17.2 Onderzoek christelijke Hogeschool EDE opbrengsten van buurtgezinnen
Tekst van het document
Soms leren kinderen ook andere kinderen of volwassenen kennen uit het netwerk van het steungezin. Hun sociale contacten groeien daardoor. Het steungezin slaat als het ware een brug naar een nog een groter netwerk. Zo is er een meisje dat de volwassen kinderen kent van haar steunouders, maar ook collega’s van haar steunmoeder heeft ontmoet. Dit gebeurt veelal alleen wanneer de relatie tussen de gezinnen vriendschappelijk wordt. Bij zo’n vijf gezinnen, waarvan drie nieuwkomersgezinnen, zijn ouders en kinderen bevriend geraakt. Ze bezoeken elkaar, nodigen elkaar uit voor een feestje en doen buitenshuis ook wel eens leuke dingen samen. Het helpt als de gezinnen dicht bij elkaar in de buurt wonen, wat overigens niet altijd het geval is. Toch meent een coördinator dat hoe hecht het contact ook geworden is tussen twee steungezinnen en een van ‘haar’ vraaggezinnen (waar ze regelmatig te vinden is omdat ze zelf ook graag praktisch bijdraagt), er in de wederkerigheid tussen de gezinnen toch enige ongelijkwaardigheid blijft. Het beheersen van de Nederlandse taal is daarvoor mede verantwoordelijk zegt ze: “X. (vraagmoeder) stelt ook vragen terug en nodigt de anderen ook wel eens uit. De initiatieven om dingen te ondernemen en bezoeken van de kinderen komen wel vooral van de steungezinnen af. Het is niet zo dat het helemaal gelijkwaardig is in dat opzicht.
Taal is wel (mede) een belemmerende factor.“ Participatie Door de toegenomen energie of het mentaal tot rust komen, gaan sommige ouders ook weer (meer) participeren buiten hun eigen gezin. Ze beginnen met vrijwilligerswerk (n=1), vinden een baan (n=1) of kunnen hun betaald werk hervatten en daardoor behouden (n=2). Zo zegt vraagmoeder doelend op het feit dat ze sinds kort weer enkele dagdelen werkt: “Buurtgezinnen heeft een hele grote rol gespeeld dat ik weer dingen oppak. Mede door Buurtgezinnen heb ik mezelf weer teruggevonden”. Een andere vraagmoeder tolkt soms voor de coördinator bij gezinnen en gaat mee om wat meer uit te leggen wat het initiatief inhoudt. Dat maakt het voor deze gezinnen ook meteen vertrouwder laat de coördinator weten. Ze ziet bovendien dat het de vraagmoeder goed doet dat ze hier complimenten over krijgt: “Ik schat in dat haar zelfvertrouwen en gevoel van welbevinden hierdoor ook toegenomen is”.
1.4 Opbrengsten in relatie tot inzet formele hulp Naast alle kwalitatieve opbrengst voor vraagouders en hun kinderen kan de inzet van een steungezin er (mede) voor zorgen dat extra inzet van formele hulp wordt voorkomen. Ook blijkt BG er (mede) aan bij te dragen dat
20
formele hulp in gezinnen afneemt of zelfs beëindigd wordt. Dit geven acht van de twaalf vraaggezinnen met formele hulp aan, en een gezin dat inmiddels geen formele hulp meer ontvangt. Of te wel, bij bijna zeventig procent van de vraaggezinnen lijkt dit het geval te zijn. Dat is een onverwacht hoog percentage dat met de nodige voorzichtigheid gehanteerd moet worden.12 De hulpverleners van zes vraaggezinnen hebben dit beeld tijdens een EC-sessie of interview bevestigd. Deze gezinnen zijn in onderstaande weergave meegenomen. Van de drie andere gezinnen is dit niet gelukt, omdat hun hulpverleners niet deelnamen aan dit onderzoek. Dat wil overigens niet zeggen dat het niet klopt wat ze hebben aangegeven. Kijkend naar deze zes gezinnen ontstaat het volgende beeld: Tabel 5: Voorkomen extra formele hulp dankzij BG (N=3 gezinnen / 50%) Type hulp
Aantal kinderen
Gezin
Weekendpleegzorg (vrijwillig)
n=1
A
n=2
B
n=3
C
Partiële uithuisplaatsing naar een gezinshuis of een gezinsopname
In deze drie gezinnen bieden hulpverleners ondersteuning, maar werd door de inzet van een steungezin bovengenoemde formele hulp niet doorgezet. Tabel 6: Voorkomen extra formele hulp mede dankzij BG (N= 1 gezin / 16,7 %) Type hulp
Aantal kinderen
Gezin
Residentiële plaatsing tiener in een jeugdhulpvoorziening
n=1
D
In dit gezin was het wijkteam betrokken. Deze hulp is inmiddels afgebouwd. De credits voor het voorkomen van de residentiële plaatsing zijn niet slechts op BG terug te voeren. Ook een gezinsbehandeling en een hersteld contact tussen de tiener en haar moeder hebben hieraan bijgedragen. Tabel 7: Afschalen formele hulp mede dankzij BG (N= 3 gezinnen / 50%) Type hulp
Aantal kinderen
Gezin
Ambulante gespecialiseerde gezinsondersteuning van wekelijks naar incidenteel
n=1
A
Frequente huisbezoeken wijkteam naar tweewekelijkse belafspraak
n=1
E
Begeleiding orthopedagoog van 1 keer per week naar 1 keer per 14 dagen
n=1
E
Wekelijks huisbezoek wijkteam naar tweemaandelijks huisbezoek
n=5
F
Bij deze drie gezinnen hebben naast de inzet van formele hulp en steun van naasten, ook steungezinnen er aan bijgedragen dat het veel beter met kinderen gaat en formele hulp kon worden afgeschaald.
12
Zie ook de tekst over transfereerbaarheid in het deel Methode
21
Tabel 8: Beëindigen formele hulp mede dankzij BG (N= 3 gezinnen / 50%) Type hulp
Aantal kinderen
Gezin
Fysiotherapeutische behandeling
n=1
A
Logopedische hulp
n=1
A
Wekelijks huisbezoek gespecialiseerd wijkteam
n=2
B
Tweemaandelijkse gesprekken met wijkteam
n=1
D
Mede dankzij enkele steungezinnen kon in deze drie gezinnen bovenstaande formele hulp worden beëindigd. Duidelijk wordt dat steungezinnen diverse soorten formele hulp (mede) kunnen voorkomen, verminderen en zelfs kunnen helpen beëindigen. Dat betekent een concrete besparing in uitgaven voor gemeenten (hoofdstuk 2 gaat daar dieper op in). Wat ook duidelijk wordt, is dat de informele steun die vraaggezinnen ontvangen rijk is van karakter, en dat hoe klein de gebaren soms ook zijn, het de levens van vraagkinderen en hun ouders positief beïnvloedt. Meerdere hulpverleners geven aan hier van onder de indruk te zijn. Een van hen zou graag zien dat BG eerder wordt aangeboden aan gezinnen. Ze merkt dat veel hulpverleners in eerste instantie aan formele hulp denken als iemand zich meldt met een hulpvraag. Aan de andere kant vindt ze het lastig dat ook hulpvragers stellen dat ze formele hulp nodig hebben en lang niet altijd openstaan voor een steungezin van BG als ze die mogelijkheid met hen bespreekt. Ze vraagt zich af hoe dit probleem getackeld kan worden.
1.5 Hick-ups Hoewel er door kinderen (en ouders) wordt genoten en plezier gemaakt en er veel opbrengst is voor gezinnen, en steungezinnen zelfs formele hulp voorkomen of mede helpen af te bouwen of te beëindigen, betekent dit niet dat alle trajecten vlekkeloos verlopen. We zagen al eerder dat er factoren zijn die een soepel verloop van de koppeling kunnen bemoeilijken zagen we al eerder. Een minder goede match is er daar een van, net als het niet tot stand komen van een goede samenwerking tussen ouders. Zo nu en dan is het gewone leven spelbreker, niet alleen vanwege een nieuwe werkkring van een steunouder, maar ook omdat een steunouder overspannen raakt, ziek wordt of gaat verhuizen. Daardoor vermindert de frequentie van de steun, soms tijdelijk soms langdurig, maar meestal blijft het contact intact. En als dat toch niet lukt, een enkele keer is dat het geval, wordt een nieuw steungezin gezocht. Naast dat het gewone leven soms parten speelt, kan ook het lastig kunnen loslaten van de thuissituatie er voor zorgen dat een kind liever niet meer naar het steungezin gaat of dit komt doordat het contact tussen kinderen gaandeweg bekoelt. Dat laatste is bij twee vraagkinderen aan de hand. Hoe hier vervolgens mee wordt omgegaan, is bepalend en hangt af van de ouders in kwestie en de ruimte die de coördinator krijgt c.q. inneemt. Ook de rol van hulpverleners heeft invloed.
