CConstaterende datWest Maas en Waal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Altforst, Heppertsestraat ongenummerd

Gemeenteraad 11 december 2025, gemeente West Maas en WaalBij agendapunt: Z.10413319.546 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Pagina 25 van 56

van functies aan locaties moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste (overdrachts)maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen, zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Het plangebied ligt direct aansluitend aan landbouwgronden. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Hierbij wordt echter opgemerkt dat die richtafstand met name is bedoeld voor open gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals boomgaarden. Grondgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. Om te borgen dat de bewoners van de beoogde woningen niet te maken krijgen met de negatieve effecten van drift van gespoten gewasbeschermingsmiddelen zal in het beoogde plan de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – spuitvrije zone’ worden opgenomen. Deze zone omvat het gebied op een afstand van 50 meter rondom de woonbestemmingen, zie Afbeelding 11.

In de voorwaarden van het plan wordt vastgelegd dat hier geen te spuiten gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Zodoende is goed woon‐ en leefklimaat, vanuit het oogpunt van gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, voldoende geborgd. Bovendien zal het woon- en leefklimaat voor de omwonenden in de kern van Altforst fors verbeteren door de opname van een gebiedsaanduiding ‘milieuzone – spuitvrije zone’.

Afbeelding 11: 50-meter bufferzone spuitzones

Pagina 26 van 56

Het plangebied heeft dus in relatie tot omliggende gronden geen negatief effect van spuitzones. 4.8. Technische infrastructuur Technische infrastructuur betreft een relevant planologisch aspect waarbij rekening moet worden gehouden bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor de bouw van de beoogde woningen. Onder andere ondergrondse leidingen, hoogspanningsleidingen en radarverstoringsgebieden hebben betrekking op technische infrastructuur.

4.8.1. Kabels en leidingen

Op de EV-signaleringskaart en in het omgevingsplan dient gecontroleerd te worden of er aanduidingen zijn opgenomen voor riooltransportleidingen en/of watertransportleidingen. Riooltransportleidingen en watertransportleidingen betreffen leidingen die geen betrekking hebben op omgevingsveiligheid maar op technische infrastructuur. Binnen of nabij het plangebied zijn geen relevante (buis)leidingen aanwezig. Derhalve zijn in het omgevingsplan geen beperkingen opgenomen binnen de bouwregels. Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen binnen en nabij het plangebied in beeld te brengen. Derhalve zal de beoogde ontwikkeling geen gevaar opleveren voor aanwezige ondergrondse buisleidingen.

4.8.2. Hoogspanningslijnen

Elektriciteit wordt in Nederland vanuit een energiecentrale d.m.v. (bovengrondse) hoogspanningslijnen verplaatst. Bij het transport van elektriciteit door (bovengrondse) hoogspanningslijnen ontstaan magnetische velden, welke mogelijk effect kunnen hebben op de gezondheid van mensen. In het kader van onderhavige procedure zal gemotiveerd moeten worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met de beoogde ontwikkeling.

Afbeelding 12: Uitsnede RIVM-netkaart, plangebied zwart omcirkeld

Conform de RIVM-netkaart zijn geen hoogspanningslijnen in het gebied aanwezig (Afbeelding 12). De beoogde ontwikkeling zal niet zorgen voor een nieuw gevoelig object binnen een magneetveld, derhalve zullen de hoogspanningslijnen geen negatief effect hebben op het woon- en leefklimaat.

4.8.3. Radarverstoringsgebied

In Nederland staan verschillende radarposten die dienen voor de vliegveiligheid en de nationale veiligheid. Om zeker te stellen dat de defensieradars niet in onaanvaardbare mate worden verstoord

Pagina 27 van 56

door hoge objecten, zijn in het Bkl bepalingen opgenomen om de defensieradars te beschermen. In artikel 5.155 en 5.161a van het Bkl zijn regels opgenomen met betrekking tot een maximale bouwhoogte van bouwwerken binnen 15 km, dan wel 75 km van een radarverstoringsgebied. In bijlage XIV, onder e van het Bkl zijn de maximale bouwhoogtes opgenomen binnen radarverstoringsgebieden. De laagste maximale bouwhoogte zoals opgenomen in deze bijlage bedraagt 24 meter. Er wordt geen bebouwing van hoger dan 24 meter gerealiseerd. Derhalve voldoet het initiatief aan eisen zoals opgenomen in het Bkl. 4.9. Slagschaduw Er is sprake van een ontwikkeling met een activiteit die slagschaduw produceert wanneer er in de nabijheid van de te ontwikkelen locatie objecten of infrastructuren zijn die in bepaalde omstandigheden schaduw werpen over de omgeving. Dit komt vooral voor bij windturbines, waar de draaiende wieken schaduwen kunnen werpen die periodiek over naburige woningen en terreinen bewegen, wat bekend staat als slagschaduw. Slagschaduw kan hinderlijk zijn voor bewoners, vooral als deze schaduw regelmatig en langdurig op hun woningen valt.

Bij andere activiteiten, zoals hoge gebouwen of fabrieken met grote schoorstenen, kan ook sprake zijn van slagschaduw, maar dit is doorgaans statisch (de schaduw verandert langzaam met de beweging van de zon) en minder storend dan de dynamische slagschaduw van windturbines. Daarom wordt slagschaduw meestal in verband gebracht met de aanwezigheid van windturbines in de nabijheid van een woonontwikkeling. In de omgeving van het plangebied komen geen windturbines of hoge bebouwing voor, waardoor geconcludeerd wordt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect schaduw. 4.10. Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet een afweging gemaakt worden of de beoogde ontwikkeling passend dan wel gewenst is binnen de locatie. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit op een locatie.

