Bijlage 1. Gebiedsanalyse Raadhuisdijk 18 Maasbommel
Tekst van het document
4.1.5 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijk besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een initiatief moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ (Bevi), het ‘Besluit externe veiligheid transportroutes’ (Bevt) en het ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen’ (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Beviinrichting, moeten worden aangehouden.
24
Figuur 4: Kaart met externe veiligheidslagen (Bron: Risicokaart.nl)
Doorwerking planinitiatief betreft buisleidingen Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van relevante buisleidingen voor aardgas en vloeibare brandstoffen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege buisleidingen (Bevb). Doorwerking planinitiatief betreft risicovolle inrichtingen Binnen de woonbestemming van het perceel passen geen risicovolle activiteiten, zoals Beviactiviteiten. De vestiging van een Bevi-inrichting binnen het plangebied is daarmee uitgesloten. Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege risicovolle inrichtingen. Doorwerking planinitiatief betreft transport gevaarlijke stoffen Ten zuiden van Maasbommel ligt de rivier de Maas. De Maas is een belangrijke vaarweg.
Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid (figuur 4) blijkt dat het aspect externe veiligheid wel relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Maas. Het plangebied ligt namelijk in het aandachtsgebied van deze transportroutes, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in ieder geval worden ingegaan op de mogelijkheden voor: • de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroutes, en • de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevi moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Er wordt voor nu uitgegaan van een reactie van de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid met: ‘Dat het relevant is dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) ‘bijzonder kwetsbare object’, bestemd voor verminderd zelfredzame personen.’ Dit zou betekenen dat wanneer 25
het verminderd zelfredzame personen betreft zoals senioren, mensen met een zorgvraag of ontheemden, hier meer aandacht aan moeten worden gegeven in de zin van zelfredzaamheid. Wat zelfredzaamheid inhoudt, zal hieronder duidelijk worden. Doorwerking planinitiatief tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NLalert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. Echter zal er meer aandacht moeten worden gegeven aan de zelfredzaamheid van verminderd zelfredzame personen of kwetsbaardere groepen. In het bijzonder voor de Oekraïense ontheemden en AMV’s omdat zij de Nederlandse taal niet spreken en de WAS-palen niet kennen. Het aspect externe veiligheid is relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Maas. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er in plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroutes (wel met extra aandacht voor kwetsbare doelgroepen).
Een opvang van ontheemden is mogelijk mits er goede instructies worden gegeven. Op deze manier worden ontheemden/AMV’s gezien als zelfredzaam. Het Thomashuis en hospice daarentegen zullen een goede bepaling van het groepsrisico nodig hebben. 4.1.6 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 01-01-2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en de bosopstanden in Nederland. In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied. Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming.
De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Er moet bekeken worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen nodig zijn. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
26
Doorwerking planinitiatief Ten behoeve van het plan is een verkennend ecologisch onderzoek (Quick-Scan Flora- en fauna) benodigd. Met een verkennende studie kan namelijk worden nagegaan of er bijvoorbeeld nestjes van beschermde diersoorten in het gebouw aanwezig zijn. Er moet zorgvuldig worden omgegaan met alle diersoorten en er zullen passende maatregelen moeten worden gevonden om de diersoorten te beschermen. 4.1.7 Water Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hooggehouden worden. Op Rijks- en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Met ingang van 22 december 2021 is het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken. Verbinden. Vergroenen.' van Waterschap Rivierenland bepalend voor het waterbeleid. In dit Waterbeheerprogramma beschrijft het waterschap wat het in de planperiode tot 2027 wil bereiken. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit, wegen en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren.
Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Het Waterschap Rivierenland hanteert de beleidsregel 'Nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak'. Deze heeft als doel de versnelde afvoer van hemelwater als gevolg van de uitbreiding van het verhard oppervlak te beperken tot de maatgevende afvoer van het landelijk gebied. Een uitbreiding van het verhard oppervlak moet vanuit waterhuishoudkundig opzicht dus waterbalans-neutraal plaatsvinden. Om te voorkomen dat individuele bewoners voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc., moeten compenseren geldt er een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor landelijk gebied. Deze vrijstelling geldt alleen voor particulieren. De gemeente West Maas en Waal volgt het beleid van Waterschap Rivierenland. Daarnaast stellen zij het volgende: • •
•
•
Binnen een plan mag er tot een maximum van 500m2 verhard worden om géén compensatieverplichting te krijgen (eenmalige vrijstelling). Vanaf het hart van de dijk van de Maas landinwaarts mag er binnen 14 meter geen verharding worden geplaatst. De 14 meter moet beschikbaar blijven voor het ophogen van de dijk. In alle andere gevallen moet in open water gecompenseerd worden. Daarbij geldt uiteraard: hoe minder verharding, hoe minder compenseren. Bij het toekennen van de bestemming Wonen geldt altijd dat uitgegaan wordt van 70% verharding bij vrijstaande woningen (80% bij 2-onder-1 kap en 90% bij rijtjes). Per 8 december 2022 worden plannen langs de meetlat van het beeldkwaliteitsplan klimaatadaptatie gelegd. 27
Doorwerking planinitiatief Ten opzichte van de voormalige situatie zal er geen sprake van een grote toename (meer dan 500 m²) van verharding. Er zal mogelijk wel verharding kunnen toenemen door het realiseren van parkeergelegenheden. Er is geen compensatieverplichting benodigd maar er moet wel rekening worden gehouden met de 14 meter afstand tot het hart van de dijk. Hier zal geen verharding mogen worden geplaatst. 4.1.8 Luchtkwaliteit De beoogde ontwikkeling is dusdanig van kleine schaal dat er op voorhand kan worden aangemerkt als een project van ‘niet betekende mate’. Dit houdt in dat de ontwikkeling niet in betekenende mate invloed heeft op de luchtkwaliteit ter plaatste en nadere beschouwing van de luchtkwaliteit niet benodigd is. 4.1.9 Duurzaamheid Gelet op de eindigheid van ruimte en bouw- en brandstoffen is duurzaamheid bij ruimtelijke ontwikkelingen van belang. Duurzame ontwikkeling is de ontwikkeling die aansluit op de behoeften van heden en toekomst zonder het vermogen van de toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Doorwerking planinitiatief Er liggen zonnepanelen op het dak van het achterhuis. Het behouden van deze zonnepanelen wordt dan ook gestimuleerd. Of er een warmtepomp wordt aangesloten is op dit moment nog niet bekend.
Omdat het om een bestaand gebouw gaat, hoeft er nog niet te worden voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Vanaf het jaar 2025 is dit echter wel een regel bij bestaande gebouwen. Gezien de planning van dit plan, is er een grote kans dat dit dus ook voor dit perceel zal betekenen.
28
4.2 Veranderlijke aspecten 4.2.1 Stikstof Voorheen diende op grond van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) - dat in juli 2015 van kracht werd - berekend te worden of een nieuwe (bouw)activiteit leidde tot een significante toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Onder het PAS golden enkele drempels- en grenswaarden die bepaalden of een toename van stikstofdepositie significant was en zo ja, of er dan een meldingsplicht of een vergunningplicht gold. Door te rekenen met het voorgeschreven rekenprogramma AERIUS Calculator werd automatisch met die drempelwaarden rekening gehouden. In het geval van de meldingsplicht kon de planontwikkeling aanspraak maken op benutting van de ontwikkelingsruimte die voor een Natura 2000-gebied gold, totdat deze niet meer voorradig was. Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 mag het PAS niet meer gebruikt worden als toestemmingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot een toename van stikstofdepositie op (stikstofgevoelige habitattypen in) Natura 2000-gebieden. De drempel- en grenswaarden uit het PAS zijn daarmee ook niet meer van toepassing. Hiermee kan een project met een geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jaar al vergunningsplichtig zijn (artikel 2.7 en 2.8 Wnb).