Dat dit niet altijd effectief verloopt, blijkt uit een casus. Hier stagneert de koppeling mede doordat het een hulpverlener en een coördinator niet lukt om tot een open communicatie te komen ondanks veelvuldig contact met elkaar. Tenslotte kunnen kinderen ook andere prioriteiten stellen. Dit is in twee cases het geval. Het betreft tieners uit nieuwkomersgezinnen die het te druk krijgen of andere dingen leuker vinden om te doen. Wellicht dat de klik tussen de kinderen en de steunouders ook nog een rol speelt, dat is niet duidelijk, of dat het initiatief voor het steungezin vooral bij de ouders vandaan kwam. In een geval is dit zeker aan de hand. Overigens gaan in een van deze gezinnen de jongere kinderen nog met veel plezier naar hun steungezin. En de ouders van beide gezinnen onderhouden vriendschappelijk contact. Dus de koppeling blijft gewoon in stand.
22
2. Referentie Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de uitkomsten van de referentie bij tien vraaggezinnen. Het geeft zicht op een alternatief hulpscenario dat vraaggezinnen, hulpverleners en andere betrokkenen denken dat mogelijk zou zijn ingezet als er geen ondersteuning vanuit BG beschikbaar was geweest. Ook de kosten van deze alternatieve hulp worden in dit hoofdstuk uitgewerkt en afgezet tegen de kosten van de inzet van BG. Zo wordt duidelijk of en welke besparingen er ingeschat worden. Werkwijze In tien cases hebben vraagouders en overige betrokkenen nagedacht over hoe het met de vraaggezinnen mogelijk verlopen zou zijn als niet Buurtgezinnen was ingezet maar andere hulp. In een casus was dit niet mogelijk omdat er de vraagmoeder niet deelnam, in een andere niet omdat er onvoldoende tijd was, en in weer twee andere cases lukte dit niet omdat er geen hulpverleners deelnamen omdat de ouders dat niet wilden. Het maken van dit hypothetische beeld, de zogenaamde referentie, vonden de meeste vraagouders lastig, al waren de meesten er over een ding snel uit: het had slechter met hen en hun kinderen gegaan en de hulp die zou zijn ingezet, zou lang op zich hebben laten wachten en bij een meerderheid gedwongen van karakter geweest zijn. Sommigen hadden, mede ingegeven door reële ervaringen voordat BG startte, concrete beelden wat er dan was gebeurd.
Zo voorkwam BG in een gezin dat een ouder instortte en opnieuw voor langere tijd zou moeten worden opgenomen in de intramurale GGZ. Wat hielp bij het maken van een toekomstbeeld op hoofdlijnen, was het meedenken van ervaren hulpverleners tijdens de sessies of door hun input tijdens een interview. Ze konden hun visie geven op basis van wat ze eerder hadden meegemaakt met gezinnen met soortgelijke problematiek en in soortgelijke omstandigheden. Referentiebeeld De referentie levert het volgende beeld op qua hulp aan tien vraaggezinnen (zie figuur 2): / Van een of meer kinderen in vier gezinnen wordt het aannemelijk gevonden dat ze een jeugdbeschermingsmaatregel zullen krijgen en er vermoedelijk een uithuisplaatsing volgt. Dit betreft vijf kinderen (gezin D, E, F en G). / In een gezin is de kans groot dat de vijf kinderen met een ondertoezichtstelling (OTS) uiteindelijk volledig uithuisgeplaatst zullen worden (gezin H). / In twee gezinnen voorzien twee vraagouders een (crisis-)opname in de GGZ vanwege het niet langer kunnen hanteren van de stress van het gezinsleven of de eigen problemen (gezin G en F). / In een ander gezin verwacht een ouder langdurig ambulante GGZ-hulp nodig te hebben vanwege zware mentale problemen door de gezinshectiek en de op handen zijnde uithuisplaatsing van een van de kinderen (gezin D). / In twee gezinnen zal vrijwillige weekendopvang aangevraagd worden.
Dit betreft drie kinderen voor minimaal twee etmalen per maand per kind (gezin A en B). / Daarnaast zullen in twee gezinnen behandelingen fysiotherapie en logopedie worden gecontinueerd. Dit betreft tenminste drie kinderen (gezin A en I). / In een gezin waar nog geen hulpverleners actief zijn, zal het wijkteam betrokken worden. Dit zal waarschijnlijk een multidisciplinair overleg initiëren met leerkrachten, de coördinator van het samenwerkingsverband, intern begeleiders, eventueel een directeur van een school en twee jeugdconsulenten. De betreffende hulpverlener verwacht uiteindelijk een verwijzing naar gespecialiseerde ambulante gezinshulpverlening (gezin I). / Een alleenstaande ouder verwacht dat het haar lukt om een andere oplossing te verzinnen voor de opvang van haar twee kinderen bijvoorbeeld door het inzetten van netwerkleden of het online doen van aankopen voor
23
haar kinderen. Ze zegt: “Ik had het wel gered en was zeker niet van een brug afgesprongen. De inzet van BG maakt het een stukje makkelijker en leuker. En je hebt gewoon meer rust” (gezin J). / Een ouder weet dat ze geen extra hulp van de gemeente vergoed zal krijgen. Ze meent dat als BG er niet zou zijn ze ten einde raad zou zijn, en vermoedt dat de stress door de hoeveelheid problemen zo zal toenemen dat o.a. een echtscheiding op de loer ligt (gezin K).
Kwantificeren Na de gemaakte referenties heeft de onderzoeker de uitkomsten ervan gekwantificeerd in euro’s. Dit beslaat de ingeschatte hulp op hoofdlijnen. Of te wel de kosten zullen stijgen als nog meer specifieke hulp zou zijn berekend. De kosten zijn conservatief opgesteld en houden rekening met wachtlijsten van bijvoorbeeld de Raad voor de Kinderbescherming of pleegzorgaanbieders (zie voor een uitgebreide verantwoording bijlage 1). Er is besloten om de berekening enkel te doen voor het eerste jaar van de hulp. De kosten in jaar twee zouden te speculatief worden. De berekende kosten voor het eerste jaar moeten overigens ook met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. Het is een inschatting. Geen enkele toekomst ligt vast. Vergelijking kosten Wat wel vaststaat zijn de werkelijke kosten van BG. Die bedragen voor het eerste jaar € 3.150,- per gekoppeld steungezin. Of te wel als er twee steungezinnen zijn gekoppeld, bedragen de kosten € 6.300,- per vraaggezin, en bij drie gekoppelde steungezinnen zijn de kosten € 9.450,- per vraaggezin.
Zo kunnen de verwachte uitgaven van de referentie worden vergeleken met de werkelijke kosten van de inzet van BG per vraaggezin voor het eerste jaar.13 Een en ander leidt tot het volgende beeld bij de tien vraaggezinnen: / In zeven cases (gezin A, B, D, E, F, G en H) zouden hogere (jeugdhulp-)kosten worden gemaakt als BG niet was ingezet. Dit varieert per gezin van € 4.232,60 (A) tot € 54.841,71 (G). / In een casus zouden de kosten gelijk zijn gebleven als BG niet was ingezet (gezin I). / In twee cases zouden geen kosten zijn gemaakt als BG niet was ingezet. De beide vraaggezinnen waren niet in aanmerking gekomen voor WMO-hulp van de gemeente (gezin J en K).
13
De werkelijke kosten van BG per gekoppeld steungezin zijn voor het tweede jaar € 1.150,-. Of te wel ze nemen af.
24
Figuur 3 laat zien wat dit betekent: / in zeventig procent van de cases is de inzet van BG goedkoper (gezin A, B, D, E, F, G en H). / in tien procent van de cases kost de inzet van BG evenveel als de andere verwachte hulp; zo’n € 6.300,- (gezin I). / In twintig procent van de cases zijn voor de inzet van BG extra kosten gemaakt door de gemeente van respectievelijk €3.150,- (gezin J) tot € 9.450,- (gezin K met 3 koppelingen) omdat deze gezinnen in principe niet in aanmerking komen voor vergoeding vanuit de WMO.
