RV2022-032 Bijlage Bp Veerstraat 23 incl. bijlagen.pdf
Tekst van het document
Daarnaast stroomt de Waal op circa 3,3 km van de planlocatie. Deze landschapskenmerken vormen een barrière voor grondgebonden fauna.
Figuur 1
2
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Veerstraat 23 te Waardenburg (bron kaartmateriaal: arcgis.com). De opstallen (1 t/m 4) en a: woning en schuur en b vrijstaande zorgwoning. A en B zullen behouden blijven in de beoogde ontwikkeling.
Figuur 2
Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De nummers in de foto corresponderen met de nummers in figuur 1.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van enkele opstallen en de realisatie van een woning. Daarnaast wordt een natuurvriendelijke oever aangelegd waarbij enkele bomen gekapt dienen te worden. De functie van het perceel dient te wijzigen van agrarisch naar wonen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • • •
3
saneren van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; realisatie natuurvriendelijke oevers van sloten: graaf- en dempwerkzaamheden; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden (optioneel: realisatie hoogstamboomgaard).
Figuur 3
Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Dhr. T. Kool).
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 6 januari 2021 en is uitgevoerd door ing. D.F. Knoops. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 8/8 bewolkt, 3 Celsius en windkracht 1 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
4
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.
In de Omgevingsverordening Provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis
Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn
Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos
Egel
Meerkikker
Woelrat
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten.
Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft:
5
a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van de kartuizer anjer (NDFF 2011-2021). De kartuizer anjer groeit op droge, matig voedselarme, basenrijke en kalkhoudende grond en is alleen bekend op het spoortalud van de Betuwelijn op circa 1,3 km van de planlocatie. Gezien het feit dat de vereiste groeiomstandigheden niet aanwezig zijn op de planlocatie, en de planlocatie voor het overgrote deel verhard is wordt het voorkomen van de kartuizer anjer op de planlocatie uitgesloten. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante vaatplanten zonder beschermde status.
Enkele waargenomen soorten betreffen: brede weegbree, gewone braam, paarse dovenetel, speerdistel en vogelmuur. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. Aan de achterzijde van de sleufsilo’s en mestplaat is een groenstructuur aanwezig met enkele bomen en struiken. Naast de toekomstige natuurvriendelijke oever zijn eveneens enkele bomen aanwezig. Er zijn geen beschermde boomsoorten en struikgewassen aanwezig op de planlocatie. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bruine rat, bunzing, dwergmuis, egel, haas, huisspitsmuis, mol, otter, ree, veldmuis, vos, wezel en woelrat. (NDFF 2011-2021).
Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bunzing, otter en wezel. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren.
6
De bunzing en wezel behoren tot de kleine marterachtigen. Gezien deze soorten kwetsbaar zijn tijdens het foerageren maken ze veel gebruik van elementen die de soort dekking geven. Voorbeelden hiervan zijn laanvormige bosschages, braamstruwelen, ruige vegetatie, takkenhopen en stenenstapels. Op de planlocatie zijn vanwege het onderhoudsbeeld geen elementen aanwezig welke kleine marterachtigen dekking kunnen geven. De planlocatie is immers voor het grootste gedeelte verhard door middel van beton. Het voorkomen van de bunzing en wezel en de aanwezigheid van functioneel leefgebied is daardoor uitgesloten. De otter is een soort die sterk aan (grotere) water(en) is gebonden. Binnen de planlocatie is geen oppervlaktewater bekend en de kavelsloot welke naast de planlocatie is gelegen biedt geen potentie voor de soort. Het voorkomen van de otter is daardoor uitgesloten. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis.
Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis en laatvlieger (NDFF 2011-2021). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. Op de planlocatie zijn geen voor vleermuizen geschikte boomholten aanwezig welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats.
