RV2024-045-Bijlage-2-ongewijzigd-vaststellen-bestemmingsplan-Vlietskant-15-Gellicum.pdf
Tekst van het document
11 Voldoet niet aan richtafstand voor geur van 100 m; 12 Voldoet niet aan richtafstand voor geur van 100 m en geluid en stof van 30 m;
28
A. Toelichting Bestemmingsplan Vlietskant 15 te Gellicum
1313 en 1414). Zoals uit bovenstaande tabel 4.1 naar voren komt, blijkt dat de milieu-impact van het plan aanzienlijk lager is gelegen dan de huidige milieu-impact afkomstig van de aanwezige varkenshouderij. Door beëindiging van de intensieve varkenshouderij verbetert met name de situatie voor wat betreft het aspect geur, stof en geluid. In de volgende paragrafen zijn de aspecten geur, stof, geluid en gevaar nader onderzocht. Er wordt geconcludeerd dat dit geen belemmering vormt voor dit plan. Om definitief vast te stellen dat geluid niet voor problemen zorgt wordt een geluidsonderzoek uitgevoerd. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die regelt dat pas gebruik gemaakt mag worden van de bestemming als vaststaat dat aan de geluidsnormen wordt voldaan. De voorgenomen ontwikkeling zorgt voor een verbetering van het woon- en leefklimaat rondom het plangebied. Doordat het bestemmingsplan het niet mogelijk maakt om gevoelige objecten buiten het bouwvlak/ bestemmingsvlak te bouwen en het feit dat de maximale planologische mogelijkheden worden/zijn beperkt tot onderschreven initiatief waarborgt dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat blijft gegarandeerd. Andersom mag de ontwikkeling de bedrijfsvoering van omliggende (agrarische) bedrijven niet belemmeren t.o.v. de vigerende situatie. Binnen het plangebied is een agrarische bedrijfswoning aanwezig.
Deze bedrijfswoning blijft behouden en dienst doen als bedrijfswoning. Planologisch wordt met dit plan niet de mogelijkheid gecreëerd om ter plaatse een nieuw gevoelig object op te richten danwel de bestaande woning rechtstreeks te verplaatsen. Dit houdt in dat hetzelfde toetsingsregime voor de woning blijft gelden en dit plan niet leidt tot een belemmering voor de bedrijfsvoering van (agrarische) bedrijven in de omgeving. Conclusie Het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ vormt geen belemmering voor dit plan. Met de ontwikkeling is sprake van een verbetering van het woon- en leefklimaat. Daarnaast worden omliggende bedrijven niet (verder) belemmerd in de bedrijfsvoering. 4.3
GELUID Bij een planologische procedure dient de Wet geluidhinder (verder: Wgh) in acht te worden genomen. De Wgh biedt geluidgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder (verder: Wgh) biedt vooral in het ruimtelijk spoor bescherming tegen wegverkeerslawaai aan geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen). In de Wgh is vastgesteld dat, indien binnen een plangebied nieuwe geluidgevoelige functies zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (rail- en weg) verkeerslawaai, een akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (in het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij het berekenen van de cumulatieve geluidbelasting ook rekening gehouden te worden met wegen met een maximale snelheid van 30 km/h).
13 Voldoet niet aan richtafstand voor geur van 100 m; 14 Voldoet niet aan richtafstand voor geur van 100 m;
29
A. Toelichting Bestemmingsplan Vlietskant 15 te Gellicum
Dit plan leidt niet tot realisatie of verplaatsing van een geluidgevoelig object. Dit betekent dat voor dit plan niet opnieuw getoetst hoeft te worden aan het onderdeel wegverkeerslawaai Industrielawaai Op dit moment wordt binnen het plangebied nog een gemengd bedrijf in de vorm van een varkens- en melkveehouderij geëxploiteerd. Hiervoor zijn in het verleden de benodigde vergunningen afgegeven. Voor het fokken en houden van varkens geldt een richtafstand voor geluid van 50 meter tot geluidgevoelige objecten in de omgeving. Voor het fokken en houden van rundvee geldt een richtafstand van 30 meter. In de bestaande planologische legale situatie is het geluidgevoelige object op de locatie Vlietskant 12 gelegen op minder dan 30 meter van het plangebied. Dit betekent dat nu niet wordt voldaan aan de richtafstanden voor geluid van 50 en 30 meter. In de nieuwe situatie komt de geluidsbelasting van de varkenshouderij te vervallen en hiermee de richtafstand voor geluid van 50 meter. De melkveehouderij wordt voortgezet en uitgebreid. Deze komt niet dichter bij geluidgevoelige objecten te liggen. Omdat het bestaande bouwvlak al op minder dan 30 meter is gelegen tot het geluidgevoelige object aan de Vlietskant 12 wordt in de nieuwe situatie nog steeds niet voldaan aan de richtafstand voor geluid.
Door de gewijzigde bedrijfsvoering en de uitbreiding van de melkveehouderij neemt het aantal transportbewegingen en de rijroutes niet toe. Ditzelfde geldt voor vast opgestelde installaties en toestellen. De significante afname door het geheel verdwijnen van de varkenshouderij ter plaatse aan de Vlietskant 15 staat gelijk aan de eventuele toename van het extra vrachtverkeer dat gerelateerd is aan de uitbreiding van de melkveehouderij ter plaatse. Daarnaast betekent een uitbreiding van de melkrundveehouderij niet direct een verkeerstoename. Doordat met vollere vrachten gewerkt wordt is er geen sprake van extra verkeersbewegingen. Op het bedrijf Vlietskant 15 zijn een aantal geluidsbronnen te benoemen, die in bijlage 3 van deze toelichting schematisch zijn weergegeven. Aan de hand van de schematische weergegeven geluidbronnen in bijlage 3 is er geen reden om aan te nemen dat de geluidsbelasting, maximale geluidsniveaus en indirecte hinder veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige (vast opgestelde) installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten in de toekomstige situatie onaanvaardbaar zijn en toenemen t.o.v. de huidige vigerende situatie met varkens. Om dit definitief vast te stellen wordt een geluidsonderzoek uitgevoerd.
In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die regelt dat pas gebruik gemaakt mag worden van de bestemming als vaststaat dat aan de geluidsnormen15 wordt voldaan. Conclusie Gelet op vorenstaande is het aannemelijk dat ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dit niet verslechterd t.o.v. de vigerende situatie met varkens en melkkoeien. Geluidsonderzoek zal dit definitief vaststellen. De bestemming mag pas gebruikt worden als vaststaat dat aan de geluidsnormen wordt voldaan.
