17.2 Onderzoek christelijke Hogeschool EDE opbrengsten van buurtgezinnen
Tekst van het document
Opbrengsten van Buurtgezinnen voor vraag- en steungezinnen De effectencalculator in praktijk maart 2020 drs. Elize Lam, senior onderzoeker Christelijke Hogeschool Ede Associate lectoraat informele netwerken en laatmoderniteit
Inhoudsopgave Inleiding 3 Methode 5 Resultaten 10 1. Vraaggezinnen: achtergronden, ervaringen & opbrengsten
10
1.1 Achtergronden 10 1.2 Ervaringen 13 1.3 Opbrengsten kwalitatief 17 1.4 Opbrengsten in relatie tot inzet formele hulp
21
1.5 Hick-ups 22
2. Referentie 23 3. Opbrengsten voor steungezinnen 26 4. Werkwijze 29
Conclusie 35 Aanbevelingen 38 Bijlage 1 - Verantwoording referentie 40 Bijlage 2 - Instructiebrief coördinatoren 44 Bijlage 3 - Vragenlijsten 46 Bijlage 4 - Analysekader 48
Bronnenlijst 52
Inleiding Deze rapportage beschrijft de uitkomsten van een onderzoek naar de opbrengst en werkwijze van Buurtgezinnen. De uitvoering ervan vond plaats in veertien gemeenten in het voorjaar en de zomer van 2019. Vanuit haar visie ‘opvoeden doen we samen’ was Buurtgezinnen (hierna te noemen BG) benieuwd hoe vraaggezinnen de informele steun van een steungezin ervaren en wat de (financiële) opbrengst is van het door BG koppelen van vraag- en steungezinnen. Ook wilde ze graag weten welke opbrengst steungezinnen ervaren en welke verbeteringen aan de werkwijze van BG nodig zijn. BG benaderde daarom het associate Lectoraat Informele Netwerken en Laatmoderniteit van de Christelijke Hogeschool Ede (CHE) met de vraag om dit via een effectencalculatie te beantwoorden. Ten tijde van de start van het onderzoek was BG actief in eenenveertig Nederlandse gemeenten, inmiddels is dat gegroeid tot ruim vijftig gemeenten. BG hoopt binnenkort haar vijfjarig bestaan te vieren. Ze richt zich met haar initiatief op gezinnen die het zwaar hebben en voor steun niet kunnen terugvallen op mensen uit hun eigen omgeving (website BG). Dit doet ze door een gezin met een hulpvraag (vraaggezin) te koppelen aan een onbekend vrijwillig steungezin waarbij de kern van de informele “geboden steun doorgaans het opvangen van het kind is” (Remmelink 2017:11).
BG hanteert een duidelijke en gefaseerde werkwijze, van kennismaking tot afronding waarbij een beroepskracht, de coördinator, het proces faciliteert. Voor zowel de vraag- als steungezinnen is de coördinator het aanspreekpunt en hun sparring partner. Gezinnen geven aan hier veel profijt van te hebben (Remmelink 2017; Van Paassen 2018). Als de kennismaking goed bevallen is, volgt er een proeffase van zo’n twee maanden die de gezinnen evalueren. Indien de gezinnen besluiten om samen door te gaan worden definitieve afspraken gemaakt en vastgelegd in een contract. Dan breekt de ‘onderhoudsfase’ aan die maximaal twee jaar duurt. Ieder half jaar is er een tussentijdse evaluatie onder leiding van de coördinator om na te gaan of het contact nog steeds naar tevredenheid verloopt en of de beide gezinnen nog door willen gaan. Aan het eind van deze fase is er een afrondend gesprek waarin wordt geoogst en naar de toekomst wordt gekeken. De ondersteuning vanuit BG stopt dan. Hoewel BG dus een professionele schil zet om gezinnen heen zet, in de persoon van de coördinator, gaat het initiatief nadrukkelijk niet om hulpverlening. Het draait om onderlinge zorg en betrokkenheid bij de opvoeding van andermans kinderen, al dan niet aanvullend op bestaande hulpverlening. Met haar eigen wijze van werken probeert BG bovendien zoveel mogelijk aan te sluiten bij het gewone leven (Van Paassen 2018).
Hierdoor positioneert ze zich in de ondersteuning van de Pedagogische Civil Society (PCS). Hoewel het initiatief zich met haar werkwijze hoedt voor professionalisering van die civil society heeft de stichting kwaliteit hoog in het vaandel staan. Niet voor niets ontving BG in 2017 ‘een appeltje van Oranje’ uit handen van de koning. Bovendien is vanaf de start onderzoek ingezet, i.s.m. de Hogeschool van Amsterdam, om het werk te monitoren. Echter dit bleef beperkt tot de vraag in hoeverre de ontvangen sociale steun invloed had op de opvoedstress van de vraagouders (Remmelink 2017). Vraagstelling De centrale vraag in dit onderzoek is: “Welke opbrengst genereert Buurtgezinnen voor vraag- en steungezinnen en welke verbeteringen aan de werkwijze zijn gewenst?”
3
De deelvragen zijn: 1. Hoe ervaren de vraaggezinnen de door Buurtgezinnen (BG) gefaciliteerde steun en welke opbrengst heeft die voor hen? 2. Welke opbrengst heeft deze steun voor de vraaggezinnen volgens de steungezinnen en andere betrokkenen zoals naasten, leerkrachten, verwijzers en andere beroepskrachten? 3. In hoeverre geven steungezinnen zelf aan opbrengst te ervaren en waar bestaat die zoal uit? 4. Welke suggesties brengen de vraag- en steungezinnen en andere betrokkenen naar voren voor verbetering van de werkwijze van Buurtgezinnen? ‘Opbrengst’ is een breed begrip en operationaliseren we als toegevoegde waarde. Specifiek voor de vraaggezinnen zullen we in onze analyse rekening houden met de volgende thema’s: / mentaal welbevinden / schoolresultaten / pro-sociaal gedrag / positief ouderschap /veilige thuissituatie / positief opvoedklimaat / participatie / zelfredzaamheid / sociale aansluiting / zingeving / (gezins-)veerkracht / netwerkversterking
4
Methode Design Om te komen tot beantwoording van de centrale vraag is de ‘Effectencalculator’ ingezet bij gekoppelde vraagen steungezinnen. Dit is een kwalitatief analyse-instrument voor het evalueren van vernieuwende aanpakken in het sociaal domein. De Effectencalculator zorgt ervoor dat op basis van dialoog tussen deelnemers uitspraken gedaan kunnen worden over de effectiviteit en efficiëntie van een aanpak. Het instrument is bij uitstek geschikt voor initiatieven waar maatwerk voor individuele personen centraal staat. Het gesprek over een individuele casus vindt plaats rondom een werkblad waarop post-its geplakt worden met informatie die enkele betrokkenen na instructie beschrijven. Zo ontstaat een casusbeschrijving volgens een vaste structuur, in een werksessie van zo’n drie uur. Dit proces wordt gefaciliteerd door een getrainde calculateur. De Effectencalculator maakt het mogelijk om de werkelijke situatie te vergelijken met een referentiesituatie (Kwakernaak, Deuten, Van Bienen, Vos & Hamdi 2016).1 Onderzoeksgroep Procedure selectieproces De onderzoeksgroep bestond aanvankelijk uit vijftien vraaggezinnen in vijftien Nederlandse gemeenten.2 Deze werd samengesteld op basis van een selectieve steekproef, rekening houdend met de werkpraktijk van BG van het 1e kwartaal 2018. Dit is omdat het van belang was, dat gezinnen minstens een jaar met elkaar contact hadden.
