleggen van de maatregel) passende hulp, of een passend alternatief, inzetten als de eerste keuze niet beschikbaar is. Hiervoor is JbGld mede afhankelijk van de beschikbaarheid van hulp (zie 2.1). Dit vraagt onevenredig veel tijd van de jeugdzorgwerkers.
27
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Norm 2.3 Norm Over de inzet van hulp vindt afstemming met de gemeente plaats.
Oordeel -
Waar kijken de inspecties naar? De gecertificeerde instelling bepaalt of, en zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclasseringsmaatregel. Zij overlegt hiertoe met het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft. Dit is niet van toepassing indien de verplichting tot het bieden van jeugdhulp rechtstreeks voortvloeit uit een strafrechtelijke beslissing. Afstemming met de gemeente Uit de gesprekken met de jeugdzorgwerkers, komt naar voren dat het inzetten van passende hulp veel afstemming vraagt met gemeenten. Gemeenten hanteren verschillende werkwijzen en/of de eisen verschillen voor de inzet van hulp per gemeenten. Ook jeugdreclasseerders vertellen dat het veel afstemmingstijd kost als een gemeente niet akkoord gaat met de in te zetten hulp. De jeugdreclasseerders ervaren dat ze bij jeugdreclasseringsmaatregelen steviger staan bij de gemeente als er in de bijzondere voorwaarden, die de rechter oplegt, concrete aanwijzingen voor de in te zetten hulp zijn opgenomen. De bestuurder vertelt dat bij complexe casuïstiek, waar het niet lukt om passende hulp in te zetten, hij soms de wethouder betrekt en bij alle partners erop aandringt dat zij met mandaat in overleg treden om in gezamenlijkheid tot een besluit te komen en daarmee de best passende hulp te organiseren binnen de mogelijkheden die er wel zijn.
De Gelderse jeugdhulpregio’s en GI’s hebben afspraken met elkaar gemaakt over de aanmelding van jeugdigen en gezinnen voor jeugdhulp. Hierin zijn twee aanmeldroutes uitgewerkt, is de termijn voor de bepaling vastgelegd en bepaald dat de jeugdbeschermer binnen drie werkdagen contact heeft met het lokale team. De gemeente geeft in gesprek met de inspecties aan dat de uitvoering van deze afspraken beter kan, zowel aan de kant van JbGld als aan de kant van het lokale team. De gemeente benoemt daarbij verschillen tussen de regio’s in de beschikbaarheid van de contactpersonen en hoe mensen zich de werkwijze eigen maken. De inspecties horen van een gedragsdeskundige van een gemeente dat de samenwerking goed loopt en dat de door JbGld ingezette hulp vaak passend is. In een proeftuin is afgesproken dat de gemeente en JbGld samen optrekken en afstemmen over regie. Verder horen de inspecties van een gemeente dat een lunchbijeenkomst is georganiseerd tussen JbGld en CJG met als doel om elkaar beter te leren kennen, vragen te stellen en afspraken te maken. Tekortkoming
Gemeenten hinderen de tijdige inzet van passende hulp op oneigenlijke gronden. Artikel 3.5 van de Jeugdwet regelt dat de gecertificeerde instelling kan bepalen welke jeugdhulp de jongere nodig heeft. De instelling wordt verplicht om met de gemeente hierover te overleggen op casusniveau. Overeenstemming met de gemeente per geval wordt niet geëist, omdat het uiteindelijk de gecertificeerde instelling is die de wettelijke verantwoordelijkheid heeft om de door de rechter opgedragen maatregel uit te voeren.
28
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Thema 3: Regie op voortgang van het beoogde resultaat In dit thema kijken de inspecties naar de kwaliteit van de regievoering vanuit de GI op de ingezette hulp en de mate waarin de GI zicht houdt op de ontwikkeling en de veiligheid van de jeugdige.
Oordeel Het oordeel van de inspecties over de samenwerking en regie, het systematisch handelen en handelen bij onveiligheid is grotendeels voldoende. Het oordeel van de inspecties over de mate waarin jeugdigen de mogelijkheid krijgen te participeren in hun traject, het zicht op de jeugdige en het inschatten van de veiligheid is grotendeels onvoldoende. De inspecties komen tot dit oordeel omdat JbGld met een deel van de jeugdigen onvoldoende in contact is over de ontwikkeling en de veiligheid van de jeugdige. JbGld heeft hierdoor niet in alle casussen voldoende zicht op de ontwikkeling en de veiligheid van de jeugdige en maakt afwegingen op basis van onvoldoende informatie. Jeugdzorgwerkers gebruiken het risicotaxatie-instrument niet altijd zoals dit volgens de methode hoort, waardoor dit ook onvoldoende samen met jeugdige en ouders gebeurt. Tot slot zien de inspecties dat JbGld incidenteel onmachtig is om onveiligheid af te wenden doordat passende hulp ontbreekt In onderstaand figuur ziet u direct wat de oordelen zijn van de inspecties op de normen die vallen onder dit thema.
Onderdeel:
Cliëntgericht
Samenwerking en regie
Systematisch handelen
Zicht op jeugdige
Inschatten veiligheid
Handelen bij onveiligheid
Oordeel:
-
+
+
-
-
+
Hieronder leest u per norm een toelichting op het oordeel van de inspecties.
Norm 3.1 Norm De jeugdige krijgt in het gehele proces de mogelijkheid om te participeren en is betrokken bij de besluitvorming.
Oordeel -
Waar kijken de inspecties naar? In de dagelijkse praktijk besteden professionals voldoende tijd en aandacht aan de jeugdige en ouders. De professional onderhoudt de relatie met ouders en jeugdige. De professional blijft tevens in contact met het (informele) netwerk van het gezin. De professional bevordert de band tussen ouders, jeugdige en andere gezinsleden en met belangrijke personen uit het netwerk. Professionals behandelen jeugdigen en ouders met respect en jeugdigen ouders ervaren begrip en vertrouwen. Jeugdigen met een vaste jeugdzorgwerker: tijd, aandacht, begrip en vertrouwen voor de jeugdige Twee van de vier jeugdigen zijn positief over hun jeugdzorgwerker. Een jeugdige is positief over het contact met de jeugdbeschermer en over de inspraak op de begeleiding. De contactfrequentie varieert van eens per maand naar wekelijks, de jeugdzorgwerker is goed in staat om een inschatting te maken over de noodzakelijke contactfrequentie.
