20260622-bopa-klapstraat-180-bijlage-5-motivering
Tekst van het document
4.5
Landschap en stedenbouw/welstand In dit deel van het hoofdstuk wordt duidelijk wat de ruimtelijke impact is op de omgeving, hoe er getracht is de ontwikkeling in te passen in de omgeving en welke belangenafweging is gemaakt.
31
4.5.1
Landschappelijke inpassing In de directe omgeving van de beoogde projectlocatie bevinden zich reeds woningen. In zowel het ontwerp als de positionering van de beoogde woning op het projectperceel is meegenomen hoe het project het best binnen de bestaande omgeving past. Er is hierbij rekening gehouden met de vrijstaande woning die zich op het naastgelegen perceel bevindt (Klapstraat 180). Deze woning is een blikvanger in de omgeving en behoudt deze symbolische rol in het huidige ontwerp. Door de beoogde woning aan de linkerzijde van het perceel te positioneren, richting Klapstraat 178, wordt het zicht op Klapstraat 180 vrijgehouden. Doordat de verdere omgeving al bestaat uit met het project vergelijkbare vrijstaande woningen wordt ervan uitgegaan dat het project goed aansluit bij de omgeving. Landschappelijk gezien worden er geen aanvullende ingrepen gedaan om het project in te passen.
4.5.2
Stedenbouwkundige inpassing De beoogde woning zal op dezelfde voorgevelrooilijn worden gepositioneerd als de naastgelegen woningen. Ook wat betreft vorm en functie sluit het project aan bij de omgeving. De beoogde woning past daarmee in de huidige stedenbouwkundige kaders.
4.5.3
Schaduwwerking en daglichttoetreding Schaduwwerking Om inzicht te krijgen in de toename van schaduw op de omgeving door de beoogde nieuwbouw wordt met bezonningsdiagrammen de bestaande planologische situatie vergeleken met de toekomstige planologische situatie. Hiervoor zijn de volgende dagen van de 4 seizoenen maatgevend: • 21 maart: de dag dat de zon half hoog staat (zomertijd); • 21 juni: de dag dat de zon het hoogst staat; • 21 september: de dag dat de zon half hoog staat (wintertijd); • 21 december: de dag dat de zon het laagst staat. Waarbij wordt gekeken naar de volgende tijdstippen: • 9.00 uur; • 12.00 uur; • 15.00 uur; • 18.00 uur (op 21 december niet relevant, omdat de zon dan al onder is); • 20.00 uur (alleen in juni). Toetsing Het voornemen bestaat om één vrijstaande woning te realiseren op een momenteel onbebouwd perceel. Er is geen reden om aan te nemen dat de realisatie van deze woning zal leiden tot storende schaduwwerking in de omgeving. Daglichttoetreding In Nederland zijn er ten aanzien van bezonning geen wettelijke normen vastgesteld. Wel accepteert de rechtspraak het toepassen van de ‘lichte’ of de ‘strenge’ TNOnorm. De lichte norm vereist in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober, minstens twee bezonningsuren per dag in het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam. De strenge norm vereist in de periode van 21 januari tot en
32
met 22 november, minstens drie bezonningsuren per dag in het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam. Toetsing De beoogde woning op Klapstraat 180 zal voorzien worden van ramen aan alle vier de zijden van de woning. Daar de woning vrijstaand is en zich bevindt op een momenteel leeg perceel is geen reden om aan te nemen dat er mogelijke belemmeringen voor de daglichttoetreding zijn.
4.5.4
Privacy In het Burgerlijk Wetboek artikel 50:50 lid 1 is opgenomen dat het niet geoorloofd is binnen twee meter van de erfgrens ramen, muuropeningen, balkons of andere soortgelijke werken te hebben die uitzicht geven op een naastgelegen erf. Alle bouwwerken moeten voldoen aan deze wettelijke eis. Toch kan het voorkomen dat er door een ontwikkeling wijzigingen op het gebied van privacy plaatsvinden. Met een privacy-studie wordt onderzocht of onevenredige aantasting kan plaatsvinden door zicht vanuit het werkingsgebied op bestaande (woon)percelen. Daarbij wordt opgemerkt dat enig verlies van privacy niet altijd betekent dat er geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er wordt ook gekeken naar de omgeving, zoals de bouwhoogtes van omliggende panden, de stedelijkheid van het gebied en het type activiteit die plaatsvindt op omliggende percelen en de voorziene activiteit bij de ontwikkeling. Toetsing Het gaat in het beoogde project om een reguliere burgerwoning. De beoogde woning zal zich bijna negen meter van de erfgrens van de naastgelegen woning Klapstraat 180 bevinden, en ruim vijf meter van de erfgrens van de woning Klapstraat 178. Aan de achterzijde van het projectperceel bevinden zich geen bouwwerken. Er is geen reden om aan te nemen dat de privacy bij omliggende functies onevenredig wordt geschaad.
Hierom wordt het niet noodzakelijk geacht een privacy-studie uit te voeren voor dit project.
4.5.5
Windhinder Windhinder treedt op rond hoge gebouwen. Hier is sprake van verhoogde windsnelheden. Hierdoor kan het verblijf in de directe omgeving van deze gebouwen onaangenaam of zelfs gevaarlijk zijn. Dit geldt ook voor de buitenruimten van het te realiseren
gebouw,
zoals
balkons.
