CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

RV2024-043-Bijlage-BP-Ophemertsestraat-3a-Ophemert.pdf

Gemeenteraad 23 april 2024, gemeente West BetuweBij agendapunt: 9.: Vaststellen ontwerpbestemmingsplan Ophemertsestraat 3a, Ophemert22.883 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan Ophemertsestraat 3a, Ophemert Gemeente West Betuwe Ontwerp

Bestemmingsplan Ophemertsestraat 3a, Ophemert Gemeente West Betuwe Ontwerp

Rapportnummer:

P04777_4

IMRO-identificatienummer:

NL.IMRO.1960.bpOPHophemstraat3a-OW01

Datum:

15 september 2023

Opdrachtgever:

Gemeente West Betuwe

Projectteam BRO:

CVe, JvdA, EBa

Concept:

6 september 2022

Ontwerp:

15 september 2023

Vaststelling: Bron foto kaft:

BRO

Beknopte inhoud:

Realisatie van een bedrijfswoning en veranderen bouwvlak aan de Ophemertsestraat 3a te Ophemert

BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl

Toelichting

Hoofdstuk 6

47

Inhoudsopgave

pagina

1.INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer

4 4 4 5 7

2.PLANBESCHRIJVING 2.1Huidige situatie 2.2Noodzaak bedrijfswoning 2.3Ruimtelijke ontwikkeling

8 8 9 10

3.BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid

12 12

3.1.1 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid

13 13 14 16

3.3.1 Landschapsontwikkelingsplan 3.3.2 Wonen naar behoefte, woonvisie West Betuwe 2020 – 2030

16 17

4.OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Verkeer en parkeren

19 19

4.1.1 Toetsingskader 4.1.2 Onderzoek 4.1.3 Conclusie 4.2 Geluid

19 19 19 20

4.2.1 Toetsingskader 4.2.2 Doorwerking plangebied 4.2.3 Conclusie 4.3 Luchtkwaliteit

20 21 21 22

4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Onderzoek 4.3.3 Conclusie 4.4 Bedrijven en milieuzonering

22 22 24 24

4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Onderzoek 4.4.3 Conclusie

Inhoudsopgave

24 25 25

1

4.5 Geur agrarisch

25

4.5.1 Toetsingskader 4.5.2 Onderzoek 4.5.3 Conclusie 4.6 Kabels en leidingen 4.7 Externe veiligheid

25 26 27 27 27

4.7.1 Toetsingskader 4.7.2 Onderzoek 4.7.3 Conclusie 4.8 Ecologie

27 28 30 30

4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Onderzoek 4.8.3 Conclusie 4.9 Bodem

30 31 32 32

4.9.1 Toetsingskader 4.9.2 Onderzoek 4.9.3 Conclusie 4.10 Water

32 32 33 33

4.10.1 Toetsingskader 4.10.2 Onderzoek 4.10.3 Conclusie 4.11 Archeologie

33 34 35 35

4.11.1 Toetsingskader 4.11.2 Conclusie 4.12 Cultuurhistorie

35 36 37

4.12.1 Toetsingskader 4.12.2 Onderzoek 4.12.3 Conclusie 4.13 Spuitzones 4.14 M.e.r.-plicht

37 37 37 37 38

5.JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Plansystematiek 5.3 Bestemmingen

39 39 39 41

6.UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid

43 43

6.1.1 Financieel economische haalbaarheid 6.1.2 Kostenverhaal 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Inhoudsopgave

43 43 44

2

6.2.1 Vooroverleg en inspraak 6.2.2 Vaststellingsprocedure

44 44

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Natuurtoets Bijlage 2: AERIUS berekening Bijlage 3: Waterparagraaf Bijlage 4: Geluidbelasting Bijlage 5: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 6: Bedrijfsplan Bijlage 7: Landbouwkundig advies inzake realisatie bedrijfswoning aan de Bijlage 8: Landschappelijke inpassing Bijlage 9: Geuronderzoek Bijlage 10: Vooroverlegreactie Provincie

Inhoudsopgave

3

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding Het voornemen bestaat om op de locatie aan de Ophemertsestraat 3a te Ophemert een bedrijfswoning te realiseren en het bouwvlak te veranderen, zodat de bedrijfswoning gerealiseerd kan worden. De initiatiefnemer wenst de kop van het bouwvlak aan de zuidzijde 1.512 m² te verkleinen en dit oppervlak aan de westzijde bij het bouwvlak te voegen ten behoeve van de bedrijfswoning. Er is door Tempel advies een bedrijfsplan opgesteld waarin bedrijfseconomische noodzaak is aangetoond van een bedrijfswoning bij het fruitbedrijf. Die advies is als bijlage bijgevoegd. Door de Stichting Advisering Agrarische Bouwplannen (S/A/A/B) is advies (is als bijlage bijgevoegd) uitgebracht over het bedrijfseconomisch nut en noodzaak van een bedrijfswoning. Zie ook paragraaf 2.2. De gewenste uitbreiding van de bedrijfswoning, en daarmee het bouwvlak, past niet binnen de kaders van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ en ‘Buitengebied Neerijnen, herziening Ophemertsestraat 3a, 9 en 11 Ophemert’. De nieuwe bedrijfswoning past niet in de huidige bestemming ‘Agrarisch’. Om de ontwikkeling juridisch planologisch mogelijk te maken is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied aan de Ophemertsestraat ligt ten noordwesten van de kern Ophemert, in het buitengebied van Neerijnen, gemeente West Betuwe. Rondom het plangebied zijn voornamelijk agrarische gronden gelegen. Ook is er aangrenzend aan het plangebied een waterloop gelegen. De locatie staat kadastraal bekend als Ophemert, Sectie H, perceelnummers 565, 712, 714 en 716. De ligging van het plangebied is op onderstand afbeelding indicatief weergegeven.

