RV2021-132 Bijlage 7 PlanMER buitengebied Geldermalsen.pdf
Tekst van het document
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
–
een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
–
een project draagt slechts ‘niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;
–
een project is opgenomen in, of past binnen, het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.
Voor ruimtelijke projecten geldt uiteraard ook het principe van een goede ruimtelijke ordening. Voor luchtkwaliteit kan dit betekenen: de meest kwetsbare groep op de minst vervuilde plek. En langs snelwegen en provinciale wegen kan het Besluit gevoelige bestemmingen relevant zijn. Want er gelden speciale regels binnen 300 respectievelijk 50 m langs deze wegen. Met als doel om gevoelige groepen te beschermen tegen luchtvervuiling boven de grenswaarden. De luchtkwaliteitseisen voor ruimtelijke plannen ten aanzien van fijn stof (PM 10 en PM2,5) zijn opgenomen in de navolgende tabel. Tabel. Grenswaarden Grenswaarden luchtconcentraties PM10 Luchtconcentratie
Norm
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
24-uursgemiddelde concentratie
50 µg/m³maximaal 35 maal per jaar
Grenswaarden luchtconcentraties PM2,5 Luchtconcentratie
Norm
Jaargemiddelde concentratie
25 µg/m³
Het ministerie van LNV hanteert een twee sporenbeleid om de fijnstofproblematiek in de landbouw op te lossen. Deze zijn het saneren van bestaande overschrijdingen en het voorkómen van nieuwe overschrijdingen.
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
3.4
Provinciale omgevingsvisie en omgevingsverordening
Op 9 juli 2014 stelden Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsvisie vast. De bijbehorende Omgevingsverordening is vervolgens op 24 september 2014 vastgesteld. Op 18 oktober 2014 zijn de Omgevingsvisie en de -verordening Gelderland in werking getreden. Op 1 maart 2017 is een Actualisatieplan Omgevingsverordening vastgesteld. Hierin zijn onder meer beleid en regels opgenomen voor stiltegebieden, waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, grondgebonden en niet-grondgebonden veehouderij en glastuinbouw opgenomen. Dat actualisatieplan bevat een wijziging van het beleid voor veehouderijen. Het provinciaal beleid is deels ingehaald door rijksbeleid. In de landelijke wetgeving worden eisen gesteld aan de groei van melkveehouderijen. Vanaf 2016 moeten melkveehouders aantonen dat de toename van de veestapel (ten opzichte van de omvang in 2014) deels ook gepaard gaat met groei in de oppervlakte cultuurgrond waarover het bedrijf kan beschikken. De provincie trekt om deze reden de bestaande hiervoor beschreven regeling in en komt met een nieuwe regeling. Het huidige Gelderse provinciale ruimtelijke beleid voor de niet-grondgebonden veehouderij is nu gericht op de omvang van individuele bedrijven. Dit is omgezet in een aanpak die is gericht op duurzame groei van niet-grondgebonden veehouderij.
In plaats van kwantitatieve (vaste) bouw-blokmaten bepalen extra maatregelen ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit op het terrein van landschappelijke inpassing, milieu- en dierenwelzijn de groeiruimte (het zogenaamde Plussenbeleid). Op deze wijze draagt Gelderland bij aan het versnellen van duurzame ontwikkelingen in de veehouderij zonder dat dit ten koste gaat van een verslechtering voor de natuur. Deze aanpak van het Plussenbeleid vraagt een werkwijze tussen ondernemer, omgeving en gemeente, waarin een goede dialoog centraal staat en ruimte is voor lokaal maatwerk gericht op lokale of regionale aandachtsgebieden. Met extra investeringen in ruimtelijke kwaliteit, milieu en dierenwelzijn kan de provinciale sturing op ruimtelijke maten komen te vervallen en krijgen niet-grondgebonden veehouderijbedrijven, die hierin extra investeren, de ruimte. In het Actualisatieplan is bepaald dat het Plussenbeleid niet van toepassing is op de geldende bouwvlakken van niet-grondgebonden veehouderijen. Bij vergroting van deze bouwvlakken is het Plussenbeleid wel van toepassing. Daarbij heeft de provincie aangegeven dat het Plussenbeleid eerst in gemeentelijke beleidsregels vertaald dient te worden. Hiertoe wordt een gemeentelijke beleidsregel opgesteld. Deze is echter nog niet gereed. In mei 2018 is eveneens een ontwerpomgevingsverordening ter inzage gelegd.
Onder meer is de regeling voor Natuurcompensatie aangepast en de bescherming van soorten (bescherming roek, spreeuw, wezel, hermelijn en bunzing). De Omgevingsverordening wordt naar verwachting in december 2018 vastgesteld.
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
Voor meer informatie wordt verwezen naar de toelichting van het bestemmingsplan.
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
4
Beoordeling milieueffecten voornemen In dit hoofdstuk zijn de volgende inhoudelijke eisen aan het MER op grond van artikel 7.7, lid 1 van de Wm uiteengezet: d.
“een beschrijving van de bestaande toestand van het milieu, voor zover de voorgenomen activiteit of de beschreven alternatieven daarvoor gevolgen kunnen hebben, alsmede van de te verwachten ontwikkeling van dat milieu, indien die activiteit noch de alternatieven worden ondernomen”;
e.
