RV2024-043-Bijlage-BP-Ophemertsestraat-3a-Ophemert.pdf
Tekst van het document
Hoofdstuk 4
29
Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen In een gebouw, waarvan de ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. De nieuw te realiseren uitbreiding van het bedrijfsgebouw voldoet aan deze voorwaarden. 4.7.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid is relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuwelijn. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voldoende mogelijkheden voor zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval op deze transportroute.
Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid.
4.8 Ecologie 4.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep
Hoofdstuk 4
30
op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden. 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.
Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.8.2 Onderzoek Voor onderhavig ruimtelijk initiatief is een natuurtoets opgesteld. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.
Hoofdstuk 4
31
Gebiedsbescherming Uit de kaarten van de provincie Gelderland blijkt dat het plangebied buiten het Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone ligt. Gezien de ingreep een aanbouw aan een bestaand object en de afstand is het uit te sluiten dat er een negatief effect optreedt ten aanzien van de beschermde gebieden. Uit de kaarten van de provincie Gelderland blijkt dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op een kilometer afstand van het plangebied ligt. Het betreft het Natura 2000-gebied Rijntakken. Derhalve is er een stikstofdepositieberekening opgesteld voor de gebruiksfase doordat het plangebied gelegen is op circa 2,4 kilometer van Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’. Uit de stikstofdepositieberekening blijkt dat er geen depositieresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j optreden. Voor de aanlegfase hoeft op basis van een afspraken die gemaakt zijn met Omgevingsdienst Rivierenland voor 1 woning die verder ligt dan 1,4 kilometer vanaf Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ geen Aerius-berekening uitgevoerd te worden. Derhalve kan worden verondersteld dat het aspect stikstof geen belemmering vormt voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Soortenbescherming Binnen het plangebied komen geen beschermde grondgebonden zoogdieren, broedvogels, flora, amfibieën, reptielen en vissen, libellen en dagvlinders en overige ongewervelden voor.
Binnen het plangebied komen beschermde soorten voor. Echter is het plangebied niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Ook mag er aangenomen worden dat er zich binnen het plangebied geen essentieel foerageergebied en/of vliegroute bevindt. In de directe omgeving van het plangebied zijn bovendien meer dan voldoende alternatieven aanwezig in de vorm van bomen, vegetatie en water. Een aanvullend onderzoek naar deze soortgroep en functies is dan ook niet noodzakelijk. 4.8.3 Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
4.9 Bodem 4.9.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. 4.9.2 Onderzoek
Hoofdstuk 4
32
Met de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling wordt een nieuwe gevoelige functie mogelijk gemaakt. Derhalve is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Navolgend worden de belangrijkste conclusies weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen van voorliggend bestemmingsplan. Voor de zandige bovengrond ter plaatse van de onverharde weg overschrijdt het gehalte voor de parameter minerale olie de achtergrondwaarde. De te verwachten bodemkwaliteitsklasse is ‘klasse industrie’. Voor de overige bodem zijn geen gehaltes aangetoond welke de achtergrondwaarde overschrijden. De te verwachten bodemkwaliteitsklasse is ‘Landbouw/natuur’ op basis van PFAS. In de bodem van de onderzoekslocatie is visueel geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Op basis van het bodemonderzoek is er voldoende informatie over de bodemkwaliteit bekend om de voorgenomen werkzaamheden met een gesloten grondbalans te kunnen verrichten. Aanvullend onderzoek wordt niet nodig geacht. Indien grond vrijkomt van de locatie en elders afgezet dient te worden, is mogelijk een partijkeuring conform BRL 1001 benodigd. Geadviseerd wordt om rekening te houden met te verwachten bodemkwaliteitsklassen, zoals vastgesteld tijdens onderhavig onderzoek.
Indien er grond afkomstig van de locatie elders wordt toegepast, dient dit te gebeuren conform de regels van het Besluit bodemkwaliteit en tijdelijk handelingskader PFAS. 4.9.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
4.10 Water 4.10.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. De Waterwet verplicht waterschappen als beheerder van de regionale wateren een waterbeheerplan op te stellen voor hun beheergebied. Hierin concretiseert het waterschap het provinciale waterbeleid. In het waterbeheerplan staan de maatregelen om de gestelde beleidsdoelen te halen. Om die reden dienen plannen voor ruimtelijke ontwikkelingen door het waterschap beoordeeld en goedgekeurd te worden. Het indienen van ruimtelijke ontwikkelingen wordt gedaan door middel van een watertoets. De watertoets is een samenwerkingsproces van gemeente en waterschap. Het doel is om elkaar vroegtijdig te informeren en waterhuishoudkundige aspecten vanaf de start van ruimtelijke ontwikkelingen mee te nemen. De nieuwe ontwikkeling aan de Ophemertsestraat 3a te Ophemert ligt binnen het beheergebied van waterschap Rivierenland. Op deze ontwikkeling zijn daarom de beleidsregels en keur van waterschap Rivierenland (WSRL) van toepassing. Vanuit de gemeente zijn er regels met betrekking tot de afvoer van hemelwater bij het realiseren van nieuwbouw.
