Agendabundel
Tekst van het document
72%
Geen financiële buffer (spaarpot) hebben
63%
Schulden
62%
Energiekosten
54%
Zorg- en tandartskosten
48%
Woonlasten (huur, hypotheek)
38%
Vastlopen door bureaucratie
36%
Schoolkosten
34%
Vervoerskosten
28%
(auto, benzine, trein, bus, etc.)
Overige (geef nadere toelichting)
16%
Weet ik niet
7% 0%
10%
20%
30%
40%
50%
60%
70%
80%
“We zien voornamelijk steeds meer mensen bij ons komen met betaald werk. Ze vallen vaak net buiten alle regelingen. Ze werken keihard de hele dag en komen dan toch niet rond. Soms zijn ze zelfs met twee personen die werken en lukt het nog niet om geld over te houden.” Quiet Community Den Haag 2.3 SOORT HULPVRAGEN
15
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
“Er is een groot tekort aan basisproducten bij onze doelgroep. Eigenlijk missen ze al deze producten. Je hoort vaak dat mensen die een klein bedrag te besteden hebben continu keuzes moeten maken tussen bijvoorbeeld het kopen van eten of wat anders. Dat is elke keer prioriteiten stellen.” Quiet Community Den Haag
61% van de armoedehulporganisaties geeft aan dat men voornamelijk een tekort heeft aan voedsel en verzorgingsproducten. Ook aan kleding (ingevuld door 43%) en schoonmaakartikelen (ingevuld door 36%) blijkt een groot tekort. Zie figuur 2.6. Figuur 2.6 Aan welke basisproducten hebben mensen die bij jullie klant zijn een groot tekort? (Ingevuld door 398 organisaties) Voedsel
61%
Verzorgingsproducten
60%
Kleding
43%
Schoonmaakartikelen
36% 30%
Ondergoed en sokken Medische hulpmiddelen
29%
(bijv. steunkousen, een beugel, bril, lenzen, gehoorapparaat, rollator)
Witgoed
28%
(bijv. wasmachine, koelkast)
Overige
25%
(geef nadere toelichting)
Beddengoed/handdoeken
19% 0%
10%
20%
30%
40%
50%
60%
70%
Het soort verzorgingsproducten waar hulpvragers een tekort aan hebben is nauwelijks veranderd. 60% van de organisaties zegt dat men te weinig shampoo en douchegel heeft. Ook wasmiddel (57%), menstruatieproducten (54%) en deodorant (47%) worden genoemd door organisaties. Zie figuur 2.7.
16
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
Voor veel mensen is het hebben van ondergoed en sokken, schoonmaakartikelen, kleding of voedsel vanzelfsprekend. Mensen die leven met geldzorgen hebben hier niet altijd toegang tot. Lokale hulporganisaties laten in het onderzoek al geruime tijd weten dat mensen aan verschillende (hygiëne- en verzorgings-)producten een tekort hebben. Het Armoedefonds vroeg daarom welke producten hun hulpvragers het meest missen.
Shampoo en douchegel
60%
Wasmiddel
57%
Menstruatieproducten
54%
Tandenborstels en tandpasta
53%
Deodorant
47%
Luiers
46% 41%
Schoonmaakartikelen 26%
Scheerspullen
24%
Overig
22%
Incontinentiemateriaal 18%
Zonnebrand
16%
Cosmetica
14%
Voorbehoedsmiddelen
11%
Luizenshampoo 0%
10%
20%
30%
40%
50%
60%
70%
17
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
Figuur 2.7 Aan welke verzorgingsproducten hebben mensen die bij jullie klant zijn een groot tekort? (Ingevuld door 362 organisaties)
Niet alleen (de aard van) hulpvragen zijn van invloed op de vitaliteit van een hulporganisatie. Menskracht, hulpmiddelen, wachtlijsten en financiële stabiliteit spelen ook een grote rol. Om een compleet beeld te krijgen van de staat van armoedehulporganisaties in Nederland is daarom belangrijk ook hiernaar te vragen. In dit hoofdstuk wordt dan ook in kaart gebracht in hoeverre de organisaties in staat zijn om aan de hulpvragen te voldoen. 3.1 MIDDELEN VAN ORGANISATIES Hulporganisaties is gevraagd of ze voldoende middelen hebben om hulp te kunnen bieden. Denk hierbij aan menskracht en financiële middelen. Het merendeel van de organisaties geeft aan dat ze de middelen hebben om mensen op de nodige manier te helpen (77%). Zie figuur 3.1. Figuur 3.5 Zijn er voldoende middelen beschikbaar om hulp te bieden die nodig is? Ingevuld door 402 organisaties)
77%
Ja
23%
Nee
“We hebben een groot tekort aan spullen om weg te geven. We zijn heel afhankelijk van wat we binnenkrijgen en voornamelijk non-food artikelen zijn erg schaars. Er is veel vraag naar luiers bijvoorbeeld, maar die hebben we nooit genoeg. Als we een keer dit soort producten hebben zijn de klanten altijd heel erg blij.” Voedselbank Gouda
18
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
3. KRACHT VAN LOK ALE HULPORGANISATIES
Daarnaast is organisaties gevraagd hoeveel mensen ze helpen op jaarbasis. Gemiddeld helpen organisaties 1123 mensen. Dit is een kleine toename in vergelijking met oktober 2024. Zie figuur 3.2. Figuur 3.2 Hoeveel medewerkers en vrijwilligers zijn actief bij de hulporganisatie en hoeveel klanten/cliënten ondersteunen zij actief? Afgerond op gehele getallen. Aantal betaalde medewerkers
Aantal vrijwilligers
Aantal klanten op jaarbasis
10-2024
4-2025
10-2024
4-2025
10-2024
4-2025
Gemiddeld
22
20
163
72
1.119
1.123
Mediaan
0
0*
30
30
300
300
*248 van de 399 hulporganisaties die deze vraag hebben ingevuld, hebben geen betaalde krachten.
In totaal geeft 65% van de respondenten aan voldoende vrijwilligers en betaalde krachten in huis te hebben. Dit is ongeveer hetzelfde percentage als oktober 2024, toen 66% aangaf voldoende menskracht te hebben. Ongeveer en op de vijf hulporganisaties geeft aan een tekort te hebben aan vrijwilligers en/of betaalde krachten (22%). Zie figuur 3.3. Figuur 3.3 Heeft jouw organisatie voldoende vrijwilligers/betaalde krachten? (Ingevuld door 402 organisaties) Ja, we hebben voldoende mensen.
65%
Nee, we komen vrijwilligers tekort
16%
Overige (geef nadere toelichting)
12%
Nee, we komen betaalde krachten tekort
4%
Nee, we hebben een tekort aan vrijwilligers én betaalde krachten
2% 0%
10%
20%
30%
40%
50%
60%
70%
3.2 FINANCIËLE KRACHT LOK ALE HULPORGANISATIES Om een beeld te krijgen van de financiële vitaliteit van hulporganisaties is hen gevraagd hoe ze er financieel voorstaan, zie figuur 3.4. Van de 402 organisaties die de vraag invulden, gaf 54% aan er goed voor te staan. Nog eens 30% zegt er redelijk voor te staan en 5% van de hulporganisaties zegt er slecht aan toe te zijn op financieel gebied. Zij verklaren dat hun voortbestaan op het spel staat.
19
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
Veel hulporganisaties leunen op vrijwilligers, omdat de meeste hulporganisaties namelijk geen betaalde medewerkers hebben (zie mediaan figuur 3.2). Gemiddeld zijn er per organisatie 72 vrijwilligers en 20 betaalde medewerkers actief.
