Bijlage 5. Was-wordt tabel Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp - definitief
Tekst van het document
controleren van de geleverde voorzieningen. 3. Het college neemt in de contracten en afspraken met aanbieders op aan welke kwaliteitseisen de maatschappelijke ondersteuning moet voldoen. Hierbij sluit het college zoveel als mogelijk aan bij artikel 3.1 van de wet en de kwaliteits- en deskundigheidseisen die in de desbetreffende branche gelden.
controleren van de geleverde voorzieningen. 4. Het college neemt in de contracten en afspraken met aanbieders op aan welke kwaliteitseisen de maatschappelijke ondersteuning moet voldoen. Hierbij sluit het college zoveel als mogelijk aan bij artikel 3.1 van de wet en de kwaliteits- en deskundigheidseisen die in de desbetreffende branche gelden. Artikel 13. Bijdrage in kosten voor maatwerkvoorzieningen 1. Een inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura of een pgb zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2. Als een maatwerkvoorziening of pgb wordt verstrekt voor een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner is de bijdrage in de kosten verschuldigd door: a. De onderhoudsplichtige ouders en; b. Degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een minderjarige inwoner.
•
Artikel 13 op basis van artikel 9 en artikel 9a grotendeels gewijzigd en opnieuw geschreven
•
Artikel 13, lid 2 is toegevoegd voor een volledige beschrijving van de bijdrage in kosten voor maatwerkvoorzieningen in het geval dat een minderjarige een maatwerkvoorziening of pgb ontvangt voor een woningaanpassing. Dit kan namelijk ook onder de Wmo vallen
Artikel 13a. Hoogte bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen, maatwerkvoorzieningen en pgb’s 1. De hoogte van de eigen bijdrage is gelijk aan het geldende abonnementstarief per maand, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wet, of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere eigen bijdrage is verschuldigd. 2. De hoogte van de totale bijdrage voor een hulpmiddel een woningaanpassing en de maatwerkvoorzieningen voor vervoer (inclusief pgb voor collectief vervoer), overstijgen de kostprijs van de voorziening niet. 3. Geen eigen bijdrage is verschuldigd voor algemeen maatschappelijk werk (AMW). 4. De kostprijs van een: a. Maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder en is bij verstrekking in natura gelijk aan de kosten die het college voor de desbetreffende maatwerkvoorziening zelf maakt; b. Maatwerkvoorziening in de vorm van een
•
Artikel 13a op basis van artikel 9 en artikel 9a grotendeels gewijzigd en opnieuw geschreven
•
Artikel 13a, lid 4 is toegevoegd om te duiden waar de kostprijs van een maatwerkvoorziening uit bestaat
Artikel 14. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.
hulpmiddel of woningaanpassing wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening (bruikleen, huur of eigendom). c. Pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. 5. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb door het CAK vastgesteld en geïnd. 6. Voor het gebruik van een algemene voorziening kan van de inwoner een bijdrage in de kosten worden gevraagd. De hoogte van de bijdrage wordt bepaald aan de hand van en tot maximaal de kostprijs van de voorziening. 7. De kostprijs van een algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder. Artikel 17. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.
•
Artikel 13a, lid 5, 6 en 7 verplaatst in de verordeningen voor het vergroten van de leesbaarheid
•
Geen wijzigingen
2. Aanbieders, natuurlijke personen en zzp’ers die een voorziening leveren op basis van [de Jeugdwet of] Wmo, melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar wanneer er geen sprake is van een wettelijk toegewezen inspectie. 3. De melding aan de toezichthoudende ambtenaar dient onverwijld, maar uiterlijk binnen drie werkdagen na de calamiteit te geschieden. 4. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet, zorgt ervoor dat onderzoek wordt gedaan naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.
Artikel 15. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een
2. aanbieders, natuurlijke personen en zzp’ers die een voorziening leveren op basis van de Wmo, melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar wanneer er geen sprake is van een wettelijk toegewezen inspectie. 3. De melding aan de toezichthoudende ambtenaar dient onverwijld, maar uiterlijk binnen drie werkdagen na de calamiteit te geschieden. 4. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet, zorgt ervoor dat onderzoek wordt gedaan naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Artikel 14 wordt al eerder vermeld in plaats van ‘’artikel 10. Weigeringsgronden’’ uit de oude verordening. Artikel 18. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een
derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wmo [en artikel 2.11 lid 1 van de Jeugdwet] en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of
a.
b. b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor:
I. 1°. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde; en 2°. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de Wmo; en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.
