CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

RV2024-026-Bijlage-Achterweg-33-Rumpt-vastgesteld-1.pdf

Gemeenteraad 26 maart 2024, gemeente West BetuweBij agendapunt: 14: Vaststelling ontwerpbestemmingsplan Achterweg 33 Rumpt19.322 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

GEMEENTE WEST BETUWE

Bestemmingsplan Achterweg 33 Rumpt

Vastgesteld

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

EDOK-RO

EDOK-RO Van Breugelplantsoen 81 3771 VN Barneveld  06 – 1395 0955 @ info@edok-ro.nl  www.edok-ro.nl

Documenttitel

Bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

Status

Vastgesteld

Datum

11-12 2023

Gemeente

West Betuwe

Webadres gemeente

www.westbetuwe.nl

Projectnummer

2022-JdG-01

Opdrachtgever

Bouwkundig ontwerpbureau JORDESIGN

Contactpersoon

Dhr. J. de Groot

Opsteller

EDOK-RO

Contactpersoon

Dhr. E. Dokter

2

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

Inhoudsopgave Vaststellingsbesluit

5

Toelichting

7

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Bij het plan behorende stukken 1.5 Leeswijzer

9 9 9 11 12 12

Hoofdstuk 2 Huidige en toekomstige situatie 2.1 Historie 2.2 Huidige situatie 2.3 Toekomstige situatie 2.4 Parkeren 2.5 Duurzaamheid

13 13 13 14 17 17

Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regio 3.4 Gemeentelijk beleid

19 19 20 22 22

Hoofdstuk 4 Planologische- en milieuaspecten 4.1 Archeologie 4.2 Bodem 4.3 Water 4.4 Externe veiligheid 4.5 Flora en fauna 4.6 Geluid 4.7 Luchtkwaliteit 4.8 Bedrijven en milieuzonering 4.9 Parkeren en verkeer 4.10 Duurzaam bouwen 4.11 Onderzoeksplicht vanwege mer-wetgeving

25 25 26 26 30 32 35 36 37 38 39 40

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Plansystematiek 5.2 Opzet van de regels 5.3 De bestemmingen

43 43 43 43

Hoofdstuk 6 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

47 47 47

Bijlagen

49

Bijlage 1

Verkennend bodem en aanvullend asbest in de grond onderzoek

51

Bijlage 2

Watertoets

53

Bijlage 3

Quickscan natuurtoets

55

Bijlage 4

Stikstofonderzoek

57

Bijlage 5

Aanvullende natuuronderzoeken

59

Bijlage 6

Zienswijzennota

61

(vastgesteld)

3

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

Regels

63

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

65 65 69

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8

Bestemmingsregels Agrarisch met waarden - Landschapswaarden Wonen Waarde - Archeologie 2 Waarde - Archeologie 3 Waarde - Archeologie 4 Waarde - Nieuwe Hollandse Waterlinie

71 71 73 75 77 79 81

Hoofdstuk 3 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Overige regels

83 83 85 87 89 91

Hoofdstuk 4 Artikel 14 Artikel 15

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

93 93 95

Bijlagen Bijlage 1

Verbeelding

4

97 Universele waarden Hollandsche Waterlinie

99

101

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

Vaststellingsbesluit

(vastgesteld)

5

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

6

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

Toelichting

(vastgesteld)

7

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

8

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Aan de Achterweg 33 Rumpt staat een vrijstaande woning met een aangebouwde garage, een vrijstaande schuur en enkele kleinere opstallen. Er is een principeverzoek ingediend om de woning, de aangebouwde garage en de kleinere opstallen te slopen en hier twee woningen te realiseren in de vorm van een twee-onder-één kap woning. De vrijstaande schuur op het perceel blijft daarbij deels behouden. Het college van burgemeester en wethouders heeft op 6 september 2022 besloten om in principe medewerking te verlenen aan dit verzoek. De bereidheid tot het verlenen van medewerking houdt het volgende in: 1. De ontwikkellocatie betreft het perceel Achterweg 33 Rumpt. 2. Op de locatie mag een twee-onder-één kap woning worden gerealiseerd, waarbij de uitstraling als één woning is. De bestaande woning, de aangebouwde gara 3. ge en enkele overige opstallen moeten gesloopt worden. Om de nieuwbouw te kunnen realiseren is dit bestemmingsplan opgesteld.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Achterweg 33, in de kernrand van Rumpt.

Figuur 1.1: Ligging plangebied (rode stip) in Rumpt

(vastgesteld)

9

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt Het plangebied is gelegen op de hoek Achterweg - Kerkweg.

Figuur 1.2: Luchtfoto, directe omgeving Kadastrale gegevens

Figuur 1.3: Uitsnede kadastrale kaart Kadastrale kaart met globale plangrens Kadastraal gemeente

: Deil

Sectie

:N

Nummers

: 803, 938, 939 en 940

10

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Voor een deel van het plangebied geldt 'Geconsolideerde versie kern Rumpt 2013' (27 maart 2015).

Figuur 1.4: Uitsnede vigerend bestemmingsplan'Geconsolideerde versie kern Rumpt 2013' Ter plaatse van het plangebied geldt de enkelbestemming 'Wonen' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. De maximum goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk 4,5 en 8 meter. Er is één woning toegestaan. Om de twee-onder-één-kapwoning mogelijk te maken is dit bestemmingsplan opgesteld. Voor een deel van het plangebied geldt bestemmingsplan 'Buitengebied 2022' (21 december 2021).

Figuur 1.5: Uitsnede vigerend bestemmingsplan'Buitengebied 2022'

(vastgesteld)

11

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt Ter plaatse van het plangebied geldt de enkel bestemming 'Agrarisch met waarden Landschapswaarden en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 4' en 'Waarde - Nieuwe Hollandse Waterlinie'. Tevens gelden deels de gebiedsaanduidigen 'milieuzone - beschermingszone leefgebied natte dooradering' en 'overige zone - accessen'. Voor het gehele plangebied geldt 'Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019' (30 juni 2020). Hierin is het parkeerbeleid juridisch-planologisch vastgelegd door middel van een uniforme regeling.

1.4

Bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan "Achterweg 33, Rumpt" bestaat uit de volgende stukken:  verbeelding, schaal 1 : 1.000 tekening nummer: NL.IMRO.1960.RUMAchterweg33-VSG1;  regels;  toelichting. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden en opstallen aangegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen teneinde de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van deze toelichting, waarin nader wordt ingegaan op:  de planbeschrijving;  het beleid;  de planologische- en milieuaspecten;  toelichting op de regels;  uitvoerbaarheid.