In bijlage VII zijn de milieubelastende activiteiten die relevant zijn voor het aspect veiligheid omschreven.

4.10.1. Beleid

Binnen het aspect omgevingsveiligheid zijn verschillende begrippen relevant. Onderstaand worden de belangrijkste begrippen toegelicht. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze persoon bevindt zich onafgebroken (24 uur per dag) en onbeschermd op één bepaalde plaats. Het plaatsgebonden risicocontour geld niet voor werknemers of bezoekers van de milieubelastende activiteit. De grens- en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze waarden worden ruimtelijk vertaald in afstanden die tot gebouwen en locaties in acht genomen moeten worden of waarmee rekening gehouden moet worden. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties zijn (artikel 5.7 in het Bkl) grenswaarden opgenomen voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10 -6/jaar). Deze grenswaarden (harde norm) moeten in acht genomen worden. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR-10-6-contour van een activiteit worden

Pagina 28 van 56

gerealiseerd. Kwetsbare gebouwen en locaties kunnen hier tijdelijk afwijken gedurende een periode van ten hoogste drie jaar (artikel 5.10 van het Bkl.) Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt de PR-10-6-contour als standaardwaarde. In basis moet aan de norm van PR-10-6-contour voldaan worden, tenzij er (goede) redenen zijn om af te wijken. De redenen en de afweging van de risico’s moeten nader gemotiveerd worden. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting door een ongeluk met gevaarlijke stoffen. Door te kijken naar het gebied waar dan een groep van ≥10 personen tegelijk kan overlijden als er iets fout gaat. Het groepsrisico is geen harde norm, het bevoegd gezag moet er rekening mee houden bij het toestaan van bepaalde activiteiten met gevaarlijke stoffen. In het omgevingsplan en bij de vergunningverlening. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk.

Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig bepaald conform bijlage VII van het Bkl. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Voorschriftengebied De gemeente kan binnen aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. De gemeente wijst in dat geval een locatie binnen een (brand- of explosie)aandachtsgebied als (brand- of explosie)voorschriftengebied aan in het omgevingsplan (art. 5.14 Bkl). In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De aanvullende bouweisen gelden niet voor bestaande gebouwen die binnen een voorschriftengebied liggen. Locaties voor nieuwe zeer kwetsbare gebouwen in een brandof explosieaandachtsgebied moeten altijd worden aangewezen als voorschriftengebied. Aangezien de te realiseren woningen ruimschoots liggen buiten de 100% letaalzone en ook buiten de House burning distance (HBD-contour) is het niet zinvol om een voorschriftengebied aan te wijzen.

Register Externe Veiligheidsrisico’s In het Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV) zijn de risico’s met gevaarlijke stoffen vastgelegd. De afstanden met betrekking tot het plaatsgebonden risico, brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied vuurwerk, civiele of militaire explosieaandachtsgebied wordt visueel weergegeven via geografische kaarten zoals de kaart van Atlas Leefomgeving en EV signaleringskaart. Op deze kaart zijn onder andere de PR-10-6-contour en aandachtsgebieden visueel weergegeven. Transportroutes De afstand van PR-10-6 en aandachtsgebieden voor transportroutes als bedoeld in artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, over het basisnet zijn opgenomen in Bijlage VII, onder C, van BKL. Bijlage VII, onder C verwijst naar bij ministeriële regeling aangewezen afstanden voor het plaatsgebonden risico. Conform artikel 2.23 (aandachtsgebieden) van de Omgevingsregeling betreffen dit de afstanden zoals opgenomen in Bijlage 1 van de Regeling basisnet voor wegen en Bijlage 2 van de Regeling Basisnet voor spoorwegen. In Bijlage VII, onder C zijn voor brandaandachtsgebieden een afstand van 30 meter en voor een explosie aandachtgebied 200 meter opgenomen.

Buisleidingen De afstand van PR-10-6 en aandachtsgebieden voor buisleidingen (als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en met d, van het Besluit activiteiten leefomgeving) zijn berekend (zie Bijlage VII, onder

Pagina 29 van 56

D, onder 2 van BKL. Deze afstand is geregistreerd in het REV en weergegeven op de geografische kaarten.

4.10.2. Toetsing aan beleid

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de standaardwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van het plangebied. Dit is inzichtelijk gemaakt middels onderstaande uitsnede van de EV-signaleringskaart, zie Afbeelding 13.

Afbeelding 13: Uitsnede risicokaart

Het plangebied ligt op circa 330 meter van de aardgasleiding, zie Afbeelding 13. Afbeelding 13 toont dat het plangebied in het brandaandachtsgebied van de buisleiding ligt en daarom moet deze nader worden beschouwd. Omdat het plangebied binnen het BAG van aardgasleiding A-555 ligt, dient, conform artikel 5.15 van het Bkl, voor (beperkt) kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties rekening te worden gehouden met de kans op het overlijden van tien of meer personen in het geval van een incident (het groepsrisico). De planontwikkeling betreft het realiseren van woningen. Woningen worden conform Bkl bijlage VI aangeduid als ‘kwetsbaar’. Er dient daarom rekening te worden gehouden met het groepsrisico. Om deze reden is door Adviesgroep AVIV B.V. op 6 juni 2024 een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 5 bij onderhavige toelichting. Uit het onderzoek blijkt dat er kan worden voldaan aan artikel 5.2 van de Bkl door het onderstaande: ▪ Er is geen sprake is van een PR10-6 contour bij aardgasleiding A-555. Bovendien komen de beoogde woningen ruimschoots buiten de 100% letaalzone en ook buiten de House burning distance (HDB-contour) te liggen.

