B02-20251110-40-vka-inspectierapport-als-overheidsingrijpen-kinderen-geen-bescherming-biedt-bijlage1
Tekst van het document
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Toezicht Jeugdbescherming en jeugdreclassering
Jeugdbescherming Gelderland Utrecht, september 2025
1
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Inhoud De instelling aan het woord
3
Conclusie van de inspecties
3
Inleiding
4
Aanleiding
4
Toezicht bij Jeugdbescherming Gelderland
5
Doel toezicht
5
Opzet van het onderzoek
6
Beschrijving Jeugdbescherming Gelderland
6
1
2
3
Conclusie
10
Oordeel inspecties
10
Onderbouwing
10
Effecten voor jeugdigen en gezinnen
11
Mate van vertrouwen in de verbeterkracht van JbGld om de geconstateerde normafwijkingen weg te nemen
11
Vervolg
12
Resultaten
13
Thema 1a: Aan de uitvoering van een maatregel ligt een cliëntgerichte, integrale en tijdige analyse ten grondslag
13
Thema 1b: Het plan van aanpak is met de jeugdige en ouders opgesteld, sluit aan bij de (verklarende) analyse en komt tijdig tot stand
19
Thema 2: Tijdige inzet van passende hulp
24
Thema 3: Regie op voortgang van het beoogde resultaat
29
Thema 4: Gevolgen van wachttijden voor kinderen, gezinnen en ketenpartners
42
Thema 5: Goed bestuur
45
Bijlage 1: Verantwoording van het toezicht
58
Bijlage 2: Digitale vragenlijst
59
Algemene informatie
59
Contact met jeugdzorgwerker
61
Stellingen
62
Rapportcijfer jeugdzorgwerker
62
Bijlage 3: Toetsingskader
63
2
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
De instelling aan het woord Op deze punten uit het rapport zijn we trots: JbGld herkent zich in de bevindingen van het rapport en bedankt jeugdigen, ouders, partners en medewerkers voor hun waardevolle bijdragen. Er is hard gewerkt aan het verkorten van de wachtlijst, met zichtbaar resultaat, al blijft het streven nul wachtenden. JbGld is trots op de aanpak en samenwerking rondom wachtlijstbeheer. Ook is er veel geïnvesteerd in leren en ontwikkelen, met als resultaat minder uitstroom van nieuwe collega’s en meer gezamenlijke reflectie en groei.
Met deze punten uit het rapport gaan we aan de slag: Jeugdigen en ouders vragen om betere communicatie en meer samenwerking. JbGld erkent dit signaal en verwerkt dit in het jaarplan, met o.a. meer één-op-één contact en gezamenlijke planvorming. De methode wordt versterkt met verklarend analyseren.
Wat gaan jeugdigen en ouders hiervan merken? Met de ingezette verbeteracties verwachten we dat jeugdigen en ouders zich meer betrokken voelen bij de totstandkoming en uitvoering van de plannen. Ook hopen we dat het samen met gemeenten beter lukt om tijdig passende hulp te organiseren.
Ook is het VOG-proces en de checks daarop verbeterd; alle medewerkers hebben nu een VOG. Tot slot blijft tijdige en passende hulp een uitdaging, maar we blijven intensief samenwerken met partners om de toegang tot jeugdhulp te verbeteren.
Conclusie van de inspecties De inspecties zien bij JbGld betrokken medewerkers die -op basis van de integrale en gezinsgerichte Focusmethodiek- onder hoge druk en in een lastige context werken met jeugdigen en ouders. Deze jeugdigen hebben te maken met een ontwikkelingsbedreiging, onveiligheid en/of een recidiverisico. De inspecties zien alle inspanningen en goede intenties van de medewerkers, maar moeten ondanks dat concluderen dat de kwaliteit van de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclasseringsmaatregelen bij JbGld grotendeels onvoldoende is. Jeugdigen (en hun ouders) krijgen niet tijdig de passende bescherming, begeleiding en hulp die zij nodig hebben. De inspecties hebben er geen vertrouwen in dat JbGld erin slaagt om álle geconstateerde normafwijkingen binnen afzienbare tijd weg te nemen. Dit komt doordat de onderliggende oorzaken veelal buiten de invloedssfeer van JbGld liggen: onder andere het structurele arbeidsmarkttekort aan gekwalificeerd personeel en een onvoldoende beschikbaar en toegankelijk hulpaanbod zijn belangrijke onderliggende externe oorzaken. De inspecties verwachten dat het bestuur transparant is over tekortkomingen en over de negatieve effecten hiervan voor jeugdigen en hun gezinnen, ook als deze niet (geheel) in de eigen invloedsfeer liggen.
De inspecties vertrouwen er verder op dat JbGld naar aanleiding van het rapport verbeteringen binnen de eigen invloedsfeer doorvoert en expliciet aandacht besteedt aan implementatie en borging daarvan. Hierover gaan de inspecties met het bestuur in gesprek.
3
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
1
Inleiding In maart en april 2025 voerden de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid (hierna: de inspecties) toezicht uit bij Jeugdbescherming Gelderland (hierna: JbGld).
Aanleiding Sinds 2019 vragen de inspecties aandacht voor structurele knelpunten in de jeugdbeschermingsketen. De inspecties hebben vanaf dat moment toezicht uitgevoerd en jaarlijks publicaties uitgebracht. In 2022 hebben de inspecties een brief aan de minister voor Rechtsbescherming en de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) geschreven. Hierin gaven zij aan dat hun instrumentarium om te interveniëren, en zo verbetering op de korte termijn te bevorderen, was uitgeput. De inspecties kondigden aan niet meer op te treden wanneer de oorzaken van het niet naleven van wet- en regelgeving liggen in het onvoldoende realiseren van een toereikend aanbod van jeugdbescherming en jeugdhulp. De inspecties vroegen de minister en staatssecretaris in te grijpen met een aanpak die ertoe zou leiden dat elk jeugdige met een maatregel zonder vertraging bescherming of (in geval van jeugdreclassering) begeleiding en hulp zou krijgen. De inspecties lieten weten wel op te treden als instellingen in de jeugdbeschermingsketen niet ‘in control’ zijn op de taken waar zij zelf verantwoordelijk voor zijn en zelf grip op behoren te hebben. Hoewel veel in gang is gezet, is in de afgelopen jaren geen (landelijke) aanpak tot stand gekomen die ertoe leidt dat elk kind met een maatregel zonder vertraging bescherming of begeleiding en hulp krijgt.
In oktober 2024 stonden nog altijd 1.500 jeugdigen op een wacht- of een doorstroomlijst bij de gecertificeerde instellingen (hierna: GI’s). Het aantal jeugdigen met een maatregel dat wacht op passende hulp is niet in beeld. Inmiddels werken de meeste GI’s met een ‘Handelingsperspectief en veldnorm bij onderbezetting Gecertificeerde Instellingen’ (hierna: Handelingsperspectief) uit 2022. Deze werkwijze is in gezamenlijkheid door de GI’s ontwikkeld. Het gebruik en de invulling hiervan verschilt per instelling, maar het komt erop neer dat jeugdigen met een maatregel (tijdelijk) geen vaste jeugdzorgwerker1 hebben, waarmee niet aan wettelijke eisen en niet aan de uitspraak van de kinderrechter wordt voldaan. De inspecties vinden dat in de evaluatie van dit Handelingsperspectief onvoldoende aandacht is besteed aan de effecten hiervan op jeugdigen en gezinnen. De voortdurende knelpunten bij de jeugdbescherming en jeugdreclassering, de aanhoudende zorgelijke signalen en meldingen, het ontbreken van een aanpak die in het hier en nu leidt tot verbetering en het ontbreken van zicht op de effecten van het inzetten van het Handelingsperspectief leiden ertoe dat de inspecties opnieuw toezicht uitvoeren bij de GI’s.
1
Waar we spreken over de jeugdzorgwerker wordt zowel jeugdbeschermer als jeugdreclasseerder bedoeld. Daar waar relevant wordt specifiek gesproken over de jeugdbeschermer of jeugdreclasseerder. In het toetsingskader wordt de overkoepelende term ‘professional’ gebruikt.