Figuur 4 geeft voor acht van de tien vraaggezinnen14 aan wat de vermoedelijke kosten in euro’s zijn van de verwachte hulp (referentie) in vergelijking met de werkelijke kosten van BG.
Besparing inzet BG Vergelijken we de kosten in het eerste jaar van de verwachte ingezette hulp met de werkelijk gemaakte kosten 14
Uitgezonderd de twee vraaggezinnen die niet in aanmerking komen voor vergoeding uit de WMO
25
per vraaggezin door BG (zie figuur 5), uitgezonderd gezin I zonder besparing maar ook zonder extra uitgave, dan ontstaat per casus een besparing van circa € 1.451,30 (gezin A) tot maximaal €48.541,71 (gezin G).
Wellicht ten overvloede maar ook deze besparingen zijn indicatief, en gebaseerd op het gemaakte toekomstbeeld (referentie) door de vraaggezinnen, hulpverleners en andere betrokkenen. Daarbij is het wel goed om in gedachten te houden dat, hoewel hulpverleners vermoeden dat in bepaalde gezinnen een jeugdbeschermingsmaatregel en uithuisplaatsing volgt, dit niet vaststaat. Uiteindelijk bepaalt een rechter dat. En de route er naartoe kan bovendien verschillend verlopen en in tijd variëren. Zo zijn er meerdere uitkomsten mogelijk na het opschalen van een wijkteam naar bijvoorbeeld een jeugdbeschermingstafel.15 Het kan resulteren in preventieve jeugdbescherming maar het kan ook het startsein geven voor een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming of een spoed uithuisplaatsing. Kortom het blijft afwachten wat er daadwerkelijk zou gebeuren. De referentie benadert de werkelijkheid, maar is niet de werkelijkheid.
3. Opbrengsten voor steungezinnen Inleiding Dit hoofdstuk geeft antwoord op de derde deelvraag, namelijk in hoeverre steungezinnen ook opbrengst van de koppeling ervaren en welke dat is. Deze vraag is beantwoord aan de hand van observaties van uitspraken van de steunouders tijdens de EC-sessies en de interviews, en door analyse van de antwoorden uit de vragenlijst. Ook worden enkele struggles beschreven die steunouders naar voren brengen en die invloed kunnen hebben op de ervaren opbrengst. Gevarieerde opbrengst Uit alle sessies en interviews blijkt dat het steungezin zijn mensen iets oplevert. De opbrengsten die het meest worden benoemd, of tussen de regels door te lezen zijn, zijn plezier, voldoening en verrijking van de steungezinnen. Zo zegt een steunouder zonder kinderen die maandelijks een jongetje te logeren krijgt: “We kijken uit naar de weekenden. Het voegt echt iets toe. We doen andere dingen, we krijgen veel van hem terug, ook hoe hij 15 Een jeugdbeschermingstafel is een overleg tussen meerdere partijen, zoals de gecertificeerde instelling die jeugdbeschermingsmaatregelen uitvoeren, de gemeente en andere betrokken jeugdhulporganisaties.
26
zich voelt”. De steunmoeder die haar rol aanvankelijk wat spannend vond, maakt duidelijk dat haar perspectief op het steungezin-zijn is veranderd: “Je begint ermee dat je voor een ander wat wilt betekenen, maar uiteindelijk gaat hij ook veel voor jou betekenen”. Ook het contact met haar buren heeft een impuls gekregen. Sinds het vraagkind er is, komt de buurjongen langs en met de buurvrouw kan ze nu over ‘kind-dingen’ praten. Een andere steunouder geniet ook erg van het contact met een vraagkind. Ze noemt het meisje haar bonuskleindochter. Weer een andere steunouder, die het contact met een vraaggezin met een vluchtachtergrond verrijkend vindt, zegt over het steungezin zijn: “Het wordt meer uitbetaald dan dat je geld krijgt”. Ook andere steunouders genieten van de multiculturele diversiteit waarmee ze in aanraking komen door het contact met het vraaggezin. Ze ontdekken en leren over de cultuur en het geloof van mensen. Dit lijdt tot meer begrip over en weer. Verschillende steunouders zijn blij dat het steungezin-zijn hun blik en dat van hun kinderen verruimt. De kinderen ontdekken dat het er in gezinnen verschillend aan toegaat en dat de levensstandaard, die zij gewend zijn, niet vanzelfsprekend is. Een steunouder: “Ze zien dat anders ook oké is”. Ze vindt het bovendien waardevol dat haar kinderen leren om onbaatzuchtig te zijn door het zijn van steungezin.
Fysiek en mentale stimulans Het steunouder zijn kan er ook voor zorgen dat senioren mentaal en fysiek in beweging blijven. Dat is tenminste de ervaring van een bijna vijfenzeventigjarige steunmoeder die samen met haar man wekelijks twee vraagkinderen opvangt. De actieve kinderen leren haar bovendien te relativeren: “Als er iets kapot gaat, hoe erg is dat?”. Ze vindt het steunouder zijn ook fijn omdat wat de kinderen nodig hebben nauw aansluit bij haar expertise. Daardoor ziet ze ook ontwikkeling bij hen. En ze geniet van de gesprekken met de vraagvader over pedagogische thema’s. Toch levert het steunouderschap haar als senior ook dilemma’s op. Zo twijfelt deze steunmoeder hoe lang ze door kan blijven gaan, gezien haar leeftijd. Ze vindt het lastig dat ze de kinderen niet meer bij kan houden als die buiten wegrennen. Ze wil haar rol bovendien zelfstandig kunnen blijven uitoefenen. Hoewel haar man op de achtergrond betrokken is, blijkt het meer haar ‘project’ te zijn. Impuls ontwikkeling steunkinderen Tussen een aantal gezinnen ontstaat wederkerig contact en vriendschap, zo zagen we al eerder. Wederkerigheid laat zich zien in verschillende vormen en zit soms ook in terloopse dingen. Dat blijkt bij een paar steungezinnen het geval. Daar zorgt het contact met een vraagkind ervoor dat de ontwikkeling van een steunkind wordt gestimuleerd.
Zo wordt een meisje met een sociaal-emotionele achterstand, dat enigst kind is, weerbaarder. Het vraagkind steekt weleens de draak met haar, waardoor ze meer voor zichzelf leert op te komen. Haar moeder vindt het fijn dat dit thuis gebeurt, in een veilige setting. Zij en haar man hadden zich bewust bij BG aangemeld, omdat ze graag een ander kind in hun gezin wilden voor hun dochter “Ze miste samenwerking met andere kinderen thuis: iets delen, de tafel dekken”. Omdat de steunmoeder behoefte had aan een gestructureerde vorm van contact met vaste afspraken, leek BG leek haar erg geschikt. Ook in een ander steungezin draagt het contact met vraagkinderen bij aan de ontwikkeling van steunkinderen. Een steunvader ontdekt nieuwe dingen aan zijn kinderen en meent dat het steungezin zijn de studiekeuze van zijn kinderen heeft beïnvloedt: “Het verrijkt ook je eigen gezin. Wij wisten niet dat onze oudste zo sociaal zou zijn. Dat hadden we niet eerder kunnen ontdekken (..) Beide meiden willen nu sociale studies doen. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat dit door Buurtgezinnen komt”. Profiteren In sommige gezinnen profiteren steunkinderen meer mee van het contact met een vraaggezin dan in andere gezinnen. Dit hangt mede samen met de aard van het contact tussen de gezinnen, het type steun dat geboden wordt, waar dat precies gebeurt en wie de steungever is.