Als het verharde oppervlak toeneemt met maximaal 500 m2 bedraagt de bergingsopgave 20 liter/m2. Bij een uitbreiding van meer dan 500 m2, is de bergingseis 43,6 liter/m2. Het schone hemelwater wordt vanuit de waterberging bij voorkeur hergebruikt of geloosd in de bodem (geïnfiltreerd) of in oppervlaktewater.
Hoofdstuk 4
33
4.10.2 Onderzoek Ingenieursbureau Land heeft voor onderhavige ontwikkeling een waterparagraaf opgesteld. Het plangebied ligt ten noordwesten van Ophemert, tussen de rivier de Waal en de A15. Rondom het perceel zijn enkele greppels gelegen waar periodiek water in staat. De maaiveldhoogte varieert tussen 3,9 m +NAP en 4,1 m +NAP. Het plangebied ligt volledig in peilgebied TLW301 met oppervlaktewaterpeilen variërend tussen 2,60 m +NAP (zomerpeil) en 2,40 m +NAP (winterpeil). In de huidige situatie is er op het terrein dat gebruikt gaat worden voor de uitbreiding een boomgaard aanwezig. Voor het realiseren van de woning wordt uitgegaan van een toename van het verhard oppervlak van 750 m2 (zie figuur 9). De nieuwe ontwikkeling zorgt voor een andere inrichting van het terrein.
Figuur 9Toename verhard oppervlak
Waterberging Op grond van de keur van waterschap Rivierenland (artikel 3.4) is het niet toegestaan om zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen. De negatieve effecten die de toename van nieuw verhard oppervlak heeft op het watersysteem dienen gecompenseerd te worden. De bergingseis vanuit het waterschap betreft 43,6 liter/m2 indien het geborgen wordt in open water. Indien er water geborgen wordt in infiltratiesystemen dan is er 66,4 liter/m2 berging nodig. De waterberging dient te worden gerealiseerd op eigen terrein. Dit komt in het geval van de voorziene ontwikkeling neer op 32,7 m3 berging in open water of 49,8 m3 berging in infiltratievoorzieningen. Vanuit de gemeente West Betuwe is de eis dat er 20 liter/m2 berging wordt gerealiseerd voor dit project.
Hoofdstuk 4
34
Om de uitbreiding van circa 750 m2 op het terrein aan de Ophemertsestraat 3a te compenseren is 32,7 m3 nieuwe waterberging nodig in open water of 49,8 m3 in infiltratievoorzieningen. De bergingsopgave dient binnen het plangebied ingevuld te worden. Aan de bergingseisen vanuit de gemeente wordt hiermee ook voldaan. Oppervlaktewater Op enige afstand van het plangebied zijn een A-watergang, twee B-watergangen en een C-watergang aanwezig. De A-watergang (waterloop: 004398) in het noorden, twee zijtakken hiervan aan de oost(waterloop: 027627) en westzijde (waterloop: 027774) van het perceel en een C-watergang (waterloop: 078801) aan de andere kant van de weg ten noorden van het perceel. Het te herontwikkelen deel ligt ten westen van de grote loods. Er wordt geen bestaand open water gedempt. Ten westen van de beoogde woning ligt een stuk open water (vijver). Dit is in privaat beheer. Invulling bergingsopgave De bergingsopgave wordt door de initiatiefnemer ingevuld door middel van het vergroten van het open water ten westen van de toekomstige woning. Deze vijver staat op zichzelf en is dus niet aangesloten op het watersysteem dat in beheer is bij waterschap Rivierenland. Water infiltreert over tijd in de bodem, bij langdurige droogte kan de vijver droog komen te staan.
Omdat er geen connectie is met de rest van het watersysteem wordt dit open water gezien als een infiltratievoorziening (bergingsvijver). De vijver is niet in gebruik als retentievoorziening en er wordt uitgegaan van maximaal 0,3 m peilstijging. Om te voorzien in de bergingsopgave van 49,8 m3 wordt de vijver uitgebreid met 163 m2. De vijver dient een noodoverlaat naar de watergang ten noorden te krijgen. Een geïsoleerde vijver is niet toegestaan. De vijver dient na 96 uur weer beschikbaar te zijn voor waterberging. Na de invulling van de bergingsopgave zal de betreffende vijver een B-status krijgen. Afvoer hemelwater De afvoer van het hemelwater naar de vijver aan de westzijde zal plaatsvinden door middel van een ondergrondse pijp (Ø125 mm). Vuilwater wordt gescheiden van het hemelwater. Omdat er geen connectie is met de rest van het watersysteem wordt dit open water gezien als een infiltratievoorziening (bergingsvijver). Vanuit de nieuwe bedrijfswoning wordt er een huisaansluiting aangelegd die aansluit op de bestaande riolering in de Ophemertsestraat. 4.10.3 Conclusie Het verlies aan waterbergend vermogen door de toevoeging van 750 m2 verhard oppervlak in de toekomstige situatie, wordt gecompenseerd met het vergroten van een bestaande vijver, waarna er aan de eisen van het waterschap en de gemeente wordt voldaan.
Het aspect ‘water is daarmee geen belemmering voor het planinitiatief.