De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. Geen van de te slopen opstallen bevat spouwmuren waardoor het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen aldaar is uitgesloten. Het dak van stal 1 bevat een ruimte tussen het dak en dakbeschot en is vanaf de onderkant van de dakgoot toegankelijk. Echter is deze ruimte niet voldoende krap wat een vereiste is voor de meeste gebouwbewonende vleermuizen. Daarnaast lopen de temperaturen onder de asbest golfplaten in de zomer zeer hoog op. Stal 2 bevat geen dakbeschot en stal 3 bevat zelfs geen dak meer vanwege een storm.
Het is uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Het is aannemelijk dat vleermuizen gebruik maken van de groenstructuren en naast de planlocatie gelegen bosschage als foerageergebied en/of vliegroute. Ten gevolge van de beoogde ontwikkeling worden deze echter niet aangetast waardoor geen negatieve effecten ontstaan. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen
7
op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander en poelkikker (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: heikikker en poelkikker. De heikikker is veelvuldig waargenomen in het natuurgebied tegenover de planlocatie.
De heikikker is een kritische soort die voorkomt in drie habitattypen (ondiep, relatief zuur, zonbeschenen en voedselarm voortplantingswater; vochtige plekken in schraal, ruig gebied zoals heide, hoogveen, laagveen en natuurlijk grasland voor in de actieve periode en vochtvrije plaatsen voor overwintering). Deze habitattypen dienen op zeer korte afstand tezamen voor te komen. Hierdoor wordt de heikikker vaak waargenomen in kleinschalige afwisselende landschappen welke worden gekenmerkt door schrale, ruige en vochtige omstandigheden. Watersystemen zijn ondiep, voedselarm en enigszins zuur. Het landhabitat waar de heikikker gedurende de actieve periode aanwezig is dient ruig en te allen tijde vochtige te zijn. Veelal betreffen dit vochtige heidelandschappen of vochtig half-natuurlijke graslanden. Vanwege het ontbreken van geschikt leefgebied binnen de planlocatie (de planlocatie is grotendeels verhard met beton) kan de aanwezigheid en negatieve effecten op de heikikker uitgesloten worden. Echter, op de grens van de planlocatie ligt een waterloop. De potentie voor de heikikker is beperkt, maar zijn aanwezigheid kan niet volledig uitgesloten worden. In de beoogde ontwikkelingen wordt de oever (welke nu steil is) vergraven tot een natuurvriendelijke oever. Uiteindelijk is deze ontwikkeling positief voor de heikikker en andere amfibieën.
Mogelijk leidt dit wel tot tijdelijke aantasting van functioneel leefgebied en verstoring van individuen. Om dit te voorkomen dient gewerkt te worden volgens een ecologisch werkprotocol (zie: Bijlage 3). De poelkikker is slechts één maal waargenomen in 2019 aan de overzijde van de A2. De waterloop biedt zeer beperkt habitat voor deze soort. Het voorkomen van de soort is echter niet volledig uitgesloten. Hierdoor dient er ook voor deze soort gewerkt te worden volgens het ecologisch werkprotocol. Ook voor deze soort geldt dat het habitat in de toekomst beter wordt door de aanleg van de natuurvriendelijke oever. Gezien deze barrière onneembaar is voor de soort wordt de aanwezigheid van de poelkikker binnen het plangebied uitgesloten. Het kilometerhok van de planlocatie is namelijk goed onderzocht op amfibieën waarbij de poelkikker niet is aangetroffen. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming).
8
Figuur 4
Overzicht van de waterloop welke aan de rechterzijde een natuurvriendelijke oever krijgt
Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 20112021). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote modderkruiper (NDFF 20112021). De grote modderkruiper komt voor in kleinere, ondiepe stilstaande of langzaam stromende wateren, zoals sloten, vennen, plassen en oude afgesneden meanders (BIJ12 kennisdocument Grote modderkruiper, 2017). De soort is bekend in meerdere waterlopen in het natuurgebied tegenover de planlocatie. Deze zijn verbonden met de waterloop op de grens van de planlocatie. Omdat de aanwezigheid van de soort in deze waterloop (welke vergraven wordt wegens de aanleg van een natuurvriendelijke oever) niet uitgesloten kan worden dient gewerkt te worden volgens een ecologisch werkprotocol (zie: Bijlage 3).