1.5

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de voorgenomen plannen. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Om tot een gedegen planontwikkeling te komen zijn diverse onderzoeken uitgevoerd, die inzicht geven in de ontwikkelingsmogelijkheid van het gebied. Hoofdstuk 4 geeft een samenvatting van deze onderzoeken. Hoofdstuk 5 gaat in op de bijbehorende planologisch-juridische regeling en hoofdstuk 6 gaat tot slot in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

12

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

Hoofdstuk 2 2.1

Huidige en toekomstige situatie

Historie

In de 10e eeuw wordt al melding gemaakt van Rumpt. Evenals Gellicum wordt Rumpt in de 12e eeuw een heerlijkheid. De tegenwoordige hervormde kerk behoorde zeer waarschijnlijk bij de Abdij van Mariënweerd. Medio 19e eeuw wordt de R.K. kerk gesticht: een waterstaatskerkje met de pastorie onder één dak. Rumpt bestaat uit een langgerekt dijklint en twee polderlinten die aan de oostzijde samenkomen. De Linge loopt hier vlak langs de dijk. Het directe contact tussen het dorp en de Linge is typerend voor het dorp en levert fraaie uitzichten op. Ook de relatie met de komgronden is fraai. Een kleine goed gesitueerde uitbreiding doet hier geen afbreuk aan. Het bebouwingsbeeld is landelijk en agrarisch van aard. Het heeft een gemengd karakter, maar de historische kenmerken als kleine gebouwen gemengd met schuren en bijgebouwen, rieten daken en veel groen van grote zijtuinen beheersen het beeld. De Middenstraat is ontstaan als onderstraat of achterpad van de aan de dijk gelegen erven en heeft daardoor een asymmetrisch profiel. Op de minuutkaart 1811-1832 is al te zien dat er in het plangebied bebouwing aanwezig is.

Figuur 2.1: Uitsnede Minuutkaart 1811-1832 (plangebied rode cirkel)

2.2

Huidige situatie

Op het perceel staat een woonhuis met aangebouwde garage en enkele opstallen. Aan de noord-west zijde (overzijde Kerkstraat) worden 33 woningen gerealiseerd. Verder wordt het perceel omringd door weilanden.

(vastgesteld)

13

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

Figuur 2.2: Overzicht bestaande situatie

2.3

Toekomstige situatie

Om de twee-onder-één-kapwoning mogelijk te maken worden het bestaande woonhuis en enkele opstallen gesloopt (zie figuur 2.3).

Figuur 2.3: Overzicht te slopen bebouwing

14

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt De nieuwe twee-onder-één-kapwoning is ontworpen door Jordesign uit Beesd. Hierna volgen de indicatieve gevelbeelden en plattegronden. De maximale goothoogte bedraagt circa 4 meter en de maximale bouwhoogte bedraagt circa 9 meter.

Figuur 2.4: Indicatieve gevelaanzichten

(vastgesteld)

15

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

Figuur 2.5: Indicatieve plattegronden Materiaal en kleurgebruik Onderdeel

Materiaal

Kleur

Gevelplint

pleisterwerk

grijs

Gevel

baksteen

roodbont

Kozijnen

kunststof

wit

Ramen

kunststof

donkerblauw

Deuren

kunststof

donkerblauw

Dak schuin

pannen

grijs

Dak kapel

zink

naturel

Dakgoot

hout

grijswit

Gootlijst

hout

grijswit

Deksteen

hardsteen

antraciet

16

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

2.4

Parkeren

Het parkeren vindt plaats binnen het plangebied. De woningen worden ontsloten op de Achterweg. Zie verder voor parkeren paragraaf 4.9.1.

2.5

Duurzaamheid

De woningen wordt volledig volgens bouwbesluitnormen en bouwverordening uitgevoerd. De verwarming vindt plaats door middel van een warmtepomp en er wordt gebruikt gemaakt van zonnepanelen. Er wordt gestreefd naar bijna energie neutraal.

(vastgesteld)

17

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

18

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

Hoofdstuk 3

Beleid

Het (inter)nationale en provinciale beleid is neergelegd in verschillende nota's betreffende de ruimtelijke ordening, alsmede in de verschillende structuurvisies. Een "doorzetting" van dit beleid vindt veelal plaats in verschillende gemeentelijke en provinciale uitwerkingsnota's, beleidsplannen en bestemmingsplannen. Ook binnen de voormalige gemeente Geldermalsen is dit het geval. Het beleid zoals dat door de hogere overheden wordt voorgestaan, is veelal van een andere schaal en aard dan de schaal die noodzakelijk is voor het opstellen van een (kleinschalig) bestemmingsplan. In dit hoofdstuk wordt dan ook uitsluitend ingegaan op de voor de ontwikkeling van het plangebied relevante ruimtelijk beleid.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is van kracht sinds 13 maart 2012. Deze structuurvisie vormt het integrale kader voor het rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. De SVIR vervangt de Nota Ruimte uit 2005. In de Structuurvisie wordt onder meer gesteld dat een actualisatie van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid nodig was, omdat de verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit waren gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen die onder andere ontstaan omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. De SVIR geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vormt het kader voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Nederland heeft ruimte nodig om te leven en te bewegen, om economisch te kunnen blijven groeien en voor burgers en bedrijven om initiatief te nemen. Het Rijk kan en wil niet alles zelf doen, en geeft daarom meer ruimte aan provincies en gemeenten om in te spelen op de eigen situatie, zelf beslissingen te nemen en geven ruimte aan burgers en bedrijven voor initiatief en ontwikkeling Infrastructuur en ruimte worden door alle overheden in samenhang opgepakt.

Om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden zijn in de SVIR zijn drie hoofddoelen voor de voor de middellange termijn (2028) benoemd: 1. Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland. 2. Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat. 3. Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden blijven. De drie rijksdoelen zijn in het SVIR uitgewerkt tot dertien (thematische) 'onderwerpen van nationaal belang'. In het SIVR worden geen beleidsuitspraken gedaan die specifiek van toepassing zijn voor de omgeving van Geldermalsen. 3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), beter bekend als de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte, zijn 13 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is op 30 december 2011 deels in werking getreden en met enkele onderwerpen aangevuld per 1 oktober 2012. Het betreft de volgende nationale belangen uit de SVIR: 1. Rijksvaarwegen. 2. Project Mainportontwikkeling Rotterdam.

