RV2022-032 Bijlage Bp Veerstraat 23 incl. bijlagen.pdf
Tekst van het document
4.4.2 Vergroten biodiversiteit Aan de oostzijde, aangrenzend aan het bosperceel is een natuurvriendelijke oever voorzien met een lengte van ca. 125 meter. Een natuurvriendelijke oever draagt bij aan het verbeteren van de waterkwaliteit en zal tevens de biodiversiteit aanzienlijk vergroten. Aan de rand van de natuurvriendelijke oever komt over de volledige lengte een rij met knotwilgen. Deze knotwilgen zullen om de tien meter geplaatst worden. Het totaal aan knotwilgen komt daarmee op 12 stuks. Achterop het perceel is een biologische hoogstamboomgaard van ca. 13 fruitbomen. Deze boomgaard blijft behouden. Een hoogstamboomgaard draagt bij aan de landelijke uitstraling en refereert aan de agrarische geschiedenis van de locatie. De boomgaard zal ook bijdragen, door meer bloemen en insecten, aan versterking van de bijen- en vogelpopulaties die sterk onder druk staan in Nederland.
Afbeelding 7: Principedoorsnede natuurvriendelijke oever aan oostzijde van perceelgrens
Afbeelding 8: Voorbeelden van de beoogde knotwilgen en natuurvriendelijke oever
4.4.3 Stikstofuitstoot De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van enkele opstallen en de realisatie van een woning. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). In de handreiking ‘woningbouw en AERIUS’ (Rijksoverheid januari 2020) wordt uitgegaan van de volgende kengetallen: • Emissie woning tijdens gebruiksfase: geen; • Emissie uit verkeer tijdens gebruiksfase: 0,27 kg NOx per woning; • Emissie uit de aanlegfase (mobiele werktuigen en transport): 3 kg NOx per woning.
Pagina 24 Bestemmingsplan Veerstraat 23 en 25 te Waardenburg
Gezien er sprake is van een grote afstand (3 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en in de gebruiksfase sprake is van een afname in stikstofemissie wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.
4.5
Bodem
Het is wettelijk geregeld (Wbb en bouwverordening) dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen, als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Indien sprake is van een verdachte locatie dient onderzocht te worden in welke mate de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Planspecifiek Voorliggend plan voorziet in het wijzigen van de woonbestemming en het mogelijk maken van een woning. Er zal dus door middel van een bodemonderzoek bepaald moeten worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor wonen dan wel of er gesaneerd moet worden. De conclusies uit het bodemonderzoek uit bijlage 5 zijn als volgt: De oorspronkelijke bodem bestaat uit bruingrijze en licht humeuze klei, overgaand in siltige en grijze klei op 0.5 m-mv. In de boringen in het beton in en rond de opstallen is de bovengrond zandig, tot een diepte van maximaal 0.7 m-mv. In de bovengrond van de boringen in de contour van de gedempte sloot is licht puin waargenomen, tot een diepte van 0.5 m-mv. Ook het zand onder het beton is puinhoudend. Het gehalte is daar gekwalificeerd als licht tot matig. In één boring is dat sterk : in boring 19 aan het eind van de oprit.
Het puin bestaat uit beton, grind en baksteen. Er is visueel nergens asbest waargenomen in of op de grond. Grond De boven- en ondergrond van het terrein aan de Veerstraat zijn maximaal licht verontreinigd. Voor geen van de stoffen uit het NEN 5740-pakket wordt een tussenwaarden overschreden. In de boven- en ondergrond van de voormalige tanklocatie in de schuur achter de woning is zintuiglijk geen olie waargenomen. In de grond op grondwaterniveau van boring 5 is olie ook analytisch niet verhoogd. Van de bestrijdingsmiddelen is er niet één meetbaar verhoogd in de oorspronkelijke bovengrond van het terrein. Van de PFAS-componenten is PFOA boven de Achtergrondwaarde verhoogd. Deze lichte verontreiniging is typerend voor de omgeving en beperkt zich niet tot het onderzochte terrein zelf. Asbest Visueel is nergens asbest waargenomen in of op de bodem rond de opstallen aan de Veerstraat. Een goede inspectie van de grond onder het beton was echter niet mogelijk. Er zijn voor het onderzoek twee mengmonsters van grond en puin op asbest geanalyseerd. Analytisch is door het lab asbest kleiner dan 20 mm aangetoond in het indicatieve mengmonster van het puinhoudende zand onder de beton-verharding in en rond de opstallen. Het gaat om 41 stukjes met een grootte tot 20 mm, die allen bestaan uit hechtgebonden chrysotiel.
De stukjes resulteren in een gewogen gehalte van 55 mg/kg ds, door het lab omschreven als vlakke cement-plaat. In de fijne fractie, het asbest kleiner dan 0.5 mm (het respirabele asbest), is in dit monster ook wat asbest aangetroffen. Het mengmonster van de grond uit de gedempte sloot bevat analytisch geen asbest.
Pagina 25 Bestemmingsplan Veerstraat 23 en 25 te Waardenburg
Grondwater Het grondwater staat op het terrein aan de Veerstraat op circa 0.6 m-mv. In het grondwater zijn barium, olie en zink licht verhoogd. Barium is regionaal verhoogd en niet specifiek voor het terrein zelf. Conclusie, aanbevelingen De licht verhoogde gehaltes in grond en grondwater zijn geen risico voor de volksgezondheid en geen belemmering voor de ontwikkeling van de locatie. Voor asbest in grond is een hergebruiksnorm of interventiewaarde van toepassing van 100 mg/kg ds. Voor de puinhoudende grond onder de betonvloer is ook een tussenwaarde relevant. Deze is 50 mg/kg ds. Het gewogen, indicatieve asbestgehalte ligt daar boven. Er is dus enige vorm van vervolgonderzoek nodig. Dat is in de huidige situatie alleen mogelijk als er grootschalig zaagwerk in het beton wordt verricht. Alternatief is het uitvoeren van verder onderzoek als de betonvloer gesloopt is. Aanbevolen wordt nog een ronde asbest-bodemonderzoek uit te voeren op het moment dat de betonvloer gesloopt is. Het onderzoek betreft dan het te slopen deel van de betonvloer. Dit moet overlegd worden met Omgevingsdienst Rivierenland. De omgevingsdienst neemt het bovenstaande advies vanuit het bodemonderzoek over en geeft aan dat er een voorwaarde opgenomen moet worden dat er na de sloop van de betonvloer een nader bodemonderzoek uitgevoerd moet worden.
