20260622-bopa-klapstraat-180-bijlage-5-motivering
Tekst van het document
Ontvangstdatum : 08-06-2026 Documentnummer: D2026-00048515
Westervoort, Klapstraat 180 Motivering buitenplanse omgevingsplanactiviteit Gemeente Westervoort
sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling
6 mei 2026, projectnummer 240392
sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling info@sab.nl - www.sab.nl Disclaimer tekst Bij het samenstellen is de grootst mogelijke zorgvuldigheid nagestreefd. Toch kan de informatie in deze uitgave niet juist of onvolledig zijn. De Opdrachtgever is hiervoor niet aansprakelijk. Als u van mening bent dat er beeldmateriaal is gebruikt waarover u het beeldrecht heeft, neem dan contact op met de opdrachtgever via onze website of bovengenoemde adres. Copyright Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen, in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt worden in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.
Inhoudsopgave 1
2
3
4
5
Inleiding
3
1.1
Aanleiding
3
1.2
Projectgebied
3
1.3
Het omgevingsplan
4
1.4
Leeswijzer
6
Planbeschrijving
7
2.1
Huidige situatie
7
2.2
Toekomstige situatie
8
Beleid en regelgeving
11
3.1
Rijksbeleid en rijksregels
11
3.2
Provinciaal beleid
15
3.3
Regionaal beleid
18
3.4
Gemeentelijk beleid
20
Omgevingsaspecten
24
4.1
Archeologie en cultureel erfgoed
24
4.2
Bedrijfsmatige activiteiten
26
4.3
Duurzaamheid en klimaat
29
4.4
Gezondheid
31
4.5
Landschap en stedenbouw/welstand
31
4.6
Milieu
34
4.7
Ecologie
45
4.8
Water
47
4.9
Wegen, verkeer en parkeren
51
Uitvoerbaarheid
53
5.1
Activiteiten, regels
53
5.2
Voorschriften / voorwaarden
53
5.3
Financiële / economische uitvoerbaarheid
53
5.4
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
54
5.5
Procedure
55
6
Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties 56
7
Voorstel voor het opnemen van het initiatief in het omgevingsplan
57
Bijlagen Bijlage 1: Akoestisch onderzoek milieubelastende activiteiten Bijlage 2: Akoestisch onderzoek geluid wegverkeer Bijlage 3: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 4: Bureaustudie natuur Bijlage 5: Onderzoek stikstofdepositie
1 Inleiding 1.1
Aanleiding Aan de Klapstraat 180 te Westervoort ligt een onbebouwd perceel dat momenteel in gebruik is voor het hobbymatig houden van enkele dieren. Het perceel is gelegen tussen twee vrijstaande woningen langs de Klapstraat binnen de kern van Westervoort. Verder is algemeen bekend dat er een grote vraag is naar woningen. Daarom bestaat het voornemen om op het perceel één vrijstaande woning te realiseren. Het voornemen om hier een woning te realiseren past niet binnen de ter plaatse geldende juridisch-planologische kaders. Daarom wordt van het omgevingsplan afgeweken door middel van een omgevingsvergunningaanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Het voorliggend document voorziet in de motivering behorende bij de BOPA.
1.2
Projectgebied Het projectgebied ligt in het zuidwesten van de kern Westervoort. Het perceel wordt in het zuidoosten begrensd door de Klapstraat, en in het noorden en zuidwesten door vrijstaande woningen. Aan de westzijde liggen agrarische gronden. Navolgende afbeeldingen geven de globale ligging en begrenzing van het projectgebied weer.
Globale ligging projectgebied ten opzichte van de kern Westervoort (bron: PDOK Viewer).
3
Globale begrenzing projectgebied, aangeduid met een rood kader (bron: PDOK Viewer).
1.3
Het omgevingsplan
1.3.1
Huidige regels omgevingsplan Ter plaatse van het projectgebied geldt momenteel het bestemmingsplan ‘Komplannen Westervoort’ (vastgesteld op 22 september 2014) dat is opgenomen in het (tijdelijke) omgevingsplan van Westervoort. Op basis van dit bestemmingsplan hebben de gronden van het projectgebied de enkelbestemming ‘Agrarisch’. Gronden met de bestemming ‘Agrarisch’ zijn bestemd voor agrarische bedrijfsvoering, bestaande bedrijfswoningen, kleinschalig kamperen en extensieve (dag)recreatie. Ter plaatse van het projectgebied geldt een maximale goothoogte van 3 meter en een maximale bouwhoogte van 6 meter. Voor een bedrijfswoning geldt een maximale oppervlakte van 50 vierkante meter. Navolgende afbeelding toont een verbeelding van het bestemmingsplan ‘Komplannen Westervoort’ ter plaatse van het projectgebied.
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Kernen, project gebied aangeduid met paarse cursor. (Bron: Regels op de kaart).
4
Naast het bestemmingsplan “Komplannen Westervoort” gelden er ook nog een aantal thematische paraplu bestemmingsplannen ter plaatse van het projectgebied. Deze worden navolgend besproken. Bestemmingsplan “Archeologie en Cultuurhistorie” Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 28 november 2013. In dit plan heeft het projectgebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’ en de gebiedsaanduiding ‘Overige zone – specifieke vorm van waarde – hoge archeologische verwachting’. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming van de verwachtte en reeds vastgestelde archeologische waarden. Op gronden met de aanduiding ‘hoge archeologische verwachting’ geldt dat bodemingrepen van groter dan 200m2 en dieper dan 40 centimeter alleen zijn toegestaan indien een archeologisch rapport wordt overlegd. Bestemmingsplan “Parapluplan archeologie en afwijkingsregels Westervoort” Op 22 april 2024 is dit parapluplan in werking getreden. In dit parapluplan wordt een uitzondering verleend voor het aanvragen van een vergunning voor archeologisch grondonderzoek. Waar voorheen voor de Gemeente Westervoort een omgevingsvergunning nodig zou zijn voor het uitvoeren van archeologisch grondonderzoek, is dat met de inwerkingtreding van dit parapluplan voor gecertificeerde instellingen niet vereist.