(vastgesteld)

19

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt 3. Kustfundament. 4. Grote Rivieren. 5. Waddenzee en waddengebied. 6. Defensie. 7. Hoofdwegen en landelijke spoorwegen. 8. Elektriciteitsvoorziening. 9. Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen 10. Ecologische hoofdstructuur. 11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament. 12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte) en 13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Er zijn met de voorgenomen ontwikkelingen geen belemmeringen vanuit de Barro. 3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking is per 1 juli 2017 gewijzigd. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn, dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van twee woningen mogelijk. Er is daarom geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro. Derhalve is de laddertoets niet noodzakelijk. 3.1.4

Conclusie

Door het nationale karakter van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de kleine schaal van onderhavig plan, heeft dit plan zeer beperkt raakvlak met het nationale beleid. Onderhavig plan sluit wel aan op een van de voornaamste uitgangspunten van de structuurvisie. De wijziging vindt plaats binnen de bebouwde kom.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

Sinds 1 maart 2019 gelden de nieuwe Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en de geactualiseerde Omgevingsverordening. Op 19 december 2018 stelden Provinciale Staten deze vast en deze is op 1 maart 2019 in werking getreden. Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang. Bovendien draagt een goede kwaliteit van de leefomgeving bij aan gezondheid. Goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen, een mooie natuur; het is allemaal van belang. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende woonkwaliteiten, zowel stedelijke als landelijke. De Gelderse streken hebben ieder hun eigen aard, waar mensen zich thuis en verbonden met elkaar voelen. In onze groeiende Gelderse steden komen veel activiteiten samen. Tegelijkertijd investeren we in een vitaal platteland, juist als daar krimp plaatsvindt. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied ons vertrekpunt. Wij geven de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen. Wij gaan voor concentraties van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, breiden we uit aan de randen van onze steden of dorpen.

20

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt Woonwensen veranderen door de tijd en met de leeftijd. Mensen worden ouder, wonen steeds langer alleen en zelfstandig, worden steeds meer energiebewust en zijn mobieler dan vroeger, waardoor ze ook meer en makkelijker verhuizen. De dynamiek op de woningmarkt is groot, ook als gevolg van ontwikkelingen in de Randstad. Het grootste deel van de woningen die we in 2050 in Gelderland nodig hebben, staat er al. Maar deze woningen zijn niet klaar voor de toekomst en moeten aangepast of vervangen worden. Soms zijn zelfs tijdelijke woonvormen nodig willen we snel in kunnen spelen op de vraag. Voor de provincie staat een goede balans tussen de vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën voorop, ook voor specifieke doelgroepen. De provincie heeft zorg en aandacht voor de woonbehoeften van alle Gelderlanders. Ook zijn de meeste woningen verre van energieneutraal en klimaatbestendig. De provincie stimuleert innovaties op dit terrein, zoals het aardgasloos maken van bestaande woningen en het verduurzamen van woonwijken. Ook kijkt de provincie naar het vraagstuk van klimaatadaptatie en hoe zij wonen slimmer kunnen aanpakken. Voldoende groene ruimte, koele plekken, opvang van water in het licht van de klimaatverandering is immers van belang, zeker met het oog op de gezondheid van de inwoners.

De provincie streeft naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen om de economische kracht en kwaliteit van leven in Gelderland: nu en in de toekomst te verbeteren. De provincie heeft de ambitie:  Om een aanbod aan woningtypen en woonmilieus passend bij de diversiteit aan woningvraag; voor ieder een passende, duurzame woning. De provincie wil de bestaande bebouwde omgeving optimaal benutten met voldoende ruimte voor klimaatadaptieve maatregelen.  Alle nieuwbouw wordt aardgasloos aangelegd en zoveel mogelijk circulair gebouwd. In 2035 zijn alle (bestaande) wijken van het aardgas.  Woningen in Gelderland zijn in 2050 klimaatneutraal. Conclusie De bebouwing wordt gerealiseerd binnen de bebouwde kom en is levensloopbestendig, gesitueerd nabij voorzieningen en wordt zorgvuldig ingepast in haar omgeving. Het plan sluit hiermee aan op de omgevingsvisie Gaaf Gelderland. 3.2.2

Omgevingsverordening Gelderland

Op 24 september 2014 is de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Gelderland. Het Actualisatieplan 7 Omgevingsverordening is vastgesteld en in maart 2021 geconsolideerd. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie. De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, delen hiervan of gebiedsgerichte thema's. De onderwerpen die in de verordening aan de orde komen en waarvoor regels opgenomen zijn, zijn: wonen, bedrijvigheid, glastuinbouw, veehouderij, grond- en drinkwater, natuur en landschap, energie, gebruik gesloten stortplaatsen, grondwaterbescherming met het oog op de waterwinning, bodem, geluidhinder, vaarwegen, regionaal waterplan, handelingen in watersystemen, wegen, vervoer gevaarlijke stoffen en luchtvaart. Planspecifiek In artikel 2.2.1.1 van de omgevingsverordening wordt gesteld dat in een bestemmingsplan nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts worden toegestaan wanneer dit past in het geldende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma successievelijk de door Gedeputeerde Staten vastgestelde kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio. De voorgenomen ontwikkeling betreft een inbreidingslocatie, waarbij de bestaande bebouwing wordt vervangen voor twee woningen.

Daarmee past het initiatief binnen het provinciale woonbeleid.

(vastgesteld)

21

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

3.3

Regio

3.3.1

Regionale Woningbouwprogrammering

Door de provincie wordt elke paar jaar een prognose opgesteld over de toekomstige woningbehoefte. Deze prognoses zijn voor de provincie input voor afspraken met regio's over het woningbouwprogramma. Het maken van deze afspraken wordt door de provincie opgelegd via de Omgevingsverordening Gelderland. In deze paragraaf wordt ingegaan op de meest recente provinciale prognose en het regionale afsprakenkader. In paragraaf 3.4.3 Woonvisie West Betuwe 2020-2030 “Wonen naar behoefte” wordt nader ingegaan op het gemeentelijke woningbouwprogramma. Voor de periode 2015-2025 hanteert de provincie een kwantitatieve opgave van 7.000 tot 8.600 woningen voor de Regio Rivierenland. Vanwege een extra taakstelling in de sociale sector (onder meer vanwege de huisvesting van Statushouders) en vanwege aantrekkende vraag door de aantrekkende economie lijkt er ruimte te ontstaan om de prognoses naar boven bij te stellen. Binnen de door de provincie vastgestelde kwantitatieve opgave, dienen de gemeenten binnen Regio Rivierenland hun programma's op elkaar af te stemmen. Daarbij is ook aandacht voor de kwalitatieve opgave: de juiste woning op de juiste plaats. Voor een goede afstemming vindt periodiek ambtelijk en bestuurlijk overleg over het regionale woningbouwprogramma plaats.