Hoofdstuk 1

4

Figuur 1 Indicatieve ligging plangebied

In het vigerende bestemmingsplan ter plaatse van Ophemertsestraat 3a is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de realisatie en instandhouding van landschappelijke inpassing, welke gedeeltelijk op het beoogde perceel voor de bedrijfswoning in onderhavig plan ligt. Bij realisatie van onderhavig plan, zou niet meer aan deze voorwaardelijke verplichting (kunnen) worden voldaan. Daarom wordt het bestemmingsplan vigerende bestemmingsplan ter plaatse van Ophemertsestraat 3a herzien door middel van de aanduiding ‘overige zone – herziening planregels’ wordt de oorspronkelijke voorwaardelijke verplichting vervangen door een nieuwe voorwaardelijke verplichting voor de realisatie en instandhouding van de landschappelijke inpassing voor de bedrijfsbebouwing.

1.3 Vigerende bestemmingsplannen In het plangebied gelden momenteel meerdere ruimtelijke plannen, namelijk:  Buitengebied (vastgesteld op 18 februari 2016);  Buitengebied Neerijnen, herziening Ophemertsestraat 3a, 9 en 11 Ophemert (vastgesteld op 27 september 2018;  Buitengebied Neerijnen, veegplan 2017 (vastgesteld op 6 december 2018. Daarnaast is het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019’ van toepassing. Een paraplubestemmingsplan is een partiële herziening van meerdere bestemmingsplannen. Op één of meer

Hoofdstuk 1

5

aspecten worden diverse bestemmingsplannen met een paraplubestemmingsplan aangepast of aangevuld, voor het overige blijven de desbetreffende bestemmingsplannen van kracht. Voor het vigerende paraplubestemmingsplan ter plaatse geldt dat uitsluitend het aspect parkeren is aangevuld. Op basis van de bestemmingsplannen ‘Buitengebied’ en ‘Buitengebied Neerijnen, herziening Ophemertsestraat 3a, 9 en 11 Ophemert’ geldt op de locatie de bestemming ‘Agrarisch’. Daarnaast zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’ (beide bestemmingsplannen) en ‘Waarde – Archeologie 3’ (zuidelijke deel van perceelnummer 714 in bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, herziening Ophemertsestraat 3a, 9 en 11 Ophemert) opgenomen. Ook is de gebiedsaanduiding ‘overige zone – oeverwal-stroomrug’ opgenomen. Binnen het bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, herziening Ophemertsestraat 3a, 9 en 11 Ophemert is daarnaast nog de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen uitgesloten – plattelandswoning’ gelegen. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Neerijnen, herziening Ophemertsestraat 3a, 9 en 11 Ophemert’ is het bouwperceel en daarmee de bouwmogelijkheden op de Ophemertsestraat 9 verplaatst naar Ophemertsestraat 3. Op Ophemertsestraat 9 waren voor de herziening twee bedrijfswoningen toegestaan. De twee bedrijfswoningen zijn met de herziening aangeduid als plattelandswoningen.

Voor de herziening was op het perceel aan de Ophemertsestraat 3a de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 0’opgenomen, waarbij in de regels een wijzigingsbevoegdheid was opgenomen voor een eerste bedrijfswoning. Met de herziening is op Ophemertsestraat 3a de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen uitgesloten – plattelandswoning’ opgenomen, waarbij in de regels is gesteld dat bedrijfswoningen niet zijn toegestaan. Een wijzigingsbevoegdheid ontbreekt. Medewerking verlenen aan een bedrijfswoning via een herziening van het bestemmingsplan is dan ook noodzakelijk.

Hoofdstuk 1

6

Figuur 2 Uitsnede vigerende bestemmingsplannen (ligging plangebied indicatief weergegeven)

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In het laatste hoofdstuk komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.

Hoofdstuk 1

7

2.

PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen aan de Ophemertsestraat 3a te Ophemert. De Ophemertsestraat betreft een weg waaraan nagenoeg uitsluitend agrarische percelen gelegen zijn. Het plangebied wordt begrensd door agrarische gronden aan de oost-, zuid- en westzijde. Ten noorden is de Ophemertsestraat gelegen. Grenzend aan de Ophemertsestraat is een watergang gelegen. Het plangebied bestaat voornamelijk uit onverhard terrein welke in gebruik is voor agrarische bedrijvigheid. Aan de oostzijde van de toekomstige bedrijfswoning zijn de bedrijfsgebouwen gelegen. Tussen de toekomstige bedrijfswoning en de bedrijfsgebouwen is een weg gelegen. Deze weg lijdt naar de achterzijde van de bedrijfsgebouwen. De bedrijfsbebouwing bestaat uit verschillende tegen elkaar geplaatste schuren. Rondom het plangebied zijn voornamelijk agrarische onverharde gronden gelegen. Aan de westzijde van het plangebied is een woningen gelegen. Het plangebied heeft een omvang van circa 3.024 m². De begrenzing van het plangebied is op figuur 3 zichtbaar. Hierop is ook de huidige situatie in het plangebied en de directe omgeving zichtbaar.

Hoofdstuk 2

8

Figuur 3 Huidige situatie plangebied rood omlijnd)

2.2 Noodzaak bedrijfswoning Een bedrijfswoning op de locatie is noodzakelijk voor een adequate bedrijfsvoering en voor het behalen van goede, duurzame bedrijfsresultaten op lange termijn. De risico’s van calamiteiten bij koelen en nachtvorstbestrijding zijn groot. De noodzakelijke werkzaamheden buiten de normale werktijden leggen een grote wissel op het privé leven. De betreffende werkzaamheden kunnen praktisch gezien vrijwel alleen worden uitgevoerd door een verantwoordelijke die bij het bedrijf woonachtig is en snel ter plaatse kan zijn. Er is door Tempel advies een bedrijfsplan opgesteld waarin bedrijfseconomische noodzaak is aangetoond van een bedrijfswoning bij het fruitbedrijf. Die advies is als bijlage bijgevoegd. Door de Stichting Advisering Agrarische Bouwplannen (S/A/A/B) is advies (is als bijlage bijgevoegd) uitgebracht over het bedrijfseconomisch nut en noodzaak van een bedrijfswoning. De S/A/A/B concludeert (na bestudering van de stukken en een bedrijfsbezoek) dat er sprake is van een meer dan ruim volwaardig agrarisch bedrijf in de vorm van een fruitteeltbedrijf. Er wordt beschikt over een tweede bedrijfslocatie aan de Uilenburgsestraat 31, die op zichzelf ook als volwaardig kan worden geschouwd. Gelet op bedrijfsparticipatie van de twee zonen en de bestaande bedrijfsvoering is sprake van voldoende toekomstperspectief.