In de planregels is hiervoor een voorwaardelijke verplichting opgenomen in artikel 4. Gezien bovenstaande conclusies vormt het aspect bodem geen belemmering voor voorliggend plan.
4.6
Luchtkwaliteit
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Toetsing van Grenswaarde Advieswaarde (WHO) Stof Stikstofdioxide (NO2)
jaargemiddelde concentratie Uurgemiddelde (mag max. 18 keer per jaar worden overschreden) Fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-gemiddelde concentratie (mag max. 35 keer per jaar worden overschreden) Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie Tabel: grenswaarden maatgevende stoffen Wet luchtkwaliteit
40 µg / m³ 200 µg / m³
40 µg / m³
40 µg / m³ 50 µg / m³
20 µg / m³
25 µg / m³
10 µg / m³
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen, uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens, rekening gehouden met de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM (Niet in Betekenende Mate) en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit kan het geval zijn wanneer een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10. Planspecifiek Een plan voldoet in de regel aan het NIBM criterium als het minder dan 1500 woningen betreft dan wel als er sprake is van een BVO van maximaal 100.000 m 2. Voorliggend plan houdt de nieuwbouw van Pagina 26 Bestemmingsplan Veerstraat 23 en 25 te Waardenburg
één woning in. De gehele ontwikkeling blijft ruim onder het criterium. Nader onderzoek in het kader van luchtkwaliteit is dan ook niet noodzakelijk.
Afbeelding 9: Uitsnede kaart NSL waardes NO2, PM2,5 en PM10 2020 en 2030, plangebied blauwe vakje
Uit de waardes van de NSL kaart blijken geen waardes te komen die maatregelen eisen. Het aspect luchtkwaliteit vormt, op basis van de voorgaande conclusies, geen beperking voor het voorliggende plan.
4.7
Externe Veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: • risicovolle (Bevi-)inrichtingen; • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Pagina 27 Bestemmingsplan Veerstraat 23 en 25 te Waardenburg
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en kampeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkt kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Bij groepsrisico is niet een contour bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Bij groepsrisico wordt gewerkt met een oriëntatiewaarde en niet met een grenswaarde. Hoe meer mensen dicht op de bron zijn bij een bepaalde calamiteit, hoe groter het effect.
Het Bevi stelt dat bij elk bestemmingsplan, waar een relevant groepsrisico aanwezig is dit moet worden verantwoord, ook wanneer dit onder de oriëntatiewaarde ligt. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico hoe zwaarder de verantwoording is. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen.
Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor Het toetsingskader voor het onderdeel transportroutes gevaarlijke stoffen is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Dit besluit is op 1 april 2015 in werking getreden. Bepaald moet worden of binnen de invloedsfeer van deze transportassen gevoelige functies mogelijk zijn. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). Een onderdeel van het Bevt houdt in dat voor sommige transportassen rekening moet worden gehouden met het Plasbrandaandachtsgebied (PAG). Het PAG is het gebied tot 30 meter van de transportas waarin, bij de realisering van kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen.
Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risico verhogend object Pagina 28 Bestemmingsplan Veerstraat 23 en 25 te Waardenburg
mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Het Bevb vervangt hiermee de circulaires Zonering langs hogedruk aardgasleidingen (1984) en Zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen (1991). Planspecifiek In aanvulling op het gestelde in de EV-regelgeving zijn in de Beleidsvisie externe veiligheid 2019-2023 van gemeente West Betuwe richtinggevende ambities opgenomen. Voor het realiseren van gevoelige functies in het landelijk gebied stelt de visie dat de gemeente een minder streng veiligheidsregime dan in woongebieden. Voor dit type gebied hanteert de gemeente de in onderstaande matrix vermelde ambities. Onderstaand worden eerst de risico’s beschreven en vervolgens wordt afgewogen mede aan de hand van de ambities of de ontwikkeling mogelijk is in het kader van externe veiligheid.
Om te beoordelen of er Externe Veiligheidsrisico’s zijn is de risicokaart van de provincie geraadpleegd. De locatie ligt in het invloedsgebied van de hoge druk aardgastransportleiding A-555, de rijksweg A2 en de Betuweroute. Ten aanzien van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen over spoor en weg wordt hiernavolgend verder ingegaan op het veiligheidsaspect. Buisleiding Op de kaart is zichtbaar dat voor het plangebied langs een hogedruk aardgasleiding loopt. Het gaat om hoge druk aardgastransportleiding A-555. De afstand tussen het plangebied en de buisleiding bedraagt circa 20 meter (zie onderstaande afbeelding). Het maatgevend scenario voor een hogedruk aardgasleiding is de zogenaamde fakkelbrand. Het fakkelbrandscenario beschrijft een leidingbreuk met fakkelbrand in het ondergrondse aardgastransportnet van de Gasunie. In dit scenario wordt uitgegaan van een directe ontsteking van het uitstromende gas door statische of kinetische energie. Incidenten met buisleidingen worden hoofdzakelijk veroorzaakt door graafwerkzaamheden. In dit scenario worden de volgende effectafstanden gehanteerd: 100 % letaliteitsgrens 1 % letaliteitsgrens
190 meter 490 meter
Pagina 29 Bestemmingsplan Veerstraat 23 en 25 te Waardenburg
Afbeelding 7: Uitsnede risicokaart, afstand aardgasleiding
Het plangebied bevindt zich volledig binnen de 100 % letaliteitsgrens van de buisleiding. Bij een calamiteit kan een fakkelbrand vanuit de buisleiding ontstaan. De veiligheidsregio Gelderland-Zuid geeft als principe mee om zoveel mogelijk afstand te behouden tot risicobronnen. Het gaat hier om een zeer kleine kans dat dit risico optreed. Het nieuw te realiseren bouwvlak, dat tevens het dichtstbij de buisleiding gelegen is, sluit aan op de rooilijn van nummer 23. Vanuit het oogpunt van landschappelijke inpassing wordt aansluiting op deze rooilijn als wenselijk gezien. De bouwvlakken van de twee woningen liggen hierdoor niet direct aan de weg maar zijn verder naar achteren op het perceel gelegen. De afstand tot aan de buisleiding is zo groter dan wanneer de bouwvlakken dichterbij de Veerstraat worden gesitueerd. Daarnaast geldt dat bij een fakkelbrand dat de mogelijkheid om te kunnen schuilen voor de hitte van de fakkel belangrijk is om de overlevingskans te vergroten. Het kunnen schuilen in of achter een stenen woning zorgt voor een zo goed mogelijk afscherming van deze bron. Vanachter de woning bestaat vervolgens de mogelijkheid verder te vluchten vanaf de fakkelbrand. Er zal aan de achterzijde van de woning ook een deur komen om dit vluchten van de bron af mogelijk te maken. De woning zou in voorliggend plan in theorie nog verder naar het zuiden geplaatst kunnen worden.