60%
54%
50% 40% 30%
30% 20%
11%
10% 0%
5% Goed
Redelijk
Overig (geef nadere toelichting)
Slecht, ons voortbestaan staat op het spel
We hebben hulporganisaties ook gevraagd in hoeverre ze in beeld zijn bij hun gemeente. Om zo zicht te krijgen op het contact tussen hen. Bijna alle lokale hulporganisaties geven aan dat de gemeente hen kent en dat ze contact hebben met elkaar, zie figuur 3.6. Dat gaat om maar liefst 90% van de hulporganisaties die de vraag hebben ingevuld. Nog eens 10% zegt in beeld te zijn bij de gemeente maar geen contact te hebben. Twee hulporganisaties geven aan niet in beeld te zijn bij hun gemeente. Figuur 3.5 Is jouw organisatie in beeld bij de gemeente? (Ingevuld door 402 organisaties) Ja, onze gemeente kent ons en we hebben contact
90%
Ja, onze gemeente kent ons maar we hebben geen contact
10%
Nee, we zijn nog niet in beeld bij onze gemeente
0% 0%
20%
40%
60%
80%
100%
“We hebben goed contact met de gemeente. Ze steunen ons en we werken ook veel samen met projecten. We proberen ook, ondanks het wantrouwen van sommigen, altijd mensen te wijzen op bestaande regelingen.” Quiet Community Den Haag
20
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
Figuur 3.4 Hoe staat jouw organisatie er financieel voor? (Ingevuld door 402 organisaties)
Figuur 3.6 Werkt jouw organisatie met een wachtlijst? (Ingevuld door 480 organisaties)
8%
Ja
92%
Nee
3.4 VOORWA ARDEN EN DOORVERWIJZEN VAN HULP Hulporganisaties zijn soms onderdeel van een netwerk aan hulp dat geboden wordt aan mensen. Zo kunnen ze bijvoorbeeld inspringen wanneer een andere instantie geen hulp kan bieden. Waar voor gemeentelijke hulp bijvoorbeeld vaker een vast inkomstenpercentage ten opzichte van het sociaal minimum geldt, zien we dat lokale hulporganisaties over het algemeen ook mensen helpen die buiten deze grenzen vallen. Zoals te zien in figuur 3.7, zegt 51% van de respondenten geen inkomensgrens te hanteren.
“Wij hebben het gevoel dat veel mensen tussen wal en schip vallen. Door bijvoorbeeld onzichtbare schulden of doordat ze niet in kaart hebben wat er binnenkomt en uit gaat. Als we een grens zouden aanhouden dan doen we veel mensen daar tekort aan, die erboven zitten maar wel de hulp nodig hebben.” Don Bosco Rijswijk
21
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
3.3 HULPORGANISATIES MET EEN WACHTLIJST Van alle armoedehulporganisaties geeft 8% aan te werken met een wachtlijst, zie figuur 3.6. De mediaan is 20 personen en na gemiddeld 78 dagen worden deze mensen geholpen.
49%
Ja
51%
Nee
Daarbij zien we dat hulporganisaties zelf ook doorverwijzen naar andere (soorten) hulp. Zo geeft 79% aan dat ze mensen doorverwijzen naar andere hulporganisaties. Nog eens 54% geeft aan mensen naar de gemeente te sturen voor passende hulp en 43% zegt mensen op toeslagen of (kind)regelingen te wijzen. Dat hulporganisaties onderdeel zijn van de keten van hulp is te zien in figuur 3.8. Lokale hulporganisaties geven namelijk aan dat mensen al bij de gemeente (ingevuld door 71%) of bij andere hulporganisaties (ingevuld door 55%) in beeld zijn als ze bij hun om hulp vragen. Dit komt door bijvoorbeeld gebrek aan kennis over passende hulp, gebrek aan vertrouwen of laaggeletterheid, aldus de organisaties. Figuur 3.8 Zijn hulpvragers al ergens anders in beeld als ze bij jullie terechtkomen? (Ingevuld door 261 organisaties) 80%
71%
60%
55%
40% 24% 20%
0%
12%
Ja, al bij andere hulporganisaties geweest
Ja, vanuit de gemeente doorgestuurd
Nee, wij zijn vaak de eerste plek waar ze om hulp vragen
Geen zicht op
22
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
Figuur 3.7 Hanteert jouw organisatie een vaste inkomensgrens voor mensen die om hulp vragen? (Ingevuld door 410 organisaties)
In maart dit jaar maakte het Centraal Planbureau haar nieuwe raming bekend. Hierin wordt de (economische) groei van Nederland voorspeld. Op basis van de nieuwe armoededefinitie verwacht het CPB dat het armoedecijfer verder zal dalen. Ook de inflatie daalt naar verwachting iets en de koopkracht zal per huishouden wat stijgen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de visie van armoedehulporganisaties op het aantal mensen dat bij hen aanklopt voor hulp. Dit geeft een beeld van hoe men in de praktijk verwacht dat het aantal hulpvragen zich ontwikkelt. Wat betekent het voor hulporganisaties? Hoe willen ze deze hulp bieden? En hoe ontwikkelt deze hulpvraag zich? 4.1 A ANTAL HULPVRAGEN NABIJE TOEKOMST Wanneer de organisaties gevraagd wordt naar hun verwachting voor het komende half jaar geeft 83% aan een stijging in het aantal hulpvragen te verwachten, zie figuur 4.1. Een minderheid, namelijk 17%, geeft aan geen stijging te verwachten. Figuur 4.1 Verwacht je dat het aantal hulpaanvragen het komende half jaar zal stijgen? (Ingevuld door 399 organisaties)
83%
Ja
17%
Nee
“Er is onder onze doelgroep geen vertrouwen dat de situatie qua beleid veel beter gaat worden op korte termijn. Wij zijn ook bang voor minder geld voor armoedeverzachting binnen de gemeente, dus verwachten wel dat het aantal hulpvragen gaat stijgen de komende tijd.” Quiet Community Den Haag
23
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
4. TOENAME HULPVRAGEN EN MOGELIJKHEDEN NABIJE TOEKOMST
In figuur 4.2 is te zien dat organisaties het liefst hulp bieden middels fysieke spullen (ingevuld door 44%). 29% van de hulporganisaties helpt mensen het liefst met tegoedkaarten. 6% helpt het liefst door geld te geven. Figuur 4.2 Hoe biedt jouw organisatie het liefst hulp? (Ingevuld door 407 organisaties) 50% 44% 40% 29%
30%
22%
20% 10% 0%
6%
Met fysieke spullen
Met een tegoedkaart
We hebben geen voorkeur
Door geld te geven (bijv. rekening betalen)
Om de hulp te kunnen blijven bieden zijn hulporganisaties vaak afhankelijk van verschillende vormen van fondsenwerving, zie figuur 4.3. De grootste groep richt zich op het werven van subsidies van gemeente of landelijke overheid (72%) of donateurs en eenmalige giften (70%). 69% maakt gebruik van de steun van Stichting Armoedefonds in de vorm van goederen of geld.
24
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
4.2 BENODIGDE MIDDELEN 83% van de organisaties die de enquête hebben ingevuld verwachten een stijging in het aantal hulpvragen het komende halfjaar. We vroegen deze organisaties hoe ze hun hulp het liefst bieden. Ook is gevraagd hoe ze geld- en hulpbronnen werven, om de mensen te kunnen helpen.
Subsidies gemeente of overheid
72%
Donateurs en eenmalige giftgevers
70%
Aanbod van stichting Armoedefonds
69%
Bijdrage vanuit de kerk
54%
Giften uit het bedrijfsleven
54%
Vermogensfondsen, landelijke hulporganisaties en serviceclubs
41%
Acties door particulieren
39%
Acties door bedrijven
39%
We krijgen veel hulp in natura
39%
Online met donatiemogelijkheid op eigen website
34% 20%
Online met sociale media 13%
We hebben eigen reserves/noodfonds
10%
Overig Online met digitale nieuwsbrief
6%
Onze koepelorganisatie heeft een calamiteitenfonds
5% 2%
Niet van toepassing 0%
10%
20%
30%
40%
50%
50%
70%
80%
25
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
Figuur 4.3 Geld- en hulpbronnen die worden aangesproken (Ingevuld door 424 organisaties)
Stichting Armoedefonds werkt samen met meer dan 1.300 lokale armoedehulp organisaties uit heel Nederland. Hiervan nam ongeveer de helft (462 organisaties) deel aan dit periodieke onderzoek. Om een beeld te krijgen van de staat van armoedehulp in ons land zijn drie deelvragen geformuleerd. Deze deelvragen zullen hieronder worden beantwoord. Lokale hulporganisaties zijn degenen die armoede zien, verzachten en bestrijden. De resultaten uit dit onderzoek laten zien dat armoedehulporganisaties in toenemende mate een stijging ervaren in het aantal hulpvragen. In tegenstelling tot wat de landelijke cijfers wellicht laten zien en verwacht wordt de komende tijd. 1.
