CConstaterende datWest Maas en Waal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5. Was-wordt tabel Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp - definitief

Gemeenteraad 11 september 2025, gemeente West Maas en WaalBij agendapunt: Z.11796021.817 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

d. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. [Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.]

beschikking tevens in ieder geval vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; e. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en f. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4. Bij het besluit wordt informatie verstrekt over de rechten en de plichten van de jeugdige en/of ouder(s) op grond van de wet, de verordening en de nadere regels. 5. Het college kan periodiek onderzoeken of er aanleiding is een besluit te heroverwegen en stelt hierover nadere regels. Artikel 7. Verslag 1. Binnen 10 werkdagen na het onderzoek verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger een

•

Artikel 12, lid 3:d toegevoegd op basis van de modelverordening jeugd. Zo worden de jeugdige en diens ouders optimaal geïnformeerd

•

Artikel 12 lid 4 toegevoegd, omdat dit verplicht is om te doen

•

Artikel 12 lid 5 toegevoegd om bij te dragen aan de rechtmatigheid van het toekennen van een pgb

•

Artikel 7, lid 1 de termijn van 10 dagen is aangehouden omdat de uitvoering aan heeft aangegeven het altijd binnen deze termijn te doen

schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouders worden aan het verslag toegevoegd. 2. het college vergewist zich ervan dat de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek hebben begrepen. 3. Als uit het verslag of de opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger blijkt dat een individuele voorziening is aangewezen of gewenst is, wordt het verslag ondertekend door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger en door deze teruggestuurd. 4. Als uit het verslag blijkt dat gezamenlijke conclusie is dat de hulpvraag kan worden opgelost met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend

•

Artikel 7, lid 2 toegevoegd omdat vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid de jeugdige en diens ouders de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek hebben begrepen

•

Artikel 7 lid 3 toegevoegd, omdat dit een verplichte stap is in het proces tot aanvraag

•

Artikel 7, lid 4 toegevoegd, zodat de procedure duidelijk is als de hulpvraag kan worden opgelost door de eigen mogelijkheden

Artikel 8. Regels voor een persoonsgebonden budget (pgb) 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met [artikel 2.3.6 van de Wmo en] artikel 8.1.1 van de Jeugdwet. 2. Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de Wmo verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.]

vermogen, dan wel door gebruik van een andere of overige voorziening, dan wordt het verslag ondertekend door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger en door deze teruggestuurd. In dat geval geldt het ondertekende verslag voor zover er een aanvraag was ingediend als intrekking van die aanvraag voor een individuele voorziening. Artikel 17. Hoogte pgb 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de Jeugdwet. 2. De hoogte van het pgb voor informele jeugdhulp bedraagt minimaal 50% van het wettelijk minimumloon. 3. Als het op basis van lid 1 vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen jeugdhulp te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één jeugdhulpaanbieder kan worden ingekocht. 4. De hoogte van het pgb:

•

•

•

Artikel 8 is in zijn geheel veranderd op basis van juridische aard Artikel 17 lid 2 toegevoegd om vast te stellen dat er pgb wordt verleend. Voor Informele hulp betreft dit 50% van het wettelijk minimumloon. Voor formele hulp wordt de hoogte van het pgb behandeld onder lid 5 Artikel 17 lid 3 toegevoegd, omdat op basis van de Jeugdwet de hoogte van een pgb zodanig moet zijn, dat hiermee hulp kan worden ingekocht. Als dit niet kan met de hoogte van het pgb-tarief zoals vastgelegd in eerste lid moet de hoogte worden aangepast

3. Uit het pgb mag niet betaald worden: a. eigen bijdrage; b. bemiddelingskosten; c. loon aan mensen voor het geven van gebruikelijke hulp; d. uurloon van de zorgverlener die gemaakt zijn voor of na de indicatieperiode; e. kosten voor belangenbehartigers of tussenpersonen; f. administratiekosten zoals voor acceptgiro’s; g. andere zaken waardoor de gestelde doelen niet worden behaald 4. De hoogte van een pgb: a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden; b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; en

a. Wordt vastgesteld aan de hand van een door de inwoner opgesteld pgb-plan over hoe hij het pgb gaat besteden; b. Bedraagt niet meer dan de totale kostprijs van in de betreffende situatie goedkoopst adequate voorziening in de gemeente beschikbare individuele voorzieningen in natura, en indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; c. Is het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte indien het college voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft gesloten; d. Wordt voor dienstverlening jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de contractueel overeengekomen index voor de betreffende maatwerkvoorzienin g in natura. 5. De hoogte van een pgb voor dienstverlening

