CConstaterende datWest Maas en Waal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Ruimtelijke onderbouwing

Gemeenteraad 24 juni 2026, gemeente West Maas en WaalBij agendapunt: Bindend adviesrecht aanvraag omgevingsvergunning Alphen - Nieuwe Weg 1725.860 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Tevens zal in deze gevallen rekening gehouden moeten worden met het groepsrisico. 5.2.2 Toetsing Met dit project wordt niet voorzien in een nieuwe risicovolle activiteit. Wel worden kwetsbare functies mogelijk gemaakt. Op het gebied van omgevingsveiligheid is een logiesfunctie met meer dan 5 verblijven een kwetsbaar gebouw (geen beperkt kwetsbaar gebouw). Een logiesfunctie voor internationale werknemers is geen zeer kwetsbaar gebouw. Daarom is het van belang om af te wegen of ten aanzien van de huisvestingsvoorziening een voldoende veilige omgeving kan worden geboden gelet op externe veiligheidsrisico's. Met behulp van de kaart 'Externe veiligheid' (figuur 5.1) kan in beeld worden gebracht welke risicobronnen zich in de omgeving van het projectgebied bevinden. Daarbij wordt gekeken naar risicovolle inrichtingen, buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en transportroutes over land (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

34/368

Figuur 5.1: Uitsnede kaart Externe Veiligheid met aanduiding projectgebied (Bron: Atlas leefomgeving) Op naastgelegen locatie, Nieuwe Weg 13-15, is een bedrijfsfunctie aanwezig. Op basis van de risicokaart is op het perceel van het bedrijf een propaantank aanwezig. Het projectgebied valt buiten de PR 10-6 contour en explosieaandachtsgebied van de risicobron. Op basis van deze informatie wordt met de beoogde ontwikkeling het bedrijf niet beperkt in haar bedrijfsvoering, ook geldt dat ter plaatse van de beoogde wooneenheden voor internationale werknemers sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Verder ligt de projectlocatie op ruim voldoende afstand van andere transportroutes en risicovolle inrichtingen. 5.2.3 Conclusie Het project maakt geen nieuwe risicobron mogelijk en de projectlocatie is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron. Het project is niet in strijd met instructieregels voor omgevingsveiligheid en het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.

35/368

5.3

Water

5.3.1 Instructieregels Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen van grote invloed zijn op de waterhuishouding in een gebied. Ze kunnen gevolgen hebben voor de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de waterveiligheid. Bij verlening van een omgevingsvergunning voor een bopa moet daarom rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen (weging van het waterbelang). In deze paragraaf zijn de waterhuishoudkundige randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen voor het projectgebied gegeven. Deze waterparagraaf vormt daarmee de basis voor het vastleggen van het wateraspect en de weging van het waterbelang zoals dat in de omgevingswet is opgenomen. Om de waterbelangen te borgen is advies ingewonnen bij de waterbeheerder. Indien hiervan afgeweken wordt is dit in navolgende onderbouwing deugdelijk gemotiveerd. Verder zijn de water gerelateerde instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening getoetst. Hiermee is gegarandeerd dat het waterbelang in voldoende mate is meegewogen en dat de plan specifieke regels van de waterbeheerders op een goede wijze in het plan zijn meegenomen. Verder moet rekening worden gehouden met waterschapsbelangen. Uit het waterschapsbeleid en de waterschapsverordening blijkt welke belangen er spelen. Ten slotte wordt het project ook getoetst aan het relevante gemeentelijke beleid met betrekking tot water.

5.3.2 Regelgeving Algemeen Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing: 1. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW). 2. Nationaal: Nationaal Water Programma 2022-2027, Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21), Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), Omgevingswet. 3. Provinciaal: Regionaal Water Programma 2012-2027 (RWP), Provinciale Omgevingsverordening. Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water: Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen: 1. Nieuwe plannen moeten voldoen aan het principe van het 'hydrologisch neutraal' bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden. 2.

In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht moet worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden. 3. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld.

36/368

Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is. Bij de inrichting, het bouwen en het beheer moeten zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen moeten worden vermeden om watervervuiling te voorkomen. Uitgangspunten Waterschap Rivierenland Waterschap Rivierenland is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Waterbeheerplan 2022-2027 (WBP) Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2022-2027 (WBP). Het waterbeheerprogramma is een belangrijk instrument, waarmee het waterschap aangeeft welke beleidsdoelen het nastreeft, welke inspanningen het pleegt om dat beleid te realiseren en welke financiële middelen daarmee gemoeid zijn.

Met het 'Waterbeheerprogramma 2022-2027' blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Waterschap Rivierenland zorgt voor veilige dijken en een evenwichtig watersysteem. Deze missie is het vertrekpunt voor alle activiteiten en projecten van Waterschap Rivierenland. De langetermijnvisie staat in de Watervisie 2050. Het waterbeheerprogramma is het centrale beleidsdocument van het waterschap. Het programma biedt houvast voor bestuurders en ambtenaren. De doelen en maatregelen in het waterbeheerprogramma zijn opgesteld samen met provincies, gemeenten en andere partijen. Het waterschap houdt rekening met provinciale functies en werkt mee aan het realiseren van provinciale doelen. Waterschapsverordening Om haar taak uit te kunnen voeren kent het waterschap naast haar beleid de waterschapsverordening als regelgeving. Het is een verordening waar gedoogplichten, geboden en verboden in staan. De regels gelden voor handelingen, werkzaamheden en veranderingen die worden uitgevoerd of aangebracht in, op of in de nabijheid van waterkeringen, watergangen en kunstwerken. De waterschapsverordening bevat de ligging en maatvoering van waterstaatkundige werken en waterpartijen, alsmede de onderhoud- en beschermingszones.