29
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Een jeugdige geeft aan dat het contact veelal telefonisch en onregelmatig verloopt. Over het geheel is deze jeugdige tevreden omdat de jeugdzorgwerker begrip toont. Wel vindt de jeugdige het jammer lang te moeten wachten op een reactie van de jeugdzorgwerker als ze de jeugdzorgwerker belt of appt met een verzoek. Twee jeugdigen geven aan ontevreden te zijn over het contact. De ene jeugdige vertelt dat de jeugdzorgwerker druk legde op omgang met moeder en de andere jeugdige vertelt een andere verwachting te hebben van de jeugdzorgwerker qua ondersteuning en contact. Jeugdige (vragenlijst): “Hij heeft mij al bijna zeven maanden niet gezien. Hij gaat telkens op vakantie. Hij snapt mij gewoon niet. Hij laat mij niet uitpraten. Hij luistert niet naar wat ik zeg. Hij hoort mij te helpen, maar hij werkt mij tegen. Ik wil dat hij naar mij luistert en mij beschermt...” Uit de antwoorden op de vragenlijst voor ouders en jeugdigen blijkt dat 16% van de respondenten (ouders) het er zeer mee eens is dat er voldoende tijd en aandacht wordt besteed aan de jeugdige, 33% is het er mee eens, 23% mee oneens en 27% zeer mee oneens. Daarnaast komt uit de antwoorden op de vragenlijst naar voren dat in 69% van de gevallen de jeugdzorgwerker meerdere keren één-op-één contact heeft met de jeugdige gedurende de looptijd van de maatregel. In 5% van de gevallen was dit eenmalig.
26% geeft aan dat er geen één-op-één contact is geweest. Jeugdreclasseerders geven aan dat de contactfrequentie casusafhankelijk en per maatregel verschillend is. De minimale face-to-face contactfrequentie die JbGld hanteert, is eens per zes weken. In schorsingszaken ligt de frequentie hoger. In de eerste fase van de (uitvoering van de) maatregel hebben de jeugdreclasseerders wekelijks contact om de situatie van de jeugdige goed in kaart te brengen. Jeugdzorgwerkers vertellen dat zij de contactfrequentie met de jeugdige afstemmen op het gezin en dat zij vinden dat ze soms weloverwogen kiezen om een jeugdige minder te zien dan de voorgeschreven frequentie. In elf cliëntdossiers die de inspecties zelf hebben bekeken, zien de inspecties dat de contactfrequentie tussen jeugdzorgwerker en een jeugdige in het afgelopen half jaar varieert. In één dossier was er één keer contact, in het merendeel was er tussen de twee en de vijf keer contact en in twee dossiers was er veelvuldig of wekelijks contact met de jeugdige in het afgelopen half jaar. In twee van de negen dossiers die de inspecties met een jeugdzorgwerker bekeken, is of was wekelijks contact met jeugdige en in een van de negen dossiers is dit tweewekelijks.
Bevorderen gezinsband en relatie met andere belangrijke personen voor de jeugdige Bij alle vier de jeugdigen die de inspectie sprak, is het (contact met het) netwerk onderwerp van gesprek. Jeugdzorgwerkers en jeugdigen vertellen dat het gezin in beeld wordt gebracht met behulp van een genogram. Van alle vier de jeugdigen horen de inspecties dat de jeugdzorgwerker aandacht heeft voor contact(herstel) met ouders en/of het netwerk. Ook wanneer de jeugdige zelf aangeeft dit niet te willen is het onderwerp van gesprek. Een ketenpartner vertelt dat de jeugdzorgwerker in contact is met de jeugdige en bijdraagt aan contactherstel tussen ouder en kind. In twee gesprekken met ouders komt naar voren dat er aandacht is voor het bevorderen van de gezinsband en de relatie met het netwerk. Een ouder vertelt dat de jeugdzorgwerker aandacht heeft voor het contact dat de jeugdige heeft met de andere ouder, de jeugdzorgwerker heeft begeleid contact vormgegeven. Een andere ouder vertelt dat de jeugdzorgwerker mensen uit het netwerk wil spreken die ook belangrijk zijn voor de jeugdige. 30
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Jeugdigen die op de wachtlijst staan Van de wachtlijstmedewerkers horen de inspecties dat zij naar de zitting gaan en binnen tien dagen bellen met ouders om de uitspraak te bespreken en ouders een opdracht mee te geven. Meestal zien zij de jeugdigen niet op de zitting omdat jeugdigen op een andere dag gehoord worden door de rechter. Een wachtlijstmedewerker geeft aan de jeugdige na de zitting te bellen en kenbaar te maken, als er iets speelt, dit te bespreken met ouders en contact op te nemen met de wachtlijstmedewerker. In de praktijk nemen jeugdigen bijna nooit contact op. Een wachtlijstmedewerker vertelt om die reden na een paar maanden zelf met de jeugdige te bellen en ongeveer na tien weken is er contact met ouders. De andere wachtlijstmedewerker kiest er in de meeste gevallen voor om geen contact op te nemen met de jeugdige, om te voorkomen dat de jeugdige weer een nieuwe en tijdelijke contactpersoon heeft. In het beleid bij kwalitatieve onderbezetting staat beschreven dat de wachtlijstmedewerker contact legt met álle betrokkenen. De inspecties hebben vijf dossiers ingezien waar sprake is van een periode op de wachtlijst.
Hieruit blijkt dat in twee dossiers de jeugdige eenmaal is gesproken over een periode van een half jaar, in één dossier is de jeugdige eenmaal gesproken in een periode van drie maanden en in één dossier is er geen contact met de jeugdige geweest over een periode van tien maanden. In een casus is wekelijks contact met de jeugdige in een periode van vier maanden. Tijd, aandacht, begrip en vertrouwen voor de ouders De inspecties hebben in totaal met zeven ouders gesproken. Drie daarvan staan op de wachtlijst en één ouder heeft op de wachtlijst gestaan, deze vier ouders vertellen dat het contact met de jeugdzorgwerker veelal telefonisch, via app of online verloopt. Er is ook wel sprake van persoonlijk contact maar in veel mindere mate. Vier ouders geven aan dat de aard van het contact prima is. Zij spreken met de jeugdzorgwerker bijvoorbeeld over de doelen en het netwerk. De ouders vertellen dat om hun mening gevraagd wordt en dat ze worden betrokken in de besluitvorming. Ouder: “Als de gezinsvoogd een goed beeld wil vormen van hoe het gaat, dan zou er meer real life contact moeten zijn met mijn zoon.” De contactfrequentie varieert van wekelijks tot eens in de twee à drie weken. Van één ouder horen de inspecties dat zij eerder geneigd is om haar hulpverlener te benaderen dan de jeugdzorgwerker.