Bestemmingsplan “Parapluplan Parkeren Westervoort” De gemeente heeft op 19 juni 2023 een parapluplan vastgesteld dat voldoende parkeer-, laad- en losmogelijkheiden bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgt. Een omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien is aangetoond dat wordt voldaan aan de gemiddelde parkeernormen ten aanzien van auto's en fietsen, zoals opgenomen in de 'Parkeernormennota Westervoort' zoals vastgesteld op 19 juni 2023 door de gemeenteraad, of diens rechtsopvolger. Bruidsschat De bruidsschat is een onderdeel van het omgevingsplan dat regels bevat over onderwerpen waarover in het verleden door het Rijk regels werden opgesteld. Dit zijn gedecentraliseerde regels. De regels gaan over bouwwerken, open erven en terreinen (afdeling 22.22), milieubelastende activiteiten (afdeling 22.3), het aanleggen of wijzigen van (spoor)wegen zonder geluidproductieplafonds (afdeling 22.4) en gemeentelijke omgevingsvergunningen (afdeling 22.5). Geen van de regels uit de bruidsschat is relevant voor onderhavig project.
1.3.2
Strijdigheid met het omgevingsplan De beoogde nieuwbouw van een woning is op grond van het (tijdelijke) omgevingsplan van de gemeente Westervoort niet toegestaan. Allereerst heeft de projectlocatie de bestemming ‘Agrarisch’. Nieuwe realisatie van woningen is hier alleen toegestaan voor bedrijfswoningen, waar in dit geval geen sprake van is. Daarnaast worden
5
de maximumhoogten overschreden. De goot- en bouwhoogte worden respectievelijk maximaal 4 en 9 meter, waar slechts 3 en 6 meter zijn toegestaan. De nieuwe hoogten sluiten aan op de toegestane hoogten van omliggende bebouwing. 1.3.3
(Ontwerp) Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingingsplanactiviteit Het voornemen is in strijd met het (tijdelijke) omgevingsplan. Er wordt afgeweken van de bestemming ‘Agrarisch’ om te voorzien in een woonfunctie waarbinnen één reguliere burgerwoning gerealiseerd kan worden. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt een omgevingsvergunningprocedure voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit doorlopen.
1.3.4
Procedure Voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) wordt de uitgebreide procedure gevolgd. Hierbij is het advies met instemming van toepassing. Het besluit voor de uitgebreide procedure volgt uit de overweging dat er verschillende belanghebbenden bij dit project zijn. Dit betreft met name de twee direct naastgelegen woningen betreft en de tegenovergelegen school. Hoewel de activiteiten die dit projectplan omvatten niet onder de genoemde activiteiten in Artikel 10.24 van het Omgevingsbesluit vallen, kan er wel sprake zijn van mogelijke bezwaren en is een verzoek of instemming gewenst. Het project vereist daarom een uitgebreide voorbereidingsprocedure. De procedure, wijze van participatie, bestuurlijk overleggen en adviezen zijn nader toegelicht in de hoofdstukken 3 en 5.
1.4
Leeswijzer De motivering is opgebouwd uit 7 hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op planbeschrijving. Hoofdstuk 3 gaat over het geldende beleid dat van toepassing is op de ontwikkeling van dit project. In hoofdstuk 4 worden de omgevingsaspecten beschreven en getoetst aan geldend beleid. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van de buitenplanse omgevingsplanactiviteit, zowel juridisch, maatschappelijk als economisch. In hoofdstuk 6 wordt geconcludeerd of wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ten slotte omvat hoofdstuk 7 een voorstel voor het opnemen van het initiatief in het omgevingsplan.
6
2 Planbeschrijving 2.1
Huidige situatie De projectlocatie ligt in het zuidwesten van Westervoort, aan een doorgaande straat (Klapstraat). Deze straat doorkruist Westervoort van het noordwesten naar het zuidwesten. De directe omgeving wordt beheerst door grondgebonden woningen en een paar percelen (voormalige) agrarische bedrijfsgrond. Direct ten westen grenst het projectgebied aan een perceel agrarische bedrijfsgrond dat momenteel dienstdoet als klein begrazingsgebied. Aan de overkant van de straat bevindt zich een basisschool. Onderstaande foto geeft de globale ligging weer van het projectgebied ten opzichte van de directe omgeving.
Ligging projectgebied in de directe omgeving (bron: PDOK Viewer).
Het projectgebied zelf bestaat uit een perceel dat kadastraal bekend staan als gemeente Westervoort, serie B, perceelnummer 1499. De grootte van het perceel van de projectlocatie is 1015m2. In de huidige situatie is het perceel volledig onbebouwd. Het is een vlak stuk grond begroeid met gras, en zonder bomen. De bestemming van dit perceel is ‘agrarisch’ maar het wordt niet meer als zodanig gebruikt. Momenteel is slechts sprake van hobbymatige agrarische benutting van het perceel. De navolgende afbeelding geeft een indruk van de huidige situatie ter plaatse van het projectgebied.
7
Huidige situatie ter plaatse van het projectgebied (bron: Google Streetview, 2025).
2.2
Toekomstige situatie In de nieuwe situatie wordt een gedeelte van dit nu onbebouwde perceel in gebruik genomen ten behoeve van de nieuwbouw van een vrijstaande woning. Daarnaast is ruimte gereserveerd voor drie parkeerplekken aan de achterzijde van het perceel. Het voornemen bestaat om hier ook vergunningsvrij een bijgebouw te realiseren. De beoogde woning kent een footprint van 143m2 en beslaat daarmee iets meer dan een tiende van het oppervlak van het perceel. Zodoende neemt het verhard oppervlak van bebouwing in totaal met 143m2 toe. Bij het ontwerp van deze woning wordt rekening gehouden met het voormalig agrarisch karakter van de omgeving en de bestaande gebouwen. Navolgende afbeeldingen geven de beoogde toekomstige situatie weer.
Toekomstige situatie (bron: Jan Jansen bouwkundig adviseurs).
8
De nieuwe woning zal bestaan uit één woonlaag met een kap, een zogeheten ‘schuurwoning’. Deze zal zich qua ontwerp inpassen in het voormalige agrarische karakter van de omgeving. Zoals op navolgende doorsnede te zien is, zal de beoogde woning een maximale goot- en bouwhoogte van, respectievelijk, 4 en 9 meter, krijgen.
Dwarsdoorsnede nieuwe woning (bron: Jan Jansen bouwkundig adviseurs).
Het gebouw wordt opgetrokken uit gemêleerd baksteen en aan de achterzijde voorzien worden van een houten omlijsting. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van de beoogde uitstraling van de woning.
Impressie toekomstige situatie gezien vanaf de Klapstraat (bron: Jan Jansen bouwkundig adviseurs).
9
Impressie toekomstige situatie met daarop de beoogde woning globaal rood omcirkeld (bron: Jan Jansen bouwkundig adviseurs).