•

Artikel 17, lid 4 toegevoegd om de hoogte van een pgb te bepalen

•

Artikel 17 lid 5 toegevoegd om de hoogte van een pgb

c. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura. d. Bij de bepaling van de minimale hoogte van een pgb wordt rekening gehouden met het bepaalde in de Wet minimumloon en minimum vakantiebijdrage (Wml); 5. De hoogte van een pgb wordt bepaald op basis van de dienstverlening die anders als zorg in natura zou zijn geleverd. Hierin wordt het volgende onderscheid gemaakt: a. als de dienstverlening wordt uitgevoerd door een aanbieder betreft het tarief per uur of per resultaat, naar gelang de zwaarte van de beperkingen en mate van begeleidingsbehoefte, 100% van het laagste tarief per uur of per resultaat van een door de gemeente gecontracteerde aanbieder die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt; b. als de dienstverlening wordt uitgevoerd door een zzp’er betreft het tarief per uur of per

wordt bepaald op basis van de dienstverlening die anders als zorg in natura zou zijn geleverd en bedraagt voor de inzet van dienstverlening, uitgevoerd door personen die formele hulp en ondersteuning bieden, met uitzondering van bloedof aanverwanten in de 1ste of 2de graad van de inwoner: I. Werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaam heden is ingeschreven in het handelsregister (conform artikel 5 Handelsregister wet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of II. Werken als Zelfstandige zonder personeel en ingeschreven staan in het Handelsregister

te bepalen wanneer de uitvoering van de dienstverlening wordt gedaan door personen die formele hulp en ondersteuning bieden

resultaat, naar gelang de zwaarte van de beperkingen en mate van begeleidingsbehoefte, 90% van het laagste tarief per uur of per resultaat van een door de gemeente gecontracteerde aanbieder die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt; c. als de dienstverlening wordt uitgevoerd door een persoon uit het sociaal netwerk betreft het tarief per uur of per resultaat, naar gelang de zwaarte van de beperkingen en mate van begeleidingsbehoefte, 50% van het laagste tarief per uur of per resultaat van een door de gemeente gecontracteerde aanbieder die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt, met een maximum van € 20 per uur zoals bepaald bij wet. 6. Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk als:

(conform artikel 5 Handelsregister wet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. De aanbieders die vallen onder I ontvangen maximaal 100% van het laagste tarief per uur of resultaat van een door gemeente gecontracteerde aanbieder die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt. Dit tenzij op basis van het budgetplan van de inwoner passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht. De aanbieders die vallen onder II ontvangen maximaal 90% van het laagste tarief per uur of resultaat van een door gemeente gecontracteerde aanbieder die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt. Dit tenzij op basis van het budgetplan van de inwoner passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.

a. deze persoon hiervoor een tarief hanteert dat 50% bedraagt van het laagste toepasselijke tarief per uur of resultaat dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder, rekening houdend met de Wet minimumloon en minimum vakantiebijdrage en; b. tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit het pgb worden betaald; c. deze persoon niet overbelast is of overbelast dreigt te worden en deze voldoende gekwalificeerd is om de taken uit te voeren en het geen bedreiging van veiligheid oplevert; Artikel 8 wordt al eerder vermeld in plaats van ‘’artikel 6. Criteria voor een maatwerkvoorziening’’ uit de oude verordening. [Artikel 9. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en pgb’s (alleen Wmo) en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of

•

Artikel 9 uit de oude verordening verwijderd, deze heeft alleen betrekking op de Wmo

2.

3.

4.

5.

gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening zolang de cliënt van deze voorziening gebruik maakt. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb en voor bij verordening aangewezen algemene voorzieningen, zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 19 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wet, of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere eigen bijdrage is verschuldigd. Geen eigen bijdrage is verschuldigd voor rolstoelen. De kostprijs van een: a. Maatwerkvoorziening of bij verordening aangewezen algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder; b. Maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt tevens bepaald

door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening (bruikleen, huur of eigendom); c. pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. 6. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb door het CAK vastgesteld en geïnd. 7. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.] [Artikel 9a. Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen (alleen Wmo), met uitzondering van de bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 1. Voor het gebruik van een algemene voorziening kan van de cliënt een bijdrage in de kosten worden gevraagd. De hoogte van de bijdrage wordt bepaald aan de hand

•

Artikel 9a uit de oude verordening verwijderd, deze heeft alleen betrekking op de Wmo

2.

