CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

RV2024-026-Bijlage-Achterweg-33-Rumpt-vastgesteld-1.pdf

Gemeenteraad 26 maart 2024, gemeente West BetuweBij agendapunt: 14: Vaststelling ontwerpbestemmingsplan Achterweg 33 Rumpt19.322 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Enkele voorbeelden zijn:  woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg;  woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen;  kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

36

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze ‘gevoelige bestemmingen’ zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen / klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 4.7.2

Onderzoek

De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van twee woningen. Dit valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden. Ook de commerciële ruimtes blijven ruimschoots onder de drempelwaarde. De ontwikkeling draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Er wordt dus voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving, en nader onderzoek is niet noodzakelijk. 4.7.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor uitvoering van het plan. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.

4.8

Bedrijven en milieuzonering

4.8.1

Algemeen

Nieuwe functies kunnen milieuhinderlijk zijn voor omringende woningen dan wel bedrijven. Er dient een beoordeling plaats te vinden of de nieuwe functie wel milieuhygiënisch inpasbaar is. Er dient daarom beoordeeld te worden of in de omgeving van het plangebied functies voorkomen die gehinderd kunnen worden door onderhavig project of waarvan het project juist hinder ondervindt. De (indicatieve) lijst “Bedrijven en Milieuzonering 2009”, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse gemeenten, geeft weer wat de richtafstanden zijn voor milieubelastende activiteiten. In deze publicatie worden de indicatieve richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. Bij het bepalen van de richtafstanden wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten:  het betreft gemiddeld moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen;  de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen ‘rustige woonwijk’ en rustig buitengebied’;  de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten;  bij activiteiten met ruimtelijk duidelijk te onderscheiden deelactiviteiten kunnen deze activiteiten desgewenst als afzonderlijk te zoneren activiteiten worden beschouwd, bijvoorbeeld bij de ligging van de activiteit binnen zones met een verschillende milieucategorie.

Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype

(vastgesteld)

37

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn. 4.8.2

Onderzoek

Met de wijziging van 1 naar 2 woningen, wordt een milieugevoelige functie op de planlocatie toegevoegd. Deze toevoeging mag niet leiden tot belemmering van een duurzame bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. In de omgeving bestemde bedrijven en inrichtingen zijn:  Kerkgebouw, Middenstraat 43, bestemming 'maatschappelijk', gelegen op 60 meter afstand van het plangebied.  Kerkgebouw, Schuttersteeg 2, bestemming 'maatschappelijk', gelegen op 180 meter afstand van het plangebied.  OBS De Springplank, Achterweg 9, bestemming 'maatschappelijk', gelegen op 250 meter afstand van het plangebied. Deze afstanden zijn ruim voldoende om het functioneren van de hiervoor genoemde locaties niet te belemmeren. Daarnaast hebben de percelen aan de zuid en oostzijde van het plangebied een agrarische bestemming toegekend gekregen, waar het mogelijk is om fruitteelt toe te passen. De gemeente voorziet met het geldende bestemmingsplan voor het buitengebied reeds in een beschermende regeling aangaande fruitteelt nabij gevoelige objecten.

In het geldende bestemmingsplan (Buitengebied 2022) voor de aangrenzende agrarische gronden is in artikel 4.1, onder a sub 4, het volgende bepaald: fruitteelt in de vorm van nieuwe boomgaarden niet zijn toegestaan: binnen een afstand van 50 m tot gevoelige functies voor gewasbeschermingsmiddelen; Sloten zijn in dit geval bepalend voor het mogelijke gebruik van spuitmiddelen. Aan de zuidoost zijde van het plangebied, op een afstand minder dan 50 meter is een sloot gelegen. Hierdoor is dus het hiervoor genoemde artikel van toepassing en bevindt het plangebied zich buiten de spuitzones. Toetsing effecten van omliggende bedrijven Andersom geldt dat aanwezigheid van nabijgelegen kerken en school geen hinder of overlast veroorzaakt op de te ontwikkelen woningen. De afstanden zijn voldoende ruim om een goed woon- en leefklimaat te borgen. Omdat bij het agrarisch gebruik (spuitmiddelen) op de percelen in de omgeving gespoten moet worden met de bestaande voorgeschreven technieken en bovendien gespoten dient te worden in situaties zonder wezenlijke windhinder, kan op voorhand worden aangenomen dat er geen drift plaats kan vinden die leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen het plangebied. Driftreducerende maatregelen, bijvoorbeeld in de vorm van hagen, zijn dan ook niet noodzakelijk. 4.8.3

Conclusie

Vanuit het aspect milieuzonering zijn er geen belemmeringen betreffende dit plan.

4.9

Parkeren en verkeer

4.9.1

Parkeren

Voor het parkeren is gebruik gemaakt van de normen die de gemeente West Betuwe hanteert, welke gebaseerd zijn op de CROW-parkeernormen. Hierbij gaan we uit van schil-centrum, matig stedelijk. twee-onder-een-kap

38

: 2,2 parkeerplaats per woning

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt Dit resulteert in:

twee-onder-een-kap

Norm

Aantal

benodigd aantal parkeerplaatsen

2,2 per woning

2 stuks

4,4

Totaal benodigde parkeerplaatsen

5

Uit bovenstaande tabel blijkt dat er minimaal 5 parkeerplaatsen nodig zijn. Op navolgende afbeelding worden de 5 parkeerplaatsen weergegeven, waardoor wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernorm. Overzicht parkeerplaatsen

4.9.2

Verkeer

Uitgaande van 8 verkeersbewegingen (bron: CROW) per etmaal, per woning vinden er 8 extra verkeersbewegingen per etmaal plaats ten opzichte van de huidige situatie. Hiervan vindt 10% plaats tijdens de spits. Dit resulteert in 1 auto per uur. Deze extra verkeersintensiteit is voor de omliggende wegen geen enkel probleem.