Een ouder geeft aan dat zij veelal zelf het initiatief moet nemen om contact op te nemen om een onderwerp te bespreken. De rol van ouders is casusafhankelijk volgens de jeugdreclasseerders. In sommige casussen hebben ze intensief contact met ouders, bijvoorbeeld wanneer een jeugdige thuis woont. In de basis proberen de jeugdreclasseerders ouders te betrekken; ouders blijven belangrijk in het leven van de jeugdige, vertellen de jeugdreclasseerders. Ouder: “Voor de jeugdreclasseerder is het lastig om contact te krijgen met onze dochter. Zij heeft al zoveel gezichten gezien. Nu de jeugdbeschermer al bij hun thuis komt, zou dat moment gebruikt kunnen worden om contact te krijgen. Waarop diegene aangaf: dat kan niet want jeugdreclassering is een ander traject.” De inspecties hebben in elf cliëntdossiers zelf gekeken naar de contactfrequentie tussen de jeugdzorgwerker en ouders in het afgelopen half jaar. In twee dossiers was dit nul keer (voogdijzaak en plaatsing in een pleeggezin), in vijf dossiers was er tussen de twee en zes keer contact en in vier dossiers was dit tussen de tien en veertien keer contact.
31
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
In zes van de negen dossiers die de inspecties bekeken met jeugdzorgwerkers was er wekelijks tot één keer in de twee weken contact met ouders, waarbij dit in drie gevallen inmiddels is afgebouwd omdat de samenwerkingsrelatie is opgebouwd. In twee dossiers was de contactfrequentie met ouders één keer in de zes weken. In één dossier is dit genoteerd. Tekortkomingen
JbGld voert met een deel van de jeugdigen onvoldoende gesprekken om zich een goed beeld te vormen van diens ontwikkeling en veiligheid. Contact met de jeugdige is daarnaast noodzakelijk om te participeren in het gehele proces en om hen te betrekken bij de besluitvorming.
JbGld besteedt onvoldoende (face-to-face) tijd en aandacht aan een deel van de ouders. Die ouders krijgen daardoor onvoldoende de mogelijkheid om te participeren in het gehele proces en betrokken worden bij de besluitvorming.
Norm 3.2 Norm De professional heeft de regie en het overzicht op alle ingezette hulp en ondersteuning aan het gezin.
Oordeel +
Waar kijken de inspecties naar? De professional houdt de regie en heeft het overzicht op alle ingezette hulp en ondersteuning in het gezin. Waar nodig vindt multidisciplinaire en interdisciplinaire afstemming plaats. Indien andere professionals betrokken zijn bij de jeugdige en het gezin, werkt de professional met hen samen. Dat betekent dat zij met elkaar duidelijke afspraken maken over de samenwerking, wederzijdse verwachtingen, wie waarvoor verantwoordelijk is en wie de regie voert. Professionals stellen de jeugdige en ouders hiervan op de hoogte. Het hulpverleningsplan van andere professionals sluit navolgbaar aan op het plan van de GI. Bij (blijvende) visieverschillen tussen betrokken professionals over de effectiviteit van de hulpverlening en/of over de veiligheid van de jeugdige schaalt de professional op en zorgt de professional dat betrokkenen het belang van de jeugdige centraal blijft stellen. Regie en overzicht van alle ingezette hulp en ondersteuning aan het gezin Drie van de zeven ouders geven aan geen samenwerking of regie tussen jeugdzorgwerker en hulpverleners te ervaren. Voorbeelden daarvan zijn dat de ondersteuning stopte wanneer de jeugdzorgwerker in beeld kwam en in twee wachtlijstcasussen ervaren ouders geen actieve betrokkenheid tussen jeugdzorgwerker en hulpverleners.
Een ouder die op de wachtlijst staat ervaart dat hij zelf regie voert, naast de wachtlijstmedewerker en een stagiair. Drie ouders geven aan dat er een goede samenwerking is en dat de jeugdzorgwerker regie heeft over de hulp. Zij geven voorbeelden van casusgesprekken met verschillende betrokkenen, en contact tussen de jeugdzorgwerker en hulpverleners waar over de inzet van de hulp wordt afgestemd. Twee jeugdigen die de inspecties hebben gesproken vertellen dat ze ervaren dat de jeugdzorgwerker regie voert, ze zien dat de jeugdzorgwerker met de hulpverlening of het netwerk over hen heeft gesproken. Een jeugdige ziet wel dat de hulpverlener en de jeugdzorgwerker samenwerken, maar weet niet of er sprake is van regie omdat ze zelf niet bij deze gesprekken is.
32
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
In twee van de vier gesprekken met ketenpartners komt naar voren dat de jeugdzorgwerker regie voert, er wordt bijvoorbeeld afgestemd over de samenwerking in een MDO en de jeugdzorgwerker is degene die uiteindelijk bepaalt wat er moet gebeuren. In één geval loopt de casus nog te kort om hierover iets te kunnen zeggen en de andere ketenpartner heeft geen inhoudelijke betrokkenheid. Een gezinshuisouder die de digitale vragenlijst heeft ingevuld geeft aan dat ze tevreden is over de samenwerking en de afstemming, het nakomen van afspraken en het zoeken naar passende manieren om met situaties om te gaan. Ook wat betreft lastige situaties waarin doorpakken belangrijk is. In de gesprekken met jeugdzorgwerkers komen voorbeelden naar voren waarbij sprake is van regie en overzicht van de ingezette hulp en ondersteuning aan de jeugdige zoals het organiseren van MDO’s met alle betrokkenen, taken verdelen in wie wat doet, evaluaties plannen en uitvoeren en soms ook afwegen of alle partijen wel nodig zijn. Ook in de cliëntdossiers en in de gesprekken met jeugdzorgwerkers, op basis van de cliëntdossiers, zien de inspecties de regievoering terug. Een jeugdzorgwerker vertelt dat ze eerst verbindt met collega hulpverlening, op zoek gaat naar dezelfde stip op de horizon. Ze geeft aan dat het jongleren blijft in vriendelijk zijn en directief zijn.