De afstand tot de bron wordt hierdoor verder vergroot maar de wijze van schuilen voor een fakkelbrand wijzigt hierdoor niet. Het effect van het verschuiven is daarmee beperkt. Verdere verschuiving levert wel grote bezwaren op vanuit landschappelijk oogpunt. Het is ongewenst om woonbebouwing te ver van de openbare weg in het open veld te plaatsen. Dit levert aantasting van het open agrarische landschap op. De gemeente heeft een maatwerkadvies aangevraagd bij de veiligheidsregio Gelderland-Zuid ten aanzien van deze leiding, zie bijlage 6. Voor wat betreft de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid is hiernavolgend het advies van de veiligheidsregio samengevat. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Een fakkelbrandscenario is in principe niet bestrijdbaar voor de hulpdiensten. De ontstane fakkelbrand kan alleen worden gedoofd door het afsluiten van de afsluiters door de Gasunie. Door het afsluiten (wat mogelijk tot een uur kan duren) stroomt het resterende gas uit en dooft de fakkel uit. De te verwachte hittestraling is dusdanig intens dat de brandweer de omgeving van een breuk niet kan betreden. Secundaire branden die als gevolg van de hittestraling ontstaan kunnen nadat de fakkelbrand is Pagina 30 Bestemmingsplan Veerstraat 23 en 25 te Waardenburg
uitgedoofd wel door de brandweer worden bestreden. De brandweer moet hiervoor over voldoende bluswater beschikken. In en nabij het plangebied is geen primaire en secundaire bluswatervoorziening beschikbaar. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Het beschreven scenario biedt de personen in de directe omgeving binnen de 100 % letaliteitszone van de ontstane uitstroomopening feitelijk geen handelingsperspectief. Door de grote hittestraling zullen de gebouwen gaan branden. Als de fakkelbrand optreedt op een grotere afstand van het plangebied is schuilen het handelingsperspectief. Het ontstaan van secundaire branden, als gevolg van de hittestraling, kan het noodzakelijk maken na enige tijd alsnog te vluchten naar een veiliger heenkomen. Het is mogelijk om vanaf het plangebied van de fakkelbrand af te ontvluchten door het vluchten naar zuidwestelijke richting. De veiligheidsregio Gelderland-Zuid concludeert het volgende: ‘De kans op een fakkelbrand als gevolg van een leidingbreuk is uiterst klein, maar het effect is groot. Als een leidingbreuk optreedt nabij het plangebied zullen de personen in het plangebied gewond raken/dan wel komen te overlijden. Optreden van hulpdiensten nabij het plangebied is niet mogelijk.’ Door de lage bevolkingsdichtheid nabij het plangebied blijft het groepsrisico echter uiterst laag (ruim onder de oriëntatiewaarde).
De personendichtheid binnen het invloedsgebied van de gasleiding zal tevens door de beoogde ontwikkeling zeer minimaal toenemen. Door de toevoeging van per saldo één extra woning vindt er geen overschrijding van de oriëntatiewaarde op het groepsrisico plaats. Vervoer gevaarlijke stoffen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute en de A2. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroutes, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Het plangebied ligt echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones). Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor: - de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroutes en - de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen.
Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 19 mei 2021 aangegeven dat in dit geval sprake is van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "zeer kwetsbaar gebouw", bestemd voor verminderd zelfredzame personen. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt Pagina 31 Bestemmingsplan Veerstraat 23 en 25 te Waardenburg
van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. Conclusie vervoer gevaarlijke stoffen Het aspect externe veiligheid is relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute en de A2 en de buisleiding (A-555). Aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico uit het Bevb en het Bevt wordt voldaan. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voor het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op de A2 of over de Betuweroute. Voor de hogedruk aardgasleiding geldt echter een restrisico omdat de ligging van het plangebied binnen de 100 % letaliteitszone van deze buisleiding valt. Het accepteren van het restrisico door het bevoegd gezag betekent dat bij een calamiteit met de buisleiding er mogelijk slachtoffers in het plangebied kunnen vallen. Zoals al eerder aangegeven is de kans op een breuk van de hogedruk aardgastransportleiding echter zeer klein.
Er is dan ook aanleiding om het restrisico (met name de beperkte mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een fakkelbrandscenario) te accepteren, onder andere gelet op: - de zeer kleine kans op een fakkelbrandscenario ter plaatse van het plangebied; - het lage groepsrisico, ruim onder de oriëntatiewaarde; - de geringe toename van het aantal personen binnen het invloedsgebied van de leiding na planrealisatie, die naar verwachting geen invloed heeft op de hoogte van het groepsrisico; - het gebouw zal in principe enige bescherming bieden tegen de hittestraling bij een (worst-case) fakkelbrandscenario als gevolg van een breuk van de nabijgelegen aardgasleiding, voor zover die breuk niet meteen ter hoogte van het plangebied plaatsvindt; - de toekomstige bewoners zijn op de hoogte van de risico’s van de gasleiding en de (beperkte) mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een calamiteit met die leiding. Er hoeven geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid. Gezien bovenstaande conclusies zijn van uit het aspect Externe veiligheid geen aanvullende randvoorwaarden van toepassing op het plan. Het aspect Externe Veiligheid vormt geen belemmering voor het plan.
4.8
Archeologie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat waar nodig die waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Planspecifiek Op basis van het vigerende bestemmingsplan geldt voor de planlocatie de ‘archeologische dubbelbestemming 4’. Bij categorie 4 geldt een onderzoeksverplichting voor locaties groter dan 10.000 m2. De beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied hebben een totale oppervlakte van 1.852 m2 en blijft daar dus ruim onder. Het aspect archeologie vormt, op basis van de voorgaande conclusie, geen beperking voor het voorliggende plan. Pagina 32 Bestemmingsplan Veerstraat 23 en 25 te Waardenburg
4.9
Waterhuishouding
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden.
Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan 2016 - 2021 Het NWP (dec. 2015) bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daarbij behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid voor de komende 6 jaar met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer.
Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Provincie Gelderland Het Waterplan Gelderland 2010-2015 is in 2014 overgegaan in de Gelderse Omgevingsvisie. In de Omgevingsvisie staat hoe de provincie wil zorgen voor voldoende schoon water én droge voeten. Waterschap Rivierenland Het Waterschap Rivierenland is verantwoordelijk voor en werkt aan een duurzaam waterbeheer voor
Pagina 33 Bestemmingsplan Veerstraat 23 en 25 te Waardenburg
een veilig en leefbaar ‘Rivierenland’. Bij alle in- en uitbreidingsplannen adviseert en toetst het Waterschap op hydrologische effecten, waarbij het hydrologisch neutraal ontwikkelen het uitgangspunt is. Kortom, het initiatief mag niet leiden tot een verandering in de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en in de directe omgeving. Naast het beheerplan beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een watervergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Deze watervergunning wordt vervolgens door het waterschap verleend of geweigerd. Ook is het mogelijk dat nadere eisen worden gesteld aan de vergunningverlening. Waterbeheerprogramma 2016-2021 'Koers houden, kansen benutten' Het waterbeheerprogramma geeft richting aan het waterbeheer in het hele rivierengebied voor de periode 2016-2021. Met dit programma blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Bij de uitvoering van het programma wordt meebewogen met alle veranderingen en worden kansen benut die zich voordoen in de regio.
Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode (2016-2021) wil bereiken en hoe. Kaderrichtlijn water (planperiode 2) In het eerste KRW Rivierenlandplan uit 2009 heeft Waterschap Rivierenland vastgesteld aan welke eisen de waterkwaliteit in het rivierengebied moet voldoen en welke maatregelen nodig zijn om deze doelen te bereiken. Het bevat een haalbaar en betaalbaar pakket aan maatregelen Op 26 september 2014 heeft het algemeen bestuur van Waterschap Rivierenland ingestemd met het ontwerp KRW-Rivierenlandplan 2 (2016-2021). In dit plan wordt de 1e uitvoeringsperiode (2010-2015) geëvalueerd, wordt een strategie voor de nieuwe uitvoeringsperiode beschreven en worden verdere maatregelen ter verbetering van de waterkwaliteit voorgesteld. Daarnaast wordt een prognose gegeven van de toestand van de KRW waterlichamen in 2021. Ook wordt ingegaan op onderzoek en monitoring, samenwerking met andere organisaties en de kosten van het maatregelpakket. Hoofdzakelijk wordt ingezet op inrichting- en beheermaatregelen en het beperken van de emissies van verontreinigende stoffen. Het gaat hierbij vooral om aanleg en reconstructie van natuurvriendelijke oevers, verbreden/verdiepen van watergangen en het vispasseerbaar maken van stuwen en overige kunstwerken.
Maar ook om optimalisatie van beheer en onderhoud, natuurvriendelijk beheer, baggeren, nieuwe onderzoeksmaatregelen en het beperken van emissies uit de landbouw. Eveneens worden enkele rioolwaterzuiveringsinstallaties aangepast. Planspecifiek Verhard oppervlak Voorliggend plan houdt een aanzienlijke afname van verharding in. 1148 m2 aan schuuroppervlakte en 479 m2 aan sleufsilo’s wordt gesloopt, trek hier de bouw van woning 125 m2,circa 75 m2 aan erfverharding en ca. 150 m2 aan mogelijke bijgebouwen van af en de totale afname van verharding komt uit op: 1.277 m2. Wanneer de verharding niet toeneemt is, volgens de ‘Richtlijnen waterberging’ van het Waterschap Rivierenland, geen extra waterberging nodig. Watergangen Bij de uitwerking van het plan zal verder het goed kunnen onderhouden van watergangen aangetoond moeten worden, alsmede het afkoppelen van hemelwater.
Pagina 34 Bestemmingsplan Veerstraat 23 en 25 te Waardenburg
Afbeelding 8: Uitsnede Leggerkaart waterschap Rivierenland, plangebied in rood kader (bron: wsrl.nl)
De te beheren wateren worden verdeeld in: A-wateren: van primair belang voor het waterbeheer en worden daarom door het waterschap onderhouden. B-wateren: van secundair belang voor het waterbeheer en dienen door de aangrenzende eigenaren te worden onderhouden. C-wateren: wateren die van tertiair belang zijn voor het waterbeheer waarvoor geen jaarlijkse onderhoudsplicht geldt. Het plangebied wordt omgrensd door een waterloop in de categorie B en moet daarom worden onderhouden door de eigenaar. Het plan voorziet ten delen in natuurvriendelijke oevers. Het onderhoudt van de watergang blijft, gezien de ruimte op het perceel op dezelfde of een vergelijkbare manier, goed mogelijk. Vuilwater Het vuilwaterafvoer van de planlocatie zal aangesloten worden op de riolering in de Veerstraat.
Materialen Bij de nieuwbouw van de woning zullen uitloogbare materialen zo min mogelijk toegepast worden. Het waterschap adviseert namelijk: Dakwater kan zonder het gebruik van uitloogbare materialen (=schoon hemelwater) op de watergang afstromen. Bij uitloogbare materialen zal mogelijk een bermpassage nodig zijn om het water voor te zuiveren. Gezien bovenstaande conclusies vormt het aspect water geen belemmering voor voorliggend plan.
4.10 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. Pagina 35 Bestemmingsplan Veerstraat 23 en 25 te Waardenburg
Planspecifiek Voorliggend plan voorziet in de bestemmingswijziging van agrarisch naar wonen en het mogelijk maken van een vrijstaande woning. Er is ruim voldoende parkeerruimte beschikbaar op eigen terrein. De parkeersituatie en de verkeersdruk op de omgeving zal als gevolg van onderhavig plan dan ook niet wijzigen. Vanuit het aspect verkeer en parkeren vloeien geen aanvullende randvoorwaarden voort die van toepassing zijn op het plan.