Dit is omsloten via de bij de verordening behorende legger als kaart. Toename verhard oppervlak of afkoppelen Regenwater dat op een onverharde bodem valt, dringt voor een belangrijk deel in de bodem. Het komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in oppervlaktewater (wegzijging en kwel). Slechts een klein deel stroomt bovengronds af naar het oppervlaktewater. Ter plaatse van verhard oppervlak zal het regenwater nauwelijks of niet in de bodem dringen. Vrijwel al het water stroomt dan direct af naar het oppervlaktewatersysteem en/of naar het rioleringssysteem. Dit betekent dat bij een flinke regenbui het oppervlaktewatersysteem een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen. Voor het uitbreiden van bestaand verhard oppervlak of het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak is toestemming nodig van het

37/368

waterschap. Indien wordt voldaan aan de regels van afdeling 3.22 van de waterschapsverordening Waterschap Rivierenland dan kan worden volstaan met een melding. Kan niet aan de regels in de waterschapsverordening worden voldaan dan moet een vergunning aangevraagd worden. De realisatie van nieuw verhard oppervlak moet waterneutraal worden uitgevoerd. Dit betekent dat voldoende compenserende maatregelen genomen moeten worden, zodat het oppervlaktewatersysteem na het gereedkomen van de verharding niet zwaarder wordt belast dan voordien. Dit kan onder andere bereikt worden door het graven van nieuwe oppervlaktewaterlichamen, het vergroten van bestaande oppervlaktewaterlichamen of het aanleggen van alternatieve voorzieningen zoals wadi's. Het graven van nieuwe oppervlaktewaterlichamen of het vergroten van bestaande oppervlaktewaterlichamen heeft daarbij ten opzichte van het aanleggen van alternatieve voorzieningen de voorkleur. Nieuwe lozingen van bestaand verhard oppervlak worden aan de beslisboom afkoppelen getoetst. Per geval wordt getoetst of de afvoer van hemelwater moet worden gecompenseerd. Voor het bergen geldt als voorkeursvolgorde: 1. Waterberging binnen het plangebied 2. Waterberging in de sloot die regenwater uit het plangebied afvoert 3.

Waterberging binnen hetzelfde peilgebied Om te voorkomen dat individuele bewoners voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc., moeten compenseren geldt er een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m2 voor stedelijk gebied en 1.500 m 2 voor landelijk gebied. (Voor kleinere oppervlaktes hoeft dus niet te worden gecompenseerd, bij grotere oppervlaktes mogen de vrijgestelde oppervlaktes daarop in mindering worden gebracht). Waterberging in openwater In feite is waterberging extra ruimte in sloten. Hiermee kan (regen)water uit de omgeving worden opgevangen. Technisch gezien is waterberging de ruimte tussen het zomerwaterpeil in de sloot en de bovenzijde van de oever. Het waterschap bepaalt aan de hand van normbuien hoeveel waterberging nodig is. Er zijn vuistregels (normbuien) vastgesteld voor de benodigde waterberging in ruimtelijke plannen. Voor berekening van de benodigde waterberging voor ruimtelijke ontwikkelingen is in principe de bui T=10+10% maatgevend. Daarbij geldt als vuistregel dat er 436 m3 waterberging nodig is per hectare verharding. Deze vuistregel geldt alleen bij waterberging in open water. Bij een bui T=10+10% mag het waterpeil in de sloot in principe 0,30 meter stijgen. Dit is een regenbui die, volgens de statistieken, eenmaal per 10 jaar optreedt met 10% opslag vanwege klimaatsverandering.

In het gebied Alblasserwaard en Vijfheerenlanden geldt voor die situatie een maximaal toelaatbare peilstijging van 0,20 meter vanwege de beperkte drooglegging in het gebied. Bij een regenbui (T100+10%) die op basis van de statistieken eenmaal per 100 jaar voorkomt (let op: dit is toch elk jaar weer 1% kans!), mag het waterpeil stijgen tot de laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Waterberging in alternatieve voorzieningen Voor watercompensatie in kunstmatige voorzieningen, zoals bijvoorbeeld wadi's of kratten, geldt als vuistregel dat er 664 m3 waterberging nodig is per hectare verharding.

38/368

Uitgangspunten gemeente Het waterbeleid van de gemeente West Maas en Waal is onder meer vastgelegd in het Beleidsplan Water en Riolering West Maas en Waal 2023. In dit beleidsplan zijn de ambities en doelen voor het watersysteem binnen de gemeente vastgelegd en wordt een nadere invulling gegeven aan de watertaken en zorgplichten. Gemeenten moeten verankerd hebben hoe ze omgaan met waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hittestress. Rioolsystemen (ondergronds) hebben bij hevige buien niet altijd voldoende capaciteit voor de afvoer en berging van het hemelwater. Voor het borgen van een adequate afvoer en berging van het hemelwater moet ook gebruik worden gemaakt van de inrichting van de openbare ruimte (bovengronds). Daarmee wordt de gemeentelijke zorgplicht meer bovengronds zichtbaar in wegen en groen en is de relatie met ruimtelijke ordening, openbare ruimte en vergunningverlening cruciaal. Het klimaatbestendig maken van stedelijk gebied vergt bewuste keuzes bij stedelijke inrichting en stedelijke activiteiten. Bij nieuwe ruimtelijke plannen is een klimaatbestendige en water robuuste inrichting van groot belang. Ruimtelijke functies moeten onderling op elkaar afgestemd zijn en de ruimtelijke effecten op waterhuishouding (en vice versa) moeten vastgelegd worden in een bestemmingsplan of omgevingsplan.

Het uitgangspunt is dat de perceeleigenaar zelf het regenwater moet verwerken. Hierdoor komt er minder regenwater in het riool terecht, wat ten goede komt aan de werking van de zuiveringsinstallatie. Als verwerking op eigen terrein in redelijkheid niet mogelijk is, dan kan het overtollige regenwater afgevoerd worden naar het openbare terrein, al waar het afvoeren de verantwoordelijkheid van de gemeente is.

5.3.3 Omgevingsaspecten Hoogteligging Volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN), bevindt het maaiveld zich rondom de aanwezige bebouwing op een hoogte van gemiddeld 5,30 m +NAP. In de richting van de Nieuwe Weg loopt het maaiveld op. De Nieuwe weg ligt met een hoogte op 6,40 m +NAP ten opzichte van het plangebied beduidend hoger. Ter plaatse van de weide, gelegen aan noordoostzijde, ligt het maaiveld met gemiddeld 5,0 m +NAP ten opzichte van het bebouwde deel lager. Langs de bestaande watergang ligt het maaiveld met een hoogte op 4,80 m +NAP het laagst. Bodem De originele bodem bestaat, volgens de bodemkaart van Nederland, uit een kalkloze poldervaaggrond (Rn95C), die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit zware zavel en lichte klei. Op basis van boorprofielen uit het BRO-loket blijkt dat de bodem tot 1,5 meter beneden maaiveld hoofdzakelijk te zijn opgebouwd uit zwak tot uiterst siltig en matig zandige klei. Grondwater Voor beleid, vergunningen en ontwateringsdieptes is het belangrijk om te weten wat de actuele karakteristieken zijn, zoals de GHG en de GLG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand en Gemiddelde Laagste Grondwaterstand). Binnen de beschikbare literatuur zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen bruikbare grondwaterpeilbuizen beschikbaar.