4.10

Duurzaam bouwen

Duurzaam bouwen is bouwen met duurzaamheid als doel. Zowel in de ontwerpfase, de bouwfase en de gebruiksfase.

(vastgesteld)

39

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt Een duurzaam gebouw moet volgens de Nederlandse rijksoverheid idealiter:  energie besparen;  (schaarse) materialen besparen;  water besparen;  een gezond binnenmilieu hebben;  weinig hinder opleveren wat betreft licht, geluid en dergelijke;  niet tot vervuiling leiden, zoals bijvoorbeeld CO2-uitstoot;  uit materialen bestaan die men kan hergebruiken. Duurzaam bouwen is meer dan energiebesparing Duurzaam bouwen betekent dat gebouwen en andere bouwwerken ontwikkeld en gebruikt worden met respect voor mens en milieu. Het gaat bij duurzaam bouwen niet alleen om energiebesparing in huizen en gebouwen, maar bijvoorbeeld ook om: gebruik van duurzame materialen die rekening houden het milieu en de gezondheid van bewoners en gebruikers; een gezond binnenmilieu bijvoorbeeld door goede ventilatie om vocht, schimmel en ophoping van schadelijke stoffen te voorkomen; voorkomen dat grondstoffen voor bouwmaterialen uitgeput raken. Voor gebouwontwerpen kunnen van te voren bepaald worden welk ambitieniveau gewenst is. De te nemen maatregelen kunnen door de gemeente of ontwikkelaar zelf worden gekozen om een bepaald niveau te bereiken. Hierna volgen enkele specificaties die betrekking hebben op duurzaamheid. Wettelijk: Bouwbesluit 2013 De wettelijke eisen aan nieuwbouw van woningen staan in het bouwbesluit.

De volgende eisen worden gesteld bij nieuwbouw en/of verbouwingen:. 1. Een minimale isolatiewaarde voor dichte uitwendige scheidingsconstructies. 2. Een maximale U-waarde voor ramen (glas en kozijn) en deuren. 3. Een minimale EPC waarde afhankelijk van het type gebouw. 4. Milieuprestatie Gebouw (MPG). Kansen duurzaam bouwen  Materiaalgebruik.  Pas FSC hout toe in de kozijnen of inlands hout uit duurzaam beheerde bossen.  Kijk naar soort isolatie. Afval  Denk na over de opstelplaats van de containers en de loopafstand ernaar toe. Water  Denk aan waterbesparende voorzieningen. Gezondheid  Denk goed na over het ventilatiesysteem dat bijdraagt aan een goed afgesteld gezond binnenklimaat. Het streven van initiatiefnemer is om zoveel mogelijk te werken met BIM (Bouw Informatie Model), zodat tijdens het gehele proces vanaf de start tot en met de realisatie, met bovenstaande aspecten van duurzaam bouwen rekening wordt gehouden. Daarnaast wordt er klimaatadaptief gebouwd.

4.11

Onderzoeksplicht vanwege mer-wetgeving

4.11.1 Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffect-rapportage in aanraking komen:  Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.  Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).

40

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt 

Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bij-lage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). In het geval dat een activiteit wel genoemd staat in de D-lijst maar onder de genoemde drempelwaarde blijft, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig.

4.11.2 Situatie plangebied Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Bij elke activiteit die een extra stikstofdepositie met zich meebrengt, dient te worden getoetst of er sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000 gebieden. In dit geval gaat het om de toevoeging van 1 extra woning, welke circa 8 extra verkeersbewegingen met zich meebrengt. Wanneer er verwacht wordt dat er sprake is van significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, dient een passende beoordeling te worden opgesteld. Tevens zal er dan een berekening naar de stikstofdepositie benodigd zijn. In dit geval ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’, op een afstand van circa 3,6 kilometer. Ten aanzien van stikstofuitstoot wordt i.v.m. bestemmingsplanwijziging en de afstand tot Natura 2000 geen effecten verwacht. Drempelwaarden Besluit m.e.r. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht.

Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden:  een oppervlakte van 100 hectare of meer,  een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of  een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Het plan is geen 'stedelijk ontwikkelingsproject', aangezien het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Rumpt, het bebouwd en verhard oppervlak neemt af.

Er is dus geen vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de verwachte milieuhinder en cumulatie met andere projecten), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen

(vastgesteld)

41

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de Hoofdstuk 4 opgenomen planologische- en milieuaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m.e.r.-toets. 4.11.3 Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

42

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Plansystematiek

Het bestemmingsplan 'Achterweg 33, Rumpt’ heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het bestemmingsplan is gericht op het mogelijk maken van twee woningen. Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en planregels. De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer gedetailleerd tot zeer globaal. Voor iedere bestemming is een toegesneden bebouwingsregeling opgenomen. In het kader van de landelijke uniformering en standaardisering voldoet het plan aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012.