Oftewel, ook relatief kleinschalige projecten dienen zorgvuldig op hun stikstofdepositie getoetst te worden om aan Europese regelgeving te kunnen voldoen (en stand te houden bij de Raad van State in geval van een beroep). Per 1 juli 2021 is de nieuwe stikstofwet in werking getreden. Door deze wetgeving is het in principe niet langer noodzakelijk om ook de bouwfase te betrekking in het onderzoek, alleen de gebruiksfase dient nog onderzocht te worden. Echter is naar aanleiding van de gerechtelijke uitspraak van de Raad van State op 2 november 2022 de zogenaamde bouwvrijstelling komen te vervallen. Doorwerking planinitiatief Gelet op de afstand van circa 7.000 meter ten opzichte van het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied zijn er geen factoren die leiden tot een negatief effect op de dichtstbijzijnde, en daarmee maatgevende, Natura 2000-gebied. Uit de AERIUS-berekeningen zal moeten blijken dat de meest nadelige benadering de stikstofdepositie niet leidt tot significante negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden gedurende de realisatiefase. In de gebruiksfase zijn er echter wel wijzigingen ten opzichte van de vergunde situatie. Dit zal ook per scenario verschillen. Een scenario met meer bewoners zal zorgen voor meer verkeersbewegingen.
Verkeersbewegingen worden gerekend per huishouden, dus 4 appartementen geven feitelijk gezien meer verkeersbewegingen dan het oorspronkelijke huishouden. Deze resulteren in een hogere stikstofwaarde dan een scenario met minder bewoners. In de tabel hieronder wordt een schatting gegeven voor welk scenario een hogere stikstofwaarde zou resulteren op basis van de vergunde situatie: Scenario S1- 4 appartementen S2- 8 appartementen S3- Thomashuis S4- Hospice S5- 15 Oekraïense ontheemden S6- Aankoop en afkoop S7- AMV's
Status gebruiksfase Kans op hogere waarde Kans op hogere waarde Kans op hogere waarde Kans op hogere waarde Kans op hogere waarde Kans op hogere waarde 29
Tabel 4: Stikstofwaarde onderzoek per scenario
Om het werkelijke effect van stikstofuitstoot voor de verschillende scenario’s te bepalen zullen een voortoets stikstofdepositie en AERIUS-berekening uitgevoerd moeten worden. 4.2.2 Kabels en leidingen Er liggen relevante leidingen in het plangebied voor bijvoorbeeld het afwatersysteem en afvalwatersystemen. Op basis van het aantal personen wonend in het pand, zullen de faciliteiten (douches, toiletten, keukens) worden afgestemd. Het is noodzakelijk om te voorkomen dat de impact op de ondergrondse infrastructuur buitensporig hoog wordt. Doorwerking planinitiatief Voor deze locatie is het rioleringssysteem onbekend. Er bevindt zich in het beheersysteem van de gemeente geen informatie over de ondergrondse infrastructuur onder dit perceel. Er zal onderzoek worden ingesteld om het systeem te achterhalen. Desalniettemin, hoe het systeem ook is opgebouwd, elk scenario vraagt om een andere capaciteit van de ondergrondse infrastructuur. Er zal bij elke scenario nieuwe aansluitingen tot wel geheel nieuwe leidingen moeten worden aangelegd. Onderstaand tabel maakt een inschatting van deze mogelijke resultaten. Ook deze inschatting wordt vergeleken met de capaciteit op basis van de huidige situatie. Scenario S1- 4 appartementen S2- 8 appartementen S3- Thomashuis S4- Hospice S5- 15 Oekraïense ontheemden S6- Aankoop en afkoop S7- AMV's
Status Kans op weinig aanpassing Kans op aanpassing Kans op aanpassing Kans op aanpassing Kans op aanpassing Kans op aanpassing
Tabel 5: Resultaten aanpassing ondergrondse infrastructuur per scenario
Er zal een gemeentelijk onderzoek worden ingezet om het beheersysteem in kaart te brengen. 4.2.3 Verkeersbewegingen Om inzicht te bieden in de mate van verkeerstoename als gevolg van een nieuwe situatie, moet de verkeers-aantrekkende werking worden bepaald. Voor de berekening van verkeersgeneratie gaat men uit van het aantal wooneenheden. Een samenstelling van een gezin is bijvoorbeeld geen vast gegeven en zal dus niet kunnen worden berekend. Daarnaast om de verkeersgeneratie van de functie in het plangebied te bepalen is gekeken naar de ligging van het plangebied. Een stedelijk gebied zal met dichtstbijzijnde voorzieningen en openbaar vervoer tot minder autobewegingen leiden dan een meer landelijke omgeving met minder voorzieningen en de afwezigheid van openbaar vervoer. De gemeente West Maas en Waal is qua stedelijkheidsgraad aan te merken als een ‘niet stedelijk’ gebied. Er worden twee verkeersgeneraties gebruikt om de verkeersgeneraties op de Raadhuisdijk 18 aan te duiden. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van een gemiddelde weekdag: •
De verkeersgeneratie voor ‘kamerverhuur, zelfstandig (niet-studenten)’ van 1,8 tot 2,4 ritten per kamer per etmaal. 30
•
En de verkeersgeneratie ‘huur-appartement, midden/goedkoop’ van 3,7 tot 4,5 ritten per etmaal.
Omdat er geen specifieke verkeersgeneratie beschikbaar is voor woonvormen zoals een opvang voor vluchtelingen, wordt er voor scenario 5 gekeken naar de verkeersbewegingen die plaatsvinden in Altforst. Uit verschillende statistieken gebaseerd op Altforst komen de geplande verkeersbewegingen uit op maximaal 1,98 ritten per persoon per etmaal. Uit deze cijfers kan worden geconcludeerd dat de kencijfers van ‘kamerverhuur, zelfstandig’ ook hier mogelijk zou kunnen zijn. Bovendien wordt nu elke werkende gezien als 2 verkeersbewegingen terwijl de meesten in koppels of zelfs grotere groepen werken en zijn er ook bewoners die een fiets als vervoersmiddel gebruiken. Toch gaat dit over geplande verkeersbewegingen die zijn geregistreerd bij het beheer van de opvang in Altforst. Er kunnen mogelijk ook enkele spontane bewegingen plaatsvinden zoals supermarktritjes. De verkeersveiligheid wordt bestempeld als sociaal aspect, zie hoofdstuk 5. Omdat er geen specifieke verkeersgeneratie beschikbaar is voor woonvormen zoals een opvang voor vluchtelingen, wordt er voor scenario 7, de opvang van 20-25 AMV’s, een inschatting gedaan met behulp van verschillende rekentools. De kinderen beschikken niet over auto’s; verkeer komt alleen van personeel van ODIG, het COA, ondersteunende diensten (zoals Nidos en de GGD) en leveranciers.