4
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Toezicht bij Jeugdbescherming Gelderland De inspecties hebben vijf GI’s geselecteerd voor dit toezicht, op basis van kerngegevens die zij in het najaar van 2024 hebben opgevraagd. De inspecties hebben JbGld geselecteerd. Deze selectie kwam tot stand door onder andere:
De kerngegevens die JbGld in het najaar heeft aangeleverd. Dat een hoog aantal kinderen/gezinnen wacht op een vaste jeugdbeschermer of reclasseerder en op een plan van aanpak.
Het relatief hoge aantal meldingen. Dat JbGld volledig werkt met het Handelingsperspectief. Doel toezicht Uitgangspunt bij dit toezicht is dat elk kind met een kinderbeschermings- of jeugdreclasseringsmaatregel tijdig passende bescherming of begeleiding en hulp krijgt van voldoende kwaliteit. Het doel van het toezicht is om een actueel beeld te geven van de mate waarin JbGld hierin slaagt, hoe het bestuur zijn verantwoordelijkheid neemt om tijdig passende bescherming of begeleiding en hulp te bieden en om ook de effecten in beeld te brengen voor jeugdigen en gezinnen als dit onvoldoende lukt. De inspecties hebben de volgende elementen van de taakuitvoering van de GI’s getoetst:
Instroom en plan van aanpak. Het toe leiden naar passende hulp en ondersteuning. Het houden van regie op de voortgang van het beoogde resultaat. De samenhang van bovenstaande elementen is terug te zien in onderstaand schema:
Signaleren van probleem door ouders, jeugdige, (professioneel of informeel) netwerk
Regie, monitoring en evaluatie van de effectiviteit van de hulp
Bieden van passende hulp van voldoende kwaliteit
Tijdig in kaart brengen problematiek en daaruit volgende hulpbehoefte (analyse en plan)
Tijdig organiseren passende hulp (maatwerk of bestaand aanbod)
De inspecties maken met dit toezicht daarnaast zichtbaar wat het werken met het Handelingsperspectief betekent voor jeugdigen met een beschermings- of reclasseringsmaatregel en voor hun gezinnen.
5
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Opzet van het onderzoek Het onderzoek is uitgevoerd aan de hand van het toetsingskader zoals dit is opgenomen in bijlage 3. Voor het toezicht hanteren de inspecties vijf thema’s: 1. Cliëntgerichte, integrale en tijdige analyse en plan. 2. Tijdige inzet van passende hulp. 3. Regie, samenwerking, zicht op voortgang en veiligheid. 4. Gevolgen van wachttijden voor jeugdigen, gezinnen en ketenpartners. 5. Goed bestuur. De inspecties maken in het toezicht, onder andere, gebruik van wet- en regelgeving, de professionele standaard, veldnormen en beroepscode, richtlijnen voor jeugdhulp en jeugdbescherming, het handboek voor jeugdreclassering en van het Kwaliteitskader Jeugdbescherming (2023). De inspecties gebruiken voor dit toezicht verschillende informatiebronnen. De informatie uit deze bronnen wordt met elkaar vergeleken en gewogen. De bronnen die de inspecties voor dit toezicht gebruiken zijn terug te vinden in bijlage 1.
Digitale vragenlijst Een bron bij het toezicht op de GI’s is een digitale vragenlijst die ouders en jeugdigen konden invullen. Deze digitale vragenlijst is bij JbGld door 174 personen ingevuld waarvan 82% ouders en 18% jeugdigen. Zie voor verdere informatie bijlage 2.
Beschrijving Jeugdbescherming Gelderland JbGld is bij de Kamer van Koophandel (KvK) geregistreerd onder nummer 41052159. JbGld heeft een eenhoofdig raad van bestuur en een Raad van Toezicht (hierna: RvT) bestaande uit vier leden en een voorzitter. De Commissie Kwaliteit en Veiligheid en de Remuneratie- en Auditcommissie brengen van hun beraadslagingen en bevindingen, schriftelijk verslag/advies uit aan de RvT. De bestuurder en RvT geven in hun jaarverslag van 2023 aan te handelen naar de Zorgbrede Governance Code 2022. JbGld heeft een ondernemingsraad (OR) bestaande uit negen leden. Daarnaast heeft JbGld een jongerenplatform met een kernteam van vijf personen en een cliëntenraad bestaande uit vijf leden. JbGld is een regionaal werkende GI die zich richt op een brede doelgroep. Gelderland heeft zeven jeugdhulpregio’s (Achterhoek, Centraal Gelderland, FoodValley, Midden IJssel/Oost-Veluwe, Noord-Veluwe, Rijk van Nijmegen en Rivierenland). Deze jeugdhulpregio’s hebben samen met vier GI’s (waaronder JbGld), drie Veilig Thuis organisaties en de Raad voor de Kinderbescherming in 2021 een Gelderse Verbeteragenda voor Jeugdbescherming opgesteld. In de Gelderse jeugdhulpregio’s is het aanmeldproces voor jeugdhulp vereenvoudigd. Er is, om de administratieve last terug te dringen, één Gelders aanmeldformulier Jeugdhulp ontwikkeld voor alle vormen van jeugdhulp.
In 2023 is het project de Gelderse Verbeteragenda geëvalueerd en zijn er aanbevelingen gedaan voor het vervolg. JbGld heeft een hoofdkantoor in Arnhem en regiokantoren in Zutphen, Tiel, Nijmegen, Ede, Doetinchem en Apeldoorn. JbGld werkt in acht regio’s, de regio’s (Achterhoek, Arnhem, Food Valley, Midden IJssel, Nijmegen, Noord en Oost-Veluwe en Rivierenland) zijn vervolgens weer onderverdeeld in 28 subteams. Het team Spoedeisende Zorg werkt voor heel Gelderland.
6
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Aan elk team zijn één of meerdere gedragswetenschappers en een teamleider verbonden. Op peildatum 6 februari 2025 zijn er 231 jeugdzorgwerkers (jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders), van wie zeventien jeugdzorgwerkers in opleiding, twee (centrale) wachtlijstmedewerkers, tweeëntwintig gedragswetenschappers en negentien teamleiders werkzaam bij JbGld. De jeugdreclasseerders werken in vier teams: Zuid, Noord en Midden (twee subteams). Volgens het voortgangsverslag 1e kwartaal 2025 voerde JbGld op 1 maart 2025 2103 maatregelen uit.
Methodiek JbGld werkt volgens de Focus methodiek. Vanuit deze methode wordt ingezet op vijf waardestappen: contact maken, samen analyseren, samen een plan van aanpak maken, regie voeren met partners en zorgen dat het goed blijft gaan.
Wachtlijstbeheer De teams Zutphen en Food Valley hebben de wachtlijst in eigen beheer. Voor de overige teams werkt JbGld in maart 2025 met centraal wachtlijsbeheer. Twee wachtlijstmedewerkers voeren het centrale wachtlijstbeheer uit, dit is ‘Team algemeen’. Zij werken met een gezamenlijke caseload waarbij specifieke werkafspraken worden toegepast, afwijkend van de reguliere werkwijze. Op 7 april 2025 zijn er voor JbGld 36 casussen waarvoor geen vaste jeugdzorgwerker beschikbaar is. Beleid bij onderbezetting Sinds 2022 werkt JbGld volgens het landelijk Handelingsperspectief in situaties waarbij onvoldoende jeugdzorgwerkers beschikbaar zijn voor het uitvoeren van jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatregelen door een vaste medewerker en volgens de geldende normen. In die situaties werkt JbGld, zowel centraal als regionaal, met een wachtlijst volgens het ‘Beleid bij kwalitatieve onderbezetting’ om ‘rust en stabiliteit te borgen en personele knelpunten op te lossen’. Op de wachtlijst staan alle casussen die niet toebedeeld zijn aan een vaste jeugdzorgwerker en zijn toegewezen aan ‘Team algemeen'. In het beleidsdocument ‘Beleid bij kwalitatieve onderbezetting’ heeft JbGld haar werkwijze bij onderbezetting beschreven.