HOE IS HET A ANTAL HULPVRAGEN BIJ LOK ALE HULPORGANISATIES IN HET AFGELOPEN HALF JA AR VERANDERD? Dit onderzoek toont een zorgwekkende trend: meer dan de helft (60%) van de hulporganisaties zag het afgelopen halfjaar een stijging in het aantal hulpvragen. Deze stijging was voornamelijk te zien bij alleenstaanden met kinderen. Ook geven hulporganisaties aan dat alleenstaanden zonder kinderen, paren met kinderen en AOW’ers/ouderen vaker hulp nodig hadden dan voorheen. Minder organisaties gaven aan dat het aantal hulpvragen was gedaald (7% ten opzichte van 16% in oktober 2024). Ruim een derde van de hulporganisaties (36%) ziet een stijging in de hulpvragen onder mensen met betaald werk. 31% van de organisaties geeft aan dat dit gelijk bleef en slechts 1% zag een daling.
“Steeds meer mensen bij ons in de buurt hebben behoefte aan hulp. Ze spreken elkaar ook steeds meer aan, dat het niet erg is als je niet rond kunt komen of dat je sommige dingen niet kunt betalen. En dat je gewoon om hulp kan vragen.” Wijkcentrum Waterkracht Hulporganisaties geven aan dat mensen met name worstelen met huishoudelijke uitgaven, het gebrek aan financiële buffers en schulden. Ook geven organisaties aan dat er beperkte toegang is tot bepaalde basisproducten. Zo blijkt er voornamelijk een tekort aan voedsel (genoemd door 61%) en verzorgingsproducten (genoemd door 61%). Ook kleding (aldus 43% van de organisaties) en schoonmaakartikelen (aldus 36% van de organisaties) worden genoemd. Het soort verzorgingsproducten waar een tekort aan
26
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
5. CONCLUSIES
2.
IN WELKE MATE ZIJN LOK ALE HULPORGANISATIES OP DIT MOMENT IN STA AT (GESTELD) OM A AN DE HULPVRAGEN TE VOLDOEN? 77% van de hulporganisaties geeft aan dat er voldoende middelen beschikbaar zijn om de hulp te bieden die nodig is. Denk hierbij aan menskracht, producten of financiële middelen. 22% van de hulporganisaties geeft echter aan dat ze onvoldoende vrijwilligers en betaalde krachten hebben. Het Armoedefonds vindt het zorgwekkend dat nog steeds ruim 8% van de armoedehulporganisaties met een wachtlijst moet werken en 5% van de hulporganisaties aangeeft dat ze er financieel slecht voor staan en hun voortbestaan hierdoor onzeker is. Uit dit onderzoek blijkt daarnaast dat er een netwerk van armoedehulp is waar lokale hulporganisaties een essentieel onderdeel van zijn. Veel organisaties sturen namelijk mensen door naar andere (soorten) hulp, zoals andere hulporganisaties (79%), de gemeente (54%) of mensen wijzen op toeslagen of (kind)regelingen. Niet alle ondervraagde organisaties gebruiken een vaste inkomensgrens (slechts 49% van de ondervraagden), wat maakt dat ze ook mensen op kunnen vangen die tussen wal en schip vallen. Dit kan verklaren waarom organisaties naar zowel officiële instanties als elkaar doorverwijzen.
3.
HOE VERWACHTEN LOK ALE HULPORGANISATIES DAT HULPVRAGEN ZICH DE KOMENDE MA ANDEN GA AN ONTWIKKELEN? Lokale armoedehulporganisaties hebben een uitdagend toekomstperspectief. Ze verwachten een flinke stijging in het aantal hulpvragen terwijl ze afhankelijk zijn van de werving van geld- en hulpbronnen. Uit het onderzoek blijkt dat 44% van de hulporganisaties het liefst hulp biedt in de vorm van fysieke spullen en 29% met een tegoedkaart. Om deze hulp te kunnen bieden hebben ze naar eigen zeggen donaties, subsidies van gemeente of overheid en het aanbod van Stichting Armoedefonds hard nodig. Het feit dat 83% van de organisaties aangeeft dat ze verwachten dat het aantal hulpvragen zal stijgen het komende halfjaar legt hier extra druk op.
27
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
is, zijn shampoo en douchegel, wasmiddel, menstruatieproducten en tandenborstels/ tandpasta. Het is dus essentieel dat hulporganisaties mensen kunnen blijven voorzien van deze producten.
De door het Centraal Planbureau verwachte stijging van armoede in 2024 is terug te zien in de praktijk. 60% van de armoedehulporganisaties zag namelijk een stijging in het aantal hulpvragen. Een grotere groep verwacht het komende halfjaar een stijging in het aantal mensen dat hulp nodig heeft. De hulp die lokale armoedehulporganisaties bieden is cruciaal om mensen in armoede laagdrempelig en dicht bij huis te helpen. Om de groeiende vraag naar hulp beter te kunnen opvangen, doet het Armoedefonds de volgende aanbevelingen: 1.
WERKENDE ARMEN KLOPPEN VAKER A AN VOOR HULP: STRUCTURELE STEUN VOOR HULPORGANISATIES Ruim een derde van de hulporganisaties ziet steeds vaker mensen met betaald werk aankloppen voor hulp. Dat benadrukt de noodzaak om deze doelgroep beter te bereiken en te ondersteunen. Dat kan bijvoorbeeld door het minimumloon, en daaraan gekoppeld de uitkeringen, te verhogen. Daarnaast vraagt het ook om maatwerk bij lokale hulporganisaties. Waar kan, wordt dit al geboden. Maar niet elke hulporganisatie heeft voldoende middelen om álle mensen die hulp nodig hebben, direct te helpen. Door voldoende middelen voor hulporganisaties te garanderen, kunnen inkomens grenzen ruimer opgezet worden. Met ruimere inkomensgrenzen bij hulporganisaties kunnen ook mensen bereikt worden die nét boven de officiële armoedegrens leven maar wel (flink) in de problemen komen. Bovendien zorgt structurele financiële steun voor de noodzakelijke armoedehulp organisaties ervoor dat de continuïteit van hun hulp niet onder druk komt te staan. Door onzekere financiële middelen en stijgende hulpvragen is dat voor een groep nu wel het geval.
2.
VERBORGEN ARMOEDE: MENSEN IN FINANCIËLE NOOD VALLEN BUITEN DE BOOT IN DE NIEUWE ARMOEDEDEFINITIE Lokale armoedehulporganisaties maken het mogelijk dat kinderen kunnen sporten, zorgen ervoor dat mensen met geldzorgen toch een warme maaltijd op tafel kunnen zetten en helpen mensen door de wirwar van financiële administratie bij steeds hoger oplopende schulden. Hulporganisaties bereiken mensen die tussen wal en schip vallen en bieden ondersteuning waar anderen tekortschieten. Met de nieuwe armoededefinitie dreigt een grote groep mensen in nood buiten de boot te vallen. Zij blijven verborgen in de nieuwste armoedecijfers.
28
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
6. A ANBEVELINGEN
3.
EEN STERK NETWERK VAN ARMOEDEHULP DRA AGT BIJ A AN PASSENDE HULP VOOR MENSEN MET GELDZORGEN Veel hulporganisaties helpen mensen in armoede die zijn doorgestuurd vanuit de gemeente of een andere hulporganisatie. Deze samenwerking tussen armoedehulp organisaties en gemeentes is belangrijk om te bevorderen, zowel op lokaal als nationaal niveau. Dit kan door netwerken te creëren waar organisaties elkaar kunnen vinden, van elkaar kunnen leren en onderling doorverwijzen waar nodig. Een hulporganisatie kan vaak dienen als laagdrempelig toegangspunt om iemand de rust te bieden om aan diens toekomst te bouwen.
29
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
Daarom waarschuwt het Armoedefonds ervoor om nieuw armoedebeleid – lokaal of landelijk – enkel in te steken op deze krappe definitie. Dit zou betekenen dat mensen met hoge zorgkosten, die dakloos zijn of hoge schulden hebben, niet of minder makkelijk, in aanmerking komen voor hulp. Terwijl juist zij die hulp zo hard nodig hebben.