II. 2.
a.
b.
derde als bedoeld in artikel 2.6.4 en 2.6.6 van de Wmo en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: Een vaste prijs of tarief, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of Een reële prijs, gebaseerd op de vastgesteld kostprijselementen uit de Algemene Maatregel van Bestuur reële prijs Wmo 2015, die geldt als ondergrens voor: Een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde; en De vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: Overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de Wmo; en Rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de
•
Artikel 19, lid 1:a tarief toegevoegd voor een betere duiding
•
Artikel 19, lid 1:b toegevoegd ter verduidelijking wat een reële prijs is
3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de
volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor nietproductieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis- en e. opleidingskosten; f. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; g. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.
4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te
dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitsverhouding bij de vaststelling van de prijs of tarief die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met de navolgende kostprijselementen; a. De kosten van de beroepskracht; b. Redelijke overheadkosten; c. Kosten voor nietproductieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; d. Reis- en opleidingskosten; e. Indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f. Overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtinge n en administratieve verplichtingen. 4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijven aan de derde de eis wordt gesteld
•
Artikel 19, lid 3 andere verwoording voor betere leesbaarheid
hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad 5. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat Hoofdstuk 6: klachten, medezeggenschap en inspraak
Artikel 16. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen, en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo en Jeugdhulp 1. Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Onverminderd artikel 2.3.8 van de Wmo [of artikel 8.1.2 van de Jeugdwet], doet een cliënt op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling aan het college van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs
een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 5. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat. Hoofdstuk 6: herziening, wijziging en terugvordering maatschappelijke ondersteuning Artikel 21. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen, en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 1. Het college informeert inwoners of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Onverminderd artikel 2.3.8 van de Wmo, doet een inwoner op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling aan het college van alle feiten en omstandigheden, waarvan het redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze
•
Geen wijzigingen
duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een maatwerkvoorziening. 3. Onverminderd artikel 2.3.10 van de Wmo [of artikel 8.1.4 van de Jeugdwet] kan het college een beslissing aangaande een maatwerkvoorziening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen; c. De d. maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; e. de [cliënt langer dan twee maanden] verblijft in een instelling als bedoeld in de wet langdurige zorg of de zorgverzekeringswet; f. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, of g. de cliënt de maatwerkvoorziening of
aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een maatwerkvoorziening. 3. Onverminderd artikel 2.3.10 van de Wmo kan het college een beslissing aangaande een maatwerkvoorziening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. De inwoner onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. De inwoner niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen; c. De maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; d. De inwoner verblijft in een instelling als bedoeld in de wet langdurige zorg of de zorgverzekeringswet; e. De inwoner niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, of; f. De inwoner de maatwerkvoorziening
4.
5.
6.
7.
het pgb niet of voor een ander doel gebruikt. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte
4.
5.
6.
7.
of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de inwoner opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de inwoner en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorzieningen of het ten onrechte genoten pgb. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte
voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. 8. Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.
Artikel 16a. Opschorting betaling uit het pgb 1. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet. 2. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname
voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. 8. Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. Artikel 15. Verrekening Het college kan een terug te vorderen bedrag verrekenen met betalingen op grond van de wet, die nog uitgekeerd moeten worden, mts het college na onderzoek alle relevante belangen heeft afgewogen en de verrekeningsbevoegdheid in alle redelijkheid kan uitvoeren. Artikel 22: opschorting betaling uit het pgb 1. het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een inwoner een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet. 2. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname
•
Alhoewel een dergelijke verrekening niet vaak voorkomt, is het wettelijk wel toegestaan en is daarom artikel 16 toegevoegd aan de verordening
•
Geen wijzigingen
als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 15, derde lid, onder d. 3. Het college stelt de pgbhouder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid.
als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 21, derde lid, onder d. 3. Het college stelt de pgbhouder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid. Hoofdstuk 7: klachten, medezeggenschap en inspraak
Artikel 17. Klachtregeling 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen. 2. [De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling treffen een regeling voor de behandeling van klachten over gedragingen van hen of van voor hen werkzame personen jegens een jeugdige, ouder of pleegouder in het kader van verlening van jeugdhulp, de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatre gel of jeugdreclassering conform artikelen 4.2.1, 4.2.2 en 4.2.3 van de Jeugdwet.] 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
Artikel 23. Klachtregeling 1. Aanbieders van voorzieningen op grond van de Wmo stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van inwoners ten aanzien van de door aanbieders verstrekte voorzieningen.