Omdat er binnen de regio veel plannen voor woningbouw waren, is het regionale woningbouwprogramma erop gericht om alle plannen in de regio te inventariseren. Alle plannen worden getoetst op de planstatus, de mate van urgentie en de mate waarin het plan aansluit bij de effectieve kwalitatieve vraag. Vervolgens worden plannen ingedeeld in drie categorieën: 1. Kansrijke projecten en/of korte termijn. 2. Projecten met aandachtspunten en/of middellange termijn (5 tot 10 jaar). 3. Harde plan capaciteit voor de langere termijn en/of reserveprojecten. In principe is iedere gemeente verantwoordelijk voor haar eigen (kwantitatieve en kwalitatieve) deel van de regionale opgave. In geval van knelpunten, wordt op regionaal niveau overleg gevoerd over de mogelijkheden om woning aantallen of bijzondere doelgroepen her te verdelen. De gemeente West Betuwe heeft aangegeven dat de woningen passen binnen het 'Toetsingskader voor nieuwe woningbouwplannen'. Hiermee blijft het plan binnen de kaders die provincie en regio stellen. Aparte goedkeuring van de provincie is op dit bouwprogramma niet nodig.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Omgevingsvisie West Betuwe

De Omgevingsvisie West Betuwe is het zelfbindend document voor de gemeente om ruimtelijke ontwikkelingen te toetsen aan de wenselijke ontwikkelingsrichtingen van de leefomgeving van de gemeente. Met deze omgevingsvisie wil de gemeente vooruit blikken naar het West Betuwe van 2040. Hiermee worden de visies van de gemeenten Geldermalsen, Neerijnen en Lingewaal samengevoegd en doorgetrokken tot 2040. Voor de komende decennia is de gemeente West Betuwe voornemens om de woningvoorraad te vergroten. Hierbij is het van belang dat de ontwikkeling in alle kernen van West Betuwe evenwichtig verloopt en past bij de schaal van de desbetreffende kern. Nieuwe plannen moeten bij voorkeur bijdragen aan de diversiteit van de woningvoorraad. Het planvoornemen is in lijn met de ontwerp Omgevingsvisie door de toevoeging van een extra woning ten opzichte van de huidige situatie. Hierdoor wordt de woonvoorraad in Rumpt vergroot en past het bij de schaal van Rumpt. Door de eigentijdse inpassing in het straatbeeld draagt het voornemen ook bij aan de diversiteit van de woningvoorraad.

22

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

3.4.2

Lekker leven langs de Linge

Structuurvisie Gemeente Geldermalsen 2009 - 2015 In de raadsvergadering van 23 februari 2010 is de Structuurvisie Gemeente Geldermalsen 2009 2015: "Lekker leven langs de Linge" vastgesteld. Deze structuurvisie vormt het ruimtelijk kader voor de gemeente Geldermalsen voor de periode tot 2015, waarin ontwikkelingen en ambities voor de korte en lange termijn in zowel kwantitatieve als kwalitatieve zin zijn opgenomen. De basis voor de nota ‘Lekker leven langs de Linge’ wordt gevormd door de kernkwaliteiten van de voormalige gemeente Geldermalsen. De drie kwaliteiten zijn:  Landschapskwaliteit, als drager van ruimtelijke kwaliteit.  Knooppuntkwaliteit, zorgt voor economische en infrastructurele ontwikkeling.  Kernenkwaliteit: ‘eenheid in verscheidenheid’. Ambitie  Meer woningen geschikt voor ouderen.  Meer meergezinswoningen (indicatie: 40%).  Meer goedkope koopwoningen.  Meer betaalbare meergezins-huurwoningen (indicatie: 10%).  Meer dure huurwoningen (indicatie: 15%).  Terugbrengen van het aandeel dure koopwoningen (indicatie: 30% van voorraad).  Landelijk wonen in het buitengebied realiseren door functieverandering, hergebruik van gebouwen en woningsplitsing.  Inbreiding gaat in beginsel voor uitbreiding. Conclusie: Aangezien er sprake is van twee levensloopbestendige woningen en er tevens sprake is van inbreiding, past het plan binnen de gestelde ambitie. 3.4.3

Woonvisie West Betuwe 2020-2030 “Wonen naar behoefte”

West Betuwe is een geliefde en aantrekkelijke woongemeente, niet alleen voor de eigen inwoners maar ook voor woningzoekenden uit Rivierenland en andere regio's. Er is veel bedrijvigheid, er wordt flink gebouwd, en bedrijven en inwoners zijn via weg, water en spoor uitstekend verbonden met grote steden en werklocaties elders. De 26 dorpen en kleine stadjes zijn dorps, ruim en groen, en alle dagelijkse voorzieningen zijn in de gemeente beschikbaar. Het is een aangename en rustige thuishaven. Ondertussen gebeurt er van alles in de wereld. Zo zorgt de grote druk op de woningmarkt in de Randstad voor toenemende vraag naar woningen in omliggende gebieden. Rijk en provincie stimuleren versnelling van woningbouw. En de voortgaande vergrijzing vraagt om nieuwe woonzorg-arrangementen. Met de woonvisie geven we aan hoe West Betuwe de komende 10 jaar op deze en andere trends wil inspelen. We willen een toekomstbestendige woningmarkt, waarin ruimte is voor alle doelgroepen, zodat we een leefbare, maar ook groene gemeente zijn en blijven. We willen een woningaanbod dat aansluit op de behoefte van de Inwoners. Dorpen waar jong en oud naar tevredenheid wonen.

Binnen de woonvisie wordt uitgegaan van een viertal leidende principes:  beschermen van de unieke landschappelijke kwaliteiten en het karakter van West Betuwe en haar kernen;  voor elke inwoner is een passende woning haalbaar en betaalbaar;  ieder kan gezond en veilig wonen;  woningbouw is mogelijk in elke kern, passend bij de aard en schaal van de kern. Extra groei krijgt de ruimte in de A2-corridor. De beleidskeuzes die hier bij horen zijn:  Nieuwbouwplannen krijgen een goede mix van duur, middelduur en goedkoop (sociale huur en goedkope koop). In nieuwe plannen in de woningbouwprogrammering nemen we tenminste 30% goedkoop (koop tot € 230.000,-- en huur tot € 737,14) en 30% in het middensegment op (duurdere huur en koopwoningen tussen € 230.000,-- en € 400.000,--).  In de sociale woningmarkt is sprake van een transitieopgave. We bouwen sociale huurwoningen

(vastgesteld)

23

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt voor ouderen en kleine huishoudens. T.b.v. de transitie wordt bestaand bezit beperkt verkocht, waarbij in plaats van deze woningen nieuwe worden gerealiseerd die passen bij de vraag. De verkoop op beperkte schaal van bestaand bezit biedt kansen voor koopstarters.  We stimuleren doorstroming van ouderen en faciliteren koopstarters bij het kopen van een goedkope woning.  We bieden ruimte voor huisvesting van overlast veroorzakende inwoners. Planspecifiek Voorliggend plan draagt bij aan het beschreven oplossen van de grote woningbehoefte in de gemeente. Het plan wordt zorgvuldig ingepast in de omgeving zoals beschreven in paragraaf 2.3. Vanuit het woonbeleid volgen geen aanvullende randvoorwaarden waarmee in het plan rekening gehouden moet worden. 3.4.4

Conclusie

Dit plan is passend aan c.q. niet strijdig met het gemeentelijke beleid.