“een beschrijving van de gevolgen voor het milieu, die de voorgenomen activiteit, onderscheidenlijk de beschreven alternatieven kunnen hebben, alsmede een motivering van de wijze waarop deze gevolgen zijn bepaald en beschreven”;
f.
“een vergelijking van de ingevolge onderdeel b beschreven te verwachten ontwikkeling van het milieu met de beschreven mogelijk gevolgen voor het milieu van de voorgenomen activiteit, alsmede met de beschreven mogelijke gevolgen voor het milieu van elk der in beschouwing genomen alternatieven”;
g.
“een beschrijving van de maatregelen om belangrijke nadelige gevolgen op het milieu van de activiteit te voorkomen, te beperken of zoveel mogelijk teniet te doen”.
Een omschrijving van de algemene uitgangspunten van de referentiesituatie is in paragraaf 4.1 opgenomen. De referentiesituatie is opgesteld om de milieueffecten van het voornemen en de mogelijke alternatieven te kunnen beoordelen en vergelijken. Hierna zijn in paragraaf 4.2 tot en met 4.10 de verschillende milieuonderdelen onderscheiden. In elke paragraaf is achtereenvolgens: –
uiteengezet op basis van welke kenmerken en op welke wijze de milieueffecten zijn beoordeeld;
–
de referentiesituatie voor het milieuonderdeel op basis van de algemene uitgangspunten, waar nodig, verder uitgewerkt;
–
globaal uiteengezet wat de milieueffecten zijn;
–
de beoordeling van de milieueffecten wordt tijdens het opstellen van het ontwerpbestemmingsplan opgenomen;
–
tijdens het opstellen van het ontwerpbestemmingsplan zal ook een omschrijving worden opgenomen van de mogelijke maatregelen om (zeer) negatieve milieueffecten te voorkomen of te beperken. Waar zijn vast globale maatregelen opgenomen;
–
tijdens het opstellen van het ontwerpbestemmingsplan wordt een omschrijving opgenomen van de zogenoemde leemten in de kennis.
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
De uiteenzettingen en omschrijvingen zijn beperkt tot die onderwerpen van een milieuonderdeel die belangrijk zijn voor de beoordeling van de milieueffecten. Op basis van het voornemen van de gemeente kunnen verschillende milieueffecten op verschillende milieuonderdelen verwacht worden. De “m.e.r. (beoordelings)plichtige activiteiten” waarvoor het bestemmingsplan een kader biedt in overweging nemende, worden vooral milieueffecten verwacht op of van: -
Natuur
-
Landschap (cultuurhistorie)
-
Geur
Het onderzoek voor de plan m.e.r. is dan ook vooral op deze drie milieuonderdelen gericht. Andere milieuonderdelen die in het onderzoek overwogen zijn, zijn: -
Bodem en water
-
Licht
-
Lucht
-
Geluid
-
Verkeer
-
Gezondheid
De milieueffecten van het voornemen (en het uitvoerbare alternatief) zijn in samenhang bepaald. Dit betekent dat bij de omschrijving en beoordeling van de effecten ook de schaal waarop de effecten elkaar versterken of verzwakken (cumulatie) is overwogen. De effecten van het voornemen kunnen ook door activiteiten op grond van andere plannen en projecten versterkt of verzwakt worden. Op het moment van het uitvoeren van het onderzoek voor het planMER waren in dit kader de volgende plannen of projecten bekend: –
Spoorverbreding Tricht inclusief noordelijke randweg en voornemen voor Zuid-West boog Betuwerouten (tracé m.e.r.-procedure).
Dit is een proces wat zich afspeelt buiten het plangebied, en een eigen afwegingskader kent, inclusief MER. Omdat de effecten op het schaalniveau van het bestemmingsplan buitengebied erg van elkaar verschillen, wordt niet uit gegaan van cumulatie en worden deze processen apart van elkaar afgehandeld.
4.1
Referentiesituatie
De huidige situatie en vaststaande autonome ontwikkelingen vormen de referentie voor het beoordelen van de milieueffecten van het voornemen en de alterna-
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
tieven. De trendmatige ontwikkeling in de landbouw maakt geen deel uit van de referentie. De referentiesituatie bestaat uit de huidige situatie plus de situatie die op termijn ontstaat als gevolg van de toekomstig (nagenoeg) zekere ontwikkelingen binnen en buiten het plangebied (bestemde en vergunde activiteiten die bijna zeker ingevuld worden op korte termijn). Dit laatste wordt de autonome ontwikkeling genoemd. Zie ook onderstaande schematische weergave van wat tot de referentiesituatie behoort en wat tot het voornemen (Commissie m.e.r., 2015).
Figuur 3. Schematische weergave van referentiesituatie en voornemen In de referentiesituatie vindt het voornemen (het vaststellen van het bestemmingsplan Buitengebied) niet plaats. De omschrijving van de referentiesituatie is in het algemeen beperkt tot die onderdelen op basis waarvan de beoordeling van de milieueffecten van het voornemen en de alternatieven plaatsvindt. Hierna zijn de algemene uitgangspunten van de bestaande situatie en de autonome ontwikkeling uiteengezet. Voor de verschillende milieuonderdelen is de referentiesituatie, waar nodig, vervolgens per milieuonderdeel op basis van deze algemene uitgangspunten verder uitgewerkt. 4.1.1 Bestaande situatie HUIDIGE SITUATIE LANDBOUW IN HET PLANGEBIED Een groot deel van de gemeentelijke oppervlakte wordt door land- en tuinbouw beheerd. Land- en tuinbouw is een belangrijke economische pijler voor de gemeente. In 2017 waren in de voormalige gemeente Geldermalsen 241 agrarische bedrijven aanwezig. Het grootste aandeel daarbinnen betreft de graasdierbedrijven (138) en de tuinbouw opengrond in de vorm van fruitteelt (95). Er zijn 3 glastuinbouw- en 9 intensieve veehouderijbedrijven aanwezig (bron: CBScijfers 2017). De agrarische bedrijven bepalen voor een belangrijk deel het beeld in het buitengebied.