Om deze reden is het niet noodzakelijk om een voorschriftengebied aan te wijzen; ▪ Vanuit het EV-scenario van een fakkelbrand hoeven geen extra maatregelen voor bluswatervoorziening te worden genomen; ▪ Populatie binnen het plangebied kan zich bij een fakkelbrand scenario het beste schuil houden in hun woning; ▪ Het plangebied wordt ontsloten via de Kerkdwarsstraat, waardoor men zo nodig verder van de bron af kan vluchten; ▪ De VRGZ heeft geen opmerkingen over het voorgenomen woningbouwplan aangaande het aspect externe veiligheid. De in het Onderzoek EV (Bijlage 5) aangegeven mogelijkheden voor de zelfredzaamheid (‘’… woningen bieden bescherming tegen hittestraling aan aanwezige

Pagina 30 van 56

personen … . voldoende gelegenheid om effectief te vluchten, mocht dat noodzakelijk of wenselijk zijn…’’) komen overeen met de analyse van de VRGZ. In aanvulling op de bruidsschatregels over bluswatervoorzieningen hoeven daarnaast geen extra maatregelen oor de bluswatervoorziening te worden opgenomen. Op grond hiervan is er aanleiding om het restrisico te accepteren. Om nader te onderbouwen dat binnen de woonbestemming geen woonfunctie voor 24-uurszorg, zijnde een zeer kwetsbaar gebouw, is toegestaan, kan worden verwezen naar de regels. Het omgevingsplan bepaalt vaak expliciet welke functies binnen een woonfunctie zijn toegestaan, waarbij zorgfuncties zoals 24-uurszorg doorgaans een specifieke functie of aanduiding vereisen die in dit geval ontbreekt. In de regels wordt geborgd dat binnen de woonfunctie geen woonfunctie voor 24-uurszorg (zijnde een ‘zeer kwetsbaar gebouw’) is toegestaan. Het aspect omgevingsveiligheid vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling. 4.11. Veiligheid De ontwikkeling van 42 woningen in Altforst sluit nauw aan bij de ambities en doelen uit de gemeentelijke omgevingsvisie, waarbij omgevingsveiligheid, sociale veiligheid en verkeersveiligheid centraal staan. De plannen voor deze woningbouwontwikkeling zijn ontworpen met oog voor een veilige en leefbare omgeving, zoals beoogd in de omgevingsvisie.

Op het gebied van omgevingsveiligheid wordt rekening gehouden met de afstand tot risicovolle inrichtingen en mogelijke milieubelastende activiteiten, zodat de gezondheid en veiligheid van de bewoners gewaarborgd zijn. Sociale veiligheid wordt bevorderd door de inrichting van openbare ruimtes die uitnodigen tot ontmoeting, zichtbaarheid en sociale interactie, evenals de toepassing van goede straatverlichting en overzichtelijke infrastructuur. Verkeersveiligheid wordt eveneens integraal meegenomen, met aandacht voor veilige verkeersroutes, gescheiden fiets- en wandelpaden, en voldoende parkeervoorzieningen, wat bijdraagt aan een rustige en verkeersveilige woonomgeving. Door deze aspecten zorgvuldig te integreren, draagt de ontwikkeling bij aan het realiseren van de bredere doelstellingen van de gemeentelijke omgevingsvisie, waarbij een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving centraal staat. 4.12. Gezondheid Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken).

Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Er zijn al diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen (intensieve) veehouderij en volksgezondheid. De laatste onderzoeken dateren van 16 juni 2017 en 1 september 2018 en zijn vervolgonderzoeken op het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO), dat op 7 juli 2016 is gepubliceerd. In dit onderzoek is endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniaksecundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. Uit de vervolgonderzoeken is o.a. gebleken dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt. De dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van het plangebied ligt aan de Heppertsestraat 39 te Altforst op een afstand van circa 230 meter. Dit betreft een rundveehouderij.

Voor rundveehouderijen geldt dat de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt zijn vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. In paragraaf 5.8.2 wordt tevens omschreven dat er een berekening achtergrondgeurbelasting heeft plaatsgevonden, waarin is getoetst aan de cumulatie van meerdere veehouderijen in de omgeving

Pagina 31 van 56

(zowel binnen de 1 kilometer als 2 kilometer, ook binnen in de gemeente Druten). Zoals blijkt uit de uitkomsten van de berekening wordt ter plaatse van het gehele plangebied voldaan aan de gestelde maximale geurnorm. Bovendien moet iedere veehouderij voldoen aan wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. Gezien de grote afstand van het plangebied tot veehouderijen in de omgeving, kan dus worden geconcludeerd dat er vanuit het aspect volksgezondheid geen onevenredige nadelige effecten zullen optreden binnen het plangebied. Onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden Op 7 juli 2016 is het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) gepubliceerd, dat in opdracht van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Economische Zaken (EZ), op advies van de Gezondheidsraad, was uitgevoerd. Uit dit onderzoek wordt duidelijk dat er sprake is van positieve en negatieve gezondheidseffecten ten gevolge van het wonen in de nabijheid van veehouderijen.

Als positief wordt beschouwd dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Voor melkvee- en varkenshouderijen zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Bedrijven waar paarden of schapen gehouden worden, zijn in de onderzoeken niet meegenomen. Endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen is wel een relevant component gebleken voor luchtwegklachten. Dit resulteert in de volgende negatieve effecten: ▪ Een verhoging van het risico op pneumonie (longontsteking), met name in de nabijheid van pluimveehouderijen; ▪ Verhoogd voorkomen van luchtwegklachten en een verminderde longfunctie in relatie tot dichtheid van veehouderijbedrijven rond de woning, ongeacht het type bedrijf; ▪ Een verlaagde longfunctie na dagen en weken van verhoogde ammoniakconcentraties. De effecten worden waarschijnlijk niet door ammoniak zelf veroorzaakt maar zijn mogelijk het gevolg van omzetting in secundair fijnstof. Het VGO-onderzoek maakt duidelijk dat gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniak-secundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen.

Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. De emissie van stofdeeltjes met endotoxine is in zes veel voorkomende stalsystemen met vleesvarkens, leghennen en vleeskuikens gemeten. Met een verspreidingsmodel is berekend of de voorgestelde endotoxinewaarde van 30 EU/m3 werd overschreden. De onderzoekers concludeerden dat bij individuele pluimveestallen de geur en fijnstof norm niet kunnen voorkomen dat de door de Gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde, onder lokale omstandigheden, wordt overschreden. Op 16 juni 2017 is het eerste vervolgonderzoek van dit VGO-onderzoek gepubliceerd. Dit rapport bevat een nadere analyse van de gegevens met krachtige statistische technieken wat de conclusies uit het hoofdonderzoek bevestigd en steviger onderbouwd. Er zijn sterke aanwijzingen dat (componenten van) fijnstof van geitenhouderijen mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen daarbij niet uitgesloten worden. Deze associatie is ook voor pluimveehouderijen gevonden, hetzij aanzienlijk zwakker. Uit luchtwegmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een intensieve veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt.

Wat betreft fijnstof is de bijdrage van de veehouderij niet te onderscheiden van de bijdrage van vele andere bronnen, zoals verkeer en (buitenlandse) industrie.

Pagina 32 van 56

In de eerste twee onderzoeken zijn de gezondheidsrisico’s onderzocht aan de hand van gegevens uit huisartsenpraktijken over de periode 2007 t/m 2013. Op 1 september 2018 is het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III’ gepubliceerd. Hierin is de actualisering voor de jaren 2014 t/m 2016 gepubliceerd. Er is daarbij specifiek gekeken naar de associatie tussen diverse luchtwegaandoeningen en de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen. De associatie tussen het voorkomen van longontsteking en het wonen in de nabijheid van pluimveehouderijen zou namelijk mogelijk verklaard kunnen worden door de uitstoot van fijnstof en endotoxinen door deze bedrijven, al dan niet in combinatie met de al aanwezige achtergrondblootstelling. Deze veronderstelling lijkt voor geitenhouderijen echter minder voor de hand liggend, omdat de emissie van fijnstof en endotoxinen beperkt is. Uit de onderzoeksresultaten van deze tweede vervolgstudie blijft dezelfde verhoging voor het aantal longontstekingen bij omwonenden binnen een straal van 2 kilometer van geitenhouderijen zichtbaar als in de jaren daarvoor. Voor legpluimveehouderijen kan deze verhoging niet (meer) statistisch significant worden aangetoond. Voor vleeskuikenbedrijven alleen in 2014, ondanks dat de emissie van fijnstof hier relatief gezien hoger is dan van legpluimveehouderijen.

Conclusie uit deze vervolgstudie is dan ook dat er meer onderzoek zal moeten plaats vinden naar de oorzaak van de associatie tussen longontsteking en het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen. Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid Naar aanleiding van het eerste VGO-onderzoek wordt momenteel door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, een landelijk toetsingskader ontwikkeld voor endotoxine. In afwachting hierop is door het ondersteuningsteam van bestuurders van gemeenten in Brabant in 2016 de notitie ‘Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Aan de hand van deze notitie kan het risico van de verspreiding van endotoxinen van uitbreidende veehouderijen beoordeeld worden. Gemeenten en provincie willen uit voorzorg voorkomen dat door lopende en nieuwe aanvragen de endotoxine advieswaarde van de Gezondheidsraad wordt overschreden. Daar waar de advieswaarde al wordt overschreden willen ze voorkomen dat de overschrijding toeneemt. Een standstil van de emissie fijnstof-endotoxine is dus gewenst. Bij voorkeur wordt er een reductie van de emissie bereikt. Omdat endotoxinen zich met (fijn)stofdeeltjes naar de omgeving verspreiden zijn in het Toetsingskader endotoxinen op basis van de fijnstofemissie afstanden bepaald die een te hoge blootstelling aan endotoxinen zullen voorkomen.

Voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens zijn afstandsgrafieken opgesteld. Het dichtstbijzijnde intensieve veehouderijbedrijf heeft een fijnstofemissie (PM 10) van 10.274,7 kg PM10 per jaar. Dit betreft een vleeskuikenbedrijf en is gelegen aan de Dijkgraaf de Leeuwweg 58 te Appeltern. Met behulp van het Endotoxine toetsingskader 1.0 is de minimale afstand berekend van de veehouderij tot aan het plangebied. Deze richtafstand bedraagt 611 meter. Het bouwvlak van het vleeskuiken- en melkveebedrijf aan de Dijkgraaf de Leeuwweg 58 te Appeltern ligt op circa 970 meter van het plangebied. Hieruit kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied voldaan kan worden aan de adviesgrenswaarde voor endotoxinen van 30 EU/m3. Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor het aspect duurzaamheid & gezondheid. 4.13. Water In een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplan activiteit dient rekening te worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Voor de beoogde ontwikkeling is het daarom van belang om te toetsen aan een evenwichtige toedeling van functies met betrekking tot het watersysteem. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: ▪ Beschrijving waterrelevant beleid; ▪ Bestaande waterhuishoudkundige situatie; ▪ Beoogde waterhuishoudkundige situatie.

Pagina 33 van 56

4.13.1. Waterrelevant beleid

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende.

Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodige aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.

Waterschap Rivierenland

Het Waterbeheerprogramma beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022 - 2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema's: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als: 1. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren. 2. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater moeten worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100 % afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding). 3. Veilig inrichten.

Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk. Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit: • De T=10+10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 0,2 of 0,3 m stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm.

Pagina 34 van 56

•

De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt vooral voor droogvallende voorzieningen.

Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem moet 48 tot 96 uur bedragen.

Beleidsplan Water en Riolering West Maas en Waal 2023-2027

De gemeenteraad heeft het 'Beleidsplan Water en Riolering West Maas en Waal 2023-2027' op in september 2022 vastgesteld. Hierin is het beleid voor de zorgplicht voor het afvalwater, het afvloeiend hemelwater en het grondwater vastgelegd. Samengevat hieruit het volgende: ‘de gemeente wenst met

voornoemd beleid een duurzame toekomstgerichte en klimaat bestendige inrichting van de openbare ruimte behouden én realiseren’.

Het klimaatbestendig maken van stedelijk gebied vergt bewuste keuzes bij stedelijke inrichting en stedelijke activiteiten. Bij nieuwe ruimtelijke plannen is een klimaatbestendige en water robuuste inrichting van groot belang. Ruimtelijke functies moeten onderling op elkaar afgestemd zijn en de ruimtelijke effecten op waterhuishouding (en vice versa) moeten vastgelegd worden in een bestemmingsplan of omgevingsplan. Het uitgangspunt is dat de perceeleigenaar zelf het regenwater moet verwerken. Hierdoor komt er minder regenwater in het riool terecht, wat ten goede komt aan de werking van de zuiveringsinstallatie. Als verwerking op eigen terrein in redelijkheid niet mogelijk is, dan kan het overtollige regenwater afgevoerd worden naar het openbare terrein, al waar het afvoeren de verantwoordelijkheid van de gemeente is.

4.13.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie

In de directe nabijheid van de planlocatie zijn watergangen aanwezig. Ten noorden van de planlocatie is een C-watergang gelegen, ten zuiden en westen van de planlocatie is een B-watergang gelegen zie onderstaande uitsnede van de legger.

Pagina 35 van 56

Afbeelding 14: Uitsnede legger waterschap Rivierenland, plangebied rood omkaderd

In de bestaande waterhuishoudkundige situatie is geen sprake van het lozen van huishoudelijk afvalwater. Het plangebied is in de bestaande situatie in gebruik als akkerbouwland/boomteelt. Er vinden op de gronden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met hemelwater. Het niet-verontreinigende hemelwater kan dus zonder problemen in de bodem infiltreren of worden geloosd op omliggende perceelsloten. Het plangebied ligt binnen het peilgebied QVU153 met een zomerpeil van NAP +5,00 m en een winterpeil van NAP +4,60 m, zie Afbeelding 15.

Pagina 36 van 56

Afbeelding 15: Uitsnede kaart peilgebieden, plangebied rood omkaderd (bron: Waterschap Rivierenland

De maaiveldhoogte is ter plaatse van het plangebied voornamelijk tussen de 5,62 m NAP en de 5,91 m NAP, zie Afbeelding 16.

Pagina 37 van 56

Afbeelding 16: Uitsnede hoogtekaart, plangebied rood omkaderd

4.13.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie

Bij nieuwe uitbreidingen geldt dat verhard gebied het oppervlaktewatersysteem hier niet zonder meer mee belast mag worden. Of het regenwater moet op eigen terrein vastgehouden of gebruikt worden of er moet extra open water gegraven worden om de toename te compenseren. In het geval van compensatie hanteert de gemeente dat voor een T=10 situatie 436 m³ waterberging per hectare verhard oppervlak gerealiseerd moet worden, waarbij 0,3 m peilstijging mag optreden. Voor de T=100 situatie is dit 664 m³/ha (peil tot aan insteek). Binnen het plangebied is voldoende ruimte beschikbaar om te voldoen aan de bergingsopgave. Over de toename van verhard oppervlak dient watercompensatie gerealiseerd te worden. Wanneer dit in open water wordt gerealiseerd dient 436 m³/ha waterberging aanwezig te zijn. Tevens dient gedempt water 1 op 1 gecompenseerd te worden. Het oppervlaktewater dat nieuw gerealiseerd wordt, is beschikbaar voor waterberging. In Tabel 3 is een overzicht weergegeven van de totale waterbalans binnen het plangebied. Tabel 3: Oppervlakte verharding

Omschrijving

Hoeveelheid

Huidig verhard oppervlak Toekomstig verhard oppervlak Toename verhard opperlak Benodigde waterberging (436 m3/ha)

0 m2 6.289 m2 6.289 m2 275 m3

Pagina 38 van 56

Huidig wateroppervlak Toekomstig wateroppervlak Toename wateroppervlak Toename waterberging door toename wateroppervlak

560 m2 1.756 m2 1.196 m2 359 m3

Op Afbeelding 17 wordt het watersysteem in de beoogde situatie weergegeven. Deze situatietekening is tevens bijgevoegd als Bijlage 6 bij onderhavige toelichting. Tevens is de wateropgave bijgevoegd in Bijlage 18.