Zo is de kans op voordelen groter als een vraagkind op
27
regelmatige basis in een steungezin verblijft, dan dat een steunouder terplekke in het vraaggezin steun biedt, of als enige contact heeft met de vraagouder. Dit laatste komt een enkele keer voor. Steunouderschap vervult eigen behoefte Voor een aantal steunouders geeft het steunouderschap mede invulling aan eigen behoeften. Zo vertelt een steunmoeder die jaren geleden zelf maanden op bed lag, vanwege een hernia tijdens haar zwangerschap, hoe blij ze was dat ze in een gezin kon zorgen voor een dreumes. Omdat ze zich goed kan verplaatsen in de behoeften van de vraagmoeder, die door haar bevalling chronisch immobiel geworden is en graag thuis ondersteuning wil voor haar zoontje, meldt ze zich aan bij BG. “Kan ik eens wat terugdoen”, dacht ze. Haar rol als steunouder helpt bij haar eigen verwerking. Ze zegt: “Het lijkt wel of je dat allemaal voor hen doet, maar je doet het ook gewoon voor jezelf”. Haar betrokkenheid zorgt er overigens wel voor dat ze geen acht slaat op signalen van overspannenheid. Die ontstaan mede, omdat haar werkgever niet mee wil werken aan het verlenen van ADVuren. Daardoor kan ze lastig op tijd weg van haar werk om het jongetje bij de kinderopvang op te halen.
Zelfs als de vraagmoeder bezorgd raakt (“ze zouden wel een ongeluk kunnen krijgen door de haast van X”) en het met haar aankaart en de coördinator informeert dat het steunmoeder teveel wordt, wuift ze de zorgen weg. Ze komt uiteindelijk ziek thuis te zitten en moet noodgedwongen stoppen als steunouder. Een andere steunmoeder heeft zich mede bij BG aangemeld, omdat ze zelf heel graag steun had gehad toen er veel stress was in haar eigen gezin. Ze zegt: “Had ik toen van BG geweten, toen ik gevraagd heb om hulp omdat ik het niet meer trok, dan had het heel zeker anders gelopen”. Struggles Hoe fijn steunouders het ook vinden, hier en daar ervaren sommigen ook moeite, zo zagen we al in het vorige hoofdstuk. Of het nu is omdat een steunouder onvoldoende klik heeft met een ouder, het leven inbreekt, of omdat een werkgever niet wil meewerken. Het kan ook komen omdat de groei van de relatie met het vraaggezin meer tijd nodig heeft dan een steunouder verwacht. Zo vond een steunvader het lastig dat de vraagkinderen aanvankelijk vooral gefocust waren op wat hij en zijn vrouw konden bieden: “Alsof je er als persoon niet toe deed. Het leek of ze mij niet nodig hadden”. De band tussen de jongens en zijn vrouw groeide bovendien sneller, omdat zij meer met hen optrok. Dat leidde er toe dat de steunvader zich op een gegeven moment ging afvragen of hij wel steunouder wilde blijven.
Intussen is de relatie tussen hem en de kinderen hechter geworden. Enkele steunouders geven aan wat zoekende geweest te zijn in hun rol, of aanvankelijk wat onzeker geweest te zijn. Contact hierover met de coördinator of bevestiging vanuit de vraagouders, heeft hen geholpen. Ook geeft een steunkoppel aan dat het soms wat balanceren is met het eigen netwerk. Hoewel een kleinkind graag zou komen als de vraagkinderen er zijn, ze ontmoet hen wel eens, en de steunouders twee keer per week oppassen op de kleinkinderen, combineren ze dit niet. Ze zegt: “Het is wel ons project. We moeten het wel zuiver houden”. Een steunvader lijkt juist wat last te hebben van rolwisseling c.q. verwarring. Hij is hulpverlener en lijkt deze rol soms ook naar de alleenstaande vraagmoeder in te nemen, al ervaart ze van hem weinig druk, vertelt ze. Ze is erg dankbaar voor de steun van hem en zijn vrouw. Tijdens de sessie geeft ze wel aan, het lastig te vinden om zich te ontspannen als haar kinderen bij het steungezin zijn. Ze is geen type om niets te doen en is al blij als ze even rustig haar boodschappen kan doen. Maar dat is niet wat steunvader in gedachten heeft. Hij vindt dat ze meer moet profiteren van de vrije middag die zijn gezin haar biedt: “Wij zien nog niet dat je de woensdagmiddag structureel voor jezelf neemt. Het is niet onvoorwaardelijk’’.
Oftewel, hij lijkt voorwaarden te stellen aan het contact, en doelen te willen bereiken. De vraag is of dit uiteindelijk niet tot stress in de relatie leidt. Eerder had hij al een netwerkbijeenkomst georganiseerd “om te weten wat iedereen doet, om van elkaar te leren, en om beter te weten waarvoor X (vraagmoeder) haar hulp vraagt, en bij wie”. Hij wilde krachten bundelen maar het werd vooral een gezellige middag.
28
Ook bij een andere steunouder valt het doelgerichte op. Haar nieuwe baan leidt tot het einde van het contact met het vraaggezin, al rijst de vraag of dit de enige reden is. Mogelijk speelt haar doelgerichtheid mee en haar verwachting van de rol van de coördinator en de wijze van met haar samenwerken. Ze had graag gezien dat de coördinator wat meer gecontroleerd had op afspraken. Ze doelt hiermee niet op formele, praktische afspraken (b.v. rond het halen en brengen van de kinderen) maar op opvoedkundige zaken in het vraaggezin: “Er is geen controle over de afspraken, bijvoorbeeld vaker eten koken, meer met de kinderen doen. Ze zeggen makkelijk dat ze dat doen, maar of dat ook zo is, blijft toch een beetje in het midden.” Ze had hierin graag nauwer met de coördinator opgetrokken en het fijn gevonden als de coördinator maandelijks met haar had afgestemd: “Over hoe het gaat en wat we nog kunnen doen om verbeteringen te krijgen.” De vraagmoeder die, net als de steunmoeder apart wordt geïnterviewd, is blij met wat het steungezin tot stand heeft gebracht bij haarzelf en haar kinderen, maar ze vertelt ook over strubbelingen. De voorbeelden laten een sterke ‘afspraak is afspraak’ instelling zien bij de steunmoeder, iets waar vraagmoeder aanvankelijk blij mee is. Ze houdt van duidelijkheid.
Toch zou ze nu liever zien dat het contact met de moeder van een volgend steungezin, wat minder ‘zakelijk’ blijft, zoals ze het omschrijft. Ze lijkt behoefte te hebben aan een warmere, meer gelijkwaardige relatie. Een factor die het ontstaan van een duurzamer contact tussen ouders positief beïnvloedt.
4. Werkwijze Inleiding Dit hoofdstuk geeft weer welke suggesties vraag- en steungezinnen en andere betrokkenen impliciet en expliciet naar voren hebben gebracht ter verbetering van de werkwijze van BG (deelvraag 4). Hoewel de geraadpleegde vraag- en steunouders veelal weinig verbeterpunten te zien, kwamen bij doorvragen een aantal gemeenschappelijke thema’s op tafel als een suggestie werd ingebracht. Dit gold ook voor de inbreng van hulpverleners en andere naasten, en soms ook coördinatoren. Daarnaast werden ook nog wat overige suggesties ingebracht. Ook zijn enkele observaties van de onderzoeker verwerkt ten aanzien van de ingebrachte thema’s. > PR en communicatie lokaal uitbreiden Vergroten bekendheid De meerderheid van de vraag- en steunouders vindt dat BG lokaal bekender mag worden. Sommige steungezinnen komen terloops met het initiatief in aanraking via anderen die het kenden. Ze hadden er niet eerder van gehoord. Een andere steunouder ontdekt BG door een bijdrage in de nieuwsbrief van de school van haar kinderen. Het initiatief in haar gemeente bestaat dan al ruim twee jaar. Ook enkele naasten en hulpverleners vertellen pas van het bestaan van BG op de hoogte te zijn geraakt toen het vraaggezin vertelde er contact mee te hebben.