Onderstaande toelichting op deze werkwijze hebben de inspecties overgenomen uit dit beleidsdocument: Gezinnen/jeugdigen zonder vaste jeugdbeschermer/jeugdreclasseerder worden type B genoemd. Type B gezinnen/jeugdigen worden verdeeld naar; BI: Nieuwe gezinnen/jeugdigen en BII: Bestaande gezinnen/jeugdigen die als gevolg van ziekteverzuim, verloop of tijdelijke overbelasting geen vaste jeugdbeschermer/jeugdreclasseerder meer hebben. Op basis van een wegingskader worden gezinnen zonder vaste jeugdbeschermer of jeugdreclasseerder (BI en BII) geprioriteerd op basis van het verwachte risico op onveiligheid en als eerst een vaste jeugdzorgwerker toegewezen krijgen. Het verwachte risico op onveiligheid wordt bepaald op basis van:
Ingevulde veiligheidstaxatie m.b.v. de ARIJ-VT Onderliggende problematiek In standhoudende factoren Leeftijd van de jeugdigen Eventuele overige belangrijke factoren, zoals reeds aanwezige hulpverlening Recidiverisico (JR) Urgente voogdijtaken (voogdij)
7
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
De informatie wordt verzameld aan de hand van feitelijk (en actueel) materiaal en informatie die tijdens de zitting of jeugdbeschermingstafel, inclusief de raadsrapportage of rapportage van de Reclassering Nederland naar voren komt, en informatie die JbGld gedurende het wachtlijstbeheer ophaalt bij gezinnen/jeugdigen en samenwerkingspartners. Gezinnen met een hoog veiligheidsrisico hebben voorrang. Vanaf het moment dat besloten is een kwalitatieve wachtlijst te gaan hanteren in de regio, stelt de teamleider een team samen bestaande uit: teamleider, gedragsdeskundige, backoffice medewerker en één of meerdere triagisten, dit zijn één of meerdere jeugdbeschermer(s)/jeugdreclasseerder(s)/wachtlijstbeheerder(s). Iedere maatregel vraagt gemiddeld een uur jeugdbescherming per week gedurende de wachtlijstperiode, dus een kwalitatieve wachtlijst van 36 jeugdigen vraagt een fulltime jeugdbeschermer of jeugdreclasseerder waarbij de triagefase gemiddeld meer tijd kost dan de monitoringsfase. Werkproces onderbezetting zoals beschreven in ‘Beleid bij kwalitatieve onderbezetting’. De rollen en verantwoordelijkheden van de teamleider, triagist, gedragsdeskundige, backoffice, MT, bestuurder en het professioneel netwerk van de gezinnen/jeugdigen zijn beschreven in het ’Beleid bij kwalitatieve onderbezetting’.
Op het moment dat een gezin niet binnen de regio aan een jeugdzorgwerker toebedeeld kan worden, gaat de teamleider in gesprek met collega teamleiders of het gezin in één van hun teams ondergebracht kan worden. De teamleider bespreekt met de manager of het akkoord is dat gezinnen/jeugdigen op de wachtlijst worden gezet. De teamleider is verantwoordelijk voor de wachtlijst, inclusief het beheer daarvan en voor het monitoren of de procesafspraken worden uitgevoerd. De gedragsdeskundige ondersteunt de triagist bij inhoudelijke vragen over gezinnen/jeugdigen op de wachtlijst en helpt bij het inschatten van de categorieën prioritering van gezinnen/jeugdigen. Bij nieuwe informatie wordt een aanvullende prioritering gemaakt door de triagist met verplichte consultatie van de gedragsdeskundige. Volgens het werkproces wordt het Actuarieel Risicotaxatie Instrument voor Jeugdbescherming (hierna: de ARIJ) dan opnieuw ingevuld. BI en BII gezinnen/jeugdigen worden door de backoffice per brief geïnformeerd dat zij geen vaste jeugdzorgwerkers krijgen. In deze brief staat ook wat JbGld hen dan wel kan bieden. Als er al hulpverlening is betrokken, voedt deze de triagist en/of de gedragsdeskundige met de meest actuele informatie om prioritering op de wachtlijst te actualiseren.
Samen met betrokken hulpverlening wordt gekeken wie wat kan doen om zo goed mogelijk bescherming te bieden aan het gezin/de jeugdige. Uitgangspunt is dat een triagist uit het team triage- en wachtlijstbeheer aansluit bij de zitting of jeugdbeschermingstafel. Voor de nieuwe gezinnen op de wachtlijst wijkt JbGld in haar beleid bewust af van de wettelijke termijnen. Op basis van de analyse nemen de gedragsdeskundige en triagist gezamenlijk een besluit over de prioritering van het gezin. Afhankelijk van de uitkomst van de triage worden acties uitgezet: ‘oranje’ gezinnen/jeugdigen komen op de wachtlijst; bij ‘rode’ gezinnen/jeugdigen wordt een interventie gepleegd. De triagist of Team Spoedeisende Zorg brengt de directe kindonveiligheid in beeld en zorgt ervoor dat er veiligheidsafspraken worden gemaakt (met het betrokken sociale- en professionele netwerk en het gezin) om de directe onveiligheid weg te nemen. Monitoring door triagist van gezinnen op de wachtlijst bestaat, onder andere, uit: het inschatten van acute (on)veiligheid en helderheid scheppen over de rolverdeling van de GI en het betrokken professioneel netwerk. Binnen drie maanden nadat de laatste triage heeft plaatsgevonden en de jeugdige staat nog steeds op de wachtlijst, dient een hertriage plaats te vinden. 8
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Als er voldoende capaciteit beschikbaar is of als de directe kind-onveiligheid daarom vraagt, wordt er een vaste jeugdzorgwerker toegekend aan het gezin en wordt er gewerkt volgens de reguliere werkwijze. Proeftuinen JbGld neemt deel aan verschillende regionale en lokale proeftuinen in het kader van het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming. De inspecties hebben de kwaliteit van JbGld binnen de proeftuinen niet onderzocht.
9
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
2
Conclusie In dit hoofdstuk geven de inspecties de conclusies weer. Daarnaast wordt in dit hoofdstuk beschreven hoe het vervolg van het toezicht eruit zal zien.
Oordeel inspecties De inspecties zien bij JbGld betrokken medewerkers die -op basis van de integrale en gezinsgerichte Focusmethodiek- onder hoge druk en in een lastige context werken met jeugdigen en ouders. Deze jeugdigen hebben te maken met een ontwikkelingsbedreiging, onveiligheid en/of een recidiverisico. De inspecties zien alle inspanningen en goede intenties van de medewerkers, maar moeten ondanks dat concluderen dat de kwaliteit van de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclasseringsmaatregelen bij JbGld grotendeels onvoldoende is.
Onderbouwing Het oordeel van de inspecties over de kwaliteit en de tijdigheid van de analyse en plan is grotendeels onvoldoende. De inspecties komen tot dit oordeel omdat niet elke maatregel start met voldoende en betekenisvol contact met de jeugdige en diens ouders en ook het plan is nog te weinig met ouders en jeugdigen opgesteld. JbGld onderzoekt de (veiligheids)situatie van de jeugdige en diens gezin niet voor alle jeugdigen voldoende. Het eerste contact met jeugdigen en ouders vindt in veel gevallen niet tijdig plaats. De doelen in de plannen van aanpak sluiten niet altijd aan bij de problematiek en vastgestelde risico’s en zijn niet altijd ontwikkelingsgericht, concreet, voorzien van termijnen, realistisch en haalbaar. De plannen zijn in veel gevallen niet tijdig (binnen zes weken) beschikbaar. Voor sommige jeugdigen en hun ouders wordt in het geheel geen plan van aanpak gemaakt bij de start van de maatregel. Medebepalend in het oordeel van de inspecties is de werkwijze van JbGld voor gezinnen die bij de start geen vaste jeugdbeschermer hebben. Het oordeel van de inspecties over de tijdigheid van het inzetten van passende hulp is grotendeels onvoldoende. De inspecties komen tot dit oordeel omdat jeugdigen en hun ouders te vaak niet tijdig passende hulp krijgen. Dit ligt meestal niet aan de inspanningen van de jeugdzorgwerkers van JbGld.