4.11 Archeologie 4.11.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in
Hoofdstuk 4
35
2021van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. In de gemeente West Betuwe is het erfgoedbeleid opgenomen in de beleidsnota Erfgoedbeleid van september 2021. De beleidskaart archeologie van de gemeente West Betuwe is leidend. 4.11.2 Conclusie In het plangebied zijn archeologische dubbelbestemmingen van toepassing, te weten: ‘Waarde – Archeologie 2’; ‘Waarde – Archeologie 3’. Zoals in de paragraaf Toetsingskader is aangegeven is de beleidskaart archeologie van de gemeente West Betuwe leidend en niet het vigerende bestemmingsplan. Voor het plangebied geldt een Waarde Archeologie 4. Dit betekent een vrijstelling voor ingrepen tot 30 cm met een oppervlakte tot 500 m2.
Figuur 10 Uitsnede Archeologische beleidskaart 2021
Er is een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ opgenomen in het bestemmingsplan, met het oog op het waarborgen van de archeologische belangen. Voor de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ geldt dat er een archeologisch onderzoek noodzakelijk wordt geacht wanneer er bodemverstorende activiteiten plaatsvinden bij een oppervlak vanaf 500 m² en de verstoring dieper gaat dan
Hoofdstuk 4
36
30 cm-mv. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling betreft een kleiner oppervlak dan 500 m². Derhalve kan worden verondersteld dart het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
4.12 Cultuurhistorie 4.12.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.12.2 Onderzoek In en rondom het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. Wel is het plangebied gelegen aan een cultuurhistorische weg: de Ophemertsestraat. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling voorziet echter niet in wijzingen aan de Ophemertsestraat. Daarnaast behoort het plangebied tot de gebiedscategorie ‘oude ontginningen op afwisselend nat-droge stroomruggen. Er worden geen werken en werkzaamheden voorzien die een negatief effect hebben op de gebiedscategorie ‘Oude ontginning op afwisselend nat-droge stroomruggen’.
Derhalve kan worden verondersteld dat het aspect ‘Cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. 4.12.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie is niet van invloed op de ontwikkeling van het plangebied. Daarnaast heeft de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen negatieve invloed op de cultuurhistorische waarden in en rondom het plangebied.
4.13 Spuitzones Het plangebied wordt omringt door boomgaarden. Een deel van de boomgaard wordt weggehaald en daar wordt een bedrijfswoning gerealiseerd. Het betreft de bedrijfswoning behorende bij het bedrijf. Een spuitzone hoeft niet te worden getoetst aan een bedrijfswoning behorende bij. Conclusie Het aspect ‘spuitzones’ vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Hoofdstuk 4
37
4.14 M.e.r.-plicht Als een project (activiteit die voorkomt in Bijlage C of D van het Besluit m.e.r.) nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben moet een initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet dan binnen 6 weken beslissen of een m.e.r.-plicht geldt. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling kan niet worden gezien als een activiteit die voorkomt in Bijlage C of D van het Besluit m.e.r. er is geen sprake van een m.e.r.-plichtige activiteit.
Hoofdstuk 4
38
5.
JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van dit bestemmingsplan beschreven.
5.1 Inleiding Dit bestemmingsplan is opgesteld met het doel om het oprichten van één bedrijfswoning bij het agrarisch bedrijf aan de Ophemertsestraat 3a te Ophemert mogelijk te maken. Een bestemmingsplan is een bindend plan voor burgers en overheden. Dit bestaat uit drie onderdelen: een verbeelding (plankaart), de planregels en een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het plan. Deze gaan vergezeld van de voorliggende toelichting, die op zichzelf niet bindend is, maar de beschrijving en verantwoording van het plan bevat. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat bestemmingsplannen langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan deze plannen moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Dit bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.
5.2 Plansystematiek Zoals in de inleiding aangegeven, is er sprake van een ontwikkelgericht bestemmingsplan, dat als doel heeft om het oprichten van een bedrijfswoning mogelijk te maken. Het bestemmingsplan is hierin faciliterend: het biedt een nieuw bouw- en gebruikskader voor de gronden, die onderdeel zijn van het bestemmingsplan. De begrenzing van het plangebied is juridisch vastgelegd in de begrenzing van de verbeelding. In par. 5.3 wordt de begrenzing van het plangebied nader toegelicht. Inhoudelijk sluiten de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de regels zoveel mogelijk aan bij het geldende bestemmingsplan. De opgenomen bestemmingen worden in de volgende paragraaf nader toegelicht. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregels. Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het plan gebruikte begrippen/termen.
Hoofdstuk 5
39
De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels. Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten): bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. Dit wordt in dit geval met een bouwvlak op de verbeelding aangeven. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven.
Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen: anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een ruimtelijk plan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Deze regel moet in ieder bestemmingsplan worden opgenomen. algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van bestaande afwijkende maatvoeringen opgenomen. algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd. Ook is een regeling voor bestaand afwijkend (legaal) gebruik opgenomen. algemene aanduidingsregels: hier zijn regels opgenomen, die van toepassing zijn ter plaatse van de in het plan opgenomen gebiedsaanduidingen. Dit betreft ten eerste de aanduiding ‘overige zone – oeverwal – stroomrug’, waarin is aangegeven dat de gronden mede zijn bestemd voor het behoud, herstel en ontwikkeling van de aanwezige landschappelijke elementen van de rivieroeverwallen en stroomruggen. Daarnaast is de aanduiding ‘overige zone – wijziging planregels’ opgenomen in een deel van het plangebied.