2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
•
Stuk over jeugdhulp in artikel 24, lid 2 van de oude verordening weggehaald, omdat Deel A alleen ingaat op de Wmo
Artikel 16 wordt al eerder vermeld in plaats van ‘’artikel 13. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning [en jeugdhulp]’’ uit de oude verordening. Artikel 18. Vertrouwenspersoon Het college zorgt ervoor dat cliënten [en pleegouders] een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon.
Artikel 19. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van de volgende voorzieningen: a. hulp bij het huishouden; b. begeleiding; c. kortdurend verblijf. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelin gen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
Artikel 24. Vertrouwenspersoon Het college zorgt ervoor dat inwoners een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Artikel 17 wordt al eerder vermeld in plaats van ‘’artikel 14. Meldingsregeling calamiteiten en geweld’’ uit de oude verordening. Artikel 25. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van inwoners over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van de volgende voorzieningen; a. Hulp bij huishouden; b. Begeleiding; c. Kortdurend verblijf; 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelin gen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
•
Pleegouders in artikel 18 van de oude verordening verwijderd, omdat dit ingaat op jeugdhulp
Geen wijzigingen
Artikel 20. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning [en jeugdhulp], overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning [en jeugdhulp] te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning [en jeugdhulp] en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
Artikel 18 wordt al eerder vermeld in plaats van ‘’artikel 15. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden’’ uit de oude verordening. Artikel 26. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval inwoners of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen te kunnen vervullen. Artikel 19 wordt al eerder vermeld naast ‘’artikel 11. Jaarlijkse waardering mantelzorgers’’ uit de oude verordening.
•
Geen wijzigingen
Artikel 21. Evaluatie Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per twee jaar geëvalueerd. Het college zendt hiertoe telkens twee jaar na de inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.
Artikel 22. Nadere regels en hardheidsclausule 1. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. 2. Het college stelt nadere regels met betrekking tot de uitvoering van deze verordening. 3. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Hoofdstuk 8: Slotbepalingen Artikel 27. Evaluatie Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per twee jaar geëvalueerd. Het college zendt hiertoe telkens twee jaar na de inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk. Artikel 20 wordt al eerder vermeld in plaats van ‘’artikel 12. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen [(alleen Wmo)]’’ uit de oude verordening. Artikel 28. Nadere regels en hardheidsclausule 1. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. 2. Het college stelt nadere regels met betrekking tot de uitvoering van deze verordening. 3. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de inwoner afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 21 wordt al eerder vermeld in plaats van ‘’artikel 16. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen, en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik
•
Geen wijzigingen
•
Geen wijzigingen
Artikel 23. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De ‘Verordening Jeugdhulp en Maatschappelijke ondersteuning 2018’ wordt ingetrokken. 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de ‘Verordening Jeugdhulp en Maatschappelijke Ondersteuning 2018’, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt wordt ingetrokken. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de ‘Verordening Jeugdhulp en Maatschappelijke ondersteuning 2018’ en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 4. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de ‘Verordening Jeugdhulp en Maatschappelijke ondersteuning 2018’, wordt beslist met inachtneming van die verordening. 5. Van het in lid 3 en lid 4 gestelde kan ten gunste
van de Wmo en Jeugdhulp’’ uit de oude verordening. Artikel 29. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De ‘Verordening Jeugdhulp en Maatschappelijke ondersteuning 2020’ wordt ingetrokken. 2. Een inwoner houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de ‘Verordening Jeugdhulp en Maatschappelijke Ondersteuning 2020’, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt wordt ingetrokken. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de ‘Verordening Jeugdhulp en Maatschappelijke ondersteuning 2020’ en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 4. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de ‘Verordening Jeugdhulp en Maatschappelijke ondersteuning 2020’, wordt beslist met inachtneming van die verordening. 5. Van het in lid 3 en lid 4 gestelde kan ten gunste
•
Geen wijzigingen
van de cliënt worden afgeweken.
Artikel 24. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2020. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Jeugdhulp en Maatschappelijke Ondersteuning 2020.
van de inwoner worden afgeweken. Artikel 22 wordt al eerder vermeld in plaats van ‘’artikel 16a. Opschorting betaling uit het pgb’’ uit de oude verordening. Artikel 30. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Jeugdhulp en Maatschappelijke Ondersteuning 2025. Artikel 23 wordt al eerder vermeld in plaats van ‘’artikel 17. Klachtregeling’’ uit de oude verordening. Artikel 24 wordt al eerder vermeld in plaats van ‘’artikel 18. Vertrouwenspersoon’’ uit de oude verordening. Artikel 25 wordt al eerder vermeld in plaats van ‘’artikel 19. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp’’ Artikel 26 wordt al eerder vermeld in plaats van ‘’artikel 20. Betrekken van ingezetenen bij het beleid’’ uit de oude verordening. Artikel 27 wordt al eerder vermeld in plaats van ‘’artikel 21. Evaluatie’’ uit de oude verordening. Artikel 28 wordt al eerder vermeld in plaats van ‘’artikel 22. Nadere regels en hardheidsclausule’’ uit de oude verordening. Artikel 29 wordt al eerder vermeld in plaats van ‘’artikel 23. Intrekking oude verordening en overgangsrecht’’ uit de oude verordening.