Het proces om te komen tot de inzet van hulp is veelal tijdrovend en vraagt veel inspanning van medewerkers. Het heeft ook te maken met onvoldoende beschikbaarheid van passende (jeugd)hulp. Gemeenten zijn hier verantwoordelijk voor. Het ligt ook aan onvoldoende toegankelijkheid van de beschikbare hulp, doordat gemeenten bijvoorbeeld de inzet van de door de JbGld noodzakelijk geachte hulp heroverwegen. Het oordeel van de inspecties over de samenwerking en regie, het systematisch handelen en handelen bij onveiligheid is grotendeels voldoende. Het oordeel van de inspecties over de mate waarin jeugdigen de mogelijkheid krijgen te participeren in hun traject, het zicht op de jeugdige en het inschatten van de veiligheid is grotendeels onvoldoende. De inspecties komen tot dit oordeel omdat JbGld met een deel van de jeugdigen onvoldoende in contact is over de ontwikkeling en de veiligheid van de jeugdige. JbGld heeft hierdoor niet in alle casussen voldoende zicht op de ontwikkeling en de veiligheid van de jeugdige en maakt afwegingen op basis van onvoldoende informatie. Jeugdzorgwerkers gebruiken het risicotaxatie-instrument niet altijd zoals dit volgens de methode hoort waardoor dit ook onvoldoende samen met jeugdige en ouders gebeurt. Tot slot zien de inspecties dat JbGld incidenteel onmachtig is om onveiligheid af te wenden doordat passende hulp ontbreekt. 10
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Het oordeel van de inspecties op het punt van goed bestuur is grotendeels voldoende. De inspecties zijn in het bijzonder positief over de wijze waarop JbGld de in- en externe tegenspraak heeft georganiseerd, met naast de cliëntenraad ook een jongerenraad. De bestuurder draagt zijn visie actief uit binnen en buiten de organisatie, staat voor de jeugdzorgwerkers, jeugdigen en gezinnen en dit wordt binnen de organisatie breed ervaren. De bestuurder heeft kennis van de dagelijkse praktijk, onder andere door zich in de organisatie te begeven en gebruik te maken van sturingsinformatie. JbGld maakt plannen om zowel de kwaliteit van de taakuitvoering als de bedrijfsvoering te verbeteren. JbGld is zeer transparant over het werken met het Handelingsperspectief, maar de nadelige effecten hiervan voor jeugdigen en ouders maakt de instelling te weinig zichtbaar voor zichzelf en voor anderen. De inspecties stellen verder vast dat (verbeter)plannen onvoldoende tot verbetering leiden. Het structurele tekort aan gekwalificeerd personeel op de arbeidsmarkt is hier een belangrijke onderliggende externe oorzaak van. Een andere onderliggende oorzaak is het ontbreken van een kwalitatief en kwantitatief toereikend hulpaanbod.
De inspecties zien tot slot dat verbetering nodig is binnen JbGld als het gaat om het consequent en eenduidig hanteren van de BI-tool en als het gaat om de (financiële) bedrijfsvoering. Het ontbrak in een aantal personeelsdossiers aan tijdige of recente verklaringen omtrent gedrag en aan diploma’s.
Effecten voor jeugdigen en gezinnen In dit toezicht hebben de inspecties een beeld opgehaald van de gevolgen van wachttijden binnen de jeugdbescherming, jeugdreclassering en toeleiding naar jeugdhulp voor jeugdigen en gezinnen (thema 4). Daarin zien de inspecties dat het soms voorkomt dat gedurende de hele looptijd van een jeugdbeschermingsmaatregel niets gebeurd is. Dit terwijl een jeugdbeschermingsmaatregel als ultimum remedium geldt voor jeugdigen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en waarvoor alle andere voorliggende middelen ontoereikend waren om de ontwikkelingsbedreiging af te wenden. Jeugdzorgwerkers ervaren dat het opbouwen van vertrouwen met een jeugdige en ouders lastig is als er sprake is van meerdere wisselingen. Dit rapport laat zien dat niet tijdige en actieve inzet vanuit jeugdbescherming, jeugdreclassering en jeugdhulp kan leiden tot het (langer) verblijven op plekken die niet passend zijn voor de jeugdige, het niet kunnen inzetten van de juiste hulp omdat de diagnose daarvoor ontbreekt of het afhaken van de jeugdige omdat de hulp onvoldoende aansluit.
Mate van vertrouwen in de verbeterkracht van JbGld om de geconstateerde normafwijkingen weg te nemen Ondanks alle inspanningen en goede intenties van de medewerkers concluderen de inspecties naar aanleiding van het huidige onderzoek dat de kwaliteit van de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclasseringsmaatregelen bij JbGld grotendeels onvoldoende is. Medebepalend voor dit oordeel van de inspecties is de werkwijze van JbGld wanneer er (soms voor lange tijd) geen vaste jeugdbeschermer die de maatregel kan uitvoeren. Het werken met het Handelingsperspectief is onderdeel van beleid, terwijl uit dit toezicht blijkt dat dit vanuit het perspectief van jeugdigen en gezinnen geen gelijkwaardig en geen toereikend perspectief is en met dit Handelingsperspectief niet aan de wet wordt voldaan. JbGld ziet zich genoodzaakt met het Handelingsperspectief te werken vanwege het structurele arbeidsmarkttekort aan gekwalificeerd personeel. De inspecties zien dat JbGld er alles aan doet om jeugdzorgwerkers te werven en te behouden, maar dit lukt nog onvoldoende.
11
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Een onvoldoende beschikbaar en toegankelijk hulpaanbod is een andere belangrijke onderliggende externe oorzaak voor het ontoereikend uitvoeren van jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatregelen door JbGld. Het bestuur van JbGld slaagt er in onvoldoende mate in om gewenste en benodigde verbeteringen te realiseren. De inspecties zien de beperkte mogelijkheden binnen de eigen invloedssfeer van het bestuur om de situatie daadwerkelijk te verbeteren en de wettelijke taak uit te voeren om namens de overheid elk kind met een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclasseringsmaatregel effectief te beschermen of begeleiden. Gelet op de factoren die grotendeels buiten de eigen invloedssfeer liggen hebben de inspecties er geen vertrouwen in dat JbGld álle geconstateerde normafwijkingen binnen afzienbare tijd wegneemt. De inspecties hebben wel vertrouwen in de mate waarin het bestuur zich open en toetsbaar opstelt en een leercultuur creëert. JbGld stelt plannen op en voert deze uit met als doel zowel de kwaliteit als de bedrijfsvoering te verbeteren. De inspecties vertrouwen erop dat JbGld naar aanleiding van het rapport verbeteringen binnen de eigen invloedsfeer doorvoert en expliciet aandacht besteedt aan implementatie en borging daarvan.
Vervolg De inspecties verwachten dat het bestuur van JbGld, daar waar nodig en mogelijk, maatregelen treft op basis van dit rapport en deze vastlegt in een verbeterplan. Dit betekent dat JbGld de tekortkomingen in de organisatie en de factoren die hiertoe leiden onderkent en hier transparant over is, ook als deze niet (geheel) in de eigen invloedsfeer liggen. JbGld moet de negatieve effecten van deze tekortkomingen voor jeugdigen en hun gezinnen in beeld hebben en ook hier transparant over zijn. De inspecties verwachten tenminste van JbGld dat zij voldoende direct zicht heeft op de ontwikkeling en veiligheid van de jeugdige. Dit betekent dat met elke jeugdige en diens ouders en/of opvoeders rechtstreeks en betekenisvol contact is en met een passende frequentie wordt gesproken over de ontwikkeling en veiligheid. JbGld heeft in reactie op het conceptrapport, waarin de bevindingen zonder conclusies zijn weergegeven, laten weten dat zij het rapport uitgebreid en zorgvuldig vinden. De bevindingen in het conceptrapport geeft een genuanceerd beeld op veel plekken. JbGld herkent zich in de weergave en zagen geen dingen die hun niet bekend voorkwamen. De inspecties verwachten dat JbGld in haar verbeterplan transparant is over de haalbaarheid en duurzaamheid van de verbetermaatregelen. De inspecties gaan op basis van dit rapport met de raad van bestuur en raad van toezicht in gesprek.
