CConstaterende datWesterveld
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan Ten Darperweg 46 Wapse_Motivering

Politieke avond Westerveld 21 april 2026, gemeente WesterveldBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen TAM IMRO Ten Darperweg 46 Wapse (spreekrecht)17.248 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

HOOFDSTUK 7

BESCHERMEN VAN DE WATERBELANGEN

Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.

7.1

Vigerend beleid

7.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 7.1.2

Rijksbeleid

Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 7.1.3

Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Drenthe wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 7.1.4

Beleid Waterschap Drents Overijsselse Delta

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van het waterschap Drents Overijsselse Delta heeft in november 2021 het 'Waterbeheerprogramma 2022-2027' vastgesteld. Het programma bevat de uitwerking van de ambities in onze Watervisie “Meer dan water” en geeft voor de periode 2022 tot en met 2027 aan wat de maatregelen zijn om het watersysteem, de waterketen en de waterkeringen op orde te brengen en de maatschappelijke doelen van het waterschap te realiseren. Een waardevolle

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

23

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Ten Darperweg 46 Wapse Definitief aanvulling op de Watervisie is de doorvertaling van de doelen en maatregelen van het waterschap in gebiedsuitwerkingen. Het plangebied is gelegen in het deelgebied ‘Stroink’. Schoon water blijft ook de komende jaren een belangrijk thema in het gebied. In de planperiode ligt er een opgave op het gebied van droogtebestrijding in combinatie met KRW-opgaven in diverse watergangen. Om de KRW-doelen te halen is reductie van de fosfaatvracht uit de RWZI’s in het Drentse Kanalensysteem nodig. Bij welke RWZI’s en de hoeveelheid reductie die bereikt moet worden, wordt via het Strategisch Assetmanagementplan (onderdeel waterketen) en het Assetmanagementplan RWZI’s uitgewerkt. De komende planperiode wordt onderzocht of fosfaatverwijdering met behulp van chemicaliën afdoende is voor doelbereik of dat andere technologieën noodzakelijk zijn om de toename van fosfaat in dit gebied op te vangen.

7.2

Wateraspecten

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie.

7.3

Watertoetsproces

Het Waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets, deze is in bijlage 2 opgenomen. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de ‘korte procedure’ van toepassing is. Het plan betreft een functieverandering van bestaande bebouwing en de realisatie van drie rijwoningen. heeft geen invloed op de waterhuishouding. Er is geen sprake van (grond) wateroverlast in de omgeving van het plan. Er is geen waterschapsbelang. Waterhuishouding plangebied Invloed op de waterhuishouding Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Binnen de wijziging van het omgevingsplan worden niet meer dan tien wooneenheden gerealiseerd. En de toename van het verhard oppervlak blijft ruim onder 1.500 m². Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Hemelwater In voorliggend geval wordt een deel van de bestaande bedrijfsgebouwen gesloopt, daarnaast wordt er zoveel mogelijk erfverharding verwijderd. Zo komt er binnen het perceel voldoende ruimte vrij voor het infiltreren van hemelwater. Verder wordt ook een wadi aangelegd, dit zorgt voor extra waterbergingscapaciteit binnen het plangebied. Afvalwater Het afvalwater wordt op de bestaande voorzieningen (riool) aangesloten.

7.4

Conclusie

Met voorliggende wijziging van het omgevingsplan worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

24

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Ten Darperweg 46 Wapse Definitief

HOOFDSTUK 8

BESCHERMING GEZONDHEID EN HET MILIEU

Op basis van paragraaf 5.1.4 houdt een omgevingsplan rekening met de bescherming van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen: • • • • •

geluid; bodemkwaliteit; de kwaliteit van de buitenlucht; geur en; trillingen.

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens worden de aspecten ‘gezondheid’ en ‘duurzaamheid’ behandeld.

8.1

Geluid door activiteiten

8.1.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • • •

activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).

Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 8.1.2

Situatie plangebied

In voorliggend geval wordt een bedrijfswoning omgezet naar reguliere woning, wordt een woning gerealiseerd in de oude smederij en worden drie nieuwe woningen gerealiseerd. Bedrijfswoningen zijn, net als reguliere woningen, geluidsgevoelige gebouwen zoals omschreven in artikel 3.20 van het Bkl. Dit betekent dat er vier extra geluidsgevoelige gebouwen worden toegevoegd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Ten Darperweg 46 Wapse Definitief Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Weg- en railverkeerslawaai De woningen vallen binnen het geluidaandachtsgebied van de provinciale weg de Ten Darperweg. De geluidskaart van de Atlas Leefomgeving geeft een grove indicatie van het te verwachten geluid door wegen. Op de gevels van de bestaande bedrijfswoning en in het verlengde daarvan de bedrijfsbebouwing, wordt een indicatie van 53 dB gegeven. Aangezien de bedrijfswoning een bestaand geluidgevoelig gebouw betreft hoeft deze in te toetsing niet meegenomen te worden. Voor de te realiseren woning binnen de bedrijfsbebouwing wordt gesteld dat met een minimale gevelwering van 20 dB uit het Bbl wordt voldaan aan de binnenwaarde van 33 dB. Voor de nieuw te realiseren rijwoningen wordt gesteld dat deze voldoende afgeschermd worden door de bestaande bebouwing. Overlast van het geluid door wegen wordt voor deze woningen niet waarschijnlijk geacht.

Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein aanwezig. Wat betreft de invloed van de in de omgeving aanwezige individuele bedrijvigheid/voorzieningen voor de voorgenomen ontwikkeling wordt verwezen naar onderstaande alinea’s. Solitaire bedrijvigheid Hieronder zal de geluidshinder van bestaande functies in de omgeving worden beschreven. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de richtafstanden geluid uit de VNG-handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’. In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In dit geval is er gezien de aard van de omgeving sprake van een ‘rustige woonwijk’. Ten westen van het plangebied staat een school voor basisonderwijs. Voor deze functie geldt een minimale afstand van 30 meter. Het plangebied ligt op circa 45 meter, er wordt voldaan aan de richtafstand. Gelet op vorenstaande mag er van worden uitgegaan dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 8.1.4

Conclusie

Met inachtneming van het bovenstaande is vanuit het aspect geluid sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.2

Bodemkwaliteit

8.2.1

Algemeen

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • •

beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Ten Darperweg 46 Wapse Definitief •

duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: • • • •

Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.

Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 8.2.2

Situatie plangebied

Er is door Eco Reest een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De belangrijkste onderzoeksresultaten worden hieronder genoemd. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 3. Verkennend chemisch onderzoek Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de bovengrond overschrijdingen van de toetsingswaarden (grond) zijn aangetoond, waarbij in het mengmonster van de monsterpunten B09 t/m B12 de gehalten aan koper en zink de interventiewaarde bodemkwaliteit overschrijden(sterk verontreinigd). De onderzoekshypothese met betrekking tot de voormalige bedrijfsactiviteiten (smid/ loonbedrijf) op de locatie, zijnde een verdachte locatie, is hiermee derhalve bevestigd. Gezien de aard en de concentraties van de aangetoonde parameters in relatie tot de bestemming van het terrein, concluderen wij dat verhoogde risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu op basis van de aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit, te verwachten zijn. De resultaten van het onderzoek vormen aanleiding tot nader onderzoek. Verkennend asbestonderzoek Op basis van de onderzoeksresultaten van het asbestonderzoek concluderen wij dat in de bodem van de locatie asbest is aangetoond. De hypothese “verdachte locatie” wordt op grond van de resultaten van het huidige asbestonderzoek met betrekking tot onderhavige onderzoekslocatie bevestigd.