Aangaande de noodzaak van een bedrijfswoning is de S/A/A/B van mening dat met een bedrijfswoning op de locatie zelf beter toezicht mogelijk is op de koeling en het komen en gaan van vervoerders, hetgeen de efficiëntie van de bedrijfsvoering ten goede komt.

Hoofdstuk 2

9

Gelet op de omvang van de koel- er sorteercapaciteit en daarmee het risico, is de realisatie van een bedrijfswoning naar mening van de S/A/A/B mede te rechtvaardigen. Vanuit deze bedrijfswoning kan de bedrijfsvoerder snel ingrijpen bij calamiteiten op het bedrijf, de koeling en de arbeidsmigrantenhuisvesting. De S/A/A/B oordeelt dat er sprake is van een ruim volwaardig agrarisch bedrijf, waarbij de oprichting van een bedrijfswoning uit landbouwkundig oogpunt als noodzakelijk wordt geacht voor een doelmatige bedrijfsvoering. De bedrijfswoning zal qua aard en omvang passen in de omgeving (zie paragraaf 2.2) waarin het is gelegen en zal volledig gasloos worden gerealiseerd.

2.3 Ruimtelijke ontwikkeling Het voornemen bestaat om een bedrijfswoning te realiseren aan de westzijde van de huidige bedrijfsbebouwing. Het meest zuidelijke deel van het huidige bouwvlak zal worden verplaats naar de locatie aan de westzijde van de huidige bedrijfsbebouwing. Het oppervlak dat aan de zuidzijde van het huidige bouwvlak zal worden verplaatst bedraagt 1.512 m². Op de locatie waar de verplaatsing van het bouwvlak is voorzien zal de realisatie van een nieuwe bedrijfswoning mogelijk worden gemaakt. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt ligt de bedrijfswoning is aflopende lijn met de woning Ophemertsestraat 5 en de bedrijfsbebouwing op nummer 3a, zie figuur 4. Doordat het planvoornemen uitsluitend voorziet in een verplaatsing van het bouwvlak treedt er geen vergroting op van het bouwvlak. In het overige deel van het agrarisch bedrijf treden geen wijzigingen op.

Figuur 4 Huidige en toekomstige situatie plangebied

Door Lindeloof Tuin- en landschapsarcitecten is een landschappelijke inpassing opgesteld, zie de landschappelijke inpassing die is opgenomen in de bijlage. Figuur 5 laat de landschappelijke inpassing zien. De landschappelijk inpassing is verankerd met een voorwaardeljke verplichting.

Hoofdstuk 2

10

In het vigerende bestemmingsplan ter plaatse van Ophemertsestraat 3a is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de realisatie en instandhouding van landschappelijke inpassing, welke gedeeltelijk op het beoogde perceel voor de bedrijfswoning in onderhavig plan ligt. Bij realisatie van onderhavig plan, zou niet meer aan deze voorwaardelijke verplichting (kunnen) worden voldaan. Daarom wordt het bestemmingsplan vigerende bestemmingsplan ter plaatse van Ophemertsestraat 3a herzien. Dit is als volgt geregeld:  Er is een nieuw landschappelijk inpassingsplan opgesteld voor de gehele locatie Ophemertsestraat 3a, waarmee zowel de bedrijfsbebouwing als de bedrijfswoning landschappelijk worden ingepast. Hierin is onderscheid gemaakt in de maatregelen die (primair) zien op de inpassing van de bedrijfsbebouwing en de maatregelen die (primair) zien op de inpassing van de bedrijfswoning.  In de bestemming ‘Agrarisch’ in onderhavig plan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de realisatie en instandhouding van de landschappelijke inpassing voor de bedrijfswoning.  Door middel van de aanduiding ‘overige zone – herziening planregels’ wordt de oorspronkelijke voorwaardelijke verplichting vervangen door een nieuwe voorwaardelijke verplichting voor de realisatie en instandhouding van de landschappelijke inpassing voor de bedrijfsbebouwing.

De bijlage uit het vigerende bestemmingsplan is dan niet meer van toepassing, maar enkel het nieuwe integrale landschappelijke inpassingsplan.

Figuur 5 Landschappelijke inpassing (Bron: Lindeloof Tuin- en landschapsarchitecten)

Hoofdstuk 2

11

3.

BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2024, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van art. 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.

Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:  ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  duurzaam economisch groeipotentieel;  sterke en gezonde steden en regio’s;  toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven:  Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies.  Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal.  Afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen: 1. bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving;

Hoofdstuk 3

12

5. zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. beperken van klimaatverandering; 11. realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21.

ontwikkelen van een duurzame visserij. Doorwerking plangebied De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is dermate kleinschalig van aard waardoor er geen nationale belangen spelen voor de voorgenomen ontwikkeling. Op enkele doelstellingen, waaronder het zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de behoefte en het streven naar een duurzame en klimaatbestendige omgeving, speelt het initiatief in doordat er wordt voorzien in het realiseren van een bedrijfswoning ten behoeve van het fruitbedrijf. Daarnaast zal de nieuwe bedrijfswoning voldoen aan de BENG-normen. 3.1.1 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de voormalige Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (inmiddels opgevolgd door de NOVI) die juridische borging vragen, zijn geborgd in het Barro. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Doorwerking plangebied Gelet op het ontbreken van nationale belangen die met het plan gemoeid zijn, kan een nadere toetsing aan het Barro achterwege blijven.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een

Hoofdstuk 3

13

‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Door de omvang van het ruimtelijk initiatief kan dit niet worden beschouwd als zijnde een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ als bedoeld in art. 1.1.1. van het Bro.