Volgens gegevens uit de KlimaatEffetAtlas (KEA) en de Grondwaterspiegelkaart uit het BRO-loket zou de GHG rondom het plangebied zijn gelegen rond de 0,70 meter

39/368

beneden maaiveld. Hiermee zou de GHG op basis van maaiveldhoogte op ca. 4,30 m +NAP liggen. Het plangebied wordt volgens de bodemkaart van Nederland gekenmerkt door grondwatertrap VIo. Grondwatertrap VIo wordt gekenmerkt door een GHG op 0,40 tot 0,80 meter beneden maaiveld en een GLG op 1,20 tot 1,80 meter beneden maaiveld. Oppervlaktewater Voor het waterschap is de legger, samen met de waterschapsverordening, hèt instrument om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten, voldoende en schoon water. De legger bestaat uit een set van kaarten. Daarop staat welke rivieren, beken, vennen en regenwaterbuffers, lijnvormige elementen, waterkeringen en kunstwerken (stuwen, sluisdeuren en kademuren) het waterschap in beheer heeft en waar ze liggen. De legger bevat ook een register waarin staat wie waar en waarvoor het onderhoud moet doen. Tot slot bevat de legger zones (zoneringen) voor toekomstige ontwikkelingen en bescherming van het watersysteem. Op de leggerkaart van waterschap Rivierenland zijn de in de directe omgeving van het plangebied gelegen oppervlaktewateren weergegeven. Aan de zuid- zuidwestzijde wordt het plangebied begrens door secundaire watergang 134079. Aan de oost-, noordoostzijde, parallel aan de Nieuwe Weg ligt een tertiaire watergang (code: 090399). In figuur is een uitsnede van de leggerkaart weergegeven. Het plangebied bevindt zich in het peilgebied QVU130.

Hier is een zomerpeil van 4,05 m +NAP en een winterpeil van 3,60 m +NAP vastgesteld. De lokale grondwaterstand zal, rekening houdend met een zekere opbolling, beïnvloed door het waterpeil in het omliggende oppervlaktewater.

Figuur 5.2: Legger waterschap Rivierenland Veiligheid (waterkering) Het plangebied ligt niet in een kern- of beschermingszone van een waterkering.

40/368

Ontwatering en drooglegging Om grondwateroverlast te voorkomen dient bij het ontwerp rekening gehouden te worden met minimale ontwateringsdiepten en droogleggingseisen. Uitgangspunt hierbij is dat bij de inrichting van (nieuw) stedelijk gebied in principe wordt aangesloten bij de huidige grond- en oppervlaktewaterpeilen, en dat er ten gevolge van de inrichting van het betreffende gebied geen negatieve effecten op de omgeving ontstaan (verdroging of vernatting). Met andere woorden, hydrologisch neutraal ontwerpen. De ontwateringsdiepte is het verschil in hoogte tussen het maaiveld en de maximaal optredende grondwaterstand. Drooglegging is het verschil tussen het oppervlaktewaterpeil en de maaiveldhoogte. De GHG is ingeschat op 0,70 meter beneden maaiveld. De drooglegging bedraagt, uitgaande van zomerpeil van 4,05 m +NAP, 1,25 m. De ontwatering en drooglegging is ten aanzien van huidige maaiveldniveau voldoende. Vuilwater en hemelwater Het perceel is in de huidige situatie aangesloten op het gemeentelijk drukriool. Vanwege de doelmatige werking van een drukriolering is het niet toegestaan om hemelwater hierop af te voeren. In de bestaande situatie wordt het afstromende hemelwater op eigen terrein opgevangen, verwerkt en/of (vertraagd) afgevoerd naar het oppervlaktewater.

5.3.4 Toetsing Verhard oppervlak en bergingsopgave Het planvoornemen voorziet in een inpandige verbouwing van de bestaande gebouwen. De bestaande bebouwing op de locatie, De Schanse Hoeve, blijft behouden en wordt omgevormd. Bij het noordelijke gebouw vindt een kleine uitbreiding plaats van 30 m2. Het terrein rondom de gebouwen wordt heringericht. De noordoostelijke zijde van het projectgebied wordt ingericht als buitenruimte voor ontspanning en recreatie in een groene omgeving. Omdat aanwezige terreinverhardingen wordt verwijderd en vervangen door groen (in de vorm van grasland, struiken of tuinen) zal als gevolg van het beoogde initiatief de totale hoeveelheid verharding ten opzichte van de huidige situatie afnemen. In de huidige situatie is sprake van circa 4.490 m2 verhard oppervlak (bebouwing 1.471 m2, verharding 3.036 m2). In de beoogde situatie is sprake van circa 4.426 m2 verhard oppervlak (bebouwing 1.501 m2, verharding 2.925 m2). Daarbij zijn de parkeerplaatsen meegerekend. De parkeerplaatsen worden in grasbetonkeien uitgevoerd, waardoor sprake is van halfverharding en in de praktijk dit gunstiger is voor het verwerken van hemelwater. In de bestaande situatie wordt het regenwater al binnen de eigen perceelgrenzen opgevangen of al dan niet (vertraagd) afgevoerd naar het oppervlaktewater.

Omdat de ontwikkeling niet voorziet in een verhardingstoename wordt er vanuit het waterschap geen compensatie geëist waardoor geen directe compenserende maatregelen nodig zijn. Randvooraarden en uitgangspunten Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: 1. Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren); 2. Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren); 3. Geen verhardingstoename;

41/368

4. 5. 6. 7. 8.

Geen compenserende maatregelen nodig; Geen regenwater aansluiten op het riool; GHG 3,40 m +NAP; Dempingen voor 100% compenseren (1 op 1); Geen gebruik van uitlogende (bouw)materialen.