Een hulpverlener die werkzaam is in een stad en erg te spreken is over BG, loopt er regelmatig tegenaan dat hulpverleners het initiatief niet kennen: “Ik moet dat heel veel vertellen”. Deelnemers menen dat het verstandig is om de huidige lokale PR-strategie uit te breiden. Ze noemen soms ook zaken die coördinatoren al doen zoals flyers bij huisartsen leggen of langsgaan op basisscholen. Iemand oppert dat het wellicht verstandiger is om zaken te doen met leerkrachten die de gezinnen kennen, interne begeleiders en zorgcoördinatoren dan met directie. “De juf weet gewoon veel” en een kort moment aansluiten bij een teamvergadering levert wellicht ook veel op. Anderen opperen om ook te werven op plekken waar mensen gezinnen ontmoeten zoals bij de voetbalvereniging of de buitenschoolse opvang. En er zou meer face to face contact met wijkteams en andere hulpverlenende organisaties moeten zijn om te kunnen delen wat BG oplevert. Vertel met verhalen dat BG werelden bij elkaar brengt, dat een steungezin bijdraagt aan integratie zegt een hulpverlener. Ook wordt geopperd om een specifieke flyer voor het werven van steungezinnen te maken: ‘Mensen met een warm hart gezocht’. Meer algemene informatie delen en werven, in plaats van enkel te werven voor een
29
specifiek kind, zou meer steunouders over de streep kunnen trekken vermoeden ze. En de flyers mogen ook wel in meer talen vertaald worden, zegt een steunmoeder. Steunouders denken bovendien dat het rechtstreeks horen van ervaringen van steunouders mensen kan overtuigen zich aan te melden. Daarom zou het goed zijn als steunouders als ambassadeur worden ingezet tijdens de werving van steungezinnen opperen ze. Zo kunnen ze uit eerste hand vertellen welke meerwaarde het voor hen en hun gezin heeft om steungezin te zijn. Dat mag wel meer gebeuren. Profiel wijzigen Ook in het profiel van een kind, een anonieme schets voor op social media over wie het is en waar het behoefte aan heeft, mag nadrukkelijker worden aangegeven wat het steunouder-zijn oplevert voor een steungezin, opperen betrokkenen tijdens een sessie. Van belang is niet alleen duidelijk te maken dat een vraaggezin iets haalt maar juist ook dat een steungezien iets ontvangt stellen deelnemers. Thema’s als plezier en wederkerigheid zouden in het profiel een plek moeten krijgen. Het profiel komt nog op een andere manier aan bod. Dat betreft het opnemen van ‘labels’ van een kind in de profieltekst op social media. Coördinatoren gaan hier verschillend mee om. Sommigen noemen expliciet de aandoening (bijvoorbeeld autisme) terwijl anderen bewust alleen de behoefte noemen van een kind (structuur en voorspelbaarheid).
Een label kan (potentiële) steunouders afschrikken maakt een steunmoeder duidelijk. Ze vindt het goed dat de coördinator haar aanvankelijk alleen vertelde dat het vraagkind een beperking had. Ze had niet bij voorbaat alles wat het meisje mankeerde willen weten. Labels zeggen bovendien niet zoveel over een kind vindt de vraagmoeder. En een diaken uit de kerk van het gezin vult aan: ‘Eigenlijk is het het beste dat je niet weet wat het label is, want dan ga je invullen. Soms kan het verhelderend zijn maar ook storend.’ Dat vraagt wel dat de coördinator een goed beeld krijgt van wat het steungezin aankan en wie ze zijn, aldus een andere steunouder. Aan de andere kant geeft een steunmoeder met een hulpverlenersachtergrond aan dat het haar aansprak dat er specifieke profielen op Facebook stonden: “Je kunt een soort van redelijk anoniem shoppen” zegt ze. Ze probeerde tussen de regels door te lezen om de lastig plaatsbare kinderen te vinden. En daar slaagde ze in. > Samenwerken met formele hulp vraagt aandacht In zeker zes gemeenten legt een hulpverlener het thema samenwerken op tafel. Daarbij gaat het over coördinatie van zorg en afstemming. Zo meent een hulpverlener die de regie voert in een nieuwkomersgezin waar BG al langere tijd betrokken is (en een scala aan hulpverleners), dat de POH-GGZ-er de vraagmoeder niet rechtstreeks bij BG had moeten aanmelden.
Ze had het wijkteam moeten inschakelen met de vraag om de hulp rond het gezin op integrale wijze te organiseren. Hij zegt: “Mijn algemene opmerking is dat Buurtgezinnen een veel grotere rol had kunnen vervullen, als er eerder een meer integrale blik op het gezin was geworpen en niet telkens op een incidentele, afzonderlijke deelvraag professionele hulp was ingezet.” Hij meent dat BG bepaalde formele hulp had kunnen vervangen dan wel voorkomen zoals ‘’begeleiding t.a.v. schoolgang en vrijetijdsbesteding”. In een andere gemeente geeft een hulpverlener uit een jeugdteam aan: “We willen graag goed weten wie of wat betrokken is bij een kind en hoe het gaat”. Hoewel de lijnen kort zijn tussen zijn team en de coördinator van BG, is er verder weinig contact. Dat BG losstaat van de hulpverlening vindt hij een pluspunt. Echter toen het jeugdteam uithuisplaatsing overwoog van een meisje waarbij BG ook betrokken was, werd de coördinator hierover niet geïnformeerd. Ook niet door de vader. De reflectie achteraf op de casus verheldert niet alleen dat de afstemming te wensen overliet, maar ook dat het jeugdteam en BG van mening verschillen wiens verantwoordelijkheid het is om tot afstemming te komen, en op basis waarvan dit zou moeten gebeuren. Dit laatste speelt ook in een andere gemeente.
Een hulpverlener, die het werk van BG waardevol vindt, vertelt het jammer te vinden dat BG haar niet informeerde toen in een gezin de steun werd stopgezet.16 Aan de andere kant nam ze 16
Dit gezin maakt geen onderdeel uit van de onderzoeksgroep
30
zelf geen contact op met BG toen ze meende dat in een ander vraaggezin een extra steungezin wenselijk was. Ze had de vraagouder gestimuleerd dit zelf met de coördinator te regelen vanuit het oogpunt van zelfregie. Er spelen bij hulpverleners dus bewuste en waarschijnlijk ook onbewuste afwegingen rond het al dan niet afstemmen met de coördinator van BG. Visies op wat goede hulp is, wie waar verantwoordelijk voor is, rolopvattingen ook over die van de vraag- en steunouders. Zo vertelt een jeugdteammedewerker, die het goed vindt om af en toe even langs te gaan bij de coördinator, dat als een steungezin bij een vraaggezin betrokken is, het jeugdteam “zich daar niet mee gaat bemoeien”. Maar misschien moet dat wel veranderen oppert ze. Ze is niet de enige die zich afvraagt hoe ze zich als hulpverlener moet verhouden tot de informele steungevers in een vraaggezin. Ook enkele hulpverleners uit andere gemeenten vragen zich dit af. Zo maakt een hulpverlener uit de GGZ duidelijk niet goed te weten wat het steungezin precies doet: “Het gaat eigenlijk een beetje buiten ons om”. Ze veronderstelt dat het initiatief om tot afstemming te komen bij BG ligt maar weet dat niet zeker. Terplekke doet ze het voorstel om de coördinator of de steunouder jaarlijks te laten aanschuiven tijdens een evaluatiemoment met het gezin om “het plaatje compleet te krijgen”.
Het lijkt haar bovendien een geruststelling te weten dat er een steungezin is, als zij of haar collega’s zorg afbouwen. In een andere gemeente wil een medewerker van een jeugdteam vanuit haar rol als casusregisseur graag meer zicht hebben op de relatie van een steungezin met een vraaggezin, en beter weten hoe een steungezin zich verhoudt tot de hulpverlener. Ze had het vervelend gevonden dat de steunouder die met de vraagmoeder meeging naar een bespreking op de school van haar kind onvoldoende op de hoogte was van de ingezette formele hulp. Hoewel ze de meerwaarde ziet van steungezinnen worstelt ze met de vraag hoe ze zich als hulpverlener naar steunouders moet opstellen, en wat zij van hen mag verwachten: “Dan wil ik een steungezin in hun waarde laten (vanuit waardering voor hun zorg) maar het botst soms met het plan wat er al ligt. BG heeft er geen zicht op wat er al ligt”. Ze zou graag zien dat BG zorgt dat steunouders niet de regie overnemen van vraagouders. Dat zou soms gebeuren. Het minimale wat ze graag zou willen, is dat steungezinnen weten dat zij als hulpverlener betrokken is bij het gezin en weten wat zij daar doet. Deze hulpverlener lijkt over het hoofd te zien dat ook een vraagouder haar zou kunnen informeren over het contact met het steungezin.