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
BRONNEN 1 Stichting Armoedefonds (2024). Reactie Armoedefonds nieuwe armoedecijfers: papieren werkelijkheid, praktijk laat zien dat armoede ernstiger wordt. www.armoedefonds.nl/reactie-armoedefonds-nieuwe-armoedecijfers 2 Commissie Sociaal Minimum (2023). Een zeker bestaan. Naar een toekomstverkenning stelsel van het sociaal minimum. Rapport 1. www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/06/30/een-zeker-bestaan-rapport-icommissie-sociaal-minimum 3 CBS (2024). De nieuwe methode om armoede in Nederland te meten. www.cbs.nl/nl-nl/publicatie/2024/42/de-nieuwe-methode-om-armoede-in-nederland-temeten 4 CBS (2025). Armoede en schulden. www.cbs.nl/nl-nl/visualisaties/armoede-en-schulden?theme=0 5 CPB (2025). Centraal Economisch Plan 2025. Middellangetermijnraming. www.cpb.nl/raming-februari-2025-cep-2025 6 Centraal Planbureau (2025). De armoede-intensiteit: een raming van de diepte van armoede. www.cpb.nl/de-armoede-intensiteit-een-raming-van-de-diepte-van-armoede 7 Binnenlands Bestuur. (2025). Aandeel mensen in diepe armoede blijft toenemen. www.binnenlandsbestuur.nl/sociaal/aandeel-mensen-diepe-armoede-blijft-toenemen 8 CBS (2024). Armoede en sociale uitsluiting. longreads.cbs.nl/armoede-en-sociale-uitsluiting-2023/ 9 CBS (2024). Nieuws: nieuwe armoedemeting 540 duizend mensen arm in 2023.
www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2024/42/nieuwe-armoedemeting-540-duizend-mensen-armin-2023 10 TNO (2025). Scenario’s energiearmoede voor 2025 bij stijgende energieprijzen. www.tno.nl/nl/newsroom/2025/03/scenario-energiearmoede-2025-energie/ 11 Nibud (2024). Rapport; verschillen in gemeentelijk minimabeleid. www.nibud.nl/onderzoeksrapporten/rapport-gemeentelijk-minimabeleid-2024/
30
Steun elkaar!
RAADSVOORSTEL Onderwerp : Strategische notitie en scenario 2040 Sociaal Domein __________________________________________________________________________ Zaak- & documentnr. : Z/24/123050 201685685
Opsteller : Sandra Hoogendoorn
Portefeuillehouder
Afdeling : Sociaal Domein
: J.W. Derksen
Telefoonnr:06 25017431 __________________________________________________________________________ Samenvatting Dit voorstel gaat over de toekomst van het Sociaal Domein. Om tot dit voorstel te komen zijn een aantal stappen gezet, namelijk: het vaststellen van de concept strategische notitie door het college in 2024, presentaties over het Sociaal Domein (aan het college en aan raadsleden) en bijeenkomsten van de raadsklankbordgroep over scenario’s Sociaal Domein. Het voorstel en bijgaande notitie beschrijft hoe de gemeente Westervoort ervoor zorgt dat haar inwoners zo positief gezond mogelijk zijn binnen een financieel houdbaar stelsel. Dat is beschreven in een missie, visie en een scenario 2040. Beslispunten 1. De bijgestelde notitie Strategie Sociaal Domein 2025-2040 vast te stellen, waarbij de uitvoering meegenomen wordt in het lopende herijkingsplan SD binnen de 1Stroom; 2. Te kiezen voor scenario C: preventief, de transformatie versnellen door te investeren; waarbij we gedurende de periode van de ravijnjaren in 2026 – 2027 geen financiële investeringen doen en de besluiten van financieel gezond afwachten. Aanleiding In mei 2024 heeft het college de concept notitie Strategie Sociaal Domein 2024-2040 vastgesteld. In september 2024 is het concept besproken met raadsleden tijdens een informatiebijeenkomst.
Tijdens die bijeenkomst is besloten om een klankbordgroep te vormen die de financiële en maatschappelijke gevolgen onderzoekt en meedenkt om tot een scenariokeuze te komen. Aan de klankbordgroep nam van iedere fractie iemand deel en de groep kwam vier maal bijeen in de periode oktober 2024- januari 2025. De klankbordgroep kwam tot een aantal inzichten die hebben bijgedragen aan het voorstel om voor het preventieve scenario (C) te kiezen. Deze staan genoemd bij de argumenten en kanttekeningen. De gemeenteraad van Duiven heeft in juli 2024 gekozen voor scenario C en is met de uitwerking gestart onder de noemer ‘terug naar de bedoeling’. Als uw gemeenteraad kiest voor scenario C kan Westervoort daadwerkelijk vaart maken met de herijking van het Sociaal Domein vanwege de gezamenlijke organisatie en efficiënte werkwijze binnen de 1Stroom. Planning De uitvoering van de transformatie/herijking pakken we op 1Stroom niveau op, na vaststelling van de strategische notitie. Dat doen we domein overstijgend met andere afdelingen en partners onder de noemer ‘herijking Sociaal Domein’. We streven de volgende planning na:
1. 2. 3. 4.
Bestuursopdracht in college > Q2 2025 Impactanalyse 1stroom breed > Q3 2025 Uitvoeringsagenda > Q3 2025 Go/nogo > Q3
Beoogd effect We werken met deze strategie aan de volgende maatschappelijke uitdagingen: toename jeugdproblematiek, extramuralisering, vergrijzing, tekort aan passende woningen en woonomgevingen. Als we niets doen leiden deze uitdagingen tot een verhoogde vraag naar ondersteuning en zorg(personeel) en dus tot hogere kosten. Maar ze leiden ook tot een scheefgroei tussen zorgvraag en -aanbod: te weinig personeel om alle zorgvragen te beantwoorden. Door integraal en samen met partners en inwoners aan deze uitdagingen te werken, bouwen we een toekomstbestendig Sociaal Domein en verwachten we de volgende impact: - Op termijn minder Wmo en Jeugd aanvragen en daardoor dalende uitgaven SD. - Meer inwoners die elkaar ondersteunen waardoor er meer zelfredzaamheid is. - Meer (vrijwillige) hulp en ondersteuning voor inwoners is die dat nodig hebben, zodat het tekort aan professionals wordt ondervangen. - Meer passende woningen en woonvormen en een passende leefomgeving voor inwoners. - Meer effectief aanbod in het Sociaal Domein. - Meer integraal werken tussen afdelingen en met partners. - Meer beleid waarbij de inwoner betrokken is. - Daardoor meer positieve gezondheid bij Westervoortse inwoners. Argumenten Al deze argumenten en kanttekeningen versterken elkaar en gelden soms voor meerdere beslispunten. Daarom staan argumenten en kanttekeningen soms twee keer genoemd. 1.1
1.2
1.3
Na de oplevering van Samen Sterk 1.0 (2022) is een vervolg gewenst. Met de voorliggende visie bouwen we aan een samenleving die positieve gezondheid stimuleert en de stijgende financiële tendens in het Sociaal Domein ombuigt. De visie geeft richting aan de wijze waarop we gaan werken aan positieve gezondheid en aan een financieel houdbaar Sociaal Domein stelsel. We zeggen met deze visie dat we inzetten op preventie, dat we erin geloven dat preventie meer impact heeft dan enkel inzetten op (be)handelen achteraf (voorkomen is beter dan genezen). Zie in de bijlage een aantal voorbeelden dat preventief werken voordelen oplevert. De oplopende kosten in het Sociaal Domein vragen om herziening van de strategie. Niets doen, dus doorgaan op de huidige weg, leidt tot stijgende uitgaven. Dat blijkt uit voorgaande jaren. Om (o.a.) die reden wordt ook landelijk ingezet op herijking van het hele zorgsysteem: van zorgen voor naar zorgen dat inwoners adequate zorg en ondersteuning krijgen. Zorgen dat betekent een andere benadering van hulvragen van onze inwoners. Namelijk meer inzetten op omzien naar elkaar en goede zorgstructuren van professionals en inwoners samen. Dat kan alleen als zowel inwoners, organisaties (voor wonen, zorg en welzijn) en de gemeente domein overstijgend samenwerken.