Hemelwater en oppervlaktewater Water wordt bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen en op een duurzame wijze verwerkt. Het (schone) hemelwater wordt gescheiden ingezameld en binnen het plan verwerkt. Om binnen de perceelgrenzen extra water op te vangen en te bergen worden in noordwest – zuidoostelijk richting nieuwe greppels gegraven. In het laagste deel van het terrein (noordoost zijde) wordt een grote poel aangelegd met flauwe, natuurvriendelijke taluds. De greppels en de poel zorgen, samen met de toepassing van grasbetontegels op de (auto)parkeerplaatsen voor waterberging en het verwerken van hemelwater volgens de trits vasthouden, bergen en afvoeren. In onderstaande figuur is een impressie weergegeven van de ligging van de greppels en de poel. De bestaande watergangen rondom het gehele terrein blijven gehandhaafd. Er zijn in, op of rondom de aanwezige watergangen geen werkzaamheden of activiteiten voorzien.

Figuur 5.3: Impressie situering sloten en poel Kwaliteit Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Om

42/368

de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood). De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk. Vuilwater Hemelwater en afvalwater wordt gescheiden ingezameld en verwerkt. Als gevolg van de ontwikkeling kan het huidige aanbod van vuilwater (mogelijk) wijzigen. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. Bij het verdere proces zal bekeken worden of aanpassingen aan het bestaande stelsel noodzakelijk en/of mogelijk zijn. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente nader worden getoetst en worden besproken. 5.3.5 Conclusie Het project past binnen de kaders van het vigrende beleid en voldoet daarmee aan de instructieregels. Met het planvoornemen zijn geen waterbelangen in het geding. De waterbelangen worden en zijn in voldoende mate gewogen.

5.4

Luchtkwaliteit

5.4.1

Instructieregels

Als een bopa betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 8.17 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden. Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 ìg/m³ of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering.

5.4.2 Toetsing Dit project voorziet in het in gebruik nemen van bestaande gebouwen op de projectlocatie als 28 wooneenheden voor de huisvesting van internationale werknemers. In artikel 5.54 Bkl is bepaald dat een dergelijke activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als het gaat om: één ontsluitingsweg: ten hoogste maximaal 1.500 woningen, of twee ontsluitingswegen: ten hoogste maximaal 3.000 woningen. Het project voorziet in de realisatie van 28 wooneenheden aan een bestaande ontsluitingsweg(en). Vanwege de

43/368

omvang van het project kan deze worden aangemerkt als 'niet in betekenende mate bijdragend'. Naast een beoordeling van de bijdrage aan de luchtkwaliteit door de activiteit zelf is het ook nodig om te beoordelen of de nieuwe functie aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen. Dit kan worden beoordeeld met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). In artikel 2.4 en 2.5 van het Bkl staan de ten hoogste toelaatbare omgevingswaarden benoemd. Gemeente West Maas en Waal heeft geen afwijkende omgevingswaarden vastgesteld, waardoor aan de wettelijke normen moet worden getoetst. Voor het bepalen van de luchtkwaliteit binnen het projectgebied is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (hierna: CIMLK) geraadpleegd. In navolgende tabel zijn de concentraties weergegeven op het dichtstbijzijnde toetspunt (Receptor wegverkeer 51468751_15555653 (x: 163038.7822889329; y: 431219.020194971), Monitoringsronde 2024, Monitoringsjaar 2025) Hieruit blijkt dat ter plaatse van het projectgebied de toetswaarden voor luchtkwaliteit zich ruimschoots onder de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden voor de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bevinden. Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functies aan het projectgebied toe te delen.

Tabel 5.3: Maximale waarde toetspunt CIMLK (Bron: CIMLK) Omgevingswaarde (kalenderjaargemiddeld) Stikstof (NO2) 40 µg/m³ Fijn stof (PM10) 40 µg/m³ Fijn stof (PM2,5) 25 µg/m³

Maximale waarden toetspunten CIMLK 19,34 µg/m³ 15,40 µg/m³ 8,62 µg/m³

Figuur 5.4: Uitsnede CIMLK-viewer, met de projectlocatie rood omlijnd, het dichtstbijzijnde toetspunt als roze punt gemarkeerd Uit voorgaande tabel blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde

44/368

omgevingswaarden niet overschrijden. Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functie huisvesting van internationale werknemers met bijbehorend terrein aan de projectlocatie toe te delen. 5.4.3 Conclusie Het project levert niet in betekenende mate een bijdrage aan de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit in de omgeving is bovendien aanvaardbaar voor de nieuwe functies. Het project is niet in strijd met instructieregels voor luchtkwaliteit en het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.

5.5

Geluid door activiteiten

5.5.1 Instructieregels Bij een nieuwe ontwikkeling moet rekening worden gehouden met het geluid van activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Dat geldt voor het toestaan van activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen, maar ook andersom ook voor het mogelijk maken van geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte. Van belang is dat enerzijds de geluidbelasting ter plaatse van geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is en blijft, anderzijds dat de gebruiksruimte van activiteiten in beginsel ongemoeid wordt gelaten. Voor de beoordeling van geluidhinder afkomstig van activiteiten moet rekening worden gehouden met verschillende soorten geluidhinder, namelijk: Geluidhinder afkomstig van één of meerdere activiteiten op een locatie (directe hinder); Maximale geluidhinder; dit zijn de piekniveaus die optreden als gevolg van activiteiten op een locatie. In Artikel 5.65 Bkl zijn voor geluid door activiteiten, anders dan door specifieke activiteiten zoals windturbines of militaire activiteiten, standaardwaarden en grenswaarden opgenomen voor het toelaatbare geluid op een geluidgevoelig gebouw en in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen.