•
Geen wijzigingen
Artikel 30 wordt al eerder vermeld in plaats van ‘’artikel 24. Inwerkingtreding en citeertitel’’ uit de oude verordening.
Was-wordt tabel verordening jeugd Toelichting: 1. De was-wordt tabel is zo opgebouwd dat in de linker tabel onder ‘’bestaande tekst’’ de volgorde van de oude verordening is aangehouden. De volgorde onder ‘’nieuwe tekst’’ kan dus afwijken van de definitieve versie door een groot aantal wijzigingen. 2. Alle stukken tekst betreffende maatschappelijke ondersteuning zijn uit Deel B jeugdhulp gehaald. Deze zijn toegelicht in Deel A. Deze wijzigingen (bv. maatwerkvoorziening naar individuele voorziening of het verwijderen van verwijzingen naar de maatschappelijke ondersteuning) worden niet in de toelichting gezet, maar hier benoemd. Bestaande tekst Hoofdstuk 1 Begrippen en vormen van ondersteuning
Nieuwe tekst Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Artikel 1. Begripsbepaling 1. In deze verordening wordt verstaan onder: a. Aanbieder: de rechtspersoon of natuurlijk persoon die bedrijfsmatig jeugdhulp doet verlenen onder verantwoordelijkhei d van het college; b. aanvraag: een verzoek van een jeugdige en/of ouder(s) (belanghebbende) om een besluit te nemen; c. algemene voorziening: voorziening op het gebied van jeugd, zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, niet vallend onder de Jeugdwet. Een algemene
Toelichting
•
Artikel 1, lid 1:a Toegevoegd voor vergroten leesbaarheid
•
Artikel 1, lid 1:b toegevoegd voor vergroten leesbaarheid
•
Artikel 1, lid 1:c Verplaatst in tekst voor vergroten leesbaarheid (alfabetische volgorde)
d.
a. [cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een hulpvraag is gedaan. In deze verordening kan dat zijn een: [persoon vallend onder de Wmo], dan wel een jeugdige of zijn ouders vallend onder de Jeugdwet;] b. college: college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente West Maas en Waal;
e.
f.
g.
h.
i.
voorziening is altijd voorliggend op een voorziening op grond van de Jeugdwet. andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; beleidsregels: beleidsregels Jeugdhulp gemeente West Maas en Waal; budgetbeheerder: wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde van de budgethouder budgethouder: de persoon die een Pgb ontvangt in het kader van de Jeugdwet; college: college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente West Maas en Waal; eigen kracht: eigen kracht is het gebruik maken van de eigen mogelijkheden al dan niet in combinatie met de inzet van het sociale netwerk; hulpbronnen in de sociale omgeving
•
Artikel 1, lid 1:d verplaatst in tekst voor vergroten leesbaarheid (alfabetische volgorde)
•
Artikel 1, lid a uit de oude verordening verwijderd, omdat cliënt in de tekst is gewijzigd naar jeugdige. Begrip wordt dus niet meer gebruikt. Artikel 1, lid 1:e toegevoegd voor vergroten leesbaarheid Artikel 1, lid 1:f toegevoegd op basis van de modelverordening jeugd en voor het vergroten van de leesbaarheid Artikel 1, lid 1:g toegevoegd voor vergroten leesbaarheid
• •
•
•
Artikel 1, lid 1:i toegevoegd voor vergroten leesbaarheid en het voldoen aan het meer nadruk leggen op de eigen kracht in de verordening.
c. gebruikelijke hulp: zorg die verwacht mag worden vanuit het sociale netwerk van de cliënt of de jeugdige;
d. [hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft of zal hebben en op welk adres hij in de Basisregistratie Personen ingeschreven staat of zal staan (indien de cliënt in de Basisregistratie Personen met een postadres ingeschreven staat, gaat het om het feitelijk woonadres); e. hulpvraag: behoefte [aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo, dan wel] behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in
j.