Ten aanzien van de onderzochte druppelzone (toplaagmonsters DZ) concluderen wij, dat middels de onderhavige onderzoeksinspanning de meest verdachte laag is bemonsterd en geanalyseerd, op grond waarvan verder onderzoek hiernaar niet van meerwaarde wordt geacht in relatie tot de onderzoeksdoelstelling. De aangetroffen gehalten aan asbest in inspectieputten 1 en 2 geven wel aanleiding tot het uitvoeren van nader asbestonderzoek. Ten tijde van de toetsing aan het Bbl dient te worden aangetoond dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is te waarborgen. Om dit juridisch te borgen is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van dit TAM-omgevingsplan (artikel 5.4). 8.2.3

Conclusie

Met inachtneming van het bovenstaande is vanuit het aspect bodem sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Ten Darperweg 46 Wapse Definitief

8.3

Luchtkwaliteit

8.3.1

Algemeen

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt.

Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. 8.3.2

Situatie plangebied

Gelet op de aard en de omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de standaardgevallen NIMB zoals omschreven in artikel 5.54 Bkl kan worden gesteld dat het project ‘niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging’. 8.3.3

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.4

Geur

8.4.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Ten Darperweg 46 Wapse Definitief Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • • • •

Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • • • • 8.4.2

Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden Situatie plangebied

In de omgeving van het plangebied bevinden zich enkele veehouderijen. De veehouderijen zijn gesitueerd aan de Soerte 4 en de Veenhuizerweg 5/5a, deze bedrijven bevinden zich op circa 400 meter afstand. Aan de afstand van 100 meter kan worden voldaan. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden de overige functies niet belemmerd. 8.4.3

Conclusie

Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.5

Trillingshinder

8.5.1

Algemeen

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Ten Darperweg 46 Wapse Definitief en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven. 8.5.2

Situatie plangebied

De dichtstbijzijnde spoorweg bevindt zich op circa 16 kilometer afstand van het plangebied. Daarnaast is in de directe omgeving ook geen sprake van functies/activiteiten die relevante trillinghinder veroorzaken. Een nadere toetsing is niet noodzakelijk. 8.5.3

Conclusie

Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.6

Gezondheid

8.6.1

Algemeen

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. 8.6.2

Omgevingsvisie Westerveld

In de Omgevingsvisie Westerveld staan enkele doelstellingen op het gebied van gezondheid vermeld. De doelstellingen die relevant zijn voor voorgenomen ontwikkeling zijn als volgt: •

• • •

Vanuit de gedachte van ‘positieve gezondheid’ wordt gezondheid benaderd vanuit het vermogen van mensen om zoveel mogelijk eigen regie te kunnen voeren. In de fysieke leefomgeving betekent dit dat de toegang tot voorzieningen goed geregeld is en dat er aandacht is voor een stimulerende omgeving (groen, natuur en cultuur), veiligheid en milieu. Op deze manier wordt er vanuit een brede blik aan gezondheid gewerkt. In veel projecten is aandacht voor biodiversiteit. Activiteiten op het gebied van biodiversiteit worden verbeterd en worden actiever uitgedragen. Voor een gezonde inrichting van de leefomgeving moet de milieukwaliteit goed zijn. Lucht, bodem en geluid mogen geen schadelijke invloed hebben en nieuwe initiatieven mogen geen onevenredige negatieve effecten hebben op onze milieukwaliteit. Wat betreft het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt aangesloten bij de landelijke BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Ten Darperweg 46 Wapse Definitief

• •

8.6.2

regelgeving, waarin een trend zichtbaar is van het verminderen van het gebruik van beschermingsmiddelen. De milieukwaliteitseisen die door het Rijk zijn vastgesteld, vormen het minimale niveau. Waar mogelijk verbeteren we de bestaande milieukwaliteit. Het is belangrijk dat inwoners van Westerveld gebruik kunnen maken van duurzame mobiliteit. Daarbij hoort aandacht voor een aantrekkelijke, goed onderhouden en toegankelijke fiets- en wandelinfrastructuur. Situatie plangebied