4.11 Geur Volgens artikel 14 van de Wet Geurhinder en veehouderij: 1. Indien een aanvraag om een vergunning is ingediend voor het tijdstip waarop deze wet met betrekking tot zodanige aanvraag in werking treedt, blijft het voor dat tijdstip ten aanzien van zodanige aanvraag geldende recht van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag onherroepelijk is geworden. 2. Voor de toepassing van de artikelen 3, 4 en 6 bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd: a. op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij, b. in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij, en c. in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij, ten minste 100 meter indien de woning binnen de bebouwde kom is gelegen en ten minste 50 meter indien de woning buiten de bebouwde kom is gelegen. 2. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een geurgevoelig object dat op de in dat lid bedoelde kavel aanwezig is. Planspecifiek Het plangebied bevindt zich buiten de bebouwde kom en daarom geldt, volgens artikel 14 Wet Geurhinder en veehouderij, dat er een afstand van 50 m. tussen veehouderij en de woning gehouden moeten. Het meest nabijgelegen agrarisch bedrijf ligt op Veerstraat 27 op een afstand van meer dan 275 meter.
Gezien bovenstaande conclusie vormt het aspect geur geen belemmering voor voorliggend plan.
Pagina 36 Bestemmingsplan Veerstraat 23 en 25 te Waardenburg
5 Juridische planbeschrijving 5.1
Plansystematiek
Het bestemmingsplan Veerstraat 23 en 25 heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het bestemmingsplan is gericht op het mogelijk maken van de bestemming Wonen en het daarbij kunnen realiseren van één extra woning en bijgebouwen binnen een bouwvlak. Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is aansluiting gezocht met het vigerend bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017 en bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en planregels. De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer gedetailleerd tot zeer globaal. Voor iedere bestemming is een toegesneden bebouwingsregeling opgenomen. In het kader van de landelijke uniformering en standaardisering voldoet het plan aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012.
5.2
Opzet van de regels
Overeenkomstig de SVBP2012 zijn de regels van voorliggend bestemmingsplan onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingsregels opgenomen. Hoofdstuk 3 en 4 bevatten de algemene regels respectievelijk de overgangs- en slotregels. Hierna wordt de inhoud van de regels per hoofdstuk kort toegelicht. In paragraaf 6.3 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Hoofdstuk 1 - Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In het eerste artikel zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van het plan. Het tweede artikel betreft de wijze van meten, waarin wordt aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn regels gegeven voor de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen, zoals die zijn aangegeven op de verbeelding. Per bestemming zijn in de bestemmingsomschrijving de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. Daarnaast is per bestemming bepaald welke vormen van bebouwing zijn toegestaan. In beginsel zijn hoofdgebouwen uitsluitend toegestaan binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken, waarbij dient te worden voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (met name de maximale goot- en/of bouwhoogte).
De verschillende bestemmingen bevatten, indien nodig, specifieke gebruiksregels. Per bestemming is daarnaast bepaald in welke gevallen burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bestemmingsplan. In paragraaf 5.3 wordt nader ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen. Hoofdstuk 3 - Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de volgende algemene regels: • de anti-dubbeltelbepaling; • algemene bouwregels; • algemene gebruiksregels; • algemene afwijkingsregels; • algemene wijzigingsregels;
Pagina 37 Bestemmingsplan Veerstraat 23 en 25 te Waardenburg
Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 van de regels bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald.
5.3
De bestemmingen
In het plangebied zijn verschillende bestemmingen weergegeven. Hieronder wordt een nadere beschouwing gegeven van deze bestemmingen. Bestemming Wonen De bestemming ‘Wonen’ is opgenomen om de woning op de planlocatie mogelijk te maken. De regels voor de bestemming zijn overgenomen uit het vigerend bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017. Bestemming Agrarisch, De bestemming agrarisch is opgenomen voor de gronden binnen het huidige agrarisch bedrijfsperceel maar die niet omgezet gaat worden naar wonen. Voor deze gronden komt het bouwvlak te vervallen en daarmee de mogelijkheid om op de resterende gronden een agrarisch bedrijf te realiseren. De gronden kunnen nog wel agrarisch gebruikt worden. Dubbelbestemmingen Waarde – Archeologie – 4 Het bestemmingsplan bevat tevens de dubbelbestemmingen ten behoeve van de bescherming van archeologische waarden. De regels voor de bestemming zijn overgenomen uit het vigerend bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017. Gebiedsaanduidingen Over het gehele plangebied zijn de gebiedsaanduidingen ‘open landschap’ en ‘voorwaardige verplichting natuurelement’ aangegeven. In de situatieschets van het plan, zie afbeelding 5, is het natuurelement houtwal verwerkt.
Het realiseren van een natuurelement is in dit bestemmingsplan opgenomen als een voorwaardige verplichting, met behoud van de flexibiliteit voor de invulling van de specifieke locatie ervan.
Pagina 38 Bestemmingsplan Veerstraat 23 en 25 te Waardenburg
6 Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid Naast ruimtelijke uitvoerbaarheid wordt de beoogde ontwikkeling van het plangebied ook getoetst aan economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.1
Economische uitvoerbaarheid
Op grond van de Grondexploitatiewet dient een exploitatieplan te worden vastgesteld bij het vaststellen van het bestemmingsplan of ander ruimtelijk plan, tenzij de economische uitvoerbaarheid anderszins is gegarandeerd, De procedurekosten voor het plan worden middels de gemeentelijke legeskosten op initiatiefnemer verhaald. Tevens wordt een anterieure overeenkomst en of een planschadeovereenkomst gesloten met de initiatiefnemer van het plan. Hiermee zijn kosten en risico’s verdeeld. Vanuit het plan vloeien geen overige kosten of risico’s voort die voor rekening van de gemeente zijn. De economische uitvoerbaarheid van het plan is daarmee verzekerd.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het bestemmingsplan wordt in het kader van artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voor zover relevant voorgelegd aan de betrokken diensten van het rijk, waterschap en gemeente. Het plan is tevens gedurende de ontwerpfase in het kader van art 3.8 Wro en volgens afdeling 3.4 van de Awb ter inzage gelegd. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 23 november 2021 tot en met 4 januari 2022 ter inzage gelegen. Een ieder is gedurende deze periode in de gelegenheid gesteld een zienswijze op het plan in te dienen. Er zijn geen zienswijzen op het plan ingediend.