De gemeente is verantwoordelijk voor het bieden van hulp en ondersteuning aan inwoners in het kader van de Wmo en de Jeugdwet. Ze is dus aan zet om de beweging naar zorgen dat in te zetten met als doel adequate hulp en ondersteuning beschikbaar én financieel houdbaar te houden. Deze beweging vraagt de nodige tijd en een langdurige inzet. Naar de inwoners, partners en met elkaar in het gemeentehuis. De ingewikkelde, grote, niet op zichzelf staande maatschappelijke ontwikkelingen vragen om een herziening van het beleid én vragen om een stevige richtinggevende koers en uitvoeringsagenda: herijken van het Sociaal Domein.
Pagina 2
1.4
Met de voorliggende strategische visie zijn we in staat om flexibeler, integrale en effectiever aan maatschappelijke opgaven te werken.
2.1 2.2
Zie 1.2 (Wetenschappelijk) onderzoek laat zien dat de keuze voor een sober scenario (alleen doen wat wettelijk verplicht is) vaak op korte termijn kostenbesparing oplevert, omdat het gebrek aan preventie kan leiden tot hogere kosten in de toekomst door escalatie van problemen. Bronnen: SCP, Lokale vernieuwing in het sociaal domein (2020); Rekenkamer, Zorg en ondersteuning na decentralisaties (Algemene Rekenkamer, 2019); De preventieve werking van sociaal werk (Movisie, 2017). Investeren is niet per definitie financieel investeren. Het gaat bijvoorbeeld ook om investeren in een slimme bedrijfsvoering, in het richten van je partners die mede uitvoering geven aan het beleid en in de kracht van de samenleving. Waardoor we huidige budgetten effectiever kunnen inzetten en subsidies aan kunnen wenden voor pilots. Uit onderzoek blijkt dat investeren in het sociaal domein besparingen van maatschappelijke kosten oplevert. Dat varieert van een rendement van 1,6 tot een bedrag van 4,10 euro voor iedere euro die geïnvesteerd wordt. (Zie toelichting onderaan dit advies, met voorbeelden.) In het verlengde van 2.4 zien we ook in Westervoort dat preventief werken loont: we geven 70k per jaar uit aan een preventieve GGZ voorziening Cadans, het levert ongeveer 400k per jaar besparing op Wmo uitgaven op.
Want de preventieve ondersteuning die Cadans biedt, zorgt ervoor dat de bezoekers zelfredzamer zijn en minder Wmo ondersteuning nodig hebben. Het financiële voordeel is €330.000,-- per jaar. Scenario C is in lijn met ander gemeentelijk beleid zoals Samen Sterk, Woonvisie, Woonzorgvisie en het is in lijn met wettelijke opgaven zoals de Hervormingsagenda Jeugd en bij Integraal Zorgakkoord (IZA) en het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA). Scenario C is in lijn met de koers van de gemeenten in de Liemers. (Zie toelichting onderaan dit advies, met voorbeelden.) Er zijn wettelijke opgaven, zoals de Hervormingsagenda Jeugd, die vragen om een integrale, domein overstijgende aanpak. In scenario C wordt participatief, integraal en domein overstijgend gewerkt. In scenario A niet en in B minder. Deze manier van werken is nodig omdat de vraagstukken groot, complex, domein overstijgend zijn en met elkaar samenhangen. Scenario A is een stap terug, de verwachting is dat inwoners dan buiten de boot vallen. Omdat geld niet het enige probleem is, maar het tekort aan professionals ook, worden we nog meer afhankelijk van vrijwilligers. Er moet daarom een klimaat komen dat er voldoende vrijwilligers zijn. Dat gaat niet vanzelf en moet gestimuleerd worden. Dat gebeurt in scenario C en niet in A. De keuze voor Scenario C is gericht op 2040.
Het geeft dus los van investeringen richting voor het handelen. Zie ook 1.1 en 1.3. De positieve elementen van het sobere scenario nemen we mee bij de keuze voor scenario C (preventief). Dit is een wens van de leden van de klankbordgroep. De elementen zijn stimulering van zelfredzaamheid en ruimte voor maatschappelijke initiatieven. Deze voordelen zijn onderdeel van de visie uit bijgaande strategische notitie (pag. 8 en 9; hoofdstuk 4b visie, onderdeel ‘zelfredzaamheid’ en onderdeel ‘normaliseren’ en ‘toekomstbestendig’).
2.3
2.4
2.5
2.6
2.7 2.8
2.9
2.10 2.11
Kanttekeningen 1.1 Om de visie goed uit te voeren is een herijking van het Sociaal Domein nodig. Hier wordt binnen 1Stroom al aan gewerkt. De herijking vraagt o.a. om anders werken, andere competenties. Dat heeft tijd nodig voordat effecten zichtbaar zijn
Pagina 3
1.2 1.3
2.1
2.2 2.3
2.4
2.5
2.6
Omdat we momenteel in een situatie zitten van ‘financieel gezond’ is financieel investeren op dit moment niet aan de orde. Financiële ombuigingen zijn echter wel mogelijk. De visie impliceert dat er een financiële injectie nodig is en dat staat haaks op de noodzakelijke bezuinigingen van deze tijd. Een financiële injectie is gedurende de ravijnjaren niet aan de orde. Preventief werken en investeren kan de deze jaren ook binnen de huidige budgetten. We gaan zoeken naar inkomstenbronnen zoals de regionale IZA subsidies en transformatie gelden bij bijvoorbeeld ziektekosten verzekeraars. Ook gaan we kritisch kijken naar wat we doen en beleid weloverwogen ombuigen. Daarmee verwachten we de komende jaren te innoveren om op termijn kosten aan de ‘achterkant’ (herstellen, intensieve zorg) te verlagen. Zo bouwen we ondanks de bezuinigingen aan het preventieve scenario. ‘Financieel gezond’ vraagt om minimaliseren en scenario C staat voor investeren. Dat lijkt haaks op elkaar te staan. Zoals bij kanttekening 1.2 en 1.3 beschreven, investeren we de komende jaren niet financieel, wel investeren we op het aanboren van andere inkomsten bronnen en op efficiënter (samen)werken. Voorbeelden van samenwerkingen waar een preventieve werking van uitgaat zijn de zogenaamde Voorzorgcirkels en Broeklanden.
Het risico van het aanboren van subsidies is dat ze afgewezen worden en dat het geen structureel geld is. Geen enkel scenario biedt zekerheid en garanties omdat we te maken hebben met ingewikkelde vraagstukken. De vraagstukken hangen onderling samen, hebben vaak meerdere oorzaken, het is onduidelijk wat de oorzaken zijn en de oorzaken oefenen invloed op elkaar uit. De vraagstukken veranderen in korte tijd en er zijn veel belanghebbenden bij betrokken. Ook al geven onderzoeken positieve terugverdien berekeningen aan van preventieve activiteiten, we kunnen niet aangeven wanneer dat exact is terugverdiend. Dat heeft te maken met de kenmerken van ingewikkelde vraagstukken (zoals genoemd bij kanttekening 2.2). De consequentie van een keuze voor scenario dan A of B heeft gevolgen voor de bedrijfsvoering kosten van 1Stroom. Want Duiven en Westervoort hebben in dat geval ieder een ander scenario gekozen. Dat zou dan voor beide gemeenten vragen om een eigen koers met een eigen werkwijze. De winst van efficiënt werken gaat voor het Sociaal Domein dan niet meer op en kan leiden tot hogere kosten in de uitvoering binnen 1Stroom voor het hanteren van verschillende werkprocessen en een ander herijkingsproces sociaal domein. Scenario C vraagt om een andere manier van werken (de beweging van zorgen voor naar zorgen dat, zie argument 1.2) en daar horen andere competenties en ander gedrag bij.