Afbeelding 17: Uitsnede situatieschets watersysteem

Aan de zuidzijde van het plan wordt de beoogde toegangsweg gekoppeld aan de Kerkdwarsstraat. Momenteel is daar een greppel gelegen met een hemelwateruitstroom. Deze blijft behouden en wordt middels duikers gekoppeld aan de beoogde watergangen in het plangebied. De bestaande watergang aan de zuidzijde, binnen het plangebied, wordt gedempt. De inhoud hiervan wordt gecompenseerd aan de zuidzijde van de beoogde ontsluitingsweg. Voor de oostelijke watergang geldt dat de gemeente deze gaat onderhouden. Dit onderhoud zal plaatsvinden vanaf het naastgelegen bedrijfsperceel ten oosten van deze watergang. Er zal daarom periodiek gebruik worden gemaakt van een gedeelte van dit bedrijfsperceel, dit is in overleg tussen de eigenaar van het perceel en de gemeente kortgesloten. Alle te realiseren watergangen zullen daarnaast een meter kleigrond als bodem hebben ten diensten van de waterdoorlating. Bij het realiseren van de watergangen zal ten allen tijde rekening worden gehouden worden met het beleid van het waterschap en van de gemeente. Zo wordt gekeken naar de Waterschapsverordening en het gemeentelijke beleid voor het realiseren van het talud. Daarnaast zal de onderhoudsstrook van de watergangen minimaal 4 meter bedragen zodat er altijd voldoende ruimte is om de sloten aan weerzijden schoon te maken, na de eventuele benodigde ophoging.

In de regels van het TAM-omgevingsplan zal worden geborgd dat de watergangen, met de minimale waterberging, in de beoogde situatie gerealiseerd wordt.

Pagina 39 van 56

Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.14. Klimaatadaptie De ontwikkeling van 42 woningen in Altforst sluit goed aan bij de ambities en doelen uit zowel het gemeentelijk beeldkwaliteitsplan klimaatadaptatie als de gemeentelijke omgevingsvisie. Het plan is ontworpen met aandacht voor klimaat adaptieve maatregelen, zoals bijvoorbeeld de eis dat er groene daken op de bijgebouwen van de beoogde woningen worden gerealiseerd, er dient sprake te zijn van regenwaterinfiltratie, een eis dat de tuin maximaal 50% mag worden bebouwd en de parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd met half verharding. Deze maatregelen helpen om de gevolgen van klimaatverandering, zoals wateroverlast en hitte-eilanden, te beperken. Binnen de private grenzen wordt daarnaast met de beoogde aannemer en woningbouwcorporatie gekeken naar mogelijke klimaatbestendige oplossingen. Vanuit het duurzaamheidsoogpunt worden daken op het zuiden bekleed met zonnepanelen. Om hier het volledige rendement uit te halen is er voor ogen om de woningen gasloos op te leveren met een hoog energielabel. Dit is indien mogelijk verder te versterken met een warmtepomp en/of WTW-systeem. Deze aanpak weerspiegelt de ambities uit het beeldkwaliteitsplan, zie Bijlage 17, om klimaatbestendige en duurzame leefomgevingen te creëren.

Daarnaast sluit de ontwikkeling aan bij de doelen van de omgevingsvisie door het bevorderen van een gezonde en veilige woonomgeving. Dit wordt bereikt door integratie van groenstructuren, die bijdragen aan biodiversiteit en sociale samenhang, evenals aandacht voor verkeers- en sociale veiligheid in de planvorming. Door deze synergie tussen klimaat adaptieve maatregelen en bredere ruimtelijke kwaliteit, draagt de woningbouwontwikkeling bij aan de realisatie van de gemeentelijke ambities voor een duurzame, veerkrachtige en leefbare toekomst. 4.15. Duurzaamheid Het meenemen van duurzaamheid in nieuwbouw plannen wordt door steeds meer partijen belangrijk gevonden. Het integreren van duurzaamheid in nieuwbouw plannen biedt kansen in iedere fase van een plan. Zo kan met een slimme ruimtelijke planning het energieverbruik van gebouwen terug gedrongen worden, bijvoorbeeld door zongericht verkavelen. In het ontwerp van een gebouw kan door de juiste materiaalkeuze de impact op milieu verlaagd worden, door bijvoorbeeld het vermijden van uitlogende materialen als zink of door het gebruik van gerecyclede materialen. Het gebruik van natuurvriendelijke materialen binnenshuis kan het binnenklimaat verbeteren. Dit resulteert in een gezonde en toekomst bestendige leefomgeving, met onder andere een hogere kwaliteit en comfort, alsook lagere vaste (energie)lasten.

De ontwikkelingen binnen het plangebied sluiten aan op de duurzaamheidsdoelstellingen waar heel Nederland naar streeft. Nieuwe woningen mogen per 1 juli 2018 niet meer aangesloten worden op het gasnetwerk, maar dienen met duurzamere en schonere energievoorzieningen gerealiseerd te worden. Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.16. Natuur De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van weten regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.16.1. Gebiedsbescherming

De Omgevingswet voorziet met het oog op behoud van biodiversiteit, in regels ter bescherming van Natura 2000-gebieden zoals de aanwijzing en beheer van Natura 2000-gebieden. Daarnaast verplicht de wet dat voor bepaalde projecten, plannen en handelingen die invloed hebben op Natura 2000gebieden sprake is van een vergunningsplicht op grond van artikel 5.1 van de Omgevingswet.

Pagina 40 van 56

De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is beschermd middels regel in de Bkl. In paragraaf 7.3.1 van het Bkl zijn regels opgenomen dat provincies deze beschermingsregels in de Omgevingsverordening dienen op te nemen. Het gaat hier met name om het aanwijzen en de geometrische begrenzing vastleggen van de Natuur gebieden. Daarnaast worden in de Omgevingsverordening regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Hierbij worden de doelstellingen van het gebied in acht genomen. In Nederland zijn 161 Natura 2000gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Rijntakken en de uiterwaarden bij Appeltern. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een omgevingsvergunning voor de activiteit natuur wordt aangevraagd.

Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Rijntakken, dat op een afstand van circa 4,3 kilometer ligt. In Natura 2000-gebieden zijn habitattypen aanwezig die gevoelig zijn voor de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie. Om het effect van de beoogde ontwikkeling op de Natura 2000-gebieden inzichtelijk te maken zijn berekeningen van de aanleg- en de gebruiksfase gemaakt. Middels het rekenprogramma AERIUS wordt de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat in de aanleg- en gebruiksfase niet leiden tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden/geen netto depositieresultaten hebben boven de 0,00 mol N/ha/jaar.

De berekeningen en een toelichting op de invoergegevens zijn toegevoegd als separate bijlagen (Bijlagen 7, 8, 9 en 10 bij onderhavige toelichting). Er zijn derhalve geen negatieve effecten op stikstofgevoelige habitats- en leefgebieden van soorten in Natura 2000 gebieden. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt. Vanwege de ruime afstand van het plangebied tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk.

4.16.2. Gemeentelijk biodiversiteitsplan

De realisatie van 42 nieuwe woningen in Altforst is zorgvuldig getoetst aan het gemeentelijk biodiversiteitsplan van de gemeente West Maas en Waal, waarbij het behoud en de versterking van biodiversiteit centraal staan. In lijn met de doelstellingen van het biodiversiteitsplan, worden in de ontwikkeling diverse maatregelen genomen om de lokale flora en fauna te beschermen en te bevorderen. Zo wordt bij het ontwerp van de woonomgeving rekening gehouden met het behoud van bestaande natuurlijke elementen, zoals bomen en struiken, en wordt er nieuwe groenstructuur toegevoegd, die aantrekkelijk is voor inheemse diersoorten. Verder worden er ecologische

Pagina 41 van 56

verbindingszones gecreëerd om de migratie van dieren te ondersteunen, en wordt gekozen voor beplanting die bijdraagt aan de biodiversiteit, zoals bloemenrijke bermen en insectenvriendelijke tuinen. Ook wordt aandacht besteed aan het verminderen van verstoring door verlichting, door het toepassen van natuurinclusieve lichtarmaturen. Door deze maatregelen voldoet de woningontwikkeling niet alleen aan de eisen van het biodiversiteitsplan, maar draagt ze ook actief bij aan de verbetering van de ecologische waarde van het gebied, in overeenstemming met de gemeentelijke ambities voor natuurbehoud en -versterking.

4.16.3. Soortenbescherming

De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in het Bal. In afdeling 11.2 van het Bal zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IX onder A en B bij het Bal. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. Het Bal regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren.

In het Bal is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Heppertsestraat ongenummerd te Altforst, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren woningen, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan.

Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Op 22 augustus 2024 is door Brabant Eco een QuickScan flora- en fauna uitgevoerd, zie Bijlage 14. Op basis van de uitgevoerde QuickScan wordt geconcludeerd dat er geen beschermde flora en fauna in het plangebied voorkomen. Met de bouw van de 42 woningen en de aanleg van de benodigde infrastructuur zijn geen overtredingen te verwachten ten aanzien van de Omgevingswet. De te bebouwen boomgaard is intensief onderhouden en bemest, waardoor er geen geschikt habitat is voor beschermde plant- en diersoorten. Door de locatie na de bouw geheel landschappelijk in te passen en natuur-inclusief te bouwen zal het leefgebied van genoemde soorten worden verbeterd.

Pagina 42 van 56

Nader onderzoek

Op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie kan het voorkomen van beschermde flora en fauna worden uitgesloten. Hierdoor wordt dan ook niet aanbevolen om een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek uit te voeren.

Omgevingswet - De ingreep zal naar verwachting niet leiden tot verlies van leefgebied van beschermde soorten. -

-

-

De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding. Een ontheffing op grond van de Omgevingswet is daarom niet noodzakelijk. Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Omgevingswet een verbod op handelingen die nesten, vaste rust-of verblijfsplaatsen of eieren beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden (15 maart - 15 juli). Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. In de nabije omgeving van het plangebied komen geen Natura 2000 gebieden voor. Het is met de voorgenomen werkzaamheden echter niet uit te sluiten dat deze leiden tot een verhoging van stikstofdepositie op een Natura 2.000 gebied. Voor de ingreep dient daarom een AERIUS berekening te worden uitgevoerd. In het kader van de zorgplicht dient men tijdens de uitvoering van werkzaamheden alert te zijn op aanwezige fauna en daarbij, indien noodzakelijk, mitigerende maatregelen te treffen. Bij onvoorziene omstandigheden dient er direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.

Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat het aantreffen van beschermde natuurwaarden niet aan de orde is. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is derhalve niet noodzakelijk. 4.17. Archeologie, cultuurhistorie en landschap De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is het zoveel mogelijk behouden van archeologische resten in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Bkl zijn ten aanzien van de bescherming van cultureel erfgoed een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen in het omgevingsplan.

4.17.1. Archeologie

De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe omgevingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aantoonbaar, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan een omgevingsvergunning voor activiteiten waar grondwerkzaamheden worden uitgevoerd. In het omgevingsplan ligt het plangebied gedeeltelijk binnen de bestemming ‘overige zone – waarde archeologie 4’ en gedeeltelijk binnen de gebiedsaanduiding ‘overige zone – waarde archeologie 3’. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘overige zone – waarde archeologie 4’ dient een archeologisch onderzoek plaats te vinden indien de bodemingrepen groter zijn dan 1.000 m2 en dieper dan 150 cm.