Bovendien voorziet het plan niet in een functiewijziging en blijkt uit diverse onderzoeken (zie hoofdstuk 4) dat onderhavig plan geen negatieve ruimtelijke effecten zal hebben op de omgeving en milieuhygienische waarden binnen en rondom het plangebied. De in het plan voorziene ontwikkeling kan dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Provinciale Staten van Gelderland hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. De provincie Gelderland heeft twee hoofddoelen geformuleerd die bijdragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn: 1. een duurzame economische structuur; 2. het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving. Economische structuurversterking vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Dat is een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden. Het betekent ook een aantrekkelijke woon- en leefomgeving. Een gezonde economie met een aantrekkelijk vestigingsklimaat vraagt om krachtige steden en vitale dorpen met voldoende werkgelegenheid. Het streven is om de concurrentiekracht van Gelderland te vergroten door een duurzame versterking van de ruimtelijk-economische structuur. Dit betekent dat de provincie zich met haar partners onder andere richt op kansen bieden aan bestaande en nieuwe bedrijven. Een aantrekkelijke leefomgeving vergt een goede kwaliteit en beleving van natuur en landschap in Gelderland, een gezonde en veilige leefomgeving en een robuust bodem- en watersysteem. De pro-

1

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).

Hoofdstuk 3

14

vincie zet daarom in op het waarborgen en op het verder ontwikkelen van die kwaliteiten van Gelderland. De realisatie van deze tweede centrale doelstelling betekent onder andere: het ontwikkelen met kwaliteit, recht doen aan de ruimtelijke, landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van de plek, het zorg dragen voor een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden en het behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap. De provincie streeft naar een klimaatbestendig/klimaatadaptief Gelderland in 2050. Klimaatbestendigheid wordt als voorwaarde meegegeven voor bijvoorbeeld ruimtelijke plannen. Doorwerking plangebied Het plangebied is gelegen in regio Rivierenland. Rivierenland wordt gekenmerkt door groen open gebied, omzoomd door rivieren. Er is ruimte voor dynamiek en ontwikkeling, met name logistiek, agrobusiness en vrijetijdseconomie. Van belang is daarbij de balans tussen koesteren, vernieuwen en benutten. De beoogde ontwikkeling betreft het verplaatsen van een deel van een bestaand bouwvlak ten behoeve van de realisatie van een bedrijfswoning aan de westzijde van een reeds aanwezig fruitbedrijf. Deze ontwikkeling past in de provinciale beleidsdoelen, omdat er op de locatie van het plangebied een versterking optreedt van de agrarische sector door het optimaliseren van de bedrijfsvoering zie paragraaf 2.2.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt klimaatadaptief gebouwd. Vanuit het waterschap Rivierenland en de gemeente West Betuwe wordt geëist de waterbergingsafname door de toename van het verhard oppervlak te compenseren. De waterverordening van gemeente West Betuwe verplicht om verhard oppervlak van nieuwe bebouwing/ terreinverharding te compenseren in bergingsvoorzieningen, zie ook paragraaf 4.10. Het beoogde initiatief is hiermee in lijn met de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. 3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening of verordening) vastgesteld op 24 september 2014. De verordening wordt geregeld geactualiseerd. De meest recente versie van de Omgevingsverordening dateert van 1 januari 2023. De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften.

Doorwerking plangebied Voor het plangebied gelden op basis van de Omgevingsverordening de volgende regels: Artikel 2.17, glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied; Artikel 2.65b, klimaatadapatie; Artikel 3.23, minder kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied; Artikel 3.56, aanwijzing stiltegebieden. Het planvoornemen voorziet niet in de uitbreiding of oprichting van een glastuinbouwbedrijf, maar in de verplaatsing van een deel van het huidige bouwvlak ten behoeve van de realisatie van een bedrijfswoning. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt klimaatadaptief gebouwd. Zie de paragrafen 3.3.2 en

Hoofdstuk 3

15

4.10 (Waterparagraaf). In de gebieden die zijn aangewezen als minder kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied geldt dat werkzaamheden op een diepte van 30 meter of meer zijn verboden. Indien bodemenergiesystemen worden aangelegd dieper dan 30 meter, dient een melding te worden gedaan. Er vindt door de bouw van de bedrijfswoning geen aantasting plaats van de beschermende bodemlaag. Er worden geen werkzaamheden verricht op een diepte van 30 meter of meer onder maaiveld. Binnen stiltegebieden is het verboden een toestel te gebruiken dat het ervaren van de natuurlijke geluiden kan verstoren en met een motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen. Van beide is geen sprake, omdat het gaat om de realisatie van een bedrijfswoning. Geconcludeerd kan worden dat de verordening geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie De Omgevingsvisie is vastgesteld op 22 februari 2022. De Omgevingsvisie beschrijft de hoofdlijnen van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling tot 2040 en biedt een kader voor toekomstige initiatieven. In paragraaf 3.5 van de Omgevingsvisie worden de ambities voor de landbouw verwoord:  Als West Betuwe blijven we ons ontwikkelen als dé fruitgemeente van Nederland. We zoeken daarbij naar een gezonde balans in het bieden van ruimte voor uitbreiding, schaalvergroting, teeltondersteunende voorzieningen en het versterken van ons landschap, bescherming van de cultuurhistorie, de natuur en de gezondheid van onze inwoners.  We zetten als gemeente West Betuwe in op het benutten van koppelkansen in kringlooplandbouw en ondersteunen innovatieve agrariërs hierin: klimaatadaptatie (waterberging), maatregelen voor een gezonde bodem, telen onder zonnepanelen, behoud landschappelijke kwaliteit, natuurbeheer en het bevorderen van biodiversiteit.  Bij (nieuwe) agrarische ontwikkelingen in West Betuwe zal de gemeente kringloop landbouw stimuleren en ondersteunen.  Bij vrijkomende agrarische bebouwing (VAB’s) bekijken we met eigenaar en omgeving naar alternatieve bij het landschap passende invulling voor het vastgoed zoals recreatie, wonen, zorg etc..