Het selectieproces zag er als volgt uit: 1/ Selectie gemeenten op basis van de volgende criteria (door de onderzoeker in overleg met BG): a/ Verhouding stad/platteland b/ Regionale spreiding zoals BG die hanteert. c/ De coördinator is tenminste sinds 1e kwartaal 2018 werkzaam in de gemeente. Tabel 1: Verhouding gemeenten in werkpraktijk BG 1e kwartaal 2018 + in steekproef Gemeente naar aantal inwoners
Werkelijk Gerealiseerd in steekproef (N*=41) (N=15)
Gemeenten in steekproef (N=15)
tot 15.000 inwoners
17%
13%
Beek, Ouder-Amstel
15.000 tot 40.000 inwoners
29%
27%
Rhenen, IJsselstein, West Maas en Waal en Papendrecht
40.000 tot 100.000 inwoners 44%
40%
Oss, De Ronde Venen, Nieuwegein, Roermond, Sittard, Geleen en Utrechtse Heuvelrug
> dan 100.000 inwoners
20%
Amsterdam, Ede en Zaanstad
10%
*N verwijst naar de frequentie binnen een populatie, in dit geval de gemeenten. Maar in een ander geval kunnen het bijvoorbeeld ook het aantal vraaggezinnen van de onderzoeksgroep zijn. 1 2
Meer informatie is te vinden via www.effectencalculator.nl BG was op dat moment actief in 41 gemeenten
5
Criterium a/ is redelijk goed gerealiseerd in de steekproef. Criterium b/ lukte minder goed, waardoor regio Noord ondervertegenwoordigd, gevolgd door regio Zuid en is regio West oververtegenwoordigd, gevolgd door regio Midden. Criterium c/ lukte voor de gehele selectie. 2/ BG bracht in kaart wat kenmerkend was aan ‘hun’ populatie vraaggezinnen. Vervolgens zijn deze kenmerken als selectiecriteria vastgesteld en werd nagegaan wat het percentage vraaggezinnen uit de populatie was dat voldeed aan dit criterium. Vervolgens is berekend hoeveel vraaggezinnen in de steekproef idealiter aan een criterium moesten voldoen, om de representatie van de doelgroep in de onderzoeksgroep zo goed mogelijk te benaderen (zie tabel 2). 3/ BG leverde per gemeente drie tot zes vraaggezinnen aan die voldeden aan de criteria. Op basis hiervan selecteerde de onderzoeker een top 3 per gemeente. 4/ De coördinatoren hebben vervolgens per gemeente, na instructie van de onderzoeker (zie bijlage 2), de vraaggezinnen en de andere deelnemers geworven. Dit bleek nog niet eenvoudig. Hoewel de meeste geselecteerde vraaggezinnen wel wilden meewerken, lukte het niet altijd om alle deelnemers (de vraag- en steunouder(s), naasten, hulpverleners) op een van de voorgestelde data bij elkaar te laten komen. Ook waren hulpverleners niet altijd bereid deel te nemen o.a.
vanwege de tijdsinvestering en omdat men deelname niet altijd nodig vond. Het bleek ook lastig om voor iedere sessie een ‘neutrale’ hulpverlener te werven om tegenspraak te realiseren. Definitieve onderzoeksgroep In één gemeente ging uiteindelijk een geplande EC-sessie niet door omdat een steunouder slechts een half uur aanwezig kon zijn. In overleg met BG werd besloten geen andere sessie te organiseren gezien de doorlooptijd van het onderzoek. De uiteindelijke onderzoeksgroep betreft veertien vraaggezinnen. De mate waarin ze voldoen aan de selectiecriteria wordt hieronder weergegeven. Tabel 2: Kenmerken deelnemende vraaggezinnen (N= 14) naar selectiecriteria en werkelijk gerealiseerd in onderzoeksgroep Criterium
Aantal
Aanvullend
Gerealiseerd in onderzoeksgroep
Nederlandse komaf
n*=11
-
n=10
Niet-Nederlandse komaf
n=4
waarvan n=2 a 3 n=1 Syrië, n=1 Congo, n=1 Egypte, met vluchtverleden n=1 Vietnam (2e generatie)
Eenoudergezin
n=9
-
n=8 (waarvan n=1 vader)
Tweeoudergezin
n=6
-
n=6
0-4 jarige kinderen
n=4
Tenminste 1 kind in n=4 deze leeftijd
4-12 jarige kinderen
n=9
idem
n=8
12+ kinderen
n=2
idem
n=2
Overbelasting vraagouder
n=4
-
n=7**
Sociaal isolement gezin
n=4
-
n=6
Opvoedproblemen
n=2
-
n=3
Ouder met aandoening (lichamelijke/ psychische/verstandelijke beperking)
n=2
-
n=7
Kind met lichamelijke of psychische aandoening
n=1
-
n=3
*n verwijst naar de frequentie binnen de steekproef. Dus n=11 betekent in dit geval elf vraaggezinnen die voldoen aan het criterium Nederlandse komaf **Naast dit probleem kunnen er in een gezin ook andere probleem spelen. Vandaar dat de totale aantallen problematiek groter zijn dan de onderzoeksgroep van N=14
6
/ De geselecteerde onderzoeksgroep komt redelijk overeen met de beoogde onderzoeksgroep, zij het dat de problematiek op onderdelen complexer is. Naast dat er meer overbelaste ouders meedoen, is het aantal ouders met een aandoening een stuk hoger vergeleken met die in de populatie.3 Tenminste de helft van de vraaggezinnen heeft een ouder met psychische en/of psychiatrische problemen zoals een chronische depressie, een post-traumatische stressstoornis, borderline persoonlijkheidsstoornis of autisme. Een ouder heeft een licht verstandelijke beperking en van een ander vermoeden hulpverleners dit.4 / Een en ander lijkt te impliceren dat de onderzoeksgroep meer en zwaardere problemen kent dan de totale populatie vraaggezinnen. Echter de effectrapportage van BG (2019) laat zien dat de problematiek toeneemt. BG geeft begin 2020 aan dat deze trend zich doorzet, vermoedelijk omdat wijk- en jeugdteams de organisatie beter weten te vinden. / Een van de vraaggezinnen voldoet niet aan de criteria wat betreft problematiek. Hoewel in de database staat aangegeven dat er sprake is van overbelasting, bleek tijdens de sessie dat het traject preventief was ingezet ter voorkoming ervan. / Het aantal kinderen in de gezinnen varieert van een tot vijf, en ze zijn enkele weken oud tot begin twintig. De meeste gezinnen (n=7) hebben twee kinderen.
In twee gezinnen wonen twee kinderen uit huis, die zijn niet meegenomen in het onderzoek. In totaal gaat het om 36 kinderen. Kenmerken trajecten / Afgerond traject (n=1). De coördinator heeft de ondersteuning binnen twee jaar beëindigd. De gezinnen redden het goed zonder haar. Het steungezin is actief betrokken bij het vraaggezin. / Lopend traject (n=13). / In totaal zijn negentien steungezinnen betrokken. De meeste vraaggezinnen hebben één steungezin (n=9) , gevolgd door vraaggezinnen met twee steungezinnen (n=2) en vraaggezinnen met drie steungezinnen (n=2) die tegelijkertijd actief zijn. Dit hangt samen met het aantal kinderen, met de aard en omvang van de hulpvraag en de mogelijkheden van de steungezinnen. / De trajecten verschillen qua duur van de koppeling met het steungezin. Uitgezonderd het afgeronde traject ontstaat het volgende beeld: Tabel 3: Vraaggezin (N= 13) naar duur koppeling en aantal steungezinnen Aantal vraaggezinnen
Duur koppeling lopend traject
Aantal steungezinnen
n=1
0-6 maanden
n=2
12-18 maanden
n=1
n=1
6-12 maanden
n=1
n=1
6-12 maanden
n=2
12-18 maanden
n=1
n=8
12-18 maanden
n=1
n=1
12-18 maanden
n=2
n=1
12-18 maanden
n=1
18-24 maanden
n=1
Alle vraaggezinnen hebben tenminste een jaar contact met minimaal een steungezin. Daardoor voldoen ze allemaal aan het gestelde criterium rond duur contact met het steungezin. Achtergronden EC-sessie en inzet alternatief meetinstrument In drie gemeenten, waar praktische hindernissen bleven bestaan en een vraaggezin geen hulpverlener aan tafel 3 4
Dit is 14 procent. Zie jaarverslag Buurtgezinnen.nl 2017 De vermoedelijke aandoening van deze ouder is niet meegenomen in de cijfers van de tabel.