Dat doen enkele vraagouders en –kinderen en in tenminste een geval is een vraagouder de intermediair tussen de hulpverlener en de coördinator van BG. Er zijn overigens ook enkele steunouders die rechtstreeks contact onderhouden met hulpverleners, soms als belangenbehartiger, en nagenoeg altijd in overleg met de vraagouder. Eerder zagen we al dat als dat niet gebeurt, dit de positie van een vraagouder kan ondermijnen en de ongelijkwaardigheid kan versterken. Dat is nu juist wat BG met haar methodiek van BG wil voorkomen. Niet voor niets stimuleert de organisatie ouders om allereerst zelf met elkaar in gesprek te gaan. Af en toe is een professional proactief naar steunouders. In een geval neemt een casusregisseur rechtstreeks contact op om een steunouder uit te nodigen voor een multidisciplinair overleg met professionals en naasten van een vraagouder. De steunouder kan dit niet waarderen. Een dergelijke vraag zou via de coördinator moeten lopen is haar overtuiging. Om goed te kunnen samenwerken is onderling contact natuurlijk wel nodig. Sommige coördinatoren hebben geen idee wie de hulpverleners zijn die bij een vraaggezin betrokken zijn. Een enkele coördinator vindt contact met formele hulp niet belangrijk of wenselijk, en gaat niet in op een uitnodiging voor een multidisciplinair overleg met hulpverleners.
Een aantal andere coördinatoren geeft aan dat het soms niet eenvoudig is om contact te krijgen met een hulpverlener.
31
Afstemmingsvragen spelen overigens niet enkel bij hulpverleners of coördinatoren van BG. Dit kan ook in het contact met het onderwijs spelen, blijkt uit de ervaring van een steunmoeder. Ze is contactpersoon van een vraagkind voor diens school in overleg met zijn ouders. De school leek haar rol aanvankelijk niet goed te begrijpen. Haar betrokkenheid was bovendien niet doorgegeven. Ze vraagt zich daarom af of het meerwaarde heeft om een school standaard te informeren als een kind contact heeft met BG. > Het gesprek voeren over continuïteit Een vraag of suggestie rond het thema continuïteit komt een aantal keer aan de orde, zij het op een verschillende manier. Zo is een vraagouder benieuwd of BG ook iets kan bieden in vakanties als een steungezin niet beschikbaar is. Een gespecialiseerde gezinsbegeleider in een andere gemeente vindt het lastig dat er niet direct een oplossing is als een vrijwilliger uitvalt: “Op het moment dat BG niet kan komen is er meteen een groot probleem, er komt dan geen vervanging”. Aan de andere kant vindt ze het een groot voordeel dat er in een vraaggezin rust gekomen is door de inzet van steunouders, en dat steeds dezelfde mensen beschikbaar zijn voor het jonge vraagkind. Een vraagvader begint over de afronding van het contact. Het is hem niet precies duidelijk wanneer je als gezin stopt met BG.
Hij zou het prettig vinden als er in de kennismakingsfase wordt besproken hoe het einde van een traject verloopt. Wellicht dat het aan de orde is geweest oppert hij, maar dat kunnen zijn vrouw en hij zich niet herinneren. In een ander geval vertelt een steunouder zich lopende het traject te hebben afgevraagd of het contact met het vraaggezin zou eindigen als de begeleiding door de coördinator zou stoppen. De coördinator had haar verzekerd dat dit niet nodig was en dat gezinnen op eigen kracht door kunnen blijven gaan. In twee andere gemeenten weten een steunouder en een vraagouder niet dat de ondersteuning van de coördinator eindig is. De coördinator die bij een van deze gezinnen later betrokken is geraakt (vanwege opvolging van haar voorganger), vertelt dat dit normaal gesproken tijdens het kennismakingsgesprek aan de orde komt. Het staat bovendien in het contract legt ze uit. De vraagouder blijkt het contract noch gelezen noch ondertekend te hebben. Ze wilde uit zorg voor het steungezin het contact flexibel houden, en vond een contract niet passend. Ze ziet er nog steeds het nut niet van in. Dat het ontbreken van afspraken op papier de steunouder juist voor dilemma’s zet lijkt haar te ontgaan. Die had regelmatig tevergeefs gewacht op de vraagkinderen.
Hoewel ze begrip heeft voor de vraagmoeder, en oppert dat een contract wellicht te zwaar is, vindt ze het wel belangrijk dat er heldere afspraken gemaakt worden tussen beide families. Ze zegt dit niet alleen als steunouder, sinds enige tijd is ze ook werkzaam als BG-coördinator. > Overige thema’s die een enkele keer aan bod kwamen Benut regulier aanbod of leg het probleem op tafel waar het hoort Een hulpverlener die als kritische buitenstaander meedoet aan een sessie in een gemeente, en het waardevol vindt wat de coördinator en de steungezinnen doen in een nieuwkomersgezin, oppert dat BG wat meer gebruik kan maken van regulier formeel aanbod: “Ik denk dat Buurtgezinnen nu heel veel oppakt, maar dat er ook specialisten zijn. Dan kun je dat stukje ook daar laten”. De hulpverlener vindt daarnaast ook dat BG de verantwoordelijkheid mag terugleggen bij het onderwijs vanwege hun plicht om passend onderwijs te bieden. De observatie van de hulpverlener werd enigszins bevestigd door wat er aan de orde kwam tijdens deze sessie. Steungezinnen en de coördinator pakken veel zaken op. Van meegaan naar de gemeente voor aanvragen, tot het zoeken van voorleesvrijwilligers en het hebben van afstemmingsgesprekken met het onderwijs. Vermoedelijk speelt mee dat er tussen het vraaggezin, de steungezinnen en de coördinator een vriendschap is gegroeid.
De coördinator in deze gemeente herkent zich niet helemaal in de reactie van de hulpverlener laat ze de onderzoeker per mail weten. Ze vindt dat er goed wordt samengewerkt met Vluchtelingenwerk voor financiële vragen en “regelzaken”. Dergelijke dingen zouden niet bij de steungezinnen terechtkomen.
32
Privacy bewaken Een vraagmoeder vindt dat BG zou moeten benadrukken dat wat een vraagouder deelt over diens situatie vertrouwelijk blijft. Ze had het erg gevonden dat een casusregisseur rechtstreeks contact had gezocht met het steungezin zonder haar medeweten. Ze wilde bovendien niet dat de steunouder of andere naasten zouden deelnemen aan een multidisciplinair overleg waarvoor hij haar uitnodigde. Zo zouden ze alles over haar situatie te weten komen, en dat vond ze niet nodig. De coördinator van BG was wel welkom, die had vast als professional een beroepsgeheim maar vrijwilligers hebben dat niet. In een andere gemeente komt privacy ook aan bod n.a.v. het thema afstemmen van voortgang rond een vraagkind. Een hulpverlener vraagt zich af wat hierin mag, rekening houdend met privacyregels. In een andere sessie vertelt een steunouder terloops over het contact met een ander vraaggezin wat niet helemaal goed was verlopen. Ze oppert te denken dat de moeder psychische problemen had. In plaats van dat de coördinator dit in het midden laat, bevestigt ze dit terplekke. De steunmoeder en de coördinator blijken ook regelmatig privé-contact te hebben. In gesprek blijven over steun, rollen en de relatie Een vraagouder geeft aan het prettig te vinden dat er tijdens het kennismakingsgesprek meer uitleg komt over wat voor soort steun je kunt vragen.
Dat blijft ook later in het proces nodig, vindt een steunouder. De coördinator zou het gesprek hierover nog meer tijdens evaluatiemomenten moeten faciliteren, aldus de steunouder. Beiden hebben ze ervaren dat je in het begin selectief luistert (“je hoort wat je zelf belangrijk vindt”) en daardoor dingen mist. Wellicht is dat ook het geval bij de ouders die over het einde van het traject een vraag hadden. De steunouder pleit er bovendien voor dat de coördinator weet aan te sluiten bij waar de relatie ‘op dat moment is’. Ze vindt het belangrijk dat de coördinator zich realiseert dat als er vriendschap groeit, er op emotioneel gebied soms toch ondersteuning op de relatie nodig is. Er kunnen op een diepere laag vragen en behoeften spelen. De relatie kan bovendien veranderen. Een coördinator zou steeds met passende vragen moeten afstemmen op waar de relatie zich op dat moment bevindt, vindt deze steunouder. Actievere rol rond vluchtelingengezinnen c.q. nieuwkomers In twee sessies wordt geopperd dat BG wellicht een actievere rol kan vervullen bij gezinnen met een vluchtachtergrond door eerder in het proces betrokken te worden door formele hulporganisaties of vluchtelingenwerk. Neemt BG wel deel aan ‘aansluitoverleggen’ waar nieuwe vluchtelingengezinnen worden besproken vraagt een jeugdconsulent zich af.