Onderstaande tabellen en afbeeldingen geven een beeld van het aantal agrarische bedrijven en het aantal fruitteeltbedrijven in het buitengebied van de voormalige gemeente Geldermalsen. Op figuur 4 is te zien dat de fruitteeltbedrijven vooral op de oeverwallen geconcentreerd zijn.
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
Figuur 4. Ligging agrarische bedrijven in het buitengebied, bron inventarisatie 2015 bestemmingsplan Buitengebied
Hoewel het aantal agrarische bedrijven gestaag afneemt is de sector nog steeds 2
een belangrijke economische factor (werkgelegenheid) . Het aanzien van het buitengebied wordt ook in grote mate bepaald door de landbouw. De openheid van de polders is bijvoorbeeld vooral te danken aan de weilanden van de veehouderijsector. De oeverwallen echter hebben een veel meer besloten karakter door de aanwezigheid van boomgaarden van de fruitteeltsector. Type bedrijf
Aantal bedrijven
Graasdieren
138
Hokdieren
9
Tuinbouw onder glas
3
Tuinbouw opengrond - fruitteelt
95
Tuinbouw opengrond - overig
14
Akkerbouw
28
Aantal landbouwbedrijven totaal
241*
2
Volgens CBS-gegevens waren er in 2013 nog 283 agrarische bedrijven in de voormalige gemeente Geldermalsen tegen 400 in het jaar 2000.
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
Aantal
landbouwbedrijven,
bron
CBS
(stand
van
zaken
2017)
https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/80781ned/table?ts=153053159 3261 Voorgaande afbeelding geeft een globaal beeld van de ligging van de agrarische bedrijven en de niet-grondgebonden veehouderijen. De aanwezigheid van burgerwoningen in de directe omgeving van een veehouderij kunnen de verdere ontwikkeling van een veehouderij belemmeren. Uit de bestemmingsplanverbeelding valt af te leiden dat de milieuruimte op diverse plekken beperkt is door de hoeveelheid burgerwoningen. Woningen zijn vooral aanwezig op de oeverwallen rondom de Linge, maar ook wel in het open agrarische gebied, waar met name de veehouderijen zijn geconcentreerd.
Figuur 5. Uitsnede verbeelding voorontwerpbestemmingsplan omgeving Tricht – ligging woningen, agrarische bouwvlakken
Uitgangspunten referentiesituatie landbouw De referentiesituatie voor het MER betreft niet de vergunde situatie, maar de feitelijke stalbezetting en de uitbreidingen die op korte termijn worden verwacht. De huidige situatie is echter niet exact per bedrijf bekend. Wel zijn overzichten van de vergunde veebezetting per bedrijf beschikbaar. En daarnaast zijn CBS cijfers beschikbaar. Hoewel individuele bedrijfsgegevens bij de meitelling van het CBS worden verzameld, zijn deze gegevens niet openbaar beschikbaar. HUIDIGE DIERAANTALLEN MELDINGEN EN VERGUNNINGEN Om inzicht te verkrijgen in de huidige dieraantallen zijn alle meldingen en vergunningen van de veehouderijen door de gemeente verzameld en opgenomen in een excel-bestand.
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
DIERAANTALLEN CBS De totale veestapel van een gemeente op basis van de meitelling is wel openbaar, maar bevat onvoldoende gegevens voor de benodigde gedetailleerde berekeningen. Bovendien omvat het plangebied niet het gehele buitengebied van de gemeente. Enkele agrarische bedrijven vallen buiten het plangebied. In de meeste gemeenten is de totale vergunde omvang van de veestapel enkele tientallen procenten groter dan de totale veestapel volgens de CBS meitelling. In het MER voor het bestemmingsplan wordt in de referentiesituatie daarom uitgegaan van een correctie voor de daadwerkelijke veebezetting ten opzichte van het totaal aan vergunde dierplaatsen. Wel behoeft het percentage op basis van de CBS-cijfers nuancering. Veehouderijbedrijven kennen, als normaal onderdeel van het bedrijfsproces, altijd een gemiddelde jaarlijkse onderbezetting ten opzichte van het vergunde aantal dierplaatsen. Er is bijvoorbeeld per jaar een aantal weken leegstand doordat slachtvee wordt afgevoerd en de stallen worden schoongemaakt. Deze functionele leegstand verschilt per diersoort en bedraagt gemiddeld circa 5 à 10 procent. Deze functionele leegstand is reeds verrekend in de NH3-emissiefactoren in bijlage 1 van de Rav (kg NH3/dierplaats per jaar) per diersoort, op basis waarvan de totale stikstofemissie wordt berekend en mag dus niet nogmaals verdisconteerd worden.