Hier worden de regels van het onderliggende bestemmingsplan voor een gedeelte herzien (zie nader par. 5.3 hierover). Voor het overige blijven daar de regels uit het onderliggende bestemmingsplan onverkort van toepassing.
Hoofdstuk 5
40
algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van een aantal categorieën van niet-ingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. algemene wijzigingsregels: in dit artikel zijn wijzigingsbevoegdheden opgenomen, waarmee burgemeester en wethouders in voorkomende gevallen de opgenomen archeologische dubbelbestemmingen geheel of gedeeltelijk kunnen verwijderen, dan wel kunnen wijzigen in een andere dubbelbestemming. overige regels: dit artikel bevat een regeling omtrent het parkeren en laden en lossen. Deze komt overeen met het ‘Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019’ en vormt een toetsingsgrond bij de omgevingsvergunning voor het bouwen.
Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk plan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.
5.3 Bestemmingen Plangebied In dit bestemmingsplan zijn één enkelbestemming en één dubbelbestemming opgenomen. Deze worden hierna beschreven. Het plangebied beslaat twee bestemmingsvlakken: één vlak betreft het perceel waar het oprichten van een bedrijfswoning (incl. bijbehorende voorzieningen) mogelijk wordt gemaakt en één vlak betreft het zuidelijk gedeelte van het bestaande agrarische bouwvlak ter plaatse van Ophemertsestraat 3a. Hier wordt het bouwvlak verwijderd. Daarnaast is in het plangebied het resterende gedeelte van het bestaande agrarische bouwvlak ter plaatse van Ophemertsestraat 3a opgenomen. Hierop is enkel de gebiedsaanduiding ‘overige zone – wijziging planregels’ gelegd. Dit heeft te maken met het volgende. In het vigerende bestemmingsplan ter plaatse van Ophemertsestraat 3a is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de realisatie en instandhouding van landschappelijke inpassing, welke gedeeltelijk op het beoogde perceel voor de bedrijfswoning in onderhavig plan ligt. Bij realisatie van onderhavig plan, zou niet meer aan deze voorwaardelijke verplichting (kunnen) worden voldaan. Daarom moet het bestemmingsplan in zoverre worden herzien. Dit is als volgt geregeld: Er is een nieuw landschappelijk inpassingsplan opgesteld voor de gehele locatie Ophemertsestraat 3a, waarmee zowel de bedrijfsbebouwing als de bedrijfswoning landschappelijk worden ingepast.
Hierin is onderscheid gemaakt in de maatregelen die (primair) zien op de inpassing van de bedrijfsbebouwing en de maatregelen die (primair) zien op de inpassing van de bedrijfswoning. In de bestemming ‘Agrarisch’ in onderhavig plan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de realisatie en instandhouding van de landschappelijke inpassing voor de bedrijfswoning. Door middel van de aanduiding ‘overige zone – herziening planregels’ wordt de oorspronkelijke voorwaardelijke verplichting vervangen door een nieuwe voorwaardelijke verplichting voor de realisatie en instandhouding van de landschappelijke inpassing voor de bedrijfsbebouwing. De bijlage uit het vigerende bestemmingsplan is dan niet meer van toepassing, maar enkel het nieuwe integrale landschappelijke inpassingsplan.
Hoofdstuk 5
41
Agrarisch Het grootste deel van het plangebied, met uitzondering van de hiervoor beschreven zone ‘overige zone – herziening planregels’ en de gronden die landschappelijk worden ingepast voor de bedrijfswoning, is bestemd als ‘Agrarisch’. Deze gronden zijn bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven, bijbehorende ketenactiviteiten, hobbymatige grondgebonden agrarische activiteiten en een aantal bijbehorende functies en voorzieningen, zoals parkeren, water en groen. Onder bepaalde voorwaarden zijn specifieke vormen van gebruik, zoals kleinschalig kamperen, toegestaan. Daarnaast is ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’, die is opgenomen op het beoogde perceel van de nieuwe bedrijfswoning, maximaal één bedrijfswoning toegestaan. Aan-huis-gebonden beroepen en bedrijven zijn toegestaan bij de bedrijfswoning. Alleen op de locatie van de nieuwe bedrijfswoning is een bouwvlak opgenomen; binnen het andere plandeel wordt dit juist geamoveerd door dit bestemmingsplan. Binnen het bouwvlak zijn op deze locatie geen bedrijfsgebouwen toegestaan; deze blijven wel toegestaan op het resterende gedeelte van het bestaande bouwvlak, dat buiten het plangebied van dit bestemmingsplan valt. Zoals gezegd is wel één bedrijfswoning toegestaan. Daarvoor zijn in de regels bouwregels opgenomen ten aanzien van bijvoorbeeld de hoogte en inhoud.