De inspecties benadrukken dat het toezicht niet zal leiden tot tijdig passende bescherming, begeleiding en hulp aan elke jeugdige waarvoor JbGld een maatregel uitvoert, zolang niet ook de onderliggende oorzaken van de normafwijkingen zijn weggenomen. De inspecties verwachten van het bestuur en betrokken stakeholders dat zij problemen –meer dan nu het geval is– blijven agenderen en met effect aanpakken, en niet berusten in onmacht
12
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
3
Resultaten In dit hoofdstuk worden de resultaten van het toezicht gepresenteerd, zoals de inspecties deze aantroffen op het moment van toezicht. De inspecties geven per norm aan wat hun oordeel is. De inspecties beoordelen de bevindingen aan de hand van de normen op een vierpuntschaal: Oordeel
Uitleg
++
De aanbieder voldoet aan de norm. De inspecties constateren op deze norm alleen positieve punten.
+
De aanbieder voldoet grotendeels aan de norm. De inspecties constateren op deze norm veelal positieve punten, verbetering is op punten mogelijk.
-
De aanbieder voldoet grotendeels niet aan de norm. De inspecties constateren op deze norm overwegend negatieve punten, verbetering is noodzakelijk.
--
De aanbieder voldoet niet aan de norm. De inspecties constateren op deze norm nauwelijks tot geen positieve punten, verbetering is zeer noodzakelijk.
x
De inspecties hebben deze norm niet beoordeeld.
Thema 1a: Aan de uitvoering van een maatregel ligt een cliëntgerichte, integrale en tijdige analyse ten grondslag In dit thema kijken de inspecties naar de kwaliteit en de tijdigheid van de analyse op basis waarvan de GI een plan van aanpak maakt. Onder kwaliteit verstaan de inspecties cliëntgerichtheid en integraliteit van de analyse.
Oordeel Het oordeel van de inspecties over de kwaliteit en de tijdigheid van de analyse is grotendeels onvoldoende. De inspecties komen tot dit oordeel omdat niet elke maatregel start met voldoende en betekenisvol contact met de jeugdige en diens ouders. JbGld onderzoekt de (veiligheids)situatie van de jeugdige en diens gezin niet voor alle jeugdigen voldoende. Het eerste contact met jeugdigen en ouders vindt in veel gevallen niet tijdig plaats. Medebepalend in het oordeel van de inspecties is de werkwijze van JbGld voor gezinnen die bij de start geen vaste jeugdbeschermer hebben. Onderdeel:
Cliëntgericht
Integraal
Tijdig
Oordeel:
-
-
--
Hieronder leest u per norm een toelichting op het oordeel van de inspecties.
13
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Norm 1a.1 Norm Professionals behandelen jeugdigen met respect en jeugdigen ervaren begrip en vertrouwen.
Oordeel -
Waar kijken de inspecties naar? De professional zoekt bij de start van een maatregel of bij een melding naar de gezamenlijke visie van de professional(s), jeugdige en ouders op de informatie die er ligt. De jeugdige en zijn ouders worden geïnformeerd over de vervanger van de professional indien hier sprake van is. Gezamenlijke visie & werken aan contact en samenwerking In de gesprekken met de ouders en jeugdigen horen de inspecties verschillende ervaringen over het zoeken naar een gezamenlijke visie bij aanvang van de maatregel. Twee jeugdigen vertellen dat de jeugdzorgwerker bij de start van de maatregel tijd met hen heeft doorgebracht, waarbij zij hun eigen verhaal konden delen. Twee andere jeugdigen vertellen dat zij in een crisissituatie contact kregen met de jeugdbeschermer en dat de kennismaking plaatsvond met een ouder erbij. Hierdoor konden de jeugdigen niet hun volledige verhaal delen met de jeugdbeschermer. De gesprekken met ouders laten een wisselend beeld zien. Van de zeven ouders die de inspecties spraken, gaven vijf ouders aan het eerste contact met de jeugdbeschermer als onprettig te hebben ervaren. Deze vijf gezinnen hebben allen op de wachtlijst gestaan, of hebben te maken gehad met vroegtijdige uitval van jeugdbeschermers.
Ouders vertellen dat het komen tot een gezamenlijke visie in deze trajecten bij aanvang onvoldoende is gelukt, dit heeft volgens een aantal ouders geleid tot vervelend contact en geschaad vertrouwen. Een ouder vertelt dat de jeugdbeschermer onvoldoende luisterde en vooral de eigen visie wilde doordrukken. Twee andere ouders vertellen dat het contact met de jeugdbeschermer soepel is verlopen en dat de jeugdbeschermer de tijd heeft genomen de situatie gezamenlijk te bespreken om tot een gezamenlijke visie te komen. Een ouder vertelt dat ze snel op één lijn zaten over de aanpak die passend zou zijn voor het gezin. Uit de antwoorden op de vragenlijst komt naar voren dat de helft van de jeugdigen en ouders de jeugdbeschermer als begripvol ervaart, de andere helft ervaart dit niet. Een jeugdzorgwerker vertelt de inspecties dat veel afhangt van de wijze waarop ze kan starten met een gezin. De intentie is om aan te sluiten bij een gezin. Of dat in de praktijk ook lukt, wisselt per jeugdige of gezin. Een andere jeugdzorgwerker vertelt de inspecties dat het lastig is om binnen de gestelde zes weken tot een gezamenlijke visie te komen. Hier geven jeugdzorgwerkers een aantal verklaringen voor.
Als de gestelde doelen in het advies van de Raad voor de Kinderbescherming/ de beschikking van de rechter niet aansluiten op de wensen en behoeften van een gezin, duurt de eerste periode om tot een gezamenlijke visie te komen langer. De jeugdzorgwerkers merken dat het ook langer duurt als de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming niet overeenkomt met de ervaring van ouders. Jeugdbeschermer: “Gezinnen hebben tijd nodig om te kunnen vertellen over een gebeurtenis of een trauma. Pas daarna kun je werken om tot een gezamenlijke visie komen.”
14
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Informeren over een vervanger In gesprekken met ouders horen de inspecties dat zij te maken hebben gehad met wisselingen van jeugdzorgwerkers. Ouder: “Ik ben inmiddels hulpverlenings-moe door de wisselingen in hulpverlening en binnen de jeugdbescherming.” Een ouder vertelt dat bij een zitting in de rechtbank een vervangende jeugdzorgwerker aansloot en dat zij daarover op dat moment werd geïnformeerd. Een jeugdige vertelt de inspecties over een plotselinge wisseling van een jeugdzorgwerker. Dat vindt de jeugdige jammer, omdat het lastig is om telkens weer te wennen aan nieuwe hulpverleners. Ouders die op de wachtlijst staan2, vertellen dat het eerste contact met de wachtlijstbeheerders plaatsvond tijdens en vaak snel na de zitting. Deze ouders geven in gesprek met de inspecties aan dat ze een brief hebben ontvangen van JbGld over hetgeen de organisatie wel en niet doet in de periode dat het gezin op de wachtlijst staat. Tekortkoming
Niet elke maatregel start met voldoende en betekenisvol contact met de jeugdige en diens ouders. Dit is wel nodig om tot een gezamenlijke visie te komen met de jeugdige en diens ouders als basis voor de uitvoering van de maatregel.
Norm 1a.2 Norm Wensen, behoeften en mogelijkheden van jeugdigen, ouders en netwerk zijn in beeld bij professionals.
Oordeel -
Waar kijken de inspecties naar? De professional onderzoekt de voorgeschiedenis, cultuur, leefwereld, mogelijkheden, wensen, gezondheid, ontwikkelingsbehoeften, ernst en oorzaken van de problematiek en het gewenste toekomstperspectief. Professionals weten of er in het gezin op meerdere domeinen problemen spelen. De professional heeft een samenhangend en actueel beeld van de context van de jeugdige, ouders en netwerk. De professional vormt dit beeld samen met de jeugdige, ouders en andere betrokkenen en het beeld is bij betrokken professionals bekend. Professionals brengen veiligheidsrisico’s van de jeugdige, ouders en het netwerk breed in kaart, waaronder op het gebied van de sociaal-emotionele, lichamelijke en seksuele ontwikkeling en psychisch welzijn. Specifiek voor jeugdreclassering: De professional voert een risicotaxatie uit gericht op het recidiverisico van de jeugdige. Samenhangend en actueel beeld 43% van de jeugdigen en ouders die de vragenlijst van de inspecties hebben ingevuld, geven aan dat de jeugdzorgwerker geïnformeerd heeft naar de verschillende leefgebieden (werk/school, familie/vrienden, andere betrokken hulpverlening). 36% van de jeugdigen en ouders geeft aan dat dit niet het geval is, 21% vindt dit gedeeltelijk het geval.