5.2

Opzet van de regels

Overeenkomstig de SVBP2012 zijn de regels van voorliggend bestemmingsplan onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingsregels opgenomen. Hoofdstuk 3 en 4 bevatten de algemene regels respectievelijk de overgangs- en slotregels. Hierna wordt de inhoud van de regels per hoofdstuk kort toegelicht. In paragraaf 5.3 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Hoofdstuk 1 - Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In het eerste artikel zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van het plan. Het tweede artikel betreft de wijze van meten, waarin wordt aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn regels gegeven voor de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen, zoals die zijn aangegeven op de verbeelding. Per bestemming zijn in de bestemmingsomschrijving de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. Daarnaast is per bestemming bepaald welke vormen van bebouwing zijn toegestaan. In beginsel zijn hoofdgebouwen uitsluitend toegestaan binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken, waarbij dient te worden voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (met name de maximale goot- en/of bouwhoogte).

De verschillende bestemmingen bevatten, indien nodig, specifieke gebruiksregels. Per bestemming is daarnaast bepaald in welke gevallen burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bestemmingsplan. In paragraaf 5.3 wordt nader ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen. Hoofdstuk 3 - Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de volgende algemene regels:  de anti-dubbeltelbepaling;  algemene gebruiksregels;  algemene afwijkingsregels;  specifieke gebruiksregels. Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 van de regels bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald.

5.3

De bestemmingen

In het plangebied zijn verschillende bestemmingen weergegeven. Hierna wordt een nadere beschouwing gegeven van deze bestemmingen.

(vastgesteld)

43

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt Agrarisch met waarden - Landschapswaarden Vanuit natuur- en landschappelijke overwegingen is onderscheid gemaakt tussen 2 agrarische bestemmingen. Het onderscheid tussen beide agrarische bestemmingen is gemaakt vanwege de aanwezigheid van verschillende actuele landschappelijke waarden in de gebieden. De waarden in het landschap zijn kwetsbaar voor veranderingen die onder andere als gevolg van de ontwikkelingen binnen de landbouw te verwachten zijn. In de beide agrarische bestemmingen, 'Agrarisch' en 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden', zijn de aanwezige waarden omschreven en geborgd. Hiermee wordt recht gedaan aan de geldende rechten, de landschappelijke kwaliteiten en is sprake van een overzichtelijke, eenduidige en herkenbare regeling. Wonen De doeleindenomschrijving van deze bestemming geeft aan dat deze gronden mogen worden gebruikt voor het wonen in de vorm van nieuwe woningen. Daarnaast zijn aan huis gebonden beroepen toegestaan en voorzieningen zoals wegen, paden en parkeren. De bouwregels ten aanzien van hoofd- en bijgebouwen zijn in de regels gedefinieerd. Voor bijgebouwen geldt dat de maximale gezamenlijke oppervlakte afhankelijk is van de grootte van het bouwperceel.

Waarde - Archeologie 2, Waarde - Archeologie 3 en Waarde - Archeologie 4 De voor Waarde - Archeologie 2, 3 of 4 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van de aanwezige archeologische vindplaatsen. Op deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd. Hier kan van worden afgeweken met een omgevingsvergunning. Voor deze vergunning moet een archeologisch rapport worden opgesteld en wordt er advies ingewonnen bij een archeologisch deskundige. Waarde - Nieuwe Hollandse Waterlinie Ten behoeve van de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van het erfgoed van uitzonderlijke universele waarde van de Nieuwe Hollandse Waterlinie is de dubbelbestemming 'Waarde - Nieuwe Hollandse Waterlinie' opgenomen. Deze universele waarden zijn in een bijlage limitatief opgesomd. Ontwikkelingen voldoen aan de ontwerp-richtlijnen Nieuwe Hollandse Waterlinie. De dubbelbestemming 'Waarde - Nieuwe Hollandse Waterlinie' heeft een secundaire werking. De Nieuwe Hollandse Waterlinie is verder via gebiedsaanduidingen weer opgedeeld in deelgebieden. Namelijk kernzone, accessen en inundatiekommen. Hiervoor gelden afzonderlijke maatwerkregelingen. Dubbelbestemmingen gericht op de (externe) veiligheid prevaleren. Anti-dubbeltelregel De anti-dubbeltelbepaling is voorgeschreven op grond van het Besluit ruimtelijke ordening.

De anti-dubbeltelbepaling voorkomt dat grotere bouwmogelijkheden ontstaan door grond dubbel te tellen bij de toetsing aan het bestemmingsplan. Algemene gebruiksregels De in dit artikel verwoorde afwijkingsmogelijkheid heeft onder meer tot doel enige flexibiliteit in de regels aan te brengen. Aan de hand van een afwijking kunnen onder meer geringe wijzigingen in maatvoering en in bestemmings- of bebouwingsgrenzen worden aangebracht. Algemene afwijkingsregels In dit artikel is in aanvulling op de afwijkingsregels uit de diverse bestemmingen nog een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen afwijkingen van het plan mogelijk te maken. Algemene aanduidingsregels In de algemene aanduidingsregels is een vrijwaringszone – molenbiotoop opgenomen. De molenbiotoop moet bescherming bieden aan het functioneren van de molen als instrument en de landschappelijke belevingswaarde van de molen. Overige regels Deze regels gaan in op de parkeernormen, zoals opgenomen in publicatie 317 "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" van CROW.

44

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt Overgangs- en slotregels De overgangsbepaling heeft onder andere tot doel de rechtszekerheid te verzekeren van bouwwerken, die op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan gebouwd zijn of op grond van een reeds verleende of een nog te moeten afgeven omgevingsvergunning, gebouwd mogen worden en afwijken van de bebouwingsregels. Het afwijkende gebruik mag worden voortgezet of worden gewijzigd in een andere, zolang de afwijking van het bestemmingsplan maar niet vergroot wordt.