10
3 Beleid en regelgeving 3.1
Rijksbeleid en rijksregels
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de lange termijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI is een instrument van de Omgevingswet. De NOVI is op 11 september 2020 vastgesteld en onder intrekking van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. De NOVI biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. duurzaam economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied.
Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Er zijn 21 nationale belangen beschreven die het lokale en regionale belang overstijgen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit. 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties. 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. 11
7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit. 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving. 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten. 10. Beperken van klimaatverandering. 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur. 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen. 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie. 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit). 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater. 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat. 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit. 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie. 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. Toetsing De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij twee van de drie prioriteiten uit de NOVI.
De beoogde woning vormt namelijk een bescheiden bijdrage aan de uitbreiding van de woningvoorraad in Westervoort en de te bouwen woning biedt een gezonde woonplaats aan toekomstige bewoners. Dit draagt bij aan het ‘duurzaam economisch groeipotentieel’ en ‘sterke en gezonde steden en regio’s’. Wat betreft de afwegingsprincipes past het project met name bij het tweede principe. Het bouwen van de woning op deze locatie is gepast, aangezien de omgeving momenteel al voornamelijk bestaat uit woningen. Daarnaast wordt bij de bouw rekening gehouden met het karakter van de omgeving. Het project sluit daarmee met name aan bij de nationale belangen 5 en 16. Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het project aansluit bij de NOVI. 3.1.2
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) De wetgever heeft in de Omgevingswet (Ow) de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd, om nationale en provinciale belangen te beschermen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. Het Bkl vervangt de regels van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Hoofdstuk 8 van het Bkl bevat beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen. Deze beoordelingsregels gelden voor omgevingsvergunningen waarvoor het Rijk de
12
vergunningplicht bepaalt in de Omgevingswet, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen waarvoor decentrale overheden de vergunningplicht bepalen staan in het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening. De beoordelingsregels in het Bkl gaan over: •
algemene beoordelingsregels;
•
het behoeden van de staat en werking van infrastructuur;
•
waarborgen van de veiligheid;
•
beschermen van de gezondheid en van het milieu;
•
duurzaamheid en bruikbaarheid.
In het Bkl is in artikel 8.0a lid 2 opgenomen dat een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige
toedeling
van
functies
aan
locaties.
Artikel 8.0b, eerste lid, van het Bkl bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies in het omgevingsplan het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Afdeling 5.1 van het Bkl stelt instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels gaan over: •
algemene bepalingen;
•
waarborgen van de veiligheid;
•
beschermen van de waterbelangen;
•
beschermen van de gezondheid en van het milieu;
•
beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed;
•
behoud van ruimte voor toekomstige functies;
•
behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten;
•
bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen.
Afdeling 5.2 van het Bkl bevat instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Deze instructieregels gaan over: •
het voorkomen van belemmeringen voor gebruik en beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur en van rijkswegen;
•
lokale spoorwegen binnen vervoerregio's;
•
lozen van industrieel afvalwater in het openbaar vuilwaterriool;
•
bebouwingscontour jacht;
•
bebouwingscontour houtkap.
13
Toetsing Raadpleging van het Omgevingsloket toont aan dat er in het projectgebied op basis van het Bkl twee gebiedsaanwijzingen van toepassing zijn: − Gebieden waar windturbines het radarbeeld kunnen verstoren; − Uitsluitingsgebieden hyperscale datacentra. In het project worden géén windturbines en géén hyperscale datacentrum gerealiseerd. De beschreven regels zijn daarmee niet relevant voor het project. Het voornemen is daarmee niet in strijd met het gestelde in het Bkl. 3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.129g Bkl) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de Ladder is vereist. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen
van
vraaggerichte
programmering
en
het
voorkomen
van
overprogrammering. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling ‘buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied’ mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als ‘de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen moet worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Toetsing Voorliggend project betreft de bouw van één woning. In lijn met jurisprudentie is daarmee geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en hoeft de Ladder voor duurzame verstedelijking niet doorlopen te worden voor dit project.
Bovendien volgt uit onder meer de toets aan het gemeentelijk woonbeleid dat de behoefte van de ontwikkeling niet ter discussie staat. 3.1.4
Conclusie Voorliggend project is in overeenstemming met het rijksbeleid.
14
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze Omgevingsvisie van kracht. De provincie heeft in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld. Om dit te behouden en te bereiken worden in de omgevingsvisie drie uitgangspunten centraal gesteld: een Duurzaam, Economisch krachtig en een Verbonden Gelderland. Duurzaam Gelderland beschikt over talrijke initiatieven en kansrijke aanknopingspunten op het terrein van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie en biodiversiteit. Gelderland maakt ruimte voor forse schaalsprongen ten behoeve van een duurzame omgeving, samenleving en economie. Daarbij wil de provincie het volgende bereiken: •
Energietransitie: in 2050 is Gelderland energieneutraal. Dat wil de provincie bereiken door grootschalig besparen, opwekken uit duurzame energiebronnen en innoveren. Als tussendoel wordt ingezet op 49% CO2 reductie in 2030.
•
Klimaatadaptatie: in 2050 is Gelderland ingericht op het veranderde klimaat.
•
Circulaire economie: in 2050 is Gelderland een afvalloze provincie. Met als tussenstap 50% reductie van het gebruik van grondstoffen in 2030. Afval bestaat niet meer; er zijn alleen nog grondstoffen die blijvend hun waarde behouden.
•
Biodiversiteit: vanaf 2019 denkt en werkt Gelderland natuur-inclusief. Biodiversiteit gaat verder dan de bekende natuurgebieden. Ook daarbuiten, in woonwijken, op werklocaties en bij infrastructuur wordt van biodiversiteit een kernkwaliteit gemaakt.