24

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

Hoofdstuk 4 4.1

Archeologie

4.1.1

Inleiding

Planologische- en milieuaspecten

Het Europees Verdrag inzake de bescherming van archeologisch erfgoed (het verdrag van Valletta, kortweg Malta genoemd) is in 1992 door twintig Europese staten, waaronder Nederland, getekend en werd in 1998 met een goedkeuringswet bekrachtigd. Vervolgens werd het verdrag op 1 september 2007 in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Het Verdrag van Valletta (Malta) gaat uit van het in de bodem bewaren van archeologische waarden op de locatie zelf ('in situ'). De achterliggende gedachte is dat de bodem zich nog steeds als de beste bewaarplaats bewezen heeft. Een andere gedachte, die hierbij speelt, is het gegeven dat latere generaties mogelijk over betere technieken van opgraven kunnen beschikken. Malta wil verder bevorderen dat in een zo vroeg mogelijk stadium van ruimtelijke ordening al rekening wordt gehouden met archeologische waarden. Tenslotte gaat het verdrag uit van het beginsel 'de veroorzaker betaalt'. Dat wil zeggen dat degene die de bodem wil verstoren het archeologisch (voor)onderzoek en de eventuele opgraving zelf moet betalen. 4.1.2

Onderzoek

Uit de archeologische beleidskaart van de gemeente West Betuwe, van 2021 blijkt dat voor het plangebied geldt: Waarde-Archeologie 3: historische dorpskern, oude woongrond en overige terreinen van archeologisch belang.

Figuur 4.1: Uitsnede archeologische beleidskaart Voor Waarde-Archeologie geldt dat voor bodemingrepen dieper dan 30 cm-Mv en groter dan 100 m2 vroegtijdig waardestellend archeologisch vooronderzoek conform KNA noodzakelijk is. De nieuw te bouwen twee-onder-een-kapwoning komt nagenoeg op de locatie van de huidige te slopen woning. De benodigde bodemingreep is daarom minder dan 100 m 2, waardoor er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. 4.1.3

Conclusie

Archeologie is geen belemmering voor de realisatie van het plan.

(vastgesteld)

25

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt Ook voor het vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet, dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

4.2

Bodem

4.2.1

Inleiding

Op grond van het Bro moet in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen moeten bij voorkeur worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik. 4.2.2

Onderzoek

In maart 2023 is door RPS advies- en ingenieursbureau bv een verkennend bodemonderzoek en aanvullend asbest-in-grondonderzoek uitgevoerd om de milieuhygiënische bodemkwaliteit te bepalen en of deze een belemmering vormt voor de bouwplannen (zie Bijlage 1). Uit het onderzoek blijkt dat de grond maximaal licht verontreinigd is met zware metalen en PAK en het grondwater is licht verontreinigd met barium en VOCl. De onderzoekshypothese (verdacht op bodemverontreiniging) wordt aanvaard, omdat er lichte verontreinigingen zijn aangetoond. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is door middel van dit bodemonderzoek in voldoende mate in beeld gebracht. De aangetoonde lichte verontreinigingen in de bodem vormen geen belemmering voor de voorgenomen sloop- en bouwplannen op het perceel. Bij eventuele graafwerkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de aangetroffen verontreinigingen in de bodem. Grond die tijdens graafwerkzaamheden binnen de onderzoekslocatie vrijkomt, mag zonder verder onderzoek binnen de onderzoekslocatie teruggebracht worden. Het is echter niet de bedoeling dat de verontreinigde grond als aanvulling dient of wordt gemengd met schone(re) grond.

Wanneer grond van de onderzoekslocatie of naar buiten de geldende bodemkwaliteitszone moet worden afgevoerd, geeft dit verkennend bodemonderzoek onvoldoende informatie over de hergebruiks- mogelijkheden en wordt door de ontvanger een partijkeuring (AP04) geëist. 4.2.3

Conclusie

Het aspect bodem is geen belemmering voor de realisatie van het plan.

4.3

Water

4.3.1

Inleiding

De Watertoets is het resultaat van één van de acties uit de Startovereenkomst 'Waterbeleid 21e eeuw', die op 14 februari 2001 is ondertekend door het Rijk, het Interprovinciaal Overlegorgaan, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Unie van Waterschappen. In de Startovereenkomst is vastgelegd dat de Watertoets vanaf het moment van ondertekening zal worden toegepast.

26

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt De Watertoets wordt uitgevoerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, wat als gevolg heeft dat in alle ruimtelijke plannen - en dus ook het bestemmingsplan - een zogeheten waterparagraaf moet zijn opgenomen. De waterparagraaf omvat het advies van de waterbeheerder en een gemotiveerd besluit ten aanzien van de wateraspecten. Eventuele afwijkingen van het advies van de waterbeheerder worden gemotiveerd. Daarbij moet door de initiatiefnemer worden aangegeven hoe met die afwijking wordt omgegaan. In laatste instantie kan worden teruggegrepen op het nemen van verzachtende maatregelen of compensatie inclusief afspraken over financiering en uitvoering. In het kader van de watertoets is overleg gevoerd en heeft afstemming plaatsgevonden met de betrokken waterbeheerders (Waterschap Rivierenland). In dit hoofdstuk is aangegeven op welke wijze dit overleg heeft plaatsgevonden en welke adviezen in het kader van dit overleg zijn gemaakt. 4.3.2

Beleid

Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) In 2003 sloten Rijk, Interprovinciaal Overleg, Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Dit akkoord is te beschouwen als het bestuurlijke antwoord op het rapport WB21 (Waterbeheer 21e eeuw). In het akkoord zijn maatregelen afgesproken met als doel het watersysteem in 2015 'op orde' te hebben. In het bestuursakkoord zijn taakstellende afspraken opgenomen over veiligheid en wateroverlast. Ook is een impuls gegeven aan het gebruik van de watertoets. De watertoets zorgt voor een vroegtijdige afstemming tussen ruimtelijke plannen en de waterhuishouding. In 2011 is een nieuw akkoord afgesloten door de koepels. De essentie van dit nieuwe akkoord is een doelmatig beheer en meer samenwerking tussen beheerders in de waterketen en kostenbesparingen door grotere efficiëntie en effectiviteit. In september 2017 is 'Deltaprogramma 2018' vastgesteld. Onderdeel Ruimtelijke Adaptatie spoort gemeenten aan om klimaat kwetsbaarheden inzichtelijk te maken en ruimtelijk ontwikkelingen klimaatneutraal en waterrobuust te ontwikkelen.