Pagina 43 van 56

Ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘overige zone – waarde archeologie 3’ dient een archeologisch onderzoek plaats te vinden indien de bodemingrepen groter zijn dan 1.000 m2 en dieper dan 100 cm. Op 27 september 2023 is door Transect B.V. een archeologisch onderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 15. Het voornemen bestaat om in het plangebied nieuwe woningen voor particulieren te realiseren. De omvang, aard en diepte van de bodemingrepen is nog niet bekend in dit stadium van de ruimtelijke ontwikkeling. In het plangebied is een hoge archeologische verwachting vastgesteld vanaf 10-35 cm Mv (5,36 – 5,73 m +NAP). Om deze reden wordt door Transect geadviseerd om een archeologisch vervolgonderzoek wanneer de bodemingrepen dieper reiken dan het maaiveld. Dit onderzoek kan het beste plaatsvinden in de vorm van een booronderzoek, karterende fase (IVO-O). Hierbij worden de boringen in een dichter grid geplaatst (13x15m; volgens methode A3 met boordiameter 12 cm; Tol, 2012). De top van de oeverafzettingen dient bemonsterd te worden, die op een later moment gezeefd worden met een maaswijdte 2 mm. Aangezien de uitvoering van een vervolgonderzoek noodzakelijk is indien de bodemingrepen dieper reiken dan het maaiveld, blijft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – Verwachtingswaarde Hoog’ van toepassing totdat het plangebied is vrijgegeven middels bijvoorbeeld een vervolgonderzoek.

4.17.2. Cultuurhistorie en landschap

Uit de cultuurhistoriekaart van de Omgevingsverordening Gelderland blijkt dat het plangebied niet in een gebied met landschappelijke of cultuurhistorische waarden ligt, zie Afbeelding 18. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of landschappelijk waardevol gebied.

Pagina 44 van 56

Afbeelding 18: Uitsnede kaart historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie, plangebied zwart omcirkeld

Zoals blijkt uit Afbeelding 18 zijn er binnen het plangebied géén cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig. De locatie is wel gelegen aan een historische geografische eenheid, namelijk de Heppertsestraat. De Heppertesetraat zal door de gewenste ontwikkeling niet worden aangetast. Het plangebied ligt nabij een markant entreegebied op de overgang van dorp en landschap, dit blijkt uit de kwaliteitskaart in het Dorpspaspoort. Om deze reden is in het stedenbouwkundig plan extra aandacht besteed aan de opbouw, de oriëntatie en de landschappelijke inpassing van de bebouwing aan deze straat. De bebouwing aan de Heppertsestraat bestaat voornamelijk uit vrijstaande jaren ’60 bebouwing bestaande uit een bouwlaag met het zadeldak evenwijdig aan de straat. Hier sluit de nieuwe bebouwing aan deze straat op aan. Het aspect 'cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het TAMomgevingsplan. 4.18. Verkeer en parkeren Binnen het plangebied dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. De omgevingsvisie/ de parkeernota / een ander beleid van een gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden.

Met betrekking tot parkeren heeft de gemeente West Maas en Waal een ‘Nota Parkeren 2019’ vastgesteld.

Pagina 45 van 56

4.18.1. Verkeer

Gekeken naar het aspect verkeer heeft de gemeente geen eigen normen opgenomen in de parkeernota en derhalve wordt aansluiting gezocht bij de CROW. In totaal worden er met de beoogde ontwikkeling 42 woningen gerealiseerd binnen het plangebied. Op basis van de CROW publicatie ‘Toekomstbestending parkeren – van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ kan de (extra) verkeersgeneratie worden bepaald voor het autogebruik. Naast auto’s zullen ook fietsers de weg weten te vinden naar het plangebied. Zoals hiervoor reeds omschreven zullen er op het plangebied 42 woningen gerealiseerd worden, bestaande uit 7 vrijstaande woningen, 4 twee-onder-een-kapwoningen, 8 beneden-bovenwoningen (bebo-woningen) en 23 rijwoningen. Voor de berekening van de verkeersbewegingen in de beoogde situatie wordt ervanuit gegaan dat het plangebied gelegen is in de rest bebouwde kom, sterk stedelijk gebied, aangezien de locatie grenst aan het bestaand stedelijk gebied en een stedelijke ontwikkeling betreft. Voor vrijstaande woningen geldt een verkeersgeneratie van 8,6 verkeersbewegingen per woning (weekdaggemiddelde). Dit komt voor de realisatie van 7 vrijstaande woningen neer op een verkeersgeneratie van 60,2 verkeersbewegingen per dag. Voor tweeonder-een-kapwoningen geldt een verkeersgeneratie van 8,2 verkeersbewegingen per woning (weekdaggemiddelde).

Dit komt voor de realisatie van 4 twee-onder-een-kapwoningen neer op een verkeersgeneratie van 32,8 verkeersbewegingen. Voor rijwoningen geldt een verkeersgeneratie van 7,5 verkeersbewegingen per woning (weekdaggemiddelde). Dit komt voor de realisatie van 23 rijwoningen neer op een verkeersgeneratie van 172,5 verkeersbewegingen. Voor de bebo-woningen zal rekening gehouden worden met een verkeersgeneratie van 4,5 vervoersbewegingen per weekdaggemiddelde. Voor de 8 bebo-woningen komt dit neer op een verkeersgeneratie van 36 verkeersbewegingen. In totaal ontstaat er in de beoogde situatie een verkeersgeneratie van 301,5 verkeersbewegingen per dag. Vorenstaande is overzichtelijk weergegeven in Tabel 1.

Tabel 1: verkeersbewegingen gebruiksfase Type woningen Aantal woningen Beneden-bovenwoning Tussenwoning Twee-onder-een-kapwoning Vrijstaande woning

8 23 4 7 Totaal:

Aantal verkeersbewegingen volgens de CROW per dag 36 172,5 32,8 60,2 301,5

De ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit om verkeersbewegingen met voornamelijk lichte motorvoertuigen af te wikkelen. Er zullen de beoogde situatie namelijk voornamelijk personenvervoersmiddelen van en naar het plangebied bewegen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16210296/1