Verder zijn aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij een bedrijfswoning toegestaan, evenals bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Voorwaardelijke verplichtingen zijn opgenomen voor de realisatie van voldoende waterberging en van landschappelijke inpassing. In de bestemming is een aantal afwijkingsbevoegdheden opgenomen. Burgemeester en wethouders kunnen met toepassing van deze bevoegdheid een omgevingsvergunning verlenen voor de beschreven, doorgaans relatief kleinschalige afwijkingen van de bouw- of gebruiksregels. Hierbij zijn de voorwaarden om deze bevoegdheden te kunnen toepassen, telkens aangegeven. Groen – Landschapselement Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de landschappelijke inpassing van de nieuw op te richten bedrijfswoning. Dit betreft een stroom ten zuidwesten van de bedrijfswoning. De gronden met deze bestemming zijn bedoeld voor het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van het groen en de bijbehorende groenvoorzieningen, natuur- en landschapswaarden. Daarnaast zijn (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en extensief recreatief medegebruik toegestaan. Binnen de bestemming zijn geen gebouwen toegestaan, maar uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Waarde – Archeologie 4 Er is een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ is opgenomen met het oog op het waarborgen van de archeologische belangen.
Voor het bouwen of uitvoeren van andere grondwerkzaamheden groter dan de in de bestemming aangegeven drempelwaarden, is een omgevingsvergunning op basis van een archeologisch onderzoek nodig. In voorkomende gevallen kunnen nadere voorwaarden aan de vergunning worden gesteld met het oog op eventuele archeologische waarden. De dubbelbestemming kan conform de algemene wijzigingsregels worden verwijderd, als aangetoond is dat er geen kans op het aantreffen van archeologische waarden is.
Hoofdstuk 5
42
6.
UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.1 Economische uitvoerbaarheid De uitvoering van de ontwikkeling is volledig voor rekening en risico van een particuliere initiatiefnemer. Met de initiatiefnemer zal de gemeente een anterieure realisatieovereenkomst sluiten zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 Wro juncto artikel 6.24 Wro. Met die overeenkomst is verzekerd dat alle wettelijk te verhalen kosten die de gemeente maakt, worden verhaald op de initiatiefnemer. Eventuele kosten voor de inrichting en overige voorzieningen zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond. 6.1.1 Financieel economische haalbaarheid De initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om het initiatief te kunnen realiseren. Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond. De haalbaarheid van de gehele grondexploitatie is kostendekkend. 6.1.2 Kostenverhaal Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro.
Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen: de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de bouw van één nieuwe bedrijfswoning. Er is derhalve sprake van een bouwplan als bedoeld in het Bro en dus is kostenverhaal aan de orde. Ten behoeve van onderhavig grondexploitatie heeft de gemeente met de ontwikkelende partij een (anterieure) realisatieovereenkomst gesloten waarin de kosten voor de grondexploitatie worden verhaald op deze ontwikkelende partij.
Hiermee is het verhaal van kosten anderszins verzekerd en is het opstellen van een exploitatieplan in dit kader op basis van artikel 6.12 lid 2 van de Wro niet noodzakelijk. De raad heeft ook voor het overige afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan.
Hoofdstuk 6
43
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het gewenst dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden: Vooroverleg; Zienswijzen; Inspraak; Vaststellingsprocedure. 6.2.1 Vooroverleg en inspraak Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. Zowel het waterschap Rivierland als de provincie Gelderland hebben gereageerd met een reactie.
De reactie van de provincie Gelderland is als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd. De Wro zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze en aan wie de mogelijkheid wordt geboden hun mening kenbaar te maken. 6.2.2 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure wordt het bestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen. Te zijner tijd zullen de uitkomsten van de ter inzagelegging en de consequenties voor het bestemmingsplan worden beschreven in deze paragraaf.