De inspecties zien dat de regievoering voornamelijk is gericht op de hulp en ondersteuning rondom de jeugdige. De inspecties hebben wel een aantal voorbeelden gezien en gehoord waarbij de jeugdzorgwerker overzicht heeft van de totale hulpverlening binnen het gezin en investeert in hulpverlening voor een ouder. De positie van de jeugdbeschermer is ingewikkeld, omdat de jeugdbeschermer alles hoort en iedereen spreekt en moet bemiddelen tussen wat de afzonderlijke hulpverleners bespreken. Wachtlijsmedewerkers geven aan regie te voeren door contact te leggen met betrokken hulpverleners, school en hun rol uit te leggen. In het contact met het wijkteam vraagt een wachtlijstmedewerker of diegene het nog even vol kan houden en het te laten weten als de wachtlijstmedewerker ergens steun kan bieden. Volgens de wachtlijstmedewerker lukt regievoering, ondanks het beperkte contact, door duidelijk te zijn over rol en maatregel en door afspraken te maken over het delen van informatie en onderhouden van contact. Uit zeven cliëntdossiers maken de inspecties op dat de medewerker de regie voert op de hulpverlening aan de jeugdige. In drie cliëntdossiers zien de inspecties dat de jeugdzorgwerkers (nog) geen regie voeren. In een wachtlijstcasus is deels sprake van regie, er blijkt nog geen totaalbeeld uit het dossier of zichtbaar contact met betrokken hulpverlening.
In zeven van de elf dossiers die de inspecties zelf hebben bekeken, zien de inspecties interdisciplinaire afstemming (buiten de GI). Handelen bij visieverschillen In geval van visieverschillen met ketenpartners bespreken de jeugdzorgwerkers dit eerst met elkaar en wanneer men er onderling niet uitkomt, intern in het team of in een casuïstiekbespreking met de gedragswetenschapper, aldus de jeugdzorgwerkers. Wanneer nodig schalen zij op in de organisatie naar de teamleider. Door investering in partnerschap en de Gelderse Verbeteragenda, lukt het om bij visieverschillen hierop terug te vallen, aldus de bestuurder.
33
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Jeugdbeschermer: “Een jeugdbeschermer vertelt op zoek te gaan naar dezelfde stip op de horizon. Het blijft jongleren in vriendelijk en directief zijn.” Tekortkomingen
JbGld geeft bij wachtlijstzaken zeer beperkte invulling aan de regiefunctie. JbGld maakt niet altijd aan jeugdige en ouders duidelijk hoe zij regievoeren en wat zij hierin mogen verwachten van de medewerker.
Norm 3.3 Norm De professional evalueert met betrokkenen de ontwikkeling en de veiligheid van de jeugdige op basis van het plan en de aanvullende (veiligheids)afspraken.
Oordeel
+
Waar kijken de inspecties naar? Het beeld van de jeugdige, ouders en het netwerk leggen de professionals vast in het cliëntendossier. De professional legt afspraken over wie wat doet vast. Professionals zorgen voor inzichtelijke en actuele dossiervoering waaruit blijkt dat zij planmatig werken. De voortgang en de resultaten van de begeleiding en ingezette hulp evalueren de jeugdige, ouders, en de betrokken professionals met een passende frequentie. De professional bespreekt de voortgang periodiek en (indien aan de orde) in een MDO of casuïstiekbespreking. Een kernbesluit wordt zorgvuldig en multidisciplinair genomen. Bij een besluit zijn jeugdige en ouders zelf betrokken. Daarnaast is bij de afweging een gedragswetenschapper betrokken. Dossiervoering De inspecties zien in de cliëntdossiers dat de jeugdzorgwerkers het beeld van de jeugdige, ouders en netwerk beschrijven in het cliëntdossier. In één ingezien dossier is niet zichtbaar wanneer het beeld voor het laatst geactualiseerd is. In twee wachtlijstdossiers is geen plan van aanpak aanwezig. De wachtlijstmedewerker geeft aan te rapporteren, maar geen situatiebeschrijving te doen. Jeugdreclasseerders geven aan dat dossiervoering, sinds de invoering van cliëntinformatiesysteem WIJZ, is veranderd wat het moeilijker maakt om te rapporteren. De wijze van rapporteren verschilt per collega.
Deze verschillen staan niet in de weg wanneer een casus overgenomen moet worden van elkaar, aldus een jeugdreclasseerder. Gedragswetenschappers en teamleiders geven aan dat er een verschil is in de kwaliteit van dossiervoering wat betreft navolgbaarheid. Volgens een gedragswetenschapper is het onderscheiden van feiten en meningen voor sommige jeugdzorgwerkers complex. Ook zien zij dat onderbezetting invloed heeft op de dossiervoering, bij wisselingen in staf gaat de aandacht uit naar de hectiek en minder naar verslaglegging. Zij geven aan dat de dossiervoering van jeugdreclasseerders niet tot uiting komt in de dashboards omdat deze dashboards ingericht zijn op de jeugdbescherming-termijnen, hierop is verbetering nodig. Evaluatie en besluitvorming met gezin en ketenpartners De inspecties zien in de dossiers en horen terug van ketenpartners en ouders dat ouders en jeugdigen uitgenodigd zijn bij MDO’s of evaluaties met ketenpartners. Een ouder vertelt dat zij in elk gesprek de doelen dan wel waaraan zij werken, bespreken. 34
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
In twee casussen is nog geen evaluatie geweest door een recente startdatum. Een jeugdige vertelt geen echte evaluaties te hebben, wel is er onderling contact tussen jeugdzorgwerker en hulpverlener. Jeugdbeschermer: “Het is de intentie om altijd samen met ouders beslissingen te nemen. Dit lukt niet altijd door wat er speelt. Soms kan dit op een later moment wel, bijvoorbeeld als ouders daar meer aan toe zijn.” Van sommige ketenpartners horen de inspecties dat zij betrokken worden bij voortgangsgesprekken en/of evaluaties, hetzij met alle betrokkenen, hetzij één-op-één met de jeugdzorgwerker. Een ketenpartner vertelt niet betrokken te zijn bij kernbeslissingen en van een andere ketenpartner horen de inspecties dat er nog geen sprake is van een kernbeslissing maar als dit speelt zij geïnformeerd worden. Methodisch werken, inbreng in MDO of casuïstiekbespreking Bij de jeugdreclassering is wekelijks of tweewekelijks, dat verschilt per team, een casuïstiekteamoverleg. Binnen de jeugdreclassering wordt gewerkt met een tweede contactpersoon, diegene is goed op de hoogte van de casus. Naast het casuïstiekteamoverleg wordt casuïstiek besproken in koppelgesprekken. Dit is een overleg om meer verdieping op te zoeken, waar naast de betrokken jeugdreclasseerders ook de gedragswetenschapper aanwezig is.