Dat betekent dat het verschil tussen het vergunde aantal dieren en de CBS cijfers nog gecorrigeerd moet worden voor de 'normale' onderbezetting om de ‘latent vergunde ruimte’ te kunnen bepalen. VERGELIJKING CBS MET MELDINGEN EN VERGUNNINGEN Gelet op het bovenstaande is een vergelijking gemaakt tussen de dieraantallen uit de milieuvergunningen en -meldingen en de CBS-cijfers. Gegevens o.b.v.
CBS 2017
Afwijking
CBS Factor
aangeleverde
controlecij-
lijst
fers t.o.v. CBS 2017,
in
%
(CBS=100%) Rundvee
21.835
16.109
136
0,74
Schapen
3.121
3.305
94
1,06
Geiten
7.218
3.552
203
0,49
492
322
153
0,65
Varkens totaal
8.019
5.746
140
0,72
Waarvan biggen
1.757
1.855
95
1,06
Waarvan fok en
6.262
3.891
161
0,62
539.366
111.523
484
0,21
Paarden en pony’s
vleesvarkens Kippen
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
Edelpelsdieren
5.999
0
Slachteenden
15.900
0
-
-
Bron: CBS cijfers 2017
(https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/80781ned/table?ts=15305315 93261) Toelichting verschillen tussen CBS en veebestand per diersoort PAARDEN Het grote verschil in de aantallen wordt veroorzaakt doordat hobbymatig gehouden paarden, die aanwezig zijn binnen een inrichting waar bedrijfsmatig andere dieren worden gehouden, wel in de dieraantallen in de vergunning moeten worden meegenomen. Daarnaast hebben veel particulieren in het buitengebied meerdere paarden. Hoewel deze mensen hobbymatig paarden houden, is het aantal paarden in sommige gevallen zodanig dat dit vanuit milieuwetgeving wordt gezien als een bedrijfsmatige omvang en door de gemeente dus wordt beschouwd als een meldingsplichtige activiteit. RUNDVEE, KIPPEN, VARKENS, SCHAPEN EN GEITEN In het algemeen is het zo dat de gemeente een achterstand heeft in de controles van de agrarische bedrijven. Het verschil is hier waarschijnlijk te verklaren uit het feit dat er meerdere bedrijven zullen zijn, die inmiddels gestopt, dan wel uitgebreid zijn, maar waarvan de vergunning nog niet is ingetrokken, dan wel gewijzigd. Het verschil kan daarnaast worden verklaard doordat er bedrijven zijn, die in het kader van het Actieplan ammoniak hebben aangegeven te zullen stoppen na 2020. Deze bedrijven moeten momenteel maatregelen treffen zoals het houden van minder dieren.
Het verschil in geiten wordt verklaard doordat er recent een vergunning is verleend voor ca 6000 geiten (Broeksteeg ong.). Deze dieren zijn nog niet meegenomen in de CBS-cijfers, aangezien ze nog niet aanwezig zijn. Ook paste deze (nog) niet in het bestemmingsplan, waardoor vestiging nog niet als autonome ontwikkeling meegenomen kan worden. Voor rundvee, kippen, varkens, schapen en geiten zal een correctiefactor worden gehanteerd. EDELPELSDIEREN EN SLACHTEENDEN Er is 1 bedrijf met pelsdieren binnen de gemeente. Geconstateerd is dat deze nog in bedrijf is. Wel zal het bedrijf in verband met wetgeving over beëindiging van de pelsdierenfokkerij in Nederland (per 1 januari 2024), voor 2024 gebruik gaan maken van het VAB-beleid. Verder is er 1 bedrijf met slachteenden binnen de gemeente. Ook dit bedrijf is volgens de gemeentelijke gegevens nog in bedrijf.
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
Beide bedrijven zijn op basis van de gemeentelijke gegevens meegenomen in de berekening van de huidige situatie. CORRECTIE Gelet op de bovenstaande cijfers blijft er vooral een groot verschil tussen vergunningen en CBS cijfers bij het melkrundvee- en vleesvee, schapen, geiten, kippen en varkens. Bij de berekening van de huidige situatie is voor die categorie uitgegaan van een correctie ten opzichte van de vergunningen met de bovengenoemde correctiefactoren. Hiermee wordt de huidige situatie dan beter benaderd dan met alleen de getallen van de vergunningen.