Pagina 39 Bestemmingsplan Veerstraat 23 en 25 te Waardenburg
7 Bijlagen 1. Akoestisch onderzoek Wet geluidhinder Veerstraat te Waardenburg, Weel geluidadvies, PLA.21.01, 22 januari 2021 2. Quickscan Wet natuurbescherming Veerstraat 23 te Waardenburg, Blom Ecologie B.v. Ecologisch advies & onderzoek, BE/2020/515/r, 22 januari 2021 3. Notitie huismusinspectie Veerstraat 23 te Waardenburg, FaunaConstruct, FC/2021/008/n, 4 februari 2021 4. Beschrijving aan te vragen ontheffing en mitigerende maatregelen huismus Veerstraat 23 5. Verkennend bodemonderzoek Veerstraat 23 te Waardenburg, Linge Milieu BV, 20-2081, 29 januari 2021 6. Maatwerkadvies Bevb Veerstraat 23 te Waardenburg, Brandweer Gelderland-Zuid, referentie: Z/21/014704, 18 mei 2021
Pagina 40 Bestemmingsplan Veerstraat 23 en 25 te Waardenburg
Bijlage 1
Akoestisch onderzoek Wet geluidhinder Veerstraat te Waardenburg
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai op basis van de Wet geluidhinder voor de bouw van een woning aan de Veerstraat te Waardenburg, gemeente West-Betuwe.
Rapporttitel: Akoestisch onderzoek Wet geluidhinder Veerstraat te Waardenburg Referentie: PLA.21.01 Datum: 22 januari 2021
Opdrachtgever: Contactpersoon:
Behandeld door:
Plannen-makers Europalaan 500 3526KS Utrecht drs. ing. C.M. Vaartjes
Weel geluidadvies ing. C.M. Weel van Noordtkade 18 B 1013 BZ Amsterdam 06 – 44 57 47 83 e-mail: cmweel@yahoo.com Kvk: 51299739
Akoestisch onderzoek Veerstraat Waardenburg Weel geluidadvies
Pagina 2
1.
Inleiding.
In opdracht van Plannen-Makers, de heer Chris Vaartjes, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting op de gevels van een nieuw te bouwen woning aan de Veerstraat in Waardenburg. De woning wordt gebouwd binnen de geluidzone van de Veerstraat. De berekende geluidbelasting op de gevels van de woning wordt getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. Tevens wordt de geluidbelasting getoetst aan het Hogere waardenbeleid van de gemeente West-Betuwe voor zover de rekenresultaten daar aanleiding toe geven. Indien de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai wordt overschreden wordt ingegaan op maatregelen om de geluidbelasting te verlagen.
Figuur 1: locatie in Waardenburg.
Akoestisch onderzoek Veerstraat Waardenburg Weel geluidadvies
Pagina 3
2.
Situatiebeschrijving.
De woning wordt gebouwd aan de Veerstraat, een rustige weg in Waardenburg met vooral verspreid liggende veehoudersbedrijven. De locatie wordt omringd door grasland. De Veerstraat is de enige van belang zijnde weg. De A2 ligt op ruim 700 meter afstand, daarmee ligt de woning buiten de wettelijke geluidzone van de A2. Het plan ligt buiten de bebouwde kom van Waardenburg. De maximum snelheid bedraagt op deze weg 60 km/uur. De nokhoogte van de nieuwe woning bedraagt circa 8 meter, de bijbehorende waarneemhoogten zijn 1,5, 4,5 en 7,5 meter ten opzichte van het maaiveld. 3.
Wettelijk kader.
Het onderhavige onderzoek wordt uitgevoerd op basis van de Wet geluidhinder, de geluidbelasting wordt uitgerekend met de Standaard Rekenmethode II zoals beschreven in het Reken- en Meetvoorschrift geluidhinder 2012.
Wegverkeerslawaai. Het onderzoek wordt uitgevoerd op basis van de Wet geluidhinder. Dit plan ligt binnen een door de Wet geluidhinder vastgestelde geluidzone als het gaat om wegverkeerslawaai. Deze zone meet 250 meter; de Veerstraat is de enige gezoneerde wegen. Aangezien de te realiseren woning binnen een of meer van deze zones liggen is een akoestisch onderzoek voor wegverkeerslawaai verplicht. De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai op de gevel van een geluidsgevoelige bestemming bedraagt 48 dB (art. 82 lid 1 van de Wet geluidhinder). Van de berekende geluidbelasting op die gevel mag, alvorens getoetst wordt aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder nog 5 dB worden afgetrokken wegens het stiller worden van het wegverkeer in de toekomst (artikel 110g van de Wet geluidhinder). Deze aftrek geldt voor gezoneerde wegen met een maximum snelheid tot 70 km/uur. De maximale ontheffingswaarde bedraagt voor dit plan bedraagt 58 dB, ook weer na aftrek van de bovengenoemde 5 dB. De waarde van 58 dB geldt voor nog te bouwen woningen buiten de bebouwde kom die nog niet zijn geprojecteerd (art. 83 lid 3b van de Wet geluidhinder). De geluidbelasting wordt berekend met de Standaard Rekenmethode II uit het Rekenen Meetvoorschrift geluidhinder 2012. Bijlage 1 licht de belangrijkste begrippen met betrekking tot de wetgeving op het gebied van geluidhinder kort toe.
De geluidbelasting op de gevel van een woning wordt voor wat betreft de toetsing aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder altijd getoetst per weg.
Akoestisch onderzoek Veerstraat Waardenburg Weel geluidadvies
Pagina 4
Figuur 2: plantekening van de woning en de directe omgeving.
Akoestisch onderzoek Veerstraat Waardenburg Weel geluidadvies
Pagina 5
4.
Verkeersgegevens.
Voor de relevante wegen heeft de Omgevingsdienst Rivierenland heeft verkeersgegevens beschikbaar gesteld. De etmaalintensiteit bedraagt volgens opgave 22 motorvoertuigen. Gelet op de nabijheid van veehouderbedrijven die wel wat verkeer genereren (afvoer van melk, levering veevoer en andere diensten) is de etmaalintensiteit verhoogd tot 200 motorvoertuigen per etmaal, zie tabel 1. Verder geldt dat er geen openbaar vervoer is en iedereen met de auto boodschappen zal doen.
Tabel 1: verkeersgegevens 2030, etmaalintensiteit en percentages.
