CConstaterende datWest Maas en Waal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5. Was-wordt tabel Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp - definitief

Gemeenteraad 11 september 2025, gemeente West Maas en WaalBij agendapunt: Z.11796021.817 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Was-wordt-tabel verordening maatschappelijke ondersteuning 2015 [tekst] = verwijderd Tekst = gewijzigd Tekst = toegevoegd Toelichtingen: 1. De was-wordt tabel is zo opgebouwd dat in de linker tabel onder ‘’bestaande tekst’’ de volgorde van de oude verordening is aangehouden. De volgorde onder ‘’nieuwe tekst’’ wijkt dus af door een groot aantal wijzigingen. Dit is in de tabel zo duidelijk mogelijk aangegeven. 2. Alle stukken tekst betreffende jeugdhulp zijn uit Deel A maatschappelijke ondersteuning gehaald. Deze zijn toegelicht in Deel B (Jeugdhulp). De wijzigingen (bv. het verwijderen van verwijzingen naar de Jeugdwet) worden niet in de toelichting gezet, maar hier benoemd.

Bestaande tekst Hoofdstuk 1 Begrippen en vormen van ondersteuning Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening [en de daarop berustende bepalingen] wordt verstaan onder:

Nieuwe tekst Hoofdstuk 1 Begrippen en vormen van ondersteuning Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze verordening wordt verstaan onder: a. aanbieder: rechtspersoon of natuurlijk persoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; b. aanvraag: een verzoek van een inwoner (belanghebbende) aan het college om een besluit te nemen; c. algemene voorziening, ook wel overige voorzieningen genoemd: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning; d. algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die: • niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is, • niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten,

Toelichting

•

Artikel 1, lid 1:a: vergroten leesbaarheid door toevoeging begrip

•

Artikel 1, lid 1:b: vergroten leesbaarheid door toevoeging begrip

•

Artikel 1, lid 1:c: verplaatsen begrip in artikel voor vergroten leesbaarheid (alfabetische volgorde)

•

Artikel 1, lid 1:d: verplaatsen begrip voor vergroten leesbaarheid (alfabetische volgorde)

a. bijdrage: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de Wet maatschappelijke ondersteuning; b. [cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een hulpvraag is gedaan. In deze verordening kan dat zijn

activiteiten of andere maatregelen, • een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat is tot zelfredzaamheid of participatie, en • Volgens de CRvB gangbaar is onder de gehele bevolking en wanneer het bekostigd kan worden uit het minimum inkomen; e. andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wmo 2015, bijvoorbeeld de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg; een andere voorziening is in beginsel voorliggend op een Wmo-voorziening; f. begeleiding: dienstverlening in de vorm van individuele begeleiding of groepsbegeleiding/dagbe steding; g. bijdrage: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de Wet maatschappelijke ondersteuning;

•

Artikel 1, lid 1:e: verplaatsen begrip voor vergroten leesbaarheid (alfabetische volgorde)

•

Artikel 1, lid 1:f: vergroten leesbaarheid door toevoegen begrip Artikel 1, lid b van de oude verordening is verwijderd, omdat cliënt is veranderd naar inwoner in de tekst en vrijwel niet meer wordt gebruikt

•

een: persoon vallend onder de Wmo, dan wel een jeugdige of zijn ouders vallend onder de Jeugdwet]; c. college: college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente West Maas en Waal; d. gebruikelijke hulp: zorg die verwacht mag worden vanuit het sociale netwerk van de cliënt of de jeugdige;

e. hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft of zal hebben en op welk adres hij in de Basisregistratie Personen ingeschreven staat of zal staan (indien de cliënt in de Basisregistratie Personen met een postadres ingeschreven staat, gaat het om het feitelijk woonadres); f. hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo, [dan wel

h. college: college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente West Maas en Waal; i. gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaardbare opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van inwonende ouders, kinderen, echtgenoten en andere huisgenoten rekening houdend met hun eigen mogelijkheden, zelfredzaamheid en het probleemoplossend vermogen, zoals bedoeld in de Wmo; j. hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de inwoner zijn vaste woonen verblijfplaats heeft of zal hebben en op welk adres hij in de Basisregistratie Personen ingeschreven staat of zal staan (indien de inwoner in de Basisregistratie Personen met een postadres ingeschreven staat, gaat het om het feitelijk woonadres); k. ingezetene: inwoner die een hoofdverblijf heeft in de gemeente West Maas en Waal;

•

Artikel 1, lid 1:i: tekstuele aanpassing voor vergroten leesbaarheid en betere duiding van het begrip. In 2025/2026 zal in de nadere regels nog een uitgebreide beschrijving van gebruikelijk hulp in het kader van de Wmo worden beschreven.