15 Toetsingskader:
Ruimtelijk-spoor*: de publicatie Bedrijven en mileuzonering (bijlage 5) en wat betreft de normering het Geluidbeleid gemeente West-Betuwe 2021; Milieu-spoor: het Activiteitenbesluit. *Binnen het Ruimtelijk-spoor worden alle geluidbronnen betrokken.
30
A. Toelichting Bestemmingsplan Vlietskant 15 te Gellicum
Verkeerslawaai vormt op voorhand geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van het plangebied.
4.4
GEUR De ‘Wet geurhinder en veehouderij’ (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningplichtige bedrijven op grond van de ‘Wet milieubeheer’, waar het gaat om geurhinder veroorzaakt door het houden van dieren (voorgrondbelasting). Daarnaast heeft de wet als input gediend voor de ‘Handleiding geurhinder en veehouderij’ in verband met de zgn. ‘omgekeerde werking’ in het kader van een ‘goed woon- en leefklimaat’ (achtergrondbelasting) dat zijn juridische basis vindt in de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voor niet-vergunningplichtige bedrijven is het Activiteitenbesluit milieubeheer het toetsingskader. De eisen in het Activiteitenbesluit zijn echter weer gebaseerd op de Wgv, daarom spreken we hier verder enkel over de Wgv. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Een geurgevoelig object is in de Wgv als volgt gedefinieerd: “een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf”. Er moet sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De Wgv kent twee methoden voor de beoordeling van de geur van een veehouderij: 1. Veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een geuremissiefactor is opgenomen, moeten voldoen aan de wettelijke geurnorm. 2.
Veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, moeten voldoen aan de vereiste minimale afstand. In dit plan worden in de gewenste situatie enkel dieren gehouden waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, maar waarbij voldaan dient te worden aan de vereiste minimale afstand. Volgens de Wgv bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object, behorende tot danwel niet tot een veehouderij, ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen en 100 meter wanneer het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen. Daarnaast bedraagt de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object ten minste 25 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen en 50 meter binnen de bebouwde kom. De Wgv biedt aan gemeenten de mogelijkheid om middels een gebiedsvisie en geurverordening, binnen bepaalde marges, af te wijken van de in de wet genoemde geurnormen (waaronder de vaste afstanden). Wanneer er geen geurverordening wordt opgesteld, blijven de vaste wettelijke normen en afstanden uit de Wgv van kracht. Om dit plan mogelijk te maken heeft de gemeenteraad van de gemeente West Betuwe op d.d. 27 september 2022 een geurverordening met gebiedsvisie vastgesteld voor het gebied waarbinnen het plangebied is gelegen.
In de geurgebiedsvisie is het plangebied (Vlietskant 15) met daaromheen liggende woningen (geurgevoelige objecten Vlietskant 12, 13, 14 en 15a) aangemerkt als gelegen buiten de bebouwde kom. Met deze geurverordening wordt afgeweken van de waarde (de afstand), genoemd in artikel 4, eerste lid onder a en b van de Wgv. a. In afwijking van de waarde (de afstand), genoemd in artikel 4, eerste lid onder a Wgv voor een geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom (100 meter) is als waarde van toepassing 50 meter.
31
A. Toelichting Bestemmingsplan Vlietskant 15 te Gellicum
b. In afwijking van de waarde (de afstand), genoemd in artikel 4, eerste lid onder b Wgv voor een geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom (50 meter) is als waarde van toepassing 25 meter. Dit houdt in dat de afstand tussen het emissiepunt van een veehouderij en de buitenzijde van een dierenverblijf waar maximaal 200 dieren (melkrundvee, vrouwelijk jongvee, fokstieren of een combinatie daarvan) worden gehouden tot een geurgevoelig object dat is gelegen binnen de bebouwde kom minimaal 50 meter bedraagt en tot een geurgevoelig object dat is gelegen buiten de bebouwde kom 25 meter. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd. De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De gemeenteraad beoordeelt of de milieukwaliteit (de mate van geurhinder) die behoort bij een bepaalde achtergrondbelasting acceptabel is en of deze past binnen de doelstellingen voor een gebied. In de huidige vigerende situatie is sprake van een achtergrondbelasting ter plaatse van de maatgevende woning aan Vlietskant 15a van 8,6 ouE/m3. Dit komt overeen met een ‘matig’ woon- en leefklimaat. Met dit plan wordt de varkenstak beëindigd, wat leidt tot een enorme afname van geuremissie.
Doordat er een uitbreiding plaatsvindt met dieren zonder geuremissie is in de beoogde situatie sprake van een achtergrondbelasting van 0,4 ouE/m3. Dit komt overeen met een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat. Conclusie Dit plan voldoet aan de vaste afstanden zoals opgenomen in de Geurverordening en Gebiedsvisie ‘Verordening geurhinder en veehouderij Vlietskant 15’. Daarnaast heeft dit plan geen negatieve invloed op de achtergrondbelasting geur. Door de beëindiging van de varkenstak heeft dit plan eerder een positieve invloed op de achtergrondbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten in de omgeving. Verder leidt het plan niet tot beperkingen voor de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van (agrarische) bedrijven in de omgeving. Geconcludeerd wordt dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de ontwikkeling.
4.5
LUCHTKWALITEIT De Wet luchtkwaliteit vormt per 15 november 2007 het toetsingskader voor nieuwe plannen en projecten in relatie tot de kwaliteit van de lucht. Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden, dat de luchtkwaliteit voldoet aan de gestelde grenswaarden. Grenswaarden luchtkwaliteit Stikstofdioxide (NO2) o De jaargemiddelde concentratie bedraagt maximaal 40 µg/m³; o De uurgemiddelde concentratie van 200 µg/m³, overschrijding is maximaal 18 maal per kalenderjaar toegestaan (niet relevant voor agrarische bedrijven) o Fijn Stof (PM10) o De jaargemiddelde concentratie bedraagt maximaal 40 µg/m3: o Daggemiddelde concentratie van 50 µg/m³, overschrijding is toegestaan op niet meer dan 35 dagen per jaar Als onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is de AMvB ‘Niet in betekenende mate’ (NIBM) opgenomen. Projecten die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging
32
A. Toelichting Bestemmingsplan Vlietskant 15 te Gellicum
hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Luchtverontreiniging als gevolg van toename van verkeersbewegingen In het besluit zijn enkele projecten opgenomen (woningbouw, kantoorlocaties, etc.). Landbouwbedrijven zijn niet opgenomen in de categorieën die automatisch NIBM zijn. Conform de NIBM-tool van Rijkswaterstaat worden de grenswaarden pas overschreden indien een project meer dan 742 motorvoertuigbewegingen per dag genereert (bij een aandeel van 10% vrachtverkeer). Met dit plan wordt een bestaand agrarisch bedrijf uitgebreid. Het plan heeft geen tot nagenoeg geen toename van verkeerbewegingen tot gevolg. Er kan derhalve gesteld worden dat dit plan, wat betreft motorvoertuigbewegingen, ‘Niet In Betekende Mate’ bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Figuur 4.1: NIBM-tool: Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022, jaar planrealisatie 2023.