Hiermee kunnen negatieve effecten op de grote modderkruiper worden vermeden, en dus uitgesloten worden. Gezien er geen watergangen of delen daarvan worden gedempt of afgesloten worden, wordt er geen leefgebied van de soort weggenomen ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde insecten of ongewervelden niet bekend (NDFF 2011-2021). Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten.
9
Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: huismus, kokmeeuw en spreeuw. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Het dak van stal 1 bevat een brede ruimte tussen het dak en dakbeschot. Dit komt doordat de dupanel-isolatieplaten zijn bevestigd op de onderzijde van de spanten. Deze ruimte is bereikbaar voor de huismus via de dakranden (figuur 5). Hierdoor kan de aanwezigheid van nestlocaties van de huismus in deze stal niet uitgesloten worden. Stal 2 bevat geen dakbeschot waardoor hier geen sprake is van potentiële nestlocaties van de huismus. Voor stal 3 geldt hetzelfde gezien het dak door een storm hier reeds afwezig is.
Om te achterhalen hoeveel nestlocaties van de huismus aanwezig zijn in stal 1 dient een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden (zie: Vervolgstappen). De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van groene delen en resulteert derhalve niet in afname van essentieel leefgebied.
Figuur 5
De ruimte tussen het dak en dakbeschot in stal 1 is voor de huismus bereikbaar via de dakranden.
De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Stal 1 is de enige stal waar een ruimte tussen het dak en dakbeschot aanwezig is. Echter is deze ruimte zeer slecht tot niet te bereiken voor de gierzwaluw gezien de dakgoot de aanvliegroute belemmert. Daarnaast komt de gierzwaluw vooral voor in stedelijk gebied, en mijden ze in de regel landelijk gebied. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Tijdens het veldbezoek zijn in schuur 1 en 2 meerdere krijtsporen (uitwerpselen) en twee braakballen van de kerkuil gevonden. Gezien de bouwconstructies van beide stallen het voorkomen van een nestlocatie niet toelaat kan er mogelijk alleen sprake zijn van een (tijdelijke) rustplaats. Gezien er slechts 2 braakballen zijn gevonden is er geen sprake van een vaste rust- en verblijfplaats. Mogelijk betrof dit een jonge kerkuil op zoek naar een geschikte nestlocatie. De initiatiefnemers vermeldden tijdens het veldbezoek dat zij onlangs een kerkuil gezien hebben in schuur A welke behouden blijft. Ook in deze schuur zijn geen potentiële nestlocaties aanwezig vanwege de bouwstijl. De initiatiefnemers staan echter positief tegenover het plaatsen van een
10
nestkast in deze schuur. Op deze manier kan de kerkuil niet alleen rusten binnen de planlocatie, maar ook broedden. Dit is gunstig voor de populatie. Wanneer de initiatiefnemers een nestlocatie realiseren in de te behouden schuur A ontstaan er geen negatieve effecten ten aanzien van de kerkuil. Voor het plaatsen van een nestkast kan een lokale uilenwerkgroep gecontacteerd worden (zie: Te treffen maatregelen). Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van essentieel leefgebied van roofvogelsoorten gezien het zeer ruime aanbod van (geschiktere) foerageergebieden in de directe omgeving. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd.
Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone. Op een afstand van circa 3,1 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (figuur 6). Op een afstand van circa 10 m ligt het Gelders Natuurnetwerk (figuur 7). Op een afstand van circa 3 km ligt de Groene ontwikkelingszone (figuur 8).
Figuur 6
11
De planlocatie ligt op een afstand van circa 3,1 km tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: nationaal Georegister PDOK).
12
Figuur 7
De planlocatie ligt op een afstand van circa 10 m tot het Gelders Natuurnetwerk (bron: arcgis.com).