Met als doel om (binnen de huidige budgetten) een positiever effect te bereiken. Dat geldt voor het Sociaal Domein, maar ook voor de andere afdelingen. De ingewikkelde vraagstukken beperken zich namelijk niet tot het Sociale Domein. Deze beweging vraagt de tijd en een langdurige inzet van alle betrokkenen, ook van de gemeente. 1Stroom breed worden momenteel voorbereidende stappen gezet voor deze zogenaamde herijking van het Sociaal Domein. Voorbeelden van andere competenties en gedrag zijn in het verlengde van de visie Sociaal Domein, zoals: ▪ lef tonen zodat vernieuwing, experimenteren en anders werken binnen huidige budgetten / opdrachten mogelijk wordt, ▪ professionals (in- en extern) de ruimte te geven om hun expertise in te zetten, zodat er ruimte ontstaat om te vernieuwen, ▪ te leren van ‘fouten’ en te accepteren dat dat bij vernieuwen & leren hoort, ▪ “eigenaarschap” te nemen voor wat je doet, ook voor de pilots en geleerde lessen,
Pagina 4
▪ ▪ ▪ ▪
werken met pilots met een duidelijk doel, einddatum en een evaluatie, zodat we leren en die lessen kunnen benutten bij verbreding en borging, transparant te zijn: bewust en bekwaam handelen, vertrouwen aan elkaar geven in de hele keten (bestuur, ambtelijk, partners en inwoners) om innovatie mogelijk te maken en rekenschap afleggen en (samen) evalueren.
Financiële paragraaf Omdat het hier om een meerjarenvisie en strategie gaat en geen uitvoeringsprogramma, is er geen financiële begroting bijgevoegd. Op dit moment beschikken we ook niet over voldoende data om financiële doorberekeningen te maken voor de scenario’s. Met deze visie vragen we u een richtinggevend kader vast stellen voor het Sociaal Domein. Eventuele financiële voorstellen zullen we op de gebruikelijke wijze, jaarlijks, via de voorjaarsnota voorstellen. Waarbij we met betrekking tot de ravijnjaren 2026 en 2027 de lijn van financieel gezond volgen, namelijk minimaliseren. Dat wil zeggen dat we deze jaren niet financieel investeren en dat we wel investeren in het aanboren van andere inkomstenbronnen, in efficiënter (samen)werken met onze partners en in het effectiever inzetten van de huidige budgetten. Ondertussen werken we op 1Stroom niveau aan betere data om steeds beter financiële doorrekeningen te kunnen maken. Dat doen we 1Stroom breed met de monitor Sociaal Domein en met de impactanalyse voor de herijking Sociaal Domein. Als de impactanalyse gereed is maken we een uitvoeringsanalyse met een meerjarenbegroting. Volgens planning is dit in het najaar 2025 beschikbaar. Dan verwachten we een inschatting te kunnen geven van de opbrengsten van de investeringen en ombuigingen.
Voor dit moment volgen we de lijn van financieel gezond en hopen dat de kwaliteit van leven van onze inwoners gelijk blijft. Waarna we na de ‘ravijnjaren’ wel (enigszins) financiële investeringen willen doen als dat mogelijk is. Want de visie bepaalt waar we naartoe willen, het budget bepaalt de snelheid. Relatie met het herstelplan Zie argumenten en kanttekeningen en financiële paragraaf. Participatie en communicatie De notitie is tot stand gekomen met een participatief traject op de afdeling SD I&II. De scenariokeuze kwam tot stand met denkkracht van een klankbordgroep bestaande uit raadsleden. Na vaststelling van de notitie betrekken we onze partners bij transformatie/herijking van het Sociaal Domein. We streven naar een cyclisch beleidsproces voor zowel de uitvoering van beleid en voor het strategische deel van het Sociaal Domein: het betrekken van onze stakeholders bij maatschappelijk agenderen. Duurzaamheid N.v.t Intergemeentelijke samenwerking N.v.t.. Bijlagen Bijlage 1 /6 - Strategische notitie Sociaal Domein 2025- 2040 (009) - 201686562 – openbaar Bijlage 2 /8 - Strategische notitie Sociaal Domein 2025-2040 Raadsbesluit Westervoort - 201688732 - openbaar
Pagina 5
Westervoort, 19 mei 2025 Burgemeester en wethouders van gemeente Westervoort,
M. (Maureen) Sluiter (MA) secretaris
drs. A.J. (Arend) van Hout burgemeester
Pagina 6
Nadere toelichting van bronnen. Onderzoeken naar financiële effecten van preventieve maatregelen: Movisie heeft in een publicatie vermeld dat de jaarlijkse maatschappelijke kosten rondom schuldenproblematiek, zoals voor opvang, hulpverlening en schuldsanering, uitkomen op elf miljard euro. Daarnaast becijferde het Nibud dat één huishouden in ernstige financiële problemen de samenleving al snel €100.000 kost (Bron Movisie, wat werkt bij schuldhulpverlening). Een ander onderzoek is uitgevoerd door APE in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dit onderzoek bracht de maatschappelijke kosten en baten van schuldhulpverlening in kaart en ontwikkelde een rekenmodel om te analyseren in welke mate intensivering van schuldhulpverlening leidt tot baten. Uit de analyse bleek dat meer dan de helft van de kosten ten laste komt van de gemeente, en dat vergroting van het bereik leidt tot baten ter grootte van €1.290 per cliënt. (Bron: Kosten en baten schuldhulpverlening.’, APE en Stimulansz.). Bronnen: • https://www.kennisbundel.nl/wp-content/uploads/2016/03/Movisie-Wat-werkt-bijschuldhulpverlening.pdf • Aarts L., Douma K., Friperson F., Schrijvershof C, Schut M., Juli 2011, ‘Kosten en baten schuldhulpverlening.’, APE en Stimulansz.
https://www.kennisplatformwerkeninkomen.nl/documenten/2011/09/01/kosten-enbaten-van-schuldhulpverlening • https://www.nibud.nl/onderzoeksrapporten/rapport-aanbevelingen-vooreffectiviteitsonderzoek-in-de-schuldhulpverlening-2019/ Onderzoeken naar rendement investeringen Sociaal Domein: Een onderzoek van de VNG geeft een rendement van 1,6 aan bij preventief werken: ‘…. Onderzoek van SEOR, zelfstandig onderzoeksbureau en onderdeel van de Erasmus School of Economics maakt aannemelijk dat sociaal werk kan bestaan als direct substituut voor zorg of rendeert via het vermijden of verminderen van zorggebruik door preventieve actie. • In 14 van de 32 onderzochte business cases gaf de MKBA een rendement van 1,6 (opbrengsten 1,6 maal hoger dan kosten). Het onderzoek geeft aan dat Sociaal werk een positief effect heeft op welzijn en gezondheid van degenen die via sociaal werk worden geholpen. Direct en indirect draagt sociaal werk bij aan vermindering van zorggebruik, een gezonder en productiever arbeidsaanbod, en een betere kwaliteit van leven.’ Bron: https://vng.nl/sites/default/files/2021-04/de-winst-van-het-sociaal-domeinverdieping_def.pdf ‘De businesscase toont aan dat iedere euro die wordt geïnvesteerd in een gezonde wijk in Wijdemeren € 4,10 oplevert aan sociaaleconomische waarde.
Cruciaal hierbij is de wijkgerichte aanpak waarin lokale zorgprofessionals, wijkbewoners en bestaande gezondheidsinitiatieven nauw samenwerken.’ Bronnen: https://2diabeat.nl/2024/09/15/investeren-in-wijksamenwerking-levert-gezondheidswinst-op/ https://2diabeat.nl/2024/09/26/de-waarde-van-preventie/ ‘Zo toont internationaal onderzoek aan dat het verbeteren van de mentale gezondheid van de bevolking kan leiden tot minder persoonlijke en zorgkosten en minder productiviteitsverlies vanwege ziekteverzuim en verminderde efficiëntie. In Nederland is in een hypothetisch scenario berekend dat een afname van 5% in depressie en angststoornissen na preventieve maatregelen, kan leiden tot een kostenbesparing van €15 tot €17 miljoen door lagere zorguitgaven en minder productiviteitsverlies en ziekteverzuim.’ Bron: https://www.trimbos.nl/wp-content/uploads/2025/03/TRI61-013-FactsheetOnderbouwing-KOPP-KOV_DEF.pdf?utm_source=chatgpt.com
Pagina 7
‘• Bevorderen van mentaal welbevinden leidt tot economische baten: er is een kostenbesparing te verwachten van ongeveer 144 miljoen euro (marge 81-207 miljoen) als er bij 1 miljoen volwassen Nederlanders 5% verbetering in mentaal welbevinden optreedt. • Preventie van psychische aandoeningen leidt ook tot economische baten. Bij een (hypothetische) afname van 5% in de prevalentie van depressie en angst treden er kostenreducties op van resp. €15 miljoen en €17 miljoen. Dat komt door minder productiviteitsverliezen en zorguitgaven.’ Bron: https://www.rivm.nl/documenten/effectieveinterventies-en-beleid-mentale-gezondheid-en-preventie Sociaal Beleid regio Gemeente Zevenaar, Visie Sociaal Domein ‘Onze visie: “In de gemeente Zevenaar staan het sociale netwerk, gezondheid en leefbaarheid centraal. We werken aan de mogelijkheden voor iedereen om een eigen, zelfstandig en betekenisvol leven te leiden. Dit vanuit een stabiele (financiële) basis en gelijke kansen voor iedereen. In een prettige en gezonde leefomgeving. Met en voor elkaar. Zo maken we Zevenaar een nog fijnere plek om te wonen, werken en leven!” ……..