Luchtverontreiniging als gevolg van het agrarische bedrijf De Wet milieubeheer (Wm), titel 5.2: luchtkwaliteitseisen vormt het toetsingskader voor stofconcentraties in de lucht bij de omgevingsvergunning. Volgens de wet dient voornamelijk rekening gehouden te worden met de grenswaarden voor fijn stof (PM10 / PM2,5). De concentratie van de overige luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht is van nature zo laag dat voor deze stoffen geen overschrijding van de grenswaarde wordt verwacht. Voor deze stoffen kan worden voldaan aan de gestelde grenswaarden uit de Wm. De stofemissies van dit plan betreffen emissies van fijn stof uit de bedrijfsgebouwen, bestaande uit huid-, mest- en voerdeeltjes die met de ventilatielucht naar buiten komen. De emissie van fijn stof door transportbewegingen over het terrein van het plangebied is, gezien de lage snelheid van het transport (<10 km/uur) en aantal transportbewegingen verwaarloosbaar ten opzichte van de emissies uit de ventilatielucht (= continu). Voor het overige treedt er geen emissie op naar de lucht in de vorm van broeikasgassen, vluchtige organische stoffen, carcinogene stoffen, zware metalen e.d. Doordat in de beoogde situatie de varkenstak komt te vervallen neemt de stofemissie af (met 15.854,0 g/jaar) t.o.v. de vigerende situatie.
Voor het plangebied is een onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit van de omgeving in de beoogde situatie. Een volledig schematisch overzicht van de rekenresultaten en invoergegevens voor de concentratieberekening volgens ISL3a versie 2022_1, is in bijlage 4 opgenomen.
33
A. Toelichting Bestemmingsplan Vlietskant 15 te Gellicum
Individuele fijn stofconcentratie De stofimmissie betreft de bijdrage van fijn stof aan de omgeving van de inrichting. De (hoogste) jaargemiddelde achtergrondconcentratie aan de Vlietskant van PM10 is voor het referentiejaar 2022 berekend op 13,91 µg/m³ (incl. zeezoutcorrectie). Uit onderzoek blijkt dat de grenswaarde van 40 µg/m³ voor fijn stof als jaargemiddelde concentratie niet wordt overschreden. In de beoogde situatie bedraagt de hoogste concentratie 13,91 µg/m³ (BBK1, BBK2) en voldoet op basis van deze gegevens aan hoofdstuk 5 (titel 5.2) van de Wet milieubeheer. Ook aan de norm voor het aantal overschrijdingsdagen wordt ruimschoots voldaan. Het aantal overschrijdingsdagen bedraagt maximaal 4 dagen (incl. zeezoutcorrectie) waar 35 dagen de norm is. Cumulatieve fijn stofconcentratie Net als bij de cumulatieve geurbelasting kunnen de veehouderijen in de omgeving, waaronder het plangebied, tezamen een relevante bijdrage leveren aan de fijn stofverspreiding op de omgeving. Aangezien er in de beoogde situatie sprake is van een afname van de stofemissie, is een grote bijdrage aan het cumulatief effect van de fijn stofverspreiding in de omgeving niet te verwachten. De bijdrage van andere veehouderijen wordt beschouwd als aanwezig in de achtergrondconcentratie. Uit de berekening met ISL3a blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de norm voor de achtergrondconcentratie.
De (hoogste) jaargemiddelde achtergrondconcentratie PM10 aan de Vlietskant (inclusief het bedrijf aan de Vlietskant 15) is voor het referentiejaar 2022 berekend op 13,91 µg/m³ (excl. zeezoutcorrectie). De hoeveelheid achtergrondconcentratie als gevolg van de uitstoot van verontreinigende stoffen is onomkeerbaar. Als gevolg van de Europese regelgeving wordt de uitstoot van o.a. fijnstof beperkt. De achtergrondconcentratie neemt ieder jaar af, de luchtkwaliteit wordt beter. PM 2,5 Ter bescherming van de menselijke gezondheid definieert de Europese Richtlijn Luchtkwaliteit (2008/50/EG) een jaargrenswaarde voor het PM 2,516- jaargemiddelde. Vanaf 2020 geldt een strenge indicatieve jaargrenswaarde van 20 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM10 is voor de beoogde situatie berekend op ten hoogste 13.91 µg/m3. Dit betekent dat het aandeel PM2,5 in de fractie PM10 4.17 µg/m3 bedraagt (30% van 13.91 µg/m3). In een worst-case benadering bedraagt het aandeel PM2,5 9.04 µg/m3 (65% van 13.91 µg/m3). Hieruit blijkt dat de grenswaarde van 20 µg/m3 voor PM2,5 als jaargemiddelde op de beoordelingspunten niet wordt overschreden. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan en voor de menselijke gezondheid.
4.6
EXTERNE VEILIGHEID 4.6.1 Inleiding Onder externe veiligheid wordt verstaan het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige PM2,5 is fijnstof (particulate matter) waarbij de deeltjes kleiner dan 2,5 micrometer doorsnee zijn. Deze zijn naar huidige inzichten schadelijker voor de gezondheid dan PM10. 16
34
A. Toelichting Bestemmingsplan Vlietskant 15 te Gellicum
risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: risicovolle inrichtingen, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water en door buisleidingen).
4.6.2 Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die vallen onder het BRZO (Besluit Risico's Zware Ongevallen), LPG-tankstations en opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen. Belangrijke begrippen in het kader van externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is in het Bevi gedefinieerd als het "risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Het groepsrisico is gedefinieerd als de "cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Verder zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van belang. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld scholen, kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m2 en woningen met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare.
Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer sporthallen, zwembaden en woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare. Het Bevi bevat eisen voor het plaatsgebonden risico en regels voor het groepsrisico. Voor het plaatsgebonden risico geldt onder meer een grenswaarde van 10-6 per jaar voor kwetsbare objecten in nieuwe situaties (PR-contour). Voor het groepsrisico geldt dat de gemeenteraad verantwoording moet afleggen over de wijze waarop het groepsrisico is meegewogen in de besluitvorming.
4.6.3 Besluit externe veiligheid transportroutes Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vanaf 1 april 2015 vastgelegd in de Wet Basisnet en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (WVGS). Voor ruimtelijke ordening in relatie tot transportroutes is er het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Dit besluit is gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer (Wm). Volgens het Bevt mag op grond van een ruimtelijk besluit geen kwetsbaar object in de veiligheidszone worden gebouwd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten mogen alleen in uitzonderlijke gevallen in de veiligheidszone worden toegestaan. Het Bevt gaat ook in op de hoogte van het groepsrisico. Wanneer het aannemelijk is dat het groepsrisico ver beneden de oriëntatiewaarde blijft of nauwelijks toeneemt, is een verantwoording van het groepsrisico niet verplicht.
4.6.4 Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Het Besluit externe veiligheid buisleidingen regelt de taken en verantwoordelijkheden van leidingexploitanten en gemeenten. De belangrijkste eisen aan bestemmingplannen zijn: ruimtelijke reservering voor plaatsgebonden risico, verantwoording van het groepsrisico en
35
A. Toelichting Bestemmingsplan Vlietskant 15 te Gellicum
een ruimtelijke reservering aanlegvergunningenstelsel.
voor
zogenoemde
belemmeringenstroken
met
een
4.6.5 Plangebied in relatie tot externe veiligheid
Figuur 4.2: Uitsnede risicokaart, plangebied globaal rood omcirkeld
Transport Uit de Risicokaart blijkt dat in de directe omgeving (> 2 km) geen risicovolle transportroutes (buisleidingen, wegen, spoor, water) zijn gelegen. Wel is het plangebied gelegen binnen het (grote) invloedsgebied van de Betuweroute. Dit plan maakt geen nieuw (beperkt) kwetsbaar object mogelijk, maar de uitbreiding van het bouwvlak voor de realisatie van een nieuwe stal. Hierdoor hoeft niet getoetst te worden aan de externe veiligheidsnormen en is geen verantwoording van het groepsrisico op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) aan de orde. Inrichtingen Het plangebied (Vlietskant 15) is op basis van de Risicokaart niet gelegen binnen een risicocontour van een risicovolle inrichting in de omgeving van het plangebied. Binnen een straal van 1 km rondom het plangebied zijn geen risicocontouren van risicovolle inrichtingen gelegen.
4.6.6 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.
36
A. Toelichting Bestemmingsplan Vlietskant 15 te Gellicum
4.7
BODEM In een bestemmingsplan dient gemotiveerd te worden dat de in het plan toegelaten bestemming passend is in relatie tot de bodemkwaliteit. De (milieu hygiënische) bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de volgens de bestemming toegestane functie(s). Deze verplichting vloeit voort uit artikel 3.1.6. Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit artikel wordt verwezen naar artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierin is geregeld dat het gemeentebestuur bij haar besluitvorming de nodige kennis over de relevante feiten en af te wegen belangen vergaart. In de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB) is een lijst opgenomen met activiteiten die als bodembedreigend worden beschouwd. Zo worden bijvoorbeeld de opslag van dieselolie in een bovengrondse tank, de opslag van oliën in emballage, de opslag van ruwvoer en bijproducten (CCM) en de opslag van dierlijke meststoffen in een put/bassin op grond van de NRB als bodembedreigende activiteiten aangemerkt. In het activiteitenbesluit zijn gedragsregels en voorzieningen met het oog op de bescherming van de bodem voorgeschreven. Op grond van artikel 8 van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem.
Deze voorschriften hebben uitsluitend betrekking op bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen aanwezig zullen zijn (> 2 uur per dag). Plangebied en conclusie Ter plaatse van het plangebied geldt reeds een agrarische bestemming. De gronden, buiten het bouwvlak, waarop de nieuwe melkveestal met bijbehorende voorzieningen wordt gesitueerd is uitsluitend in gebruik geweest als landbouwgrond. Uit het archeologisch onderzoek blijkt dat zich ter plaatse in het verleden een omgracht terrein met mogelijk een kasteel of versterkt huis bevond. Uit ditzelfde onderzoek komt naar voren dat de gracht rond 1958 geheel is gedempt en het binnenterrein zich buiten het plangebied van de nieuw te bouwen stal bevindt. Daarnaast komt uit de boomgaarden kassenkaart en via de kaarten van topotijdreis naar voren dat de gronden in het verleden in gebruik zijn geweest als boomgaard. Dit betekent dat ter plaatse in het verleden bodemvervuilende activiteiten plaatsgevonden kunnen hebben. In het kader van de ruimtelijke procedure is een bodemonderzoek niet noodzakelijk. Verwacht wordt dat een eventuele verontreiniging geen invloed heeft op de uitvoerbaarheid van het plan. In de uitvoeringsfase wordt wel een bodemonderzoek verlangt om eventuele bodemverontreiniging uit te sluiten alvorens gebouwd gaat worden.
4.8
ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE 4.8.1 Archeologie Vanaf 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. De Erfgoedwet bevat daarnaast regels voor omgang met
37
A. Toelichting Bestemmingsplan Vlietskant 15 te Gellicum
archeologie in het algemeen. Zo is het verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met archeologische waarden. Plangebied en Conclusie In september 2021 is door uw gemeenteraad een nieuwe archeologische beleidskaart vastgesteld en in gebruik genomen. Deze kaart is nog niet doorgevoerd in de vorm van een nieuw bestemmingsplan, maar de kaart is wel rechtsgeldig. Deze kaart wordt daarom doorgevoerd in dit bestemmingsplan.
Figuur 4.3: Uitsnede nieuwe archeologische beleidskaart West-Betuwe
Op het plangebied rusten de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3, 4 en 6’, zie figuur 4.3. Voor deze dubbelbestemmingen geldt dat bij bodemingrepen van respectievelijk: groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm17; of groter dan 500 m² en dieper dan 30 cm18; of bodemingrepen groter dan 2.500 m² en dieper dan 30 cm19; de bodemwerkzaamheden onderzoeksplichtig zijn. De werkzaamheden overschrijden deze grenzen, waardoor voor dit plan een Bureauonderzoek en een Inventariserend Veldonderzoek is uitgevoerd door ‘Bureau voor Archeologie uit Utrecht’. De gegevens uit het vooronderzoek hebben geresulteerd in een selectieadvies dat is afgestemd tussen het bevoegd gezag en de opdrachtgever. Het selectieadvies luidde om 17 Binnen de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 3’ 18 Binnen de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 4’ 19 Binnen de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 6’.