Door
onderzoek
(computeranimatie
of
windtunnelonderzoek) kan vooraf worden vastgesteld of bij een bepaald stedenbouwkundig ontwerp windhinder of windgevaar zal optreden. Ook kan bekeken worden welke maatregelen mogelijk zijn om windhinder te voorkomen of te beperken. Toetsing Onderhavige ontwikkeling voorziet in een gebouw van maximaal 9 meter hoog, en sluit zich aan bij de afmetingen van de gebouwen in de directe omgeving. Er is geen
33
reden om aan te nemen dat hier sprake zal zijn van windhinder door de bewerkstelliging van het beoogde project.
4.6
Milieu Op basis van paragraaf 5.1.4 houdt een omgevingsplan rekening met de bescherming van de gezondheid en het milieu. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met deze onderwerpen.
4.6.1
M.e.r.-regelgeving De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma’s waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is. Voor plannen en programma’s die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht.
Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. Toetsing Het voornemen bestaat om op een onbebouwd perceel aan de Klapstraat in Westervoort één woning te realiseren. Met dit project vindt geringe uitbreiding plaats van het areaal met stedelijke functies maar zijn per saldo niet tot nauwelijks milieueffecten te verwachten. Gelet op de aard (wonen) en omvang (1 woning) van dit project is er daarom geen sprake van een activiteit zoals genoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit.
34
Conclusie Een nadere beoordeling in een m.e.r-beoordeling of plan-m.e.r. is niet noodzakelijk. 4.6.2
Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen, en industrieterreinen en activiteiten enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen de omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Daarom moet bij nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de voornoemde bronnen, het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen altijd beoordeeld worden (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels.
In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Ten gevolge van artikel 11.52 van het Bkl zijn in principe alle wegen in Nederland voorzien van een geluidaandachtsgebied. Uitzondering op deze regel zijn wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 kilometer per uur geldt en woonerven. Als een geluidsaandachtsgebied geheel of gedeeltelijk binnen het werkingsgebied valt, moet bij de onderbouwing van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit akoestisch onderzoek worden verricht naar de geluidsbelasting op nieuwe geluidsgevoelige functies, waaronder woningen. Dit geldt eveneens als de BOPA de aanleg van een nieuwe gezoneerde weg mogelijk maakt. Onder het Bkl gelden geluidaandachtsgebieden ter vervanging van de voormalige geluidszones. Deze gebieden worden als fysiek geogra-fisch gebied vastgelegd in de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG), waar deze op dit moment nog niet beschikbaar zijn.
Totdat deze beschikbaar worden ge-steld bestaat het geluidaandachtsgebied volgens Artikel 17.5 van de Omgevingsrege-ling uit het gebied dat zich aan weerszijden van een lokale (spoor)weg uitstrekt tot de volgende afstanden, gemeten vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf van de spoorweg: − voor een weg van een of twee rijstroken met maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt 100 m; 35
− voor een weg van een of twee rijstroken met een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u, of een spoorweg bestaande uit een of twee sporen, geldt 200 m; − voor een weg van drie of meer rijstroken, of een spoorweg van drie of meer sporen, geldt 350 m. Als een spoorweg grotendeels is verweven of gebundeld met een gemeenteweg wordt hierbij het totaal van het aantal sporen of rijstroken beschouwd. Voor provinciale en rijks(spoor)wegen worden de zones uit de voorheen geldende Wgh gehanteerd. Als de (gezamenlijke) geluidbelasting niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. Het Bkl biedt de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toe te staan tot de grenswaarde, ook voor de geluidbelasting op bestaande geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag kan dit alleen toestaan als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. In dat geval moet gemotiveerd worden dat de maatregelen niet getroffen worden vanwege overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, technische of financiële aard. Bovendien moet de binnenwaarde van 33 dB (artikel 4.30 Bbl) te allen tijde gewaarborgd zijn. Een geluidgevoelig gebouw kan binnen meer dan één geluidaandachtsgebied liggen.
In dat geval moet bij de vaststelling van een hogere waarde, onderzoek worden gedaan naar de effecten van de cumulatie van alle geluidbronnen tezamen. Toetsing In het kader van voorliggend project is onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting vanwege wegverkeer op de nieuw te realiseren woning nabij de Klapstraat 180 te Westervoort2. Navolgend worden de bevindingen uit dit onderzoek uiteengezet. Het projectgebied bevindt zich aan de zuidwestrand van Westervoort en ligt in het geluidaandachtsgebied van de 50 km/uur wegen ’t Hoge Eind en de Klapstraat. Daarnaast liggen in de directe nabijheid diverse 30 km/uur wegen, waaronder Klapstraat (ter hoogte van de ontwikkellocatie), De Gemeint, Pals en Busserstraat. Uit de berekening blijkt dat de standaardwaarde in totaliteit niet wordt overschreden. De hoogste geluidbelasting bedraagt 48 dB Lden. Daarmee wordt voldaan aan de waarden uit het Bkl. Gemeente- en waterschapswegen Als gevolg van de omliggende gemeente- en waterschapswegen tezamen wordt de standaardwaarde van 53 dB Lden in zijn geheel niet overschreden. Daarmee wordt voldaan aan de waarden uit het Bkl.
2 SAB (2025). Akoestisch onderzoek geluid wegverkeer, Klapstraat 180 te Westervoort. Projectnummer
240392, 30 december 2025.
36
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen realisatie van de woning. 4.6.3
Luchtkwaliteit Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Ook voor activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied is het toetsen aan de omgevingswaarden van belang. Deze activiteiten kunnen immers zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt, maar hier mogelijkerwijs wel invloed op kan hebben.
Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. Ook in dat geval wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de beoogde activiteit(en) niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Indien een ontwikkeling niet is gelegen in of in de nabijheid van een aandachtsgebied, hoeft de luchtkwaliteit in de meeste gevallen niet beoordeeld te worden. Net als onder de voormalige Wet milieubeheer is er namelijk een uitzondering voor activiteiten die maar weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM). In een aantal situaties moet de luchtkwaliteit wel beoordeeld worden: 1 bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (als bedoeld in het Bal); 2 bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter in lengte toeneemt; 3 bij de aanleg van een auto(snel)weg. Toetsing De categorie woningbouw is opgenomen in bijlage 3A van de Regeling NIBM. De NIBM-grens voor woningbouwlocaties (voorschrift 3A.2) is ≤ 1.500 (netto) woningen met één ontsluitingsweg.
Het voorgenomen plan zal de NIBM-grens uit de regeling 37
niet overschrijden en derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Huidige luchtkwaliteit In het kader van voorliggende ontwikkeling is gekeken naar beschikbare informatie over de lokale luchtkwaliteit, zodat onacceptabele gezondheidsrisico’s kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is de monitoringstool uit de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. De monitoringstool geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2.5 en PM10) in het projectgebied voor 2023 (ronde 2024, de meest actuele cijfers). De monitoringstool maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in 2023 in het projectgebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. In de navolgende tabel is dit weergegeven. Zichtjaar
Hoogst gemeten concentraties vervuiling aan de Klapstraat stikstofdioxide (NO2),
fijnstof (PM10),
fijnstof (PM2.5),
jaargem. concentratie
jaargem. concentratie
jaargem. concentratie
2023
10,6 μg/m3
15,4 μg/m3
8,9 μg/m3
Grenswaarden
40,0 μg/m3
40 μg/m3
25 μg/m3
Uit bovenstaande tabel wordt geconcludeerd dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen in 2023 ruim onder de grenswaarden liggen. Deze grenswaarden zijn op Europees niveau vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Er is dus geen sprake van een slechte luchtkwaliteit ter plaatse. Conclusie Het project voldoet aan de kaders voor het aspect luchtkwaliteit. 4.6.4
Geur In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende AMVB’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: geur door het
38
houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); •
geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS);
•
geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vast mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groe afval (par. 22.3.6.4 BS);
•
geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS).
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Toetsing Na raadpleging van de Kaartviewer Kernregistratie Dierverblijven van Provincie Gelderland blijkt dat zich in de omgeving van het projectgebied geen actieve veehouderijen bevinden die mogelijk belemmering op het gebied van geur zouden kunnen veroorzaken. Conclusie Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect geur. 4.6.5
Bodem Het is het belangrijk om bij ontwikkelingen rekening te houden met de bodemkwaliteit. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie of de financiële haalbaarheid. Bij een (interne) functiewijziging naar een gevoeligere functie dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit past bij de beoogde functie. Indien de bodemkwaliteit mogelijke leidt tot gezondheidsrisico’s voor de gebruikers, zullen deze risico’s moeten worden weggenomen. De Omgevingswet stelt kaders aan de aanvaardbaarheid van bodemverontreinigingen. De volgende uitgangspunten overheersen: • • •
het geschikt maken van de bodem voor de voorgenomen functie; het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; het wegnemen van actuele risico's.
Ten behoeve van ontwikkelingen dient ten minste een historisch onderzoek conform de NEN 5725 te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt 39
geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op bodemverontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 te worden uitgevoerd. Toetsing In het kader van voorliggende ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek 3 conform de NEN 5740 uitgevoerd. Uit het historisch onderzoek is naar voren gekomen dat er tot 1976 een boomgaard op de locatie aanwezig is geweest. Verder zijn er geen aanwijzingen die duiden op de (voormalige) aanwezigheid van verontreinigingsbronnen. In aansluiting op dit resultaat is gekozen voor de onderzoeksstrategie onverdachte locatie met een aanvullende analyse op OCB’s van de bovenste grondlaag. Het doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit van zowel de grond als van het freatisch grondwater. Er zijn boorwerkzaamheden uitgevoerd en het grondwater is bemonsterd. Uit het onderzoek volgt dat in de bodem geen waarden, van de onderzochte parameters, boven de Interventiewaarde aangetroffen zijn. Ook blijkt uit de toetsing van het grondwater dat er geen sprake is van een overschrijding van de signaleringswaarde. Naar aanleiding van de analyseresultaten is een nader onderzoek niet noodzakelijk. Het terrein is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het voorgenomen gebruik.
Conclusie De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
4.6.6
Spuitzonering Bij ontwikkelingen in de buurt van de teelt van gewassen (akkerbouw, fruitteelt) moet rekening worden gehouden met 'spuitzones'. Dit is een zone, gebaseerd op jurisprudentie van de Raad van State, die moet worden aangehouden tussen gevoelige functies en de gronden waarop gewassen worden gehouden waarbij gewasbeschermingsmiddelen (mogen) worden gebruikt. De zone is bedoeld om voor omliggende functies een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen. Regelgeving Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen (zoals fruitbomen) in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen gevoelige functies. Over het algemeen wordt een afstand van 50 meter aanvaardbaar geacht. Echter, deze afstand is niet in regelgeving vastgelegd. Het blootstellingsrisico is afhankelijk van meerdere factoren zoals gebruikte middelen, gebruikte spuittechniek, windsnelheid en windrichting. 3
Greenhouse Advies (2024). Verkennend bodemonderzoek tussen Klapstraat 178 en 180 te Westervoort. Projectcode P07107, 2 september 2024.