4.2
Natuur
Het voornemen wordt wat betreft de natuur op basis van de volgende kenmerken beoordeeld: Tabel. Beoordelingskader natuur Criterium
Methode
Effecten op Natura 2000-gebieden
Kwalitatief
Effecten op gebieden van het NNN
Kwalitatief
Effecten op flora en fauna, met name gericht op beschermde soorten
Kwalitatief
Bij de effectbeoordeling wordt met name gekeken welke gevolgen het voornemen op de natuur heeft ten opzichte van de huidige situatie inclusief de autonome ontwikkeling. Daarbij worden de effecten op Natura 2000-gebieden, het NNN en natuur buiten het NNN. Ten slotte worden de effecten op beschermde soorten in beeld gebracht. De effecten worden kwalitatief beoordeeld. Omdat de milieueffecten op de natuur ook over enige afstand kunnen plaatsvinden, kunnen deze ook buiten het bestemmingsplangebied plaatsvinden. Dit geldt met name voor stikstofdepositie die op grote afstand waarneembaar zijn. Daarom zijn niet alleen de effecten op natuurwaarden binnen het bestemmingsplangebied uitgewerkt, maar ook de effecten op natuurwaarden buiten het plangebied. 4.2.1 Referentiesituatie natuur Het landschap van het plangebied is in het verleden in belangrijke mate vormgegeven door de rivier de Linge. Langs deze rivier liggen de hoger gelegen oeverwallen waarop de meeste dorpen zijn ontstaan, in de nabijheid van kenmerkende hoogstamfruitboomgaarden. De uiterwaarden langs de Linge bestaan uit broekbossen, grienden, rietkragen en populierenbossen. Dit alles vormt het groene raamwerk van het gebied maar fungeert ook als migratieroute voor vele soorten fauna. Het is een gebied met een hoge natuurwaarde en com-
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
plexe ecologische samenhang. Deze samenhang maakt het ook een kwetsbaar gebied, want schade aan een deel betekent schade aan het geheel. Het achterliggende landschap kenmerkt zich door de verkavelingstructuur, de aanwezigheid van weteringen, historisch landgebruik in de vorm van grienden en eendenkooien. Grote delen van de gemeente zijn opgenomen in het Gelders Natuurnetwerk (GNN), voorheen bekend als de Ecologische Hoofdstructuur. Naast het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’ betreft dit onder andere het natuurgebied De Regulieren (Geldersch Landschap). De belangrijkste natuurgebieden van het plangebied worden hieronder kort beschreven, en vervolgens de belangrijkste voorkomende beschermde soorten. 4.2.2 Referentiesituatie Natura 2000-gebieden In het kader van de Wet natuurbescherming geldend per 1 januari 2017 (verder te noemen Wnb2017) zijn zogenaamde Natura 2000-gebieden aangewezen. Binnen de gemeentegrens van de voormalige gemeente Geldermalsen is een deel van het Natura 2000-gebied Lingegebied & Diefdijk-Zuid gelegen. Binnen een straal van 10 km rond het plangebied liggen verder de Natura 2000gebieden Rijntakken (op circa 2,7 km afstand naar het zuiden (Waal) en 2,7 km naar het noorden (Lek); Loevestein, Pompveld en Kornsche Boezem (op circa 5,8 km afstand naar het zuidwesten) en Zouwe Boezem (9 km naar het noordwesten).
Op de kaart in figuur 6 is de ligging van Natura 2000-gebieden in en rond de voormalige gemeente Geldermalsen weergeven.
Figuur 6. Ligging Natura 2000-gebieden binnen en rond de voormalige gemeente Geldermalsen
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
Lingegebied & Diefdijk-Zuid Het Natura 2000-gebied Lingebied en Diefdijk-Zuid omvat een drietal deelgebieden in het Hollands-Gelderse grensgebied ten (noord)oosten en ten zuiden van de stad Leerdam. Binnen de voormalige gemeente Geldermalsen betreft het de terreinen langs de Diefdijk en een deel van de gebieden langs de Linge tussen Acquoy en Asperen. Buiten de gemeente strekt het Lingegebied zich verder uit en liggen ook terreinen langs de Nieuwe Zuider Lingedijk. De begroeiing van deze terreinen bestaat voornamelijk uit grienden, rietlanden en natte graslanden. Er liggen daarnaast kleine elzenbroekbosjes, moerasruigten, grote zeggenmoerassen en diverse typen water- en verlandingsvegetaties. Van bijzondere botanische betekenis zijn de tichelterreinen langs de Linge, die deels het karakter van een kalkmoeras hebben. Natte laagten zijn van belang voor vissen, zoals bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper, en voor de kamsalamander. Het gebied is tevens van grote ornithologische betekenis, met onder andere een kolonie purperreigers en een kolonie blauwe reigers. Langs de Diefdijk zijn tevens veel vleermuisverblijfplaatsen aanwezig onder meer in oude bunkers. De belangrijkste doelstellingen zijn instandhouding van een vijftal habitattypen en vier specifieke soorten, namelijk: 1.
H6430A - Ruigten en zomen (moerasspirea)
2.
H7230 - Kalkmoerassen
3.
H91E0A - *Vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen)
4.
H91E0B - *Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen)
5.
H91E0C - *Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
1.
H1134 - Bittervoorn
2.
H1145 - Grote modderkruiper
3.
H1149 - Kleine modderkruiper
4.
H1166 - Kamsalamander
Deze vier specifieke soorten waren tot 1 januari 2017 soorten van de Europese Habitatrichtlijn, maar de status is gewijzigd sinds de nieuwe Wet natuurbescherming in 2017: de kamsalamander staat nog op de Europese habitatlijst, en de grote modderkruiper op de lijst van nationaal beschermde soorten. Bittervoorn en kleine modderkruiper hebben geen expliciete beschermde status meer. De instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied Lingegebied en Diefdijk-Zuid, alsmede korte beschrijvingen van de andere Natura 2000gebieden, zijn weergegeven in bijlage 1.