38
A. Toelichting Bestemmingsplan Vlietskant 15 te Gellicum
ter plaatse van de veronderstelde gracht en het versterkte huis een proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren volgens de richtlijnen van KNA (Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie) protocol 4003, daar waar de bodemingrepen dieper zouden reiken dan 30 cm - maaiveld. Buiten de contour van versterkte en omgrachte terrein kan het gebied in principe worden vrijgegeven. Dit advies is overgenomen door het bevoegd gezag. Het betekent dat alleen ter plaatse van de nieuw te bouwen stal aan de zuidzijde van het plangebied archeologisch vervolgonderzoek dient plaats te vinden. De vervolgstap die is ondernomen, betreft het opstellen van het Programma van Eisen daartoe. In het Programma van Eisen zijn de kaders omschreven waarbinnen dit archeologisch proefsleuvenonderzoek moet plaatsvinden en welke maatregelen moeten worden genomen. Vervolgens heeft het bureau ‘ADC ArcheoProjecten uit Amersfoort’ een inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven uitgevoerd in het plangebied. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in het rapport ‘Sporen van een 14e-eeuwse gracht aan de Vlietskant 15 te Gellicum (nu West Betuwe)’ in bijlage 5 van deze toelichting. Het onderzoek bestond uit de aanleg van twee proefsleuven van 20 x 4 m. De locatie van de sleuven is bepaald aan de hand van de geplande nieuwbouw en de vermoedelijke ligging van de gracht van het versterkte huis.
Vrijwel exact op de verwachte locatie zijn daadwerkelijk sporen van een gracht aangetroffen. Ter hoogte van de proefsleuven heeft de gracht een noordwest-zuidoost oriëntatie, is deze minimaal 9 m breed en reikt de bodem tot ca. 2 m -mv. De gracht is breder geweest want deze loopt in noordelijke richting tot buiten het plangebied door. Het binnenterrein met eventuele sporen van een kasteel of versterkt huis valt daarmee buiten het huidige onderzoeksgebied en is niet aangetroffen. Op basis van de opvulling en het vondstmateriaal zijn ten minste twee duidelijke fasen in de gracht te onderscheiden. De jongste fase hangt samen met het dempen van de gracht is op basis van twee 14C-dateringen van macroresten uit de twee diepste grachtvullingen en een fragment roodbakkend aardewerk in de 14e eeuw te dateren. Fragmenten aardewerk, baksteen en pijpaarde tonen aan dat de gracht nog tot in de 17e eeuw open heeft gelegen. Met slechts tien gefragmenteerde vondsten is de opvulling van de gracht bijzonder vondstarm te noemen, gezien het feit dat deze binnen de proefsleuven volledig tot de bodem is uitgegraven. Op basis van fysieke en inhoudelijke kwaliteit wordt de archeologische vindplaats als behoudenswaardig geclassificeerd. Dit hangt vooral samen met de goede conservering van de gracht en het feit dat van het versterkte huis/kasteel historisch weinig bekend is.
Archeologisch onderzoek is dan één van de weinige onderzoeksmethoden om meer te weten te komen over de geschiedenis van dit terrein. Tegelijkertijd kan worden geconcludeerd dat uit het proefsleuvenonderzoek blijkt dat het binnenterrein zich buiten het plangebied van de nieuw te bouwen stal bevindt. Uit de plot van de proefsleuven op de kadastrale minuut in relatie tot de gracht en de nieuw te bouwen stal, is met het huidige proefsleuvenonderzoek reeds een groot deel van de gracht binnen het toekomstig te ontgraven deel van het plangebied onderzocht. De ligging, het verloop, de diepte en de opvulling van de gracht zijn nu reeds bekend en binnen het plangebied bestaat een groot deel van de gracht uit de recente opvulling/demping van rond 1958. Verder bevat de gracht nauwelijks vondstmateriaal ondanks dat deze binnen de proefsleuven volledig is uitgegraven. Uit dit alles kan worden opgemaakt dat bij een eventueel vervolgonderzoek ter hoogte van de nieuw te bouwen stal enkel nog een klein deel van dezelfde gracht zal worden aangetroffen waarvan de ligging, het verloop, de diepte en de opvulling reeds bekend zijn en waarin nauwelijks vondstmateriaal aanwezig is. De oudste fase van de gracht is door middel van twee 14C-dateringen vastgesteld. Omdat aanvullend gravend
39
A. Toelichting Bestemmingsplan Vlietskant 15 te Gellicum
onderzoek niet of nauwelijks nieuwe informatie of kenniswinst zal opleveren en het resterende deel van de gracht binnen het plangebied klein is, wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Het bevoegd gezag heeft op basis van de waarderingsonderzoeken bepaald dat nadere analyse niet hoeft plaats te vinden. Het aspect ‘archeologie’ zorgt niet voor belemmeringen bij de uitvoering van dit plan. Het is daarom verantwoord om ter plaatse van de onderzochte locatie, nieuw te bouwen stal, de archeologische bestemming te laten te vervallen.
4.8.2 Cultuurhistorie Op 1 januari 2012 is de wet Modernisering monumentenzorg (Momo) in werking getreden. Een belangrijke doelstelling van de Modernisering van de Monumentenzorg is het versterken van de koppeling tussen erfgoed en ruimte. In het kader van de Momo dient in de toelichting van elk bestemmingsplan of wijzigingsplan beschreven te worden op welke wijze met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Plangebied en Conclusie De cultuurhistorische waarden ter plaatse van het plangebied zijn weergegeven op de ‘Cultuurhistorische Waardenkaart’ van de provincie Gelderland. Een uitsnede van deze kaart is weergegeven in onderstaande figuur. Op deze uitsnede is te zien dat in de omgeving van het plangebied geen Rijksmonumenten of andere cultuurhistorische waardevolle bebouwing voorkomt. Ook is het plangebied niet gelegen in een cultuurhistorisch landschap. Wel is de weg Vlietskant, waaraan het plangebied grenst, aangemerkt als waardevol lijnelement (bestaande dijk/kade). De beoogde ontwikkeling doet geen afbreuk aan de waarde van dit lijnelement. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmeringen voor de planontwikkeling.