Hierbij wordt opgemerkt dat het hier gaat om diensten bestaande uit een dagdeel of dagdelen. Alle medewerkers zullen niet tegelijkertijd aanwezig zijn op de locatie. Er zullen personenbusjes kinderen naar school brengen en halen. Naast personeel en aanvoer van goederen worden geen andere verkeersbewegingen verwacht; bezoek aan de locatie zal incidenteel zijn. 1. Allereerst een rekentool ontwikkeld door Witteveen+Bos. Deze rekentool is gebaseerd op feitelijke tellingen van de verkeersgeneratie van opvanglocaties voor vluchtelingen van het COA. Met deze rekentool wordt de verwachte verkeersgeneratie voor nieuwe opvanglocaties ingeschat middels een vergelijking van de opvangcapaciteit van andere locaties. Er is hierbij uitgegaan van de meest nadelige situatie zodat er geen onderschatting van verkeersgeneratie kan worden gemaakt. Op basis van deze tool kan er worden uitgegaan van 0,23 x per persoon per etmaal. Dit komt uit op 7,59 verkeersbewegingen per etmaal. Hier is voor de zekerheid ook het personeel als bewoners meegerekend. 2. De tweede rekentool is gebaseerd op de bovengenoemde bekende bewegingen in Altforst. De geplande verkeersbewegingen komen uit op maximaal 1,98 ritten per persoon per etmaal. Voor 25 AMV’s zal het betekenen dat er 50 verkeersbewegingen per etmaal plaatsvinden. Echter is dit gebaseerd op het feit dat alle kinderen zouden kunnen rijden en een auto hebben.
Dit is dus geen accurate rekentool. 3. Ten derde is er een inschatting gemaakt door ODIG. Dit zijn de verkeersbewegingen geteld op de huidige locaties, in relatie tot het aantal kinderen, het aantal begeleiders/medewerkers en externen zoals leveranciers. Voor de Raadhuisdijk 18 zullen de verkeersbewegingen uitkomen op 30 verkeersbewegingen per dag. Doorwerking planinitiatief In de tabel hieronder zijn de verkeersbewegingen per scenario ingeschat door middel van bovenstaande gegevens. Scenario S1- 4 appartementen S2- 8 appartementen S3- Thomashuis
Wooneenheden x ritten 4 x 3,7 – 4,5 8 x 3,7 – 4,5 9 x 1,8 – 2,4 +
Totaal aantal ritten per etmaal 14,8 – 18 29,6 – 36 19,9 – 25,1 31
S4- Hospice S5- 15 Oekraïense ontheemden S6- Aankoop en afkoop S7- AMV's
1 x 3,7 – 4,5 12 x 1,8 – 2,4 15 x 1,98 25 kinderen + 6-8 medewerkers
21,6 – 28,8 29,7
30
Tabel 6: Resultaten verkeersbewegingen per scenario
Bovenstaande resultaten zijn de gegevens inclusief externe verkeersbewegingen (zoals zorg of bezoek). Voor scenario 1 en 2 is er geteld met de verkeersgeneratie van ‘huur-appartement’. Ervan uitgaande dat hier starters of senioren komen te wonen die zich zullen moeten vervoeren naar werk, de winkel of bijvoorbeeld sport. Scenario 3 en 4 betreffen bewoners die zichzelf niet kunnen vervoeren met de auto. De verkeersbewegingen die hier voornamelijk voorkomen zijn externe bezoekers en medewerkers/vrijwilligers. En in het geval voor scenario 3 rijdt ook het zorgondernemersgezin. Scenario 5 is uitgerekend met de verkeersgeneratie voorkomend in Altforst. Hier zitten ook alle externe verkeersbewegingen (als catering, zorg, medewerkers en school) bij in. Bij scenario 7 beschikken de kinderen niet over auto’s. Verkeer komt alleen van personeel van ODIG, het COA, ondersteunende diensten en leveranciers. Hierbij wordt opgemerkt dat het hier gaat om diensten bestaande uit een dagdeel of dagdelen. Alle medewerkers zullen niet tegelijkertijd aanwezig zijn op de locatie. De kinderen verplaatsen zich voornamelijk lopend, met de fiets en met geplande busritten gereden door de medewerkers. Naast personeel en aanvoer van goederen worden geen andere verkeersbewegingen verwacht; bezoek aan de locatie zal incidenteel zijn. De gegevens van de drie rekentools wijken erg van elkaar af.
De derde rekentool geeft ongeveer het gemiddelde van de drie tools. Bovendien is dit voor scenario 7 de meest betrouwbare bron. 4.2.4 Parkeren Bij een bestemmingsplanwijziging is het ook noodzakelijk om de veranderingen ten aanzien van parkeren inzichtelijk te maken. De uitgangspunten voor de parkeerbehoefte bij nieuwbouw- en verbouwprojecten zijn gesteld in, zoals eerder genoemd in hoofdstuk 3, de ‘Nota Parkeren 2019’, die gebaseerd zijn op de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’. De gemeentelijk ‘Nota Parkeren 2019’ geeft weinig variatie in de woonfunctie. De volgende tabel komt uit de Nota en bevat de parkeernormen auto voor de functie wonen. Deze normen zijn inclusief een bezoekersaandeel. Per woning wordt een bezoekersaandeel van 0,3 gehanteerd, per kamer geldt een bezoekersaandeel van 0,2.
32
Tabel 7: Parkeernormen auto uit nota parkeren 2019
Voor de functie van opvang zijn in deze nota geen parkeernomen opgenomen. In dit geval zijn er haalbaarheidsstudies van ruimtelijke initiatieven die omtrent opvang voor ontheemden de volgende overwegingen hanteren: •
• •
Een kerncijfer dat vanuit de CROW-richtlijnen redelijkerwijs het meest in de buurt komt is die van kamerverhuur, zelfstandig (niet student). Hiervoor ligt het kencijfer tussen 0,6 en 0,8 per kamer; Vergelijking bij andere gemeentes bij huisvesting van ontheemden leveren op dat zij veelal een kencijfer hanteren van 0,5 à 0,6 per woonunit; En in dit geval dan een vergelijking met het autobezit in Altforst (20 auto’s op 75 mensen) = +- 0,26 per bewoner zonder bezoekersplekken meegeteld.
Ook zullen er fiets parkeerplekken moeten worden meegenomen. Doorwerking planinitiatief In de tabel hieronder zijn de parkeerplekken per scenario ingeschat door middel van bovenstaande gegevens. De resultaten zijn omhoog afgerond: Scenario S1a- 4 app, senioren S1b- 4 app, starters S1c- 4 app, combi S2a- 8 app, senioren S2b- 8 app, starters S2c- 8 app, combi S3- Thomashuis S4- Hospice S5a- 15 Oekraïense ontheemden S5b- combi S6- Aankoop en afkoop S7- AMV's
Wooneenheid x norm 4 x 1,5 4 x 2,3 4 x 1,9 8 x 1,5 8 x 2,3 8 x 1,9 9 x 1,3 + 1 x 2,3 12 x 1,3 15 x 0,7
Parkeerkencijfer 6 10 8 12 19 16 14 16 11
8 x 0,7 + 4 x 1,65 25 x 0,3 + 6-8 medewerkers
13 Minimaal 14 + fietsenstalling
Tabel 8: Resultaten parkeerplekken per scenario
Er is een onderscheid gemaakt tussen de varianten omdat er een nuanceverschil in de parkeernormen zit. Bovendien is er uitgegaan van de parkeernorm ‘rest bebouwde kom’ omdat er geen voorzieningen nabijgelegen zijn. Scenario 1c en 2c hebben een verschil tussen de norm 1,5 en 2,3 = 1,9.