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
4.2.3 Referentiesituatie Gelders Natuur Netwerk en Natuurnetwerk Nederland Het Natuur Netwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het provinciale natuurbeleid. De EHS is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en op provinciaal niveau uitgewerkt in de Omgevingsvisie (Provincie Gelderland, januari 2018). De begrenzing en ruimtelijke bescherming is op provinciaal niveau uitgewerkt in het Gelders Netwerk Natuur (GNN) in de Omgevingsverordening Gelderland
3
en het Natuurbeheerplan
4
2018 . In aanvulling op het GNN heeft de provincie Gelderland ook een Groene Ontwikkelingszone (GO). Tevens zijn gebieden aangewezen als ganzenfoerageergebied of weidevogelgebied, dit type gebieden ligt niet binnen het plangebied. KERNKWALITEITEN GNN EN GO De provincie en haar partners streven samen naar een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden en naar behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap. Natuur en landschap zijn het kapitaal van Gelderland. De opgaven die de provincie en haar partners hierbij zien, zijn: –
het behouden en mogelijk vergroten van de biodiversiteit (soortenrijkdom) in de natuur;
–
het verbinden van de Gelderse natuur met natuurgebieden in aangrenzende provincies en Duitsland;
–
het betrekken van mensen in een gebied bij het beheer van hun natuur en landschap.
De provincie geeft in het natuurbeleid prioriteit aan het behalen van de Natura 2000-doelen in de Natura 2000-gebieden. Het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone vervullen daarnaast een belangrijke rol bij het behoud van de biodiversiteit. De ecologische verbindingszones maken voor een klein deel uit van het Gelders Natuurnetwerk. De kernkwaliteiten van het Gelders Natuurnetwerk die beschermd en ontwikkeld moeten worden, zijn in de Omgevingsvisie omschreven. BESCHERMINGSREGIME GELDERS NATUURNETWERK (GNN) Het GNN bestaat enerzijds uit alle gebieden met een natuurbestemming binnen de voormalige Gelderse EHS en anderzijds uit een zoekgebied. Dit betrof in 2011 7.300 ha voor 5.300 ha nieuwe natuur, eind 2015 is 2600 ha gerealiseerd en resteert 4.100 ha zoekgebied voor 2.700 ha nieuwe natuur. Deze zoekruimte voor
3
Omgevingsverordening Gelderland, vastgesteld januari 2018
4
Natuurbeheerplan 2018, Provincie Gelderland, vastgesteld door GS in november 2017
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
nieuwe natuur in het GNN is in de Omgevingsvisie opgenomen als toelichtende kaart. Daarnaast maken de reeds gerealiseerde delen van verbindingszones deel uit van het GNN. Het beleid met betrekking tot het GNN is ten eerste gericht op de bescherming en het herstel van de aanwezige natuurwaarden, ten tweede op de ontwikkeling van nieuwe natuurwaarden. Binnen het GNN zijn geen bestemmingen toegestaan waardoor de kernkwaliteiten van het gebied significant worden aangetast. Op grond van de Omgevingsverordening maakt de provincie Gelderland ruimtelijke ontwikkelingen die een negatief effect hebben op de bijzondere kenmerken en waarden van het GNN niet mogelijk. Vanwege het grote belang (economisch of anders) is het mogelijk dat ruimtelijke ontwikkelingen die een negatief effect hebben toch uitgevoerd moeten worden. Bij dergelijke projecten moet er compensatie plaatsvinden. Deze compensatie moet bijdragen aan de aanleg van een zogenoemde sterke GNN. Op het verbod op nieuwvestiging binnen het Gelders Natuurnetwerk wordt voor een beperkt aantal ontwikkelingen een uitzondering gemaakt in de voor die functies minst kwetsbare natuur. Het gaat om natuurbegraafplaatsen en kleinschalige recreatie, en windturbines. Voorwaarde is dat deze initiatieven in combinatie met extra versterking van de kernkwaliteiten tot stand komen.
Deze versterking gaat verder dan het compenseren van negatieve effecten. Per saldo moet elke ontwikkeling een verbetering van de kernkwaliteiten in het Gelders Natuurnetwerk opleveren. In dat saldo zijn vergroting van de oppervlakte natuur en versterking van de ecologische samenhang belangrijke randvoorwaarden. De versterking wordt vastgelegd in een natuurversterkingsplan. DE GROENE ONTWIKKELINGSZONE (GO) De Groene Ontwikkelingszone bestaat uit alle gebieden met een andere bestemming dan natuur binnen de voormalige Gelderse EHS. De GO bestaat uit gebieden die ruimtelijk zijn vervlochten met het GNN, het gaat vooral om landbouwgrond. De GO heeft een dubbele doelstelling. Er is ruimte voor verdere economische ontwikkeling in combinatie met een (substantiële) versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. In het GO mogen in principe geen grootschalige ontwikkelingen plaatsvinden met negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied. In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de GO kunnen nieuwe kleinschalige ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, mits (Artikel 2.7.2.1,lid 2: a.
in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo substantieel worden versterkt;
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
b.
deze versterking planologisch is verankerd in hetzelfde dan wel een ander, gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan.
De begrenzing van het GNN en GO in en rond de voormalige gemeente Geldermalsen staat weergegeven in figuur 7.
Figuur 7. Begrenzing van het GNN en GO in en rond de voormalige gemeente Geldermalsen. Bron Natuurbeheerplan 2018, Provincie Gelderland.