2 Wanneer we spreken over ouders die op de wachtlijst staan, wordt bedoeld de ouder waarvan het kind op de wachtlijst
staat.
15
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Vier jeugdigen vertellen de inspecties dat de jeugdzorgwerker naar hun situatie, behoeften en mogelijkheden heeft gekeken. Een jeugdige ziet dat de contactfrequentie met de tijd is afgenomen; de reden daarvoor weet de jeugdige niet. Een andere jeugdige vertelt dat er eigenlijk geen dingen zijn waarover niet gesproken kan worden, al gaat het contact voornamelijk over praktische zaken en hoe de dag was. De inspecties horen in gesprekken met ouders dat in vier gevallen goed naar hun verhaal is geluisterd. Zij vinden dat de jeugdzorgwerker hun situatie in kaart heeft gebracht, goed heeft geluisterd, en naar de toedracht van de maatregel en naar de veiligheid heeft gekeken. Zij voelden zich gehoord. In drie gevallen geven ouders aan dat sprake is van een onvolledige analyse. Onvolledig omdat de jeugdzorgwerker niet goed gekeken heeft naar de achtergrondinformatie, of minder op de hoogte is van de situatie in het gezin dan de betrokken hulpverlening. De inspecties horen van de jeugdzorgwerkers dat zij het beeld over de gezinnen vormen door meerdere gesprekken met het gezin te voeren en door in gesprek te gaan met het netwerk en bijvoorbeeld scholen. De jeugdbeschermers vertellen dat zij daarbij gebruik maken van digitale instrumenten zoals een tijdlijn en een genogram. Ze maken tevens gebruik van voorliggende informatie, bijvoorbeeld uit het raadsrapport.
De inspecties zien in acht van de elf cliëntdossiers die zij zelf hebben ingezien dat de levensgebieden in kaart zijn gebracht. Twee dossiers betreffen wachtlijstcasussen waarbij de levensgebieden niet worden ingevuld en in één dossier staat alleen informatie vanuit de beschikking en raadsrapportage opgenomen. Veiligheidsrisico’s breed in beeld 54% van de ouders en jeugdigen die de vragenlijst van de inspecties hebben ingevuld, geven aan dat de jeugdbeschermer geïnformeerd heeft naar de veiligheid. 21% geeft aan dat dit niet het geval is en 25% geeft aan dat dit gedeeltelijk is gebeurd. Jeugdigen vertellen de inspecties dat zij wel eens vragen krijgen over risico’s en veiligheid. De jeugdzorgwerker kijkt naar de (veiligheids)risico’s en gaat daar het gesprek over aan, vertelt een jeugdige. In de gesprekken vraagt de jeugdzorgwerker door, ook als de jeugdige dit lastig vindt of betrekt in dat geval andere hulpverleners om een actueel beeld te krijgen van de jeugdige. Uit de gesprekken met ouders blijkt dat er verschillen zijn in de ervaringen ten aanzien van de risico-inventarisatie. Een ouder vertelt dat het eerste plan, een veiligheidsplan, vol stond met fouten en dat de tijdlijn van het gezin niet klopte. Een andere ouder geeft aan dat de veiligheidsinschatting onvolledig is geweest en dat hier risico’s zijn gemist.
In de gesprekken met de jeugdbeschermers horen de inspecties dat in alle casussen de veiligheid in beeld wordt gebracht door een ARIJ af te nemen. De inspecties horen in de gesprekken met jeugdreclasseerders en de betrokken gedragswetenschappers dat ook voor de jeugdreclassering-casussen gebruik wordt gemaakt van de ARIJ en dat aanvullend hierop het Landelijk Instrumentarium Jeugdstrafketen LIJ (hierna: het LIJ) wordt gebruikt. Een jeugdzorgwerker geeft aan dat het helpend is om de ARIJ te gebruiken in samenwerking met de betrokkenen, omdat dit risico’s in kaart brengt die ondersteunend zijn aan de weging van de veiligheid van de jeugdige. In de gesprekken met gedragswetenschappers horen de inspecties dat de kwaliteit van de veiligheidsinschatting verschilt per jeugdbeschermer en dat feiten en meningen soms door elkaar lopen. Verder horen de inspecties dat de teamleiders en de gedragswetenschappers niet alle veiligheidsplannen, waar de resultaten van de ARIJ in wordt verwerkt, meelezen. 16
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Bij de cliëntdossiers die de inspecties zelf hebben bekeken zien de inspecties dat bij tien van de elf dossiers de veiligheidsrisico’s in kaart zijn gebracht bij aanvang van de maatregel. Bij zeven van de elf cliëntdossiers zien de inspecties ook een actuele risicoinventarisatie. Bij vier dossiers ontbreekt deze. Tekortkomingen
JbGld onderzoekt de voorgeschiedenis, cultuur, leefwereld, mogelijkheden, wensen, gezondheid, ontwikkelingsbehoeften, ernst en oorzaken van de problematiek en het gewenste toekomstperspectief niet voor alle jeugdigen voldoende bij de start van de maatregel en niet in alle gevallen voldoende met jeugdige en ouders.
Niet voor alle jeugdigen zijn bij aanvang van de maatregel de veiligheidsrisico’s van de jeugdige, ouders en het netwerk in kaart gebracht en vastgelegd in het cliëntdossier. Niet alle dossiers bevatten een actuele risico-inventarisatie.
Norm 1a.3 Norm De start van de uitvoering van de maatregel vindt plaats binnen de gestelde termijnen.
Oordeel --
Waar kijken de inspecties naar? Het eerste contact tussen de professional, de jeugdige en diens ouders en een eerste inschatting van de veiligheid van de jeugdige vinden tijdig plaats (binnen vijf dagen). De professional doet tijdig onderzoek naar de opvoedcapaciteiten van ouders en de ontwikkelingsbehoefte van de jeugdige. Het onderzoek start op tijd en wordt niet belemmerd door wachtlijsten. Contact binnen vijf werkdagen Volgens het Besluit Jeugdwet moet de GI binnen vijf dagen contact leggen met het gezin. In het beleidsdocument “Fundamentele stappen” van JbGld lezen de inspecties hoe het werkproces om te komen tot een plan van aanpak is ingericht. Hierin wordt beschreven dat na uitspreken van de maatregel de jeugdzorgwerker binnen vijf dagen contact dient te hebben met het gezin en daarbij de ARIJ afneemt. Het startgesprek zou daarmee binnen vijf dagen na start van de maatregel moeten zijn. In de kwartaalrapportage3 zien de inspecties dat in week 1 (2025) in 67% van de gevallen het eerste contact tijdig plaatsvindt. In de gesprekken met de jeugdzorgwerker horen de inspecties dat het beperkt lukt om binnen vijf dagen het eerste face-to-face contact te hebben met een gezin. Een andere jeugdzorgwerker vertelt in een één-op-één gesprek met de inspecties dat het deze jeugdzorgwerker bijna altijd lukt om een gezin binnen vijf werkdagen te spreken.
De reden dat dit lukt is omdat deze jeugdbeschermer bezoeken inplant tijdens avonduren. Een reclasseringsmedewerker vertelt dat het vaak lukt om gezinnen binnen vijf dagen te bezoeken. Als dit niet lukt, komt dit veelal door gebrek aan of onjuiste gegevens, een passend moment in alle agenda’s, of het afhouden van contact met de jeugdzorgwerker door ouders of jeugdige.