Figuur 8
De planlocatie ligt op een afstand van circa 3 km tot de Groene ontwikkelingszone (bron: arcgis.com).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van enkele opstallen en de realisatie van een woning. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben.
Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). In de handreiking ‘woningbouw en AERIUS’ (Rijksoverheid januari 2020) wordt uitgegaan van de volgende kengetallen: • • •
Emissie woning tijdens gebruiksfase: geen; Emissie uit verkeer tijdens gebruiksfase: 0,27 kg NOx per woning; Emissie uit de aanlegfase (mobiele werktuigen en transport): 3 kg NOx per woning.
Gezien er sprake is van een grote afstand (3 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en in de gebruiksfase sprake is van een afname in stikstofemissie wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.
Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
13
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de huismus. Voor de werkzaamheden aan de waterloop dient gewerkt te worden volgens een ecologisch werkprotocol (bijlage 3) ten aanzien van heikikker, poelkikker en grote modderkruiper. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Gelders Natuurnetwerk. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 2
Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is. Soortenbescherming Soortgroep Beschermings- Soortspecifiek Mogelijk functie regime Wet nb onderzoek plangebied Vaatplanten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Heikikker Poelkikker Reptielen Vissen Grote modderkruiper Insecten en andere ongewervelden Vogels Huismus
n.v.t. n.v.t. n.v.t.
nee nee nee
n.v.t. n.v.t. n.v.t.
artikel 3.5 artikel 3.5 n.v.t.
nee*
n.v.t.
nee
n.v.t.
artikel 3.10 n.v.t.
nee* nee
n.v.t. n.v.t.
artikel 3.1
ja
nestlocaties/foerageergebied
*Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk indien er gewerkt wordt volgens een ecologisch werkprotocol (bijlage 3). Negatieve effecten op de soorten kunnen hierdoor uitgesloten worden. Tabel 3
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek
Natura 2000
3 km
geen
n.v.t.
Natuurnetwerk Nederland
10 m
geen
n.v.t.
Groene ontwikkelingszone
3,1 km
geen
n.v.t.
Tabel 4
14
Overzicht van de Gebiedsbescherming.
Overzicht van de Houtopstanden.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding
Struiken
ja
nee
n.v.t.
Bomen
ja
mogelijk
n.v.t.
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor de huismus. Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (er zijn belangen vanuit volksgezondheid -klimaatsveranderingaan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.
Conclusie De sloop van enkele opstallen en de realisatie van een woning aan de Veerstraat 23 te Waardenburg is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei of middels vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart t/m 20 juni (met een tussenperiode van 10 dagen tussen de veldbezoeken), conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017). Een technische inspectie is mogelijk voor het inventariseren van de nestlocaties buiten het broedseizoen, tussen 15 september en 1 maart. Bij een technische inspectie bestaat er de kans dat oude nesten ook meegenomen worden. • Om negatieve effecten op de heikikker, poelkikker en grote modderkruiper te voorkomen en uit te sluiten dient tijdens de aanleg van de natuurvriendelijke oever van de waterloop op de grens van de planlocatie gewerkt te worden volgens een ecologisch werkprotocol (bijlage 3). Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht).
• Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
15
Advies • Om de kerkuil een geschikte nestlocatie te bieden is het mogelijk om in schuur A een nestkast op te hangen. Lokale uilenwerkgroepen plaatsen deze vaak kosteloos. In de meeste gevallen zal één maal per jaar een nestcontrole plaatsvinden waarbij de jonge uilen vaak worden geringd. Meer informatie kan verkregen worden via de vogelwerkgroep West-Betuwe. Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Grote modderkruiper Misgurnus fossilis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Heikikker Rana arvalis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Kerkuil Tyto alba, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Poelkikker Rana lessonae, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12.
Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
16
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ing. D.F. Knoops Auteur
Blom Ecologie B.V., ir. Ing. K.J. Rebergen Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Bijlage 3 Ecologisch werkprotocol heikikker, poelkikker en grote modderkruiper
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
17
Bijlage 1 Fotografische impressie
18
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Veerstraat 23 te Waardenburg en bestaat uit enkele opstallen van een voormalige boerderij. Bovenstaande foto betreft stal 1.
Figuur 2
Overzicht van stal 3 op de planlocatie.
Figuur 3 Binnenzijde van de te behouden schuur A op de planlocatie. In deze schuur kan een geschikte nestgelegenheid voor de kerkuil gecreëerd worden door het ophangen van een nestkast.
Figuur 4
19
De directe omgeving van de planlocatie. Het bos behoort tot het Gelders Natuurnetwerk.
Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
20
Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).
Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).
21
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).
22
Bijlage 3
Ecologisch werkprotocol heikikker, poelkikker en grote modderkruiper
Momenteel bevat de waterloop op de grens van de planlocatie een steile oever. In de beoogde ontwikkelingen wordt deze oever aan een zijde (zuidwest) vergraven tot natuurvriendelijke oever. Gezien de potentie voor de heikikker, poelkikker en grote modderkruiper dient dit middels dit ecologisch werkprotocol te gebeuren. Dit ecologisch werkprotocol dient tevens bij de uitvoerder(s) van de werkzaamheden bekend te zijn. Bovenstaande soorten kennen elk een eigen kwetsbare periode. Onderstaande tabellen zijn overgenomen uit de Kennisdocumenten voor de soort van BIJ12. Heikikker:
Poelkikker:
23
Grote modderkruiper:
Bovenstaande tabellen laten zien dat de enige periode waarin werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden medio september tot eind oktober is. In deze periode is het voorkomen van negatieve effecten op de heikikker, poelkikker en grote modderkruiper zeer klein tot uitgesloten. Naast het werken buiten de kwetsbare periode dient er rekening gehouden te worden met het volgende: Tijdens het werken dient één werkrichting aangehouden te worden om voorgenoemde soorten én algemene soorten (zorgplicht) een kans te geven om te vluchten. De werkrichting dient richting delen te zijn welke niet worden aangetast. In dit geval dient de werkrichting in zuidoostelijke richting te zijn. De watergang dient maximaal voor de helft van de breedte gebaggerd te worden. Met de andere kant dient minstens één jaar gewacht te worden. De toekomstige natuurvriendelijke oever dient een helling te hebben van 2:1 of 1:5. Bij voorkeur wordt deze ruim uitgerasterd om eventuele betreding van vee te voorkomen.
24
Bijlage 3
Dhr. T. Kool Veerstraat 5 4181 Ag Waardenburg
Kenmerk
FC/2021/008/n
Onderwerp
Notitie inspectie schuur Veerstraat 23 te Waardenburg
Datum
4 februari 2021
Uw kenmerk
Geachte heer Kool, Aan de Veerstraat 23 te Waardenburg is een voormalig boerenerf enkele opstallen gesitueerd. U bent voornemens enkele bestaande opstallen op de planlocatie te saneren ten behoeve van de realisatie van een woning. Twee woningen en een schuur blijven behouden. Blom Ecologie B.V. in januari 2021 een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Uit dit onderzoek is gebleken dat een van de te saneren schuren mogelijk een functie hebben voor huismus. Ten aanzien van de huismus heeft Blom Ecologie B.V. geadviseerd om een (technische) inspectie uit te voeren naar de aan- dan wel afwezigheid van (oude) huismusnesten. Op d.d. 26 januari 2021 is een inspectie uitgevoerd door FaunaConstruct. Onderstaand worden de bevindingen beschreven.