(vastgesteld)

45

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

46

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

Hoofdstuk 6 6.1

Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

De gronden binnen het plangebied zijn in eigendom van de initiatiefnemer. Het opstellen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening is echter niet noodzakelijk. De kosten voor de realisatie van het plan komen ten laste van de initiatiefnemer. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is een overeenkomst gesloten, waardoor een exploitatieplan achterwege kan blijven.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Overleg

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan wordt in het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening overleg gepleegd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Overleg buurt De voorgenomen plannen zijn besproken met de directe buren. Naar aanleiding van deze besprekingen hebben allen aangegeven positief te staan tegenover deze ontwikkeling. 6.2.2

Zienswijzen

Vanaf dinsdag 5 september tot en met dinsdag 17 oktober 2023 heeft het ontwerp bestemmingsplan ‘Achterweg 33, Rumpt’ gedurende zes weken ter inzage gelegen in het kader van de ontwerpfase ex artikel 3.8 Wro. De terinzagelegging is gepubliceerd in het Weekblad West Betuwe en de Staatscourant op dinsdag 5 september 2023. Het ontwerpbestemmingsplan was digitaal te zien via www.ruimtelijkeplannen.nl en www.westbetuwe.nl. Daarnaast was het bestemmingsplan analoog op verzoek in te zien bij het gemeentelijk klantencontactcentrum. Tijdens de terinzagelegging is eenieder in de gelegenheid gesteld om zijn of haar zienswijze omtrent het ontwerp bestemmingsplan aan de raad kenbaar te maken. Hiervan heeft het Waterschap Rivierenland gebruik gemaakt. Deze zienswijze en de ontvankelijkheidbeoordeling is opgenomen in hoofdstuk 3. Van de mogelijkheid om een mondelinge zienswijze in te dienen is geen gebruik gemaakt. Naar aanleiding van de ingediende zienswijze van het Waterschap (zie Bijlage 6 Zienswijzennota) is de toelichting gewijzigd. De ingediende zienswijzen hadden geen gevolg voor de regels en de verbeelding.

(vastgesteld)

47

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

48

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

Bijlagen

(vastgesteld)

49

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

50

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

Bijlage 1 Verkennend bodem en aanvullend asbest in de grond onderzoek

(vastgesteld)

51

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

52

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

Bijlage 2

(vastgesteld)

Watertoets

53

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

54

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

Bijlage 3

(vastgesteld)

Quickscan natuurtoets

55

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

56

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

Bijlage 4

(vastgesteld)

Stikstofonderzoek

57

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

58

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

Bijlage 5

(vastgesteld)

Aanvullende natuuronderzoeken

59

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

60

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

Bijlage 6

(vastgesteld)

Zienswijzennota

61

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

62

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

Regels

(vastgesteld)

63

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

64

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1

Inleidende regels

Begrippen

plan:

het bestemmingsplan 'Achterweg 33, Rumpt' met identificatienummer NL.IMRO.1960.RUMAchterweg33-VSG1 van de gemeente West Betuwe; 1.2

bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3

bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak; 1.4

bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.5

aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.6

aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.7

aan huis verbonden bedrijf:

het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, in tegenstelling tot een aan huis gebonden beroep, gericht op consumentenverzorging geheel of overwegend door middel van handwerk, waarvan de omvang zodanig is, dat de activiteit in een woning en de daarbij behorende bijgebouwen met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend; 1.8

agrarisch bedrijf:

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren; onder agrarisch bedrijf is onder meer begrepen het fokken van paarden; 1.9

agrarisch grondgebruik:

zowel hobbymatig als bedrijfsmatig gebruik van grond voor het telen van gewassen en/ of het houden van dieren; 1.10

ander bouwwerk:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde 1.11

archeologisch deskundige:

de regioarcheoloog of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van archeologie; 1.12

archeologische waarden:

de aan een gebied toegekende archeologische waarde, archeologische monumenten en/of archeologische verwachting in verband met de kennis en wetenschap van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden; 1.13

bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

(vastgesteld)

65

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt 1.14

bebouwingspercentage:

het gedeelte van de oppervlakte van een bouwperceel voor zover gelegen binnen het bouwvlak, dat met bouwwerken mag worden bebouwd, uitgedrukt in procenten, met dien verstande dat bij de berekening van het bebouwingspercentage bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waarvan de bebouwde oppervlakte niet meer bedraagt dan 1 m2, buiten beschouwing blijven; 1.15

bestaand (in relatie tot bebouwing):

bebouwing aanwezig ten tijde van het in werking treden van het bestemmingsplan; 1.16

bestaand (in relatie tot gebruik):

gebruik dat bestaat ten tijde van het in werking treden van het bestemmingsplan; 1.17

bevoegd gezag:

bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; 1.18

bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.19

bouwgrens:

de grens van een bouwvlak; 1.20

bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.21

bouwperceelgrens:

een grens van een bouwperceel; 1.22

bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.23

bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.24

bijgebouw:

een al dan niet vrijstaand gebouw, niet zijnde een hoofdgebouw; 1.25

dakhelling:

de hoek van de druiplijn, de bovenkant van de goot, het boeiboord of daarmee gelijk te stellen constructiedeel met het hellend dakvlak; 1.26

detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.27

gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

66

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt 1.28

gevel:

bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw scheidt van de buitenlucht, daaronder begrepen het dak; 1.29

hoofdgebouw:

een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen, dan wel gelet op de bestemming als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken; 1.30

kamerverhuurbedrijf:

het geheel van onzelfstandige woonruimten die bedrijfsmatig wordt verhuurd aan derden. Hiervan is sprake als een substantieel inkomen wordt verworven met de bedrijfsmatige activiteit en minimaal 60% van de oppervlakte van het hoofdgebouw(en) wordt benut ten behoeve van kamerverhuur; 1.31

kantoor:

een verblijfsruimte die door haar aard, indeling en inrichting kennelijk is bedoeld voor het verrichten van werkzaamheden van hoofdzakelijk administratieve aard zonder baliefunctie; 1.32

kap:

een dak of een gedeelte daarvan, dat bestaat uit hellende dakvlakken; 1.33

niet-woonfunctie:

een functie, gericht op gebruik van de gronden en/of opstallen voor andere doeleinden dan woondoeleinden; 1.34

Omgevingsvergunning:

vergunning voor activiteiten als genoemd in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 1.35

ondergeschikte bouwdelen:

plinten, pilasters, kozijnen, risalieten, gevelversieringen, standleidingen voor hemelwater, wanden van ventilatiekanalen en schoorstenen, gevel of kroonlijsten, overstekende daken, liftschachten, goten, luifels, balkons, trappen, bordessen, funderingen, kelderingangen, koekoeken en hijsinrichtingen, zomede erkers en aan- of uitgebouwde entrees; 1.36

ondergronds:

onder het niveau van aan het bouwwerk aansluitende afgewerkte terrein; 1.37

overig bouwwerk:

een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; 1.38

peil:

Voor gebouwen: de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang; Voor andere bouwwerken: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld ; 1.39

permanente bewoning:

bewoning van een ruimte als hoofdverblijf;

(vastgesteld)

67

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt 1.40

voorgevel:

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw, of indien een perceel met meerdere zijden aan een weg grenst, de gevel die door de ligging, de situatie ter plaatse en/of de indeling van het gebouw als voorgevel moet worden aangemerkt; 1.41

voorgevellijn:

de lijn waarin de voorgevel van een bouwwerk is gelegen, alsmede het verlengde daarvan; 1.42

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht:

Wet van 6 november 2008 (Stb. 496), houdende regels inzake een vergunningstelsel met betrekking tot activiteiten die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving en inzake handhaving van regelingen op het gebied van de fysieke leefomgeving (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht), zoals deze luidt op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan; 1.43

woning:

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijke huishouding; 1.44

zelfstandig bewonen:

zelfstandig gebruik van een ruimte of gebouw als woning voor een afzonderlijk huishouden;

68

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1

de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.2

de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.3

de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.4

de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.5

de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Bij het meten worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons, dakkapellen en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van de bestemmingsgrens en/of de lengte van het overstek ten opzichte van de buitenwerkse gevelvlakken niet meer dan 0,75 m bedraagt.

(vastgesteld)

69

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

70

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1

Bestemmingsregels

Agrarisch met waarden - Landschapswaarden

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. hobbymatig agrarisch gebruik; b. het behoud, de bescherming, de ontwikkeling en/of het herstel van de landschappelijke en natuurwaarden; c. behoud en herstel van waardevolle landschapselementen; met de daarbij behorende: d. nutsvoorzieningen; e. toegangswegen, -paden, onverharde paden en overig verblijfsgebied; f. parkeervoorzieningen; g. groenvoorzieningen; h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; bouwwerken, geen gebouw zijnde ook niet zijn toegestaan. 3.2

Bouwregels

3.2.1

Algemeen

Voor het bouwen van bouwwerken en bouwwerken geen gebouw zijnde gelden de volgende regels: a. bouwwerken en bouwwerken geen gebouw zijnde zijn niet toegestaan. 3.3 Specifieke gebruiksregels 3.3.1

Strijdig gebruik

Onder gebruik in strijd met deze bestemming wordt in ieder geval verstaan: a. buitenopslag, waaronder in elk geval wordt begrepen de opslag van mest; b. buitenopslag dat niet gerelateerd is aan de uitoefening van een agrarisch bedrijf; c. het gebruik van gronden ten behoeve van het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen en stacaravans; d. het gebruik van kampeermiddelen en stacaravans voor permanente bewoning; e. het aanleggen en gebruiken van aanlegsteigers, picknickplaatsen, visoevers en daarmee gelijk te stellen voorzieningen op de gronden welke zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - uiterwaard' en niet nader zijn aangeduid met de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - recreatielandjes', voor zover niet reeds aanwezig; f. het aanleggen van terrassen en andere verhardingen met een grotere oppervlakte dan 16 m 2 ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - recreatielandjes'; g. het aanleggen en gebruiken van recreatielandjes, voor zover niet bestaand. 3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1. het opruimen/verwijderen van wegen en paden; 2.

het aanleggen van voet-, fiets- ruiter- en andere paden en dagrecreatieve voorzieningen zoals picknickplaatsen, parkeervoorzieningen en de inrichting van visoevers; 3. het aanpassen van het beloop en/of het dwarsprofiel van bestaande wegen; 4. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse leidingen; 5. het zoeken naar delfstoffen in de vorm van seismisch onderzoek of exploratieonderzoek; 6. het verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem; 7. het diepploegen, diepwoelen of het uitvoeren van andere ingrepen in de bodem, waaronder ook begrepen de aanleg van leidingen, allen dieper dan 0,60 m onder maaiveld, waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd; 8. de aanleg van drainage ongeacht de diepte ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone beschermingszone leefgebied natte dooradering', tenzij het gaat om vervanging van