3 Kwartaalrapportage 4, 2024 – onderdeel van Planning en control cyclus, van 17 februari 2025, pagina 11
17
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Voor gezinnen op de wachtlijst hanteert JbGld KPI’s die afwijken van de wettelijke termijnen. Een jeugdzorgwerker geeft aan dat wachtlijstzaken ervoor zorgen dat de KPI van vijf dagen niet wordt gehaald. Bij wachtlijstzaken is er wel een eerste contact met ouders gelijk tijdens de zitting, mits JbGld geïnformeerd is over de zitting, vertelt een wachtlijstmedewerker. 45% van de ouders en jeugdigen die de vragenlijst van de inspecties hebben ingevuld, geven aan dat het eerste contact met de jeugdzorgwerker binnen een week na de zitting heeft plaatsgevonden. 34% geeft aan dat dit niet het geval was. 22% van de respondenten weet dit niet meer. Van de zes ouders die over dit onderwerp zijn gesproken, stonden vier gezinnen eerst op de wachtlijst. Het eerste contact hebben ouders snel gehad met wachtlijstmedewerkers. Jeugdigen vertellen hierover dat zij niet weten hoe snel het eerste contact met de jeugdbeschermer is geweest na uitspreken van de maatregel. Een jeugdige vertelt dat het lang heeft geduurd, in ieder geval langer dan een maand. De andere drie jeugdigen kunnen zich de termijn niet herinneren. De inspecties hebben zelf in elf cliëntdossiers gekeken wanneer het eerste face-to-face contact heeft plaatsgevonden met jeugdige(n) en ouders. In zes van de elf dossiers zien de inspecties dat het eerste contact binnen vijf werkdagen heeft plaatsgevonden.
In de overige dossiers was dit niet het geval. In wachtlijstzaken met de kleur ‘oranje’ doen jeugdzorgwerkers niet tijdig onderzoek naar de opvoedcapaciteiten en ontwikkelingsbehoefte van de jeugdige. Dit komt voort uit het beleid van JbGld (zie inleiding). Jeugdbeschermers geven daarnaast aan dat het niet altijd lukt om binnen de gestelde zes weken de wensen, behoeften en de situatie van gezinnen goed in kaart te brengen. Daarbij speelt volgens de jeugdzorgwerkers een aantal factoren mee, zoals:
De mate en snelheid waarin de jeugdbeschermer en het gezin tot een gezamenlijke visie komen;
De (soms lastige) bereikbaarheid van het gezin of wanneer gegevens niet blijken te kloppen;
De mate waarin het lukt om af te stemmen met betrokken hulpverlening; De vorm van dagbesteding van de jeugdige, waarbij voorkomt dat de jeugdige aangeeft druk te zijn of dat het ‘nu niet uitkomt’ waarbij te veel druk leggen op (face-to-face) contact negatief door kan werken op de relatie. Tekortkomingen
Het eerste contact tussen de jeugdzorgwerker, jeugdige en diens ouders en de eerste veiligheidsinschatting vinden in veel gevallen niet tijdig plaats.
De activiteiten die nodig zijn om met het gezin tot een gezamenlijke analyse en gedragen plan te komen worden niet altijd tijdig in gang gezet, als gevolg van beleid bij JbGld.
18
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Thema 1b: Het plan van aanpak is met de jeugdige en ouders opgesteld, sluit aan bij de (verklarende) analyse en komt tijdig tot stand In dit thema kijken de inspecties naar kwaliteit en tijdigheid van het plan van aanpak. Onder kwaliteit verstaan de inspecties de cliëntgerichtheid waarmee het plan tot stand is gekomen en mate waarin het plan aansluit bij de analyse.
Oordeel Het oordeel van de inspecties over de kwaliteit en de tijdigheid van het plan van aanpak is grotendeels onvoldoende. De inspecties komen tot dit oordeel omdat JbGld het plan van aanpak nog te weinig met ouders en jeugdige opstellen. De doelen in de plannen van aanpak sluiten niet altijd aan bij de problematiek en vastgestelde risico’s en zijn niet altijd ontwikkelingsgericht, concreet, voorzien van termijnen, realistisch en haalbaar. De plannen zijn in veel gevallen niet tijdig (binnen zes weken) beschikbaar. Medebepalend voor het oordeel van de inspecties is dat met sommige jeugdigen en hun ouders in het geheel geen plan van aanpak wordt gemaakt bij de start van de maatregel. In onderstaand figuur ziet u wat de oordelen zijn van de inspecties op de normen die vallen onder dit thema.
Onderdeel:
Cliëntgericht
Sluit aan bij analyse
Tijdig
Oordeel:
-
-
--
Hieronder leest u per norm een toelichting op het oordeel van de inspecties.
Norm 1b.1 Norm De professional stelt het plan van aanpak samen met de jeugdige en ouders op, zolang dit in het belang van de jeugdige is.
Oordeel -
Waar kijken de inspecties naar? De jeugdige en ouders bepalen, zolang dit in het belang van de jeugdige is, samen met de professional de hulpvraag, de doelen en de vorm van de in te zetten hulp. De professional legt uit wat de verschillende mogelijkheden zijn. Bij het bepalen van de doelen en het nemen van beslissingen is het belang van de jeugdige leidend. Indien de professional een keuze maakt die afwijkt van de visie van ouders of jeugdige legt hij dit uit. Voor jeugdreclassering: Voor elke jongere wordt een plan gemaakt. De jongere is op de hoogte van de inhoud van het plan. De voorwaarden, aanwijzingen en afspraken die in het plan staan zijn duidelijk voor de jongere. Samen doelen en hulpvragen bepalen In de antwoorden op de vragenlijst die de inspecties hebben uitgestuurd naar ouders en jeugdigen geeft 54% aan dat naar hun mening is gevraagd. 37% geeft aan betrokken te zijn bij beslissingen, 27% gedeeltelijk en 36% geeft aan niet betrokken te zijn. In de gesprekken met ouders horen de inspecties een wisselend beeld. Van de zeven ouders die de inspecties spraken, gaven vier ouders aan de doelen niet te kennen. Deels verklaren de ouders dit doordat ze op de wachtlijst staan of stonden. Maar ouders benoemen ook dat de jeugdzorgwerkers te beperkt luisteren.
19
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Zij vertellen dat jeugdzorgwerkers soms documenten, zoals het eerste veiligheidsplan, opstellen “omdat dit moet”. Een ouder vertelt dat er veel foutieve informatie in stukken verwerkt staat, waardoor niets van de grond komt. Een andere ouder vertelt dat er geen nieuwe doelen zijn opgesteld. Ouders geven ook aan dat de jeugdzorgwerker hen ondersteunt, praktische zaken regelt en ouders kunnen meebeslissen. In een wachtlijstcasus vertelt de ouder dat voor de ouder duidelijk is wat verwacht wordt, ook al is dit niet geformuleerd in exacte doelen. De inspecties hebben negen dossiers bekeken tijdens één-op-één gesprekken met jeugdbeschermers. In deze dossierbespreking met de jeugdzorgwerkers horen de inspecties dat een plan van aanpak veelal door de jeugdzorgwerker wordt opgesteld en dat ouders dit ter akkoord ontvangen en ondertekenen. De inspecties spraken met vier jeugdigen. Drie jeugdigen vertellen dat zij niet op de hoogte zijn van hun doelen en niet betrokken zijn geweest bij het opstellen van de doelen. Eén jeugdige vertelt de inspecties dat de doelen gezamenlijk zijn opgesteld en dat de wensen van de jeugdige mee zijn genomen in de hulpverlening die is opgestart. Deze jeugdige ervaart de ruimte om mee te beslissen, en vertelt dat de jeugdbeschermer regelmatig verschillende mogelijkheden deelt zodat gezamenlijk kan worden besloten wat passend is.