3.

4.

5.

a.

van en tot maximaal de kostprijs van de voorziening. De kostprijs van een algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder. Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vervoer ter hoogte van een eenmalige bijdrage van € 7,50 voor de vervoerspas. Naast de in het tweede lid bedoelde eigen bijdrage is de cliënt een opstaptarief en het gecontracteerde Wmotarief verschuldigd tot een reisafstand van 25 kilometer tenzij er sprake is van een puntbestemming waarvoor altijd het gecontracteerde Wmotarief geldt. Indien er sprake is van een cliënt met een vervoerspas voor het collectief vervoer en met een indicatie voor: verplichte/medische begeleiding, van ten hoogste één persoon, dan is voor de persoon die deze begeleiding verzorgt geen eigen bijdrage verschuldigd. Cliënt en begeleider

moeten gezamenlijk reizen; b. sociale begeleiding, van ten hoogste één persoon, dan geldt voor de persoon die deze begeleiding verzorgt hetzelfde Wmo-tarief als voor de cliënt. 6. Geen eigen bijdrage is verschuldigd voor algemeen maatschappelijk werk (AMW).] Artikel 9. Deskundig oordeel en advies 1. Het college wint, met in achtneming van artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundige oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist. 2. Het in het eerste lid bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional: a. Bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd; b. Bij het Nederlands instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of

•

•

Artikel 9 toegevoegd omdat soms extra deskundigheid nodig is bij de beoordeling van een aanvraag. Het college is op grond van artikel 2.3 eerste lid, van de wet namelijk verantwoordelijk voor het waarborgen van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen jeugdhulpvoorziening Artikel 9 lid 2 toegevoegd, omdat op basis van de uitspraak van het CRvB (29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097, rov. 4.9 (slot) adviseurs moeten beschikken over deskundigheid. De deskundigheid wordt geborgd door lid 2, waarbij het verplicht is een registratie zoals beschreven te hebben

c. Op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. 3. Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming van de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebben besluit neemt. [Artikel 10. Weigeringsgronden 1. Geen aanspraak op

een maatwerkvoorziening, dan wel persoonsgebonden budget, niet zijnde beschermd wonen of opvang, bestaat indien de cliënt geen hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente West Maas en Waal. 2. De aanvraag voor een woningaanpassing kan in ieder geval worden geweigerd indien de

•

Artikel 9 lid 3 toegevoegd omdat dit de zorgvuldige voorbereiding van besluiten over de toekenning of afwijzing van jeugdhulp borgt, zoals verplicht door de uitspraak van het CRvB (29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1096, rov. 4.11)

•

Artikel 10 uit de oude verordening verwijderd, heeft alleen betrekking op Wmo

noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud, dan wel slechts strekt ter renovatie van de woning of deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen worden gesteld.] Artikel 10. Eigen kracht en gebruikelijke hulp 1. Jeugdigen en/of ouder(s) komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan: a. gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders b. bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan c. de ondersteuning vanuit het sociale netwerk

•

Artikel 10 toegevoegd, omdat vanuit de volgende drie uitspraken van de CRvB gemeenten verplicht zijn uit te leggen wat eigen kracht is, welke voorwaarden daarbij gelden en wat de afwegingsfactoren zijn om dit vast te stellen: CRVB 29-5-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1095 CRVB 29-5-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1096 CRVB 29-5-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097 Dit wordt met het huidige artikel geborgd

d. het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten 2. Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van 1 van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont. 3. Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren: a. de leeftijd van de jeugdige; b. de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van

begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft; c. de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintens iteit van de jeugdige; d. de mate van planbaarheid van de hulp; e. de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige. 4. Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige. 5. Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het college beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven. Het college maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties: • Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het

(gezondheids)problee m en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar. • Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar. 6. Het college verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige. 7. Bij de beoordeling in langdurige situaties houdt het college rekening met de volgende factoren: a. de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintens iteit van de jeugdige; b. de mate van planbaarheid van de hulp;

c. het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders; d. de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige; e. vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond) ; f. of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden; g. welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen; h. het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen; i. de woonsituatie; j. de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet); k. is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of zijn ouders te ondersteunen; l. overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders worden ingebracht.

8. Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp. 9. Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende: • Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige. • Als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen. • Bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen. • Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15859207/1