Het voorgenomen initiatief beoogt de transformatie van het plangebied, waarbij zowel de aanwezige bedrijfswoning, een deel van de bestaande bedrijfsgebouwen (na verbouwing) een woonfunctie krijgen. Daarnaast worden er nog drie nieuwe woningen gerealiseerd. Bovendien wordt het geheel landschappelijk ingepast. Gelet op vorenstaande wordt de groenvoorziening versterkt en blijft de buitenruimte intact. Groenvoorzieningen en buitenruimtes stimuleren lichamelijke activiteit, sociale interactie en algemeen welzijn, wat ook bekend staat als positieve gezondheid. Voor het opnemen van een spuitvrijezone op de agrarische gronden binnen 50 meter van het plangebied bestaat in dit geval geen aanleiding. In de huidige situatie is het bij recht al toegestaan om in het plangebied te wonen (wonen bij het bedrijf). De aard van het wonen veranderd wel van bedrijfswonen naar regulier wonen, maar daarmee wordt niet een nieuwe gevoelige functie gerealiseerd. Bovendien zijn de bedrijfsactiviteiten, en mogelijkheden tot, op deze locatie gestaakt, waardoor bewoners en omwonenden in de toekomst geen hinder zullen ondervinden van bedrijfsmatige activiteiten op deze plek. De woonfunctie heeft geen negatieve impact op de omgeving. Op basis hiervan wordt benadrukt dat de beoogde ontwikkeling een positief effect zal hebben op de gezondheid van zowel bewoners als de omwonenden. 8.6.3

Conclusie

Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

8.7

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

8.7.1

Algemeen

Duurzaamheidthema's zoals energie- en waterbesparing, aandacht voor langzaam verkeer en groenvoorzieningen, zuinig grondstoffengebruik, efficiënt ruimtegebruik en duurzaam bouwen, zullen met name bij nieuwbouwplannen en herinrichting een belangrijke plaats toegekend krijgen. Ontwikkeling van duurzaamheid past in de ontwikkeling die het duurzaamheidsdenken nu ook landelijk doormaakt en waarbij ook steeds meer de eisen als negatieve prikkel omgezet worden in een positieve benadering in de vorm van wijzen op de kwaliteit van het gebouw, op (woon-)comfort, het binnenmilieu in het algemeen, op gezond wonen en leven. 8.7.2

Omgevingsvisie Westerveld

In de Omgevingsvisie Westerveld staan enkele doelstellingen op het gebied van duurzaamheid vermeld. De doelstellingen relevant zijn voor voorgenomen ontwikkeling zijn als volgt: • •

8.7.3

Er wordt bij herinrichting van het openbaar gebied rekening met klimaatadaptatie door zoveel mogelijk groen aan te leggen en ruimte op te nemen voor waterberging, -infiltratie en –afvoer. In veel projecten is al aandacht voor biodiversiteit. Activiteiten op het gebied van biodiversiteit worden verbeterd en worden actiever uitgedragen. Situatie plangebied

Het voorgenomen initiatief beoogt de transformatie van het plangebied, waarbij zowel de aanwezige bedrijfswoning en deel van de voormalige bedrijfgebouw (na verbouwing) een woonfunctie krijgen. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Ten Darperweg 46 Wapse Definitief Daarnaast worden op het erf nog drie nieuw te bouwen woningen gerealiseerd. Er wordt zo min mogelijk extra verharding worden toegevoegd en een deel van de bestaande bebouwing en verharding wordt gesloopt. Bovendien worden de woningen landschappelijk ingepast, waarbij extra groenvoorziening wordt toegevoegd. Gelet op vorenstaand heeft de ontwikkeling slechts een beperkte invloed op de waterhuishouding van het gebied. Er blijft voldoende ruimte beschikbaar voor wateropslag, infiltratie en afvoer. Bovendien zullen de groenvoorzieningen bijdragen aan een verhoogde biodiversiteit. Op basis van bovenstaande wordt opgemerkt dat het plangebied in de beoogde situatie een meer klimaat adaptieve en duurzame invulling krijgt. 8.7.4

Conclusie

Vanuit het aspect duurzaamheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Ten Darperweg 46 Wapse Definitief

HOOFDSTUK 9

BESCHERMING VAN DE NATUUR

In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen het voornemen rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.