In de gesprekken met jeugdbeschermers horen de inspecties dat doelen via verschillende routes worden opgesteld. In het raadsrapport staan bijvoorbeeld doelen opgesteld, maar ook in gesprekken met ouders en jeugdigen worden doelen geformuleerd. Een jeugdbeschermer vertelt de inspecties dat het lastig kan zijn om tot doelen te komen waar iedereen zich in kan vinden. Ouders herkennen zich vaker niet in door de Raad voor de Kinderbescherming gestelde doelen. Dit kan zorgen voor wrijving in de samenwerking met ouders. In negen dossiers die de inspecties samen met een jeugdbeschermer inzagen zien de inspecties dat het jeugdbeschermers lukt om samen met ouders tot een plan te komen. De jeugdige is niet altijd betrokken bij het opstellen van het plan. Plan met jeugdige jeugdreclassering In gesprek met jeugdreclasseerders horen de inspecties dat jeugdige en ouders gevraagd worden om een reactie te geven op het plan van aanpak. De inspecties zien deze reacties terug in het dossier. Een andere jeugdreclasseerder vertelt dat wekelijkse gesprekken met de jeugdige bijdragen om tot een gezamenlijk plan te komen. Een jeugdreclasseerder vertelt de inspecties dat de doelen worden opgesteld bij aanvang van de maatregel. Het streven is om samen met de jeugdige te werken, maar dit lukt niet altijd.
Verder vertelt de jeugdreclasseerder dat het format waarin gewerkt moet worden voor jongeren vaak te veel informatie bevat. Interne documenten In het door JbGld toegestuurde document ‘Samen plan van aanpak maken’ staat beschreven dat in samenspraak met het gezin een centrale lijn wordt vastgesteld in het plan van aanpak. De focus moet hier volgens het document liggen op duurzame ontwikkeling en blijvende veiligheid. In het beleidsdocument ‘Fundamentele stappen’ lezen de inspecties dat in het startgesprek jeugdbeschermers vanuit verbinding het gesprek zouden moeten voeren, waarbij het gezin gestimuleerd wordt om vanuit eigen kracht of plan de maatregel vorm te geven.
20
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Tekortkoming
JbGld stelt het plan van aanpak te weinig met de jeugdige en diens ouders op. Dit is wel belangrijk voor de effectieve uitvoering van de maatregel. De inspecties zien dat het JbGld nog te beperkt lukt dit in gezamenlijkheid te creëren zoals de eigen beleidsdocumenten het voorschrijven.
Norm 1b.2 Norm Het plan sluit aan op de (verklarende) analyse.
Oordeel -
Waar kijken de inspecties naar? Er is een door ouders en jeugdige zoveel mogelijk gedragen plan van aanpak (gedragen koers) gebaseerd op een brede analyse van de problematiek, waarin doelen zijn geformuleerd en waarin staat welke hulp nodig is om de doelen te bereiken. Om te borgen dat de hulp doeltreffend is, werken professionals planmatig. Het moet voor de jeugdige, ouders en professionals duidelijk zijn wat de doelen van de hulp zijn en hoe zij hieraan werken. De doelen en afspraken zijn ontwikkelingsgericht, haalbaar, concreet en actueel. Het plan sluit aan bij de analyse: De doelen en de in te zetten hulp leiden redelijkerwijs tot het afwenden van de onveiligheid, de ontwikkelingsbedreiging en/of het recidiverisico. Brede analyse en plan In de gesprekken met jeugdbeschermers horen de inspecties dat een plan van aanpak concreet moet zijn en moet aansluiten bij wat een gezin nodig heeft. Daarbij benadrukken de jeugdbeschermers dat het belangrijk is om vertrouwen te creëren zodat het gezin inziet wat hun eigen belang is in het proces om te komen tot een gedragen plan en gedragen koers. Jeugdreclasseerders vertellen de inspecties dat een plan belangrijk is, maar dat een plan van veel pagina’s niet bijdraagt aan wat een jeugdige nodig heeft, maar vooral een administratief doel dient. Ze benoemen het gevoel te hebben dan meer te schrijven voor de vorm dan voor de inhoud.
Een wachtlijstmedewerker benoemt dat in wachtlijstcasuïstiek geen plan wordt geschreven. In de elf dossiers die de inspecties inzagen zonder jeugdbeschermer, zien de inspecties in vijf dossiers dat de plannen voortkomen uit de analyse en contacten met de jeugdige, ouders en hulpverleners. Bij vijf dossiers zagen de inspecties dit niet. In één plan zijn de doelen deels te herleiden uit de analyse. In zes van de elf dossiers sluiten de doelen zichtbaar aan bij de beschreven problematiek en de vastgestelde risico’s. In drie dossiers sluit dit niet aan en in twee dossiers gedeeltelijk. Uit de antwoorden op vragenlijst blijkt dat 53% van de ouders en jeugdigen aangeeft dat doelen aansluiten bij wat het gezin nodig heeft, 47% vindt van niet. 57% vindt de doelen duidelijk, 43% vindt de doelen niet duidelijk. In het beleidsdocument “Fundamentele stappen” lezen de inspecties hoe het werkproces om te komen tot een plan van aanpak is ingericht. Daarin staat vermeld dat de doelen haalbaar dienen te zijn en dat gewerkt moet worden naar een ‘goed genoeg’ situatie. Daarbij dient bij de doelen beschreven te zijn hoe deze worden bereikt en hoe patronen doorbroken gaan worden. De inspecties zien in zes van de elf dossiers die zij zelf inzagen dat de doelen ontwikkelingsgericht beschreven zijn.
In drie van de elf dossiers zijn de doelen concreet en in twee van de dossiers is een termijn gesteld aan de doelen. 21
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
In vijf van de elf dossiers zien de inspecties dat de doelen realistisch en haalbaar zijn opgesteld. In zeven van de elf dossiers lezen de inspecties dat de doelen op niveau van de betrokkenen zijn beschreven. Ketenpartners benoemen wisselende ervaringen in hoeverre de jeugdzorgwerkers systemisch kijken naar kindgerichte en op ouders gerichte doelen. Tekortkomingen
JBG stelt geen plan van aanpak op voor jeugdigen die (soms langdurig) op de wachtlijst staan.
De doelen in de plannen van aanpak sluiten niet altijd aan bij de problematiek en vastgestelde risico’s.
De doelen in de plannen van aanpak zijn niet altijd ontwikkelingsgericht, concreet, voorzien van termijnen, realistisch en haalbaar.
Norm 1b.3 Norm Het plan van aanpak is gereed binnen de gestelde termijnen.
Oordeel --
Waar kijken de inspecties naar? Het plan (de gedragen koers) is binnen zes weken na het uitspreken van de maatregel beschikbaar. Plan van aanpak binnen zes weken In verschillende gesprekken horen de inspecties dat de termijn voor het opstellen van een plan van aanpak zes weken is, zoals gesteld in de Jeugdwet. Jeugdzorgwerkers vertellen de inspecties dat het veelal niet lukt om die termijn te halen. Dit heeft enerzijds te maken met de wachtlijstcasuïstiek, maar anderzijds ook met de hoeveelheid informatie die in een plan van aanpak wordt verwerkt. Intern geldt bij JbGld de richtlijn dat veiligheidsplannen binnen zes weken na aanvang worden opgesteld als het niet lukt om binnen die termijn een plan van aanpak op te stellen. In de kwartaalrapportage4 zien de inspecties dat in week 1 (2025) in 64% van de gevallen het veiligheidsplan binnen zes weken gereed is. JbGld heeft geen cijfers over de tijdigheid van de volledige plannen van aanpak. In de dossiers die de inspecties inzagen en de gesprekken die de inspecties voerden, hoorden de inspecties dat het veiligheidsplan wordt gebruikt ter vervanging van het plan van aanpak in de eerste zes weken. Het plan van aanpak volgt op het veiligheidsplan. In de ontvangen beleidsdocumenten5 lezen de inspecties dat er een werkcyclus is vastgesteld voor een plan van aanpak.
In het beleidsdocument staat beschreven dat een plan van aanpak binnen zes tot acht weken gereed moet zijn. Daarbij moet de centrale lijn samen met de doelen worden geformuleerd en moet in het plan van aanpak de rolverdeling staan. Dit document benoemt ook dat wanneer het niet lukt om een plan compleet te maken binnen zes tot acht weken, deze alsnog binnen drie maanden afgerond dient te worden en dat een veiligheidsplan kan worden opgesteld.
4 Kwartaalrapportage 4, 2024 – onderdeel van Planning en control cyclus, van 17 februari 2025, pagina 13 5 FOCUS document incl. fundamentele stappen en FOCUS Samen plan van aanpak maken