Doorwerking plangebied De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling betreft de toevoeging van slechts één nieuwe bedrijfswoning aan de Ophemertsestraat 3a te Ophemert. De bedrijfswoning behoort tot het reeds bestaande fruitbedrijf. Derhalve kan worden verondersteld dat het plan in overeenstemming is met de Omgevingsvisie. 3.3.1 Landschapsontwikkelingsplan Een landschapsontwikkelingsplan (LOP) biedt inspiratie voor projecten om landschappelijke structuren te benadrukken en te versterken. Daarnaast is een LOP een inspiratiedocument om ruimtelijke ontwikkelingen landschappelijk verantwoord plaats te laten vinden. In 2008 is een LOP opgesteld door de toenmalige gemeentes Lingewaal, Geldermalsen en Neerijnen. Het is één document voor de drie gemeentes. Bij het opstellen van het LOP West Betuwe 2023 is voortgebouwd op het LOP uit 2008. Doorwerking plangebied Voorliggend bestemmingsplan betreft de realisatie van een bedrijfswoning. Verder treden er geen wijzigingen op binnen het plangebied. Door Lindeloof Tuin- en landschapsarcitecten is een

Hoofdstuk 3

16

landschappelijke inpassing opgesteld (zie paragaaf 2.3), zie de landschappelijke inpassing die is opgenomen in de bijlage. De landschappelijk inpassing is verankerd met een voorwaardeljke verplichting. De nieuwe bedrijfswoning is bereikbaar via de huidige entree van het terrein. De waarden en kenmerken van het landschapstype waarop de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is voorzien worden niet aangetast. Zie ook paragraaf 3.3.2. voor de onderbouwing van de nut en noodzaak van een bedrijfswoning. 3.3.2 Wonen naar behoefte, woonvisie West Betuwe 2020 – 2030 In de gemeentelijke woonvisie “Bouwen naar behoefte”, vastgesteld in december 2020, is opgenomen dat we willen bouwen in elke kern, passend bij de aard van de vraag en de omvang van het dorp. We zorgen ervoor dat we nu en in de toekomst ruimte bieden voor de vraag uit de eigen bevolking. Elk dorp behoudt zijn dorpse karakter, groene kwaliteit en sterke sociale cohesie. Tot 2030 voeren we een versnelling door in de ontwikkeling van De Plantage. Daarnaast zetten we in op een grootschalige ontwikkeling in de kern Beesd van ongeveer 150 woningen. Daarnaast zijn de dorpen aan zet. Bij lokaal draagvlak is er in elke kern ruimte voor kleinschalige ontwikkeling van ongeveer 10 woningen. In de woonvisie wordt rekening gehouden met een woningbouwprogramma van ongeveer 2.200 woningen tot 2030.

Dit scenario betekent dat het aantal inwoners stijgt van ruim 51.000 nu tot 60.000 in 2040. Het versnellen van het woningbouwprogramma draagt bij aan het draagvlak voor verenigingen en voorzieningen, en dempt de effecten van vergrijzing en ontgroening doordat meer jonge gezinnen een plek vinden. Het draagt ook bij aan het verminderen van de druk op de woningmarkt in de Randstad, met name rond Utrecht. We willen ook op lange termijn een woningvoorraad in balans, met voldoende woningen voor elke inkomensgroep. In nieuwe plannen zorgen we voor een goed evenwicht met 30% sociale huurwoningen en goedkope en betaalbare koopwoningen tot 230.000 euro, 30% woningen in de prijscategorie 230.000 - 400.000 euro en 40% boven 400.000 euro. Voor bestaande plannen zoeken we gezamenlijk met ontwikkelaars, corporaties en provincie naar mogelijkheden om meer sociale huurwoningen toe te voegen. Dat vraagt van alle partijen flexibiliteit en inzet op het gebied van planinvulling, kostenoptimalisatie en financiële inzet. Naast een vernieuwingsopgave kent de sociale huursector een transformatie-opgave: meer woningen voor senioren, meer woningen voor kleine huishoudens, minder eengezinswoningen en op sommige plaatsen een resterende vernieuwingsopgave voor oudere woningen.

Woningen voor ouderen plannen we met name in de kernen waar basisvoorzieningen zoals winkels, zorgvoorzieningen en openbaar vervoer aanwezig zijn. Er ligt een verduurzamingsopgave voor woningen. Op dit moment heeft 42% van alle woningen energielabel A of B. Uit het klimaatakkoord volgt dat in 2050 vrijwel alle woningen CO2-neutraal moeten zijn; dit betekent dat nog een forse stap nodig is bij het isoleren, besparen en opwekken van energie in woningen. Bij de verduurzaming van woningen en woongebieden zijn aanpassingen aan klimaatverandering en circulair bouwen belangrijk. Doorwerking plangebied Met de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling wordt een nieuwe bedrijfswoning mogelijk gemaakt in het buitengebied van de gemeente West Betuwe. De ontwikkeling zal uitsluitend gepaard gaan met de realisatie van de bedrijfswoning behorende bij het huidige bedrijf aan de Ophemertsestraat 3a. Hierbij zal er geen aantasting optreden van de landschappelijke kwaliteiten van het gebied. Zie paragraaf 2.3. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt klimaatadaptief gebouwd. Vanuit het waterschap Rivierenland wordt geëist om de waterbergingsafname voor de toename van het verhard oppervlak te compenseren. De waterverordening van de gemeente West-Betuwe verplicht het om verhard oppervlak van

Hoofdstuk 3

17

nieuwe bebouwing/ terreinverharding te compenseren in bergingsvoorzieningen met als doel de gemeente West-Betuwe beter bestand te maken tegen klimaatverandering (wateroverlast, droogte en hitte). Het verlies aan waterbergend vermogen door de toevoeging van 750 m2 verhard oppervlak in de toekomstige situatie wordt gecompenseerd met het vergroten van een bestaande vijver, waarna er aan de eisen van het waterschap en de gemeente wordt voldaan. Zie ook paragraaf 4.10 (Waterparagraaf).