Figuur 4.4: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Gelderland
Daarnaast is de locatie, zoals eerder vermeld, gelegen binnen de ‘Nieuwe Hollandse Waterlinie’. De kernkwaliteiten hiervan bestaan uit: 1. het unieke, in samenhang met het landschap ontworpen negentiende en twintigsteeeuwse hydrologische en militairverdedigingssysteem, bestaande uit o.a. inundatiegebieden, waarbinnen het plangebied is gelegen. Dit is een gebied dat ten
40
A. Toelichting Bestemmingsplan Vlietskant 15 te Gellicum
behoeve van de verdediging enkele decimeters onder water kan worden gezet door het openzetten van sluizen of het doorsteken van dijken. 2. Grote openheid; 3. Groen en overwegend rustig karakter. De voormalige inundatievelden kennen nog steeds weinig begroeiing en bebouwing en een grote mate van openheid. Dit geldt ook voor het plangebied. In 2017 heeft het college van de voormalige gemeente Geldermalsen besloten in principe medewerking te verlenen aan dit plan, waarbij het de bedoeling is binnen het inundatiegebied van de ‘Nieuwe Hollandse Waterlinie’ een nieuwe melkveestal te bouwen. Om in een melkveestal een optimaal woon- en leefklimaat te behalen voor de dieren is het belangrijk om goede luchtstromen te realiseren. Hierbij is het van belang om bij de plaatsing van de stal rekening te houden met de heersende windrichting. De nok en nokhoogte zijn van belang. Maar ook de openheid van de stal speelt hierbij een belangrijke rol. Hiermee kan de infectiedruk geminimaliseerd worden. Bij het ontwerp van de stal wordt rekening gehouden met verschillende aspecten zodat er minimaal inbreuk wordt gedaan op de openheid en het groene en overwegende rustige karakter van het gebied. Denk daarbij aan een open en transparante vormgeving en ingetogen kleur- en materiaalgebruik.
Zoals in het landschappelijk inpassingsplan is beschreven wordt rekening gehouden met het open karakter van het gebied. De aanwezige bebouwing wordt afgeschermd door – relatief lagegroenelementen die de openheid zoveel mogelijk in tact laten: een elzenscherm en knotwilgen. De groenelementen zijn in feite lager dan de bebouwing en de silo’s die ze moeten afschermen. De toe te passen elementen zijn laag en hebben daarmee een ander massabeeld dan de aanwezige strook met populieren ten zuidoosten van het plangebied.
4.9
NATUUR Sinds 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De nieuwe Wet natuurbescherming (Natuurwet) voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. Er wordt beter aangesloten op de Europese regelgeving en er wordt een duidelijker onderscheid gemaakt tussen soorten die Europees beschermd zijn en nationaal beschermde soorten. De Wet natuurbescherming is, door de samenvoeging van de wetten, zowel gericht op de gebiedsbescherming als de soortenbescherming. Gebiedsbescherming De bedrijfsomvang in de beoogde situatie kan van invloed zijn op het milieu van de, in de nabijheid gelegen, kwetsbare natuurgebieden. Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland en buiten andere natuurgebieden, zoals Natura 2000 gebieden. De Wet natuurbescherming bepaalt dat nieuwe of uitbreidingen van bestaande economische activiteiten moeten worden getoetst op hun effect op de Natura 2000gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het gebied “Lingegebied & Diefdijk-Zuid”. Dit gebied is gelegen op een afstand van circa 2 kilometer van het plangebied.
41
A. Toelichting Bestemmingsplan Vlietskant 15 te Gellicum
Figuur 4.5: Omliggende Natura 2000-gebieden (bron: AERIUS Calculator)
Uit vaste jurisprudentie blijkt dat als een bestemmingsplan voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling die ten opzichte van de feitelijke aanwezige, planologische legale situatie ten tijde van de vaststelling van het plan niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied, dan kan gesteld worden dat het plan geen significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. Een passende beoordeling is dan niet noodzakelijk. Deze beoordeling dient plaats te vinden aan de hand van de maximale planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Gesteld dat voor een ontwikkeling een natuurvergunning is verkregen en onherroepelijk is geworden, dan kan deze één-op-één worden ingepast in het bestemmingsplan. In de regels van het bestemmingsplan wordt dan geborgd dat het bestemmingsplan niet méér mogelijk maakt dan hetgeen door de natuurvergunning is toegestaan. Voor de bestaande vigerende situatie in dit plan is een Wnb-vergunning aangevraagd bij de provincie Gelderland. Naar aanleiding van deze aanvraag is geoordeeld dat de stikstofdepositie op geen enkel Natura 2000-gebied toeneemt t.o.v. de referentiesituatie. Dit houdt in dat in deze situatie sprake is van “intern salderen”.
In de uitspraak van 20 januari 202120 heeft de Raad van State geoordeeld dat een project vergunningsvrij is als op voorhand vaststaat dat de effecten, waaronder de effecten van stikstofdepositie, ten opzichte van de referentiesituatie niet toenemen. Omdat bovengenoemde vergunningsaanvraag niet vergunningsplichtig is heeft de provincie Gelderland de betreffende aanvraag geweigerd. Het vaststellingsbesluit van deze positieve weigering heeft inmiddels ter inzage gelegen en is onherroepelijk geworden. Deze positieve weigering van 8 december 2021 wordt op basis van een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (24 oktober 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:5829) gelijkgesteld met een onherroepelijke Wnb-vergunning. In het kader van dit bestemmingsplan wordt deze positieve weigering ‘één-op-één’ ingepast. Dit door in de regels te verwijzen naar het kenmerk van de betreffende natuurvergunning (in dit geval de positieve weigering). In de beoogde situatie is sprake van een omschakeling en uitbreiding van dieren, waarbij emissiereducerende technieken worden toegepast. Met rekeninstrument Aerius Calculator is een verschilberekening gemaakt van de gebruiksfase waaruit blijkt dat de depositie van 20 ECLI:NL:RVS:2021:71
42
A. Toelichting Bestemmingsplan Vlietskant 15 te Gellicum
stikstof in de beoogde situatie niet toeneemt ten opzichte van de depositie in de referentiesituatie21. Naast de gebruiksfase dient ook het effect van de aanlegfase in beeld gebracht te worden. Hiertoe is een verschilberekeningen gemaakt waarin de huidige situatie inclusief aanlegfase wordt vergeleken met de referentiesituatie. Uit de berekening blijkt dat er geen sprake is van negatieve significante effecten op stikstofgevoelige gebieden waardoor een passende beoordeling niet noodzakelijk is. De berekeningen zijn samen met de ‘notitie intern salderen Wnb’ opgenomen in bijlage 10. De planvorming heeft verder geen invloed op planologisch beschermde gebieden. Ook de beoogde situatie kan door middel van intern salderen worden gerealiseerd, waarvoor geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig is. In dit bestemmingsplan is een regeling opgenomen om te garanderen dat geen negatieve effecten in Natura 2000-gebieden optreden en dan met name ten aanzien van de stikstofdepositie ten gevolge van dit plan. Dit planvoornemen is alleen mogelijk als dit niet leidt tot een toename van de stikstofemissie en -depositie op de maatgevende stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden.