En hoe zouden BG en haar werkgever (een welzijnsorganisatie) kunnen samenwerken rond statushouders waarvan de vader al werk heeft en gezinshereniging speelt. Die vallen nogal eens tussen wal en schip is haar ervaring. De coördinator in deze gemeente denkt niet dat dit nodig is. Zij vindt dat BG en vluchtelingenwerk al goed samenwerken In een andere gemeente noemt een hulpverlener BG een uitkomst voor nieuwkomersgezinnen als vluchtelingenwerk niet in de buurt zit, en dat komt nogal eens voor. Hij pleit er bovendien voor om steungezinnen voor ‘inburgeringsbegeleiding’ in te zetten, voor het “thuis geraken” van mensen.17 Een vraagmoeder die de Nederlandse taal nog niet goed machtig is, meent dat het goed zou zijn als BG een taalmaatje zou aanbieden aan gezinnen met een taalprobleem. De coördinator vindt dit een goed idee.
17 Zie ook file:///D:/BG%20One%20Drive/BG/4.%20rapportage/1.%20LAATSTE%20CONCEPT/1.%20Hoofdstukken/Conclusies/handreiking-opvoedsteun-vluchtelingengezinnen.pdf
33
Overige suggesties Tenslotte worden er nog wat ‘losse’ suggesties gedaan. Een steungezin zou graag wat budget krijgen voor het ondernemen van een activiteit met de vraagkinderen om de relatie met elkaar te verstevigen: “Nu is er alleen elk jaar over de post een kleinigheidje. En dat heeft niks met binding met de kinderen te maken.(..) Het zou een leuk idee zijn, als er bijvoorbeeld kaartjes inzaten voor een dierentuin of speeltuin o.i.d., zodat je iets leuks kan doen samen met de kinderen”. Een andere steunouder adviseert het eigene van BG te behouden en geen therapeut te worden of bevoogdend. Ga ouders niet zeggen hoe ze het moeten doen, ze zijn deskundig meent ze: “De coördinator houdt vinger aan de pols, maar laat het ons doen. Dat had ik in mijn tijd ook wel willen hebben”.
34
Conclusie Inleiding Op basis van de EC-sessies en de interviews kan de vraag beantwoord worden wat Buurtgezinnen (BG) oplevert voor vraag- en steungezinnen, en welke verbeteringen aan de werkwijze gewenst zijn. Daar gaat dit hoofdstuk op in. Conclusie Wat de coördinatoren en de steungezinnen tot stand brengen, wordt bijzonder gevonden en gewaardeerd, ook door hulpverleners. Het onderzoek maakt duidelijk dat de inzet van een steungezin een rijke, gevarieerde opbrengst genereert voor zowel vraagkinderen als hun ouders, en dat ook steungezinnen profiteren van hun rol. De resultaten bevestigen de onderzoeksbevindingen van Remmelink (2017), en de door Van Paassen (2018) beschreven ervaringsverhalen in het boekje Opvoeden doen we samen. De resultaten laten tevens zien dat (mede) door de inzet van een steungezin bij een meerderheid van de vraaggezinnen formele hulp is voorkomen, en/of afgeschaald en/of beëindigd, en dat ook uithuisplaatsing wordt voorkomen. Als BG niet was ingezet, zouden bij tenminste zeven gezinnen vermoedelijk hogere kosten zijn gemaakt, variërend van €4.232,60 tot € 51.512,22 per gezin, al blijft dit indicatief. Of te wel de door BG gefaciliteerde informele steun bespaart (jeugdhulp)uitgaven door gemeenten en voorkomt leed bij kinderen en ouders, doordat kinderen in hun eigen gezin kunnen opgroeien.
De werkwijze van BG ondersteunt daarmee het zo normaal mogelijk opgroeien van kinderen en draagt expliciet bij aan de transformatie van de jeugdhulp. Het initiatief sluit bovendien aan op beleidsdoelstellingen van het ministerie van VWS en Justitie en Veiligheid (o.a. in het actieprogramma Zorg voor de Jeugd).18 Ook preventie krijgt een impuls. De cases laten op gezinsniveau zien dat de inzet van een steungezin bij vraaggezinnen vooral bijdraagt aan secundaire preventie (problemen worden zo snel mogelijk teruggedrongen of verergeren niet) en tertiaire preventie (de nadelige gevolgen van problemen worden tot een minimum beperkt). Dit komt mede door de bestaande multi-problematiek binnen de meeste vraaggezinnen van de onderzoeksgroep. Dat wil overigens niet zeggen dat op kind- c.q. ouderniveau geen problemen worden voorkomen (primaire preventie). De opzet van het onderzoek geeft alleen geen ruimte om hierover uitspraken te doen. Wat uiteindelijk in de vraagzinnen wordt bereikt (ook financieel), is afhankelijk van diverse factoren en actoren, en hoe die op elkaar inwerken. Zo hangt hoe effectief het traject verloopt, sterk samen met de opstelling en ondersteuning van de coördinator, al is die niet alles bepalend.
De mate van de klik tussen de ouders en kinderen en de ontwikkeling van hun relatie, de opstelling van de steunouders, inclusief het al dan niet onderkennen van ongelijkwaardigheid in de relatie zoals Remmelink (2017) dat beschrijft in navolging van Bredewold (2014), en bijkomende onvoorziene hick-ups beïnvloeden mede het verloop van het traject. Ook de samenwerking met betrokken hulpverleners bepaalt het nodige. Hoe is de interactie en afstemming met de coördinator en vice versa, welke ruimte krijgen informele steunbieders en wanneer ‘mag BG eigenlijk meedoen’ als een gezin een hulpvraag stelt aan een jeugdteam? En hoe goed lukt het hulpverleners om ouders ervan te overtuigen dat een steungezin ook passend is bij hun hulpvraag? Het luistert nauw laten de bevindingen zien. Het is een dynamische driehoek, die van hulpverlening, hulpvrager en BG. Zie bijvoorbeeld het actieprogramma Zorg voor de Jeugd van het ministerie van VWS. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2018/04/01/actieprogramma-zorg-voor-de-jeugd
18
35
Als de bevindingen iets duidelijk maken, is dat vraag- en steungezinnen BG heel anders beleven dan formele hulp. Het initiatief staat dicht bij hun leefwereld, het is geen instantie. Ze voelen vertrouwen, geen druk, en zijn verrast over de snelheid waarmee de koppeling tot stand komt, al blijkt dit in de praktijk soms enkele maanden (of langer) te duren. Betrokkenen herkennen het DNA van BG en waarderen dit. Ze ervaren de coördinator als toegankelijk en daarom wordt ze sneller in vertrouwen genomen. Voor formele hulpverleners daarentegen, zijn verschillende ouders op hun hoede, zowel in gezinnen met drang en dwang als met vrijwillige hulp. Bijstelling van de methodiek van BG op het niveau van vraag- en steungezin, lijkt niet echt nodig te zijn. Wel conceptbewaking gezien het feit dat coördinatoren de methodiek op onderdelen wat verschillend invullen. Hoewel de vraag- en steungezinnen hun slagvaardigheid waarderen, en eigen inkleuring door coördinatoren begrijpelijk is, mede vanwege de lokale context en eventueel gestelde voorwaarden vanuit de gemeente, kan deze verschillende werkwijze het eigene van het concept onder druk zetten en uiteindelijk het DNA en de werkzaamheid van het initiatief verzwakken. Qua verbetering van de werkwijze vraagt het thema continuïteit aandacht en geven betrokkenen nog een aantal suggesties van heel verschillende aard.
Het versterken van PR en communicatie en de samenwerking met formele hulpverleners zijn twee thema’s die het vaakst genoemd worden in relatie tot verdere doorontwikkeling van het initiatief. Opvallend is dat hulpverleners in verschillende gemeenten coördinatie en afstemming van zorg agenderen en zich afvragen wie de regie heeft. De vraag wat de meest passende hulp is in een gezin en hoe daartoe gezamenlijk te komen, brengen ze, op een hulpverlener na, niet naar voren. Het gaat vooral over posities, verantwoordelijkheden en rollen. Hoe te komen tot een verbeterd samenspel rond op- en afschalen van zorg leggen hulpverleners niet op tafel. Dat is wellicht nog opmerkelijker. Niet zozeer omdat BG dit belangrijk vindt, of vanwege de maatschappelijk opgave om jeugdhulpkosten te verlagen, maar veel meer omdat hulpverleners aangeven het waardevol te vinden dat BG bijdraagt aan het voorkomen en afschalen van formele inzet. Kennelijk domineert desondanks het paradigma dat informele hulp aanvullend is op formele hulp, gebaseerd op de aanname dat bij problemen de inzet van een beroepskracht allereerst nodig is (Lam & Ligtermoet 2018). De vraag is dan ook of de eigen zelfstandige waarde van informele steun en de normaliserende werking van de steungezinnen wel echt is doorgedrongen.