en de wijk waar mensen wonen; gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaardbare opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders met het gezag ten opzichte van hun minderjarige kinderen (Jeugdwet), rekening houdend met hun eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen;
k. hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsprobleme n, psychische problemen en
•
Artikel 1, lid 1:j tekst aangepast voor vergroten leesbaarheid en betere duiding van het begrip.
verband met opgroeien opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerst lid, van de Jeugdwet;
f.
jeugdige: kinderen en jongeren tot 18 jaar; g. ouders: hiermee worden ouders of verzorgers bedoeld van de jeugdige;
stoornissen als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet; l. iJw: door het Zorginstituut beheerde standaarden als bedoeld in artikel 2.15, derde lid, van de wet bestaande uit bedrijfsregels, berichtenstandaard en en berichtspecificaties, overeenkomstig artikel 1, van de Regeling Jeugdwet. m. Individuele voorziening: een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorzieni ng die door het college in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt; n. inwoner: een ingezetene van de gemeente West Maas en Waal die ingeschreven staat in de Basisregistratie Personen (BRP); o. jeugdige: kinderen en jongeren tot 18 jaar; p. ouders: hiermee worden ouders of verzorgers bedoeld van de jeugdige;
•
•
•
Artikel 1, lid 1:l toegevoegd op basis van de modelverordening Jeugdwet. Het iJw is een standaard waarbij jeugdigen in alle fasen van de Jeugdwet-keten te volgen zijn: van de toewijzing tot de zorglevering en de declaratie. Elke ketenpartij geeft hiervoor via iJw de informatie door die belangrijk is voor de volgende partij. Artikel 1, lid 1:m toegevoegd voor vergroten leesbaarheid
Artikel 1, lid 1:n toegevoegd voor vergroten leesbaarheid.
h. pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in[ artikel 1.1.1 van de Wmo] en artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan [de cliënt], dat hem in staat stelt de (jeugd)hulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;
i.
wet: [Wet maatschappelijke ondersteuning Wmo 2015 of] Jeugdwet.
q. persoonsgebonden budget (pgb): persoonsgeboden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan de jeugdige of ouder, dat hem in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken; r. Tarief en kostprijs: het bedrag dat de gemeente aan een aanbieder moet betalen voor de verstrekking van een voorziening in natura; s. voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen; t. Veilig Thuis: het regionale advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet; u. wet: Jeugdwet. 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet ander worden
•
Artikel 1, lid 1:r toegevoegd voor vergroten leesbaarheid
•
Artikel 1, lid 1:s toegevoegd voor vergroten leesbaarheid
•
Artikel 1, lid 1:t toegevoegd voor vergroten leesbaarheid
•
Tekst uit artikel 1 van de oude versie van de verordening is gewijzigd en in volgorde veranderd qua tekst.
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt onder voorzieningen verstaan: -
-
-
-
algemene voorziening, ook wel overige voorzieningen genoemd : aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning; algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen; voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen; maatwerkvoorziening: een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Jeugdwet; ook wel individuele
omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, het Besluit Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
-
-
-
voorziening genoemd, of, zoals opgenomen in de Wmo, een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen; ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, ten behoeve van beschermd wonen en opvang; voor de van toepassing zijnde bepalingen betreffende beschermd wonen en maatschappelijke opvang wordt verwezen naar de bepalingen betreffende beschermd wonen en maatschappelijke opvang in de geldende Verordening maatschappelijke opvang en
jeugdhulp van de gemeente Nijmegen. Deze bepalingen zijn van toepassing op de uitvoering van beschermd wonen en maatschappelijke opvang in de gemeente West Maas en Waal; - andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wmo of Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. Hoofdstuk 2 Toegang Artikel 2. Vormen van ondersteuning 1. De gemeente stelt bepaalde vormen van dienstverlening beschikbaar, die voor elke inwoner vrij toegankelijk zijn, dat wil zeggen dat hiervoor geen indicatie of verwijzing door een professional nodig is. Dit zijn de zogenaamde algemene voorzieningen.
Hoofdstuk 2 Algemene voorzieningen Artikel 2. Toegang en beschikbare algemene voorzieningen 1. De gemeente stelt bepaalde vormen van dienstverlening beschikbaar, die voor elke jeugdige en/of ouder(s) vrij toegankelijk zijn, dat wil zeggen dat hiervoor geen indicatie of verwijzing door een professional nodig is. Dit zijn de zogenaamde algemene voorzieningen. 2. Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en/of diens ouder(s).