•

Artikel 1, lid 1:k: vergroten leesbaarheid door toevoeging begrip

behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerst lid, van de Jeugdwet]; g. [jeugdige: kinderen en jongeren tot 18 jaar]; h. [ouders: hiermee worden ouders of verzorgers bedoeld van de jeugdige];

l.

inwoner: een ingezetene van de gemeente West Maas en Waal die ingeschreven staat in de Basisregistratie Personen (BRP). Daarnaast in deze verordening een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een hulpvraag is gedaan. In deze verordening kan dat zijn: een persoon vallend onder de Wmo; m. maatwerkvoorziening: een op de persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen zoals opgenomen in de Wmo; Ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, I. Ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en

•

Artikel 1, lid 1:l: vergroten leesbaarheid door toevoeging begrip

•

Artikel 1, lid 1:m: vergroten leesbaarheid door toevoeging begrip

andere maatregelen, II. Ten behoeve van beschermd wonen en opvang; voor de van toepassing zijnde bepalingen betreffende beschermd wonen en maatschappelijke opvang wordt verwezen naar de bepalingen betreffende beschermd wonen en maatschappelijke opvang in de geldende Verordening maatschappelijke opvang en jeugdhulp van de gemeente Nijmegen. Deze bepalingen zijn van toepassing op de uitvoering van beschermd wonen en maatschappelijke opvang in de gemeente West Maas en Waal. n. melding: kenbaar maken van de ondersteuningsvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de Wmo 2015; o. nadere regels: algemeen verbindende voorschriften ter uitwerking van

•

Artikel 1, lid 1:n: vergroten leesbaarheid door toevoeging begrip

•

Artikel 1, lid 1:o: vergroten leesbaarheid door toevoeging begrip

p.

q.

r.

i.

pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo [en artikel 8.1.1 van de Jeugdwet], zijnde een door het college verstrekt budget aan de cliënt, dat hem in staat stelt de [(jeugd)]hulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;

s.

t.

onderdelen van de verordening. Ondersteuningsvraag of hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de Wmo 2015; Onderzoek: onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo naar een ondersteuningsvraag of hulpvraag; persoonlijk ondersteuningsplan: een plan waarin de inwoner de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015 onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. Persoonsgebonden budget (pgb): persoonsgeboden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo, zijnde een door het college verstrekt budget aan de inwoner, dat hem in staat stelt de hulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken; tarief en kostprijs: het bedrag dat de gemeente aan een aanbieder moet betalen voor de verstrekking van een voorziening in natura;

•

Artikel 1, lid 1:p: vergroten leesbaarheid door toevoeging begrip

•

Artikel 1, lid 1:q: vergroten leesbaarheid door toevoeging begrip

•

Artikel 1, lid 1:r: vergroten leesbaarheid door toevoeging begrip

•

Artikel 1, lid 1:t: vergroten leesbaarheid door toevoeging begrip

j.

wet: Wet maatschappelijke ondersteuning Wmo 2015 of Jeugdwet. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt onder voorzieningen verstaan: - algemene voorziening, ook wel overige voorzieningen genoemd: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning; - algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen; - voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen;

u. uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; v. voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen en die voorliggend is op een maatwerkvoorziening; w. wet: Wet maatschappelijk ondersteuning Wmo 2015;

•

x. zzp-er: een ondernemer die geen personeel in dienst heeft, waarbij voor de vaststelling of er sprake is van een ondernemer de volgende criteria gelden: • zelfstandigheid bij de inrichting van de eigen werkzaamheden en het uitvoeren daarvan; • het voor eigen rekening en risico verrichten van werkzaamheden; • het gericht zijn op en het perspectief hebben van het maken van winst; • bekendmaking van het ondernemerschap; • het streven naar meerdere opdrachtgevers.

•

Artikel 1, lid 1:x: vergroten leesbaarheid door toevoeging begrip

•

Artikel 1 lid 2 toegevoegd om begrippen te duiden die niet in lid 1 worden benoemd, maar wel in de tekst staan. Hiervoor wordt verwezen naar de wetten die van toepassing zijn

2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet ander worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet (Wmo), het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

•

Artikel 1, lid 1:u: vergroten leesbaarheid door toevoeging begrip Artikel 1, lid 1:v: vergroten leesbaarheid door toevoeging begrip

-

maatwerkvoorziening: een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Jeugdwet; ook wel individuele voorziening genoemd, of, zoals opgenomen in de Wmo, een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: 1. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen; 2. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, 3. ten behoeve van beschermd wonen en opvang; voor de van toepassing zijnde bepalingen betreffende beschermd wonen en maatschappelijke opvang wordt verwezen naar de bepalingen betreffende beschermd wonen en maatschappelijke opvang in de geldende Verordening maatschappelijke opvang

en jeugdhulp van de gemeente Nijmegen. Deze bepalingen zijn van toepassing op de uitvoering van beschermd wonen en maatschappelijke opvang in de gemeente West Maas en Waal; andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wmo of Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. Artikel 2. Vormen van ondersteuning 1. De gemeente stelt bepaalde vormen van dienstverlening beschikbaar, die voor elke inwoner vrij toegankelijk zijn, dat wil zeggen dat hiervoor geen indicatie of verwijzing door een professional nodig is. Dit zijn de zogenaamde algemene voorzieningen.

2. De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. Welzijnswerk/sociaal cultureel werk; b. [Schoolmaatschappelijk werk]; c. [Opvoedondersteuning en opvoedadvies];

Artikel 2. Vormen van maatschappelijke ondersteuning 1. De gemeente stelt bepaalde vormen van dienstverlening beschikbaar, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. Algemene voorzieningen zijn voor elke inwoner vrij toegankelijk, dat wil zeggen dat hier geen indicatie of verwijzing door een professional nodig is. Voor een maatwerkvoorziening stelt het college criteria voor de toegang (zie hoofdstuk 3); 2. De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. Welzijnswerk/sociaal cultureel werk;

•

•

•

Artikel 2 maatschappelijke ondersteuning toegevoegd om te duiden dat het alleen om de Wmo gaat Bij Artikel 2, lid 1 is een stuk tekst toegevoegd om het verschil tussen een algemene voorziening en een maatwerkvoorziening te duiden