Hoofdstuk 3

18

4.

OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.

4.1 Verkeer en parkeren 4.1.1 Toetsingskader Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in het ‘Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019’. Het uitgangspunt is dat de ontwikkeling geen extra parkeerdruk legt op de omgeving. Daarnaast dient vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening aandacht te worden besteed aan de verkeersgeneratie, die nieuwe initiatieven met zich meebrengen en de wijze waarop het verkeer wordt afgewikkeld. 4.1.2 Onderzoek Verkeer De realisatie van een nieuwe bedrijfswoning zal leiden tot slechts een geringe toename van de verkeersgeneratie. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW kengetallen2. Hierbij is uitgegaan van de stedelijkheidsgraad ‘niet stedelijk’ met de ligging ‘buitengebied’. Er is, worstcase, uitgegaan van de maximale normen en bedraagt 8,6 per woning. Op basis van de normen zal de beoogde realisatie van de bedrijfswoning derhalve 8,6 motorvoertuigen per etmaal genereren voor een gemiddelde weekdag. Voor de ontsluiting van het plangebied zal gebruik worden gemaakt van de reeds aanwezige infrastructuur op het plangebied. Er treedt derhalve geen verandering op in de ontsluiting van het plangebied. De ontsluiting zal plaats vinden via de Ophemertsestraat.

Gezien de geringe te verwachten stijging in het aantal verkeersbewegingen kan worden verondersteld dat de omliggende wegenstuur de toename in het aantal verkeersbewegingen goed kan verwerken. Parkeren Met de uitbreiding wordt beoogd de huidige bedrijfsvoering te optimaliseren en efficiënter in te richten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient na te worden gegaan hoe veel parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden. De parkeernormen zijn bepaald aan de hand van het bestemmingsplan ‘paraplubestemmingsplan parkeren’. In het bestemmingsplan ‘paraplubestemmingsplan parkeren’ is aangegeven dat de gemeente West Betuwe er voor heeft gekozen om de maximale parkeernormen te hanteren. In een ‘niet stedelijk’ gebied met een ligging in het buitengebied geldt een maximum van 2,8 parkeerplaatsen voor een vrijstaande woning. Binnen het plangebied is voldoende ruimte om te voorzien in de benodigde parkeerbehoefte. 4.1.3 Conclusie Binnen het plangebied is ruimschoots voldoende ruimte om te voorzien in het benodigde aantal parkeervoorzieningen, waardoor er kan worden verondersteld dat het aspect verkeer en parkeren geen

2

CROW-Publicatie 381, december 2018.

Hoofdstuk 4

19

belemmering vormt voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. De verkeersgeneratie ten aanzien van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is dermate gering dat dit geen belemmering oplevert op de omliggende wegenstructuur.

4.2 Geluid 4.2.1 Toetsingskader Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:  de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;  de aanleg van een nieuwe weg;  de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten.

Stedelijk gebied Buiten stedelijk gebied

Aantal rijstroken

Zone breedte

1 of 2

200 meter

3 of meer

350 meter

1 of 2

250 meter

3 of 4

400 meter

5 of meer

500 meter

In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Situatie

Maximale ontheffingswaarde

Artikel

Stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

63 dB

Artikel 83, lid 2 Wgh

Vervangende nieuwbouw

68 dB

Artikel 83, lid 5 Wgh

Buiten stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

53 dB

Artikel 83, lid 1 Wgh

Agrarische bedrijfsbebouwing

58 dB

Artikel 83, lid 4 Wgh

Vervangende nieuwbouw

Vervangende nieuwbouw* binnen een

58 dB

Artikel 83, lid 7 Wgh

zone van een autoweg of autosnelweg

63 dB

Artikel 83, lid 6 Wgh

*Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.

Hoofdstuk 4

20

4.2.2 Doorwerking plangebied Voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is een akoestisch onderzoek wegverkeerlawaai opgesteld. Navolgend worden de belangrijkste conclusies weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen van voorliggend bestemmingsplan. Het bouwplan voor de te bouwen woning, gelegen aan Ophemertsestraat 3 te Ophemert, ligt in de geluidszone van de Ophemertsestraat en de Nieuweweg. De geluidbelasting van de gevel, gelegen binnen de geluidzone van een weg, mag volgens de Wet geluidhinder, ten hoogste de voorkeursgrenswaarde bedragen. Is de geluidbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde maar niet hoger dan de maximale grenswaarde kan door het bevoegd gezag een hogere waarde worden vastgesteld. In deze situatie bedraagt de voorkeursgrenswaarde 48 dB en de maximale grenswaarde 53 dB. De geluidbelasting van de gevel ten gevolge van wegverkeerslawaai is berekend met behulp van standaardrekenmethode II. Bij de berekeningen is uitgegaan van de situatie volgens bijlage I en een worst-case benadering betreffende de verkeersintensiteiten. Er is met een etmaalintensiteit van 2000 voertuigen gerekend. Ophemertsestraat De hoogste berekende etmaalwaarde voor wegverkeerslawaai bedraagt met een etmaalintensiteit van 2000 voertuigen 48 dB inclusief de aftrek volgens artikel 110g Wgh.