Slechts een hulpverlener stelt expliciet aan de orde dat het automatisme, om te starten met formele hulp, herziening behoeft. Aan de andere kant maken de resultaten ook duidelijk dat BG-coördinatoren verschillend denken over het belang van samenwerken met formele hulp. Het is balanceren om de eigenheid van informele steun en het gewone leven vast te houden. De praktijk van samenwerking is echter afhankelijk van alle betrokkenen. Tenslotte. Dit onderzoek laat zien dat het initiatief van BG meer dan de moeite waard is voor zowel vraag- en steungezinnen, als gemeenten, hulpverleners en andere betrokkenen. BG slaagt er in alle cases in, op een na, om haar missie ‘opvoeden doen we samen’ te realiseren. Ze bereikt haar doelgroep, de ouders die het zwaar hebben en voor steun niet kunnen terugvallen op mensen uit hun eigen omgeving (website BG), zij het dat een van de vraaggezinnen hier niet helemaal aan voldoet. Aan de andere kant wil BG vanuit preventief oogpunt ook graag gezinnen met lichte enkelvoudige problemen bedienen. Daar lijkt ze minder goed in te slagen, al zijn er wellicht verschillen tussen gemeenten. Niet alleen kampen de meeste gezinnen binnen deze onderzoeksgroep met multi-problematiek, ook de effectrapportage (september 2019), waarvoor BG honderdzevenenveertig koppelingen analyseerde, ondersteunt het beeld dat een ‘zwaardere’ doelgroep wordt bediend.
Vermoedelijk speelt mee dat BG nog niet in ruime mate bekend is binnen de leefwereld van ouders. Vraagouders melden zich daarom minder snel aan op eigen initiatief. Ze worden nog vooral verwezen door een wijkteam of een hulpverlener. Investeren in de leefwereld van ouders lijkt wenselijk. Opvolging geven door BG aan enkele suggesties van betrokkenen over PR zal hier vermoedelijk aan bij kunnen dragen.
36
Als het aantal verwijzingen via de kinderopvang en het onderwijs zal toenemen, en van huisartsen, zal dit zeer waarschijnlijk invloed hebben op de zwaarte van de problematiek, en meer preventie mogelijk maken. Zo zal BG nog meer maatschappelijke opbrengst kunnen genereren dan dat ze nu al doet.
37
Aanbevelingen Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft verschillende aanbevelingen voor BG. Allereerst zijn aanbevelingen uitgewerkt die binnen BG opgepakt kunnen worden, vervolgens komen ook aanbevelingen aan de orde om op te pakken met gemeenten en formele hulpverleners. Aanbevelingen: intern BG 1. Juist vanwege de huidige groei van deelnemende gemeenten, in combinatie met de actuele schaalgrootte van de organisatie, en het feit dat coördinatoren hun rol op onderdelen wat verschillend invullen, is het aan te raden om conceptbewaking hoger op de agenda te zetten. Breng bovendien in kaart wat de afwegingen van coördinatoren zijn om op onderdelen van het concept af te wijken. Ga daar gezamenlijk over in gesprek en stel eventueel zaken bij, als blijkt dat de praktijk daar om vraagt. 2. Agendeer het gesprek over samenwerking met formele hulp met coördinatoren. Zorg ook dat de ervaringen van steungezinnen meegenomen worden. Breng de verschillende standpunten in kaart en ga na wat coördinatoren motiveert om met formele hulpverleners samen te werken en hoe dit er concreet in de praktijk uitziet, of wat hen juist tegenhoudt. Bepaal een helder organisatiestandpunt over samenwerken met formele hulp, ook door steungezinnen. Indien dit er al is, evalueer dit gezamenlijk en bepaal in hoeverre dit standpunt bijstelling behoeft. Stel in overleg met coördinatoren vast wat ze nodig hebben om e.e.a.
in hun werkpraktijk te implementeren en zorg voor passende randvoorwaarden. 3. Ga na welke doelgroepen de afgelopen vijf jaar baat hebben gehad bij BG en welke minder, en bepaal of herdefiniëring van de huidige doelgroep wenselijk is. Formuleer samen met coördinatoren heldere, meetbare criteria waaraan de vraaggezinnen moeten voldoen zodat slechts die gezinnen door BG bediend worden die daadwerkelijk voldoen aan de doelgroepbeschrijving. 4. Zorg als BG voor meer bekendheid in de leefwereld van potentiële vraaggezinnen. Benut zowel vraagkinderen, hun ouders als steungezinnen hiervoor. Stimuleer dat ze hun ervaringen delen op plekken waar ouders komen; binnen het onderwijs, de kinderopvang, de kerk of op de sportclub en op een manier die aansluit bij zoveel mogelijk gezinnen. 5. Om disbalans in de relatie te voorkomen, is het aan te bevelen dat coördinatoren het thema (on-) gelijkwaardigheid met vraag- en steunouders gedurende het hele traject bespreekbaar houden. In ieder geval met diegenen waarbij verschillen bestaan qua uitgangsposities. Remmelink (2017) liet zien dat het bevorderend werkt als de ongelijkwaardigheid bij deze koppelingen wordt erkend. 6. Overweeg of het nodig is om concreter uit te werken wat het betekent dat BG zich richt op het kind-in-gezin. Geef dit ook aandacht in de verantwoording naar subsidiegevers.
De effecten die BG op gezinnen heeft, bijvoorbeeld op de ouder-kindrelatie c.q. interactie, zijn het noemen meer dan waard. 7. Ga aan de slag met de suggesties van de gezinnen en andere betrokkenen binnen dit onderzoek, en overweeg
38
om per gemeente met een tevredenheidsmeting onder vraag- en steungezinnen te starten die op regelmatig basis terugkomt. Aanbevelingen: extern BG 1. Om te zorgen dat bij de formele hulp, en bij hulpvragers die nog geen ervaring hebben met BG, het vertrouwen in de werkzaamheid van steungezinnen toeneemt, is het aan te raden een actief proces op gang te brengen van samen uitproberen en leren. Verken of er gemeenten zijn die willen investeren in experimenteerruimte waarbij ouders met lichte problematiek, en zonder beschikbare steun van naasten, standaard starten met een steungezin. Hiervoor moet waarschijnlijk nog wel enig ‘masseerwerk’ gedaan worden bij hulpvragers en hulpverleners. Maak dit onderdeel van het experiment en zorg dat een onafhankelijke partij het proces en de resultaten evalueert, en expliciet nagaat wat werkt. Actieonderzoek kan het leerrendement verhogen. 2. Om als BG daadwerkelijk partner te worden van de lokale transformatieopgave (en niet slechts als aanvullend op formele hulp gezien te worden) lijkt een paradigmashift nodig bij gemeenten en formele hulp. Positieve praktijkervaringen kunnen hieraan bijdragen. Ga daarom na of enkele gemeenten bereid zijn te investeren in een lokale proeftuin met wijk- c.q.
jeugdteams waarin, samen met ouders die zich hebben aanmeld voor hulp, verkend wordt wat de meest passende hulp is voor deze gezinnen en hoe effectief kan worden samengewerkt ook rond op- en afschalen van zorg. Zorg dat leerresultaten systematisch gemonitord worden of dat de proeftuinen worden opgezet met actieonderzoek. 3. Stimuleer coördinatoren om lokaal in gesprek te gaan met wijk- en jeugdteams over afstemming rond een gezin als een steungezin betrokken is, rollen en verantwoordelijkheden en hoe om te gaan met privacy van gezinnen. Het is aan te raden om afspraken hierover vast te leggen en jaarlijks te evalueren. 4. Stimuleer gemeenten dat ze zorgdragen dat hulpverleners, inclusief wijk- en jeugdteams, investeren in herstel van verbroken c.q. moeizame relaties tussen hulpvragers en naasten, en/of vraagverlegenheid helpen doorbreken rond informele steun. Zo kan worden voorkomen dat een steungezin van BG te snel wordt ingezet, terwijl er nog potentieel zit in het eigen bestaande netwerk.