De omschrijving van de in de tabel genoemde categorieën luidt: §
categorie lv (lichte motorvoertuigen): motorvoertuigen op drie of meer wielen, met uitzondering van de in categorie mv en categorie zv bedoelde motorvoertuigen;
§
categorie mv (middelzware motorvoertuigen): gelede en ongelede autobussen, alsmede andere motorvoertuigen die ongeleed zijn en voorzien van een enkele achteras waarop vier banden zijn gemonteerd;
§
categorie zv (zware motorvoertuigen): gelede motorvoertuigen, alsmede motorvoertuigen die zijn voorzien van een dubbele achteras, met uitzondering van autobussen.
Akoestisch onderzoek Veerstraat Waardenburg Weel geluidadvies
Pagina 6
Op alle wegen ligt een wegdek van fijn asfalt. De maximum snelheid bedraagt 60 km/uur. 5.
Gebruikte documenten.
De tekening (figuur 2) is ontleend aan Plannen-makers. De verkeersgegevens zijn geleverd door de Omgevingsdienst Rivierenland. 6.
Modellering.
De contouren van het plan zijn met de omgeving gemodelleerd tot een rekenmodel waarin alle voor de geluidoverdracht relevante kenmerken zijn gedigitaliseerd. Het rekenmodel bevat gebouwen, waarneempunten, harde en (gedeeltelijk) zachte bodemgebieden en hoogtelijnen. Alle groengebieden zijn als 100% absorberende bodem ingevoerd. De weg en de overige gebieden zijn ingevoerd als hard gebied. Bijlage 3 toont de invoer. Bijlage 2 toont de afdruk van het gehele invoermodel. 7.
Rekenresultaten.
Met het programma “Winhavik” versie 9.1.1 is op basis van de Standaard Rekenmethode II de geluidbelasting berekend op de voorgevel van de woning. Conform de systematiek van de Wet geluidhinder wordt de geluidbelasting per weg berekend. De getoonde geluidbelasting in de navolgende figuren is inclusief aftrek artikel 110g.
Akoestisch onderzoek Veerstraat Waardenburg Weel geluidadvies
Pagina 7
Veerstraat. De geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de Veerstraat bedraagt maximaal Lden=37 dB inclusief de aftrek artikel 110g Wet geluidhinder. Op 1,5 meter waarneemhoogte is de geluidbelasting 1 dB lager. De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai wordt niet overschreden.
Figuur 3: geluidbelasting Veerstraat, hoogste waarde.
Akoestisch onderzoek Veerstraat Waardenburg Weel geluidadvies
Pagina 8
8.
Toetsing aan het Hogere waardebeleid.
Toetsing aan het Hogere waardebeleid is niet nodig; de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai wordt niet overschreden. 9.
Conclusie.
De geluidbelasting op voorgevel van een nieuw te realiseren woning aan de Veerstraat bedraagt maximaal Lden= 37 dB. De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai wordt niet overschreden. Het plan voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder. Ing. C.M. Weel
Bijlagen: 1. toelichting bij enkele definities Wet geluidhinder (wegverkeerslawaai) 2. Afdruk van het invoermodel 3. invoergegevens
Akoestisch onderzoek Veerstraat Waardenburg Weel geluidadvies
Pagina 9
Bijlage 1: Wegverkeerslawaai - de belangrijkste begrippen toegelicht. Voorkeursgrenswaarde De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai bedraagt sinds 1 januari 2007 48 dB. Dat betekent dat elke berekende geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai tot en met 48 dB toelaatbaar is. Indien de geluidbelasting meer bedraagt dan 48 dB, maar minder dan de maximale ontheffingswaarde, dan kan onder voorwaarden ontheffing van de voorkeursgrenswaarde worden aangevraagd. Daarbij speelt het Hogere Waardenbeleid dat de gemeente kan opstellen een belangrijke rol. Maximale ontheffingswaarde In de gevallen waarin de berekende geluidbelasting meer bedraagt dan maximale ontheffingswaarde is ontheffing niet mogelijk. Dat betekent dat er doorgaans, maar niet in alle gevallen, niet gebouwd mag worden. Aanvullend onderzoek is dan noodzakelijk. De hoogte van de maximale ontheffingswaarde is afhankelijk van de situatie. Men onderscheidt: · stedelijk gebied · buitenstedelijk gebied · bestaande situaties · nieuwe situaties · bestaande weg · nieuwe weg Verder kunnen er allerlei specifieke uitzonderingen bestaan die van invloed zijn op de maximale ontheffingswaarde, bijvoorbeeld bedrijfswoningen. Buitenstedelijk gebied.
De definitie van een buitenstedelijk gebied luidt: Het gebied buiten de bebouwde kom alsmede, voor de toepassing van de hoofdstukken VI en VII voor zover het betreft een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het “Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990“, het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone langs die autoweg of autosnelweg.
Akoestisch onderzoek Veerstraat Waardenburg Weel geluidadvies
Pagina 10
Zone. In onderstaande tabel staat de omvang van een zone van een verkeersweg, gerekend vanaf de wegas, vermeld. De zone ligt aan elke zijde van de weg. Weg in stedelijk gebied buitenstedelijk gebied
Aantal rijstroken Een of twee Drie of meer Een of twee Drie of vier Vijf of meer
Zonebreedte [m] 200 350 250 400 600
Langs een weg waar een maximum rijsnelheid geldt van 30 km/uur ligt geen zone. Dit geldt ook voor wegen op een woonerf. Geluidbelasting in dB. De geluidbelasting in dB wordt berekend aan de hand van de bijdragen van de bron in de dagperiode van 7:00 tot 19:00, de avondperiode van 19:00 tot 23:00 en de nachtperiode van 23:00 tot 7:00. Deze rekenwijze geldt voor wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai, niet voor industrielawaai. De formule voor de berekening van Lden is als volgt: Lden = 10 log *1/24 (12* 10log(Lday/10)+ 4*log((Lev+5)/10) + 8*log((Lnight+10)/10))) De bijdragen van de dag-, de avond- en de nachtperiode worden energetisch gemiddeld, waarbij de geluidniveaus in de avond- en nachtperiode zwaarder meewegen doordat de ondervonden geluidhinder in deze perioden ernstiger is dan in de dagperiode.
Akoestisch onderzoek Veerstraat Waardenburg Weel geluidadvies
Pagina 11
Bijlage 2: Afdruk van het invoermodel.