Bij de uitwerking houden we rekening met de volgende uitgangspunten: • iedereen doet ertoe en is van waarde (inclusie); • de mens staat centraal (positieve gezondheid); • voorkomen is beter dan genezen (preventie); • niet ieder probleem vraagt om een professional voor de oplossing (normaliseren); • de kosten gaan soms voor de baten uit (investeren); • we maken het mogelijk houding (we denken in oplossingen).’ Bron: https://zevenaar202402.bestuursrapportage.nl/p10907/6-sociaaldomein?utm_source=chatgpt.com Gemeente Doesburg, Visie Sociaal Domein ‘Eén van de drie pijlers van de Toekomstvisie Doesburg is een meer verbindende en versterkende sociale aanpak gericht op het verbeteren van de positie, draagkracht en vitaliteit van Doesburgse inwoners. Dat is dan ook als leidraad genomen voor de komende jaren. Een nieuwe koers in het sociaal domein moet leiden tot meer sociale cohesie in de wijken en dus meer betrokkenheid van de inwoners bij elkaar, meer participatie van inwoners met meer inclusie, minder eenzaamheid, tijdige aanpak van (het ontstaan van) armoede- en schuldenproblematiek en een afname van het gebruik van zorgvoorzieningen. De belangrijkste speerpunten voor de komende collegeperiode zijn: • Het versterken van de sociale basis van Doesburg, o.a. door te zorgen voor voldoende ontmoetingsmogelijkheden in de wijken, zowel binnen als buiten.
Voor het slagen van de transformatie in het sociaal domein zullen we de focus meer gaan leggen op het collectieve en het zelforganiserende vermogen van onze inwoners, naast de individuele zorg en ondersteuning voor de mensen die dat echt nodig hebben. We willen dat buurtgericht gaan doen omdat dat de beste schaal is voor het versterken van de onderlinge relaties. Het vrijwilligerswerk kan hieraan ondersteunend zijn. Op deze manier kan eenzaamheid worden tegengegaan. • Blijven inzetten op preventie en vroegsignalering, zodat problemen voorkomen of op tijd gesignaleerd worden. Vaak beginnen problemen in de jeugd en worden ze van generatie op generatie overgedragen. Een kansrijke start in de eerste levensfase van een kind, goed onderwijs en een helpende hand bij beginnende problematiek (zoals verlies van inkomen of werk, opvoedingsvraagstukken, huisvestingsproblematiek) kan erger voorkomen en tegelijk inzet van kostbare voorzieningen uit Participatiewet, WMO en Jeugdwet verminderen. Een goede samenwerking tussen de verschillende organisaties die actief zijn in Doesburg en het zelforganiserende vermogen is daarbij cruciaal.
Pagina 8
•
Zorgen voor bestaanszekerheid. Bestaanszekerheid is een basisbehoefte en daarom het fundament van de samenleving. Pas als er perspectief is op het gebied van basale levensbehoeften, komen mensen uit de overlevingsmodus en kan er gestart worden met de opbouw en het benutten van kansen. Wij willen armoede bestrijden en doen dit bij voorkeur door mensen (met een bijstandsuitkering) aan het werk te helpen. Door de huidige krapte op de arbeidsmarkt zien wij (nieuwe) kansen voor inwoners die nog niet werkfit zijn. Deze groep kan, voor zover mogelijk, gestimuleerd worden vrijwilligerswerk te doen en/of al dan niet met extra begeleiding naar regulier werk of dagbesteding toegeleid worden. Ook het aanpakken van multiproblematiek in gezinnen door het bieden van maatwerk is hierbij belangrijk. • Uitgaan van positieve gezondheid, waarbij niet de ziekte of de beperkingen van iemand centraal staan, maar de behoefte en de mogelijkheden van mensen uitgangspunt zijn.
Positieve gezondheid verbindt het sociale domein met het fysieke domein door veel aandacht te schenken aan de woonomgeving, openbare ruimte, groen in de wijk, wandelroutes, sport- en speelmogelijkheden, toevallige ontmoetingen, (wijk)activiteiten, leefstijl, mobiliteit, technologie.’ Bron: https://doesburg.begrotingsapp.nl/programmabegroting-2023-2026/programma/programma-2-verbindende-en-versterkende-socialeaanpak?utm_source=chatgpt.com#onderdeel-2752895-korte-beschrijving
Pagina 9
Strategie Sociaal Domein 2025-2040 Gemeente Westervoort SAMEN STERK 2.0 Versie 009
05-02-2025 Sandra Hoogendoorn
1
Voorwoord Woord van de wethouder In dit Strategisch document Sociaal Domein 2025-2040 is de ambitie voor het sociaal domein als volgt geformuleerd: Het doel is om ondersteuning van inwoners in eerste instantie te voorkomen én waar deze ondersteuning toch nodig is dit nabij, toegankelijk, kwalitatief goed, integraal en betaalbaar te organiseren. Hierbij investeren we in de randvoorwaarden voor een sterke sociale basis en infrastructuur”. Grote uitdagingen zijn de zorgen over het welzijn en de ontwikkeling van jongeren. Diverse onderzoeken tonen dit aan. De coronapandemie heeft sociaal-emotionele en cognitieve gevolgen gehad voor jongeren. De meeste jongeren doen het goed, maar er zijn ook zorgen. Er is in heel Nederland sprake van schoolachterstanden, minder beweging, toegenomen middelengebruik en verminderde sociale contacten. De noodzaak om vooruit te kijken is groot. De resultaten van ons beleid maken duidelijk hoe belangrijk het is om blijvend energie te stoppen in de ondersteuning van onze jongeren en in ons netwerk rond jeugd. Daarom hebben we een plan gemaakt / maken we een plan om succesvolle onderdelen van ons beleid te kunnen blijven inzetten en te zorgen dat wij de mogelijkheden creëren om onze jongeren zo gezond en gelukkig als mogelijk te laten opgroeien in Westervoort. We doen al veel. Inwoners, m.n.
jeugd, hebben voldoende ruimte en kansen voor zelfontplooiing en ontwikkeling: samen met onze partners steken wij veel energie in het verhogen van kansen voor jong en oud, voor kansrijke inwoners alsook voor inwoners voor wie het in het leven soms niet mee zit. We zien dat het ons met name na de coronajaren veel moeite kost om jongeren te bereiken en te betrekken bij wat er in de gemeente speelt. Ook de relatie met het onderwijsveld heeft de afgelopen jaren geleden onder de gevolgen van fysieke afstand, personele wisselingen en verhoogd verzuim- en werkdruk. Hier ligt een duidelijke opgave voor de komende jaren. We spreken hier van een strategie tot 2040. De noodgedwongen bezuinigingen waar we nu voor staan, weerhouden ons er niet van om voor de langere termijn te werken aan een gezond Sociaal Domein. Mogelijk betekent dat wel dat we de komende jaren soberder beleid maken dan we voor 2040 nastreven.
2
Inhoud Voorwoord ...........................................................................................................................................................2 Samenvatting .......................................................................................................................................................4 1.