Dit betekent dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Nieuweweg De hoogste berekende etmaalwaarde voor wegverkeerslawaai bedraagt met een etmaalintensiteit van 2000 voertuigen 38 dB inclusief de aftrek volgens artikel 110g Wgh. Dit betekent dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Met de worstcase benadering van een verkeersintensiteit van 2000 voertuigen wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB in beide gevallen niet overschreden. Het is aannemelijk dat een dermate hoge verkeersintensiteit op de betreffende wegen niet voorkomt. Er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde indien de etmaalintensiteit van 2000 voertuigen op de Ophemertsestraat niet wordt overschreden. De hoogst berekende gecumuleerde geluidbelasting afkomstig van de Ophemertsestraat en de Nieuweweg bedraagt in de uitgangssituatie 53 dB exclusief de aftrek volgens artikel 110g Wgh. Het is niet noodzakelijk om voor het bouwplan een hogere waarde aan te vragen. 4.2.3 Conclusie Het aspect akoestiek wegverkeerlawaai vormt geen belemmering voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.

Hoofdstuk 4

21

4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.  Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.  Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.  Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  Het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM.

 Het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.3.2 Onderzoek Met het planvoornemen wordt een nieuwe bedrijfswoning mogelijk gemaakt. Zoals blijkt uit paragraaf 4.1 is er slechts een geringe toename in het aantal verkeersbewegingen te verwachten (circa 9 mvt/etmaal personenvervoer). Derhalve zal het niet nodig zijn de NIBM toets te doorlopen om te bepalen wat de invloed van het initiatief op de luchtkwaliteit is. Voor de volledigheid is voorliggend initiatief wel getoetst aan de NIBM-tool en de NSL-monitoringstool. Als basis voor de berekening zijn de volgende uitgangspunten genomen:  9 motorvoertuigen per etmaal (gebaseerd op paragraaf 4.1 Verkeer en parkeren);  aandeel vrachtverkeer van 2%. Met deze uitgangspunten is de NIBM-toets uitgevoerd, waarbij is uitgegaan van realisatie in 2023 (worst-case scenario), zie onderstaande afbeelding.

Hoofdstuk 4

22

Figuur 6 NIBM-toets

Berekend is dat de bijdrage van het plan aan de concentraties voor NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijnstof) niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De berekening laat zien dat het extra verkeer ten gevolge van het plan maximaal 0,01 µg/m³ bijdraagt aan de jaargemiddelde concentratie NO2. Voor de concentratie PM10 zal het verkeer maximaal 0,00 µg/m³ bijdragen. Onderzoek NSL-Monitoringstool 2019 Om te beschouwen of de gecumuleerde concentraties voldoen aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit wordt het planeffect opgeteld bij de heersende concentraties. Dit is inzichtelijk gemaakt door middel van de NSL-Monitoringstool 2019. De beschouwde rekenpunten zijn weergegeven in onderstaande tabel en geven de totale concentratie in de nabije omgeving van het plangebied. Voor het jaartal 2020 bedraagt de hoogste totale concentratie NO2 21.7 µg/m3 en voor PM10 15.9 µg/m³. Voor PM2,5 geldt een hoogste totale concentratie van 9.2 µg/m³. Id

NO2 μg/m3

PM10 μg/m3

PM10 over-

PM2.5 μg/m3

Jaar

schrijdingsdagen Rekenpunt

736992

21.7

16.6

6.0

9.2

2020

Rekenpunt

232607

16.3

16.1

6.0

9.0

2020

Rekenpunt

232617

14.4

15.9

6.0

9.0

2020

Rekenpunt

232625

13.9

15.9

6.0

9.0

2020

Norm

40

40

40

35

25

Wanneer het planeffect hierboven op wordt geteld worden de totale concentraties voor NO2 en PM10 respectievelijk 21.8 µg/m³ en 9,2 µg/m³. Deze concentraties blijven met de bijdrage van de ontwikkeling, ruim beneden de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Op grond van de gebleken samenhang tussen de concentraties voor PM10 (fijnstof) en PM2,5 (fijnstof) kan het volgende worden gesteld: vanwege het feit dat de concentratie voor PM10 voldoet aan de grenswaarde kan in voldoende mate aannemelijk gemaakt worden dat ook voor PM2,5 de ontwikkeling niet in betekenende mate zal bijdragen en dat

Hoofdstuk 4

23

de geldende grenswaarde niet zal worden overschreden. Ook in het prognosejaar 2030 zal worden blijven voldaan aan de grenswaarden. 4.3.3 Conclusie Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige bestemmingsplan.

4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’3. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. Onderhavig planvoornemen is gelegen in het omgevingstype ‘rustig buitengebied’.

3

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

24

4.4.2 Onderzoek Invloed omgeving op initiatief In de directe omgeving van het plangebied zijn enkele bedrijven gelegen, waarvan de hindercontouren in onderstaande tabel zijn weergegeven. De maximale richtafstanden zijn gebaseerd op de VNG brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Soort bedrijf

Milieucat.

Maximale richtafstand

Werkelijke afstand

Ophemertsestraat 3a (Agrarisch)

2

30

Circa 18 meter

Ophemertsestraat 14 (Agrarisch

3.1

50 m

Circa 270 m

3.1

50 m

Circa 560 m

Bommelweg 28 (Agrarisch)

2

30 m

Circa 530 m

Bommelweg 26 (Agrarisch)

2

30 m (planologisch 50 m)

Circa 630 meter

dienstverlenend bedrijf) Bommelweg 32B (Agrarisch dienstverlenend bedrijf)

Uit bovenstaande tabel valt op te maken dat in alle gevallen voldaan wordt aan de geldende richtafstanden, behalve aan de richtafstand voor de agrarische bestemming aan de Ophemertsestraat 3a. Echter wordt de bedrijfswoning opgericht ten behoeve van het agrarisch bedrijf op de locatie Ophemertsestraat 3a. Derhalve is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek industrielawaai niet noodzakelijk. Naast bovenstaande bedrijvigheid zijn er eveneens enkele veehouderijen en intensieve veehouderijen gelegen in de omgeving van het plangebied. De meest nabijgelegen veehouderij is gelegen aan de Bommelweg 43. De afstand tussen het plangebied en de meest nabijgelegen veehouderij bedraagt circa 390 meter. De meest nabijgelegen intensieve veehouderij is gelegen aan de Kapelstraat 37. De afstand van de nieuwe bedrijfswoning tot aan de meest nabijgelegen intensieve veehouderij bedraagt circa 550 meter. Een intensieve veehouderij kent is bedrijvigheid in milieucategorie 4.1. De maximale richtafstand bedraagt 200 meter. Gezien de werkelijke afstand van het plangebied ten opzichte van de (intensieve) veehouderijen in de omgeving kan worden verondersteld dat er voldaan wordt aan de geldende richtafstanden.