Kaderrichtlijn Water (KRW) Door de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft Nederland een resultaatsverplichting voor het bereiken van de gewenste waterkwaliteit en ecologie van grond- en oppervlaktewatersystemen. Voor grote wateren of watersystemen, de zogenaamde KRW-waterlichamen, zijn hiertoe doelen opgesteld. De (bindende) maatregelen om de doelen te bereiken zijn vastgelegd in de stroomgebiedsplannen. Voor de overige wateren geldt minimaal het stand-still principe. Waterbeheerders mogen hiervoor zelf aanvullende doelen opstellen. Provincie Gelderland en waterschap Rivierenland Provinciaal beleid In het Waterplan Gelderland 2010-2015 staat hoe de provincie wil zorgen voor voldoende schoon water én droge voeten. Het Waterplan Gelderland is de opvolger van het derde Waterhuishoudingsplan (WHP3). Het beleid uit WHP3 wordt grotendeels voortgezet. Het Waterplan Gelderland is tegelijk opgesteld met de water(beheer)plannen van het Rijk en de waterschappen. In onderlinge samenwerking zijn de plannen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. Het Waterplan Gelderland 2010-2015 is op 11 november 2009 door Provinciale Staten vastgesteld en op 22 december 2009 in werking getreden. In het plan staan de doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie ze gaat uitvoeren.

Voor oppervlaktewaterkwaliteit, hoogwaterbescherming, regionale wateroverlast, watertekort en waterbodems gelden provincie brede doelen. Voor een aantal functies, zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, zijn specifieke doelen geformuleerd. In de Provinciale milieuverordening Gelderland (PmG) zijn milieuregels opgenomen die het drinkwater moeten beschermen.

(vastgesteld)

27

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt Waterschap Rivierenland Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat het waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerplan zijn de kaders voor het waterbeheer gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van het waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: 1. beschermen tegen overstromingen; 2. water eerlijk verdelen; 3. voorbereiden op extreem weer; 4. streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; 5. bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; 6. kwaliteitsverbetering zwemwater; 7. toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; 8. toewerken naar circulariteit. Voor kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen in het stedelijk gebied streeft het Waterschap minimaal naar het stand-still beginsel. Dit houdt in dat door bouwplannen de waterhuishouding niet mag verslechteren, bij eventuele verhardingen dient hiervoor dan ook gecompenseerd te worden in de vorm van open water. Als vuistregel kan gehanteerd worden dat voor 1 ha verharding ter compensatie 2.180 m² = 436 m³ open water moet worden gerealiseerd.

Daarnaast geldt voor de realisatie van kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc., een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor landelijk gebied. Hiervoor geldt dat het moet gaan om een verhard oppervlak of voorziening die op zichzelf staat. Wanneer het verharde oppervlak in eerste instantie weliswaar kleiner is dan respectievelijk 500 m² en 1.500 m², maar deel uitmaakt van een groter geheel, zou er van latere aanbouw of uitbreiding een cumulatief effect kunnen uitgaan. In deze gevallen moet bij een volgende uitbreiding, die het totaal verharde oppervlak groter doet zijn dan respectievelijk 500 m² en 1.500 m², de meerdere oppervlakte alsnog worden gecompenseerd. Gemeentelijk beleid Verordening afvoer hemel- en grondwater en Rioolaansluitverordening In april 2021 is de 'Verordening afvoer hemel- en grondwater en Rioolaansluitverordening' vastgesteld. Hierin is vastgelegd het verbod om in de hele gemeente grondwater te lozen in het openbare vuilwaterriool. Dit verbod geldt voor zowel bestaande als nieuwe lozingen. Het lozingsverbod geldt voor alle eigenaren van bouwwerken, open erven en terreinen. Hiermee wordt de nadruk gelegd op de verantwoordelijkheid van de perceeleigenaar om het grondwater zoveel mogelijk zelf te verwerken.

Het lozingsverbod dwingt perceeleigenaren om dat water ofwel in het oppervlaktewater ofwel in een hemelwaterstelsel te lozen. In de verordening is geregeld dat lozen van hemelwater vanaf nieuwe gebouwen in de hele gemeente alleen is toegestaan als er een waterberging wordt aangebracht. Vanwege de klimaatontwikkelingen, waardoor steeds vaker steeds heftigere buien vallen, is het nodig dat ook particulieren een bijdrage leveren aan het vasthouden van dit regenwater op het eigen terrein. Daarom kiest de gemeente er voor om bij nieuwbouw in alle gevallen een waterberging verplicht te stellen. Deze verplichting geldt dus ook bij sloop/herbouw. Een hemelwaterberging kan in verschillende vormen worden aangelegd. Voorbeelden zijn de aanleg van een bergingsvoorziening met een hemelwatergebruiksysteem, het ingraven van infiltratiekratten of een grindbed, het aanleggen van een verdiept gedeelte in de tuin of het aanleggen van een groen dak. Een combinatie van waterbergende voorzieningen is ook mogelijk. Het schone hemelwater wordt vanuit de waterberging bij voorkeur hergebruikt of geloosd in de bodem (geïnfiltreerd) of in oppervlaktewater. Via de regel om te voorzien in een minimale waterbergingscapaciteit per m 2 verhard oppervlak, wordt hemelwater langer vastgehouden op eigen terrein. Op die manier wordt de belasting op de openbare riolering door de (extra) verharding gecompenseerd.