Hiervoor is aansluiting gezocht bij de regeling die hiervoor is opgenomen onder ‘strijdig gebruik stikstof’22 zoals opgenomen in het vastgestelde bestemmingsplan ‘Buitengebied 2022’ van de gemeente West-Betuwe. In bijlage 2 van de regels, is bovengenoemde positieve weigering van 8 december 2021 opgenomen als vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming. Hiermee zijn de maximale mogelijkheden van het plan vastgelegd en is uitgesloten dat dit plan de mogelijkheid biedt voor significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Met intern salderen wordt de nieuwe melkveestal opgericht. Extern salderen is op basis van dit plan niet mogelijk. De hiervoor bedoelde berekeningen zijn uitgevoerd met het op het moment van vaststelling van dit plan daarvoor geschikt, landelijk erkend en recent rekenprogramma voor stikstofdepositie, Aerius-calculator. De hiervoor bedoelde stikstofdepositie wordt berekend als verschillenberekening met een daarvoor geschikt, landelijk erkend en meest recent rekenprogramma voor stikstofdepositie, zoals de Aerius-calculator, waarbij de brongegevens die zijn opgenomen in de hiervoor bedoelde berekeningen in bijlage, als uitgangspunt voor de maximale toegestane stikstofdepositie blijven gelden.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. In het kader van dit bestemmingsplan is door bureau Exlan een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Hierbij is het plangebied bezocht op donderdag 9 juni 2022 tussen 15:00 en 16:00 uur om te onderzoeken of het plangebied een zodanige belangrijke status heeft dat een aanvullend veldonderzoek noodzakelijk is. Dit rapport is toegevoegd in bijlage 6. Uit dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: Het voornemen en de daarbij behorende werkzaamheden, zullen naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed.
21 Positieve weigering van 8 december 2021. 22 Art. 3.5.2 bestemmingsplan ‘Buitengebied 2022’
43
A. Toelichting Bestemmingsplan Vlietskant 15 te Gellicum
Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. De voormalige bedrijfsgebouwen dienen bij voorkeur gesloopt te worden buiten het broedseizoen. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Omgevingsverordening is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing.
4.10
WATERPARAGRAAF 4.10.1 Inleiding In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Onderzoek Voor dit plan is de digitale watertoets doorlopen. De digitale toets is toegevoegd als bijlage bij deze toelichting. De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in onderstaande paragraven uitgewerkt.
4.10.2 Waterrelevant beleid Het plangebied is gelegen binnen waterschapsgebied ‘Rivierenland’. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat het waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerplan zijn de kaders voor het waterbeheer gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van het waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: 1. beschermen tegen overstromingen; 2. water eerlijk verdelen; 3. voorbereiden op extreem weer; 4. streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; 5. bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; 6. kwaliteitsverbetering zwemwater; 7. toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; 8. toewerken naar circulariteit. Keur Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur 2014. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een
44
A. Toelichting Bestemmingsplan Vlietskant 15 te Gellicum
beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt een beschermingszone van 4 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de water-aan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuw verhard oppervlak (alle oppervlakten die voor nieuwbouw, wegen, etc., verhard worden. Hierdoor kan het hemelwater ter plaatse niet langer in de voorheen onverharde grond infiltreren. Daardoor treedt er een versnelde afvoer van het hemelwater op) heeft effecten voor de waterhuishouding.
De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak plaatsvindt, dient dit waterneutraal te worden uitgevoerd. Dit betekent dat de aanvrager voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na het gereedkomen van de verharding niet zwaarder wordt belast dan voordien. Dit kan onder andere bereikt worden door het graven van nieuwe oppervlaktewaterlichamen, het vergroten van bestaande oppervlaktewaterlichamen of het aanleggen van wadi’s. De aanvrager moet bij de aanvraag zelf aangeven op welke manier en waar hij de compensatie gaat maken. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Er geldt een eenmalige vrijstelling van 1.500 m². Bij grotere oppervlaktes mag deze vrijgestelde oppervlakte in mindering worden gebracht. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2 . Daarbij geldt dat het peil maximaal 0,3 m mag stijgen.
Concreet houdt dit voor dit plan in dat per ha nieuw verhard oppervlak 1453 m2 open water gegraven moet worden. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: Het gebruiken van het hemelwater; Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie.
45
A. Toelichting Bestemmingsplan Vlietskant 15 te Gellicum
Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven. Verordening afvoer hemel- en grondwater West Betuwe Op 29 april 2021 is door de gemeente West Betuwe de verordening afvoer hemel- en grondwater vastgesteld. De verordening betreft een actualisatie en harmonisatie van beleid uit de voormalige gemeenten van West Betuwe. Voor nieuwbouwlocaties in heel de gemeente geldt een hemelwaterbergingseis op eigen terrein. De minimale capaciteit van de hemelwaterberging is bij een totale omvang van het verhard oppervlak van 500 m² of meer 43,6 l per m², en daarmee gelijk aan de capaciteitseis van het waterschap.
De gemeentelijke verordening kent niet de eenmalige vrijstelling van 1.500 m³.
4.10.3 Planspecifiek In de directe omgeving van het plangebied zijn enkele watergangen gelegen, waarvan direct ten zuiden grenzend aan het plangebied een A-watergang, zie onderstaande figuur. De geplande werkzaamheden vallen buiten de beschermingszones van de watergangen, waardoor het aanvragen van een watervergunning bij het Waterschap Rivierenland hiervoor niet is vereist dan wel noodzakelijk is.