Figuur 1
De planlocatie aan de Veerstraat 23 te Waardenburg
Methode Het optillen van dakpannen en het inspecteren van de onderliggende ruimte is een officiële methode om vast te stellen of huismusnestlocaties aan- dan wel afwezig zijn (Kennisdocument Huismus, 2017). De ruimte onder de eerste rij dakpannen en het dakvlak is toegankelijk voor huismussen. De onderste drie pannenrijen van het dak en de ruimte onder de golfplaten zijn gecontroleerd op de aan- dan wel afwezigheid van (oude) huismusnesten. Hierbij worden de daken en dakranden fysiek geïnspecteerd met behulp van ladders, lampen en camera’s. Tijdens de inspectie is gelet op de aanwezigheid van uitwerpselen, veren, nestmateriaal, eierschalen, dode individuen, piksporen, krassen en/of andere sporen die op aanwezigheid van de huismus duiden. Planlocatie De geïnspecteerde bebouwing betreft een schuur aan de Veerstraat 23 te Waardenburg (figuur 2). De schuur is opgetrokken uit gemetselde muren en een flauw zadeldak van golfplaten. De schuur was ten tijde van de inspectie niet meer in gebuikt voor het beroepsmatig houden van vee.
Figuur 2 De dakrand van de schuur 1 (figuur 1) biedt potentiële verblijfplaatsen voor huismus
Bevindingen Gedurende de inspectie zijn alle potentieel geschikte invliegopeningen en achterliggende verblijfplaatsen fysiek gecontroleerd op de aan- dan wel afwezigheid van (gebruiks-)sporen. Concreet betekent dit dat alle ruimtes onder daken/dakranden visueel zijn gecontroleerd door tussen de golfplaten en het dakbeschot te kijken. Er zijn diverse sporen en/of restanten van nesten en/of nestmateriaal, uitwerpselen van huismus of anderszins aangetroffen wat duidt op het gebruik van de schuur als vast rust- en verblijfplaats van huismus. Op 9 locaties zijn nesten en/of (oud) nestmateriaal van huismus waargenomen (figuur 3). In de fotobijlage zijn enkele afbeeldingen opgenomen van de geïnspecteerde locaties.
Figuur 3 De aangetroffen nestlocaties
Conclusie Op basis van de technische inspectie en de eerder uitgevoerde quickscan flora en fauna is gebleken dat in de geïnspecteerde schuur nestlocaties aanwezig zijn van huismus. De beoogde sloop leidt tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art 3.1, lid 2 (wegnemen 9 nesten). Er dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd alvorens schuur 1 gesaneerd kan worden.
Wij hopen u met deze notitie voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u altijd vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
FaunaConstruct, Martine Visschers
Fotografische impressie
Nest huismus (1); de combinatie van het type krijtsporen, het gebruikte nestmateriaal en kleine grijsbruine veren in het nest duidt op een huismusnest.
Nest huismus (2)
Bijlage 4
Aanvraag ontheffing huismus Veerstraat 23 te Waardenburg Aan de Veerstraat 23 te Waardenburg is een (voormalige) boerderij met enkele oude bedrijfsgebouwen aanwezig. Het is de bedoeling dat enkele bestaande stallen en schuren op de locatie worden gesloopt ten behoeve van de realisatie van een woning. Eén schuur blijft behouden. Ecologische Quickscan Omdat de beoogde ontwikkeling een mogelijk negatief effect heeft op beschermde flora en fauna is op 6 januari 2021 door Blom Ecologie BV een ‘Ecologische quickscan’ uitgevoerd. Deze treft u aan als bijlage bij deze aanvraag. In deze quickscan is t.a.v. de uitvoerbaarheid het volgende geconcludeerd (zie pagina 15): De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor de huismus. Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen.
De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (er zijn belangen vanuit volksgezondheid -klimaatsveranderingaan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Huismusinspectie Naar aanleiding van de ‘Ecologische quickscan’ is op 26 januari 2021 een ‘technische inspectie huismus’ uitgevoerd. De notitie van deze inspectie is ook als bijlage toegevoegd. Uit deze notitie blijkt dat in schuur 1 tussen de golfplaten en het dakbeschot (isolatie) enkele (oude) huismusnesten zijn aangetroffen. Zie onderstaande tekening.