7
wilde, werd besloten om de EC niet in te zetten maar over te gaan op gestructureerde interviews en vragenlijsten. Uiteindelijk zijn elf EC-sessies uitgevoerd. Kort voorafgaand aan een ervan meldde een vraagmoeder zich af. Op nadrukkelijk verzoek van de coördinator is deze sessie doorgegaan, mede ook omdat zij vermoedde dat de vraagmoeder bereid zou zijn tot een individueel interview achteraf. Dat bleek helaas niet zo te zijn. Het totale aantal deelnemers aan het onderzoek is 63 personen: > EC-sessies (N=11) met in totaal (n=50) deelnemers: / vraagouders: n=12 (moeders n=9 en vaders n=3 uit tien vraaggezinnen) / steunouders: n=15 (waarvan moeders n=11 en vaders n=4) / naasten: n=3 / hulpverleners betrokken bij het vraaggezin n=8 / ‘neutrale’ hulpverleners niet betrokken bij het vraaggezin: n=2 / coördinatoren BG: n=10 (een coördinator deed in n=2 gemeenten mee) > Interviews en vragenlijst (N=3 gemeenten) met in totaal (n=13) deelnemers: Gemeente A (n=6 deelnemers) / gestructureerd interview met vraagouder-echtpaar bij hen thuis (duur 1,5 uur) / gestructureerd telefonisch interview hulpverlener (duur 1 uur) / gestructureerd telefonisch interview BG-coördinator (duur 1 uur) / gestructureerde vragenlijst steunouder (n=2) Gemeente B (n=4 deelnemers) / gestructureerd telefonisch interview vraagouder (1 uur) / gestructureerd interview steunouder bij haar thuis (1 uur) /
gestructureerd interview BG-coördinator bij haar thuis (1 uur). / gestructureerde vragenlijst hulpverlener Gemeente C (n=3 deelnemers) / gestructureerd interview vraagmoeder bij haar thuis. BG-coördinator nam ook deel op verzoek vraagmoeder (1,25 uur) / gestructureerde vragenlijst steunouder NB. Met alle deelnemers die een vragenlijst invulden, is e-mailcontact geweest ter verduidelijking van bepaalde antwoorden. Verloop EC-sessie / Duur gemiddeld: 2,75 uur per keer / Locatie: zowel bij vraaggezinnen thuis (n=5), in een buurthuis (n=2), bij de coördinator thuis (n=2) als in het huis van een steungezin. Ook werd een sessie georganiseerd op de Christelijke Hogeschool Ede. Een sessie verliep niet ongestoord vanwege twee peuters die aanwezig waren. In een andere gemeente was het aanvankelijk wat chaotisch tijdens de start van de sessie door aanwezigheid van kinderen maar uiteindelijk verliep de sessie ongestoord. Slechts drie van de vijftig deelnemers gingen iets eerder weg vanwege andere verplichtingen. / Spectrum, partner met Elan, begeleidde de eerste sessie waar ook een onderzoeker van de CHE aanwezig was. Zij leidde de overige tien sessies. Bij de eerste ervan was de calculateur van Spectrum boventallig aan-
8
wezig i.v.m. coaching van de onderzoeker. / In drie gemeenten bleek een vraagouder de Nederlandse taal nog niet goed machtig. Daardoor werd tijdens een sessie voornamelijk Engels gesproken, tolkte een echtgenoot als het nodig was in een andere sessie, en in een derde geval moest er af en toe wat uitgelegd worden. Dit belemmerde de dialoog nauwelijks. / De sessies waarbij deelvraag 1, 2 en 4 centraal stonden, leverden veel dialoog en informatie op, maar ook emoties. In drie gemeenten, waarbij in twee gevallen ook een hulpverlener aan tafel zat, reageerden vraagouders emotioneel en boos over de bejegening door formele hulpverleners. / Na bijna iedere sessie (of al tijdens de pauze) reageerden deelnemers enthousiast over de opbrengst ervan. Ze waren blij hun verhaal te hebben kunnen delen, andere betrokkenen rond een vraaggezin ontmoet te hebben of vanwege de nieuwe opgedane inzichten. Dataverwerking en analyse Per sessie zijn alle post-itts en de aantekeningen van de onderzoeker getranscribeerd en verwerkt in een verslag per gemeente. Ook is de informatie van coördinatoren over hun inzet per casus verwerkt. Een enkele deelnemer bleek niet altijd de instructie gevolgd te hebben voor zijn of haar taak om zaken op te schrijven (bijvoorbeeld de ervaringen van het vraaggezin). Dat maakte dat sommige post-itts minder goed bruikbaar waren.
Doordat de onderzoeker zelf ook aantekeningen had gemaakt, kon worden voorkomen dat er informatie gemist werd. Aan de hand van een analysekader met topics (zie bijlage 4) zijn de bevindingen vervolgens per sessie in kaart gebracht en geduid. De aantekeningen van de interviews zijn ook getranscribeerd en per gemeente samengevoegd met de uitkomsten van de vragenlijst. Aan de hand van hetzelfde analysekader als van de EC-sessies, zijn de bevindingen per gemeente geanalyseerd. Vervolgens zijn alle bevindingen in samenhang geanalyseerd. Transfereerbaarheid Binnen dit onderzoek is contextgebonden kennis opgedaan. De bevindingen zeggen dan ook vooral iets over de betreffende cases en kunnen niet gegeneraliseerd worden. Omdat essentiële kenmerken van de cases overeen komen met andere koppelingen van BG, is deze kennis binnen BG wel inwisselbaar. Echter voorzichtigheid is geboden met de kennis over de financiële opbrengsten van de cases. Want hoewel er met de steekproef gestreefd is naar representativiteit, is er geen systematische analyse beschikbaar van de totale populatie vraag- en steungezinnen. De uitkomsten zeggen dus vooral veel over de onderzochte gezinnen, al geven ze wel aanleiding tot vermoedens of hypothesen voor de niet onderzochte gezinnen. Om uitspraken over de totale populatie vraaggezinnen te doen is diepgaander en omvangrijker onderzoek nodig.
9
Resultaten 1. Vraaggezinnen: achtergronden, ervaringen & opbrengsten Inleiding In dit hoofdstuk staan de eerste twee deelvragen centraal te weten: 1. Hoe ervaren de vraaggezinnen de door Buurtgezinnen.nl (BG) geboden steun en welke opbrengst heeft die voor hen? en 2. Welke opbrengst heeft deze steun voor de vraaggezinnen volgens de steungezinnen en de bij het vraaggezin betrokken professionals en naasten? Voordat we ingaan op de kwalitatieve opbrengsten, ook in relatie tot de inzet van formele hulp staan we eerst uitgebreid stil bij de achtergronden van de vraaggezinnen en de koppeling, en de ervaringen van vraaggezinnen. Ook beschrijven we enkele hick-ups die kunnen optreden tijdens een traject.
1.1 Achtergronden Aanmelding bij BG Het merendeel van de vraagouders wordt aangemeld door een hulpverlener of meldt zich aan op aanraden van een hulpverlener. Een ouder meldt zich aan, ondanks dat haar hulpverlener ‘second thoughts’ krijgt na haar eerdere advies om contact op te nemen met BG. Bij nader inzien zou een steungezin niet specialistisch genoeg zijn voor wat het vraaggezin nodig heeft. De website van BG overtuigt de vraagouder echter om zich aan te melden hoewel ze er aanvankelijk aarzelend tegenover stond. Het contact met het steungezin blijkt van toegevoegde waarde voor haarzelf en haar dochter. De aanwezige hulpverleners bevestigen dit. Een enkeling meldt zich aan op eigen initiatief. Ze horen over BG via een netwerklid of ontmoeten de coördinator op een andere manier. Een van hen ziet een flyer bij de huisarts liggen. Hoewel deze vraagouder als nieuwkomer de tekst niet goed begrijpt, triggert het woord ‘buurt’ haar. Ze probeert al langer nieuwe mensen te leren kennen in de buurt maar dat blijkt lastig. Het maakt haar wanhopig. De folder legt ze voor aan haar POH GGZ-er5 waar ze sinds enkele maanden wekelijks contact mee heeft. Die legt haar uit waar het over gaat. Het is een openbaring voor deze vraagmoeder, haar verwijzing volgt snel. Een ander vraaggezin wordt aangemeld door iemand die in de krant over BG leest.
De man, die het eenoudergezin kent uit “kerkelijke contacten”, heeft kort daar voor besloten om samen met zijn gezin het vraaggezin steun te bieden. Het lijkt hem meerwaarde te hebben als BG betrokken wordt, zowel voor continuïteit mocht zijn gezin stoppen of als er meer steun nodig is in de toekomst. Ook het feit dat de coördinator ondersteuning kan bieden, spreekt hem aan. Aard problematiek De aanleiding voor de inzet van BG varieert, al hebben de meeste vraaggezinnen last van meerdere problemen. Zo hebben sommige gezinnen financiële problemen, verkeren ze in een isolement en speelt er bijvoorbeeld gedragsproblematiek bij kinderen. Ook is een aantal vraagouders ten tijde van de aanmelding bij BG de grip op het leven (wat) kwijt. In twee gezinnen heeft recent huiselijk geweld gespeeld, en bij meer dan de helft van de ouders speelt overbelasting. Een van de vraagouders heeft niet zozeer last van multi-problematiek maar wel van een chronische lichamelijke beperking. Daardoor kan ze de dagelijkse zorg voor haar baby onvoldoende 5
Praktijkondersteuner Huisarts – Geestelijke Gezondheidszorg
10
zelfstandig aan. De baby gaat overdag frequent naar de kinderopvang. Juist de avonden zijn lastig omdat haar man dan meestal werkt. Gespecialiseerde thuisbegeleiding ondersteunt moeder wekelijks enkele avonden maar mag geen uren uitbreiden. Qua extra netwerksteun zit er geen rek meer in vertelt de moeder. Haar naasten doen wat ze kunnen. Nu haar aandoening chronisch blijkt, zijn ze minder beschikbaar. Het geeft het gezin veel stress, en de baan van de vader en de hechting tussen moeder en kind staan onder druk. De thuisbegeleider besluit daarom BG te benaderen. Naasten Hoewel er nog enkele vraaggezinnen zijn met naasten die regelmatig voor hen klaarstaan zijn dit uitzonderingen. Een groot deel van de gezinnen heeft een beperkt betrokken netwerk, bijvoorbeeld omdat ze nieuwkomer zijn, hun naasten zelf gehinderd worden door problemen of omdat er onderling onenigheid is. Zo heeft een alleenstaande ouder alleen nog maar telefonisch contact met haar broer. Hoewel ze af en toe graag op adem zou komen, brengt ze haar kinderen niet naar hem toe. Hij heeft zelf ‘een probleemgezin’ vertelt de moeder, en het contact met haar schoonzus is verstoord. In een ander gezin is met “één kant van de familie” geen contact meer. Het ontbreekt deze ouders door een stapeling van problemen, aan energie om hun netwerk zelfstandig uit te breiden.