33
Scenario 3 betreft 9 kamers waar een ‘serviceflat’ als norm is aangehouden. De 1 x 2,3 staat voor het zorg-ondernemersgezin dat hier ook woont. Ook voor scenario 4, de hospice, is een ‘serviceflat’ aangehouden. Voor scenario 5 geldt een norm van 0,7 bestaande uit het gemiddelde van de bovenstaande overwegingen. Voor scenario 7 is uitgegaan van een kamerverhuur voor studenten. Studenten hebben vaak ook geen eigen auto, deze jongeren hebben dat ook niet. Bovendien kan daarvan worden uitgegaan omdat de kinderen niet zelf autorijden. Er wordt uitgegaan van 6 medewerkers en externen die op hetzelfde moment zouden kunnen parkeren. Bovendien moet er een fietsenstalling worden geplaatst voor 25 fietsen. Echter is in de 0,3 norm geen rekening gehouden met catering, beveiliging, zorg, onderwijs enzovoorts. Er moet dus worden uitgegaan van meer parkeerplekken. Gezien de gegevens in de tabel, zullen er voor veel scenario’s parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd op het eigen terrein waardoor de verharding zal toenemen. Ook zal er bij ieder scenario een fietsenstalling gerealiseerd moeten worden.
34
5 Sociale en maatschappelijke aspecten In dit hoofdstuk worden de sociale en maatschappelijke aspecten behandeld. Deze komen o.a. voort uit de speerpunten van de sociale gemeentelijke beleidsnota’s. Deze aspecten zullen worden beschouwd als variabelen die de sociale impact van elk scenario omschrijven op zowel de omgeving (inclusief de bestaande bewoners) als op de toekomstige bewoners. Deze variabelen zijn vergelijkbaar met de milieutechnische aspecten alleen zijn deze aspecten anders te interpreteren. In dit hoofdstuk zullen deze aspecten uiteen worden gezet met de vraag of per scenario de sociale component als een toevoeging of afbreuk kan worden verwacht.
5.1 Sociale gemeentelijke beleidskaders 5.1.1 Structuurvisie en Visie Leefbaarheid In de structuurvisie van de gemeente staat het concept van leefbaarheid centraal. In de Visie Leefbaarheid wordt dit nader omschreven. Leefbaarheid beschrijft de mate waarin een woonomgeving als prettig wordt ervaren en kan worden bepaald door elementen als toegankelijkheid, gelijkheid, veiligheid, comfort, beschikbare voorzieningen, openbaar vervoer, sociale cohesie en participatie. Het hoofddoel van de Visie Leefbaarheid is de identiteit en kwaliteit van de dorpen te versterken. De identiteit van Maasbommel Maasbommel kenmerkt zich door de karakteristieke dijkwoningen en de ruimte tussen de Bovendijk, Raadhuisdijk en het Pleinstraatje. De woningen in Maasbommel zijn veelal ruim in omvang. Er is echter wel een tekort aan starterswoningen. Dit laatste blijkt ook uit de woonvisie. Het dorp biedt enkele activiteiten en een actief verenigingsleven. Bovendien trekt het veel toerisme aan door het aantrekkelijke landschap en de recreatieve activiteiten (zoals watersport). De recreatiedruk vanuit de Gouden Ham is gelijktijdig een zorg. Zo heeft de botenopslag aan de Bovendijk een negatieve uitwerking op de ruimtelijke kwaliteit en zorgen de verkeersstromen richting de Gouden Ham (die over de Raadhuisdijk gaan) voor drukte en onveilige verkeerssituaties voor de bewoners.
Een kracht van Maasbommel is haar sterke gemeenschap. Er heerst een sterk dorpskarakter; de inwoners kennen elkaar en zijn bereid samen te werken om initiatieven van de grond te krijgen. Er worden activiteiten georganiseerd en er is een actief verenigingsleven. Onder andere de voetbalvereniging en de carnavalsvereniging zorgen voor een verbindende factor waar men trots op is. Zo heerst er in Maasbommel een hoge saamhorigheid en wordt individualisering geminimaliseerd. Dit versterkt de leefbaarheid van Maasbommel. Maasbommel staat daarnaast voor een aantal uitdagingen die de leefbaarheid van het dorp bedreigen. Een eerste uitdaging is dat Maasbommel niet bereikbaar is met het openbaar vervoer en dat er een negatief toekomstperspectief is voor het winkelbestand (er is slechts één winkel). Daarnaast is Maasbommel aan het vergrijzen. Er zijn te weinig woonmogelijkheden voor jonge bewoners. Het aanbod zorgt er dus voor dat jongeren wegtrekken. Bovendien is er behoefte aan woonvoorzieningen voor ouderen, zodat zij langer zelfstandig thuis kunnen wonen. Er zal dus enerzijds iets moeten worden gedaan aan het aanbod van starterswoningen en anderzijds aan de levensloopbestendigheid van woningen. De gemeente West Maas en Waal wil de identiteit en kwaliteit van de dorpen versterken,
35
door onder andere in te zetten op de diversificatie van het woningen- en voorzieningenaanbod. Tot slot een beschrijving van de identiteit van het pand aan de Raadhuisdijk 18. Het royale herenhuis is in de 19e eeuw gebouwd en heeft een voormalig koetshuis met aanbouw uit 2002. In deze aanbouw zit nu een garage, een studio en op de eerste verdieping 2 illegaal verbouwde appartementen. Het pand heeft veel geschiedenis wat te zien is aan de authentieke elementen aan de gevel en ook aan de binnenzijde op de plafonds en in de vloeren. Het huis wordt gezien als een van de gezichten van Maasbommel. Het huis wordt bijvoorbeeld vaak afgebeeld op ansichtkaarten. Doorwerking planinitiatief Visie Leefbaarheid Voorliggend plan zal, ongeacht het scenario, een impact hebben op de identiteit en kwaliteit van Maasbommel. De leefbaarheid zal bij ieder scenario veranderen, bij ieder scenario op een andere manier. Hoe meer mensen er in het pand wonen, hoe anders de impact op de omgeving. Er zal daarom bij de scenariokeuze rekening moeten worden gehouden met de verschillende factoren die de leefbaarheid doen veranderen. De volgende punten zijn daarvoor van belang: • • • • •
Toegankelijkheid/bereikbaarheid van de bestaande bewoners tot de toekomstige bewoners; De saamhorigheid tussen de bestaande bewoners en de toekomstige bewoners; Verschillende veiligheidsaspecten van de woonomgeving; Capaciteit van beschikbare voorzieningen; Sociale cohesie (wat subjectieve beleving (houding, gevoelens) maar ook objectief gedrag (samenwerking en participatie) inhoudt).
Bij de groei van de nieuwe bewoners (scenario 1 heeft het minste aantal: 9 personen, en bij scenario 7 het meeste aantal: 25 personen) zal de identiteit van het dorp veranderen. De gemeente en de bewoners willen de leefbaarheid in Maasbommel behouden en verbeteren; de toekomstige bestemming van Raadhuisdijk 18 zal hieraan kunnen bijdragen. Niet alleen tijdens een (mogelijke) tijdelijke fase van dit plan, maar ook tijdens een permanente fase. Oftewel: het plan moet toekomstbestendig zijn. Voor scenario 5 en 7 zal gedurende het planvormingsproces dus ook aandacht zijn voor de invulling van het pand ná de huisvesting van ontheemden/vluchtelingen. Ook voor het toekomstige plan zullen bovenstaande leefbaarheidsaspecten afgewogen worden. De gemeente wil ervoor zorgen dat verschillende mensen met verschillende woonbehoeften goed kunnen samenleven in de dorpen. Zo is er in Maasbommel ook behoefte aan kleine en betaalbare wooneenheden. Het pand aan de Raadhuisdijk 18 biedt de mogelijkheid om appartementen te realiseren. Daarmee wordt invulling gegeven aan de structurele woonbehoefte van het dorp en bijgedragen aan diverse wooneenheden. Doorwerking planinitiatief sociale cohesie Sociale cohesie gaat over de mate waarin mensen zich met elkaar verbonden voelen en verbonden willen zijn, en over het gedrag dat hieraan invulling geeft.