9.1

Gebiedsbescherming

9.1.1

Natura 2000-gebieden

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •

9.1.2

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 9.1.3

Situatie plangebied

Natura 2000-gebieden Het plangebied bevindt zich op circa 500 meter van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘DrentsFriese Wold & Leggelderveld’. Gelet op de ruimte afstand is directe hinder, bijvoorbeeld in de vorm van geluid of lichthinder, uitgesloten. Naast directe hinder kan er ook sprake zijn van indirecte hinder in de vorm van stikstofdepositie. Om dit te beoordelen, is een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd. De belangrijkste onderzoeksresultaten worden hieronder genoemd, voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 4.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Ten Darperweg 46 Wapse Definitief De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. NNN-gebieden Het plangebied ligt niet in of in directe nabijheid van het NNN. Het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland is gelegen op circa 480 meter afstand van het plangebied. Daarom kan worden gesteld dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN als gevolg van de voorliggend ontwikkeling.

9.2

Soortenbescherming

9.2.1

Algemeen

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •

er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 9.2.2

Situatie plangebied

Aangezien een deel van de bestaande bebouwing wordt gesloopt is door FNA een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De belangrijkste onderzoekresultaten worden hieronder genoemd. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 5. Voor de activiteit is geen Omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig, mits men rekening houdt met het broedseizoen. In onderstaande tabel zijn de onderzoeksresultaten samengevat.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Ten Darperweg 46 Wapse Definitief

9.3

Conclusie

Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van de natuur.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Ten Darperweg 46 Wapse Definitief

HOOFDSTUK 10

10.1

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE

Wettelijk kader

Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.

10.2

Archeologie

Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. De gemeente Westerveld beschikt over een archeologische beleids- en verwachtingskaart. Onderstaande afbeelding toont de ligging van het plangebied op de beleids- en verwachtingskaart. Het plangebied is hierop met rode omkadering aangegeven.

Afbeelding 10.1 Uitsnede archeologische beleids- en verwachtingskaart (Bron: Gemeente Westerveld)

Voor gronden met hoge of middelhoge verwachting geldt een onderzoeksplicht bij grondingrepen met een oppervlakte van meer dan 1.000 m2. In het kader van voorgenomen ontwikkeling vinden

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Ten Darperweg 46 Wapse Definitief er geen grootschalige nieuwe bodemingrepen plaats. Een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk.

10.3

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: • • • • • •

ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten waarop voorliggend plan van invloed is dan wel zou kunnen zijn. Binnen het plangebied zijn wel gebouwen aanwezig van cultuurhistorische waarde. Specifiek gaat het om de uiterlijke kenmerken van de smederij en het naastgelegen bijgebouw. De gemeente Westerveld ziet graag dat deze kenmerken behouden blijven. De smederij en het naastgelegen bijgebouw krijgen daarom de aanduiding ‘cultuurhistorische waarden’. Hiervoor is een bepaling opgenomen in de regels behorende bij voorliggend plan. Met de aanduiding is geregeld dat de hoofdvorm van de gebouwen bepaald door de gevelbreedte, de goothoogte, de bouwhoogte, de dakhelling en de nokrichting zoals in de bestaande situatie gehandhaafd dienen te worden. Met in achtneming van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderliggend plan.

10.4

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische worden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Ten Darperweg 46 Wapse Definitief

HOOFDSTUK 11

11.1

M.E.R.- BEOORDELING

Algemeen

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •

In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.

Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een projectmer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als Voor plan/ programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.