Deze waarden zijn van toepassing op nieuwe geluidbelastende activiteiten, maar omgekeerd ook op het toevoegen van nieuwe geluidgevoelige objecten nabij een geluidbelastende activiteit. Het geluid door een activiteit is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in onderstaande tabellen: Standaardwaarden toelaatbaar geluid op geluidgevoelig gebouw LAr,LT als gevolg van activiteiten LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen LAmax door andere piekgeluiden

een 07.00-19.00 uur 50 dB(A) ---

Standaardwaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige 07.00-19.00 uur ruimten LAr,LT als gevolg van activiteiten 35 dB(A) LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen --

45/368

07.00-19.00 uur 45 dB(A) 65 dB(A) 65 dB(A) 07.00-19.00 uur 30 dB(A) 55 dB(A)

07.00-19.00 uur 40 dB(A) 65 dB(A) 65 dB(A) 07.00-19.00 uur 25 dB(A) 55 dB(A)

LAmax door andere piekgeluiden

--

45 dB(A)

45 dB(A)

5.5.2 Toetsing Bij het projectvoornemen is sprake van beperkte activiteiten waar geluid van afkomstig is. Het gaat hierbij om het parkeren op het terrein, verblijf van mensen in de bestaande gebouwen en ontspanning/recreatie op het veld in het noordoosten van het projectgebied. De afstand vanaf het projectgebied tot omliggende woningen is circa 45 meter (Nieuwe Weg 11 en 13) en circa 65 meter (Dijkgraaf de Leeuwweg 40) en daarmee ruimschoots voldoende. Daarbij, wordt in de huidige situatie het zuidwestelijk gedeelte van het terrein ook al als parkeervoorziening gebruikt. De afstand van de bebouwing voor de huisvesting van de mensen tot de omliggende woningen is ook ruimschoots voldoende. Daarnaast worden deze gebouwen verbouwd en aangepast naar actuele bouwregelgeving, waardoor hier weinig geluid van afkomstig zal zijn. Het veld wat wordt gebruikt voor ontspanning is aan de noordwestzijde gelegen op grote afstand van de locaties Nieuwe Weg 11 en 13, waarbij de tussenliggende bebouwing bovendien voor een afschermende werking zorgt. Gezien de ruime afstand tot de woning aan de Dijkgraaf de Leeuwweg 40 (meer dan 65 meter) zal deze woning ook geen overlast ervaren. De beoogde wooneenheden zijn voor internationale werknemers die voor korte duur verblijven en elders hun woonplaats hebben. Dit maakt dat het gebouw een logiesfunctie heeft.

De omgeving van de locatie kwalificeert zich als 'rustig buitengebied'. Hieronder wordt de directe bescherming van een logiesfunctie beschreven vanuit het Bkl en de bruidsschat dat onderdeel is van het tijdelijk Omgevingsplan. Naast de beschreven bescherming waaraan de bedrijven moeten voldoen geldt dat sprake moet zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Voor de beoogde wooneenheden dient daarom geborgd te worden dat bedrijven niet te veel hinder veroorzaken op de wooneenheden. Logiesfuncties zijn op het gebied van geluid in het Bkl niet aangewezen als een geluidgevoelig gebouw. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is ook geen onevenredige hinder op de wooneenheden te verwachten, afkomstig van activiteiten in de omgeving. In de omgeving wordt enkel aan de Nieuwe weg 13/15 een niet-agrarische bedrijfsactiviteit uitgevoerd. Op de locatie is op basis van het bestemmingsplan 'Gouden Ham/De Schans, randzone' (onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan) een bedrijf uit bedrijfscategorie 2 toegestaan. Voor milieucategorie 2 geldt op basis van de Staat van Bedrijvsactiviteiten, opgenomen in de bijlage van de regels van het bestemmingsplan, een richtafstand van 30 meter voor een rustig buitengebied. Hieraan wordt voldaan.

Ook geldt dat direct naast het bedrijfsperceel al reeds een burgerwoning mogelijk is en ook aanwezig is. Hiermee dient het bedrijf in zijn huidige bedrijfsvoering reeds rekening te houden. Met de beoogde ontwikkeling wordt het bedrijf niet beperkt in haar planologische mogelijkheden en wordt geen hinder op de huisvestingsvoorziening verwacht. 5.5.3 Conclusie Het project maakt geen nieuwe activiteit met mogelijke geluiduitstraling mogelijk. De akoestische situatie vanwege activiteiten in de omgeving is bovendien aanvaardbaar voor de nieuwe functies. Het project is niet in strijd met instructieregels voor geluid door activiteiten en het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.

46/368

5.6

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

5.6.1 Instructieregels In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied en voorziet erin dat het geluid aanvaardbaar is. Het geluid is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden volgens navolgende tabel. Een overschrijding is mogelijk als er geen ge-luidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarden te voldoen, de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt en er wordt voldaan aan de grenswaarden volgens navolgende tabel. Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Verder wordt rekening gehouden met het belang van een geluidluwe gevel. In een aantal gevallen kan een waarde hoger dan de grenswaarde aanvaardbaar worden geacht: bij vervangende nieuwbouw maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde en het aantal geluidgevoelige gebouwen; met meer geluid dan de grenswaarde mag niet wezenlijk toenemen; bij functiewijziging maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde (transformatie); bij zeehavengebonden activiteiten maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde; bij een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen; bij een niet-geluidgevoelige gevel.

Bij het overschrijden van de standaard- of grenswaarden wordt het gecumuleerde geluid beoordeeld en het gezamenlijk geluid bepaald en vastgelegd in het omgevingsplan (bij een bopa mag dit in een later stadium). 5.6.2 Toetsing De projectlocatie maakt zelf geen nieuwe weg, spoorweg of industrieterrein mogelijk. Het project maakt geen geluidgevoelig gebouwen mogelijk, aangezien logiesfuncties op het gebied van geluid in het Bkl niet aangewezen zijn als een geluidgevoelig gebouw. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het wel gewenst om in enige mate te beschouwen of voldoende bescherming tegen geluid plaatsvindt. Volgens 'Geluidregister op de kaart' ligt de projectlocatie niet binnen een aandachtsgebied of geluidproductieplafond van een spoorweg, rijksweg, provinciale weg of industrieterrein.

47/368

Figuur 5.5: Uitsnede van Geluidregister op de kaart, met de projectlocatie rood omcirkeld De projectlocatie ligt wel binnen het aandachtsgebied van diverse lokale wegen, waaronder de omliggende wegen zoals de Nieuwe Weg en de Dijkgraaf de Leeuwweg. Daarom is de gecumuleerde geluidbelasting ter plaatse beoordeeld. Een akoestisch onderzoek is uitgevoerd (bijlage 3). Uit het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: Toetsing standaardwaarden en grenswaarden Het berekende geluid van gemeentelijke wegen bedraagt maximaal 51 dB ter plaatse van de beoogde woningen binnen het plangebied. Hiermee worden de standaardwaarde van 53 dB en de grenswaarde van 70 dB niet overschreden. Maatregelen hoeven niet nader onderzocht te worden. Gevelwering en woon- en leefklimaat Benodigde gevelwering Het gezamenlijke geluid bedraagt ten hoogste 51 dB ter plaatse van beoogde woningen binnen het plangebied. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan maximaal: • 51 – 33 = 18 dB, wanneer de eisen gelden overeenkomstig met nieuwbouw. In dit geval zal de standaard gevelwering van 20 dB uit het Bbl gelden. • 51 – 38 = 13 dB, wanneer het bevoegd gezag via een maatwerkvoorschrift een hoger binnenniveau van 38 dB toestaat. In beide gevallen wordt nader onderzoek naar de gevelwering van de gevels niet nodig geacht.

Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘redelijk’ tot ‘zeer goed’. Op basis van de berekende geluidbelastingen en de toelichting in paragraaf 3.3.1 en 3.3.2 wordt het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de beoogde woningen als aanvaardbaar aangemerkt.

48/368

5.6.3 Conclusie Het project maakt geen nieuwe geluidsbron mogelijk. De akoestische situatie vanwege (gemeente)wegen in de omgeving is bovendien aanvaardbaar voor de nieuwe functies. Het project is niet in strijd met instructieregels voor geluid van (spoor)wegen en het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.

5.7

Bodem

5.7.1 Instructieregels Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers: 1. het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); 2. het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); 3. het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen). Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.

Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. 5.7.2 Toetsing Op de projectlocatie wordt huisvesting van internationale werknemers mogelijk gemaakt. Dit is een bodemgevoelig gebouw, omdat personen er meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Om aan te tonen dat de bodemkwaliteit geschikt is voor deze verblijfsfunctie, is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 4. Ter plaatse van de inrit van de onderzoekslocatie is onder de klinkers puingranulaat aangetroffen. Het puingranulaat heeft een minimale oppervlakte van 150 m2. Het betreft niet gecertificeerd materiaal van

49/368

onbekende herkomst. Uit het verkennend asbestonderzoek blijkt dat het puingranulaat asbest bevat maar de grenswaarde voor nader onderzoek niet wordt overschreden. De totale oppervlakte van de puinfundering is niet bepaald. Ter plaatse van de puinfundering zijn geen werkzaamheden gepland. Uit de analyseresultaten blijkt dat in zowel de boven- als ondergrond licht verhoogde gehalten met zware metalen voorkomen. Voor organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) zijn geen verhogingen aangetoond. Plaatselijk is in de bovengrond een nikkelgehalte gemeten iets boven de helft van de interventiewaarde. Uit aanvullend onderzoek naar de ondergrond blijkt dat in de ondergrond maximaal lichte verontreinigingen met nikkel aanwezig zijn. De gehalten zijn gering en vormen geen aanleiding tot nader onderzoek. Daarnaast zijn bij de voormalige sloot bijmengingen met baksteen en kooldeeltjes aangetroffen, wat erop duidt dat de sloot in het verleden is gedempt met grond met bijmengingen met bodemvreemd materiaal. Op basis van de huidige onderzoeksresultaten zijn er geen aanwijzingen voor ernstige bodemverontreiniging op de locatie. Verdere maatregelen of onderzoeken worden dan ook niet noodzakelijk geacht. Het verkennend bodemonderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie.

Op basis van de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit is geen belemmering aanwezig voor het huidige en toekomstige gebruik van de locatie. 5.7.3 Conclusie Het project maakt geen nieuwe functie of activiteiten mogelijk die schadelijk kunnen zijn voor de bodem- of grondwaterkwaliteit. Op de locatie was al een gevoelige functie aanwezig in de vorm van een groepsaccommodatie en de afgelopen jaren, tijdelijke huisvesting van internationale werknemers. Daarmee kan ervan uitgegaan worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie.

5.8

Geur

5.8.1 Instructieregels Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen, industrie, horeca en (andere) milieubelastende activiteiten. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient op grond van het Bkl rekening te worden gehouden met de geur door activiteiten op gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen welke geurregels ze in het omgevingsplan geurregels stelt. Vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle geldende bestemmingsplannen binnen een gemeente gezamenlijk het tijdelijke deel van het omgevingsplan geworden, totdat de gemeente één nieuw gebiedsdekkend omgevingsplan vaststelt. Tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan hoort ook de

50/368

geurverordening, mits de gemeente deze heeft vastgesteld. Tot slot behoort ook de zogenaamde bruidsschat tot het tijdelijke deel omgevingsplan. De bruidsschat bevat onder andere regels over geur door het houden van dieren, andere agrarische activiteiten, geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken en geur door het bereiden van voedingsmiddelen. In artikel 5.91 Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval als geurgevoelig worden beschouwd (woonfuncties, onderwijsfuncties, gezondheidsfuncties met bedgebied, bijeenkomstfuncties voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van voorgenoemde functies). Naast de hiervoor genoemde functies, kan het omgevingsplan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vierde lid, van het Bkl). Ook biedt het Bkl de mogelijkheid om in het omgevingsplan niet alleen gebouwen aan te wijzen als geurgevoelig, maar ook locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vijfde lid, van het Bkl). 5.8.2 Toetsing De ontwikkeling voorziet niet in een geurbelastende activiteit. Het project maakt geen geurgevoelige gebouwen mogelijk, aangezien logiesfuncties geen geurgevoelige gebouwen zijn op basis van het Bkl.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het wel gewenst om in enige mate te beschouwen of voldoende bescherming tegen geur plaatsvindt. Geur van agrarische activiteiten Op basis van het tijdelijke omgevingsplan gelden voor veehouderijen met landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor vaste afstanden tot een geurgevoelig object. Buiten de bebouwingscontour geur (buitengebied) geldt een vaste afstand van 50 meter tot een geurgevoelig gebouw. De dichtstbijzijnd gelegen veehouderij waarvoor vaste afstanden gelden, is gelegen aan de Nieuwe Schans 15. Deze locatie is op een afstand van circa 230 meter gelegen. Daarmee wordt ruimschoots voldaan. Daarnaast is van belang of in de omgeving veehouderijen aanwezig zijn waar dieren worden gehouden met een geuremissiefactor. Daar is geen sprake van, waardoor geen sprake is van een te hoge geurbelasting op de projectlocatie. Naast geur afkomstig van landbouwdieren zelf (stallen) kan geur ook voortkomen uit andere agrarische activiteiten, zoals bij het telen van gewassen in de open lucht of in gebouwen, het opslaan van stoffen en onderhouden, repareren en schoonmaken van voer- en werktuigen, het exploiteren van een veehouderij (bijv. opslaan kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen), en het behandelen van dierlijke meststoffen en het vergisten van plantmateriaal.