40
Daardoor kan er geen globale (of specifieke) richtlijn worden gegeven die wetenschappelijk kan worden onderbouwd. Voor elk geval moet een locatiespecifieke afweging plaatsvinden. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van de risico's van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers en werknemers. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat regels om de emissie van bestrijdingsmiddelen naar het water te reduceren. Toetsing In de omgeving van het projectgebied zijn agrarische gronden aanwezig. Direct aan de westzijde grenst het projectgebied aan gronden met de functie ‘Agrarisch’. Deze gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf; bestaande bedrijfswoningen; kleinschalig kamperen en extensieve (dag)recreatie.
Onder agrarische bedrijfsvoering wordt verstaan ”een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, met uitzondering van een paardenfokkerij, een paarden- of ponyhouderij, een pelsdierfokkerij of een intensieve veehouderij”. Hoewel de naastgelegen gronden in de huidige situatie niet in gebruik zijn voor gewassenteelt, is dit planologisch wel mogelijk. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is de relatie tussen de beoogde woonfunctie en het aangrenzende agrarische perceel beoordeeld. Het agrarische perceel is in eigendom van dezelfde eigenaar als het perceel waarop de woning wordt gerealiseerd. Tussen partijen is privaatrechtelijk overeengekomen dat op het agrarische perceel geen gewasbeschermingsmiddelen zullen worden toegepast en dat de gronden uitsluitend worden gebruikt voor het hobbymatig houden van paarden. Hierdoor wordt feitelijk geborgd dat geen agrarische bedrijfsactiviteiten plaatsvinden die kunnen leiden tot spuitzones, milieuhinder of andere beperkingen voor de woonfunctie op het gebied van gewasbestrijdingsmiddelen. Daarnaast is het perceel dusdanig klein van aard en zijn deze feitelijk in gebruik als hobbymatige paarden en kippenweide (extensieve beweiding) en maken geen onderdeel uit van een agrarische bedrijfsvoering met teeltactiviteiten.
Het betreft grasland, waarbij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen in de praktijk niet of nauwelijks aan de orde is, mede vanwege voederveiligheid en diergezondheid. Daarnaast ontbreekt een aanwijzing voor bedrijfsmatige teelt, bijvoorbeeld in de vorm van registratie als teeltperceel met gewasopgave in de Basisregistratie Percelen (BRP). Bovendien is door de aanwezige omheining het gebruik van agrarisch materieel, zoals een tractor met veldspuit, feitelijk uitgesloten. Gelet hierop is toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op deze percelen niet aannemelijk en is spuitzonering in deze situatie niet relevant. De realisatie van de nieuwe woningen op een afstand kleiner dan 50 meter leidt daarmee niet tot een
41
onaanvaardbaar woon- en leefklimaat en brengt geen tot verwaarloosbare gezondheidsrisico’s met zich mee. Conclusie Het aspect spuitzonering vormt geen belemmering voor voorliggend project. 4.6.7
Ontplofbare oorlogsresten Als gevolg van oorlogshandelingen in de Tweede Wereldoorlog kunnen ontplofbare oorlogsresten zijn achtergebleven. Een ‘verdacht gebied’ is een gebied met een verhoogde kans op nog aanwezige ontplofbare oorlogsresten. Op basis van de Arbowetgeving en de Openbare Orde en Veiligheid dienen alle risico’s voorafgaand aan de grondroerende werkzaamheden in kaart te worden gebracht waarbij de risico’s zoveel mogelijk moeten worden ingeperkt. In het geval van grondroerende werkzaamheden dient het opsporingsgebied te worden onderzocht volgens de in het CSOOO gestelde eisen om eventuele risico’s van het ongewenst tot uitwerking komen van de ontplofbare oorlogsresten zoveel mogelijk uit te sluiten. Toetsing In de afgelopen jaren is het projectgebied reeds geroerd en in agrarisch gebruik geweest. De grond van het projectgebied is hiermee continue geroerd en in gebruik geweest in de decennia na de Tweede Wereldoorlog. Daarbij komt dat de bodem slecht tot 35 centimeter onder maaiveld zal worden geroerd. Geacht wordt dat het niet aannemelijk is dat zich hier nog ontplofbare oorlogsresten in de grond bevinden. Dit maakt dat geacht wordt dat een onderzoek achterwege kan blijven. Conclusie Het project voldoet aan de kaders voor het aspect ontplofbare oorlogsresten.
4.6.8
Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het 42
Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is. Groepsrisico Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving.
Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico’s van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken. Toetsing Het voornemen bestaat om binnen het projectgebied één woning te realiseren. Raadpleging van de kaarten ‘externe veiligheid’ op Atlas Leefomgeving wijst uit dat er direct rondom de ontwikkellocatie geen risicobronnen liggen. De meest nabijgelegen risicobron is de rivier de Neder-Rijn waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd (circa 750 meter afstand). Verder bevindt zich op circa één kilometer afstand een spoorlijn waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Op circa 1,2 kilometer liggen enkele buisleidingen. De projectlocatie ligt echter niet binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen. Dit is ook te zien op navolgende afbeelding, waarop een uitsnede van de Atlas Leefomgeving is weergegeven.
43
Risicobronnen in de omgeving van het projectgebied (rode stip) (Bron: Atlas Leefomgeving).
4.6.9
Trilling Het omgevingsaspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Toetsing De beoogde projectlocatie bevindt zich op ongeveer één kilometer afstand van de dichtstbijzijnde spoorlijn. Ook is geen industrie in de omgeving aanwezig die mogelijk trillingen veroorzaken. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat er sprake is van trillinghinder ter plaatse van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.