(vastgesteld)

71

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt bestaande drainage; 9. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, watergangen, greppels, kolken en overige natuurlijke oppervlaktewateren, alsmede het anderszins verlagen van de waterstand; 10. het vellen of rooien van bos, alsmede het verwijderen van landschapselementen. b. Voor zover voor meerdere werken en/of werkzaamheden vergunningen worden gevraagd en deze in één (inrichtings)plan zijn ondergebracht, wordt dit plan in z’n geheel in de beoordeling betrokken. c. De onder a bedoelde vergunning wordt niet verleend indien: 1. ten aanzien van het werk of de werkzaamheid sprake is van onevenredige afbreuk aan de waarden en/of functies welke het plan beoogt te beschermen, dan wel hieraan door het stellen van voorwaarden niet voldoende tegemoet kan worden gekomen; 2. verdroging plaatsvindt van een leefgebied met natte dooradering. 3.5 Wijzigingsbevoegdheid 3.5.1 Verwijderen gebiedsaanduiding 'milieuzone - beschermingszone leefgebied natte dooradering' Burgemeester en wethouders zijn bevoegd dit plan te wijzigen door de aanduiding 'milieuzone beschermingszone leefgebied natte dooradering' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van onderzoek is aangetoond dat de natuurwaarden van het leefgebied natte dooradering niet meer aanwezig zijn.

72

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

Artikel 4 4.1

Wonen

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. woningen met bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken; b. de uitoefening van aan huis gebonden bedrijf, met in achtneming van het bepaalde in lid 4.3.1; c. tuinen en erven; d. parkeren; e. groenvoorzieningen en beplanting; f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; g. openbare nutsvoorzieningen; een en ander met de daarbij behorende voorzieningen. 4.2

Bouwregels

4.2.1

Algemeen

Op de in lid 4.1 bedoelde gronden mogen ten dienste van de bestemming uitsluitend worden gebouwd: a. hoofdgebouwen; b. bijbehorende bouwwerken; c. overige bouwwerken. 4.2.2 Hoofdgebouwen a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen de 'specifieke bouwaanduiding hoofdgebouw', waarbij de gehele voorgevel in of ten hoogste 3 meter achter de voorste bouwgrens dient te worden gebouwd; b. binnen de 'specifieke bouwaanduiding - hoofdgebouw' mogen maximaal het aantal woningen zoals aangeduid met de bouwaanduiding 'maximum aantal wooneenheden' worden gebouwd; c. ter plaats van de bouwaanduiding 'twee-aaneen' mogen uitsluitend twee-aan-een gebouwde woningen worden gebouwd; d. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak (m2)' mag het aantal m2 bebouwing niet meer bedragen dan is aangeduid; e. ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' mag de goothoogte van woningen niet meer bedragen dan is aangeduid; f. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' mag de bouwhoogte van woningen niet meer bedragen dan is aangeduid; g. de hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden afgedekt met een kap met een dakhelling van tenminste 400 en ten hoogste 800; 4.2.3 Bijbehorende bouwwerken a. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen de specifieke bouwaanduiding 'bijgebouwen' worden gebouwd; b.

ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak (m2)' mag het aantal m2 bijbehorende bouwwerken niet meer bedragen dan is aangeduid; c. de goothoogte mag maximaal 3,5 m bedragen, óf voor aangebouwde bijgebouwen 0,3 m, boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; d. de bouwhoogte mag maximaal 6 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan de bouwhoogte van het bijbehorende hoofdgebouw; e. de bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk op een afstand kleiner dan 3 meter van de perceelsgrens bedraagt maximaal 3 meter; 4.2.4 Gebouw geen gebouw zijnde a. overige bouwwerken mogen binnen en buiten het bouwvlak worden gebouwd; b. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen binnen het bouwvlak mag maximaal 2 m bedragen en buiten het bouwvlak maximaal 1 m; c. de hoogte van vlaggenmasten en antennes bedraagt niet meer dan 10 m; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken ten behoeve van zwembaden mag niet meer dan 0,50 m bedragen;

(vastgesteld)

73

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt e. de hoogte van andere overige bouwwerken. 4.3 Afwijken van de gebruiksregels 4.3.1

Aan huis gebonden bedrijf

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het in 4.1 onder b, teneinde de uitoefening van een aan huis gebonden bedrijf toe te staan, mits: a. de woonfunctie in overwegende mate wordt gehandhaafd, waarbij geldt dat de brutovloeroppervlakte gebruikte voor beroepsmatige activiteiten maximaal 40% van de woning bedraagt met een maximum van 45 m²; b. geen afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefmilieu in de omgeving; c. in de omgeving geen onevenredige toename van de verkeersbelasting optreedt; d. wordt voorzien in voldoende parkeerruimte op eigen terrein; e. de bedrijfsmatige activiteiten geschieden door degene die op het perceel woonachtig is; f. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd in ondergeschikte vorm een beperkte verkoop in verband met een bedrijfsmatige activiteit in of bij een woning. 4.3.2 Kamerverhuur Kamerverhuur is niet toegestaan.