Voor deze activiteiten geldt volgens paragraaf 5.1.4.6.4. van het Bkl een vaste afstand van veelal 100 meter in geval het geurgevoelig object is gelegen binnen de bebouwingscontour geur (wat ongeveer overeenkomt met de bebouwde kom). Voor sommige activiteiten (bijvoorbeeld het niet afgedekt opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, of opslag van mest in een mestbassin tot 350 m²) is een afstand van 50 meter voldoende. Gezien de afstand tot omliggende bedrijven, wordt ruimschoots aan de vaste afstanden voor overige agrarische activiteiten uit het Bkl voldaan. Naast het projectgebied blijven agrarische gronden aanwezig. Het is niet aannemelijk dat zich hier nieuwe agrarische bedrijfsactiviteiten gaan vestigen. Daarmee kan ervan uitgegaan worden dat geen geurhinder

51/368

optreedt. Geur van overige activiteiten Naast voorgenoemde specifieke gevallen kan geur ook veroorzaakt worden door bijvoorbeeld een horecagelegenheid of bedrijvigheid (bijvoorbeeld voedingsmiddelenindustrie of mengvoederindustrie). Hiervoor gelden in beginsel geen landelijke regels (Bkl), maar een gemeente is vrij om hier zelfs regels over op te nemen. In de omgeving zijn geen functies gelegen welke anderszins geurhinder veroorzaken. 5.8.3 Conclusie Het project maakt geen nieuwe geurbron mogelijk. De geursituatie is ter plaatse van de projectlocatie aanvaardbaar voor de nieuwe functies. Het project is niet in strijd met instructieregels voor geur en het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.

5.9

Cultureel erfgoed

5.9.1 Instructieregels Cultureel erfgoed (en werelderfgoed is onderdeel van de fysieke leefomgeving. Voor het behoud van cultureel erfgoed zijn er internationaalrechtelijke verplichtingen die nopen tot toetsing vooraf van activiteiten die cultureel erfgoed kunnen aantasten. Onder cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving wordt verstaan: 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet". Dat andere cultureel erfgoed is roerend cultureel erfgoed (in de Erfgoedwet gedefinieerd als 'cultuurgoederen'), zoals historische schepen in een historische haven, of immaterieel cultureel erfgoed dat aan een specifieke plek gebonden is, zoals het molenaarsambacht. De instructieregels van het Rijk staan in artikel 5.130 Bkl. In dit artikel is bepaald dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten.

Hierbij wordt rekening gehouden met bepaalde aspecten van cultureel erfgoed die zien op: het voorkomen van ontsiering, beschadiging, sloop of verplaatsing van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten en het bevorderen van het gebruik hiervan. Dat zijn provinciale monumenten, gemeentelijke monumenten en beeldbepalende of karakteristieke panden het voorkomen van aantasting van: 1. de omgeving van rijksmonumenten en op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten 2. het karakter van in het omgevingsplan beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen door de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen of andere belangrijke veranderingen het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ De instructieregels van de provincie Gelderland zijn opgenomen in de Omgevingsverordening. Voor cultureel erfgoed zijn geen instructieregels specifiek van belang voor dit project.

52/368

5.9.2 Toetsing Archeologie Het archeologiebeleid van de gemeente West Maas en Waal is voor het projectgebied verankerd in het bestemmingsplan 'Gouden Ham/De Schans, randzone' als onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. In het bestemmingsplan heeft de projectlocatie de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' met deels de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - waarde archeologie 2' en deels 'specifieke vorm van waarde - waarde archeologie 5' . Aan deze dubbelbestemming zijn regels gekoppeld die bepalen dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen een archeologisch onderzoeksrapport benodigd is. Op basis van de regels geldt als strengste beschermingsregime de verplichting een onderzoeksrapport aan te leveren indien sprake is van bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 40 cm. Bij voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van bodemingrepen welke dieper gaan dan 40 cm en in totaal groter zijn dan 500 m2. De bestaande bebouwing wordt verbouwd. Verder zijn de ingrepen op het terrein enkel oppervlakking. De dubbelbestemming blijft onverminderd van toepassing, waardoor indien in de toekomst wel grotere bodemingrepen gewenst zijn, alsnog een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd.

Cultuurhistorie Binnen de projectlocatie komen geen gronden of objecten voor die zijn aangewezen als (voorbeschermd) Rijksmonument of gemeentelijk monument. Ook ligt de projectlocatie niet binnen een volgens de provinciale omgevingsverordening aangewezen cultuurhistorisch waardevol gebied. Ten slotte ligt het gebied niet binnen een als zodanig in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan aangewezen beschermd stad- of dorpsgezicht. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Gelderland is de locatie gelegen binnen belvoirgebied 'Rivierengebied'. Het Rivierengebied kenmerkt zich door de oude ontginningen op afwisselend nat-droge stroomruggen en stroomrugontginningen met gevarieerde structuur. De directe omgeving kan worden getypeerd als een kleinschalig oeverwallenlandschap. Het landschap wordt bepaald door verspreide bebouwing en percelen met fruitbomen/boomgaarden afgewisseld met zich op het open komgrondengebied. Daarnaast zijn de dijk en de naastgelegen watergang aangeduid als waardevolle elementen.

Figuur 5.6: Cultuurhistorische waardenkaart provincie Gelderland Het initiatief heeft geen nadelige invloed op de cultuurhistorische elementen van het landschap aangezien de

53/368

ontwikkeling plaats vindt binnen de bestaande bebouwing welke een betere uitstraling krijgt. De locatie heeft een zeer beeldbepalende ligging aan de Nieuwe Weg en de Dijkgraaf van Leeuwweg. Het is daarom belangrijk dat een kwaliteitsimpuls op deze locatie plaatsvindt. De uitstraling in van de bebouwing in kleurgebruik en materialisering is passend in de omgeving. Door het behoud van de bestaande bebouwing, blijft ook het karakter van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing als schuren aanwezig. Zoals ook is toegelicht in het als bijlage toegevoegde inrichtingsplan, is bij de inrichting en inpassing van het projectgebied rekening gehouden met de landschappelijke kenmerken en waarden. In artikel 5.130 lid d van het Bkl is bepaald dat moet worden voorkomen dat de omgeving van rijksmonumenten worden aangetast, voor zover die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd. Ook moet worden voorkomen dat het karakter van beschermde stads- of dorpsgezichten door de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen of andere belangrijke veranderingen wordt aangetast. In de omgeving zijn geen monumentale panden aanwezig welke voorgenomen ontwikkeling mogelijk aan kunnen tasten. 5.9.3 Conclusie Het project is niet in strijd met instructieregels voor cultureel erfgoed.