De gedragswetenschapper geeft aan niet alle plannen te lezen, wel is zij betrokken bij alle kernbeslissingen en casuïstiekbesprekingen. Jeugdzorgwerkers bespreken casuïstiek in teamverband. Dit zien de inspecties terug in de dossiers die zij met jeugdzorgwerkers hebben bekeken. Jeugdzorgwerkers vertellen dat de notulen van dit overleg worden opgeslagen in het dossier en dat kernbeslissingen in casuïstiek-overleggen, in bijzijn van een gedragswetenschapper, worden genomen. Een kernbeslissing wordt alleen genomen na inbreng in het casuïstiekteam. In zes van elf dossiers die de inspecties zelf hebben bekeken, zien de inspecties interdisciplinaire afstemming via een MDO. In twee dossiers zien de inspecties casuïstiekbespreking terug. Wachtlijstmedewerkers hebben wekelijks casusoverleg met een gedragswetenschapper en waar nodig is afstemming met een teamleider. Op het moment is het rustiger qua wachtlijst en daardoor is de contactfrequentie lager met de gedragswetenschapper. In negen van de elf cliëntdossiers die de inspecties zelf bekeken en in alle negen de dossiers die zij samen met een jeugdzorgwerker bekeken, zien de inspecties evaluaties en inbreng in het casuïstiekteam of RET terug. Tekortkoming
JbGld werkt niet altijd eenduidig als het gaat om methodisch handelen. De kwaliteit, volledigheid en navolgbaarheid van de rapportages in het cliëntdossier en op welke plek informatie wordt opgeslagen in het cliëntdossier verschilt per medewerker
35
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Norm 3.4 Norm
Oordeel
De professional heeft zicht op de ontwikkeling en veiligheid van de jeugdige.
-
Waar kijken de inspecties naar? De professional heeft een actueel beeld van de ontwikkeling en veiligheid van de jeugdige, wat er gebeurt in het gezin of pleeggezin, gezinshuis of pleeggezin waar de jeugdige verblijft en in de voortgang die wordt geboekt op de in het plan van aanpak gestelde doelen en komt in actie als voortgang uitblijft. De professional bespreekt mogelijke zorgen over de veiligheid met de jeugdige en vraagt de jeugdige zélf naar zijn visie op de situatie. De professional heeft zelf contact met de jeugdige. Professionals zijn alert op signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling en volgen in geval van signalen de stappen van de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling. Voor de mate waarin de jeugdzorgwerkers contact hebben met de jeugdige en ouders verwijzen de inspecties naar de bevindingen onder norm 3.1. Zicht op veiligheid zonder vaste medewerker De inspecties horen in de gesprekken met de bestuurder en jeugdzorgwerkers dat er sprake is van een wachtlijst. Ten tijde van het toezicht staan 36 jeugdigen op de wachtlijst. In de dossiers zien de inspecties dat de tijd dat gezinnen op de wachtlijst staan varieert van anderhalve week tot zes maanden. Een wachtlijstmedewerker vertelt dat in de tijd dat de wachtlijst erg hoog was, het voorkwam dat casussen praktisch de gehele looptijd van de maatregel op de wachtlijst stonden.
Wachtlijstmedewerker: “Elk kind en elk gezin verdient een jeugdbeschermer, niemand zou op een wachtlijst moeten staan. Een maatregel is immers niet voor niets opgelegd. ” Twee wachtlijstmedewerkers monitoren de veiligheid en onderhouden contact zolang geen vaste medewerker beschikbaar is. De wachtlijsmedewerkers geven aan dat zij zicht krijgen en houden op de jeugdige en het gezin door aanwezig te zijn op de zitting, door dossierinformatie en door het raadplegen van bronnen en het netwerk. De wachtlijstmedewerkers geven aan altijd eerst de acute (on)veiligheid te bepalen, uit te leggen aan het gezin wat zij kunnen verwachten en zichzelf kenbaar maken bij hulpverlening en/of gemeente die bij het gezin betrokken is. De wachtlijstmedewerkers vertellen dat zij aanspeekpunt zijn voor alle casussen op de centrale wachtlijst. De ARIJVT nemen zij minimaal elke drie maanden af. Dit doen zij telefonisch met ouders. Ook wanneer zij een casus als rood triageren, doen zij dit op basis van de ARIJ-VT. Wanneer een casus naar rood gaat, dan stopt de bemoeienis van de wachtlijstmedewerker en wordt de casus overgedragen naar de teamleider, die vervolgens de casus verdeelt in de regio. De wachtlijstmedewerkers stemmen bijna dagelijks met elkaar af en sparren over lopende casuïstiek op de wachtlijst. Zij hebben beiden contact met de gezinnen.