Het al in 4.2.2. beschreven Natura 2000-gebied Lingegebied en Diefdijk-Zuid maakt deel uit van het GNN. De bijlage Kernkwaliteiten van de Omgevingsvisie
5
beschrijft de kernkwaliteiten natuur en landschap voor deelgebieden van het GNN en GO, waarvan de volgende vier (deels) in het plangebied liggen: Deelgebied 44 Regulieren - Vijfherenlanden (noordwestelijk deel van de gemeente) –
gebied van stroomruggen langs de kleinschalige Linge en kommen met bos en griend ten noorden daarvan;
–
westelijk deel onderdeel van Nationaal Landschap Nieuwe Hollandse Waterlinie;
–
deels onderdeel van Nationaal Landschap Rivierengebied;
–
ecologische verbinding Linge;
–
A-locatie Regulieren: populierenbossen, wilgengrienden en hooilanden op komklei; eendenkooien; A-locatie voor Elzenrijk Essen-Iepenbos. Weidevogels en eenden, heikikker en krabbenscheer;
5
http://kaarten.gelderland.nl/viewer/app/thema_kernkwaliteiten
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
–
Parel Mariënwaerd, ook A-locatie landgoedbos op de oeverwal van de Linge: droog Essen-Iepenbos, zeer soorten- en structuurrijk met zeer hoge bomen (>40 m);
–
Parel Put van Bullee: uniek schraalgrasland in oude kleiput met orchideeensoorten, ratelaar en bonte paardenstaart;
–
Parel Nieuwe Zuider Lingedijk: rietmoerassen, moerasbos van zwarte els en wilg en nat elzenbos, afgewisseld met halfnatuurlijke gras- en hooilanden;
–
Parel Benedenloop Linge: moeras, nat grasland, moerasvogels, sprinkhanen; afwisseling van griendjes, doorbraakwielen, vochtige graslanden en moerassen, afgetichelde graslanden, klei- en zandputten; trekvogels en wintergasten; amfibieën,
–
leefgebied steenuil,
–
Hollandse Waterlinie: cultuurhistorisch landschap, afleesbaar door forten en inundatievelden,
–
Diefdijk als beeldbepalend en cultuurhistorisch waardevol element,
–
rust, ruimte en donkerte,
–
abiotiek: aardkundige waarden, kwel, bodem, waterreservoir,
–
ecosysteemdiensten: recreatie, waterwinning,
–
alle door de Flora- en faunawet of Natuurbeschermingswet beschermde soorten en hun leefgebieden in dit deelgebied.
Deelgebied 62 Tielerwaard (zuidwestelijk deel van de gemeente) –
gebied van grootschalige kommen met forse stroomrug langs de Waal en kleinschalige stroomrug langs de Linge;
–
deels onderdeel van Nationaal Landschap Nieuwe Hollandse Waterlinie;
–
ecologische verbinding Linge;
–
Parel Komgrondenreservaat Deil: bloemrijke, schrale hooilanden; in de sloten planten die op kwel wijzen: holpijp, waterviolier; ganzen als wintergasten; ook eendenkooien, kooibossen en grienden;
–
weidevogelgebied Leuvense Veld;
–
leefgebied steenuil;
–
leefgebied kamsalamander;
–
Hollandse Waterlinie: cultuurhistorisch landschap, afleesbaar door forten en inundatievelden;
–
oude polderstructuur met zijtwendes, achterkades en boezems nog op veel plaatsen herkenbaar; eendenkooien en andere bosjes (o.a. uit de ruilverkaveling);
–
rust, ruimte en donkerte (op afstand van A15 en Betuwelijn);
–
abiotiek: aardkundige waarden, kwel, bodem, waterreservoir;
–
ecosysteemdiensten: recreatie, waterwinning, waterberging;
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
–
alle door de Flora- en faunawet of Natuurbeschermingswet beschermde soorten en hun leefgebieden in dit deelgebied.
Deelgebied 56 Maurik - Beusichem – Tricht (klein deel noordoostelijk van de gemeente) –
gebied van stroomruggen, modern agrarisch cultuurlandschap; ook stukjes kom: Oude Hoeven en Beusichemse Veld;
–
onderdeel van Nationaal Landschap Rivierengebied;
–
ecologische verbinding Linge: bij Buurmalsen;
–
leefgebied steenuil;
–
plaatselijk kleinschalige landschappen (bijv. Asch, Buurmalsen - Tricht);
–
cultuurhistorische waarden van de stroomruggen, doorbraakkolken, historische waterstaatswerken;
–
abiotiek: aardkundige waarden, kwel, bodem, waterreservoir;
–
ecosysteemdiensten: recreatie, waterwinning;
–
alle door de Flora- en faunawet of Natuurbeschermingswet beschermde soorten en hun leefgebieden in dit deelgebied.
Deelgebied 52 Geldermalsen (klein deel zuidoostelijk van de gemeente; geen GNN of GO) –
agrarisch landschap op oeverval.
De ecologische waarden en kenmerken zijn vastgelegd in een beheertypenkaart 6
(figuur 8). Deze kaart vormt de kern van het Natuurbeheerplan .
6
Natuurbeheerplan 2018, Provincie Gelderland, vastgesteld door GS in november 2017, http://kaarten.gelderland.nl/viewer/app/thema_natuurbeheerplan
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
Figuur 8. Natuurdoeltypen GNN (bron: Natuurbeheerplan 2018 Provincie Gelderland)
4.2.4 Referentiesituatie Natuur buiten de GNN/Agrarische natuur Voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer onderscheiden de provincies vanaf 2016 de volgende vier leefgebieden: –
open grasland (nat);
–
open grasland (droog);
–
droge dooradering;
–
natte dooradering.