74

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

Artikel 5 5.1

Waarde - Archeologie 2

Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bescherming van archeologische waarden. 5.2

Bouwregels

Op de in lid 5.1 bedoelde gronden mogen geen bouwwerken worden opgericht, tenzij: a. het bouwen gepaard gaat met bodemingrepen van niet meer dan 30 cm onder het bestaande maaiveld; b. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; c. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; d. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden opgericht; e. het nieuw te bouwen oppervlak, in aanvulling op het bepaalde onder c, niet groter is dan 100 m 2. 5.3 Afwijken van de bouwregels a. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 5.2 indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Aan de omgevingsvergunning kunnen in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het al dan niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; 2.

de verplichting tot het doen van opgravingen, of: 3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door Burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. b. Alvorens het bevoegd gezag beslist over het verlenen van de omgevingsvergunning wint zij schriftelijk advies in bij een archeologische deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. 5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen en andere oppervlakteverhardingen; 2. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse leidingen; 3. het zoeken naar delfstoffen in de vorm van seismisch onderzoek of exploratieonderzoek; 4. het bewerken van en graven, boren of roeren in de bodem; 5. het aanleggen van nieuwe boomgaarden. a. De onder a bedoelde vergunning is niet vereist indien het werken en/of werkzaamheden betreft, die: 1.

bodemingrepen van niet meer dan 30 cm diep betreffen; 2. betrekking hebben op gronden waarvan op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat er zich geen archeologische waarden (meer) bevinden; 3. bodemingrepen betreffen met een oppervlakte van niet meer dan 100 m2; 4. het normale onderhoud tot doel hebben, met inbegrip van:  onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen;  de aanleg van nieuwe en de vervanging van bestaande kabels en leidingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;  ploegen;

(vastgesteld)

75

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt  vervanging van bestaande boomgaarden door nieuwe boomgaarden ter plaatse; 5. gelet op de elders in deze regels genoemde doeleinden, voor deze gronden van ondergeschikte betekenis zijn; 6. reeds uitgevoerd of in uitvoering zijn op het tijdstip van het van inwerkingtreden van dit plan. a. Bij de beoordeling van de omgevingsvergunning zal vooraf, op basis van een door aanvrager in te dienen archeologisch onderzoek, advies worden ingewonnen bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden en welke voorwaarden dienen te worden gesteld. b. De onder a bedoelde vergunning wordt niet verleend indien ten aanzien van het werk of de werkzaamheid sprake is van onevenredige afbreuk aan de waarden en/of functies welke het plan beoogt te beschermen, dan wel hieraan door het stellen van voorwaarden niet voldoende tegemoet kan worden gekomen.

76

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

Artikel 6 6.1

Waarde - Archeologie 3

Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bescherming van archeologische waarden. 6.2

Bouwregels

Op de in lid 6.1 bedoelde gronden mogen geen bouwwerken worden opgericht, tenzij: a. het bouwen gepaard gaat met bodemingrepen van niet meer dan 30 cm onder het bestaande maaiveld; b. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; c. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; d. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden opgericht; a. het nieuw te bouwen oppervlak, in aanvulling op het bepaalde onder c, niet groter is dan 500 m 2. 6.3 Afwijken van de bouwregels a. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 6.2 indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Aan de omgevingsvergunning kunnen in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het al dan niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; 2.

de verplichting tot het doen van opgravingen, of: 3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door Burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. b. Alvorens het bevoegd gezag beslist over het verlenen van de omgevingsvergunning wint zij schriftelijk advies in bij een archeologische deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. 6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen en andere oppervlakteverhardingen; 2. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse leidingen; 3. het zoeken naar delfstoffen in de vorm van seismisch onderzoek of exploratieonderzoek; 4. het bewerken van en graven, boren of roeren in de bodem; 5. het aanleggen van nieuwe boomgaarden. b. De onder a bedoelde vergunning is niet vereist indien het werken en/of werkzaamheden betreft, die: 1.

bodemingrepen van niet meer dan 30 cm diep betreffen; 2. betrekking hebben op gronden waarvan op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat er zich geen archeologische waarden (meer) bevinden; 3. bodemingrepen betreffen met een oppervlakte van niet meer dan 500 m2; 4. het normale onderhoud tot doel hebben, met inbegrip van:  onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen;  de aanleg van nieuwe en de vervanging van bestaande kabels en leidingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;  ploegen;

(vastgesteld)

77

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt  vervanging van bestaande boomgaarden door nieuwe boomgaarden ter plaatse; 5. gelet op de elders in deze regels genoemde doeleinden, voor deze gronden van ondergeschikte betekenis zijn; 6. reeds uitgevoerd of in uitvoering zijn op het tijdstip van het van inwerkingtreden van dit plan. c. Bij de beoordeling van de omgevingsvergunning zal vooraf, op basis van een door aanvrager in te dienen archeologisch onderzoek, advies worden ingewonnen bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden en welke voorwaarden dienen te worden gesteld. d. De onder a bedoelde vergunning wordt niet verleend indien ten aanzien van het werk of de werkzaamheid sprake is van onevenredige afbreuk aan de waarden en/of functies welke het plan beoogt te beschermen, dan wel hieraan door het stellen van voorwaarden niet voldoende tegemoet kan worden gekomen.