Wel is een geuronderzoek uitgevoerd om te beoordelen van of er ter plaatse van de bedrijfswoning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd en of omliggende bedrijven (onevenredig) in hun belangen geschaad. De resultaten van het geuronderzoek zijn terug te vinden in paragraaf 4.5. 4.4.3 Conclusie Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering” vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige bestemmingsplan.

4.5 Geur agrarisch 4.5.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband

Hoofdstuk 4

25

met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. 4.5.2 Onderzoek In de directe omgeving van het plangebied zijn agrarische bedrijven gelegen. Er is een geuronderzoek uitgevoerd naar de ligging van de geur- en afstandscontouren en naar de overige geuraspecten voor de ruimtelijke ontwikkeling. Navolgend worden de belangrijkste conclusies weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen van voorliggend bestemmingsplan.

Figuur 7 Intensieve veehouderijen in de omgeving Bron: Geuronderzoek, De Roever

Bij het beoordelen van een ruimtelijk plan spelen de volgende vragen: 1. is ter plaatse van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd? 2. worden omliggende bedrijven (onevenredig) in hun belangen geschaad?

Hoofdstuk 4

26

Uit het geuronderzoek blijkt dat ter plaatse van de bedrijfswoning:  wordt voldaan aan de afstandseis van 50 meter;  de voorgrondbelasting op zijn hoogst 0,4 ouE/m3 bedraagt;  de achtergrondbelasting op zijn hoogst 0,5 ouE/m3 bedraagt. Omdat emissiepunten van dierenverblijven op grote afstand van het plangebied zijn gelegen (meer dan 50 meter) kan worden gesteld dat ten aanzien van afstanden sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De hoogst berekende voorgrondbelasting bedraagt 0,4 ouE/m3. Deze waarde voor de voorgrondbelasting komt overeen met een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat. De achtergrondbelasting 0,5 ouE/m3 komt overeen met een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat. Als vuistregel geldt dat de achtergrondbelasting maatgevend is als deze meer dan het dubbele bedraagt van de voorgrondbelasting. Dat is hier niet het geval, de voorgrondbelasting is maatgevend. Gezien het bovenstaande is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.5.3 Conclusie Het aspect agrarische geurhinder levert geen belemmering op.

4.6 Kabels en leidingen In het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen die bescherming behoeven en daarom een belemmering van het initiatief vormen. Wanneer graafwerkzaamheden worden uitgevoerd zal een KLIC-melding worden aangevraagd om ervoor te zorgen dat geen kabels worden beschadigd.

4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt

Hoofdstuk 4

27

een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is.

Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

4.7.2 Onderzoek Met het plan worden geen nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening vindt er navolgend een toetsing plaats ten aanzien van het aspect externe veiligheid. Onderstaande afbeelding betreft een uitsnede van de Risicokaart waarop de nabijgelegen risicovolle inrichtingen, transportroutes en buisleidingen gelegen zijn.

Figuur 8 Uitsnede Risicokaart (plangebied blauw omlijnd)

Hoofdstuk 4

28

Risicovolle inrichtingen In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen. Met het plan worden geen nieuwe risicovolle activiteiten mogelijk gemaakt en dat het plan daardoor dus ook geen belemmering vormt voor omliggende (beperkt) kwetsbare objecten. Buisleidingen In de omgeving van het plangebied is een buisleidingen gelegen. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 is niet gelegen buiten de buisleiding. Onderstaande tabel geeft de letaliteitsafstanden en werkelijke afstand van het plangebied tot de buisleidingen weer. Hieruit valt op te maken dat het plangebied gelegen is buiten de 100% - letaliteitsafstand en de 1% - letaliteitsafstand van de buisleiding. Derhalve vormt de ligging van het plangebied ten opzichte van de buisleiding geen belemmering voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Buisleiding

Diameter (inch)

Werkdruk (bar)

A-555

42

66.2

100% - letaliteitsafstand (in m.) 200

1% - letaliteitsafstand (in m.) 520

Werkelijke afstand (in m.) Circa 944

Risicovolle transportroutes Op basis van de uitsnede van de Risicokaart kan worden geconcludeerd dat er een risicovolle transportroutes gelegen zijn in de omgeving van het plangebied, namelijk de Rijksweg A15 en de Betuweroute. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A15. De Betuweroute ligt op grote afstand van het plangebied, meer dan 460 meter maar minder dan 4 kilometer, namelijk 2 kilometer. Vanwege een zwaar ongeval op de Betuweroute kunnen toxische vloeistoffen of gassen vrijkomen en in het plangebied terecht komen. Indien een beperkt kwetsbaar object is gelegen binnen 4 km moet een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaatsvinden. De veiligheidsrisico’s van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor hoeven niet kwantitatief inzichtelijke gemaakt te worden. De risico’s als gevolg van het transport over de Betuwelijn dienen wel meegewogen te worden in de verantwoordingsplicht groepsrisico. Bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid De Veiligheidsregio zal in de gelegenheid gesteld om een advies over deze aspecten uit te brengen. Indien advies wordt uitgebracht, zal nader op deze onderwerpen worden ingegaan. Vooralsnog wordt verwacht dat deze aspecten geen gevolgen zullen hebben voor het plan.

Verantwoording groepsrisico Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor:  de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute; en  de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de Veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Omdat het plangebied is gelegen buiten de 200 meterzone van de Betuweroute kan worden volstaan met de standaardtekst voor de verantwoording van het groepsrisico m.b.t. het scenario toxisch. Relevant hierbij is dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) ‘bijzonder kwetsbare object’, bestemd voor verminderd zelfredzame personen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/670/documents/15326