Sociale cohesie heeft een subjectieve beleving (houding, gevoelens) en een objectief gedrag (samenwerking en participatie). Subjectieve beleving is lastig te meten omdat dit wordt gebaseerd op ervaringen. In hoeverre de sociale cohesie betreffende objectief gedrag door de scenario's beïnvloed wordt, is hieronder aangegeven: 36
Scenario S1- 4 appartementen S2- 8 appartementen S3- Thomashuis S4- Hospice S5- 15 Oekraïense ontheemden S6- Aankoop en afkoop S7- AMV's
Sociale cohesie Gelijkblijvend aan vergunde situatie Gelijkblijvend aan vergunde situatie Gelijkblijvend aan vergunde situatie Nader onderzoek nodig Gelijkblijvend aan vergunde situatie Nader onderzoek nodig
Tabel 9: Resultaten sociale cohesie per scenario
De resultaten in bovenstaand tabel worden onder andere bepaald door de tijdelijkheid van de personen die intrekken en door de aantal personen die het pand gaan bewonen. De tijdelijkheid heeft vooral betrekking op scenario 4 (hospice) en scenario 7 (AMV’s). Scenario 1 (4 app.), 2 (8 app.) en 3 (Thomashuis) zullen eenzelfde impact hebben op sociale cohesie als de oorspronkelijke vergunde situatie. Dit is positief doordat de buurt het aantal bewoners kan plaatsen (absorptievermogen). Voor scenario 4 (hospice) wordt een gesloten instelling verwacht wat weinig kan participeren en samenwerken met de buurt. Scenario 5 heeft een soort gelijk aantal personen als scenario 2. Het is een doelgroep met diverse culturele- en communicatieve omgangsvormen. Vanwege het aantal personen zal dit echter eenzelfde impact hebben als de vergunde situatie. Scenario 7 heeft nader onderzoek nodig vanwege de weinig beschikbare voorzieningen in het dorp die de sociale cohesie in het dorp zal bevorderen. Het is namelijk niet te meten of dit scenario gelijk blijft aan de vergunde situatie of verandert ten opzichte van de vergunde situatie.
Doorwerking planinitiatief voorzieningen De volgende tabel geeft een indicatie aan of de capaciteit van de voorzieningen in het dorp voldoen of niet aan het gekozen scenario: Scenario S1- 4 appartementen S2- 8 appartementen S3- Thomashuis S4- Hospice S5- 15 Oekraïense ontheemden S6- Aankoop en afkoop S7- AMV's
Voorzieningen Voorziet Voorziet Nader onderzoek nodig Nader onderzoek nodig Nader onderzoek nodig Nader onderzoek nodig
Tabel 10: Resultaten voorzieningen per scenario
De doelgroepen van scenario 1, 2 en 5 (4 en 8 appartementen, 15 ontheemden) zullen zich aan kunnen passen aan de voorzieningen die het dorp heeft. Een aanpassing van de toekomstige bewoners is het hebben van meerdere auto’s om bereikbaar te zijn voor alle behoeften. Voor scenario 5 zal directe capaciteit nodig zijn voor mentale en fysieke zorginstanties, en voor integratieorganisaties zoals onderwijs (internationale schakelklas). Deze zijn niet lokaal beschikbaar. Scenario 3 en 4 zijn twijfelgevallen. Scenario 3 vraagt om meer zorg en meer voorzieningen in de buurt omdat de inwonenden naast de zorgondernemers niet zelf kunnen rijden naar
37
voorzieningen. Hier zal dus altijd een gezinslid of medewerker moeten ondersteunen. Scenario 4 vraagt om zorg en een ziekenhuis in de buurt, dit is niet van toepassing. Scenario 7 vraagt om meer onderzoek vanwege in kaart brengen van alle acute voorzieningen die nodig zijn om te voldoen aan de behoeften van de AMV’s. Er is twijfel of er genoeg voorzieningen kunnen worden aangeboden. Daarom is nader onderzoek nodig. Doorwerking planinitiatief veiligheid Veiligheid is in verschillende contexten te plaatsen namelijk veiligheidsgevoel (het gevoel op straat of in de buurt); verkeersveiligheid (de mate van geleiding en controle van verkeersstromen); en brandveiligheid (de kans dat er brand uitbreekt maar ook de beschikbare vluchtroutes). Hieronder wordt nader ingegaan op veiligheidsgevoel en verkeersveiligheid. Scenario S1- 4 appartementen S2- 8 appartementen S3- Thomashuis S4- Hospice S5- 15 Oekraïense ontheemden S6- Aankoop en afkoop S7- AMV's
Veiligheidsgevoel Voorziet Voorziet Voorziet Voorziet Voorziet Nader onderzoek nodig
Tabel 11: Resultaten veiligheidsgevoel per scenario
Scenario 1 tot en met 5 zal voorzien in het veiligheidsgevoel van de oorspronkelijke bewoner en toekomstige bewoner. Er worden geen incidenten verwacht waarin het veiligheidsgevoel van de bewoners kan verlagen. Dit heeft voornamelijk te maken met het aantal inwoners die op de locatie zullen wonen. Deze aantallen toekomstige bewoners zorgen niet voor het afnemen van de sociale controle. Scenario 1 tot en met 5 zullen nog behapbaar blijven voor de buurtbewoners waarbij ze de persoon zelf kunnen aanspreken diens gedrag. Voor scenario 7 is nader onderzoek nodig. Dit kan door middel van recente onderzoeken die zijn gedaan naar het veiligheidsgevoel in de buurt van een opvang van AMV’s. Het COA bezit een hoeveelheid aan onderzoeken en incidentenrapporten om dit te kunnen onderzoeken. Ten tweede de vraag of verkeersveiligheid door de scenario's beïnvloed wordt: Scenario Verkeersveiligheid S1- 4 appartementen Gelijkblijvend aan vergunde situatie S2- 8 appartementen Lichte toename S3- Thomashuis Zullen beperkt blijven vanwege geen eigen auto.
De verkeersbewegingen hebben betrekking op externen S4- Hospice Toename door externen en medewerkers S5- 15 Oekraïense Toename eigen inwoners en externen met betrekking tot ontheemden zorg, onderwijs, catering en beveiliging S6- Aankoop en afkoop S7- AMV's Toename door externen en medewerkers met betrekking tot zorg, onderwijs, catering en beveiliging Tabel 12: Resultaten verkeersveiligheid per scenario
38
De Raadhuisdijk is een populaire doorgaande route voor toeristen. De bewoners van Maasbommel, hoofdzakelijk de bewoners wonend aan de Raadhuisdijk ondervinden veel verkeersbewegingen in de vorm van wandelaars, fietsers, wielrenners en auto’s richting de Maas en het watersportgebied. Dit speelt zich voornamelijk af met mooi weer, tijdens de lente, zomer en nazomer. Het is de doorgaande route. De gemeente moet verkeersveiligheid onderzoeken om zo na te gaan of het gekozen scenario impact heeft op de verkeersveiligheid en zal daarbij maatregelen moeten treffen om de verkeersveiligheid te verbeteren. Sinds ca. 7 jaar loopt er een kwestie omtrent de verkeersveiligheid op de dijk. Er zijn meerdere verkeersplannen opgesteld, echter heeft geen van de plannen geresulteerd in geschikte maatregelen om de veiligheid aan te pakken. 5.1.2 Samen Beter! Samen Beter! is onderdeel van de beleidsregel maatschappelijke ontwikkeling (juni 2021), en richt zich op aandacht voor (kwetsbare) inwoners en voorzieningen in hun directe leefomgeving.