4.6.10
Kabels en leidingen Planologisch relevante kabels, leidingen en hoogspanningsverbindingen moeten worden gewaarborgd en beschermd worden tegen ingrepen die de werking ervan kunnen bedreigen. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: •
gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
•
aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch;
44
•
defensiebrandstoffen;
•
warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industrie-
watervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Aan de andere kant moet de omgeving worden beschermd tegen het gevaar dat van bestaande en toekomstige leidingen, kabels en hoogspanningslijnen kan uitgaan. Ter bescherming van de kabels en leidingen en de omgeving worden zones opgenomen in een omgevingsplan waarin beperkingen gelden. Toetsing De toetsing naar relevante kabels, leidingen en hoogspanningsverbindingen vindt plaats door raadpleging van de externe veiligheidskaarten van Atlas Leefomgeving. Hierop is zichtbaar dat door het projectgebied geen relevante kabels, leidingen en hoogspanningsverbindingen lopen.
4.7
Ecologie
4.7.1
Algemeen Doelen van de Omgevingswet zijn onder meer de natuurbescherming en het beheer van ecosystemen (artikel 2.1, lid 3, onder h en o). De Omgevingswet is gericht op zowel de soortenbescherming als de gebiedsbescherming. De bescherming is geregeld in afdeling 3.7 Bkl. De Omgevingswet implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten en gebieden te beschermen. Indien er bij een ontwikkeling sprake is van een flora- en fauna-activiteit, moet aannemelijk zijn dat een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit kan worden verkregen. Behalve als uit de Omgevingswet voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van verlening van de vergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Met de Omgevingswet komt de bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen en vrijstellingen bij ontwikkelingen in principe bij de provincies te liggen. Gebiedsbescherming De Ow kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: •
Natura-2000 gebieden.
•
Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Soortenbescherming In de Ow wordt een onderscheid gemaakt tussen: •
soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
•
soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en
•
de bescherming van overige soorten. 45
Toetsing In het kader van voorliggend project is een bureaustudie natuur opgesteld 4. Gebiedsbescherming In de omgeving van het projectgebied bevinden zich meerdere Natura 2000-gebieden. De drie dichtstbijzijnde gebieden zijn de Rijntakken, de Veluwe en de Unterer Niederrhein, respectievelijk op 0,5, 5,7 en 12,3 kilometer afstand van het projectgebied. Omdat een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de Veluwe en de Rijntakken als gevolg van voorliggende ruimtelijke ontwikkeling in het besluitgebied niet uit te sluiten is, is er een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd. Verder blijkt uit de quick scan dat het besluitgebied geen onderdeel uitmaakt van het Gelders Natuurnetwerk of ander provinciaal beschermd natuurgebied aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het project dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Stikstof De Natura 2000-gebieden ‘Rijntakken’ en ‘Veluwe’ liggen in de omgeving van het projectgebied. Deze gebieden liggen respectievelijk op 500 meter en 5,7 kilometer afstand van het projectgebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van Rijntakken en de Veluwe is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het projectgebied niet uit te sluiten. Daarom is een onderzoek stikstofdepositie5 uitgevoerd.
Hieruit blijkt dat met de gehanteerde parameters uit de uitgevoerde berekeningen van de aanleg- en de gebruiksfase (rekenjaar 2025) dat er geen resultaten zijn voor de projectberekening en situatieberekening onder de OwN2000-registratieset of op Duitse rekenpunten. Daarmee kunnen significant negatieve effecten op Natura 2000- gebieden worden uitgesloten. Er is geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit benodigd. Beschermde soorten Wet Natuurbescherming Uit de quick scan volgt verder dat enkele vogelsoorten waarvan het nest jaarrond beschermd is in of in de directe omgeving van he projectgebied voorkomen. Het gaat om de kerkuil en de steenmarter. In het projectgebied zijn echter geen potentiele nestlocaties van de kerkuil en de steenuil aanwezig. Uit de quick scan blijkt tevens dat vogelsoorten waarvan het nest niet jaarrond is beschermd in de directe omgeving van het besluitgebied tot broeden kunnen komen. Het is daarom van belang om preventieve maatregelen te treffen om een schadelijke handeling onder de Omgevingswet te voorkomen. Verder blijkt uit de quick scan dat de volgende streng beschermde soorten volgens de Habitatrichtlijn of niet vrijgestelde soorten van het beschermingsregime ‘andere 4
5
SAB (2025). Bureaustudie natuur. Westervoort, Klapstraat 180. Projectnummer 240392, 23 juni 2025. SAB (2025). Onderzoek stikstofdepositie. Westervoort, Klapstraat 180. Projectnummer 240392, 20 november 2025.
46
soorten’ in of in de directe omgeving van het besluitgebied potentieel voor kunnen komen: − Bunzing; − Hermelijn; − Steenmarter; − Vleermuizen; − Wezel. In het projectgebied zelf zijn echter geen potentiële verblijfplaatsen van de bunzing, hermelijn, steenmarter, vleermuizen en de wezel aanwezig. De rugstreeppad komt nu niet voor in het besluitgebied, maar kan bouwterreinen wel makkelijk koloniseren. Geadviseerd wordt om maatregelen te treffen zoals beschreven in de quick scan om vestiging van deze soort te voorkomen. Houtopstanden Binnen het projectgebied is geen sprake van beschermde houtopstanden. Er zullen ook geen bomen geveld worden in het kader van voorliggende ontwikkeling. Conclusie Voorliggend project voldoet aan de kaders voor het aspect natuur mits preventieve maatregelen worden getroffen voor amfibieën, broedvogels en zoogdieren.
4.8
Water In deze paragraaf worden de waterhuishoudkundige aspecten van de ontwikkeling beschreven (huidige en toekomstige situatie). Ook wordt getoetst aan het beleid van de provincie, waterschap Rijn en IJssel en aan het gemeentelijke water- en rioleringsplan, de hemelwaterverordening en de afvalwaterverordening.