Een krachtige economie De ‘oude’ economie van ongelimiteerde groei verandert in een economie die in balans is met haar sociale, ecologische en ruimtelijke omgeving. Nieuwe verdienmodellen en nieuwe technologieën doen hun intrede. De maakindustrie beleeft in Nederland een her- en opwaardering. Vestigingsklimaat, arbeidsmarkt, vakmanschap en kennisinfrastructuur worden steeds belangrijker. De woningmarkt in Nederland kampt enerzijds met schaarste en anderzijds met krimp. Daarnaast is er een grote opgave om bestaande bouw te verduurzamen. Gelderland heeft sterke troeven voor een internationaal onderscheidende en uiterst potentiële positie – clustering van economische activiteit, maakindustrie, logistieke kracht, sociaal ondernemen, natuur, kennis en onderwijs, ruimte, cultuur en sport en een strategische ligging. Op woongebied heeft Gelderland eveneens een uitzonderlijke positie. Door zowel te investeren in een bruisende en levendige stad als in een vitaal platteland ontstaat een symbiose waarbij beide elkaar versterken. Hierdoor gaat van Gelderland aantrekkingskracht uit. De Gelderse economie is krachtig. Deze situatie is niet vanzelfsprekend. Duurzame werkgelegenheid en bedrijvigheid zijn cruciaal voor de
15
economische kracht van de Gelderse regio’s. Daarnaast vraagt een goed vestigingsklimaat om hoogwaardige culturele voorzieningen. Daarbij wil de provincie het volgende bereiken: •
Het uitnutten van de strategische ligging van Gelderland. De Gelderse economie kan zich verder ontwikkelen binnen de natuur- en landschapswaarden en deze dragen duurzaam bij.
•
Het positioneren van Gelderland als hét vestigingsgebied voor de nieuwe generatie ondernemers. Ondernemers die duurzaam ondernemen in balans met de sociale, ecologische en ruimtelijke omgeving hoog in het vaandel hebben.
•
Een sociaal evenwichtig vestigingsklimaat in Gelderland. Het versterken van de positie van Gelderland op het gebied van food, health en energy en andere topsectoren en stimuleren van kleinschalig ondernemerschap en innovatie, ook met oog voor ontwikkeling van lokale arbeidsmarkten.
•
Het verduurzamen van de bestaande gebouwde woonomgeving. Dit is noodzakelijk om steden toekomstbestendig en economisch aantrekkelijk te maken. De provincie zoekt actief naar interessante transformaties, zoals de functiemenging op bedrijventerreinen en het omzetten van kantoren naar woningen.
Blijvend verbonden Het is van belang dat mensen andere mensen kunnen ontmoeten. Dat geldt voor mensen in steden, wijken en voor het platteland. Of het nu gaat om werk of sociale contacten, de samenleving moet voor flexibele netwerken zorgen die voor iedereen open staan en beschikbaar zijn. Naast traditionele voorzieningen als auto en OV doen nieuwe spelers en technologieën op het gebied van verbindingen en netwerken hun intrede, zoals smart mobility, zelfrijdende auto’s en deelauto’s. Ook het belang van snelle en betrouwbare data-uitwisseling neemt toe en is hier onderdeel van. De ontwikkelingen volgen elkaar snel op en zijn soms onstuimig. Het is van belang dat de relatief goede bereikbaarheid een toekomstvaste waarde voor Gelderland is. Systemen moeten meebewegen met nieuwe ontwikkelingen en deze ook faciliteren. Mobiliteit moet verder verduurzaamd worden. Daarbij wil de provincie het volgende bereiken: •
Een optimale bereikbaarheid van Gelderland door onderlinge aansluiting van vervoersmogelijkheden en verplaatsingen te faciliteren. In 2050 dient de mobiliteit van Gelderland volledig duurzaam te zijn in termen van energie, klimaat, circulair en biodiversiteit.
•
Het creëren van slimme en duurzame oplossingen voor het verbinden van mensen, goederen en data. Daaronder wordt ook begrepen het beter benutten van bestaande infrastructuur en gedragsverandering. De opties tussen weg, rail en water worden zorgvuldig en duurzaam afgewogen.
•
Het stimuleren en faciliteren van nieuwe vormen van vervoer en verplaatsing. Dit kan bijvoorbeeld door autonoom rijden.
Toetsing In navolging van de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland heeft het project met name betrekking op het uitgangspunt ‘Een krachtige economie’. Het initiatief bestaat uit de realisatie van een nieuwe woning binnen een bestaande woonwijk, wat op kleine
16
schaal een bijdrage zal leveren aan een bruisende en levendige woonomgeving. Bij het ontwerp en in het project wordt daarbij rekening gehouden met de huidige sociale, ecologische en ruimtelijke omgeving. Bij de ontwikkeling van het project zijn het karakter van de buurt, de directe omgeving, en de voormalige functie van het beoogde projectgebied meegenomen. Daarnaast wordt de nieuwbouw van de woning gasloos gerealiseerd. Zodoende wordt bijgedragen aan het realiseren van een duurzame en toekomstbestendige omgeving. 3.2.2
Omgevingsverordening Gelderland Met de omgevingsverordening stelt de provincie regels aan (ruimtelijke) plannen van gemeenten. De provincie richt zich hierbij op onderwerpen die van provinciaal belang zijn, zoals verstedelijking, natuur, nationale landschappen, water en glastuinbouw. Gemeenten krijgen op sommige terreinen meer beleidsvrijheid, terwijl ze op andere gebieden te maken krijgen met strikte provinciale richtlijnen. De regels in de omgevingsverordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, delen of gebiedsgerichte thema’s. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun omgevingsplan op deze regels afstemmen. Toetsing Raadpleging van de digitale kaarten van de Omgevingsverordening Gelderland heeft uitgewezen dat er in het projectgebied vijf (relevante) gebiedsaanwijzingen zijn, namelijk: − Aandachtsgebied windturbines rondom de Veluwe: in voorliggend project is geen sprake van een aanvraag voor een windturbine. − Gelderse streek Liemers: bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen behorende bij het landschap Gelderse Streek Liemers. Gelet op de overwegend stedelijke setting van het projectgebied, zijn veel van de landschappelijke kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen nu al niet meer direct te herleiden en daarmee niet van toepassing op dit project.
− Glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied toegestaan: hier is in voorliggend project geen sprake van. − Intrekgebied: binnen intrekgebieden worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de winning van fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas, mogelijk maakt. Dit is in hier niet aan de orde. − Werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland: de faunabeheereenheid stelt een faunabeheerplan op waarin wordt vastgesteld hoe de omvang van populaties van in het wild levende dieren wordt beperkt en hoe schadeveroorzakende dieren bestreden kunnen worden. In het kader van voorliggend project is een quick scan natuur uitgevoerd, waaruit blijkt dat de ontwikkeling geen effect heeft op de natuur. Daarnaast gelden in de provincie Gelderland de volgende instructieregels:
17
Wonen In artikel 5.64 van de omgevingsverordening is vastgelegd dat een omgevingsplan alleen nieuwe woningen mogelijk maakt als die ontwikkeling past binnen de regionale woonagenda. Raadpleging (d.d. 17 juni 2025) van de regionale woningmarktmonitor laat zien dat de regio Liemers nog circa 6.000 woningen aan de planvoorraad moet toevoegen om aan de regionale doelstelling uit de woondeal te kunnen voldoen. Op het schaalniveau van de gemeente Westervoort gaat het om nog circa 1.450 woningen. Voorliggend project draagt hier op een bescheiden wijze met één woning aan bij. Op deze manier past de ontwikkeling binnen de gestelde regels met betrekking tot wonen. Klimaatadaptatie In artikel 5.85 van de omgevingsverordening is vastgesteld dat in de toelichting op het omgevingsplan een beschrijving dient te worden gegeven van de maatregelen die worden genomen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken. In de beschrijving worden in ieder geval de aspecten waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte betrokken. Daarnaast moet de beschrijving worden opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap. Het aspect klimaatadaptatie wordt nader besproken in paragraaf 4.3.2. 3.2.3
Conclusie Het provinciaal beleid en de regelgeving uit de omgevingsverordening vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Woondeal 2.0 Regio Arnhem-Nijmegen De Woondeal 2.0 Regio Arnhem-Nijmegen wordt als uitgangspunt gehanteerd bij de herijking van lokaal ruimtelijk en volkshuisvestelijk beleid. In 2020 zijn gemeenten binnen de Groene Metropoolregio, provincie Gelderland en het Rijk een langjarig partnerschap aangegaan voor een beter werkende woningmarkt. Aanleiding was de constatering dat de regio in de top 3 van regio’s met het hoogste woningtekort stond, de woonopgaven bovengemiddeld zijn en de uitvoering onder druk staat. In de Woondeal staan afspraken over continuïteit en versnelling van de bouwproductie, verstedelijking en gebiedsontwikkeling, huisvesting van aandachtsgroepen, klimaatadapatieve, conceptuele en circulaire woningbouw en leefbaarheid. Op al deze punten zijn de afspraken uit 2020 geactualiseerd en waar gewenst ook geconcretiseerd. Het Rijk zet via de Nationale Woon- en Bouwagenda in op de bouw van 900.000 woningen tot en met 2030, met als streven dat hiervan minimaal 2/3 betaalbaar is. In vervolg op deze nationale ambitie zijn bestuurlijke afspraken gemaakt tussen het Rijk en de provincie Gelderland over de realisatie van 100.000 woningen tot en met 2030. Dit krijgt in deze regio nadere invulling via actualisatie van de Woondeal uit 2020. Met deze Woondeal onderkennen partijen de grote woonopgave, dat ze de 18
samenwerking uit 2020 voortzetten en geven ze het partnerschap verder vorm. Dit zorgt voor continuïteit en zekerheid richting marktpartijen en woningcorporaties. Partijen zetten met deze Woondeal in op: •
Een vergroting van de beschikbaarheid van woningen voor mensen met lage en middeninkomens, waaronder veel starters, te realiseren (in lijn met de nationale doelstelling naar 2/3 betaalbaar).
•
Te zorgen voor voldoende betaalbare woningen voor aandachtsgroepen en een evenwichtige spreiding daarvan over de gemeenten.
•
Vanaf 2025 binnen de nieuwbouw te zorgen voor minimaal 30% sociale huur en minimaal 35% middenhuur en betaalbare koop (tot € 355.000).
•
Een op basis van het woningbehoefteonderzoek per gemeente te bepalen deel in het middensegment uit betaalbare koopwoningen voor de lagere inkomens met een prijs van maximaal € 250.000 of middenhuur te laten bestaan.
•
In te zetten op verduurzaming en het toekomstbestendig maken van de bouwsector en vermindering van bouwkosten, door circulair en conceptueel bouwen de norm te laten zijn bij woningbouw. Hiermee wordt bijgedragen aan de reductie van 55% tot 60% CO2-uitstoot (Paris-proof), 50% primaire grondstoffen en 50% uitstoot van stikstof in 2030.
Toetsing Voorliggende ontwikkeling betreft de realisatie van één extra woning. Gezien de grote vraag naar woningen in Nederland, en ook de Regio Arnhem-Nijmegen, wordt geconcludeerd dat het toevoegen van een enkele woning in lijn is met de ambities uit de Woondeal 2.0. 3.3.2
Liemerse Woonagenda: de koers voor 2020-2025 In de Liemerse Woonagenda wordt ingezet op het versneld realiseren van woningbouwplannen, afhankelijk van stikstofdepositieruimte en landelijke wet- en regelgeving. De komende twee jaar ligt de focus op het juridisch ‘hard’ maken van bestaande plannen via bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Daarnaast worden bouwplannen uitgebreid met nieuwe locaties en extra woningen in grote kernen. De kortetermijnlocaties zijn onder andere: •
Groot Holthuizen (Zevenaar): 150 woningen worden ontwikkeld na overleg met gemeenten.
•
Westervoort Noord: Versnelde ontwikkeling van meer dan 100 woningen.
•
Duiven: Voorbereidingen voor 250-300 woningen, met een voorkeurslocatie die eind 2020 aan de raad wordt voorgelegd.
•
Montferland: Verkenning van nieuwe locaties in Didam en ’s-Heerenberg.
•
Doesburg: Focus op transformatielocaties, geen nieuwe uitleglocaties.
•
Zevenaar: Onderhandeling over uitbreiding van het aantal woningen op het BAT-terrein.
Op middellange termijn worden na 2025 nieuwe locaties gezocht, met focus op inbreidings- en transformatielocaties. Voor de lange termijn wordt een juridische
19
bouwplicht opgenomen in woningbouwplannen om bij te sturen bij veranderende vraag of ongerealiseerde plannen. Toetsing Voorliggende ontwikkeling betreft de realisatie van één extra woning. Gezien de ambitie om versneld woningen te realiseren is dit in lijn met de Liemerse Woonagenda. 3.3.3
Conclusie Het regionaal beleid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
3.4
Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van beleidsplannen op het gebied van wonen, gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema’s gekoppeld aan maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet. In deze paragraaf wordt ingegaan op de omgevingsvisie en andere voor voorliggend initiatief relevante beleidsstukken.