In artikel 2, lid 2 van de oude verordening zijn alle vormen van algemene voorzieningen voor jeugdigen verwijderd, omdat dit deel alleen Wmo betreft

d. Algemeen maatschappelijk werk; e. Onafhankelijke cliëntondersteuning; f. Collectief Vraagafhankelijk Vervoer. 3. De volgende vormen van maatwerkvoorzieningen zijn o.a. beschikbaar: a. Dagbesteding, dagbehandeling, kortdurend verblijf inclusief vervoer; b. [Ambulante trajecten jeugd –begeleiding en jeugd- en opvoedhulp; c. Ambulante trajecten jeugd – behandeling (basis en specialistische jeugd GGZ); d. Ambulante trajecten jeugd – observatie en diagnostiek; e. Pleegzorg; f. (Semi-) residentiële jeugdhulp]; g. Begeleiding; h. Huishoudelijke hulp; i. Nachtverzorging; j. Vervoersvoorzieningen; k. [Volledig pakket thuis gehandicaptenzorg (L)VG Jeugd; l. Gehandicaptenzorg LVG Jeugd]; m. Hulpmiddelen inclusief herverstrekkers, service en onderhoud; n. Woningaanpassingen, inclusief verhuiskostenvergoeding en tijdelijke huisvesting (niet) zelfstandig.

b. Algemeen maatschappelijke werk; c. Onafhankelijke cliëntondersteuning; d. Collectief vraagafhankelijk vervoer. 3. De volgende vormen van maatwerkvoorzieningen zijn onder andere beschikbaar: a. Dagbesteding, dagbehandeling, kortdurend verblijf inclusief vervoer;

b. c. d. e.

Begeleiding; Huishoudelijke hulp; Logeeropvang; Vervoersvoorzieningen;

Hulpmiddelen inclusief herverstrekkingen, service en onderhoud; g. Woningaanpassingen, inclusief verhuiskostenvergoeding en tijdelijke huisvesting (niet) zelfstandig; 4. Het college draagt zorg voor een begrijpelijke communicatie naar inwoners welke algemene voorzieningen en

•

In artikel 2, lid 3 van de oude verordening zijn alle vormen van maatwerkvoorzieningen voor jeugdigen verwijderd, omdat dit deel alleen Wmo betreft

•

Artikel 2 lid 3:i van de oude verordening ‘’nachtverzorging’’ gewijzigd naar ‘’logeeropvang’’ voor correcte benaming van de zorg

•

Artikel 2, lid 4 toegevoegd om de toegankelijkheid, bedoeld in artikel 2.2.1 van de Wet, van

f.

4. In gevallen van een maatwerkvoorziening waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel 3. Cliëntondersteuning 1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. 2. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger vóór het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo, op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning. Hoofdstuk 2 Toegang Artikel 4. Toegang maatschappelijke ondersteuning [en jeugdhulp]

maatwerkvoorzieningen beschikbaar zijn en hoe de toegang tot deze voorzieningen geregeld is. 5. Het aanbod in dit artikel, is niet uitputtend en is aan verandering onderhevig. Verschuivingen van maatwerkvoorzieningen naar algemene voorzieningen of voorliggende voorzieningen is mogelijk. 6. In gevallen van een maatwerkvoorziening waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel 4. Cliëntondersteuning 1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de inwoner uitgangspunt is. 2. Het college wijst de inwoner en zijn mantelzorger vóór het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo, op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning. Hoofdstuk 2 Toegang en onderzoek Artikel 3. Toegang maatschappelijke ondersteuning 1. Een hulpvraag kan door of namens de inwoner bij het college worden gemeld;

voorzieningen te bevorderen

•

Artikel 2, lid 5 toegevoegd om vast te leggen dat verschuivingen tussen voorzieningen mogelijk zijn, afhankelijk van de omstandigheden rondom de hulpvraag en behoefte van de inwoner

•

Wijziging van artikelnummer voor ‘’Artikel 3 Cliëntondersteuning’’ voor het vergroten van de leesbaarheid door een meer logische volgorde

•

Bij hoofdstuk 2 is ‘’onderzoek’’ toegevoegd, omdat onderzoek doen wordt behandeld in dit hoofdstuk Artikel 3, lid 1 toegevoegd, om het proces van toegang te verduidelijken

•

1. Het college bepaalt met inachtneming van artikel 2.3.1. tot en met 2.3.5 van de Wmo [en artikel 2.3 van de Jeugdwet] bij nadere regeling, op welke wijze in samenspraak met de cliënt wordt vastgesteld of de cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. 2. [Een gesprek maakt altijd deel uit van de procedure in de aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Als de hulpvraag genoegzaam bekend is kan het college in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.]