Gehele model
Bijlage 3: invoergegevens.(volgende pagina’s)
Akoestisch onderzoek Veerstraat Waardenburg Weel geluidadvies
Pagina 12
1
Weel Geluidadvies
Projectgegevens projectnaam: opdrachtgever: adviseur: databaseversie: situatie: uitsnede:
bouw woning Waardenburg Chris Cor 911 eerste situatie basismodel
omschrijving rekenhart:
verkeerslawaai 17.2.0 (build2) srmii17;rekenhart17;rmg2019
þ þ
aut. berekening gemiddeld maaiveld: alleen absorptiegebieden( geen hz-lijnen): standaard bodemabsorptie: rekenresultaat binnengelezen (datum): rekenresultaat binnengelezen (tijd):
16:48
maximum aantal reflecties: minimum zichthoek reflecties: maximum sectorhoek: vaste sectorhoek: methode aftrek110g:
%
21-01-2021 1 graden 2 graden 5 graden 2 per wnp per weg RMG2012/2014 art 3.4
WinHavik 9.1.1(build 0) (c) dirActivity-software
21-01-2021 16:48
2
Weel Geluidadvies
Gebouwen noklijn nr adres 1 2 3 4 5 6
WinHavik 9.1.1(build 0) (c) dirActivity-software
z,gem m,gem 8.0 7.0 8.0 9.0 8.0 8.0
0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0
noksoort 0=geen noklijn 0=geen noklijn 0=geen noklijn 0=geen noklijn 0=geen noklijn 0=geen noklijn
reflectie gevel gekoppeld nokhoogte 1 nokhoogte 2
1
2
3
4 vl/rl
il
-------
80 80 80 80 80 80
80 80 80 80 80 80
80 80 80 80 80 80
80 80 80 80 80 80
¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨
¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨
-------
soort geb.
kenmerk
21-01-2021 16:48
3
Weel Geluidadvies
Waarneempunten met rekenresultaten (*) IL: inc. maatregel, VL:inc aftrek, RL: inc prognosetoeslag
nr
z1
m1 adres
1
0.0
0.0
WinHavik 9.1.1(build 0) (c) dirActivity-software
huisnr type afw.toets refl kenmerk gevel
rhart groep VL VL VL
totaal (0) totaal (0) totaal (0)
(^) VL: ex. optrektoeslag
sh
wnh
dag avond nacht
Lden
af Lden(*) Letm
af Letm(*)
dag(^) avond(^) nacht(^)
1 1 1
1.5 4.5 7.5
42.51 39.37 33.41 43.87 40.72 34.78 44.01 40.86 34.93
43.18 44.54 44.68
5 5 5
5 5 5
42.51 39.37 43.87 40.72 44.01 40.86
38 40 40
43.41 44.78 44.93
38 40 40
33.41 34.78 34.93
21-01-2021 16:48
4
Weel Geluidadvies
Rijlijnen snelheden
Intensiteiten nr z,gem 13
0.0
lengte wegdek 504 01 glad asfalt/DAB
WinHavik 9.1.1(build 0) (c) dirActivity-software
hellingcor. groep (1)
omschrijving
kenmerk
art 110g
veerstraat
vlicht
etm.intens. % periode
%
200.0 þ dag 6.65 avond 3.49 nacht .79
licht middel 89.56 94.30 87.70
8.26 4.45 9.01
zwaar
motor
2.19 1.25 3.30
.00 .00 .00
licht middel zwaar motor 60 60 60
60 60 60
60 60 60
21-01-2021 16:48
5
Weel Geluidadvies
Bodemabsorptie nr
lengte
absorptie [%]
1 2 3
531 148 469
100.0 100.0 100.0
WinHavik 9.1.1(build 0) (c) dirActivity-software
kenmerk gras gras gras
21-01-2021 16:48
Weel Geluidadvies
WinHavik 9.1.1(build 0) (c) dirActivity-software
6
21-01-2021 16:48
Bijlage 2
Dhr. T. Kool Veerstraat 5 4181 AG Waardenburg
Datum
22 januari 2021
Kenmerk
BE/2020/515/r
Uw kenmerk
Email d.d. 2 januari 2021
Auteur(s)
ing. D.F. Knoops
Collegiale toets
ir. ing. K.J. Rebergen
Quickscan Wet natuurbescherming Veerstraat 23 te Waardenburg Aan de Veerstraat 23 te Waardenburg is een voormalig boerenerf met enkele opstallen gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens enkele bestaande opstallen op de planlocatie te saneren ten behoeve van de realisatie van een woning. Twee woningen en een schuur blijven behouden. Daarnaast wordt er een natuurvriendelijke oever gerealiseerd aan de waterloop op de grens van de planlocatie. Hiervoor dienen enkele bomen gekapt te worden. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd van agrarisch naar wonen. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. De heer Kool heeft Blom Ecologie B.V.
verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan. Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Gelders Natuurnetwerk? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Veerstraat 23 te Waardenburg (figuur 1). De planlocatie bestaat uit enkele opstallen: 1. Voormalige koeienstal. Deze stal is opgetrokken uit gemetselde muren zonder luchtspouw en bevat een golfplaten dak (asbest) met daaronder een dupanel dakbeschot. 2. Een schuur welke is opgetrokken uit een enkele laag houten planken. Het dak bestaat uit asbesthoudende golfplaten zonder dakbeschot. 3. Voormalige varkensstal. Deze stal is opgetrokken uit gemetselde muren zonder luchtspouw. Door een storm bevat deze stal geen dak meer. De spanten van de dakconstructie resteren slechts. 4. Sleufsilo’s en mestplaat. Verder zijn er op de planlocatie 2 gebouwen aanwezig welke niet aangetast worden door de beoogde ontwikkelingen. A betreft een woonhuis en aangrenzende schuur. B betreft een vrijstaande zorgwoning. De planlocatie is grotendeels verhard middels beton. Binnen de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig maar grenst aan de noordoostzijde aan een kavelsloot. Voor de realisatie van een natuurvriendelijke oever aldaar dienen mogelijk enkele bomen gekapt te worden. De groenstructuur aan de achterzijde van de sleufsilo’s en mestplaat (nr. 4 in figuur 1) De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarische velden, boomgaarden en natuur. Op een afstand van circa 740 m ligt de A2 en op een afstand van circa 930 m de A15.