3.4.1
Omgevingsvisie Westervoort Op 27 september 2021 heeft de gemeenteraad van Westervoort de Omgevingsvisie Westervoort vastgesteld. Hierin is de visie van de gemeente Westervoort op de gewenste ruimtelijke ontwikkeling voor het gehele gemeentelijk grondgebied voor de periode tot 2040 verwoord. De ambities van Westervoort zijn uitgesplitst in vier thema’s: − Historie: de gemeente Westervoort heeft een rijke geschiedenis waar ze op wil voortbouwen. − Richtinggevende waarden: belangrijk zijn onder andere de vitale, sterk onderling verbonden sociale gemeenschap, de aantrekkelijke leefomgeving en de uitstekende voorzieningen van de gemeente Westervoort. − Ruimtelijke kwaliteiten: de kenmerken van het landschap, het erfgoed en de manier van wonen in de gemeente Westervoort dragen bij aan de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente. − Ontwikkelingen & toekomstperspectief: leidraad voor de toekomst is dat de gemeente ruimte wil bieden aan ontwikkelingen, recht doen aan ruimtelijke kwaliteiten, maatwerk leveren op basis van de leefomgevingskwaliteiten en zorg dragen voor natuur en milieu. Naast de thematische beleidsgebieden heeft de gemeente in de omgevingsvisie ook haar ambities en doelen thematisch geordend. De vijf thematische ambities zijn: − Een duurzaam thuis.
De gemeente wil bestaande woningen verduurzamen en binnen de bestaande kern aanvullende woningbehoefte mogelijk maken op inbreidingslocaties.
20
− Gezonde, sociale en veilige leefomgeving. De gemeente wil investeren in groen, sportvoorzieningen, jongerenvoorzieningen, participatie en zelfstandige woonruimte voor iedereen. Het doel hiervan is de gezondheid verbeteren. − Vitale economie. De gemeente wil de lokale economische positie van Westervoort verder versterken. − Bereikbaarheid. De gemeente wil fietsen en lopen aantrekkelijker maken, het verkeer veiliger maken en Ov-knooppunten versterken. − Klaar voor de toekomst. De gemeente wil bijdragen aan de energietransitie, biodiversiteit, circulariteit en waterveiligheid
Toetsing Bij de voorliggende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is rekening gehouden met de Omgevingsvisie Westervoort. De voorliggende omgevingsvergunning heeft betrekking op de wijk Westervoort (postcode: 6931), buurten 1 en 2 zoals de tien is op onderstaande kaart.
21
Toetsing De bouw van een nieuwe woning aan de Klapstraat is passend binnen de ambities die de gemeente uiteenzet in de omgevingsvisie. Het betreft namelijk woningbouw op een inbreidingslocatie. Zodoende sluit het project aan bij de ambitie ‘Een duurzaam thuis’. Daarnaast wordt rekening gehouden met de ruimtelijke kwaliteit van het landschap en zijn historische functies, aansluitende bij ‘Gezonde, sociale en veilige leefomgeving’. Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling in lijn is met de gemeentelijke omgevingsvisie.
3.4.2
Woonvisie Westervoort 2021-2030 Met de woonvisie wordt ingespeeld op de regionale en subregionale woonvraagstukken en de afspraken die daarover zijn gemaakt die relevant zijn voor de gemeente Westervoort. Westervoort wil haar kwaliteiten als woongemeente koesteren en de goede kwaliteit van het wonen in een aangename woonomgeving handhaven en verbeteren, zowel voor jong als voor oud, nu en in de toekomst. De ambitie is om de demografische opbouw van de bevolking te versterken door een meer evenwichtige opbouw van de woningvoorraad met meer middeldure en dure woningen. De kracht van Westervoort is wonen in een dorpse omgeving in een verstedelijkt gebied. Toetsing Met voorliggend project wordt een bescheiden bijdrage geleverd aan de uitbreiding van het woonaanbod in de gemeente Westervoort. De nieuwe woning wordt gerealiseerd in het dure segment. Dit segment sluit aan bij de kwalitatieve behoefte. Het beoogde project is daarom in lijn met Woonvisie Westervoort 2021-2030. 22
3.4.3
Inventarisatie van potentiële woningbouwlocaties Om geschikte woningbouwlocaties in beeld te brengen, samen met de gewenste planning en fasering van dat contingent, heeft op 4 februari 2019 de gemeenteraad de inventarisatie in de vorm van een woningbouwnotitie/-programma 2018 - 2027 vastgesteld. Toetsing De locatie aan de Klapstraat wordt hierin genoemd en er wordt gesteld dat voor dit soort locaties langs de Klapstraat de omvorming naar een woonbestemming passend is. Doordat voorliggende projectlocatie specifiek benoemd staat in dit beleidsdocument als zijnde een locatie waar woningbouw passend is, kan geconcludeerd worden dat dit project volledig in lijn is met de inventarisatie van potentiële woningbouwlocaties.
3.4.4
Conclusie Het project is in lijn met de visies van het gemeentelijk beleid van Westervoort.
23
4 Omgevingsaspecten Op grond van de Omgevingswet en op basis van jurisprudentie moet de uitvoerbaarheid van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden aangetoond. Er moet voor de ontwikkeling worden onderbouwd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (hierna: etfal). In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor deze ontwikkeling relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.
4.1
Archeologie en cultureel erfgoed In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultuurhistorische, archeologische of anderszins waardevolle eigenschappen van het werkingsgebied.
4.1.1
Erfgoedwet en Omgevingswet De Erfgoedwet en de Omgevingswet zorgen samen voor een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed. Het Europees beleid is verankerd in de Nederlandse wetgeving. Het voornaamste doel is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Onder cultureel erfgoed valt: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap etc. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van ontwikkelingen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden. Daar moet vervolgens bij het opstellen van ontwikkelingen zoveel mogelijk rekening mee worden gehouden. In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stadsen dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek. Bij het opstellen van ontwikkelingen moet het archeologisch en cultuurhistorisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het maakt ook onderdeel uit van de economische uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. Bij een opgraving kunnen de kosten hoog oplopen.
24
Toetsing Op basis van het bestemmingsplan heeft het projectgebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’ en de gebiedsaanduiding ‘Overige zone – specifieke vorm van waarde – hoge archeologische verwachting’. Dit betekent dat voor deze gronden geldt dat bodemingrepen groter dan 200m2 en dieper dan 40 centimeter alleen zijn toegestaan indien een archeologisch rapport wordt overlegd. Deze drempelwaarden worden niet overschreden met voorliggend project. De beoogde bebouwing bestaat namelijk uit circa 150 m2 en de verstoringsdiepte zal maximaal 35 centimeter onder maaiveld zijn. Verder geldt dat het projectgebied zich buiten de door Provincie Gelderland aangemerkte gebieden bevindt, zoals te zien is op de kaart hieronder. Het projectgebied bevindt zich niet op een ‘Terrein van hoge archeologische waarde’ en is tevens ver gelegen van historisch aanmerkbare ‘agrarische’ of ‘religieuze’ functies. Nader onderzoek naar archeologie is daarom niet benodigd.