De minimale capaciteit van de hemelwaterberging is gerelateerd aan de totale omvang van het verharde oppervlak op het perceel. Dat is de optelsom van alle bebouwing (het hoofdgebouw en

28

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt bijbehorende bouwwerken) plus alle terreinverharding, zoals terrassen. Als de totale omvang van het verhard oppervlak op het perceel niet meer is dan 500 m 2, moet de capaciteit van de hemelwaterberging 20 l per m2 verhard oppervlak zijn (oftewel 20 mm). Bij grotere projecten is de minimale capaciteit 43,6 l per m2 verhard oppervlak. Deze laatste eis is in lijn met het beleid van het waterschap. Rioolaansluitverordening gemeente West Betuwe In april 2021 is de 'Rioolaansluitverordening gemeente West Betuwe' vastgesteld. Gemeenten hebben op grond van artikel 10.33 Wet milieubeheer een zorgplicht voor de inzameling van stedelijk afvalwater. Onder stedelijk afvalwater wordt afvalwater verstaan dat bestaat uit huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater. De gemeente draagt zorg voor transport van stedelijk afvalwater naar de rioolwaterzuivering. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen de zorgplichten overgenomen worden in artikel 2.16 en 2.17 van die wet. De zorgplicht voor stedelijk afvalwater vult de gemeente in door de aanleg en beheer van een openbaar vuilwaterriool. Met een rioolaansluitverordening legt de gemeente het beleidskader ten aanzien van het eigendom en beheer van aansluitleidingen op de openbare riolering vast.

Onder het huidige recht geldt de rioolaansluitverordening voor aansluitleidingen vanaf de perceelgrens tot aan het openbare riool. De terreinleidingen op het perceel zijn geregeld in het Bouwbesluit 2012, zodat de gemeente daar geen regels over mag stellen in een verordening. Onder de Omgevingswet gaat dit veranderen. Het Rijk stelt in het Besluit bouwwerken leefomgeving, de opvolger van het Bouwbesluit 2012, niet langer regels over de terreinleidingen. Het toepassingsbereik van de rioolaansluitverordening wordt in het nieuwe stelsel de aansluitleiding vanaf het gebouw tot aan het openbare riool. 4.3.3

Onderzoek

In oktober 2022 is door EDOK-RO de digitale watertoets uitgevoerd via de website www.dewatertoets.nl (zie Bijlage 2). Uit de watertoets volgt dat de korte procedure gevoerd moet worden. Bij de bouwaanvraag zal worden aangetoond, hoe rekening wordt gehouden met klimaatadaptief bouwen en wordt aangegeven hoe hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem. Bij de bouw worden geen uitloogbare materialen toegepast. Naar aanleiding van de ingediende watertoets heeft het waterschap een reactie gegeven. Indien er sprake is van een toename aan verharding moet een watervergunning worden aangevraagd. In figuur 4.1 is de bestaande verharding en de toekomstige verharding weergegeven. Hieruit blijkt dat er sprake is van een afname aan verharding van 57 m2 en een watervergunning dus niet nodig is.

Figuur 4.1: Bestaande en toekomstige m2 verharding

(vastgesteld)

29

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt 4.3.4

Conclusie

Het aspect water is geen belemmering voor de realisatie van het plan.

4.4

Externe veiligheid

4.4.1

Inleiding

Kader Wettelijk kader externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is het wettelijke kader vastgelegd in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en de onderliggende regelgeving. Voor ondergrondse buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang:  Het plaatsgebonden risico (PR) richt zich, als maat voor het risico vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen, vooral op de basisveiligheid voor personen in de omgeving van die activiteiten. Aan het PR is een wettelijke grenswaarde verbonden die niet mag worden overschreden.

Het PR wordt "vertaald" als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijv. woningen) mogen liggen.  Het groepsrisico (GR) is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting, als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbare aantal personen, de z.g. oriënterende waarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd, kan afwijken. Deze verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR, ook als de OW niet wordt overschreden. 4.4.2 Onderzoek Woningen zijn geen risico-veroorzakende inrichting. Echter, woningen worden wel aangemerkt als een (beperkt) kwetsbaar object, zodat wel beoordeeld dient te worden of er risicogevoelige inrichtingen dan wel zones aanwezig zijn waarbinnen het perceel valt. Hiertoe is een check uitgevoerd op de risicokaart.

Figuur 4.2: Uitsnede risicokaart

30

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt Risicovolle bedrijven Binnen de beoogde bestemming “wonen” passen geen risicovolle activiteiten, zoals Bevi-activiteiten. Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege risicovolle inrichtingen. Vervoer gevaarlijke stoffen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid wel relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroute, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Het plangebied ligt echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones). Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in ieder geval worden ingegaan op de mogelijkheden voor:  de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute en  de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied.

Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. De Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft aangegeven dat in dit geval onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "bijzonder kwetsbare object", bestemd voor verminderd zelfredzame personen. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten.

In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. Buisleidingen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van relevante buisleidingen voor aardgas en vloeibare brandstoffen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege buisleidingen. 4.4.3

Conclusie

Het aspect externe veiligheid is alleen relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er gezien vanuit het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval op deze transportroute. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid.

(vastgesteld)

31

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

4.5

Flora en fauna

4.5.1

Inleiding

Wet natuurbescherming De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden opgenomen als afzonderlijke hoofdstukken, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. 4.5.2

Onderzoek

In februari 2022 is door Viridis bv een QuickScan Wet Natuurbescherming uitgevoerd om inzicht te verschaffen of de geplande uit te voeren werkzaamheden conflicteren met de Wet natuurbescherming (zie Bijlage 3). Gebiedsbescherming In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen gebieden gelegen die vallen onder de werkingssfeer van de Vogel- /Habitatrichtlijn en/of de wet Natuurbescherming. Het dichtstbij gelegen gebied dat valt onder de werkingssfeer van de Wet natuurbescherming is de Natura2000 gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’, op een afstand van circa 3,6 kilometer. Gezien de aard van de geplande werkzaamheden op de projectlocatie en de (effect)afstanden tot de Natura2000 gebieden wordt geen verstoring of negatieve effecten verwacht op het vlak van vernietiging, verstoring, verdroging, verzoeting of verzilting van aangewezen habitattypen. Ten aanzien van stikstofuitstoot is in januari 2023 door Ecofect een aeriusberekening uitgevoerd (zie Bijlage 4). Naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek, en de daarbij behorende berekeningen, kan worden geconcludeerd dat voor de aanlegfase en de nieuwe gebruiksfase de grenswaarde van de stikstofdepositie op natuurgebieden van 0,00 mol/ha/j niet wordt overschreden. Dit houdt in dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect stikstof voor de aanlegfase en de nieuwe gebruiksfase.