Hoofdstuk 6
44
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Natuurtoets Bijlage 2: AERIUS berekening Bijlage 3: Waterparagraaf Bijlage 4: Geluidbelasting Bijlage 5: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 6: Bedrijfsplan Bijlage 7: Landbouwkundig advies inzake realisatie bedrijfswoning aan de Ophemertsestraat 3A te Ophemert t.n.v. Vissers Fruit V.O.F. Bijlage 8: Landschappelijke inpassing Bijlage 9: Geuronderzoek Bijlage 10: Vooroverlegreactie Provincie
Hoofdstuk 6
45
Ophemertsestraat 3a, Ophemert
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
4
Artikel 1 Artikel 2
Begrippen Wijze van meten
4 10
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
11
Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6
Agrarisch Groen - Landschapselement Waarde - Archeologie 4 Waterstaat - Beheerszone watergang
11 16 18 20
Hoofdstuk 3
Algemene regels
22
Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12
Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels
22 23 24 25 26 27
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
29
Artikel 13 Artikel 14
Overgangsrecht Slotregel
29 30
2
Bestemmingsplan "Ophemertsestraat 3a, Ophemert" (ontwerp)
Regels
Hoofdstuk 6
46
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
Inleidende regels
Begrippen
plan:
Het bestemmingsplan Ophemertsestraat 3a, Ophemert met identificatienummer NL.IMRO.1960.bpOPHophemstraat3a-OW01 van de gemeente West Betuwe. 1.2
bestemmingsplan:
De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels. 1.3
aanbouw:
een aan het hoofdgebouw gebouwd gebouw, dat bouwkundig ondergeschikt is aan het hoofdgebouw en in functioneel opzicht deel uitmaakt van het hoofdgebouw. 1.4
aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.5
aan-huis-verbonden beroep:
een (para)medisch, juridisch, administratief, therapeutisch, verzorgend, ontwerptechnisch, kunstzinnig of daarmee gelijk te stellen beroep of bedrijf dat, in een woonruimte wordt uitgeoefend, inclusief ondergeschikte productie gebonden detailhandel. 1.6
aan-huis-verbonden bedrijf:
een ambachtelijk, handels-technisch, constructietechnisch of daarmee gelijk te stellen beroep of bedrijf in milieucategorie 1 of 2, al dan niet met ondergeschikte productie gebonden detailhandel. 1.7
agrarisch bedrijf:
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, of het fokken en houden van dieren, nader te onderscheiden in: Grondgebonden agrarisch bedrijf: een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Grondgebonden bedrijven zijn in ieder geval: akkerbouw-, fruitteelt,- en vollegrondstuinbouwbedrijven en boomteeltbedrijven, waarvan de bomen rechtstreeks in de grond zijn geplant. Melkveebedrijven worden hieronder ook begrepen; Niet-grondgebonden agrarisch bedrijf: een agrarisch bedrijf waarvan de productie niet in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond. Niet-grondgebonden bedrijven zijn intensieve veehouderijen, glastuinbouwbedrijven en grondgebonden teeltbedrijven en kwekerijen, zoals champignonteeltbedrijven, witlofkwekerijen, nertsenkwekerijen en sommige viskwekerijen en wormenkwekerijen; Grondgebonden veehouderij: 4
Bestemmingsplan "Ophemertsestraat 3a, Ophemert" (ontwerp)
een agrarisch bedrijf voor het houden van vee waarbij het houden van vee geheel of grotendeels afhankelijk is van het producerend vermogen van de grond waarover het bedrijf kan beschikken, met uitzondering van mestkalverhouderijen, paardenhouderij en manege; 1.8
ambachtelijk bedrijf:
een bedrijf, dat is gericht op het geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, bewerken of herstellen van goederen - alsook in verband hiermee en als nevenactiviteit van ondergeschikt belang het verkopen en/of leveren van goederen. 1.9
arbeidsmigrant:
arbeiders/arbeidskrachten die niet afkomstig zijn uit Nederland. 1.10
archeologisch deskundige:
de door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van archeologie. 1.11
archeologisch monument:
terrein dat op basis van de Erfgoedwet is aangewezen als beschermd archeologisch monument. 1.12
archeologisch onderzoek:
onder archeologisch onderzoek wordt verstaan het verrichten van een archeologisch onderzoek, in de zin van de KNA. Een archeologisch onderzoek mag enkel worden verricht door een dienst, bedrijf of instelling erkend door het College voor de Archeologische Kwaliteit (CvAK), beschikkend over een opgravingsvergunning ex artikel 39 van de Monumentenwet of een certificaat ex artikel 5.1 Erfgoedwet en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA). 1.13
archeologische verwachting:
de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten. 1.14
archeologische waarde:
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische relicten. 1.15
bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.16
bebouwingspercentage:
een op de verbeelding of in de regels aangegeven percentage, dat de grootte aangeeft van het deel van het bouwperceel, dat ten hoogste mag worden bebouwd.
Bestemmingsplan "Ophemertsestraat 3a, Ophemert" (ontwerp)
5
1.17
bed & breakfast:
een voorziening gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt, als ondergeschikte toeristisch-recreatieve activiteit. Onder een bed & breakfast-voorziening wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid. 1.18
bedrijfsgebouw:
een gebouw dat geschikt is voor bedrijfsmatige activiteiten, niet zijnde kassen. 1.19
bedrijfswoning:
een woonruimte in of bij een gebouw of op een terrein kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is. 1.20
bestaand:
bestaand op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. 1.21
bijbehorend bouwwerk:
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.22
bijgebouw:
een niet voor bewoning bestemd op zichzelf staand gebouw, dat zowel bouwkundig als functioneel ondergeschikt is aan het hoofdgebouw en ten dienste staat van het hoofdgebouw. 1.23
bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.24
bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.25
bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.26
bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.
6
Bestemmingsplan "Ophemertsestraat 3a, Ophemert" (ontwerp)
1.27
dagrecreatie:
recreatieve activiteit die plaats vindt binnen een periode van een uur voor zonsopgang tot een uur na zonsondergang in de vorm van extensieve dagrecreatie welke in hoofdzaak gericht is op natuurbeleving en landschapsbeleving zoals wandelen, skeeleren, fietsen of kanoën. 1.28
detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen het uitstallen ten verkoop, het verkopen of bewaren van goederen aan diegenen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; dienstverlening door een horecabedrijf wordt hieronder niet begrepen. 1.29
evenement:
alle tot vermaak en recreatie bedoelde tijdelijke al dan niet periodiek terugkerende activiteiten op of aan de openbare weg, dan wel voor publiek toegankelijk, zoals feesten, markten, braderieën, sportwedstrijden, voorstellingen, optochten en dergelijke. 1.30
extensief recreatief medegebruik:
recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, paardrijden en sportvissen, die plaats vinden binnen een periode van een uur voor zonsopgang tot een uur na zonsondergang. 1.31
gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.32
hoofdgebouw:
een of meerdere panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op de bestemming het belangrijkst is. 1.33
inrichting:
elke door de mens bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht. 1.34
inwoning:
twee of meer huishoudens die één woning bewonen met gemeenschappelijk gebruik van één of meer voorzieningen of (verblijfs)ruimten van die woning en waarbij de woning één hoofdtoegang behoudt en de voorzieningen c.q. (verblijfs)ruimten onderling vrij toegankelijk zijn.