•
•
Artikel 2, lid 2 toegevoegd voor betere duiding van een algemene voorziening Alle vormen van ondersteuning betreffende de Wmo zijn uit artikel 2, lid 2 van de oude verordening verwijderd aangezien dit alleen jeugdhulp betreft
2. De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. Welzijnswerk/sociaal cultureel werk; b. Schoolmaatschappelijk werk; c. [Opvoedondersteuning en] opvoedadvies; d. Algemeen maatschappelijk werk; e. Onafhankelijke cliëntondersteuning; f. [Collectief Vraagafhankelijk Vervoer.]
3. De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar voor jeugdige en/of diens ouder(s): a. Welzijnswerk/sociaal cultureel werk; b. Schoolmaatschappeli jk werk; c. opvoedadvies;
•
Opvoedondersteuning uit artikel 2, lid 2:c weggehaald aangezien volgens de uitvoering in de algemene voorziening geen vorm van opvoedondersteuning is om naar te verwijzen
•
Apart artikel gemaakt van toegang beschikbare individuele voorzieningen voor vergroten leesbaarheid Alle vormen van maatwerkvoorzieningen voor de Wmo zijn uit artikel 2, lid 3 van de oude verordening verwijderd aangezien dit deel alleen jeugdhulp betreft
d. Algemeen maatschappelijk werk; e. Onafhankelijke cliëntondersteuning
Hoofdstuk 3 Individuele voorzieningen Artikel 3. Toegang en beschikbare individuele voorzieningen 3. De volgende vormen van maatwerkvoorzieningen zijn o.a. beschikbaar: a. Dagbesteding, dagbehandeling, kortdurend verblijf inclusief vervoer; b. Ambulante trajecten jeugd –begeleiding en jeugd- en opvoedhulp; c. Ambulante trajecten jeugd –behandeling (basis en specialistische jeugd GGZ);
1. De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn o.a. beschikbaar: a. Dagbesteding, dagbehandeling, kortdurend verblijf inclusief vervoer; b. Ambulante trajecten jeugd -begeleiding en jeugd- en opvoedhulp; c. Ambulante trajecten jeugd -behandeling (basis en specialistische jeugd GGZ);
•
d. Ambulante trajecten jeugd –observatie en diagnostiek; e. Pleegzorg; f. (Semi-) residentiële jeugdhulp; g. Begeleiding; h. [Huishoudelijke hulp; i. Nachtverzorging; j. Vervoersvoorzieningen; ] k. Volledig pakket thuis gehandicaptenzorg (L)VG Jeugd; l. Gehandicaptenzorg LVG Jeugd; m. [Hulpmiddelen inclusief herverstrekkers, service en onderhoud; n. Woningaanpassingen, inclusief verhuiskostenvergoedin g en tijdelijke huisvesting (niet) zelfstandig.] 4. In gevallen van een maatwerkvoorziening waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college
d. Ambulante trajecten jeugd -observatie en diagnostiek; e. Pleegzorg f. (semi-) residentiële jeugdhulp; g. Begeleiding;
h. Volledig pakket thuis gehandicaptenzorg (L)VG Jeugd; i. Gehandicaptenzorg VLG Jeugd.
2. In gevallen van een individuele voorziening waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college 3. Het college maakt in het kader van de inkooprelatie en met inachtneming van het derde lid met aanbieder afspraken over in ieder geval de volgende aspecten van de individuele voorzieningen: a. Doelgroepen; b. Activiteiten; c. Doorlooptijd; d. Intensiteit; e. Kwaliteit;
•
Artikel 3, lid 3 toegevoegd op basis van de modelverordening als nadere uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet waarin is bepaald dat het college regels stelt over de te verlenen individuele en algemene jeugdhulpvoorzieningen. Dit lid geeft hier een uitgebreidere invulling aan
f.
Beoogd resultaat; en g. Vermelding productcode iJw. [Artikel 3. Cliëntondersteuning 1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. 2. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger vóór het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo, op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning.] [Artikel 4. Toegang maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 1. Het college bepaalt met inachtneming van artikel 2.3.1. tot en met 2.3.5 van de Wmo en artikel 2.3 van de Jeugdwet bij nadere regeling, op welke wijze in samenspraak met de cliënt wordt vastgesteld of de cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. 2. Een gesprek maakt altijd deel uit van de procedure in de
•
Artikel 3 van de oude verordening verwijderd, deel B betreft alleen de jeugdhulp
•
Artikel 4 uit de oude verordening verwijderd. Toegang tot de jeugdhulp is in de huidige verordening anders weergegeven
aanvraag voor een maatwerkvoorziening. 3. Als de hulpvraag genoegzaam bekend is kan het college in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.] Artikel 5. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.
Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het college draagt zorg, overeenkomstig artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder e van de wet, voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2. Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouder(s) is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb verstrekking, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke
•
Artikel 4, lid 2 toegevoegd omdat de huisarts, medisch specialist en jeugdarts in beginsel moeten verwijzen naar een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. Aangezien de gemeente de regie heeft over wie de jeugdhulp verleent, sluit de verordening vergoeding van een situatie waarbij een aanbieder zonder contract wordt gekozen uit
2. [Als de cliënt hierom verzoekt, legt het college de te verlenen maatwerkvoorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel 7 van deze verordening.]
jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft. 3. Van het tweede lid kan uitsluitend worden afgeweken als het college daarmee schriftelijk heeft ingestemd voorafgaand aan de start van de zorgverlening op grond van bijzondere feiten of omstandigheden. 4. De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij de beoordeling van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie.
Artikel 5. Toegang jeugdhulp via de gemeente 1. Jeugdigen en ouders kunnen een hulpvraag melden bij het college. Als de jeugdige of zijn ouders daarom verzoeken, zorgt het
•
Artikel 4 lid 3 toegevoegd om van bovenstaande af te kunnen wijken in bijzondere situaties
•
Artikel 4, lid 4 toegevoegd om de jeugdhulpaanbieder verplicht te stellen om zich te houden aan hetgeen wat volgt uit de contract- of subsidierelatie met de gemeente
•
Artikel 5 lid 2 van de oude verordening verplaatst naar artikel 5 lid 4 van de nieuwe verordening
•
Artikel 5 toegevoegd om de zorgvuldige procedure die toegang tot jeugdhulp via de gemeente regelt te waarborgen
2.
3.
4.
5.
college voor ondersteuning bij het verhelderen van de ondersteuningsbehoeft e. Het eerste contact over de hulpvraag wordt aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht als is voldaan aan de vormvoorschriften bedoeld in de artikelen 4:1 en 4:2, van de Algemene wet bestuursrecht. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk en wijst de jeugdige en zijn ouders voor het onderzoek, bedoeld in artikel 6, op de mogelijkheid gebruik te maken van een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5, van de wet en van gratis cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4, van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Het college legt de beslissing omtrent het al dan niet verlenen van een individuele voorziening vast in een beschikking als bedoeld in artikel 12. In spoedeisende gevallen beslist het college na een melding
•
Artikel 5, lid 2: in de Awb staat: 4:1 aanvraag tot geven van een beschikking wordt schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is. 4:2 staat in wat de aanvraag ten miste moet bevatten
•
Artikel 5, lid 3: deel toegevoegd over vertrouwenspersoon of een cliëntondersteuner voor de jeugdige en/of ouders. Dit is verplicht vanuit de Jeugdwet en Wet Maatschappelijke ondersteuning
•
Artikel 5, lid 4 toegevoegd, omdat een beschikking moet worden afgegeven
•
Artikel 5, lid 5 toegevoegd, omdat het niet altijd
onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke individuele voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag van de jeugdige of zijn ouders of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet. 6. Als een jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger jeugdhulp zelf wenst in te kopen met een pgb, dient hij daartoe een pgb-plan in. Een door de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ondertekend pgb-plan wordt aangemerkt aan aanvraag voor een pgb. 7. Jeugdhulp kan na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar worden voortgezet als daartoe noodzaak bestaat. Deze noodzaak wordt beoordeeld door het college aangewezen deskundigen. 8. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de procedure voor de aanvraag van een individuele voorziening.