In weer een gezin valt juist de structurele inzet van grootouders op naast de uitgebreide praktische steun van kerkleden. Die passen op, geven huiswerkbegeleiding en doen praktische klusjes in huis. Maar ook in dit gezin is de grens bereikt voor wat betreft extra inzet van informele steun. Formele hulp Slechts twee vraaggezinnen hebben geen formele hulp. Meer dan de helft van de gezinnen heeft al langere tijd contact met hulpverleners. De meeste gezinnen ontvangen hulp van het wijkteam, ambulante jeugdhulp of GGZ-hulp. In een aantal gezinnen zijn meerdere hulpverleners langdurig actief. Het aantal wisselingen van hulpverleners is echter groot. Bij twee eenoudergezinnen staan alle kinderen (n=3 en n=5) onder toezicht van de jeugdbescherming. Dat brengt een geheel eigen dynamiek met zich mee, zo blijkt. Beide moeders geven aan bang te zijn dat hun kinderen alsnog uit huis zullen worden geplaatst. Een van hen, die zeer overbelast is, durft dit niet met de voogd te bespreken uit angst voor de gevolgen. De andere ouder voelt continu druk in contact met hulpverleners die veelvuldig in haar gezin zijn: ‘’Ik snap het niet, ze zeggen de hele tijd ‘Het gaat om de veiligheid’, maar ik word niet begrepen”. De grootste druk ervaart ze van de jeugdbescherming, ook vanwege alle wisselingen. In een ander gezin is sprake van een drangtraject, ook wel preventieve jeugdbescherming genoemd.
Dit is opgedrongen hulpverlening die ouders de keuze geeft om mee te werken aan de hulp.6 Ook verricht de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek in dit gezin. Naast de formele hulp en de support van BG, krijgen drie gezinnen ook hulp van vrijwilligersorganisaties als Handje Helpen en vluchtelingenwerk. Aard gevraagde steun De ondersteuningsvragen van de gezinnen aan BG variëren in aard en omvang. Het gaat om praktische steun, gezelschapssteun en informatieve steun. Sommige gezinnen hebben één concrete vraag, anderen hebben er meerdere. Een analyse van de verschillende ondersteuningsvragen levert het volgende overzicht op:
6 Bij preventieve jeugdbescherming wordt de keuzevrijheid van ouders ingeperkt door consequenties te verbinden aan de aard van de keuze. Zie voor meer informatie bv deze richtlijn: https://richtlijnenjeugdhulp.nl/multiprobleemgezinnen/te-zetten-hulp/hulp-onder-drangen-dwang/
11
Tabel 4: Ondersteuningsvragen bij aanmelding naar aantal vraaggezinnen (N=14)* Opvang kind overdag buiten eigen gezin ter ontlasting ouder(s)
n=6
Opvang kind weekend buiten eigen gezin ter ontlasting ouder(s)
n=3
Praktische steun zoals opvang en verzorging baby in eigen gezin, overblijfopvang, oppas in huis, hulp bij huishoudelijke klussen
n=4
Behoefte uitbreiden netwerk voor ouder en/of kind
n=3
Spelen met andere kinderen
n=2
Extra aandacht voor kind door volwassenen buiten de deur
n=2
Opvoedondersteuning
n=1
Maatje voor vraagouder om naar buiten te durven
n=1 *sommige gezinnen stellen meerdere vragen
Ouders zijn dus vooral op zoek naar een plek voor hun kinderen buiten de deur ter ontlasting van zichzelf, of om te zorgen dat hun kind extra aandacht krijgt vanwege de thuissituatie, of kan spelen met andere kinderen zoals in twee nieuwkomersgezinnen. Een klein aantal vraagouders geeft aan graag meer mensen te willen leren kennen en daarom een steungezin te willen. De hulpvraag van enkele overbelaste ouders hangt samen met het feit dat ze niet in staat zijn om de vereiste eigen bijdrage voor de kinderopvang te betalen. Daardoor kunnen hun kinderen geen gebruik maken van dagopvang, buitenschoolse opvang of tussenschoolse opvang (overblijf op school). Voor een van de ouders was dit de hoofdreden om zich aan te melden bij BG: “Momenteel zit ik in een burn-out. Mijn man is mantelzorger voor mij en voor X (kind). We zijn op zoek voor Y (kind) naar een plekje voor 1 à 2 keer in de week voor na schooltijd. Ook voor X zoeken we een plekje voor 1 à 2 keer voor een weekend per maand. Hij heeft een licht verstandelijke beperking.”7 Een alleenstaande vraagouder verschilt qua situatie sterk met de andere vraagouders. Ze heeft een ‘goede’ baan en een koophuis, en niet zozeer problemen maar zoekt praktische steun in de zorg voor haar jonge tweeling.
Omdat ze bijna fulltime in een wijk met veel problemen werkt, vraagt ze zich af of haar situatie wel zwaar genoeg is om voor een steungezin in aanmerking te komen. De coördinator stelt haar gerust. Van overbelasting lijkt geen sprake, al is het voor de moeder intensief om twee peuters in haar eentje op te voeden: “Het is niet dat ik het niet aankan maar het leek me fijn om op mensen terug te kunnen vallen”. Ze maakt duidelijk dat het balanceren is met haar netwerk. Hoewel ze zorgzame ouders en vrienden heeft, zijn die door ziekte of werk niet altijd beschikbaar, en zeker niet op een vast moment doordeweeks. De moeder wil haar vriendschappen sowieso liever behouden voor gezelligheid en leuke dingen en vindt het vervelend mensen steeds ad hoc te vragen. Vandaar dat ze blij is met het steunkoppel dat op structurele basis bij haar thuis komt. Die zekerheid geeft haar rust en ze kan ongestoord eten koken voor een paar dagen, terwijl haar kinderen worden ‘opgevangen’ door de steunouders. Of met elkaar een dokter bezoeken of boodschappen doen. Op zich is er niks mis met deze hulpvraag, alleen hoe deze gerealiseerd wordt roept wel vragen op. De ouder valt niet echt onder de doelgroep die Buurtgezinnen bedient. Ze lijkt nog te kunnen terugvallen op mensen uit haar eigen omgeving, maar eerder gehinderd te worden door vraagverlegenheid.
En zou ze eventueel geen praktische steun kunnen inkopen? Gaandeweg het contact met een steungezin stellen enkele ouders aan BG een vervolgvraag. Dat kan uitbreiding van een bestaande vraag zijn, een nieuwe vraag, of het verzoek tot steun voor een ander kind in het gezin. 7
Letterlijk citaat uit aanmeldrapportage coördinator BG, waarbij de namen van de beide kinderen zijn verwijderd
12
Overige kenmerken vraagouders Enkele vraagouders blijken vrij mondig te zijn en goed in staat om hulp voor zichzelf te organiseren, ook formele hulp, al vertelt een van hen zich wel erg te schamen voor het vragen van alle hulp. Ze voelt zich gedwongen door de lastige situatie waarin zij zich bevindt. Een andere ouder heeft een grote groep hulpverleners om zichzelf en haar gezin heen ‘verzameld’ voordat ze met BG in contact komt. Maar het lukt haar als nieuwkomer niet om vriendschappen te sluiten, al heeft ze een aardige buurvrouw. Pas nadat ze gekoppeld wordt aan een steungezin, ontstaan via taalles en andere spontane ontmoetingen, contacten en vriendschappen. Mogelijk geeft het contact met BG en vooral het steungezin haar vertrouwen een impuls waardoor het in verbinding komen met onbekenden vaart krijgt en haar netwerk begint te groeien. Bij een andere vraagmoeder is dat zeker het geval. Zij voelt zich aangemoedigd door het contact met haar steunmaatje om zelf weer vriendinnen te maken. Ze heeft er inmiddels twee nieuwe bij. Ook bij andere gezinnen blijkt BG bij te dragen aan het doorbreken van sociaal isolement.