4.8.1
Beleid Provincie Gelderland Het grondwater is een belangrijke bron voor de openbare drinkwatervoorziening. Veel Nederlandse huishoudens ontvangen hun drinkwater uit grondwater. Met het oog op de continuïteit van de levering van drinkwater voert de provincie al geruime tijd een beschermingsbeleid, gericht op minimalisering van de risico's op achteruitgang van de kwaliteit. Daarvoor is er waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied en boringsvrije zone aangewezen.
Waterwingebied Het waterwingebied is het meest kwetsbare deel van de Waterwinning voor menselijke consumptie. Het waterwingebied is het gebied waar het drinkwater daadwerkelijk wordt gewonnen. Daarvoor is een zeer stringente bescherming nodig. Doel van de regels is om te voorkomen dat de bodem en het zich daarin bevindende grondwater verontreinigd raakt, door activiteiten en functies te verbieden die risico geven voor de kwaliteit van het grondwater. In waterwingebieden worden daarom alle 47
milieubelastende activiteiten die in het besluit activiteiten leefomgeving zijn opgenomen verboden. Grondwaterbeschermingsgebied Het grondwaterbeschermingsbeleid van de provincie Gelderland heeft tot doel om het grondwater rondom de waterwingebieden een zodanige bescherming te bieden dat het met een minimum aan maatregelen geschikt is te maken voor drinkwater. In de Omgevingsverordening zijn de regels voor bescherming van de grondwaterkwaliteit opgenomen. Naast milieubeleid en milieuregelgeving wordt ook gestuurd door middel van het ruimtelijke beleid en het stimuleringsgebied. Een belangrijk aandachtspunt bij de bescherming van het grondwater is afstromend hemelwater van gebouwen en wegen. Binnen grondwaterbeschermingsgebieden gelden regels die tot doel hebben de kwaliteit van het grondwater te beschermen. Boringsvrije zone Bij een boringsvrije zone wordt het water gewonnen uit een dieper pakket die wordt afgesloten door een kleilaag. Doel van de regels in boringsvrije zone is het beschermen van de diepere watervoerende pakketten door te voorkomen dat de beschermende kleilaag wordt doorboord. Er worden regels gesteld aan de maximale diepte voor het verrichten van handelingen in de bodem, zoals boringen, grond- of funderingswerken en regels voor bodemenergiesystemen (warmtetoevoeging en -onttrekking). Uit onderzoek is duidelijk op welke diepte de beschermende kleilagen liggen.
Deze staan weergegeven op de kaart dat bij de regels hoort. Toetsing Het werkingsgebied valt niet binnen een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of boringsvrije zone, zie onderstaande kaart. De beoogde ontwikkeling tast de drinkwaterwinning, kwaliteit van het grondwater en beschermde kleilaag daarom niet aan.
48
Kaart vigerende legger en zones Waterschapsverordening waarbij de ligging van het projectgebied is aangegeven met een rode stip (Bron: Waterschap Rijn en IJssel).
4.8.2
Beleid Waterschap Rijn en IJssel Het Waterschap Rijn en IJssel is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het gaat dan om het waterkwantiteits en –kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, de waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer. Het Waterschap Rijn en IJssel heeft de doelen in het Waterbeheerprogramma 20222027 beschreven. Naast het uitvoeren van kerntaken zijn het aanpassen van de leefomgeving aan de gevolgen van klimaatverandering en waterveiligheid de grootste prioriteiten. Ook een schone leefomgeving en de circulaire economie en energietransitie staan hoog op de agenda. Het waterbeheerprogramma is een belangrijk instrument waarmee het waterschap aangeeft welke beleidsdoelen het nastreeft, welke inspanningen het pleegt om dat beleid te realiseren en welke financiële middelen daarmee gemoeid zijn. De sturende werking ervan wordt mede bepaald door de mate waarin doelen en maatregelen geconcretiseerd worden. Voor het overgrote deel zijn de lange termijn doelen voor de beleidsthema’s al vastgesteld. Het waterbeheerprogramma 2022-2027 geeft aan hoe het waterschap in de planperiode met deze doelen aan de gang gaat en waar het waterschap in 2027 denkt te staan.
Het Waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij de uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. In de Waterschapsverordening is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder omgevingsvergunning water te lozen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam (artikel 2.2). Dit geldt ook voor neerslag door toename van verhard oppervlak, dat al dan niet via een afvoer op een oppervlaktewaterlichaam wordt geloosd.
Dit verbod is van toepassing tenzij (artikel 2.31): • het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; • de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; • de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; • de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: • 'benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06' Het gebruik van uitlogende (bouw)materialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC wordt ten zeerste afgeraden in verband met de negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.
49
Door middel van de verplichte watertoets ziet het waterschap toe op de uitvoering van hun beleid. Hiermee wordt geborgd dat bij nieuwe ontwikkelingen het waterbeheer wordt meegenomen. Toetsing In het kader van voorliggende ontwikkeling is de Legger van het Waterschap Rijn en IJssel geraadpleegd. Hieruit blijkt dat in de directe omgeving van het projectgebied geen waterstaatkundige werken aanwezig zijn. Ook ligt het projectgebied niet in een risicogebied. Geconcludeerd kan worden dat er op basis van de Legger geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling. Verder is voor het project een digitale watertoets ingevuld6. Hieruit volgt dat de korte procedure bij het Waterschap gevolgd kan worden. Dit betekent dat de standaard waterparagraaf van het waterschap overgenomen en aangevuld moet worden. Navolgend is deze waterparagraaf uiteengezet. Wateroverlast Door de ontwikkeling in het projectgebied neemt het verhard oppervlak toe. Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel, maar volgens de trits ‘vasthouden - bergen - afvoeren’ behandeld. Bij voorkeur worden natte en laaggelegen gebieden, beekdalen, regionale bergingsgebieden en overstromingsvlaktes niet bebouwd. Het projectgebied beoogt geen bouwwerken in deze gebieden. Waterkwaliteit Het project maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden.