11.2

Situatie plangebied

Onder de Omgevingswet wordt gebruikgemaakt van een gesloten lijstenstelsel voor de beoordeling van project-m.e.r. (milieueffectrapportage). Dit houdt in dat de projecten en besluiten die onder de project-m.e.r.-verplichting vallen, zijn opgenomen in de lijst bijlage V van het Omgevingsbesluit. Hierin is onder andere het stedelijke ontwikkelingsproject opgenomen. De jurisprudentie met betrekking tot de ondergrens van het begrip 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject' blijft onder de Omgevingswet van belang. Zo overweegt de Afdeling bijvoorbeeld dat de ontwikkeling van 12 woningen niet als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt beschouwd (ABRS 11 maart 2020, nr. 201901464/1/R1). De voorgenomen ontwikkeling beoogt de transformatie van het perceel, waarbij de bedrijfswoning wordt omgezet tot reguliere woning, een woning wordt gerealiseerd binnen de bedrijfsbebouwing en drie nieuwe woningen worden gerealiseerd. In totaal gaat het om de (planologische) toevoeging van 5 woningen. Bovendien is, voor zover relevant in dit kader, sprake van een functie die geen aantasting veroorzaakt van het woon- en leefklimaat in de omgeving van omliggende woningen.

Op basis van het voorgaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit wordt tevens bevestigd door de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten, evenals de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken.

11.3

Conclusie

Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er wel/geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Ten Darperweg 46 Wapse Definitief

HOOFDSTUK 12

12.1

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Algemeen

In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.

12.2

Kostenverhaal

Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.

12.3

Situatie plangebied

In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Ten Darperweg 46 Wapse Definitief

HOOFDSTUK 13

13.1

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

Participatie

Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. Gelet op vorenstaande is er door de gemeente Westerveld een ‘Handreiking participatie voor initiatiefnemers’ opgesteld. Dit document beschrijft de benadering van participatie in diverse scenario’s, waarbij de mate van betrokkenheid afhangt op de omgeving. n het kader van de bouwplannen voor de herontwikkeling van de voormalige smederij zijn de direct omwonenden bezocht en/of uitgenodigd voor een gesprek. Hieronder volgt een weergave van de gevoerde gesprekken en ontvangen reacties. Bewoners woning A – straatzijde (22 april) Tijdens een bezoek op kantoor werd samen met de bewoners gesproken over de plannen. Zij gaven aan geen problemen te verwachten van de bouwplannen, omdat hun terras niet grenst aan het perceel van de smederij. Hierdoor voorzien zij geen overlast van de toekomstige woningen. Bewoners woning B – aangrenzend erf (26 april) De bewoners van dit erf zijn bekend met eerdere projectontwikkelingen in de omgeving en waren daarom niet verrast door de plannen.

Tijdens het gesprek zijn de gemeentelijke voorstellen voor de situering van de drie woningen besproken. In gezamenlijkheid is besloten dat de voorkeur uitgaat naar een positionering van het woonblok evenwijdig aan de hoofdweg. Dit voorkomt inkijk in hun tuin en behoudt hun privacy. Bewoners woning C – nabijgelegen perceel (28 april) De bewoners van dit perceel reageerden positief op de plannen en gaven aan blij te zijn dat er geen hoog gebouw gerealiseerd wordt. Omdat hun tuin en terras meer aan de andere zijde zijn gericht, verwachten zij geen overlast van de nieuwbouw. Zij wensten veel succes met de verdere uitvoering van de plannen. Bewoners woning D – naastgelegen perceel (3 juli) Bij deze bewoners vond een eerste kennismaking plaats. Zij waren opgelucht dat er geen appartementencomplex met meerdere bouwlagen komt, omdat dit hun privacy sterk zou hebben aangetast. Aan de achterzijde van hun perceel zijn meerdere schuttingen geplaatst, waardoor zij nauwelijks zicht hebben op het terrein van de smederij. Wel ervoeren zij hinder van het onkruid op het terrein, ontstaan doordat de voormalige huurders weinig aan onderhoud deden. Afgesproken werd dat dit zou worden verwijderd zodra de huurders vertrokken; deze afspraak is inmiddels uitgevoerd. De bewoners hadden verder geen opmerkingen over de bouwplannen.