Figuur 4.6: Uitsnede Vastgestelde legger wateren
Het bestaande bouwvlak van 0,4 ha is nagenoeg geheel bebouwd danwel verhard. Omdat nog niet bekend is welk gedeelte van het nieuwe bouwvlak exact verhard wordt gaan we uit van een worstcase scenario waarbij de uitbreiding (0,6 ha) in de nieuwe situatie geheel verhard wordt23. Wanneer geen gebruik wordt gemaakt van de eenmalige vrijstelling en 23 Op basis van het landschappelijk inpassingsplan komt naar voren dat niet de gehele 0,6
ha verhard gaat worden in de toekomst en zal dit waarschijnlijk niet boven de 0,5 ha uitkomen. Voor het gemak wordt voor nu even uitgegaan van 0,6 ha.
46
A. Toelichting Bestemmingsplan Vlietskant 15 te Gellicum
alles verhard wordt dan dient op basis van de stelregels van het waterschap en de gemeente 261,6 m³ (6.000 ÷ 10.000 x 436) aan waterberging gerealiseerd worden. Rekening houdend met een peilstijging van 0,3 m betekent dit een wateroppervlak van 872 m2. Het schone hemelwater afkomstig van het nieuwe verharde oppervlak zal worden opgevangen en in een aan de noordwestkant van het plangebied ten zuidwesten van het plangebied te realiseren wadi, zie landschappelijk inpassingsplan. De wadi zal worden uitgevoerd als een ondiepe laagte met een diepte van 30 cm. De wadi is gemiddeld 4,75 meter breed en 140 meter lang; de totale oppervlakte bedraagt minstens 654 m². Wanneer daadwerkelijk blijkt dat de uitbreiding met verhard oppervlak aan het worstcase scenario voldoet en een grotere opvangcapaciteit nodig is kan bovengenoemde wadi nog worden verlengd en verbreed. De wadi is ruimschoots in staat de benodigde berging binnen het plangebied te realiseren om een bui T=10+10% te verwerken. Wanneer blijkt dat infiltratie ter plaatse niet voldoende mogelijk is zodat deze tussen 1 en 3 dagen weer voor 90% beschikbaar is, bestaat de mogelijkheid om het hemelwater vanuit de wadi, middels een uitstrookvoorziening, vertraagd af te voeren op de ten noorden van het plangebied gelegen b-watergang danwel op de ten zuid/westen gelegen a-watergang.
Afhankelijk van de herkomst, hoeveelheid en de kwaliteit van het te lozen water, moet een melding gedaan worden op basis van één van de besluiten waarin algemene regels zijn opgenomen voor lozingen, of een watervergunning aangevraagd te worden bij de afdeling Vergunningen van Waterschap Rivierenland. In de bestaande en beoogde waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Het overige bedrijfsafvalwater wordt opgevangen in de putten en percolaatputten en volgens de meststoffenwet uitgereden. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van een good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden, zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is, schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de wadi en eventueel van daaruit vertraagd afgevoerd op omliggende watergangen.
4.11
VOLKSGEZONDHEID Bij ruimtelijke ontwikkelingen speelt gezondheid een centrale rol. Om een gezonde leefomgeving te creëren (en te behouden) zijn tal van wetgevingen geïntroduceerd. Een groot deel van de voorgaande paragrafen bevat een toets aan wetgeving. Deze wetgeving heeft één centrale doelstelling: het stellen van regels inzake het voorkomen of beperken van negatieve gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient dit aspect meegewogen te worden. De gemeente West-Betuwe heeft in het kader van dit planvoornemen, en t.b.v. de geurverordening die vastgesteld moest worden om deze planontwikkeling mogelijk te maken, een advies gevraagd van de GGD. Men heeft gevraagd om inzicht te geven over de impact op de gezondheid van respectievelijk de huidige situatie met de varkenshouderij en de toekomstige situatie met de rundveehouderij en met name de verschillen hierin. Bij schrijven van 2 juni 2022 heeft de GGD het betreffende gezondheidkundig advies omzetting veehouderij uitgebracht richting de gemeente West-Betuwe. Dit advies is
47
A. Toelichting Bestemmingsplan Vlietskant 15 te Gellicum
opgenomen in bijlage 8 van deze toelichting. In dit advies zijn de volgende aspecten behandeld: Geur; Fijnstof (incl. ammoniak emissie). Uit de conclusie van het advies komt naar voren dat de gezondheid van omwonenden in de beoogde situatie beter is dan de huidige vergunde situatie omdat er in de beoogde situatie minder emissie van primair fijnstof en naar verwachting minder geurhinder plaatsvindt. In het algemeen adviseert de GGD uit voorzorg (hogere concentraties fijn stof, endotoxinen en vee-specifieke MRSA-bacteriën) minimaal 250 meter afstand aan te houden tussen een veehouderij en een gevoelige bestemming. In de zowel de huidige als beoogde situatie liggen meerdere woningen binnen deze afstand van de veehouderij. Vanuit het oogpunt van gezondheid is het daarom van belang dat veehouderijen streven naar vermindering van de emissie van geur, fijnstof en ammoniak. Elke vermindering van emissie is positief voor de gezondheid. Conclusie Het aspect gezondheid in relatie tot veehouderijen vormt geen belemmering voor dit plan. Immers neemt de geur en fijnstofemissie flink af en komt de veehouderij niet dichter bij gevoelige objecten te liggen t.o.v. de huidige situatie.
Gezien het feit dat in de huidige situatie de veehouderij al is gelegen op kortere afstand dan 250 meter van een gevoelige bestemming en de emissies met dit plan enkel afnemen is het niet reëel om in deze situatie te verlangen dat er een minimale afstand van 250 meter om aan te houden tussen een veehouderij en een gevoelige bestemming.
48
A. Toelichting Bestemmingsplan Vlietskant 15 te Gellicum
HOOFDSTUK 5 JURIDISCHE PLANOPZET
5 1 Juridische planopzet 5.1
ALGEMEEN Het bestemmingsplan ‘Vlietskant 15 te Gellicum’ is conform de eisen van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) opgesteld. Naast de wettelijke eisen uit de Wro is in dit bestemmingsplan, om de consistentie met de vigerende bestemmingsplannen te waarborgen, voor de opzet en inhoud van de regels aangesloten bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2022’ van de gemeente West – Betuwe en gedeeltelijk bij het bestemmingsplan ‘Gellicum 2009’. Tevens voldoet het plan aan de eisen van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. Dit bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
5.2
TOELICHTING De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit plan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het plan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.3
VERBEELDING Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).