1.2 Ervaringen Verloop kennismaking Zien veel ouders er aanvankelijk nog wat tegenop hun kind in contact te brengen met onbekenden, na contact met de coördinator groeit het vertrouwen. Alle vraagouders vertellen de kennismaking prettig te hebben gevonden. Het was ontspannen, ze voelden zich gehoord en waarderen het dat de coördinator goed luisterde en grondig naging wat bij hen en hun kinderen zou passen. Een vraagmoeder vond het geruststellend te merken dat de coördinator dingen zei die ze herkende van de website: “Persoonlijke benadering, geen nummertje. Ik ben altijd een beetje huiverig. Waar vertrouw ik haar aan toe”. Een andere vraagmoeder die het ook spannend vond, waardeerde dat er werd doorgepakt en de coördinator snel aan de slag ging: “Ik moest met m’n neus op de feiten gedrukt worden”. Het idee dat ze meer tot zichzelf kon komen, en ook afspraken kon maken met hulpverleners en artsen als de kinderen weg zouden zijn, gaf haar rust. De vragenlijst die vraagouders net als de steungezinnen moeten invullen, wordt gewaardeerd. Het maakt hen duidelijk dat er niet over een nacht ijs gegaan wordt. Soms hebben ouders heel specifieke vragen of wensen, vanuit hun geloofsovertuiging of omdat de hulp op een bepaald moment nodig is. De reactie van een coördinator luistert vervolgens nauw maakt een vraagmoeder duidelijk.
Hoewel de coördinator aangaf dat haar specifieke verzoek moeilijk zou worden, was ze blij te merken dat die het desondanks serieus nam en moeite wilde doen. “Anders had ik de stekker eruit getrokken”, vertelt ze. Ook een steunmoeder viel dit op. Ze had het uitzonderlijk gevonden hoe goed de coördinator keek wat paste. Zelf had ze een andere ervaring toen ze hulp nodig had: “Bij de thuiszorg was dat niet. Er werd gewoon iemand gestuurd”. Overigens worden niet alle steunvragen (direct) gehonoreerd. Zo vindt een coördinator de vraag voor weekendopvang voor twee kleuters op voorhand niet haalbaar. Een dag(-deel) per week is wel mogelijk. Hoewel de vraagouders dan al een jaar contact hebben met een jeugdzorgpaanbieder die een passend weekendpleeggezin zoekt, maar daarin nog niet is geslaagd en de vader daarnaast zelf al meerdere zoekpogingen voor hulp heeft ondernomen, ontmoedigde de reactie van de coördinator hem niet: “Onze prioriteit was niet zozeer dat ze een weekend weg zouden zijn, maar dat er structuur zou zijn”. In het uiteindelijk gevonden steungezin, dat een middag per week beschikbaar is, hebben ouders meer vertrouwen dan in de pleegouders die de jeugdhulpaanbieder had voorgesteld. Er is een klik, en de kinderen hoeven er niet ‘op te zitten’.
In een andere gemeente heeft een in een sociaal isolement verkerende moeder behoefte aan een maatje omdat ze niet alleen naar buiten durft. Ze is bang om onwel te worden en te vallen. De coördinator vindt deze vraag echter niet passend bij BG en verwijst haar naar een maatjesproject in de gemeente. Ook informeert ze de ambulant begeleider van de moeder die het verder oppakt. Wel gaat ze op zoek naar een steungezin voor haar zoon. Ergens anders adviseert een coördinator een vraagmoeder juist om te beginnen met een maatje voor
13
een chronisch overbelaste moeder al was dat niet haar vraag. Ze verwacht dat het nog wel even duurt voordat een passend steungezin voor een van haar kinderen is gevonden. Het steunmaatje ‘heeft’ ze in haar database. Die had eerder gereageerd op een profiel van een kind, maar dat leidde niet tot een koppeling omdat de situatie van het vraagkind veranderde. De koppeling tussen het maatje en de vraagmoeder wordt een succes. Matchproces Tijdens nagenoeg alle sessies en interviews geven vraag- en steunouders aan tevreden te zijn over het matchen van de coördinator. Een vraagmoeder, met inmiddels drie steungezinnen voor haar vier kinderen, is onder de indruk wat de coördinator tot stand heeft gebracht: ‘’Dat ze de gezinnen zo passend bij elkaar heeft gebracht. Bij alle gezinnen was het eigenlijk gelijk goed”. Het merendeel van de ouders deelt deze ervaring. Coördinatoren laten een mengvorm zien van systematisch werken, uitgebreide kennismakingsgesprekken met bijbehorende vragenlijsten en gevoel of intuïtie ‘deze gezinnen passen bij elkaar of kunnen wat voor elkaar betekenen’. Regelmatig vertelt een coördinator dat ze tijdens het tweede gesprek met het vraaggezin aan een bepaald steungezin moest denken. Dat leidt vaak tot een match die aan beide kanten klopt. Er is een klik, al is het natuurlijk ook wennen en moet het contact groeien.
Dat wil overigens niet zeggen dat het altijd lukt. Matching luistert nauw, maar je hebt niet alles in de hand. Zo zegt een vraagmoeder over de kennismaking met een tweede steungezin, naast een ander gezin dat goed loopt: “Je zat de ballen in de lucht te houden om geen stiltes te laten vallen.’’ Hoewel in dit geval toch wordt overgegaan tot koppeling, ook omdat een uithuisplaatsing dreigt, blijkt al snel dat het niet klikt tussen de kinderen. Het samen spelen van de kinderen is het enige wat dit steungezin biedt. Als de steunmoeder dan ook nog een burn-out krijgt, betekent dat het einde van het traject. Een van de aanwezige hulpverleners bij een andere sessie zegt het begrijpelijk te vinden dat het soms niet klikt. Als ze mensen attendeert op BG, verzekert ze hen altijd dat, als het niet bevalt, er gewoon op zoek gegaan kan worden naar een ander steungezin. Want het moet natuurlijk wel klikken tussen de ouders en de kinderen van beide gezinnen, zegt een vraagmoeder. Toch gaat het om meer dan overeenkomsten tussen beiden vertelt een coördinator. Die zijn belangrijk, zegt ze, maar soms is iets op papier niet direct logisch en werkt het toch. Een groot leeftijdsverschil tussen kinderen hoeft geen probleem te zijn, net als ongeveer dezelfde leeftijd geen garantie is dat kinderen het leuk met elkaar hebben.
Een coördinator moet goed tussen de regels door kunnen lezen zegt een voogd: “Onder tafel gebeurt veel. Ook de dingen die niet gezegd worden spelen mee”. Ze maakt duidelijk dat ze als voogd in het matchingsproces betrokken wil worden: “Het vraagt een hoop zorgvuldigheid. We moeten ook alert zijn of het goede kinderen zijn en hoe de match in elkaar zit. Het gaat om een kwetsbaar gezin, kwetsbare kinderen, dus je moet wel je ogen en oren open hebben staan (..). Want klopt dit gezin ook echt?”. De reactie van de voogd roept de vraag op of ze de beoordeling wel aan de coördinator durft toe te vertrouwen. Wellicht is ze onvoldoende op de hoogte van de werkwijze van BG waaruit blijkt dat een coördinator niet over een nacht ijs gaat, en zorgt dat er van alle steungezinsleden boven de achttien jaar een VOG wordt opgevraagd. Maar wellicht is het ook ingegeven door het feit dat de voogd meent verantwoordelijk te zijn als er iets mis zou gaan met een kind in een steungezin. Het tussen de regels doorlezen lijkt nagenoeg iedere coördinator goed af te gaan, gezien de grote tevredenheid over de matching en de begeleiding. Wel roept dit in een casus vragen op. Het opbouwen van een goede samenwerkingsrelatie tussen een steungezin en een vraaggezin lijkt vanaf het begin onder druk te staan omdat de steunvader geen klik heeft met de alleenstaande vraagmoeder, wel met haar zoon.