Kwetsbare inwoners zijn volgens de ‘beleidsregel behoud en bevordering leefbaarheid en samenredzaamheid West Maas en Waal’ (2023) mensen met een beperking of probleem van lichamelijke, verstandelijke, psychische, psychosociale en/of materiële aard, waarbij een disbalans is ontstaan tussen draaglast en draagkracht, wat ingrijpende gevolgen heeft voor hun zelfstandigheid en participatiemogelijkheden in de samenleving. De gemeente zet in haar sociaal beleid in op preventie. Voorkomen is beter dan genezen. Sociale spanning in een wijk kan de kans op (psychische) gezondheidsklachten en beroep doen op zorg, vergroten. Dit geldt zowel voor de nieuwe bewoners (te kwalificeren als kwetsbare doelgroep) als voor de direct omwonenden (in principe niet kwetsbaar, maar ook voor hen zet de gemeente in op het bevorderen en behouden van kwaliteit van samenleven en preventie van uitval). Vanuit bovenstaand beleid is er aandacht en zorg voor de positie van de doelgroepen van scenario 1b en 2b (senioren), scenario 3 (verstandelijk beperkten), 5 (ontheemden) en 7 (AMV’s). Hierbij wordt gekeken naar manieren om de betrokkenheid te stimuleren, zelfredzaamheid te vergroten en eenzaamheid te voorkomen. Het wordt hierdoor makkelijker voor hen om deel te nemen aan bijvoorbeeld dorpsactiviteiten, en kan de leefbaarheid in de buurt bevorderen.
Men voelt zich gehoord, hebben meer diverse sociale contacten en voelen zich minder eenzaam. Dat spoort mensen op haar beurt weer aan om vanuit eigen initiatief te participeren in de dorpssamenleving. Participatie is ‘het meedoen aan (het organiseren) van activiteiten’. Dit zal spelen in iemands leven op het moment dat iemand een binding voelt met de buurt en zijn gemeenschap. Participatie heeft namelijk als doel om mensen elkaar te laten ontmoeten en met elkaar te verbinden. Voor scenario 4 (hospice) geldt een uitzondering omdat deze doelgroep niet kan participeren aan de dorpssamenleving op de manier zoals hierboven is beschreven. De personen zijn niet meer in staat om mee te doen vanwege hun ziektebeeld. De gemeente heeft een subsidieregeling opgesteld om de leefbaarheid en samenredzaamheid in de gemeente te versterken, in het bijzonder voor de kwetsbare doelgroep. Dit kan je aanvragen wanneer je bijvoorbeeld een activiteit organiseert die het welzijn van (kwetsbare) bewoners kan bevorderen. Door ze mee te laten doen aan activiteiten ontstaat er een veiligere omgeving voor iedereen. Doorwerking planinitiatief Dit beleidsstuk heeft een directe relatie met scenario 1b/1c (4 appartementen senioren en combinatie met starters), 2b/2c (8 appartementen senioren en combinatie met starters) en scenario 3 (Thomashuis). Hoewel er in dit beleidsstuk niet direct wordt gerefereerd naar 39
ontheemden of vluchtelingen (scenario 5 en 7) binnen de kwetsbare groepen in het beleidsstuk ‘Sociaal domein samen beter 2017-2020', kunnen ontheemden/vluchtelingen ook worden gezien als kwetsbare groep. Je wilt deze groep een stabiele omgeving bieden, ruimte om te integreren, genoeg (mentale) zorg bieden en ruimte geven om te aarden op de plek. Echter geldt dat hoe meer personen worden opgevangen, hoe minder makkelijk ze in de buurt opgenomen zullen kunnen worden. De omgeving kan stabiliteit verliezen. Bij de uitwerking van de scenario’s moet dit nader worden uitgewerkt. Dit kan ook betekenen dat er extra middelen beschikbaar worden gesteld. 5.1.3 Kwaliteit van (samen)leven De gemeente heeft oog voor de kwaliteit van leven voor zowel kwetsbare- als niet kwetsbare mensen, en voor de kwaliteit van het samenleven tussen al deze mensen. De kwaliteit van samenleven wordt bepaald door diverse factoren: • • • •
De balans tussen de draagkracht en draaglast van inwoners en gemeenschappen. Sociale gemeenschappen zijn gebouwd op wederkerigheid: balans in geven en nemen. Verbondenheid ontstaat door omkijken naar elkaar, iets kunnen betekenen voor een ander en hulp kunnen vragen waar nodig. Een sociaal veilige inclusieve omgeving waarin je je welkom voelt, erbij hoort en mee mag doen. Dat wil zeggen dat inwoners ingesloten, gezien en gewaardeerd worden en niet uitgesloten, genegeerd of bedreigd. Woonruimte die recht doet aan de basale menselijke behoeften van bepaalde mate van privacy en eigenheid gecombineerd met aansluiting op/ verbinding met de directe woonomgeving. In het geval van scenario 5 en 7 is de uitzondering dat er mensen in nood moeten worden geplaatst en er andere voorwaarden gelden dan bij gewone woningbouw. Gemeenten hebben de sociale verantwoordelijkheid om een plek te bieden aan vluchtelingen en ontheemden. Dit zal naar verwachting voor de langere termijn blijven en zelfs toenemen.
Doorwerking planinitiatief Voor de kwaliteit van leven voor de inwoners van Maasbommel geldt dat de gemeente bij het inrichten van het perceel oog heeft voor de draagkracht van de directe omwonenden en de ruimte voor kwetsbaren. 5.1.4 Beleidskader sociaal domein Voortbouwend op de omgevingsvisie heeft de gemeente een beleidskader sociaal domein opgesteld. Dit kader is ook op 30 mei 2024 vastgesteld. Onder het sociale domein vallen veel thema's, zoals wonen, leefbaarheid, welzijn en onderwijs. Dit is vooral gespecificeerd op de bevolkingsgroepen die extra ondersteuning behoeven, zoals ouderen en jongeren. Dit beleidskader bevat zes uitgangspunten
• • • • • •
onze inwoner staat centraal we gaan uit van eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid we werken aan kansengelijkheid we bouwen aan een sterke sociale basis we sturen op preventie we bieden effectieve hulp en ondersteuning als je dat nodig hebt
Dit nieuwe beleidskader heeft veel raakvlakken met de beleidsstukken die in de andere paragrafen van dit hoofdstuk zijn beschreven. In de programma's, die verderop in het beleidsstuk worden geschetst, wordt dit nog duidelijker:
40
•
• • •
Sterke sociale basis: De gemeente streeft naar een sterke sociale basis, waarbij Maas en Walers zich gezien en gehoord voelen. Er is sprake van samenredzaamheid, verbondenheid en betrokkenheid. Extra steun voor wie het nodig heeft: Er dient extra aandacht te zijn voor kwetsbare doelgroepen, zeker om een sterke sociale basis te kunnen waarborgen. Kansrijk opgroeien: Er wordt gewerkt vanuit de behoefte en ontwikkelingsmogelijkheden van kinderen en hun ouders/omgeving. Hierbij ligt de nadruk op preventie. Vitaal ouder worden: Vanwege de toenemende vergrijzing en krapte in de zorg moet er specifiek aandacht zijn voor oudere bewoners. Zelfredzaamheid is hierbij van belang.
Doorwerking planinitiatief Met oog op bovenstaande overkoepelende programma's zal er bij de uitwerking van het plan rekening moeten worden gehouden met de diverse uitgangspunten.