Er is geen vergunning ten aanzien van de Wet natuurbescherming nodig. Natuurnetwerk Nederland De provincie Gelderland beschermt het NNN via het ruimtelijk beleid om ervoor te zorgen dat de omvang en kwaliteit van deze gebieden niet afneemt. Dit is geregeld in de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV). Aangezien het Natuurnetwerk Gelderland geen externe werking kent en de planlocatie buiten het netwerk, of de groene ontwikkelingszone hiervan, is gelegen is verder toetsing niet aan de orde. Soortbescherming Flora Het terrein en omgeving is nauwkeurig onderzocht om inheemse en uitheemse beschermde vegetatie. Hier zijn geen beschermde soorten aangetroffen, waardoor er geen sprake is overtreding Wet natuurbescherming. Fauna Uit het onderzoek blijkt dat negatieve effecten op potentiële nest- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen, huismus, gierzwaluw en steenuil niet kunnen worden uitgesloten. Daarom is het noodzakelijk om aanvullend onderzoek te doen naar bovengenoemde soorten. Afhankelijk van de uitkomsten van dit onderzoek kan worden getoetst of het noodzakelijk is om een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen.

32

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt Houtopstanden Binnen het plangebied worden geen houtopstanden geveld en derhalve geldt voor dit project geen meldings- of herplantingsplicht. Er is geen sprake van overtreding Wet natuurbescherming. 4.5.3

Aanvullende onderzoeken

In september 2022 is door Viridis bv een nader onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van de vleermuis, huismus, gierzwaluw en steenuil (zie Bijlage 5). Het nader onderzoek heeft uitgewezen dat er één zomer- en winterverblijfplaats van gewone dwergvleermuis in het plangebied aanwezig is achter een boeibord van het woonhuis. Nest- of rustplaatsen van huismus, gierzwaluw en steenuil zijn niet aangetroffen. Voor de vleermuizen is daarom ontheffing aangevraagd en verleend. Tijdelijke alternatieven vleermuizen Er moeten daarom 4 minimaal 4 tijdelijke verblijfplaatsen voor vleermuizen worden aangeboden. Hiertoe zijn de er tijdelijke verblijfplaatsen aangeboden aan de schuur op verschillende windrichtingen. Het gaat om het type VK MP 06 (zie figuur 4.3).

Figuur 4.3: Tijdelijke vleermuiskast aan de schuur van het type VK MP 06 De tijdelijk alternatieve verblijfplaatsen zijn op 13 mei 2022 geplaatst. Op deze manier wordt voldaan aan de drie maanden gewenningsperiode, als de werkzaamheden in het voorjaar van 2023 zullen starten. Permanente alternatieven vleermuizen Er moeten minimaal 4 permanente zomer- en winterverblijfplaatsen voor vleermuizen worden aangeboden. Hiertoe wordt er maatwerk toegepast. Aan beide kopgevels van de schuur worden houten gevelbetimmering gerealiseerd, die geschikt zijn voor vleermuizen (zie figuur 4.4).

(vastgesteld)

33

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

Figuur 4.4: Locatie gevelbetimmering

houten

gevelbetimmering

geschikt

voor

vleermuis

/

detailtekening

De ruimte achter de betimmering wordt toegankelijk gemaakt voor vleermuizen door een opening van 20 mm vrij te houden tussen de gevel en de betimmering. De houten gevelbetimmering zal van onderen open zijn of er zal om de meter een opening van 50 mm breed en 20 mm diep aanwezig zijn. Gewone dwergvleermuis maakt hier gebruik van, de dieren kunnen hangen aan de gevel achter de betimmering. De schuur wordt aan de kopse kanten niet verlicht. Hierdoor wordt ver boven de benodigde ‘compensatiefactor 4’ gemitigeerd. De houten gevelbetimmering wordt uiterlijk vóór 1 april 2023 gerealiseerd. Steenuil Aanvullend worden er twee steenuilkasten geplaatst op het terrein volgens het plan van Stichting Landschapsbeheer Gelderland (Wolthaus, 2022). Deze kasten worden geleverd voor de vogelwerkgroep West-Betuwe.

34

(vastgesteld)

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

4.5.4

Conclusie

Flora en fauna is geen belemmering voor de realisatie van het plan.

4.6

Geluid

4.6.1

Inleiding

De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel de mensen te beschermen tegen geluidsoverlast ten gevolge van weg-, spoorweg- of industrielawaai. Op basis van deze wet dient bij het opstellen van het bestemmingsplan dan ook aandacht te worden geschonken aan het aspect "geluid". In de Wet geluidhinder is een zonering van industrieterreinen, wegen en spoorwegen geregeld. Enerzijds betekent dit dat (geluids)eisen worden gesteld aan de milieubelastende functies, anderzijds betekent dit dat beperkingen worden opgelegd aan milieugevoelige functies. De verplichting tot het uitvoeren van een akoestisch onderzoek in relatie tot het opstellen van een bestemmingsplan geldt niet indien in dat bestemmingsplan geen mogelijkheden worden geboden voor het realiseren van nieuwe woningen en andere geluidgevoelige objecten. Aangezien er woningen (geluidgevoelige object) in het plangebied wordt gerealiseerd, dient er akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoofdstuk VI, afdeling 1 bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone.

Als in deze zone geluidgevoelige bebouwing wordt geprojecteerd dan dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De breedte van deze zone is afhankelijk van:  de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied;  het aantal rijstroken. In stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes:  wegen met een of twee rijstroken: 200 meter;  wegen met drie of meer rijstroken: 350 meter. In buitenstedelijk gebied worden drie typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes:  wegen met een of twee rijstroken: 250 meter;  wegen met drie of vier rijstroken: 400 meter;  wegen met vijf of meer rijstroken: 600 meter. De volgende wegen hebben op grond van artikel 74 Wgh geen zone:  wegen gelegen in een als woonerf aangeduid gebied;  wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur. 4.6.2 Onderzoek Wonen is een geluidgevoelige functie en daarom moet worden aangetoond dat er binnen sprake is van een goed woon- en leefklimaat is. Voor naast gelegen perceel waar 33 woningen worden gerealiseerd geldt het bestemmingsplan 'Achterweg ong. te Rumpt' met identificatienummer NL.IMRO.1960.BPachterwegong-VSG1. Voor dit plan is door Aelmans een akoestisch onderzoek contourberekening uitgevoerd. Voor onderhavig plan is op basis hiervan een contouren afbeelding gemaakt.

Hieruit blijkt dat op de gevel van de twee-onder-een-kapwoning een maximale geluidbelasting is van 48 dB(53 -5 dB aftrek dB).

(vastgesteld)

35

bestemmingsplan Achterweg 33, Rumpt

Figuur 4.5: geluidcontouren en detail geluidcontouren nabij nieuwe woning De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt niet overschreden op 1,5 meter hoogte en ook niet op 4,5 meter hoogte. Het binnenniveau van 33 dB is hiermee gewaarborgd. Daarmee is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.6.3

Conclusie

Het aspect geluid is geen belemmering voor de realisatie van het plan.

4.7

Luchtkwaliteit

4.7.1

Inleiding

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:  Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);  Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/669/documents/15034