Om risico-inschattingen te maken gaan zij af op hun intuïtie en benutten werkervaring en signalen van anderen. Door het inzetten van het netwerk van het gezin en het onderhouden van contact met ouders en betrokken hulpverlening, zijn de wachtlijstmedewerkers van mening dat zij voldoende zicht hebben op de veiligheid. 36
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Bestuurder: “Bij wachtlijstbeheer wordt, naast ouders, een jeugdige gesproken als de veiligheid onvoldoende kan worden getaxeerd. Hierin geldt ‘we doen wat we kunnen’ en moeten we reëel zijn in wat we niet kunnen.” Zicht op ontwikkeling en veiligheid met vaste medewerker De jeugdzorgwerkers geven aan dat het aantal contacten met de jeugdige verschilt per fase. Naarmate de fases vorderen komt er minder contact. Eens in de acht weken moet het kind gezien worden volgens de Focus-methodiek, dit gebeurt soms niet. Bijvoorbeeld als een kind lang in een pleeggezin zit, in afwachting van voogdij. Soms vinden jeugdzorgwerkers het niet in het belang van het kind om het kind alleen te spreken, bijvoorbeeld omdat ze dan weer een nieuw gezicht zien. Jeugdreclassering geeft aan dat de contactfrequentie wordt bepaald door de voorwaarden en trajectafhankelijk is. Jeugdzorgwerkers vertellen dat het echt goed luisteren naar jeugdigen lastig kan zijn. In het huidige systeem gaat het veelal over ouders, hulpverlening, beschikkingen, indicaties, richtlijnen en productie, waardoor het lastig is om de jeugdige centraal te stellen. Veiligheidsinschatting Een gedragswetenschapper geeft aan dat de ARIJ door de jeugdzorgwerkers verschillend wordt ingevuld. Uitgangspunt binnen JbGld is dat jeugdzorgwerkers de ARIJ samen met ouders invullen.
Een gedragswetenschapper geeft aan dat de wijze waarop de ARIJ door de jeugdzorgwerkers wordt afgenomen, niet altijd aansluit bij hoe het bedoeld is. Dit wordt ook benoemd door de cliëntenraad. Wanneer een casus op de wachtlijst staat, wordt de ARIJ telefonisch afgenomen door de wachtlijstmedewerkers. De triage, of een casus op de wachtlijst kan (blijven) staan, gebeurt achteraf, waarbij een gedragswetenschapper wordt betrokken. Vervolgens prioriteren de wachtlijsmedewerker en de gedragswetenschapper, via een werkdocument, aan de hand van processtappen. Zij kijken onder andere naar krachten en buffers en kleuren de casus oranje of rood. Beleid is first in first out, maar dit lukt niet altijd door de prioritering. Rood wordt gelijk opgepakt, oranje kan op de wachtlijst. Gedragswetenschapper: “De jeugdbeschermers geven aan dat de ARIJ een plat document is en niet helpt in het contact. Het voelt alsof de context niet meetelt, waarbij zij zoeken naar evenwicht. Hierin zie ik voor mij, als gedragswetenschapper, een rol om bijvoorbeeld te kijken naar coaching van medewerkers.” Gedragswetenschapper en teamleiders vertellen dat de jeugdreclasseerders bij 18casuïstiek werken met de ARIJ. Bij rapportageverplichtingen wordt de ARIJ ingevuld. Bij nieuwe strafzaken en verdenkingen van strafbare feiten wordt de LIJ ingevuld, hieruit volgt een recidiverisico.
Voor de inschatting van de veiligheid worden door jeugdzorgwerkers metingen geschreven in het dossier. Een kernbeslissing nemen kan alleen met input van een gedragswetenschapper. Bij een acute crisis wordt er een team bij elkaar geroepen om een kernbeslissing te nemen. Gedragswetenschapper: “Ouders worden wel meegenomen in de plannen en risicoinschatting. Nieuwe jeugdbeschermers doen dit beter dan de meer ervaren medewerkers, zij werken meer vanuit ‘ik doe dit altijd zo.”
37
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
De cliëntenraad geeft aan dat de ARIJ niet volgens de juiste methode wordt afgenomen. Het hoort een semigestructureerd interview met meerdere betrokkenen te zijn. In de praktijk wordt soms een ouder gesproken, maar veelal wordt het instrument op afstand ingevuld. De cliëntenraad heeft aan het bestuur vragen gesteld over hoe de veiligheid wordt gemeten, waarop nog geen antwoord is gegeven. In negen van de elf dossiers die de inspecties zelf bekeken, is te zien dat afspraken zijn gemaakt over hoe de medewerker zicht houdt op de veiligheid van de jeugdige en het gezin. Een voorbeeld hiervan is dat de jeugdzorgwerker tijdens elk huisbezoek een veiligheidsinschatting maakt en in een ander dossier zien de inspecties dat veiligheidsafspraken op betrokkenen niveau zijn beschreven en wie wat moet doen in geval van onveiligheid. In een dossier is per contactmoment een veiligheidsscore gegeven, bij een ander is een veiligheidsplan opgesteld of staat beschreven dat op dat moment geen veiligheidsrisico’s aanwezig zijn. Uit de vragenlijst blijkt dat in 25% gedeeltelijk en in 54% van de gevallen is geïnformeerd naar veiligheid. De inspecties horen van ketenpartners terug dat tijdens MDO’s structureel over (on)veiligheid wordt gesproken en zo nodig frequenter. Jeugdzorgwerkers nemen de signalen over veiligheid altijd serieus en delen signalen met de ketenpartner.
De ketenpartner wordt betrokken bij veiligheidsafwegingen. Dit beeld wordt door een andere ketenpartner bevestigd. Tekortkoming
JbGld heeft onvoldoende zicht op de veiligheid van alle jeugdigen. JbGld spreekt niet standaard zelf met de jeugdigen en vraagt niet standaard naar hun visie op het onderwerp veiligheid. Dit geldt ook voor jeugdigen met een vaste jeugdbeschermer.
Norm 3.5 Norm De professional maakt systematische afwegingen over de veiligheid van de jeugdige.
Oordeel -
Waar kijken de inspecties naar? De professional maakt systematische afwegingen over de veiligheid van de jeugdige in relatie tot diens ontwikkeling. Deze afwegingen komen waar nodig in een multidisciplinair overleg tot stand en de professional legt deze navolgbaar vast in het dossier. Instrumenten voor de veiligheidsinschatting Jeugdzorgwerkers vertellen dat zij gebruik maken van de ARIJ. In de ontvangen documenten Methodiek Focus6 van JbGld lezen de inspecties dat de jeugdzorgwerkers veiligheidsinschatting doen, binnen vijf werkdagen na de start, middels de ARIJ-VT. Hiermee brengen zij de veiligheidssituatie in kaart en beschrijft de medewerker tenminste één doel. In WIJZ staat een format voor het veiligheidsplan en in het Focus document staan de minimale eisen van het veiligheidsplan beschreven, waaronder minimaal één doel formuleren gericht op de actuele (veiligheids)situatie.