Het steunouderschap doet hij enkel voor het kind, vanuit de drive iets terug te willen doen, omdat anderen klaarstaan voor een van zijn zoons. Hij weet kennelijk niet dat BG niet het kind centraal stelt, maar het kind-in-gezin.8 Het contact tussen de ouders blijft functioneel en de ongelijkwaardigheid, die tussen ieder vraaggezin en steungezin (aanvankelijk) 8
Positionering van Buurtgezinnen.nl, januari 2016 in: Handboek Buurtgezinnen.nl, versie december 2018
14
enigszins bestaat, lijkt gaandeweg het traject niet af maar toe te nemen.9 De steunvader bespreekt dingen die hem opvallen aan het gedrag van de vraagzoon niet met zijn moeder, hoewel dit wel gebruikelijk is binnen de methodiek van BG. Hij vindt dat niet zijn taak. Wel deelt hij die regelmatig met de coördinator en een betrokken hulpverlener. Soms individueel, soms in een gezamenlijke groepsapp, vanuit de overtuiging een meldplicht te hebben. De hulpverlener is hier blij mee. Het helpt haar beter zicht te krijgen op de gezinssituatie. De coördinator, die zeer betrokken is, en zelf ook veel contact onderhoudt met de hulpverlener en de steunvader, lijkt zich onvoldoende te realiseren dat de vraagmoeder hierdoor in een ongewenste positie komt. De koppeling stagneert uiteindelijk. Toegankelijkheid en snelheid coördinator Vraag- en steunouders zijn blij met de coördinator.10 Sterker nog voor hen is de coördinator Buurtgezinnen. Het is de sparring partner waarbij ze terecht kunnen als het nodig is, degene die zorgt voor evaluatiemomenten, uitjes, ontmoetingsfeesten en die hen tussendoor ook wel eens belangstellend belt of appt. Niet voor niets zegt een hulpverlener: “Hoe de coördinator is, en wie dat is, dat is de sleutel”. Het is ook degene die ruimte geeft, vertellen meerdere vraag- en steunouders.
Zo vindt een steunouder het fijn dat het vanaf de kennismaking aan de gezinnen zelf is, dat het hen wordt toevertrouwd: “In het begin regelmatig contact en daarna aan de gezinnen zelf over laten: een mooie manier van werken en zo hoort het denk ik ook. Jezelf als organisatie overbodig maken”. Ook de vraagouders die samenwerken met deze steunouders, maar apart geïnterviewd worden, noemen dit. “Ze komt niet in een pak” zegt een andere vraagouder doelend op de toegankelijkheid van een coördinator. Wat overigens niet wil zeggen dat vraag- en steunouders altijd contact opnemen als er wat speelt. Zo informeerde dezelfde ouder de coördinator niet toen de proefperiode met een steungezin stroef verliep en hulpverleners tegelijkertijd overwogen om zijn dochter uit huis te plaatsen. Dit lag niet zozeer aan hun verstandhouding maar aan de behoefte van deze vader om het nog even aan te zien: “Je houdt het even onder de pet, misschien gaat het nog beter, maar daardoor duurt het ook langer”. Aan de andere kant had de coördinator misschien zelf ook meer vinger aan de pols kunnen houden tijdens de proefperiode. Of moeten bepaalde ouders, die minder snel geneigd zijn hulp te vragen, wellicht nadrukkelijker horen in welke situaties ze tenminste aan de bel moeten trekken. Mensen zijn ook blij met de snelheid van de coördinator.
Zelfs vraaggezinnen waar het na aanmelding, bij gebrek aan een passend steungezin, enkele maanden duurt voordat er gekoppeld wordt, of steunouders die een paar weken of maanden moeten wachten voordat ze aan de slag kunnen, vinden dit niet vervelend. Ze ervaren de vertraging juist als zorgvuldig. Een vraagouder toont zich daarom wat bezorgd bij het idee dat BG zou groeien. Kan de organisatie dan haar kwaliteit en eigenheid wel behouden vraag hij zich af: ‘’Blijft het wel zo toegankelijk, ook als de organisatie groter wordt? De laagdrempeligheid en de snelheid? Of wordt het toch X-achtig?”, daarmee verwijzend naar een jeugdzorgaanbieder waarmee hij slechte ervaringen heeft. De ouder maakt duidelijk hoe belangrijk hij het vindt dat BG zichzelf blijft en niet ongemerkt opschuift richting de systeemwereld. Verschillende invulling Hoewel de coördinatoren qua attitude en aanpak veel onderling delen, vullen ze hun rol wat verschillend in. Dit sluit niet altijd aan bij de methodiek van BG. Zo zijn er tenminste vier coördinatoren die meegaan naar kennismakingsgesprekken, al dan niet met een specifieke reden, anderen doen dat bewust niet. De meeste coördinatoren nemen tijdens de proefperiode regelmatig met de beide gezinnen contact op, een aantal doet dat minder. 9 Een en ander wordt duidelijk tijdens de EC-sessie waaraan de vraagmoeder niet deelneemt.
Zij meldt zich kort voorafgaand aan de sessie af. Hoewel de coördinator vermoedt dat ze open staat voor een interview achteraf, blijkt dit helaas niet zo te zijn. 10 Van de vraagmoeder die zich heeft afgemeld voor de sessie is dit niet bekend.
15
Ook de fasering van de evaluatiemomenten c.q. voortgangsgesprekken, zoals door BG wenselijk wordt geacht (Handboek december 2018), wordt niet altijd gevolgd. Bij één traject vindt er slechts na de proefperiode eenmalig een evaluatiemoment plaats. Hoewel dit niet de voorkeur heeft van de coördinator, vinden de vraag- en steunouder gezamenlijke voortgangsgesprekken niet nodig, omdat het goed gaat. Ze houdt daarom individueel contact met hen. De koppeling stagneert uiteindelijk door overspannenheid van de steunouder. Of gezamenlijke gesprekken dit hadden kunnen voorkomen, lijkt onwaarschijnlijk. De steunmoeder wilde koste wat het kost doorgaan met haar rol, ondanks eerder geuite zorgen van de vraagmoeder en de coördinator. Aan de andere kant had een gezamenlijke ontmoeting de coördinator misschien wel meer inzicht gegeven in hoe het er echt voor stond. Wat verder opvalt is dat sommige coördinatoren hun coaching eerder afronden dan de twee jaar die er voor staat. Dit doen ze in overleg met beide gezinnen, als blijkt dat het contact tussen de gezinnen goed verloopt en ze de afspraken over de steun onderling kunnen regelen. De gezinnen kunnen wel een beroep blijven doen op de coördinator mocht er iets aan de hand zijn, en dat vinden gezinnen een prettige gedachte.
Toch is het de vraag of het samen goed kunnen regelen bepalend moet zijn voor het niet meer houden van voortgangsgesprekken. Er kan van alles veranderen in de levens van gezinnen en in het contact. En wellicht dat sommige ouders ook zullen aarzelen om contact op te nemen met de coördinator, beschroomd omdat het hen zelf niet meer lukt of om de relatie met het andere gezin niet onder druk te zetten. Uit een casus wordt duidelijk dat dit zo werkt. Tussen een vraag- en steunmoeder is maanden geen contact meer door de drukke nieuwe baan van de steunmoeder. De band tussen de moeders die vriendschappelijk is geworden blijft goed. Maar het ontbreken van de steun en het contact zorgt voor stress bij de vraagmoeder. Vanwege de vriendschap kaart ze dit niet aan bij de steunmoeder of de BG-coördinator, wel met haar maatschappelijk werkster. Die denkt met haar mee, adviseert haar contact op te nemen met de coördinator, maar dat doet de moeder niet. De situatie duurt voort en de stress bij de vraagmoeder neemt verder toe. Ze voelt izch alleen, noemt het een donkere periode. Het eigene van BG Misschien is nog wel het meest opvallend dat ouders zich tijdens bijna alle EC-sessies spontaan laten ontvallen dat BG geen instantie is. “Het zijn mensen uit de omgeving, het is geen instantie. Het is spontaner.