2. Het college bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk en voert een onderzoek uit op basis van het zorgvuldigheidsbeginsel en conform de vereisten uit artikel 2.3.2 lid 4 van de wet, naar de aanvraag. 3. Het college bepaalt met inachtneming van artikel 2.3.1 tot en met 2.3.5 van de Wmo bij nadere regeling, op welke wijze in samenspraak met de inwoner wordt vastgesteld of de inwoner voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt; 4. Het college informeert de inwoner over de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk ondersteuningsplan en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. 5. Het college betrekt het persoonlijk ondersteuningsplan bij het onderzoek als bedoeld in artikel 5 van deze verordening. 6. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding zo spoedig mogelijk een tijdelijke maatwerkvoorziening in

•

Artikel 3, lid 2 toegevoegd, om het proces van toegang te verduidelijken. Daarnaast het onderzoek beschreven als zorgvuldig onderzoek. Zo kan het onderzoek vormvrij worden gedaan en is er meer ruimte voor eventuele snellere procedures

•

Artikel 3, lid 4 toegevoegd om het proces van toegang te verduidelijken

•

Artikel 3, lid 5 toegevoegd om het proces van toegang te verduidelijken

•

Artikel 6, lid 6 toegevoegd op basis van artikel 2.3.3 van de Wet. Met dit lid wordt de mogelijkheid gegeven om in spoedeisende gevallen

afwachting van de uitkomst van het onderzoek als bedoeld in artikel 5. Artikel 4 is al eerder vermeld naast ‘’Artikel 3 cliëntondersteuning’’ van de oude verordening. [Artikel 5. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2. Als de cliënt hierom verzoekt, legt het college de te verlenen maatwerkvoorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel 7 van deze verordening.] Artikel 5. Onderzoek 1. Het college voert op basis van de melding zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken een onderzoek uit ter verheldering van de hulpvraag. 2. Het onderzoek moet in ieder geval de volgende punten vaststellen: • Duiding van de precieze hulpvraag; • Wat de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie zijn;

adequaat te kunnen handelen

•

Artikel verwijderd, omdat Deel A alleen Wmo betreft

•

Artikel 5 toegevoegd om het proces naar ondersteuning te verduidelijken. Van belang omdat het onderzoek de kern van de procedure vormt. Ook hier wordt gesproken van onderzoek i.p.v. gesprek voor meer vrijheid in het doen van het onderzoek. Zo kunnen processen makkelijker worden aangepast bij wijziging van procedures ten behoeve van de inwoner

•

•

•

3.

4.

5.

6.

De aard en omvang van de door het college te organiseren noodzakelijke maatschappelijke ondersteuning; De mogelijkheden tot de inzet van eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp uit het sociale netwerk en algemene voorzieningen; Of er voor het college nog iets te compenseren overblijft. In de nadere regels kan nader worden uitgewerkt waar het onderzoek aan moet voldoen. Tijdens het onderzoek wordt aan de inwoner in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn. Het college informeert de inwoner over de mogelijkheid om een aanvraag als bedoeld in artikel 6 in te dienen. Als de situatie van de inwoner bij het college voldoende bekend is, kan het onderzoek in overleg met de inwoner worden beperkt tot de onderdelen die volgens het college en de inwoner of zijn vertegenwoordiger van belang zijn in relatie tot de melding.

•

Artikel 5, lid 2 toegevoegd op basis van de uitspraak van het CRvB 21-3-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819 waarin de stappen van zorgvuldig onderzoek worden toegelicht

Artikel 6. Criteria voor een maatwerkvoorziening 1. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: a. ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang

7. Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college de inwoner, zijn mantelzorger of bij gebruikelijke hulp zijn huisgenoten oproepen voor een gesprek of een onderzoek door een daartoe aangewezen deskundige. 8. Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen. Artikel 7. Criteria voor een maatwerkvoorziening 1. Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in zijn zelfredzaamheid of participatie, als de inwoner de beperkingen niet kan verminderen of wegnemen door gebruikt te maken van: a. eigen kracht, en/of b. gebruikelijke hulp, en/of c. mantelzorg, en/of d. hulp van ander personen uit het sociale netwerk, en/of e. algemeen gebruikelijke voorzieningen, en/of f. algemene voorzieningen, en/of g. andere voorzieningen. 2. Een inwoner met psychische of psychosociale problemen en een inwoner die vanwege huiselijk geweld

•

Tekst opbouw gewijzigd in artikel 7, lid 1: a t/m g om de leesbaarheid te vergroten

•

Tekst opbouw gewijzigd in artikel 7 lid 2: a t/m f om de leesbaarheid te vergroten

mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven; en b. ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 2. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de

a. a. b. c.

d. e. f.

of om een andere reden de thuissituatie heeft verlaten, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, als de inwoner de problemen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van: eigen kracht, en/of gebruikelijke hulp, en/of mantelzorg, en/of hulp van ander personen uit het sociale netwerk, en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen, en/of algemene voorzieningen, en/of andere voorzieningen.

3. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de

a.

b.

c.

3.

4.

eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten; of als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat voor zover de cliënt aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening.

a.

b.

c.

4.

5.

6.

Hoofdstuk 3 Maatwerk

eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen; tenzij de inwoner geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten; of als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de inwoner aan maatschappelijke ondersteuning. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat voor zover de inwoner aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening. Het college kan nadere regels stellen over de maatwerkvoorzieningen die op grond van artikel 2 lid 3 beschikbaar zijn.

Hoofdstuk 3 Maatwerkvoorziening Artikel 6. Aanvraag maatwerkvoorziening 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt door of namens

•

Artikel 7, lid 6 is toegevoegd om de regels omtrent maatwerkvoorzieningen te verduidelijken in de nadere regels

•

Artikel 6 toegevoegd om te voldoen aan artikel 2.1.3 lid 2.a van de Wet, waarin wordt vermeld dat in de verordening moet staan op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een

een inwoner schriftelijk ingediend bij het college. 2. De aanvragen worden behandeld volgens artikel 2.3.5 van de Wmo. 3. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld persoonlijk ondersteuningsplan (POP). 4. De maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt indien deze gezien de beperkingen van de inwoner, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt. Artikel 6a. Beslissingen met terugwerkende kracht 1. De inwoner komt niet in aanmerking voor een voorziening als de inwoner: a. De gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de cliënt dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen. b. De gevraagde voorziening na de melding en vóór de datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college

inwoner voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt

•

Toegevoegd om met een menselijke maat te kunnen handelen. Alleen in uitzonderlijke situaties kan er met terugwerkende kracht worden geïndiceerd. Bijvoorbeeld als een inwoner in het ziekenhuis lag.