Conclusie Uit de gesprekken blijkt dat de direct omwonenden positief of in elk geval neutraal staan tegenover de bouwplannen voor de voormalige smederij. Belangrijkste aandachtspunt was de situering van de drie nieuwe woningen, waarbij in overleg met de bewoners van het aangrenzende erf is besloten tot een positionering evenwijdig aan de hoofdweg. Verder is er waardering uitgesproken dat er geen hoogbouw komt en zijn praktische afspraken gemaakt over onderhoud van het terrein.

13.2

Afstemming overlegpartners

Het plan wordt voorgelegd aan de relevante overlegpartners. Deze paragraaf wordt later ingevuld. In het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.hetwateradvies.nl. Het voornemen wordt ten aanzien van vooroverleg aan de provincie Drenthe voorgelegd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Ten Darperweg 46 Wapse Definitief

13.3

Zienswijzen

Het TAM-omgevingsplan heeft gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Ten Darperweg 46 Wapse Definitief

HOOFDSTUK 14

14.1

JURIDISCHE VERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieuen omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

14.2

Opzet van de regels

14.2.1 Algemeen Zoals in paragraaf 1.3.2 is aangegeven betreft het hier een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van een bestemmingsplan. Dit TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: • • • •

Inleidende regels; Functieregels en gebiedsaanwijzingen; Algemene regels aan activiteiten; Overgangsrecht en slotbepalingen.

14.2.2 Preambule voor hoofdstuk en artikelnummering De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij ‘artikel 1’ begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, stelt de VNG voor om na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule op te nemen. De preambule geeft aan hoe het TAM-IMRO omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Hieronder is de preambule weergeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Ten Darperweg 46 Wapse Definitief

Dit plan beoogt herontwikkeling van het erf aan de Ten Darperweg 46 te Wapse. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Westerveld. Technisch is het dat niet, maar dat hoeft ook nog niet. Juridisch moeten de hoofdstukken van dit plan worden gelezen als paragrafen van hoofdstuk 22n van het omgevingsplan van de gemeente Westerveld. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22n' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22n' gelezen worden. Dus: • • • • •

hoofdstuk 1 (Inleidende regels) moet worden gelezen als hoofdstuk 22n, paragraaf 1; hoofdstuk 2 (Functies en andere gebiedsaanwijzingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22n, paragraaf 2; hoofdstuk 3 (Algemene regels ten aanzien van activiteiten) moet worden gelezen als hoofdstuk 22n, paragraaf 3; hoofdstuk 4 (Overgangsrecht en slotbepalingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22n, paragraaf 4; bijlages (bij Ten Darperweg 46 Wapse) moet worden gelezen als bijlage 1 etc. bij hoofdstuk 22n.

Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels. 14.2.3 Toepassingsbereik van het wijzigingsbesluit Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Het TAM-omgevingsplan maakt namelijk geen gebruik van de technische vereisten van de nieuwe Omgevingswet, maar gebruikt zoals hiervoor beschreven nog de ‘oude’ standaarden. Om te voorkomen dat voor het gewijzigde deel van het omgevingsplan zowel nieuwe als oude regels gelden, wordt in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereik opgenomen in artikel 3 van de inleidende regels. Het toepassingsbereik luidt als volgt. Artikel 3 (Toepassingsbereik) 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid. 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. 3.

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Ten Darperweg 47, Wapse, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1701.509TAMTendarperweg-001 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. 14.2.4 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •

• •

Anti-dubbeltelregel (artikel 8): Deze regel is opgenomen om ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen indien een perceel, of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene ruimtelijke bouwregels (artikel 9): Dit artikel bevat de mogelijkheid voor burgemeesters en wethouders om maatwerkvoorschriften te stellen met betrekking tot de plaats en afmetingen van gebouwen. Planologische gebruiksactiviteiten (artikel 10): Uitgangspunt is de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Vanuit deze gedachte is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Ten Darperweg 46 Wapse Definitief • •

Algemene afwijkingsregels (artikel 11): In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in voorliggend TAM-omgevingsplan af te wijken. Overige regels (artikel 12): De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westerveld&id=5317607e-1f38-4aab-a74c-bfc6c1621ddc