mogelijk is de duur van een onderzoek af te wachten
•
Artikel 5, lid 6 toegevoegd, omdat jeugdhulp zelf kan worden ingekocht middels een pgb. In dit lid wordt uiteengezet hoe de jeugdige dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger dit kan aanvragen
•
Artikel 5, lid 7 toegevoegd op advies van de adviesraad
•
Artikel 5, lid 8 toegevoegd om te verwijzen naar de nadere regels
Artikel 6. Criteria voor een maatwerkvoorziening 1. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: a. ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven; en b. ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie
Artikel 8. Criteria voor een individuele voorziening 1. Onverminderd dat jeugdhulp ook toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts komt een jeugdige of ouder in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een overige voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen. 2. Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1, van de wet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal
•
Artikel 8, lid 1 toegevoegd om te verwijzen naar de eigen kracht. Hier moet vanuit de Hervormingsagenda jeugd meer de focus op worden gelegd
•
Artikel 8, lid 2 toegevoegd omdat er geen jeugdhulp in de vorm van een individuele voorzieningen wordt geboden aan jeugdigen als de noodzaak van die hulp en ondersteuning past bij een normaal ontwikkelingspatroon. Hierbij wordt verwezen naar lokale beleidsregels om de normale ontwikkeling te beoordelen die op basis van
heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 5. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven,
probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan wordt aangesloten bij de geldende Beleidsregels Afwegingskader Gebruikelijke hulp Jeugdwet Gemeente West Maas en Waal. 3. Een andere of overige voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze: a. Daadwerkelijk beschikbaar is; en b. Passend en toereikend is voor de hulpvraag. 4. Indien de aanvraag betrekking heeft op de kosten voor jeugdhulp die de jeugdige en/of ouder(s) voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, kan het college hier slechts een voorziening voor verstrekken: a. als op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van opgroeiopvoedingsproblem en, psychische problemen of stoornissen waarvoor de hulp is ingezet, en;
de beleidsregels indicatiestelling Wlz zijn gemaakt
•
Artikel 8, lid 3 toegevoegd omdat jeugdhulp als laatste vangnet moet dienen. Als een andere of overige voorziening beschikbaar is, wordt deze ingezet
•
Artikel 8, lid 4 toegevoegd om regels te stellen aan kosten die zijn gemaakt voorafgaande een aanvraag
a. tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; b. tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten; of c. als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.
b. voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakt kosten achteraf nog kan beoordelen; c. de voorziening als bedoeld in lid 2 kan slechts betrekking hebben op gemaakte kosten over een periode van maximaal 3 maanden vóór de aanvraag; d. het college kan nadere regels stellen ter verdere uitwerking van de criteria, zoals genoemd in het eerste en tweede lid. 5. Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en waar beschikbaar er wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met
•
Artikel 8, lid 5 & 6 toegevoegd om de jeugdhulp zo effectief als mogelijk in te zetten op basis van bewezen effectieve voorzieningen
d. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. e. Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat voor zover de cliënt aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening.
een bewezen niet effectieve interventie. 6. Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in: a. de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut; b. de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden; c. de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg) 7. Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate tijdig beschikbare voorziening.
Artikel 6. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
•
Artikel 6 toegevoegd. In zijn geheel met het doel om het proces van onderzoek te verduidelijken. Hier staat
1. het college onderzoekt vormvrij met behulp van een deskundige van de gemeente in samenspraak met de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken na de ontvangst van de melding: a. Wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s) is en wat die hulpvraag heeft doen ontstaan. b. De behoeften, persoonskenmerke n en voorkeuren van de jeugdige en zijn ouders, de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie; c. Of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblem en van de ouders of adoptie gerelateerde problemen, en zo ja:
•
ten minste in wat moet worden onderzocht, en vermeld voor het doen van zorgvuldig onderzoek Artikel 6, lid 1 termijn van 6 weken toegevoegd op basis van wettelijke termijn
I. II.
III.
IV.
Welke problemen of stoornissen dat zijn; Welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; Of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders en de personen die tot hun sociale omgeving behoren toereikend zijn om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden, en Voor zover de eigenlijk mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, overige voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg; d. hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp
zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, en e. indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. 2. Het college kan aanvullende vereisten voor het onderzoek vaststellen in de nadere regels. 3. het college informeert de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het onderzoek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt hen toestemming om hun persoonsgegevens te verwerken. 4. Het college verzamelt alle voor het onderzoek
van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie. Hierbij brengt het college de jeugdige en zijn ouders op de hoogte van de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet op te stellen. 5. Bij het onderzoek wordt aan de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen tot de verstrekking van een pgb. De jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze. 6. De jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger verschaffen het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. 7. Het college kan ik overleg met de jeugdige of zijn
Artikel 7. Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura en/of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verstrekt, en d. welke andere voorzieningen relevant (kunnen) zijn.
3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking
ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger afzien van een onderzoek. Artikel 12. Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2. Bij het verstrekken van een individuele voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is en wat de omvang van het beoogde resultaat daarvan zijn; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verstrekt, en d. indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 3. bij het verstrekken van een individuele voorziening in de vorm van een pgb wordt in de
•
•
•
Artikel 12, lid 2 maatwerkvoorziening naar individuele voorziening veranderd volgens de juiste term in de Jeugdwet. Artikel 12, lid 2:a omvang toegevoegd om doelen duidelijker te schetsen.
Artikel 12, lid 2:d indien van toepassing toegevoegd omdat er niet altijd andere relevante voorzieningen zijn.
in ieder geval vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;