Artikel 7. Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura en/of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan worden vastgesteld. 2. Terugwerkende kracht kan worden verleend tot maximaal drie maanden vóór de datum van aanvraag, tenzij sprake is van omstandigheden die een langere periode rechtvaardigen. 3. Alle beslissingen over het toekennen van een maatwerkvoorziening met terugwerkende kracht wordt gemotiveerd in het besluit, waarbij specifiek wordt ingegaan op de bijzondere omstandigheden van het geval. Artikel 8. Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura en/of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verstrekt, en d. welke andere voorzieningen relevant (kunnen) zijn. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd; a. voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4. Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.

a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verstrekt, en d. welke andere e. voorzieningen relevant (kunnen) zijn. 3. bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. wat de ingangsdatum en duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4. Als er sprake is van een te betalen bijdrage wordt de inwoner daarover in de beschikking geïnformeerd.

Artikel 8. Regels voor een persoonsgebonden budget (pgb) 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming

Artikel 7 is al eerder vermeld in plaats van ‘’artikel 6. Criteria voor een maatwerkvoorziening’’ uit de oude verordening. Artikel 9. Regels voor een persoonsgebonden budget (pgb) 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming

met artikel 2.3.6 van de Wmo [en artikel 8.1.1 van de Jeugdwet.] 2. Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de Wmo verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.

met artikel 2.3.6 van de Wmo. 2. Onverminderd artikel 2.3.6 tweede en vijfde lid van de Wmo verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. 3. Uit het pgb mag niet betaald worden: a. eigen bijdrage; b. bemiddelingskosten; c. loon aan mensen voor het geven van gebruikelijke hulp; d. uurloon van de zorgverlener die gemaakt zijn voor of na de indicatieperiode; e. kosten voor belangenbehartigers of tussenpersonen; f. administratiekosten zoals voor acceptgiro’s; g. andere zaken waardoor de gestelde doelen niet worden behaald. 4. Het college kan besluiten geen pgb te verstrekken in de volgende situaties: a. Als de inwoner niet voldoet aan de daarvoor gestelde voorwaarden zoals beschreven in de nadere regels;

•

Artikel 9, lid 3 is vanuit de oude verordening (artikel 8, lid 6) hierheen verplaatst voor een betere leesbaarheid

•

Artikel 9, lid 4: a & b toegevoegd ter bestrijding van het ten onrechte of op niet verantwoordelijke manier verkrijgen van een pgb. Het college is bevoegd regels te stellen om een pgb niet toe te kennen. Voor lid 4a wordt verwezen naar de nadere

b. wanneer de beoogde pgbvertegenwoordiger dezelfde persoon is als de beoogde hulpverlener, ten zijn het college daar schriftelijk toestemming voor heeft gegeven.

3. De hoogte van een pgb: a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden; b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; en c. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura. d. [Bij de bepaling van de minimale hoogte van een pgb wordt rekening

Artikel 10. Hoogte van een pgb 1. De hoogte van het pgb: a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de inwoner opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden; b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; en c. bedraagt niet meer dat de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura; d. is het bedrag van de kosten volgens de door

regels. Voor lid 4b wordt verwezen naar de uitspraak van de CRvB: 27-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3761 en CRvB 22-08-2019, ECLI:NL;RCVB:2019:2803

•

Artikel 10 toegevoegd. Voor de hoogte van een pgb is een apart artikel gemaakt om de leesbaarheid te vergroten

•

Artikel 10 lid 1:d & e is toegevoegd om zo goed

gehouden met het bepaalde in de Wet minimumloon en minimum vakantiebijdrage (Wml);]

4. De hoogte van een pgb wordt bepaald op basis van de dienstverlening die anders als zorg in natura zou zijn geleverd. [Hierin wordt het volgende onderscheid gemaakt:]

het college geaccepteerde offerte indien het college voor de betreffende voorziening geen overeenkomst heeft gesloten. e. Wordt voor dienstverlening jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de contractueel overeengekomen index voor de betreffende zorg in natura. 2. De hoogte van een pgb • voor dienstverlening wordt bepaald op basis van de dienstverlening die anders als zorg in natura zou zijn geleverd en bedraagt voor de inzet van dienstverlening, uitgevoerd door personen die formele hulp en ondersteuning bieden, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1ste of 2de graad van de inwoner: I. Werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamhe den is ingeschreven in het Handelregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de

mogelijk te voldoen aan artikel 2.1.3 lid 2.b van de Wet. Hierin wordt benoemd dat in de verordening in ieder geval bepaald moet worden op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld

Artikel 10, lid 2 t/m 4 zijn gewijzigd op basis van juridische aard. Artikel 10 lid 4 is gewijzigd op basis van twee uitspraken van de CRvB over het tarief voor pgb van het sociale netwerk (CRvB 16-82023, ECLI:NL:CRVB:2023:1394 en CRvB 16-8-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1580). Hieruit blijkt dat het tarief minimaal overeen moet komen met de hoogste periodiek in de desbetreffende CAO. Voor hulp bij huishouden is dit de specifiek hiervoor in het leven geroepen salarisschaal hulp bij huishouden, voor begeleiding is dit FWG30 uit de CAO VVT