41
6 Participatie Om in gesprek te gaan met de bewoners, heeft de gemeente besloten een klankbordgroep op te stellen. Op de informatieavonden konden bewoners zich opgeven en zijn de groepen geïnstalleerd. De gemeente is het gesprek aangegaan met de buurt; het spiegelen van alle opvattingen. In een periode van 10 weken (11 maart tot en met 15 mei) zijn er 7 bijeenkomsten geweest om de prioriteiten van de bewoners in kaart te brengen. Er zijn zorgen gedeeld, vragen gesteld en mogelijkheden in kaart gebracht. In hoofdstuk 5 is ingegaan op de definitie en aspecten van leefbaarheid. In dit hoofdstuk worden de aspecten met een verwerking van de zorgen en uitdagingen van de klankbordgroep gecombineerd. 6.1 Woonbehoeften In hoofdstuk 2 is nader ingegaan op het woonconcept en dat in de analyse is gekozen voor appartementen als woonunits, in plaats van kamers met een functie ‘logiesfunctie’. Dit is in overleg gegaan met de klankbordgroep. Het woonconcept ‘appartementen’ heeft betrekking op scenario 1, 2 (appartementen) en 5 (Oekraïense ontheemden). Appartementen zorgen voor stabiliteit omdat het vaste interne constructies zijn die op de langere termijn door verschillende doelgroepen kunnen worden bewoond. Bij tijdelijke vergunningen kan er hierdoor ook aan de toekomstige permanente bewoners worden gedacht en wordt er meteen geanticipeerd op de woonvisie.
De appartementen moeten daarom ook van redelijke grootte worden. Er is een kans dat er anders geen starter of senior in deze appartementen wil gaan wonen. Er moet echter rekening worden gehouden met een realistische prijs voor starters; is het mogelijk om bijvoorbeeld 4 appartementen te realiseren en een eerlijke startersprijs te vragen? Op de inloopavond van 23 mei werd duidelijk dat meerdere inwoners van Maasbommel zich wel zagen wonen in de appartementen. Het wordt als aantrekkelijke woonvorm ervaren. De inwoners van Maasbommel hebben eerder een wat groter huis dan appartementen of studio’s voorgesteld scenario 2 (8 appartementen). In hoofdstuk 2 worden scenario 1 en 2 beschreven als 4 en 8 appartementen. Er is ook een middenweg van 5 à 6 appartementen mogelijk. Dit is een keuze voor de planinitiatiefnemer. Bovendien moet worden onderzocht of op de zolder een volwaardig appartement kan worden gebouwd. Bij scenario 3 (Thomashuis), 4 (Hospice) en 7 (AMV’s) zal het nog wel gaan om een concept van kamers gericht op de doelgroep die in het gebouw komt te wonen. Scenario 3 en 4 kunnen een permanente bestemming krijgen. Bij scenario 7 bestaat er een kans van niet. Daardoor komt scenario 7 niet tegemoet aan het toekomstig bestendig bouwen; het zal na de tijdelijke vergunning onbekend zijn wat wordt aangevraagd als vervolgbestemming voor een gebouw met interne kamers.
Dit wekt voor veel inwoners van Maasbommel zorgen omdat zij op langer termijn meer behoeften hebben aan appartementen. Scenario 3 (Thomashuis) en scenario 4 (Hospice) worden op de inloopavond van 23 mei gezien als positieve bestemmingen. Een maatschappelijke bestemming op een plek als deze ziet menig inwoner voor zich. Het is een rustgevende omgeving waar deze doelgroepen aansluiten. 6.2 Sociale cohesie Sociale cohesie gaat over de mate waarin mensen zich met elkaar verbonden voelen en verbonden willen zijn, en naar het gedrag dat hieraan invulling geeft. Sociale cohesie heeft 42
een subjectieve beleving (houding, gevoelens) en een objectief gedrag (samenwerking en participatie). De subjectieve beleving is behandeld als ‘nabuurschap’. Dit betekent dat de relatie tussen bewoners onderling als belang wordt geacht. Er lijkt een voorkeur voor vaste buren te zijn. Er is zorg over de nadelige effecten van de wisselende samenstelling op de betrokkenheid en saamhorigheid. Ten tweede is er objectief gedrag. Vanuit het participatieproces is benoemd dat het belangrijk is dat huidige bewoners de nieuwe bewoners bij de dorpse activiteiten kunnen betrekken. Als dat niet lukt is het mogelijk dat er een tweedeling in de straat ontstaat: van bewoners die ‘erbij horen’ en die ‘er niet bij horen’. Dat heeft negatieve gevolgen voor de gemeenschapszin en sociale cohesie. De buurt en gemeente willen participeren. Mogelijk dat daar bij elk scenario aandacht en middelen voor nodig zijn. Een andere term van objectief gedrag is de term ‘privacy’. De buurt vraagt om een balans tussen nabuurschap en privacy. De plek kent veel verkeer vanwege toeristische activiteiten in de buurt. Een illegaal dakterras, felle lampen die op zowel het perceel als op de naaste percelen schijnt, en camera’s gericht op andermans tuinen, zorgt op dit moment al voor een breuk in privacy en daarmee voor een negatieve subjectieve beleving bij de buren.
Er zijn zorgen dat de invulling van de Raadhuisdijk dit gevoel kan laten toenemen. Afhankelijk van het aantal mensen dat woont aan de Raadhuisdijk 18 kan er mogelijk gevraagd worden om meerdere maatregelen omtrent privacy. Een doel is om de rust te bewaren in de buurt. Dat is samen met veel mensen in een huis, die zich ook veel buiten zullen bevinden een uitdaging. Een duurzame oplossing is een plan met balans in draagkracht en last bij zowel de bestaande als de beoogde nieuwe bewoners. Er blijkt dat het dorp bij een beperkt aantal nieuwkomers beter in staat is om hen te helpen integreren ongeacht welke doelgroep dan ook. Dit is nodig om de toegankelijkheid/bereikbaarheid en saamhorigheid van de bestaande bewoners tot de toekomstige bewoners te bereiken. 6.3 Voorzieningen Voorzieningen in een buurt zijn onder andere openbaar vervoer. Maar ook school, zorg, sport, winkels enzovoorts. Er moet rekening gehouden worden met de behoeften van de toekomstige bewoners; ze gaan ook naar werk, school, sport, sociale activiteiten, etc. Er zijn zorgen over of het dorp Maasbommel in staat is deze behoeften te vervullen.
Is er genoeg aanbod van winkels, openbaar vervoer, zorg en vrijetijdsbesteding? Hoe kan hierin worden voorzien? Tijdens de inloopavond werd duidelijk dat hier vooral zorgen en vragen over kwamen met betrekking tot scenario 3 (Thomashuis), scenario 4 (Hospice), scenario 5 (Oekraïense ontheemden en scenario 7 (AMV’s). Voor het Thomashuis en hospice is de capaciteit van zorg vooral een aandachtspunt: hoe kan dit worden georganiseerd samen met de lokale huisartsen, en is de Raadhuisdijk 18 een geschikte en toegankelijke plek voor een ambulance of begrafenisondernemer? Volgens de inschatting voor scenario 7 van ODIGzorg voldoet Maasbommel redelijk aan de criteria voor adequate huisvesting van AMV’s op basis van beschikbaarheid winkels, openbaar vervoer en vrijetijdsbesteding. Omdat de beschikbaarheid van voorzieningen in Maasbommel minimaal is, zijn ze afhankelijk van de omgeving (zoals een internationale school en winkels). ODIGzorg heeft daardoor ook een leeftijd aangewezen van 12 tot 15 jaar waarbij de medewerkers verantwoordelijk zijn voor het faciliteren van voorzieningen. Het zal
43
om een gezinssituatie gaan waarbij de medewerkers de kinderen begeleiden naar school, sport en andere voorzieningen. De reacties van de bewoners geven aan dat er een onjuiste inschatting is van het voorzieningenniveau en absorptievermogen van het dorp en omgeving. Er is geen openbaar vervoer en er zijn geen winkels. De buurtbewoners raden aan om eerst een onderzoek te doen naar de capaciteit van de internationale scholen in de buurt, capaciteit bij sportverenigingen en de capaciteit van (mentale) zorginstanties. Daarnaast verwacht de buurt dat de jongeren zich gaan vervelen en hierdoor voor onveilige sfeer op straat zullen zorgen. Door verveling gaan jongeren namelijk zoeken naar plezier. Dit maken de buurtbewoners ook mee met de eigen jongeren in het dorp. 6.4 Veiligheid Veiligheidsgevoel Het gevoel van veiligheid is een aandachtspunt geweest onder de bewoners. Dit komt terug in aspecten als zorgen voor slechte communicatie en sociale binding, en angst voor geluidsoverlast. Er is een vermoeden dat contact zoeken met het aantal personen besproken in scenario 1, 2 en 4 beter mogelijk is, dan met scenario 5 en 7. Door het mogelijk creëren van afstand tussen de nieuwe bewoners en de huidige bewoners van de Raadhuisdijk, kunnen er onveilige situaties ontstaan. Daarom hebben de bewoners behoefte aan transparante en goede communicatie met de nieuwe bewoners.