Het komt niet over dat iedereen aan het werk is, maar dat is natuurlijk wel zo” zegt een vraagvader. BG voelt voor vraagouders en kinderen vertrouwder aan dan professionele hulp. Het contact met de coördinator geeft minder druk dan met hulpverleners vertellen verschillende vraagouders. Een vraagvader: ‘Het natuurlijke ervan, en het feit dat er geen ingewikkelde vragen worden gesteld. De kinderen hebben daardoor wel vertrouwen in Buurtgezinnen, maar veel minder in de hulpverlening’’. De hulpverlener die vanuit het wijkteam betrokken is bij diens zoon en ook aan de EC sessie deelneemt, herkent wat de vader zegt. Hoe hard hij ook zijn best doet om aan vertrouwen te werken, het feit dat hij in ieder gesprek bij de jongen peilt hoe het met hem gaat doet dat geen goed. Zijn zoon is bang wat er gebeurt als hij zegt hoe het echt gaat, denkt zijn vader. De jongen is al eens onverwachts uithuisgeplaatst en dat heeft hem argwanend naar hulpverleners gemaakt. Ook een andere vraagouder noemt het bevragen door professionals. Het maakt haar op haar hoede. Als er iets speelt, neemt ze veel gemakkelijker contact op met de coördinator van BG dan met haar pleegzorgwerker: “Je wordt echt heel erg bevraagd. Het wordt allemaal opgeschreven. Je moet dus erg opletten wat je doet. Je bent altijd bang dat je je moet verantwoorden. Het is een officiële instantie, dus je zit al in de molen”.
Hoewel ze voor twee van haar kinderen vrijwillige weekendopvang heeft kunnen regelen met een pleegzorgaanbieder, is de vraagmoeder bang dat dit uiteindelijk toch consequenties voor haar zal hebben, omdat ‘ze in het systeem zit’. Ze maakt zich zorgen dat haar kinderen uithuisgeplaatst zullen worden, al lijkt daar weinig reden toe. De aanwezige regievoerder uit het wijkteam benoemt juist hoe goed ze het met het gezin vindt gaan. Ze vindt dat dit mede komt door de bijdrage van het steungezin.
16
Niet alleen vraagouders maar ook hulpverleners vinden het alledaagse van BG meerwaarde hebben. Een wijkteammedewerker die formele hulp voor kinderen in een gezin met veel hectiek te vroeg vond, en meer tijd nodig had om in de complexe situatie te verkennen welke hulpverlening nodig was, schakelde bewust BG in vanwege het natuurlijke karakter van de steun. Ze zegt: “Buurtgezinnen zit het dichtste bij de leefwereld van de kinderen. Het is gewoon. Een extra gezin waar je ook een voorbeeld kunt zien”. De inzet van de steungezinnen gaf haar ruimte om uit te zoeken wat de kinderen precies nodig hadden. Ze is blij met wat BG tot nu toe tot stand heeft gebracht: ‘Dat een gezin op een zo normaal mogelijk manier wat van de last kan worden ontnomen, wat ruimte creëert om het eigen gezin weer wat op de rit te krijgen.” Vraag- en steunouders noemen ook meerdere keren de waarde van de duidelijkheid van de methodiek van BG. De heldere werkwijze, de vaste tijden die worden afgesproken het weten waar je aan toe bent, geeft rust en vertrouwen. De vaste dagen met het steungezin levert meer ontspanning dan ‘jo-jo-gedrag’, aldus een vraagmoeder die een minder goede ervaring had met een andere organisatie die ook vrijwilligers levert. Ook een andere vraagmoeder noemt dat de continuïteit beter werkt.
Haar hulpverlener had nog andere ideeën, zoals een student die wel eens kon komen voetballen, maar “een vaste dag in de week is makkelijker”. De vraagouder kan dan zelf dingen plannen. Ook steunouders vinden het prettig te weten waar ze aan toe zijn.
1.3 Opbrengsten kwalitatief Opbrengst vraagkinderen De tevredenheid van de vraagouders komt ook doordat ze merken dat de steun hun kinderen veel oplevert.11 Tijdens elke EC-sessie en ieder interview geven vraagouders spontaan voorbeelden, of doen dit nadat de onderzoeker hen hierop bevraagt. Ook steunouders, betrokken naasten en hulpverleners noemen opbrengsten door de inzet van de steungezinnen. Vaak dezelfde als de vraagouders, soms vullen ze iets aan. De meeste kinderen blijken, nadat ze gewend zijn, met volle teugen te genieten van het contact met het steungezin. Ze gaan er graag naartoe, of zijn blij als een steunouder bij hen thuis komt. Dat laatste is in twee cases het geval. Ze hebben plezier, kunnen dat wat er (thuis) speelt even loslaten, komen tot rust, en zijn blij met de aandacht van de steunouders en de steunkinderen als die in het gezin wonen. Zo vindt een meisje, dat wat ondersneeuwt in haar eigen grote gezin, het heel fijn om naar het steungezin te gaan. Daar kan ze naar hartenlust spelen met de steundochter, die ze met niemand hoeft te delen. Haar grootouders zijn er blij mee: “X. (kleindochter) heeft regelmatig laten merken dat ze de behoefte heeft om gezien en gehoord te worden en deze behoefte wordt bij de speelmiddagen veel beter ingevuld dan thuis – waar ze vier forse concurrenten voor de aandacht van mama heeft”.
Bij het merendeel van de vraagkinderen draagt het contact met het steungezin, of een steunouder, bij aan de groei van hun sociaal emotionele ontwikkeling en hun mentaal welbevinden zo blijkt uit reacties van deelnemers. Het vergroot hun wereld en hun veerkracht, en bij sommigen neemt ook hun pro-sociaal gedrag en zelfredzaamheid toe. Zo zijn er kinderen die beter met structuur om kunnen gaan, hun gevoelens gaan delen of waarbij de interactie met andere kinderen verbeterd. Een aantal timide kinderen wordt vrijer, krijgt meer zelfvertrouwen. Zo durft een jongen die erg verlegen was, ook naar andere kinderen, meer te vragen aan de steunmoeder. Hij had aanvankelijk sterke behoefte aan voorspelbaarheid. Zijn beker moest op dezelfde plek staan en hij nam liever een vaste route naar het huis van de steunouders. Maar mede omdat de steunmoeder hem alternatieven aanreikt, kan hij zijn onzekerheid beter hanteren en speelt hij inmiddels met kinderen uit de buurt van het steungezin.
Het is aannemelijk dat de vraagouder, die uiteindelijk niet met het onderzoek heeft meegedaan, minder positief is over Buurtgezinnen en de opbrengst van het contact met het steungezin.
11
17
Een tiener met depressieve gevoelens is weer zichzelf geworden, vertelt haar vader. Hij is ervan overtuigd dat als het steungezin er niet was geweest, haar sombere gevoelens de overhand zouden hebben gekregen en ze misschien zelfs een eind aan haar leven zou hebben gemaakt. Ze wilde dood, dat wist hij. Alle deelnemers aan de EC-sessie, ook de steunmoeder, kijken daarvan op. Het meisje had het goed weten te verbergen. Door de aandacht van de steunouders en het hernieuwde contact met haar eigen moeder is ze opgebloeid. Ze geniet van het creatief bezig zijn met haar steunmoeder, de uitjes, de gesprekken, de gezelligheid. Er is nog een meisje dat zich mentaal ontwikkelt. Het is een kleuter uit een gezin met veel hectiek. Ze kampt met FAED, een eetstoornis waarbij kinderen vanwege ernstige emotionele problemen voedsel weigeren met een groeiachterstand en gewichtsverlies tot gevolg. Volgens haar moeder doet ze het om grip houden. De kinderarts vermoedt dat het meisje al enkele jaren kampt met de stoornis. Sinds het meisje samen met haar broertje wekelijks naar een steungezin gaat, verandert haar eetgedrag. Ze leert er nieuwe dingen eten, zit aan tafel waar het gezellig is. Dat gebeurt thuis niet. Ook worden de kinderen bij het koken betrokken. Dat alles bij elkaar geeft haar dochter volgens de vraagmoeder het startsein om meer te gaan eten.
In een maand tijd komt ze drie kilo aan, terwijl ze eerder maandelijks in het ziekenhuis een voedingsinfuus kreeg. Ook thuis begint ze wat meer te eten. Ze is volgens haar moeder gezeglijker geworden en hun band wordt hechter. Bij enkele kinderen neemt ook de spraaktaalontwikkeling toe. Zo treft een tweeling op het speciaal basisonderwijs steunouders die beiden gepensioneerd leerkracht zijn binnen dat onderwijs en een (inmiddels volwassen) zoon hebben die kampte met een spraaktaalprobleem. Ze weten aan te sluiten bij de beide jongens. De steunmoeder besluit op eigen initiatief spelenderwijs met de kinderen te oefenen met lezen en spreken. Ze vinden het leuk en het werpt vruchten af. Ook in twee andere steungezinnen wordt geoefend en voorgelezen. Daardoor leren de kinderen veel beter Nederlands te spreken en kan in een ander geval logopedie stoppen. Van een van deze kinderen verbeteren bovendien de schoolresultaten. Hij zit dan al jaren op hetzelfde niveau binnen het speciaal onderwijs. De school had aangegeven niet meer te kunnen bieden dan wat ze deden. Hij sprak niet zoveel, maar wordt door het contact met het steungezin opener. Ook z’n zelfvertrouwen krijgt een boost. Dat hij bijna doof is en een gehoorapparaat heeft, weet zijn leerkracht niet. Hij doet het uit schaamte niet in als hij naar school gaat.