II.

a. [als de dienstverlening wordt uitgevoerd door een aanbieder betreft het tarief per uur of per resultaat, naar gelang de zwaarte van de beperkingen en mate van begeleidingsbehoefte, 100% van het laagste tarief per uur of per resultaat van een door de gemeente gecontracteerde aanbieder die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt; b. als de dienstverlening wordt uitgevoerd door een zzp’er betreft het tarief per uur of per resultaat, naar gelang de zwaarte van de beperkingen en mate van begeleidingsbehoefte, 90% van het laagste tarief per uur of per resultaat van een door de gemeente gecontracteerde aanbieder die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt;

desbetreffende taken; Werken als Zelfstandige zonder personaal en ingeschreven staan in het handelsregister (conform artikel 5 handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.

De aanbieders die vallen onder I ontvangen maximaal 100% van het laagste tarief per uur of resultaat van een door gemeente gecontracteerde aanbieder voor zorg in natura die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt. Dit tenzij op basis van het budgetplan van de inwoner passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht. De aanbieders die vallen onder II ontvangen maximaal 90% van het laagste tarief per uur of resultaat van een door gemeente gecontracteerde aanbieder die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt. Dit tenzij op basis van het budgetplan van de inwoner passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.

c. als de dienstverlening wordt uitgevoerd door een persoon uit het sociaal netwerk betreft het tarief per uur of per resultaat, naar gelang de zwaarte van de beperkingen en mate van begeleidingsbehoefte, 50% van het laagste tarief per uur of per resultaat van een door de gemeente gecontracteerde aanbieder die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt, met een maximum van € 20 per uur zoals bepaald bij wet. 5. Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk als: a. deze persoon hiervoor een tarief hanteert dat 50% bedraagt van het laagste toepasselijke tarief per uur of resultaat dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder, rekening houdend met de Wet minimumloon en minimum vakantiebijdrage en; b. tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit het pgb worden betaald; c. deze persoon niet overbelast is of overbelast dreigt te worden en deze voldoende gekwalificeerd is

3. Als de ondersteuning wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 2 is sprake van informele hulp. 4. Bij het vaststellen van het bedrag voor een pgb voor de inhuur van iemand uit het sociale netwerk wordt uitgegaan van de volgende tarieven: I. Bij huishoudelijke hulp: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende CAO VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg). Te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. II. Bij individuele begeleiding: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende CAO VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen

6. a. b. c.

d.

e.

f. g.

om de taken uit te voeren en het geen bedreiging van veiligheid oplevert]; Uit het pgb mag niet betaald worden: eigen bijdrage; bemiddelingskosten; loon aan mensen voor het geven van gebruikelijke hulp; uurloon van de zorgverlener die gemaakt zijn voor of na de indicatieperiode; kosten voor belangenbehartigers of tussenpersonen; administratiekosten zoals voor acceptgiro’s; andere zaken waardoor de gestelde doelen niet worden behaald.

en Thuiszorg). Te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren. 5. Als het op basis van lid 1, lid 2 en lid 4 vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen voorziening te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de ondersteuning hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht.

•

Artikel 8, lid 6 uit de oude verordening is verplaatst naar Artikel 9, lid 3 voor een betere leesbaarheid

•

Artikel 9 uit de oude versie van de verordening verwijderd of in een ander deel van een artikel toegevoegd om de leesbaarheid te vergroten en een logischere opbouw te krijgen. Vooral toegevoegd of gewijzigd in artikel 13 & artikel 13a

Artikel 8 wordt eerder vermeld naast ‘’Artikel 7. Inhoud beschikking’’ van de oude verordening. [Artikel 9. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en pgb’s (alleen Wmo) en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening zolang de cliënt van deze voorziening gebruik maakt.

3. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb en voor bij verordening aangewezen algemene voorzieningen, zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 19 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wet, of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere eigen bijdrage is verschuldigd. 4. Geen eigen bijdrage is verschuldigd voor rolstoelen. 5. De kostprijs van een: a. Maatwerkvoorziening of bij verordening aangewezen algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder; b. Maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening (bruikleen, huur of eigendom); c. pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. 6. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of

pgb door het CAK vastgesteld en geïnd. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.] [Artikel 9a. Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen (alleen Wmo), met uitzondering van de bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 1. Voor het gebruik van een algemene voorziening kan van de cliënt een bijdrage in de kosten worden gevraagd. De hoogte van de bijdrage wordt bepaald aan de hand van en tot maximaal de kostprijs van de voorziening. 2. De kostprijs van een algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder. 3. Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vervoer ter hoogte

•

Artikel 9a uit de oude verordening verwijderd of in een ander deel toegevoegd ter vergroting van de leesbaarheid en een logischere opbouw te krijgen. Vooral toegevoegd of gewijzigd in artikel 13 & artikel 13a

4.

5.

a.

b.