Daarmede hoort ook het punt van een taalbarrière tussen de toekomstige en huidige bewoners. Dit kan ook zorgen voor een ruis in de communicatie, wat weer kan bijdragen bij een onveilig gevoel in eigen buurt. Ook geluidsoverlast draagt bij aan een onveiligheidsgevoel. Het aspect geluidoverlast wat hier ter sprake is, is geluid wat door personen wordt gevormd en waar andere personen last van kunnen hebben. Dit kan worden gecreëerd door zowel de huidige omliggende bewoners in de buurt als door toekomstige bewoners van het perceel aan de Raadhuisdijk 18. Het veilig voelen in een omgeving komt mede door het ervaren van rust. Als er meer (vreemde) geluiden binnen- en buitenshuis worden ondervonden, ontstaat er een onrust. Zo kan het naarmate de groep groter wordt en een andere taal spreekt (in het geval bij scenario 5 en 7) een onveiligheidsgevoel stimuleren. Scenario 7 zal voor de meeste geluidsoverlast zorgen. Dit zijn jongeren die graag buiten zijn en zich minder houden aan de onbeschreven regels van gedrag. Ze zullen een harder stemgeluid gebruiken. Op dit moment ervaren de bewoners al geluidsoverlast van de verkeersbewegingen. De Raadhuisdijk is een 30 km/u zone, maar in de praktijk rijden auto’s veel harder. Dit zorgt al voor geluidsoverlast. Dit zal groter worden op het moment dat er meer verkeersbewegingen zijn door de grotere getallen aan bewoners op de Raadhuisdijk.
Daarnaast blijkt het grindpad langs het pand op de Raadhuisdijk 18 lawaai te maken op het moment dat daar overheen wordt gereden. Dat is nu al het geval en dit zal in de toekomst met meerdere toekomstige bewoners alleen maar erger worden. De naaste buren hebben hier het meeste last van omdat hun woning pal aan het grindpad ligt. Er zal een oplossing moeten komen om dit grindpad te laten verwijderen en te moeten aanpassen naar verharde, grasbetonnen tegels. Dit heeft een relatie met het aspect privacy: de oprit tussen de huizen loopt door langs de gehele diepte van de panden en tuin waardoor de oprit bij een hoog aantal mensen een doorgaande oprit (met grote parkeerplaats) wordt. De naaste buren zullen hier last van kunnen krijgen. Afhankelijk van het aantal mensen dat zal wonen aan de Raadhuisdijk 18 44
zijn er maatregelen nodig voor bij de oprit en parkeerplaats met betrekking tot de privacy en geluidsoverlast. Een ander opmerkelijk punt is de veiligheid van de toekomstige bewoners. Bijvoorbeeld gericht op de kwetsbare groepen voorgesteld in scenario 3, 5 en 7. Hoe ondervinden zij hun veiligheid? Dit is onder andere in relatie met de voorzieningen die kunnen worden aangeboden. Denk hier bijvoorbeeld aan fiets- of zwemles. Dit zijn onderdelen die moeten worden meegenomen tijdens de uitwerking van het gekozen scenario. Verkeersveiligheid Milieutechnisch wordt misschien de Raadhuisdijk als ‘rustige’ weg beschreven (zie milieuaspect ‘geluid’) dit wordt vanuit het sociale aspect anders beleefd. Bewoners aan de Raadhuisdijk, maar ook andere inwoners (van de inloopavond) ervaren onveilige situaties. Er zijn meerdere ongelukken gebeurd. Bovendien komen bewoners niet gemakkelijk van hun eigen oprit af door de drukte op de weg. De verkeersveiligheid is in de jaren niet veranderd en na onderzoek beschouwd als moeilijk te veranderen. Dit heeft te maken met de volgende aspecten: • • • • •
De breedte van de weg: passeren is niet mogelijk, dit wordt wel gedaan maar door middel van de opritten; Onoverzichtelijke stukken; De snelheid; De toename van het aantal verkeer en zwaar verkeer; En de samenstelling van verkeer.
De gemeente is al gedurende tijd bezig met registreren van deze processen. Er hebben volgens de buurt verkeerstellingen plaatsgevonden op de Raadhuisdijk, echter hebben deze tellingen plaatsgevonden in de septembermaand, dan is net alle toeristische drukte voorbij. Bovendien is uit eerdere onderzoeken gebleken dat er geen eenvoudige en eenduidige oplossingen zijn voor de verkeerssituatie op de Raadhuisdijk. Inwoners hebben op de inloopavond geprobeerd om met de gemeente mee te denken door suggesties te geven om de verkeerssituatie op de dijk op te lossen: • • • • • •
Het verplaatsen van de ingang Op- en afrit verhogen Aanleggen van verkeersdrempels Eenrichtingsverkeer Zichtlijnen verbeteren Separaat fietspad aanleggen
De hoeveelheid verkeer neemt enkel toe met verschillende initiatieven. Dit wordt in dit geval alleen maar meer bij elk van de scenario’s (behalve bij scenario 1). Bovendien zullen voor kwetsbare groepen zoals senioren, verstandelijk beperkten, patiënten of ontheemden en vreemdelingen de huidige verkeerssituatie nog onveiliger zijn. De komst van elk scenario verandert niets aan de feitelijke situatie zoals die nu is, ook niet met betrekking tot de uitrit. Die is en blijft ongelukkig, door de onhandige positie van het pand ernaast. Er zijn zorgen dat dit huidige probleem erger wordt op het moment dat er meer mensen in de Raadhuisdijk komen wonen. Bovendien is er een zorg voor scenario 5 en 7 voor wat betreft het leren fietsen. Dit zal door de drukte van verkeersstromen moeilijk gaan op de dijk. 6.5 Duurzame oplossing Om draagvlak te creëren in de buurt kan er gebruik worden gemaakt van verschillende strategieën. Eén van de varianten is het combineren van verschillende doelgroepen: zie 45
hiervoor 1c, een combinatie van starters en senioren, of voor 5b, een combinatie van ontheemden met starters of senioren. Door het combineren kan er gebruik worden gemaakt van de voordelen van beide doelgroepen (zoals behoeften appartementen starters, en behoeften opvang ontheemden). Bovendien ontstaat een eigen sociale controle en sociale cohesie op het perceel wanneer er een combinatie van inwoners wonen.