Bestemmingsplan "Ophemertsestraat 3a, Ophemert" (ontwerp)
7
1.35
kampeermiddel:
een tent, tentwagen, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde waarvoor op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning voor het bouwen vereist is; een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend bestemd of opgericht dan wel kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. 1.36
ketenactiviteiten:
alle activiteiten behorende tot de bedrijfsvoering van een agrarisch bedrijf, zoals telen, bewaren, sorteren, verwerken en distributie van agrarische producten. 1.37
kleinschalig kamperen:
een voorziening gericht op kleinschalig recreatief nachtverblijf op gronden met een andere hoofdfunctie, zoals kamperen bij de boer. 1.38
landschappelijke waarde:
waarden in landschappelijk-esthetische en geomorfologische zin. 1.39
maaiveld:
de bovenkant van het aansluitende afgewerkte terrein dat een bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein het gemiddelde van die bovenkanten wordt aangehouden. 1.40
opslag, statische (binnen)opslag:
binnenopslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, niet bestemd zijn voor handel en niet worden opgeslagen voor een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf. Het betreft bijvoorbeeld (seizoens)stalling van (antieke) auto's, boten, caravans, campers en dergelijke. 1.41
opslag, dynamische (binnen)opslag:
binnenopslag van goederen die een regelmatige verplaatsing behoeve vanwege productie en/of handel voor het eigen bedrijf. 1.42
opslag, buitenopslag:
buitenopslag van goederen die een regelmatige verplaatsing behoeve vanwege productie en/of handel voor het eigen bedrijf. 1.43
pand:
de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is. 1.44
perceelsgrens:
de grens van een bouwperceel.
8
Bestemmingsplan "Ophemertsestraat 3a, Ophemert" (ontwerp)
1.45
seksinrichting:
een inrichting, bestaande uit een of meer voor publiek toegankelijke besloten ruimten, waarin bedrijfsmatig of op een daarmee vergelijkbare wijze, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden; onder een hiervoor bedoelde inrichting worden in elk geval verstaan: een bordeel, seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, parenclub en erotische massagesalon, al of niet in combinatie met elkaar. 1.46
vereveningseffect:
toename van stikstofemissie binnen een inrichting terwijl binnen een of meerdere andere inrichting(en), al dan niet in hetzelfde plangebied, een afname van de stikstofemissie plaatsvindt zodat de totale stikstofdepositie op een voor stikstof overbelast Natura 2000-gebied ten opzichte van de voor het betreffende gebied relevante referentiedatum aantoonbaar niet toeneemt, of door de initiatiefnemer wordt aangetoond dat er concreet zicht is op het verkrijgen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming, dan wel indien aangetoond wordt dat de toename past binnen, bij of krachtens de Wet natuurbescherming opgestelde regels. 1.47
voorgevellijn:
de lijn waarin de voorgevel van het hoofdgebouw is gelegen alsmede het verlengde daarvan. 1.48
woning/woonruimte:
een besloten ruimte, die al dan niet tezamen met één of meer andere ruimten, bestemd is voor de bewoning door één huishouden.
Bestemmingsplan "Ophemertsestraat 3a, Ophemert" (ontwerp)
9
Artikel 2
Wijze van meten
Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
afstand tot de zijdelingse perceelsgrens:
de kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk. 2.2
bebouwd oppervlak van een bouwperceel:
de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen. 2.3
bebouwingspercentage:
het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de bestemming, of binnen een in de planregels nader aan te duiden gedeelte van die bestemming. 2.4
bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil verticaal tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.5
breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren. 2.6
goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.7
inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.8
oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.9
peil:
a. voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang vermeerderd met 0,20 m; b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte bouwterrein vermeerderd met 0,20 m.