Leeswijzer .................................................................................................................................................5
2.
Aanleiding.................................................................................................................................................5
3.
Inleiding ....................................................................................................................................................7
4.
Missie & Visie SD ......................................................................................................................................8 a.
Missie ...................................................................................................................................................8
b.
Visie ......................................................................................................................................................8
5.
Wat voor gemeente willen we zijn? .......................................................................................................10 a.
Wat er aan de keuze vooraf ging........................................................................................................10
b.
Toekomstscenario "de transformatie versnellen door te investeren’ ...............................................10
a.
Rollen .................................................................................................................................................11
6.
Kernwaarden & -kwaliteiten ..................................................................................................................13 a.
Kernwaarden ......................................................................................................................................13
b.
Kernkwaliteiten ..................................................................................................................................13
Bijlage: SWOT-analyses van scenario’s ..........................................................................................................15 Scenario A: “Versoberen, Minimale Dienstverlening” ...............................................................................15 Scenario B: "doorgaan op de ingeslagen weg"...........................................................................................16 Scenario C voor "de transformatie versnellen door te investeren" ...........................................................17 Bijlage: Voor- en nadelen uiterste scenario’s – vastgesteld door klankbordgroep ........................................18 Voordelen van sober scenario....................................................................................................................18 Nadelen van en sober scenario ..................................................................................................................18 Voordelen van preventief scenario ............................................................................................................19 Nadelen van preventief scenario ...............................................................................................................20 Toelichting teksten ander (gemeentelijk) beleid........................................................................................21 Korte
samenvatting dorpsgesprekken .......................................................................................................22
3
Samenvatting
4
1. Leeswijzer Na het voorwoord van de portefeuillehouder Sociaal Domein en de samenvatting van deze notitie volgt de aanleiding. Dit hoofdstuk verwoord het doel van deze strategische notitie en de status van dit document. We beschrijven daarin ook de maatschappelijke opgaven voor het Sociaal Domein. De inleiding die volgt (hoofdstuk 3) beschrijft het gelopen traject en de te nemen stappen. Dan volgt in hoofdstuk 4 de essentie van deze notitie: de missie (waar staan we voor?), de visie (wat willen we bereiken?), het scenario (wat voor gemeente willen we zijn?) en onze kernwaarden (hoe moeten we ons gedragen?) en kernkwaliteiten (waar zijn we goed in?).
2. Aanleiding Dit document heeft als doel ‘richting geven aan ons (ambtelijk en bestuurlijk) handelen en een stip op de horizon’ zodat de bestaande visie en missie van het Sociaal Domein weer in het DNA van bestuur, beleidsmakers en uitvoerders zit. Het beoogde effect hiervan is dat bestuurders en ambtenaren (meer) eenduidig aan dezelfde koers werken en dat ze (meer) grip hebben op beleid en financiën. Het college stelt het document vast en legt het ter bespreking voor aan de gemeenteraad. Omdat het om bestaande visie en missie gaat (vervolg op samen sterk 1.0), is voor dit document een intern participatief proces doorlopen. De evaluatie (doen we de goede dingen?) van dit document wordt een participatief traject met partners (via dorpsgesprekken). Dit strategisch document kent ook een tactische en operationeel deel. Met doelen en de uitvoeringsagenda. Deze delen zijn deels nog in ontwikkeling en zijn instrument voor de ambtelijke organisatie. Waarom een strategische notitie? De transformatie in het Sociaal Domein is al een aantal jaren aan de gang. Na de decentralisatie in 2015 is deze in gang gezet en met het beleidskader Samen Sterk (2020) zijn de kaders hiervoor door de gemeenteraad vastgesteld.
In het derde kwartaal van 2022 heeft een oplevering hiervan plaatsgevonden, waarna we aan de slag gegaan zijn met het vervolg in de vorm van een uitvoeringsprogramma en een strategische visie en missie. De behoefte aan een strategische visie worden gesterkt door de oplopende kosten in het Sociaal Domein in relatie tot resultaten van beleid en door een aantal maatschappelijke ontwikkelingen. Hierdoor groeide de behoefte aan een antwoord op de vraag ‘doen we de juiste dingen?’ ofwel het ‘herijken van het Sociaal Domein’. Want de ontwikkelingen leggen druk op de gemeentelijk capaciteit en bedrijfsvoering. We moeten flexibeler werken. Projectmatig werken is vervangen door agile en opgavegericht werken. Dat vraagt andere competenties en heeft gevolgen voor de planning & control cyclus. Daardoor ontstond de behoefte aan een document dat ons richting geeft met duidelijke een stip op de horizon. De maatschappelijke ontwikkelingen: -
Jeugdzorg verbeteren en financieel houdbaar maken
Dit is een landelijke opgave: de Hervormingsagenda. Er zal structureel worden geïnvesteerd in de landelijke kwaliteit en effectiviteit van jeugdhulp. Er komt een aanpassing van de Jeugdwet, waardoor duidelijker wordt waarvoor kinderen en ouders hulp kunnen krijgen. Gemeenten worden verplicht bepaalde specialistische zorg regionaal in te kopen om beschikbaarheid en continuïteit van zorg beter te organiseren. Deze opgave is een reactie op de toenemende vraag naar hulp, wachtlijsten en toekomstig tekort aan zorgpersoneel. Een onderdeel van de Hervormingsagenda is de toegang naar jeugdhulp verbeteren. In onze gemeente willen we dit doortrekken naar van Wmo, en voorliggende voorzieningen. Als 5
we onze eigen toegang beter organiseren, kunnen we inwoners sneller de juiste ondersteuning geven/ verwijzen. -
Wonen en zorg
Dit is een landelijke opgave: de Woonzorg visie. We hebben de maatschappelijke opgave om de groeiende groep ouderen te faciliteren in hun woon-, zorg- en welzijnsbehoeften. Naar schatting zijn er in 2040 ongeveer twee keer zoveel 75plussers meer dan nu. Daar komen de zorgvragers zoals statushouders, dak- en thuislozen en mensen die uitstromen uit beschermd wonen en maatschappelijke opvang nog bij. Er zijn onvoldoende geschikte woningen voor deze groepen. Want woningen zijn vaak ongeschikt om (langer) thuis te wonen omdat de benodigde zorg er niet geleverd kan worden, omdat de omgeving onvoldoende voorzieningen biedt of/en omdat het gedrag van deze inwoners op weerstand van de buurt stuit. Een andere ontwikkeling is het tekort aan (zorg)professionals. Er zijn meer hulpvragen dan de zorgprofessionals aankunnen. Al zouden we bijvoorbeeld verpleeghuizen kunnen bouwen, er zijn onvoldoende handen om de zorg te verlenen. -
Omzien naar elkaar
We moeten ons beleid en uitvoering toekomstbestendig maken. Dat wil zeggen: als we in de nabije toekomst alle inwoners woonruimte en zorg willen bieden, dan moeten we met de samenleving zoeken naar andere woonvormen (RSO) en een andere manieren van zorg verlenen aan elkaar (SD). Dat vraagt om een mentaliteitsverandering: we moeten weer meer omzien naar elkaar, vergelijkbaar met het Noaberschap. Dat vraagt om begrip in de samenleving voor normaliseren: dat we elkaar vaker hulp bieden i.p.v. professionele hulp vragen. -
Leefbare wijken en dorpen tgv extramuarlisering
Mensen moeten en willen langer thuis wonen, gaan uit regionale opvangcentra sneller terug naar ‘huis’ (lees ingeschreven gemeente) en ze wonen langer thuis voordat ze naar een instelling gaan. Het effect is een veranderende samenstelling van wijken: er wonen meer mensen met onbegrepen gedrag in de wijken. Dat leidt tot overlast (bijv. psychotische verslaafde die ‘s nachts rondspookt op straat en/of thuis schreeuwt/ ruzie maakt). Deze ontwikkeling vraagt om aandacht voor ‘prettig samenleven’. Door elkaar te kennen ontstaat vaak begrip voor onbegrepen gedrag. Door te zorgen voor een geode balans tussen hulpvragers en hulpdragers in wijken en dorpen. Door professionele ondersteuning (welzijn) aan hulpdragers te bieden. Door ontmoeting te stimuleren en faciliteren.