Overzicht kaart ‘historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie’ van Westervoort waarbij de ligging van het projectgebied is aangegeven met een rode stip. (Bron: Geoportaal Provincie Gelderland).
4.1.2
Provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart Provincies beschikken over hun eigen cultuurhistorische waardenkaarten. Deze laten een breed scala aan cultuurhistorie zien. Meestal belichten ze op hoofdlijnen archeologie, cultuurlandschap en gebouwde monumenten. Welke aspecten zijn uitgelicht en welke keuze zijn gemaakt, verschilt per provincie. Vanwege de gehanteerde schaal zijn provinciale kaarten vaak een stuk nauwkeuriger dan de meeste 25
landelijke overzichten. Hiermee geven ze een gedetailleerd beeld van de cultuurhistorie per provincie, maar laten ook zien welk erfgoed nu juist voor die provincie van belang is. De kaarten zijn digitaal beschikbaar in een GIS-viewer. In het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, worden in de provincie Gelderland ontwikkelingen getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Toetsing Onderstaande kaart verbeeldt een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Gelderland waarbij de cultuurhistorische relevante plekken voor de Gemeente Westervoort te zien zijn. De locatie van het projectgebied bevindt zich niet op of direct naast een van de op de CHW aanwezige elementen in Westervoort. Om deze reden kan geconcludeerd worden dat er voor dit project geen belemmeringen door aanwezige cultuurhistorische waarden zijn.
Overzicht Cultuurhistorische Waardenkaart van Westervoort waarbij de ligging van het projectgebied is aangegeven met een rode stip. (Bron: Geoportaal Provincie Gelderland).
4.1.3
Conclusie Archeologische en cultuurhistorische waarden vormen geen belemmering voor het beoogde project.
4.2
Bedrijfsmatige activiteiten Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen verschillende functies noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende 26
afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies (zoals wonen). In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige gebouwen (waaronder woningen) noodzakelijk. Voor deze toetsing wordt gebruik gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009). Deze milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van milieubelastende activiteiten gesitueerd worden. Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. In geval van een gemengd gebied kan worden gewerkt met een verkleinde richtafstand. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. Een gemeente beslist zelf of ze op een bepaalde locatie bedrijven of woningen mogelijk wil maken (gemeentelijke beleidsvrijheid). De gemeente dient dit wel op een zorgvuldige wijze af te wegen en te verantwoorden. 4.2.1
Gebiedstypen Volgens de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ moet eerst worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Toetsing Het projectgebied bevindt zich in een woonwijk in het zuiden van de kern Westervoort. Hier is de woonfunctie overheersend. Er zijn wel enkele andere functies in de omgeving aanwezig zoals een integraal kindcentrum en enkele agrarische gronden, maar de woonfunctie voert de boventoon.
Om deze reden kan gesteld worden dat het projectgebied zich in een ‘rustige woonwijk’ bevindt.
4.2.2 4.2.2.1
Situatie projectgebied Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. Past de nieuwe functie in de omgeving (externe werking)? 2. Laat de omgeving de nieuwe functie toe (interne werking)? 27
4.2.2.2
Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarvan is sprake als het woonen leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Toetsing De beoogde ruimtelijke ontwikkeling betreft de realisatie van een vrijstaande woning. Een woning hoeft niet aangemerkt te worden als een hindergevoelige functie, waardoor deze geen externe werking heeft.
4.2.2.3
Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het projectgebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of nieuwe functies de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. Toetsing De beoogde functie binnen het projectgebied is ‘wonen’. Vanwege de toevoeging van de activiteit wonen is er sprake van de toevoeging van een hindergevoelig gebouw nabij een milieubelastende activiteit. Om deze reden is er een akoestisch onderzoek milieubelastende activiteiten1 uitgevoerd naar de tegenovergelegen school. De conclusies hieruit worden navolgend besproken. Het projectgebied grenst aan twee percelen met daarop een vrijstaande woning, Klapstraat 178 en Klapstraat 180. De omgeving van het projectgebied wordt gekenmerkt door hoofdzakelijk woningbouw. Aan de zuidoostzijde van het projectgebied ligt het integraal kindcentrum Het Startblok, bestaande uit een basisschool, buitenschoolse opvang (voor en na de schooldag) en een peuterspeelzaal. Op basis van de oude VNG publicatie Bedrijven en Milieuzonering 2009 geldt voor een basisschool een richtafstand van 30 meter in rustige woonwijken. De afstand tot de beoogde woning is echter geschat op ongeveer 20 meter.
Aangezien de gemeente Westervoort nog geen geluidzones of werkingsgebieden heeft opgenomen in het omgevingsplan zal worden getoetst aan de normen uit het Bkl en het tijdelijk omgevingsplan (Bruidsschat). Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau In voorliggend onderzoek is de bedrijfssituatie van de bestaande school beoordeeld. Daaruit blijkt dat er geen overschrijdingen optreden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Voor dit aspect zal sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
1
SAB (2026). Akoestisch onderzoek milieubelastende activiteiten school, Klapstraat 180 te Westervoort. Projectnummer 240392, 10 februari 2026.
28
Maximaal geluidsniveau Ten aanzien van het maximale geluidniveau wordt voldaan aan de waarden uit het tijdelijk omgevingsplan. Vanuit het Bkl geldt in de dagperiode geen standaardwaarde. De school is in de avond en nacht gesloten. Daarmee er zal sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Indirecte hinder Er wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het beoordelingsniveau van indirecte hinder uit de Schrikkelcirculaire. Dit aspect vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Daarmee er zal sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het gebruik van de school in het weekend is ondergeschikt aan de doordeweekse bedrijfssituatie. Aangezien er doordeweeks geen overschrijdingen optreden kan dit ook over het gebruik in het weekend worden gesteld. Derhalve zal ten aanzien van alle activiteiten die op en rond het schoolterrein plaatsvinden sprake zijn een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Geconcludeerd wordt daarom dat op basis van voornoemde uitgangspunten kan worden beargumenteerd dat de beoogde woning geen onevenredige geluidhinder verwacht hoeft te worden als gevolg van het integraal kindcentrum. 4.2.3
Conclusie Het project voldoet aan de kaders voor het aspect geluid.