10
Bestemmingsplan "Ophemertsestraat 3a, Ophemert" (ontwerp)
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Agrarisch
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. grondgebonden agrarische bedrijven; b. ketenactiviteiten behorende bij de onder a. bedoelde bedrijven; c. hobbymatige grondgebonden agrarische activiteiten; d. een bedrijfswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'; e. aan-huisgebonden-beroepen en bedrijven; f. kleinschalig kamperen; g. bed and breakfast; h. dagrecreatie; i. tuinen, erven en verhardingen; j. parkeervoorzieningen; k. groenvoorzieningen; l. nutsvoorzieningen; m. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 3.2
Bouwregels
3.2.1
Algemeen
Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende regels: a. Per bouwvlak mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van één agrarisch bedrijf worden gebouwd. 3.2.2
Bedrijfsgebouwen
Bedrijfsgebouwen zijn niet toegestaan. 3.2.3
Bedrijfswoningen
Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels: a. Bedrijfswoningen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'. b. Per aanduidingsvlak 'bedrijfswoning' is maximaal één bedrijfswoning toegestaan. c. De inhoud van de bedrijfswoning mag niet meer dan 800 m³ bedragen. d. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 6 m. e. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m. 3.2.4
Aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij de bedrijfswoning
Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij de bedrijfswoning gelden de volgende regels: a. Aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak, alsmede buiten het bouwvlak op ten minste 3 m achter de voorgevellijn van de bedrijfswoning worden gebouwd. b. De maximale gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 100 m² per bouwperceel. c. De goothoogte van bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 4 m. d. De bouwhoogte van bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 6 m. e. In afwijking van het bepaalde b, mag op de gronden voor de voorgevellijn per woning één aanbouw,
Bestemmingsplan "Ophemertsestraat 3a, Ophemert" (ontwerp)
11
zoals een portaal of erker worden gebouwd, met dien verstande dat: 1. de oppervlakte niet meer mag bedragen dan maximaal 6 m²; 2. de diepte niet meer mag bedragen dan 1,5 m; 3. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 4 m; 4. de breedte niet meer mag bedragen dan 50% van de gevel. 3.2.5
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen het bouwvlak
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen het bouwvlak gelden de volgende regels: a. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte voor de voorgevellijn van de bedrijfswoning niet meer mag bedragen dan 1 m. b. De bouwhoogte van poeren en poorten mag niet meer bedragen dan 2 m. c. De bouwhoogte van overige teeltondersteunende voorzieningen mag niet meer bedragen dan 3 m. 3.2.6
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten het bouwvlak
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buiten het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. Kuilvoerplaten en mestzakken zijn niet toegestaan buiten het bouwvlak. b. De hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m. c. Het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen is toegestaan, mits: 1. de hoogte niet meer bedraagt dan 3 m; 2. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 10 m². 3.3
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van: a. het bepaalde in 3.2.1 onder a voor het bouwen van hulpgebouwen ten behoeve van hobbymatige grondgebonden agrarische activiteiten onder de volgende voorwaarden: 1. het aantal hulpgebouwen mag niet meer bedragen dan één per hectare; 2. de afstand van het hulpgebouw tot bouwvlakken van derden mag niet minder bedragen dan 30 m; 3. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 20 m²; 4. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 2,5 m; 5. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 4 m; 6. er sprake is van een landschappelijke inpassing. b. Het bepaalde in 3.2.2 onder d voor een goothoogte tot maximaal 7,5 m, onder de volgende voorwaarde: 1. De afwijking dient noodzakelijk te zijn voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling van het bedrijf. Vooraf dient hieromtrent advies ingewonnen te worden bij een ter zake deskundige; c. Het bepaalde in 3.2.5 ten behoeve van de bouwhoogte van torensilo's, installaties en energievoorzieningen tot maximaal 15 m. 3.4
Specifieke gebruiksregels
3.4.1
Strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval begrepen: a. boomgaarden binnen een afstand van 50 meter tot (bedrijfs)woningen, sport- en recreatievoorzieningen en maatschappelijke voorzieningen, behoudens bestaande en vervanging van bestaande boomgaarden. 12
Bestemmingsplan "Ophemertsestraat 3a, Ophemert" (ontwerp)
b. Het gebruik van meer dan één bouwlaag van een bouwwerk voor het houden van dieren; c. Het opslaan van goederen van derden en het stallen van caravans; d. Het gebruik van bijgebouwen bij een bedrijfswoning als zelfstandige woningen en als afhankelijke woonruimte; e. Het gebruiken of laten gebruiken van een bedrijfswoning als burger-/plattelandswoning; f. Mestverwerking; g. Grootschalige opslag van aardoliehoudende vloeistoffen of schadelijke stoffen. 3.4.2
Ketenactiviteiten
Ketenactiviteiten zoals bedoeld in 3.1 onder b. zijn toegestaan onder de volgende voorwaarden: a. Ketenactiviteiten zijn uitsluitend toegestaan bij de verkoop van zelf geteelde danwel geproduceerde agrarische producten, al dan niet aangevuld met agrarische producten afkomstig van bedrijven uit de omgeving; b. De ketenactiviteiten mogen geen onevenredige belemmering vormen voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. 3.4.3
Aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven
Binnen de bestemming ‘Agrarisch' is de uitoefening van aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven toegestaan als nevengeschikte activiteit, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn: a. De omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de bebouwing tot een maximum van 50 m2. b. De activiteit dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn in de woonomgeving. c. Het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken. d. Detailhandel is niet toegestaan. e. De activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner. 3.4.4
Kleinschalig kamperen
a. Kleinschalig kamperen is toegestaan, waarbij maximaal 15 standplaatsen tot maximaal 3.000 m2 is toegestaan binnen of aansluitend aan het bouwvlak. b. Binnen het bouwvlak is maximaal 75 m2 aan sanitaire voorzieningen toegestaan. 3.4.5