78

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

Artikel 7 7.1

Waarde - Archeologie 4

Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bescherming van archeologische waarden. 7.2

Bouwregels

Op de in lid 7.1 bedoelde gronden mogen geen bouwwerken worden opgericht, tenzij: a. het bouwen gepaard gaat met bodemingrepen van niet meer dan 30 cm onder het bestaande maaiveld; b. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; c. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; d. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden opgericht; e. het nieuw te bouwen oppervlak, in aanvulling op het bepaalde onder c, niet groter is dan 500 m 2. 7.3 Afwijken van de bouwregels a. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 7.2 indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Aan de omgevingsvergunning kunnen in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het al dan niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; 2.

de verplichting tot het doen van opgravingen, of: 3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door Burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. b. Alvorens het bevoegd gezag beslist over het verlenen van de omgevingsvergunning wint zij schriftelijk advies in bij een archeologische deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. 7.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen en andere oppervlakteverhardingen; 2. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse leidingen; 3. het zoeken naar delfstoffen in de vorm van seismisch onderzoek of exploratieonderzoek; 4. het bewerken van en graven, boren of roeren in de bodem; 5. het aanleggen van nieuwe boomgaarden. b. De onder a bedoelde vergunning is niet vereist indien het werken en/of werkzaamheden betreft, die: 1.

bodemingrepen van niet meer dan 30 cm diep betreffen; 2. betrekking hebben op gronden waarvan op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat er zich geen archeologische waarden (meer) bevinden; 3. bodemingrepen betreffen met een oppervlakte van niet meer dan 500 m2; 4. het normale onderhoud tot doel hebben, met inbegrip van:  onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen;  de aanleg van nieuwe en de vervanging van bestaande kabels en leidingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;  ploegen;

(vastgesteld)

79

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt  vervanging van bestaande boomgaarden door nieuwe boomgaarden ter plaatse; 5. gelet op de elders in deze regels genoemde doeleinden, voor deze gronden van ondergeschikte betekenis zijn; 6. reeds uitgevoerd of in uitvoering zijn op het tijdstip van het van inwerkingtreden van dit plan. c. Bij de beoordeling van de omgevingsvergunning zal vooraf, op basis van een door aanvrager in te dienen archeologisch onderzoek, advies worden ingewonnen bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden en welke voorwaarden dienen te worden gesteld. d. De onder a bedoelde vergunning wordt niet verleend indien ten aanzien van het werk of de werkzaamheid sprake is van onevenredige afbreuk aan de waarden en/of functies welke het plan beoogt te beschermen, dan wel hieraan door het stellen van voorwaarden niet voldoende tegemoet kan worden gekomen.

80

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

Artikel 8 8.1

Waarde - Nieuwe Hollandse Waterlinie

Bestemmingsomschrijving

a. De voor 'Waarde - Nieuwe Hollandse Waterlinie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van het erfgoed van uitzonderlijke universele waarde van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Deze universele waarden zijn benoemd in Bijlage 1 Universele waarden Hollandsche Waterlinie en bestaan in ieder geval uit de volgende waarden: 1. het unieke, in samenhang met het landschap ontworpen negentiende en twintigste-eeuwse hydrologische en militair verdedigingssysteem, bestaande uit:  inundatiegebieden;  zone met verdedigingswerken als forten, batterijen, lunetten, betonnen mitrailleurkazematten en groeps- schuilplaatsen in hun samenhang met de omgeving;  voormalige schootsvelden (visueel open) en Verboden Kringen (merendeels onbebouwd gebied) rondom de forten;  waterwerken als waterlichamen, sluizen, inlaten, duikers en dijken functionerend in samenhang met verdedigingswerken en inundatiegebieden;  overige elementen als beschutte wegen, (resten van) loopgraven en tankgrachten;  de landschappelijke inpassing en camouflage van de voormalige militaire objecten; 2. grote openheid; 3. groen en overwegend rustig karakter met inbegrip van de fruitteelt op de stroomruggen. b.

Ten aanzien van de onderlinge relatie tussen de dubbelbestemmingen geldt dat dubbelbestemmingen gericht op de (externe) veiligheid prevaleren boven de dubbelbestemming 'Waarde - Nieuwe Hollandse Waterlinie'. 8.2 Bouwregels Op de in lid 8.1 bedoelde gronden mag worden gebouwd ten dienste van de andere daar voorkomende bestemmingen. 8.3

Afwijken van de bouwregels

8.3.1

'overige zone - accessen'

Op de in lid 8.1 bedoelde gronden mag ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - accessen' worden gebouwd ten dienste van de andere daar voorkomende bestemmingen op grond van daarin opgenomen afwijkingsmogelijkheden, met dien verstande dat de volgende aanvullende voorwaarde in acht moet worden genomen voor zover de gronden zijn gelegen buiten het agrarisch bouwvlak dan wel buiten het bestemmingsvlak van een niet-agrarische bestemming, niet zijnde de bestemming Bos, Natuur, Groen of Water:  er wordt voldaan aan de ontwerprichtlijnen Nieuwe Hollandse Waterlinie 8.4 Wijzigingsbevoegdheid 8.4.1

'overige zone - accessen'

Op de in lid 8.1 bedoelde gronden mag ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - accessen' worden gebouwd ten dienste van de andere daar voorkomende bestemmingen op grond van daarin opgenomen wijzigingsbevoegdheden, met dien verstande dat de volgende aanvullende voorwaarde in acht moet worden genomen voor zover de gronden zijn gelegen buiten het bouwvlak dan wel buiten het bestemmingsvlak van een niet agrarische bestemming, niet zijnde de bestemming Bos, Natuur, Groen of Water:  er wordt voldaan aan de ontwerprichtlijnen Nieuwe Hollandse Waterlinie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/669/documents/15034