Riolering en afvalwaterketen Een toename van het afvalwater heeft effect op het functioneren van de afvalwaterketen. Het (gemeentelijk) rioolstelsel, de gemalen (overnamepunten) en de rioolwaterzuiveringsinstallatie kunnen de toename van afvalwater verwerken zonder daarmee het milieu zwaarder te belasten. Het hemelwater wordt niet aangesloten op het rioolstelsel en zal ter plaatse infiltreren/geborgen worden. Grondwaterbeheer De ontwikkeling leidt niet tot wijziging van de grondwaterstand. Er wordt niet gebouwd in een gebied met een hoge grondwaterstand of kwel. Conclusie Het project dient te worden voorgelegd aan het waterschap. Het aspect water vormt met inachtneming van de aanbevelingen in het bovenstaande waarschijnlijk geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
6 De digitale watertoets, ingevuld op 11 juni 2025.
50
4.9
Wegen, verkeer en parkeren Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. Hiervoor kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie ‘Parkeerkencijfers 2024 – Basis voor parkeernormering’ van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren’ opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen.
4.9.1
Verkeersafwikkeling In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom (ASVV). Voor de Gemeente Westervoort geldt sinds april 2025 de ‘Mobiliteitsvisie Westervoort 2040’.
Kaart Mobiliteitsvisie Westervoort 2040; gewenste wegencategorisering voor gemotoriseerd verkeer (Bron: Gemeente Westervoort).
Toetsing Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW7 kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. 7
CROW, publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering’
51
Gelet op de ligging van het projectgebied worden de kencijfers voor het gebied ‘rest bebouwde kom’ gehanteerd. De gemeente Westervoort wordt conform CBS-gegevens ten aanzien van de mate van stedelijkheid gezien als een ‘matig stedelijk’ gebied. Voor de toevoeging van één vrijstaande koopwoning volgt uit de kerncijfers een maximale verkeersgeneratie van 8,6 extra verkeersbewegingen per etmaal. De inschatting is dat dit extra verkeer niet zal leiden tot significante veranderingen in het bestaande verkeersbeeld.
4.9.2
Bereikbaarheid hulpdiensten In deze paragraaf wordt de bereikbaarheid van hulpdiensten beschreven voor een locatie waar voorheen geen functie aanwezig was (geen bestaande locatie). Vergunningen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit dienen getoetst te worden aan de richtlijnen van de veiligheidsregio’s, welke zijn verwoord in de notitie “Beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van de veiligheidsregio GelderlandMidden”. Toetsing De beoogde woning komt aan een bestaande, doorlopende weg te liggen, waar zich ook andere woningen bevinden. Er is hierom geen reden om aan te nemen dat er sprake zou kunnen zijn voor een belemmering van de bereikbaarheid van hulpdiensten.
4.9.3
Parkeren Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving dient aangetoond te worden dat voorzien wordt in de aanleg en instandhouding van voldoende parkeergelegenheid. Hiertoe heeft de gemeente Westervoort een Parkeernomennota vastgesteld. Toetsing Het projectgebied ligt op basis van de publicatie van het CROW in een 'matig stedelijk gebied' met het gebiedstype 'rest bebouwde kom'. De gemeente Westervoort hanteert het gemiddelde van de kengetallen van het CROW. Dat betekent dat voor vrijstaande woningen een parkeernorm van 2,2 parkeerplaatsen per woning geldt, waarvan 0,3 parkeerplaats bestemd is voor bezoekers en openbaar toegankelijk moet zijn. Op eigen terrein dient er voorzien te worden in 1,9 parkeerplekken. In het stedenbouwkundig plan is voorzien in drie parkeerplaatsen op eigen terrein voor de beoogde schuur aan de achterzijde van het perceel. Deze zullen bereikbaar zijn via een oprit aan de noordzijde van het projectgebied. Gesteld wordt dat het aspect ‘parkeren’ voldoende in dit project is gewaarborgd. Conclusie Het project voldoet aan de kaders voor de aspecten verkeer en parkeren.
52
5 Uitvoerbaarheid 5.1
Activiteiten, regels Onderhavige BOPA wordt verleend op basis van het geldende omgevingsplan. In de toelichting van de voormalige bestemmingsplannen is een nadere omschrijving opgenomen van de regelopbouw, wijze van meten, dakvormen en bestemmingen. Bij een planologische BOPA op basis van het tijdelijke omgevingsplan is het van belang dezelfde uitgangspunten te hanteren. De toelichting heet bij een BOPA de ‘motivering’.
5.2
Voorschriften / voorwaarden Uit hoofdstuk 2 en 3 van deze onderbouwing blijkt dat het mogelijk is om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te bereiken met het verlenen van de beoogde omgevingsvergunning, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Deze voorwaarden worden opgenomen in de te verlenen vergunning. Bij een planologische BOPA vormen de voorwaarden de kaders waarbinnen een opvolgende BOPA dient te voldoen. Aan de realisatie van de woning zijn voorwaarden gesteld. Zo is voor de woning een maximale goot- en bouwhoogte opgenomen van, respectievelijk 4 en 9 meter. Verder worden er drie parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd om in de parkeerbehoefte te kunnen voorzien.