6 Focus Samen plan van aanpak maken, Jeugdbescherming Gelderland
38
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
In het plan van aanpak beschrijft de medewerker een haalbare eindsituatie, hiervoor zetten zij de ARIJ-RT in. Dit als hulpmiddel om een inschatting te maken van de risico’s in de toekomst. De ARIJ-RT wordt minimaal eens per jaar afgenomen en bij kernbeslissingen. Jeugdreclasseerders maken gebruik van het LIJ, de Ritax 2.0 voor recidiverisico en de ARIJ voor de veiligheidsbeoordeling en de Savry voor 18+ jeugdigen. De uitkomsten hiervan worden opgenomen in het veiligheidsplan. Systematische afwegingen over veiligheid Ouders geven tijdens de gesprekken aan dat er gesproken is over veiligheid maar dat er geen veiligheidsafspraken zijn gemaakt. Ouders geven aan dat dit niet nodig was of dat zij niet weten of deze zijn vastgelegd. Een ouder geeft aan dat het veiligheidsplan van JbGld beperkt is, met drie doelen en zonder afspraken waar zich aan te houden. Drie jeugdigen geven aan niet op de hoogte te zijn van veiligheidsafspraken of dat er veiligheidsafspraken zijn gemaakt met de betrokken hulpverlener. Het maken van veiligheidsafspraken met de betrokken hulpverlener gebeurt in afstemming met de jeugdzorgwerker. Uit de antwoorden op de vragenlijst voor ouders en jeugdigen blijkt dat bij 21% van de respondenten niet is geïnformeerd naar de veiligheid van de jeugdige, bij 54% van de respondenten is dit wel het geval.
De inspecties hebben in zeven van de elf dossiers die zij zelf bekeken een actuele veiligheidsinschatting gezien. In een dossier is een 6 als veiligheidsscore gegeven (veilig) en in een ander dossier staat dat er geen veiligheidsrisico’s zijn gesignaleerd en wordt bij elk bezoek afgewogen of er opnieuw een inschatting gemaakt moet worden. In twee van de elf dossiers dateert de laatste inschatting van november 2024. Van de lopende OTS en voogdij casussen heeft 83% een ARIJ-RT van maximaal een jaar oud7. In zes dossiers passen de doelen bij de problematiek en de vastgestelde risico’s. In vijf van de elf dossiers volgt het plan van aanpak logisch voort uit de analyse en de contacten met jeugdigen, ouders en hulpverleners. Veiligheidssituaties brengen de jeugdzorgwerkers minimaal eens per jaar en op belangrijke momenten in kaart, en vullen zij in op een schaal van 4 (direct actie nodig), 5 (onveilig) en 6 veilig. De gedragswetenschapper is betrokken of wordt geconsulteerd. Een wachtlijstmedewerker zegt de veiligheidsafspraken duidelijk en stellig te communiceren naar het gezin en betrokkenen, de afspraken worden beschreven in het dossier. Bij alle wachtlijstcasussen die naar rood gaan, wordt de gedragswetenschapper betrokken. Niet alle ARIJ’s worden besproken met de gedragswetenschapper, alleen bij twijfel. Wel hanteren de twee wachtlijstmedewerkers samen het vier-ogenprincipe.
Een ketenpartner geeft aan dat veiligheidsafspraken worden gemaakt en onderling besproken. Hierover geeft de ketenpartner aan dat het meerwaarde heeft om vervolgens de documenten met (vastgestelde) afspraken met elkaar te delen zodat alle betrokkenen handelen vanuit hetzelfde vertrekpunt. In een ander gesprek met een ketenpartner horen de inspecties dat veiligheid multidisciplinair wordt besproken in aanwezigheid van het gezin.
7 Bron: manager kwaliteit JbGld
39
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Tekortkoming
JbGld neemt de ARIJ niet altijd af zoals het volgens de methode zou moeten. Zij doen dit onvoldoende is samenspraak met jeugdigen, ouders en andere betrokkenen (zie ook 3.4).
Norm 3.6 Norm De professional handelt op signalen van onveiligheid.
Oordeel +
Waar kijken de inspecties naar? De professional gaat systematisch na of gemaakte veiligheidsafspraken toereikend (kunnen) worden nageleefd en grijpt in als dit onvoldoende gebeurt. Professionals handelen bij onveilige situaties door de risico’s op onveiligheid te verminderen, weg te nemen of de jeugdige en ouders de vaardigheden te leren met deze risico’s om te gaan. Indien nodig betrekken zij hier andere expertise bij. Uit schriftelijke informatie van JbGld blijkt dat, als er sprake is van onveiligheid of wanneer een gezin contact wil, zij in principe bellen met de vaste jeugdschermer. Als deze niet bereikbaar is dan is op alle acht de locaties van JbGld een bureaudienst of bereikbaarheidsdienst ingericht, die onderling enigszins kunnen verschillen. Iedere locatie heeft in ieder geval een dagdeel bereikbaarheidsdienst. Het eerst contact verloopt via de receptioniste die de vraag uitzet naar de bureaudienst van desbetreffende regio. Als diegene niet direct bereikbaar is (telefonisch in gesprek) dan krijgt diegene een terugbelverzoek. Voor acute onveiligheid is 24/7 spoedeisende zorg bereikbaar. Binnen kantoortijden loopt dit via de receptioniste, buiten kantoortijden staat het nummer van JbGld automatisch doorgeschakeld naar het nummer van spoedeisende zorg.