Aanvraag ontheffing Om deze nesten bij de sloop te mogen verwijderen is een ontheffing noodzakelijk. Wettelijk belang De betreffende stal (stal 1) is eind jaren 70 gebouwd en heeft een dak van asbesthoudende golfplaten. Het dak is in de loop der jaren behoorlijk verweerd. In het kader van de volksgezondheid is het van groot belang dat het dak op korte termijn wordt gesaneerd. Daarnaast is, als onderdeel van het gehele plan, beoogd zonnepanelen aan te brengen op de schuur die behouden blijft. Deze investering is een onderdeel van het gehele investeringsplan en is van belang gezien de klimaatopgave waarvoor Nederland staat en wettelijk toe is gehouden. Hiermee is wordt in ruime mate voldaan aan het wettelijk belang zoals opgenomen in artikel 3.3 van de Wnb. Alternatieven Er zijn geen alternatieven voorhanden om de nesten met rust te laten. Ook het laten staan van de desbetreffende stal is geen oplossing. Immers bij het verwijderen van het asbestdak moeten alle verdachte materialen worden verwijderd. Het dakbeschot moet worden afgezogen, daarmee zullen ook de nesten verdwijnen. Een andere mogelijkheid is niet aanwezig. Mitigerende maatregelen Om de staat van instandhouding van de aanwezige huismuspopulatie niet te verslechteren zullen mitigerende maatregelen worden genomen in de vorm van permanente alternatieve nestlocaties.
Het plan is om in schuur A mogelijkheden te scheppen voor alternatieve nestlocaties. Schuur A is een aantal jaren geleden gerenoveerd. Het asbestdak is verwijderd en er is een nieuw golfplatendak gemonteerd. Het dak is op dit moment niet geïsoleerd. Het plan is nu om aan de noordoost kant van de schuur (zie gele arcering in de onderstaande tekening) harde isolatieplaten onder de 1e en 2e gording aan te brengen (ca. 150 cm).
Door het aanbrengen van deze isolatieplaten over de gehele lengte (18 meter) van de schuur ontstaat eenzelfde gelegenheid tot het maken van de nesten als in de oude schuur 1. Het betreffen immers ook golfplaten, met dezelfde dakgoot en toegang van buiten. Door de isolatie ook onder de gordingen aan te brengen ontstaat er een vergelijkbare ruimte voor het maken van een nestgelegenheid. De vervangende nestlocaties zijn op hele korte afstand van de huidige nestlocaties gelegen. Schuur A Aan het einde van deze notitie zijn diverse foto’s van het dak (binnen en buiten) van schuur A opgenomen.
Permanente oplossing Doordat deze schuur in stand blijft is hiermee direct een permanent alternatief geboden. Een tijdelijk oplossing is hierdoor niet nodig. Een groot voordeel omdat de mussen maar één keer hoeft te verhuizen. Daarnaast heeft deze oplossing ook het voordeel t.o.v. nestkasten dat de mussen meer vrijheid hebben in het kiezen van de nestlocatie en ook met meerdere vogels tegelijk kunnen nestelen. Planning De stal zal buiten het broedseizoen van de mus worden gesloopt. Ruim 3 maanden van te voren zullen de gelegenheden in schuur A worden aangebracht zodat de mussen ruim de tijd hebben om deze nieuwe locaties te verkennen en in gebruik te nemen. Het slopen van de stal is onderdeel van een heel project dat een bestemmingsplanwijziging vereist en de nodige vergunningen. Dit vergt nog behoorlijk wat doorlooptijd. De hoop is dat de stal eind 2022 / begin 2023 gesloopt kan worden. Lukt dit niet dan is het de bedoeling om de nestgelegenheden in deze periode onklaar te maken, zodat de sloop ook later kan plaatsvinden. Uiteraard zullen dan tijdig de alternatieve nestlocaties zijn gerealiseerd. 10-06-2021, TK Foto’s alternatieve locatie (schuur A)