6.

van een eenmalige bijdrage van € 7,50 voor de vervoerspas. Naast de in het tweede lid bedoelde eigen bijdrage is de cliënt een opstaptarief en het gecontracteerde Wmo-tarief verschuldigd tot een reisafstand van 25 kilometer tenzij er sprake is van een puntbestemming waarvoor altijd het gecontracteerde Wmo-tarief geldt. Indien er sprake is van een cliënt met een vervoerspas voor het collectief vervoer en met een indicatie voor: verplichte/medische begeleiding, van ten hoogste één persoon, dan is voor de persoon die deze begeleiding verzorgt geen eigen bijdrage verschuldigd. Cliënt en begeleider moeten gezamenlijk reizen; sociale begeleiding, van ten hoogste één persoon, dan geldt voor de persoon die deze begeleiding verzorgt hetzelfde Wmo-tarief als voor de cliënt. Geen eigen bijdrage is verschuldigd voor algemeen maatschappelijk werk (AMW).] Artikel 9 wordt al eerder vermeld naast ‘’Artikel 8. Regels voor een persoonsgebonden budget (pgb)’’ van de oude verordening.

Artikel 10. Weigeringsgronden 1. [Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening, dan wel persoonsgebonden budget, niet zijnde beschermd wonen of opvang, bestaat indien de cliënt geen hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente West Maas en Waal. 2. De aanvraag voor een woningaanpassing kan in ieder geval worden geweigerd indien de noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud, dan wel slechts strekt ter renovatie van de woning of deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen worden gesteld.]

Artikel 14. Weigeringsgronden 1. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: a. als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de inwoner rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan; b. als voor de problematiek die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; c. als de gevraagde voorziening al eerder aan de inwoner is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet verstreken is, tenzij: i. een eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan, of ii. de inwoner geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten.

•

Artikel 14 is uitgebreid en gewijzigd, omdat in de huidige verordening veel weigeringsgronden niet waren gespecificeerd of uitgebreid waren. Het artikel gaat in op maatwerkvoorzieningen en woonvoorzieningen

2. Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt als deze niet langdurig noodzakelijk is, met uitzondering van hulp bij huishouden of noodzakelijke kortdurende begeleiding. 3. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: a. als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; b. als de inwoner zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen, met uitzondering van bijzondere situaties; c. ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt; Als het college beslist dat het om een algemeen gebruikelijke voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat. Hier kan

bijvoorbeeld onder worden verstaan: een automatische deuropener, hellingbanen, het aanbrengen van drempelhulp of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. Er kan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt; d. Ten behoeve van specifiek op personen met beperkingen en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimte e. als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is; f. als de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college; g. als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige

meerkosten meegenomen kan worden. Artikel 10 wordt al eerder vermeld in plaats van ‘’artikel 8. Regels voor een persoonsgebonden budget (pgb)’’ uit de oude verordening Hoofdstuk 5 Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten Artikel 11. Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1. Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen door middel van een melding bij het college voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking worden gebracht. 2. De jaarlijkse blijk van waardering heeft een waarde van ten hoogste € 50 en wordt door het college vastgesteld. 3. Om in aanmerking te komen voor deze waardering, dient een mantelzorger: a. ingeschreven te staan bij een mantelzorgsteunpunt; en b. minimaal drie maanden minimaal 8 uur per week mantelzorg te verlenen.

Artikel 19 Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1. Mantelzorgers van inwoners in de gemeente kunnen door middel van een melding bij het college voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking worden gebracht. 2. De vorm en waarde van de blijk van waardering en het totaal aantal blijken van waardering per jaar wordt door het college vastgesteld. Om in aanmerking te komen voor deze waardering, dient een mantelzorger: a. Ingeschreven te staan bij een b. mantelzorgsteunpunt; en c. Minimaal drie maanden minimaal 8 uur per week mantelzorg te verlenen. 3. Het college kan met inachtneming van artikel 2.1.2 en 2.2.2 Wmo nadere regels vaststellen ter

•

Wijziging in tekst van artikel 20, lid 2 om numerieke waardes te voorkomen, zodat de verordening langer houdbaar is

•

Artikel 20, lid 3 toegevoegd om de waardering van mantelzorgers vast te

ondersteuning van mantelzorgers. Artikel 11. Collectief vraagafhankelijk vervoer 1. Een inwoner, van 18 jaar of ouder, die op grond van beperkingen voor het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel gebruik wil maken van aanvullend sociaal recreatief vervoer kan een Wmo-pas aanvragen bij de gemeente. 2. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt rekening gehouden met de verplaatsingen tot een maximum aantal kilometers per jaar. Het kilometeraantal wordt vastgesteld door het college in de nadere regels. 3. Als een inwoner in de loop van het kalenderjaar ondersteuning in de vorm van een Wmo-pas wordt toegekend dan wordt de omvang van het jaarbudget (het aantal kilometers) evenredig bepaald. 4. Het collectief vervoer wordt uitgezonderd van de maandelijkse eigen bijdrage. Een inwoner is een vergoeding verschuldigd voor de kosten van het gebruik van het collectief vervoer. 5. De hoogte van de bijdrage voor de maatwerkvoorziening voor collectief vervoer is

laten stellen in de nadere regels •

Artikel 11 toegevoegd ter vaststelling van regels over (regio)vervoer. Regels komen overeen met hoe het is geregeld in onze gemeente. Afgestemd met de daarvoor verantwoordelijke beleidsadviseur

Artikel 12. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen [(alleen Wmo)] 1. Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. 2. De algemene tegemoetkoming in de

gelijk aan een opstaptarief en het gecontracteerde Wmotarief. De tarieven voor de bijdrage per rit zijn terug te vinden op de website van de vervoerder. 6. Het college kan (individuele) puntbestemmingen aanwijzen. 7. Mocht de inwoner in plaats van de inzet van het collectief vraagafhankelijk vervoer een pgb ontvangen is deze gelijk aan de onbelaste kilometervergoeding zoals de Belastingdienst hanteert voor woonwerkverkeer. Artikel 20. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen 1. het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.