Handelen bij onveiligheid De inspecties hebben in de gesprekken met jeugdzorgwerkers en aan de hand van cliëntdossiers voorbeelden gehoord en gezien waarin de medewerker veiligheidsafspraken maakt met ouders, dan wel voorwaarden zijn opgesteld na een escalatie. Jeugdzorgwerkers geven aan dat bij acute onveiligheid direct wordt ingegrepen. Jeugdreclasseerders zetten ouders en hulpverleners in voor toezicht zodat de signalen snel bij hen terecht komen. Ze vragen bijvoorbeeld aan ouders om contact met hen op te nemen als er sprake is van onveiligheid. Wachtlijstmedewerker: “Je kunt nooit 100% veiligheid garanderen, niet als een jeugdbeschermer betrokken is en dit is nog lastiger vanuit de wachtlijst. Bij twijfel bespreek ik de casus breed. Wanneer ik dan nog niet gerustgesteld ben dan zet ik de casus, in overleg met de gedragswetenschapper, op rood.” De inspecties horen van een ouder dat de begeleide omgang tussen de jeugdige en de andere ouder snel is ingezet. Hiernaast vindt onbegeleide omgang plaats. Hierin heeft de ouder besloten dat de jeugdige alleen naar beneden loopt om zelf contact met de andere ouder te voorkomen. Dit zorgt voor een veilig gevoel. In de dossiers die de inspecties met jeugdzorgwerkers hebben bekeken is terug te zien dat er wordt gehandeld bij onveiligheid of dat er op dat moment geen signalen zijn van onveiligheid. 40
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
In de dossiers die de inspecties hebben ingezien met jeugdzorgwerkers is er in drie gevallen sprake van onveiligheid. Daar is op gehandeld door de jeugdzorgwerker. In twee gevallen is de situatie onrustig en heeft de jeugdzorgwerker hier zicht op. Uit een dossier dat de inspecties zelf hebben ingezien blijkt dat een casus anderhalve maand op de wachtlijst stond en dat daar drie keer een ARIJ is afgenomen in de eerste twee maanden. Na een escalatie in deze periode heeft Veilig Thuis voorwaarden opgesteld. De jeugdzorgwerker heeft vervolgens een veiligheidsplan opgesteld. Beperkte mogelijkheden handelen bij onveiligheid De inspecties zien in de cliëntdossiers dat onveiligheid langer kan voortduren, doordat de passende hulpverlening op zich laat wachten. Zo blijkt uit een situatie waarin de jeugdige bekend is met suïcidaliteit, dat de jeugdige aangemeld is voor JGGZ en dat daarvoor een wachtlijst is van gemiddeld 25 weken. Tekortkoming
JbGld is incidenteel onmachtig om onveiligheid voor een jeugdige af te wenden omdat passende hulp ontbreekt.
41
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Thema 4: Gevolgen van wachttijden voor kinderen, gezinnen en ketenpartners In dit hoofdstuk laten de inspecties zien wat de gevolgen van wachttijden binnen de jeugdbescherming, jeugdreclassering en toeleiding naar jeugdhulp zijn voor kinderen en gezinnen. De inspecties geven geen oordeel op dit thema. Waar kijken de inspecties naar? De inspecties hebben in dit toezicht oog gehad voor de effecten die het wachten op bescherming, begeleiding en/of het wachten op hulp hebben voor kinderen en gezinnen. Doel hiervan is om ‘voorbij de cijfers’ te kijken en te laten zien wat de knelpunten in de keten in de praktijk betekenen.
Situatie bij start van een maatregel Zoals eerder beschreven worden gezinnen die nieuw bij JbGld binnen komen, doordat er onvoldoende jeugdzorgwerkers beschikbaar zijn, bij de start van de maatregel geprioriteerd. Hierbij wordt gekeken naar de mate van acute onveiligheid. Casussen met meer prioriteit hebben vaker een vaste jeugdzorgwerker. Wachtlijstmedewerker: “We hadden zaken die bijna een jaar op de wachtlijst stonden. Hierbij kan ik geen verlenging aanvragen terwijl al die tijd van de maatregel nog niets gebeurd is. Ik heb de neiging om de zaak als rood te prioriteren.”
Wachten op een vaste jeugdzorgwerker Van twee ouders horen de inspecties dat zij op de wachtlijst hebben gestaan, maar dat dit geen gevolgen heeft gehad. Twee andere ouders vertellen dat zij graag hadden gezien dat eerder (passende) hulp ingezet was. Eén ouder geeft aan dat ze denkt dat de jeugdzorgwerker waarschijnlijk gewoon te druk is. Tot nu toe heeft dit geen consequenties voor het gezin gehad. Een ouder vertelt dat in een andere situatie een jeugdzorgwerker was uitgevallen zonder dit te communiceren aan de ouder. Ouder (vragenlijst): “Mijn kinderen zijn destijds onder toezicht geplaatst, en wij hebben toen tien maanden op de wachtlijst gestaan. De OTS duurde een jaar dus bij start hadden we nog twee maanden over. De wachttijden zijn veel te lang” Ouder: “Als er een vaste jeugdbeschermer was geweest dan was het mogelijk gelukt om tot hulpverlening en contactherstel te komen. Ik had behoefte aan meer contact en om gehoord te worden. Met een vaste jeugdbeschermer kon de laatste rechtbankzitting mogelijk voorkomen worden en was het resultaat wellicht ook anders.” In acht van de elf cliëntdossiers die de inspecties zelf inzagen is te zien dat er een periode geen vaste jeugdzorgwerker was gekoppeld aan het gezin.
Uit de antwoorden op de vragenlijst blijkt dat bij 34% hiervan wel eens sprake is geweest, 58% geeft aan dat zij geen periode kennen dat geen jeugdzorgwerker beschikbaar was. De inspecties zien in een cliëntdossier dat een jeugdige van 3 juli 2024 tot en met 20 augustus 2024 op een wachtlijst stond. Binnen vijf dagen na start van de maatregel is contact opgenomen met het gezin en uitgelegd hoelang ze moesten wachten en bij wie ze terecht konden voor vragen. Dit is terug te zien bij de kernbeslissingen. 42
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Er was reeds hulpverlening betrokken bij het gezin. In een ander dossier ziet de inspectie dat een casus zes weken op de wachtlijst stond. Uit het dossier blijkt dat is uitgelegd door de medewerker hoe wachtlijstbeheer werkt en wie het gezin kon bellen. Een jeugdzorgwerker geeft in het gesprek met de inspectie aan dat zij zich afvraagt in deze casus, waar FACT en risico’s spelen, hoe deze op de wachtlijst kan staan. De wachtlijstmedewerkers kunnen, nu de wachtlijst relatief laag is, meer tijd en aandacht besteden aan de gezinnen. Al blijft de rol van de wachtlijstmedewerker wezenlijk anders dan die van de vaste jeugdzorgwerker. Hierin geven zij aan dat zij afstand moeten bewaren en overkoepelend moeten blijven kijken en denken. Wachtlijstmedewerker: “Nu het rustiger is zou ik graag naar evaluaties toe willen gaan in plaats van online aan te sluiten. Een paar maanden geleden kon dat echt niet door de drukte.”