5.10 Ladder voor duurzame verstedelijking 5.10.1 Instructieregels De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl bepaalt dat deze instructieregel ook geldt voor een bopa. Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. De geldende planologische mogelijkheden zijn vertrekpunt bij de beoordeling. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.

Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving.

54/368

Als wordt voorzien in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling heeft betrekking op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft de beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.10.2 Toetsing Het project is een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking. In totaal worden maximaal 28 wooneenheden voor de huisvesting van internationale werknemers gerealiseerd binnen bestaande bebouwing. Het project is gelet op de geldende jurisprudentie voldoende substantieel. De locatie ligt buiten bestaand stedelijk gebied. Het project voorziet niet in (de huisvesting van) diensten anders dan diensten die als beroep of bedrijf aan huis worden uitgevoerd en binnen iedere reguliere woning zijn toegestaan. Gelet op het bovenstaande is hierna de behoefte beschreven en de locatiekeuze gemotiveerd. Beschrijving behoefte Voor sectoren als de bouw, logistiek, industrie, fruitteelt en tuinbouw heeft regio Rivierenland de internationle werknemer hard nodig, met de fruitteelt als duidelijke uitschieter. Op dit moment werken circa 12.000 internationale werknemers in de regio Rivierenland. Er is onvoldoende woon- en verblijfsruimte voor de huidige werkzame internationale werknemers in de regio Rivierenland en de kwaliteit van beschikbare huisvesting is regelmatig ondermaats. De behoefte aan internationale werknemers in de regio Rivierenland is van structurele aard en daarnaast is sprake van een groeiende behoefte.

Voor de komende tien jaar is vanwege vergrijzing en ontgroening de behoefte aan de inzet van circa 3.000 tot 10.000 extra internationale werknemers. Binnen de regio is een te klein aanbod van woningen voor internationale werknemers. Binnen de regio verblijft een groot gedeelte van de internationale werknemers momenteel in Tiel, waar dit tot ontwrichting in de samenleving leidt. Nieuwe huisvesting in andere gemeenten binnen deze regio is daarom hard nodig, maar blijkt lastig te realiseren. De gemeente West Maas en Waal kan met dit initiatief een belangrijke bijdrage leveren aan de grote behoefte aan woningen voor internationale werknemers. Motivering locatiekeuze De gemeente West Maas en Waal streeft naar een evenwichtige woningmarkt met voldoende, goede, betaalbare, gevarieerde en passende woningen. De gemeente heeft daarbij een grote opgave in het realiseren van huisvesting voor internationale werknemers. Het realiseren van dit aantal wooneenheden is niet mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied. Bovendien is dit niet wenselijk, gezien het nodig is woningen beschikbaar te houden op de reguliere woningmarkt. Daarom is gekozen voor een locatie buiten bestaand stedelijk gebied. De locatie is gelegen nabij bestaand stedelijk gebied, in het bebouwingslint als uitloper van Alphen.

Zoals ook toegelicht in paragraaf 4.5.2 voldoet het initatief aan de mogelijkheid om in het buitengebied een geconcentreerde huisvestingslocatie te ontwikkelen. Er is sprake van een bestaand bouwperceel waar de bebouwing wordt verbouwd tot wooneenheden. Daarmee is sprake van herstructurering en transformatie vóór uitleg. Hiermee is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik.

55/368

5.10.3 Conclusie Er is voldoende lokale en regionale behoefte aanwezig, zowel vanuit kwantitatief als kwalitatief perspectief en er is geen sprake van onaanvaardbare effecten. De effecten op de leegstand en het woon-, werk- en leefklimaat zijn per saldo positief. De ontwikkeling staat gepland buiten bestaand stedelijk gebied. Vanwege de aard en omvang van het initiatief kan niet binnen bestaand stedelijk gebied in de behoefte worden voorzien Gelet op het voorgaande is het project niet in strijd met de instructieregels inzake de ladder voor duurzame verstedelijking. Het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de vergunning te verbinden.

5.11 Nationale belangen 5.11.1 Instructieregels Ter bescherming van enkele nationale belangen binnen de fysieke leefomgeving heeft het Rijk in paragraaf 5.1.6 en 5.1.7 van het Bkl enkele instructieregels meegegeven. Het gaat om instructieregels om enerzijds ruimte voor toekomstige functies van nationaal belang te waarborgen en anderzijds om de staat en de werking van infrastructuur of voorzieningen te behoeden voor nadelige gevolgen van activiteiten. Gemeenten moeten in het omgevingsplan rekening houden met deze instructieregels.

5.11.2 Toetsing Hierna volgt een opsomming van de in paragraaf 5.1.6 en 5.1.7 van het Bkl opgenomen, met daarbij in cursief benoemd de relevantie voor dit project: 1. Behoud van ruimte voor toekomstige functies: a. Autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen; De projectlocatie is niet gelegen binnen een zone die is gereserveerd voor aanleg of uitbreiding van een autoweg, autosnelweg, hoofdspoorweg. b. Buisleidingen van nationaal belang; De projectlocatie is niet gelegen binnen een zone die is gereserveerd voor aanleg of instandhouding van een buisleiding van nationaal belang. c. Project Mainportontwikkeling Rotterdam; De projectlocatie ligt niet binnen of nabij de bij aangewezen aanleggebieden voor Maasvlakte 2 en compensatie. 2. Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten: a. Landsverdediging en nationale veiligheid; De projectlocatie ligt niet binnen of nabij een militair terrein of terrein met een militair objecten, oefen- en schietgebieden, militaire zend- en ontvangstinstallaties, en laagvliegroutes voor jacht- en transportvliegtuigen. b. Elektriciteitsvoorziening; Het project heeft geen betrekking op een locatie voor/nabij een grootschalige elektriciteitsopwekking, kernenergiecentrale of hoogspanningsverbinding met een spanning van tenminste 220 kV. c. Rijksvaarwegen;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16957013/1