•

Extra toelichting: Artikel 11, lid 7 toegevoegd omdat het ontvangen van een pgb voor collectief vraag afhankelijk vervoer verplicht is om aan te bieden

hogere zorgkosten, zoals vastgelegd in de regeling financiële tegemoetkoming chronisch zieken (FTCZ) bedraagt maximaal € 215,00

2. De hoogte van de algemene tegemoetkoming in de hogere zorgkosten is gelijk aan het bedrag zoals vastgelegd in de geldende beleidsregels van het lokale minimabeleid. 3. Voorwaarden voor deze verstrekking zijn: a. Aanvrager is 18 jaar of ouder; en b. Aanvrager is inwoner van de gemeente West Maas en Waal; en c. Aanvrager heeft de Nederlandse nationaliteit of verblijft rechtmatig in Nederland; en d. Er moet bij de aanvrager sprake zijn van chronische ziekte of beperking; en e. De aanvrager heeft een inkomen lager of gelijk aan de percentages genoemd in de beleidsregels die toebehoren tot deze doelgroep; en f. De aanvrager heeft een vermogen dat niet hoger is dat het voor hem van toepassing zijne heffingsvrije vermogen, zoals opgenomen in de Wet inkomstenbelasting. De waarde van de eigen woning wordt bij deze vermogensvaststelling

•

Artikel 21, lid 2 tekstuele aanpassingen zonder numerieke waardes, zodat het kan worden gespecificeerd in de nadere regels. Deze zijn makkelijker te wijzigen

•

Artikel 21, lid 3 om voorwaardes voor de verstrekking tot een tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen te duiden

buiten beschouwing gelaten; en g. De aanvraag wordt gedurende het lopende kalenderjaar gedaan waarbij de uiterste datum van indiening 31 december is. 4. Kinderen jonger dan 18 jaar kunnen onder de volgende voorwaarden ook in aanmerking komen voor een tegemoetkoming: a. Als de ouder van het kind jonger dan 18 jaar een inkomen en vermogen heeft zoals opgenomen in lid 3 sub e en f van dit artikel; b. Het kind is inwoner van de gemeente West Maas en Waal; en c. Het kind heeft de Nederlandse nationaliteit of verblijft rechtmatig in Nederland; en d. Er is een voorziening in het kader van de Wmo verstrekt; of e. Het kind heeft langdurige thuiszorg nodig als gevolg van een handicap of ziekte; en f. De aanvraagt wordt gedurende het lopende kalenderjaar gedaan waarbij de uiterste datum van indiening 31 december is.

•

Artikel 21, lid 4 toegevoegd omdat kinderen onder de 18 jaar ook onder deze regeling kunnen vallen. Daarom regels opgesteld in de verordening

5. Het college bekijkt elk jaar of de hoogte van de tegemoetkoming moet worden aangepast. Die aanpassing gaat dan in per 1 januari van het jaar erna. Artikel 12. Regels voor een financiële tegemoetkoming 1. Een inwoner komt in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming als dit een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie. 2. De financiële tegemoetkoming is van toepassing op: a. De kosten van verhuizen en herinrichting. De hoogte is gebaseerd op marktonderzoek naar de kosten voor verhuizing en de meest recente Nibudprijzengids voor stoffering. Het college legt de hoogte vast in het besluit; b. Een tegemoetkoming voor een sportrolstoel of een sportvoorziening. De bedragen voor een sportrolstoel en overige (extra) kosten staan opgenomen in het Besluit maatschappelijke ondersteuning 2015 (ex artikel 19) o.b.v. indexering met afronding. c. Een vervoerskostenvergoedin g voor vervoer per eigen auto. De hoogte van de

•

Artikel 21, lid 5 toegevoegd om te duiden hoe de hoogte van de tegemoetkoming wordt vastgesteld

•

Artikel 12 toegevoegd, omdat hier wel sprake van is bij West Maas en Waal, maar nog niet werd benoemd in de verordening

Hoofdstuk 4 Kwaliteit Artikel 13. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning [en jeugdhulp] 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. het afstemmen van voorzieningen op

vervoerskostenvergoedin g wordt nader vastgesteld door het college. De hoogte van de financiële tegemoetkoming wordt door het college gebaseerd op de autokosten volgens de meest recente Nibudprijzengids (variabele kosten miniklasse) waarbij het uitgangspunt geldt dat een inwoner met behulp van de vergoeding 2500 kilometer per kalenderjaar binnen de eigen leef- en woonomgeving kan reizen. 3. De financiële tegemoetkoming is een forfaitair bedrag en is in ieder geval bij benadering kostendekkend. Hoofdstuk 4: kwaliteit en veiligheid Artikel 16. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. Het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de inwoner; b. Het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van

•

Veiligheid is toegevoegd, omdat veiligheid ook wordt behandeld in de artikelen onder dit hoofdstuk

andere vormen van zorg en ondersteuning;

c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; d. voor zover van toepassing erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken.

2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse

zorg en ondersteuning; c. Inzet van de juiste deskundigheid; d. Erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; e. Voor zover van toepassing erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken. 2. Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de inwoner ter plaatse

•

Artikel 17, lid 1:c toegevoegd omdat dit bijdraagt aan de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning

•

Artikel 17, lid 2 verwijst naar de nadere regels om de mogelijkheid te geven extra regels te stellen aan de eisen aan de kwaliteit van voorzieningen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15859207/1