Door een gesprek met de steunmoeder, die contactpersoon is namens het gezin naar de school, komt de juf er pas achter. Sommige kinderen ontwikkelen zich ook lichamelijk beter sinds ze contact hebben met een steungezin. Een jongetje dat wat bangig was en een houterige motoriek had, waarvoor hij fysiotherapie kreeg, kan daarmee stoppen. Met de steunouders doet hij allerlei sportieve dingen. Dat lukte eerder niet vanwege gezondheidsproblemen van zijn alleenstaande moeder. Opbrengst vraagouders en voor het gezin Buurtgezinnen levert niet alleen de vraagkinderen het nodige op, ook hun ouders profiteren er van mee. Als er iets verbetert bij vraagouders door het contact met het steungezin dan is het wel hun mentaal welbevinden. Een ruime meerderheid van de ouders noemt dit in eigen bewoordingen als hen gevraagd wordt naar opbrengsten. De praktische steun door de opvang van hun kinderen of voor henzelf, soms ook gecombineerd met emotionele steun door een steunouder, geeft ontspanning, nieuwe energie en innerlijke rust. “Meer tijd voor mezelf en kunnen opladen. Ik kom tot rust” zegt een vraagmoeder. Het helpt sommige ouders om naar hun kinderen geduldiger te zijn. Ze kunnen meer van hun kinderen hebben omdat ze hebben kunnen bijtanken.
Mede door de betrokkenheid van meerdere steungezinnen is een andere vraagmoeder niet meer overbelast, en komt het gezin weer wat toe aan leuke dingen samendoen. De continue druk is afgenomen vertelt een van de hulpverleners die inmiddels zelf minder tijd hoeft te investeren. Volgens haar heeft BG voorkomen dat moeder het huis uit moet omdat ze het niet meer aankan: “Buurtgezinnen geeft haar de kans om wel moeder te zijn”. Ook de vraagmoeder denkt dat als de steungezinnen er niet geweest waren, dit gebeurd zou zijn. Ze is al
18
eens maanden in een herstellingsoord opgenomen omdat het gezinsleven haar teveel was geworden. Ook in andere gezinnen draagt BG bij aan (gestage) verbetering van het gezinsklimaat en de relatie en interactie tussen ouders en kinderen. Zo kan een vraagouder, door haar toegenomen ‘mentale ruimte’, zoals ze zelf zegt, (omdat haar dochter naar een steungezin gaat en zij even niets hoeft), nu ook beter zien wie haar dochter met autisme werkelijk is. Ze heeft meer begrip voor haar, er zijn minder conflicten. Wellicht heeft de therapie van de moeder hier ook aan bijgedragen. De hulpverlener van haar dochter, die ook aan de sessie deelneemt en al een aantal jaar een klankbord voor haar is en haar psycho-educatie biedt, bevestigt de bijdrage van BG. Een andere ouder is ervan overtuigd dat door de inzet van het steungezin het aantal meldingen van haar buren naar de Raad voor de Kinderbescherming gedaald zijn. Haar kinderen zitten beter in hun vel, en zij ook, vertelt ze, en er is minder onrust thuis, al blijft het fragiel. Haar enthousiasme over BG is zo groot dat zij ooit zelf steungezin hoopt te kunnen zijn. Het helpt ouders ook te weten dat ze hun kinderen kunnen toevertrouwen aan anderen omdat ze weten hoe goed ze het hebben bij het steungezin, en hoe dit hun ontwikkeling stimuleert. Een vraagvader: “Als één stuk beter loopt, heb ik energie om andere dingen te kunnen doen”.
Ook een andere vader heeft een soortgelijke ervaring: “Mijn dochter is weer zichzelf en ik heb wat meer innerlijke rust gevonden, omdat ik weet dat het goed met haar gaat.” Hij voelt dat, nu het steungezin er is, hij er niet meer alleen voorstaat. Ook hij is er welkom. Er is een vriendschap gegroeid. Hij is ervan overtuigd dat hij door alle problemen psychisch ingestort zou zijn als BG er niet was geweest, en dat hij langdurig hulp van een psychiater nodig zou hebben gehad. Om te herstellen. Wederkerigheid De vraaggezinnen ontvangen niet alleen van de steungezinnen, in de helft van het aantal gezinnen is er ook wederkerigheid in het contact. Soms gaat dit bewust, soms heel terloops. Vaker lijkt dit te gebeuren als de onderlinge relatie hechter en gelijkwaardiger is geworden. Zo werd de dochter van een ernstige zieke steunmoeder spontaan uitgenodigd bij het vraaggezin, ondanks zware overbelasting van de alleenstaande vraagmoeder. De steunmoeder is haar daar nog steeds dankbaar voor: “Voor mij waren het hele dierbare momenten dat X (dochter) ook eens daar mocht spelen. Dat bood X (vraagmoeder) zelf aan. Dat vond ik zo warm. Dat doet ze dan ook maar!”. De vraagmoeder op haar beurt haalt kracht uit het contact met een steunmaatje te midden van haar hectische gezinsleven. Het maatje helpt haar om bij haar gevoel te komen.
Zelf is ze geneigd om vooral functioneel te leven, en ook hulpverleners zijn minder met je gevoel bezig, zegt ze. Dat het maatje zelf ook problemen kent, geeft herkenning en stimuleert de uitwisseling in hun contact: “Het meevoelen is voor mij fijn, dat is op een heel ander level dan mensen die geen idee hebben. (..) Het is een andere manier van contact. De gezinscoach is zakelijker, werkt aan een doel en is daardoor afstandelijker. Wij hebben van hart tot hart contact”. En het levert het steunmaatje ook wat op: “Dat zei ik laatst nog, ik kom voor haar, maar voor mij is het ook fijn. Allereerst om wat het voor X (vraagmoeder) betekent, maar ook omdat ik zelf twee kinderen heb met problemen.“ Het delen van een soortgelijk probleem kan er zelfs voor zorgen dat in een gezin veel ten goede verandert. Zo is een vraagmoeder niet alleen meer tot rust gekomen omdat haar kinderen naar steungezinnen gaan, maar ook omdat ze eindelijk weet waarom het managen van haar gezin haar zoveel energie kost. Zonder een van de steunmoeders had dit waarschijnlijk nog lang geduurd. Zij herkende bij de vraagmoeder trekken van zichzelf en begon over autisme. Ondanks jarenlange formele hulp in het gezin, waarvan veel niet beklijfde, had geen enkele hulpverlener hier ooit aan gedacht. De steunmoeder had het goed ingeschat. Inmiddels is autisme vastgesteld en krijgt de vraagmoeder specifieke begeleiding.
Met de steunmoeder heeft ze maar een half woord nodig. Niet eerder heeft ze zo met iemand kunnen praten. Dat de steunmoeder het redt en zelfs steunouder geworden is, maakt haar hoopvol. Misschien kan ze dit zelf ooit ook worden zegt ook zij.
19
Integratie Buurtgezinnen kan er ook aan bijdragen dat nieuwkomers beter integreren en zich meer gaan thuis voelen in Nederland. Dit is bij beide nieuwkomersgezinnen het geval. In een van deze gezinnen was de moeder erg somber vanwege het isolement van het gezin. Door de komst van een steungezin veranderde veel ten positieve. Niet alleen voor haar kinderen, maar ook voor haarzelf. Ze heeft vriendinnen gemaakt en voelt zich goed. De andere vraagmoeder, die als nieuwkomer zo graag mensen wilde leren kennen, vond de komst van een steungezin levensreddend: “Dit is wat ik nodig heb! In mijn situatie ’it was life-saving’. Nu kan ik met iemand praten als ik de weg kwijt ben!”. In een ander gezin waarbij de moeder nog niet zo lang in Nederland woont, ontstond door het contact met het steungezin meer kennis van- en vertrouwen in ‘de Nederlandse cultuur’ aldus haar man. Zijn vrouw, die aanvankelijk wat wantrouwig was vanwege de andere gewoontes, ziet inmiddels in dat de verschillen niet zo groot zijn. Hij is blij dat ze door het warme persoonlijke contact met het steungezin heeft geleerd te relativeren en zelfredzamer is geworden. Ze begrijpt beter hoe het in Nederland werkt. Netwerkuitbreiding Door het contact met een steungezin groeit niet alleen het vertrouwen in de toekomst bij sommige vraagouders, ook hun netwerk en dat van hun kinderen breidt zich uit.