4.3
Duurzaamheid en klimaat Duurzaamheid is een breed begrip. In een duurzamere wereld wordt gekeken of mens (people), milieu (planet) en economie (profit) met elkaar in evenwicht kunnen zijn, zodat we de aarde niet uitputten. Om te zorgen voor deze balans heeft Nederland zich geconformeerd aan het klimaatakkoord, wat heeft geresulteerd in de Klimaatwet (2019). Dit zorgt voor nieuwe uitdagingen op het gebied van ontwikkeling voor een duurzame en gezondere leefomgeving.
4.3.1
Energietransitie De huidige samenleving zorgt voor uitputting van de bestaande energiebronnen (fossiel). Met de energietransitie werken we aan een samenleving waarin sprake is van duurzaam opgewekte, hernieuwbare energie. Deze transitie is essentieel om de nationale doelstellingen op het gebied van CO2-reductie te behalen. De Klimaatwet zegt ons dat we 55% CO2 moeten reduceren in 2030 ten opzichte van onze uitstoot in 1990. Ook Westervoort moet voldoen aan de landelijke doelstellingen. Naast het gebruik van duurzame energie, draagt het verminderen van energieverbruik (isoleren) ook bij aan het reduceren van CO2-uitstoot. De gemeente beoordeelt (ver-)bouwplannen op hun bijdrage aan de lokale, regionale of nationale duurzaamheidsdoelstellingen. Het absolute minimum staat beschreven in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), waarin naast eisen ten aanzien van 29
de EPC en geluidisolatie, ook eisen ten aanzien van gasloos nieuwbouwwoningen bouwen zijn opgenomen. Sinds januari 2021 is de BENG-eis ingevoerd (Bijna Energie Neutraal Gebouw). Toetsing De beoogde ruimtelijke ontwikkeling zal bijdragen aan de energietransitie door zich te houden aan de landelijke, regionale en nationale duurzaamheidsdoelstellingen. De beoogde bouw van de woning houdt zich aan de BENG-eis en wordt gasloos gerealiseerd. 4.3.2
Klimaatadaptatie Een veranderd klimaat heeft gevolgen voor de samenleving. Wateroverlast, droogte, hitte en bodemdaling komen in meer of mindere mate regelmatig voor en dat neemt de komende jaren verder toe. Vanuit de landelijke overheid is bepaald dat Nederland in 2050 zo goed mogelijk klimaatbestendig moet zijn ingericht. In de ‘Nationale Klimaatadaptatiestrategie 2016’ (NAS), het Nationaal Uitvoeringsprogramma klimaatadaptatie (NUP KA) en in het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) wordt klimaatadaptatie verder uitgelegd. Dit betekent dat onze woningen en de ruimtelijke inrichting aangepast moeten worden zodat ze bestand zijn tegen o.a. hitte, droogte en wateroverlast. Bovendien moet dit ervoor zorgen dat de kwaliteit van de leefomgeving wordt vergroot. In 2023 heeft het Rijk de Landelijke maatlat voor een groene gebouwde omgeving opgesteld. De maatlat definieert wat er wordt verstaan onder klimaatadaptief bouwen en wat hiervoor nodig is van overheden, vastgoedeigenaren en de bouwsector. De landelijke maatlat wordt als leidend principe bij ontwikkelingen gehanteerd. Op thema’s waar wij als gemeente al wel een uitwerking hebben op lokaal niveau, gelden de bestaande normen. Verwacht wordt dat bij nieuwe ontwikkelingen de uitkomsten van de stresstesten worden meegenomen bij de planvorming.
Hierbij mag de nieuwe ontwikkeling de situatie in het werkingsgebied en omliggend gebied voor de thema’s hitte, droogte, wateroverlast en bodemdaling niet verergeren ten opzichte van de bestaande situatie, en draagt het liefst bij aan de verbetering daarvan. De initiatiefnemer moet aangeven in hoeverre het ontwerp voldoet aan de normen en richtlijnen van de landelijke maatlat en welke maatregelen genomen worden om de ontwikkeling klimaatbestendig te maken. Toetsing De beoogde projectlocatie ligt 13 meter boven NAP en bevindt zich daarmee niet in een direct dreigingsgebied in het geval van overstromingen. De verwachting is dat wateroverlast gering zal zijn omdat water gemakkelijk kan afstromen naar lager geleden gebieden en op en rondom het perceel veel onverharde grond aanwezig is. Verder is de directe omgeving van het projectgebied een groen gebied met veel schaduwbeschutting dankzij de reeds aanwezige bomen. Ook zal het grootste deel van het perceel onbebouwd blijven, wat ruimte biedt voor waterafvoer, groen en
30
hittebeschutting. Hiermee kan gesteld worden dat het project voldoet aan de landelijke richtlijnen voor klimaatadaptatie. 4.3.3
Conclusie Het project houdt rekening met duurzaamheid en klimaat.
4.4
Gezondheid Een van de doelen van de Omgevingswet is het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden moet worden met het belang van het beschermen van de gezondheid. De Omgevingswet beoogt een veilige en gezonde fysieke leefomgeving, het bereiken van een goede omgevingskwaliteit en het in stand houden daarvan. Belangrijke elementen voor een gezonde leefomgeving zijn uitnodigen tot bewegen (wandelen, fietsen, spelen), elkaar ontmoeten, ontspannen, een goede milieukwaliteit (lucht, geluid), klimaatbestendigheid (zoals meer groen voor tegengaan hitte- en wateroverlast) en een goede toegang tot voorzieningen.
Toetsing In de paragrafen met betrekking tot de aspecten luchtkwaliteit, veiligheid en geluid is geconcludeerd dat in het projectgebied sprake is van een gezonde leefomgeving: − Er is in het projectgebied geen geluidhinder te verwachten; − In het projectgebied is omgevingsveiligheid geen belemmerende factor; − In het projectgebied wordt ruim voldaan aan grenswaarden voor concentraties verontreinigende stoffen in de lucht, waardoor sprake is van een goede luchtkwaliteit; Het project raakt verder meerdere door de GGD genoemde Kernwaarden Gezonde Leefomgeving, zoals opgesteld in de Handreiking Planregels Gezonde Leefomgeving uit mei 2021. Het project richt zich in het bijzonder op kernwaarde 9 ‘Prettig wonen’ en kernwaarde 10 ‘Geschikte woningen’. De beoogde woning bevindt zich in een rustig deel van Westervoort, met veel groen in de omgeving. Daarnaast zijn er in de directe omgeving voldoende voorzieningen om sport- en bewegen te stimuleren, zoals fiets- en wandelpaden en groene recreatiegebieden. Op basis van het voorgaande is het aspect gezondheid zowel vanuit gezondheidsbescherming als -bevordering meegewogen in de ontwikkeling.