5.3
Financiële / economische uitvoerbaarheid In deze paragraaf wordt de wijze van bekostiging van het initiatief beschreven. Uitgangspunt is dat de kosten die gemaakt worden voor het opstellen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor rekening komen van de initiatiefnemer. Er wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden. In gevallen waarin een ontwikkeling alleen gerealiseerd kan worden met een financiële bijdrage vanuit de gemeente, dan wordt in deze paragraaf een passage daarover opgenomen.
5.3.1
Kostenverhaal De Omgevingswet verplicht overheden om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Het afsluiten van een (anterieure) overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur.
53
Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Daar waar nodig zal op basis van artikel 13.18 het publiekrechtelijke kostenverhaal worden verrekend door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow). Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan. Kostenverhaal is aan de orde, als de BOPA nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten (bouwplan onder de Wro) mogelijk maakt. Toetsing Het voorliggende project wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de ontwikkelaar als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het project verzekerd van kostendekking. De economische uitvoerbaarheid van voorliggende Bopa is hiermee aangetoond.
5.4
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het is belangrijk dat omwonenden en naburige perceeleigenaren van de gewenste activiteit worden betrokken bij ontwikkelingen. Een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit ziet toe op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en bevorderen zo een goede woon- en leefomgeving voor de inwoners. Er zijn verschillende manieren waarop de gemeente inwoners en andere belanghebbende de gelegenheid geeft mee te denken met een omgevingsplan en een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Een initiatiefnemer moet in alle gevallen bij de aanvraag van de omgevingsvergunning aangeven of participatie heeft plaatsgevonden (artikel 7.4, lid 2). Navolgende paragrafen gaan in op de gevoerde participatie en de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
5.4.1
Participatie / omgevingsdialoog Een omgevingsdialoog is een overleg tussen een initiatiefnemer met omwonenden en andere belanghebbenden. Door het voeren van omgevingsdialoog, krijgt de initiatiefnemer inzicht in de wensen, belangen en bezwaren vanuit de omgeving. De initiatiefnemer kan deze betrekken in de verdere uitwerking van de ontwikkeling. Dit leidt tot een beter gedragen ontwikkeling door de omgeving. Voor initiatieven die niet passen binnen het omgevingsplan stelt de gemeente het verplicht om een omgevingsdialoog te voeren. Voor het voeren van een dialoog heeft de gemeente Westervoort eisen vastgesteld, welke zijn vermeld op de website van de gemeente Westervoort. In het kader van voorliggend voornemen zijn buurtbewoners geïnformeerd over het voornemen en hebben zij de kans gekregen om hierover in gesprek te gaan met de initiatiefnemer. In sommige gevallen heeft initiatiefnemer geen reactie ontvangen en in alle andere gevallen zijn de reacties neutraal, dan wel positief. Vanaf 27 november zal er ook een informatiebord met het bouwplan worden neergezet binnen
54
het projectgebied. Dit tezamen maakt dat geacht wordt dat omwonenden en belanghebbenden voldoende zijn geïnformeerd. 5.4.2
Adviesrecht Raad Voor de toevoeging van één woning geldt in de Westervoort het adviesrecht van de gemeenteraad. Conform dit proces zal de raad over het initiatief worden geïnformeerd en in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen. In het verdere verloop van de procedure wordt de raad opnieuw betrokken
5.4.3
Bestuurlijk vooroverleg Voor dit initiatief is bestuurlijk vooroverleg gevoerd met de gemeente. In dit overleg zijn de uitgangspunten, aandachtspunten en het vervolgproces afgestemd. De gemeente is hiermee tijdig betrokken bij de planvorming, zodat het initiatief in een vroeg stadium kan worden getoetst en bijgestuurd waar nodig.
5.5
Procedure De uniforme openbare voorbereidingsprocedure is vastgelegd in Afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht. Alvorens een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarop Afdeling 3.4 Awb van toepassing is verklaard wordt verleend, dient de ontwerpbeschikking voor een periode van 6 weken ter inzage te worden gelegd. Onderhavige ontwerp beschikking heeft van xx-xx-xx tot xx-xx-xx voor een ieder ter inzage gelegen. Hierop zijn XX zienswijzen ingediend bij de gemeenteraad. De zienswijzen zijn verwerkt in de ‘Reactienota zienswijzen inzake ontwerpbeschikking ---’ welke is bijgevoegd in bijlage XX. In de te verlenen vergunning zijn wijzigingen en aanvullingen aangebracht die in de reactienota zijn opgenomen.
55
6 Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties In het kader van de Omgevingswet wordt gestreefd naar een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zijn enkele algemene doelen geformuleerd in artikel 1.3 Omgevingswet. Hierin staat dat de bepalingen in de wet gericht zijn op het volgende: − het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur. − het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. In voorliggende motivering is het project toegelicht om een vrijstaande woning te realiseren op een onbebouwd agrarisch perceel nabij de Klapstraat 180 te Westervoort. Op deze wijze wordt op een passende wijze invulling gegeven aan het ontwikkelen van een extensief gebruikt agrarisch grasland. De ontwikkeling sluit aan bij de overige bebouwing langs de Klapstraat en zorgt daarmee voor een kwaliteitsimpuls op de locatie. In voorliggende Bopa is het voornemen getoetst aan uiteenlopende aspecten en thema’s van de fysieke leefomgeving. Het voorliggend project is niet in strijd met het landelijk, provinciaal en gemeentelijk beleid en voorziet in de woningbehoefte.