De begrenzing van leefgebieden biedt geen planologische bescherming, maar deze gebieden zijn wel van belang voor natuur in het algemeen en ook voor veel beschermde soorten. Binnen de begrenzing van de zoekgebieden is voor bevordering van natuurwaarde subsidie voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer mogelijk. Een deel van de doelsoorten zoals amfibieënsoorten, kerkuil, ransuil en steenuil zijn Wnbbeschermde soorten.
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
Deze vier leefgebieden zijn de vier agrarische natuurtypen van de Index Natuur en Landschap 2017. In het Natuurbeheerplan worden deze vier agrarische natuurtypen en de categorie water als zoekgebieden op de kaart aangeduid. De leefgebieden overlappen deels met Groene Ontwikkelingszones, maar vallen deels hierbuiten. De begrenzing van de zoekgebieden is in het overleg met de agrarische collectieven in oprichting, waterschappen, gemeenten, natuurorganisaties, Gelders Particulier Grondbezit en provincie tot stand gekomen. Deze zoekgebieden zijn een mix van kerngebieden en potentieel kansrijke (suboptimale) gebieden. Daarnaast is in het natuurbeheerplan ook een categorie water opgenomen. Het zoekgebied water betreft grote delen van de gemeente, en kan indirect natuurdoelen ondersteunen. Doel is hier agrarisch waterbeheer op vrijwillige basis in te zetten, voor het verbeteren van de waterkwaliteit en het verhogen van het waterbergend vermogen. Het betreft zones van 100 tot 500 m breed langs watergangen met een doelstelling voor KRW (Kader Richtlijn water), HEN (Hoogste Ecologisch Niveau) en SED (Specifiek Ecologische Doelstelling). Er is veel overlap met de zoekgebieden van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer.
Figuur 9. Leefgebieden voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer (bron: Natuurbeheerplan 2018 Provincie Gelderland)
Voor het deelgebied Tieler en Culemborgerwaarden, waarvan de voormalige gemeente
volgende doelen:
7
7
Geldermalsen deel uitmaakt, omschrijf het natuurbeheerplan de
Natuurbeheerplan 2018, Provincie Gelderland, vastgesteld door GS in november 2017
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
–
Open grasland: In de bestaande weidevogelgebieden in het open grasland vooral werken aan vergroten kruidenrijkdom en vernatting van de percelen.
–
Natte dooradering: kamsalamander koppelen aan weidevogelgebied in Leuvense Broek en Rijswijkseveld, en de omgeving van de Nieuwe Zuiderlingelinie. De Linge en zijn zijrivieren zijn begrensd vanwege de aanwezigheid van de bittervoorn. Ook kunnen soorten als kamsalamander en tureluur hier voorkomen.
–
Droge dooradering: Oeverwallen van de Linge zijn begrensd vanwege hun verbindende eigenschappen. Daarnaast vormen deze oeverwallen potentieel leefgebied voor soorten voor als spotvogel en steenuil. Naast de oeverwallen
van
de
Linge
zijn
ook
een
aantal
aangrenzende
akkerbouwgebieden begrensd. In deze gebieden ligt de nadruk op overwinterende akkervogels. Open grasland betreft natte gebieden met meer accent op weidevogels zoals grutto, kievit en watersnip, en droog grasland met accent op kwartelkoning en een aantal plantensoorten en insecten. In de natte dooradering zijn onder andere slobeend, zomertaling, watersnip en tureluur doelsoorten, tevens een groot aantal amfibieënsoorten en nog en aantal soorten uit diverse soortengroepen. In de droge dooradering zijn een aantal vogels van struweel en kleinschalig agrarisch landschap doelsoorten, zoals patrijs, kneu, spotvogel, kerkuil, ransuil en steenuil. 4.2.5 Referentiesituatie Beschermde soorten De huidige situatie en vaststaande autonome ontwikkelingen vormen de referentie situatie. WETTELIJK KADER Relevante wetgeving op het gebied van de soortenbescherming is uitgewerkt in de Wet natuurbescherming. De bescherming van flora- en faunasoorten is in de Wet natuurbescherming opgedeeld in twee beschermingscategorieën: Strikt beschermde soorten: –
Soorten van de Vogelrichtlijn (art. 3.1 Wet natuurbescherming)
–
Soorten van de Habitatrichtlijn (art. 3.5 Wet natuurbescherming)
Overige beschermde soorten: –
Nationaal beschermde soorten (art. 3.10 Wet natuurbescherming)
Voor beide categorieën geldt dat het verboden is opzettelijk exemplaren te doden, vangen of plukken, en voortplantingsverblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of te beschadigen. Een belangrijk verschil tussen beide
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
beschermingsregimes is dat voor de strikt beschermde soorten ook het opzettelijk verontrusten verboden is, terwijl dit voor de overige beschermde soorten niet het geval is. Voor vogels geldt daarnaast dat het opzettelijk storen niet verboden is in geval de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Echter, voor vogels die staan in bijlage II van de Conventie van Bern geldt deze uitzondering niet. Daarnaast is er een lijst met jaarrond beschermde broedvogelnesten. Dat houdt in dat voor de op deze lijst genoemde vogelsoorten de nestplaats ook buiten het broedseizoen beschermd is. Het beschermingsregime van de overige (nationaal) beschermde soorten is voor elke soort gelijk. Wel kunnen provincies bij ruimtelijke ontwikkelingen vrijstelling van de verbodsbepalingen in artikel 3.10 verlenen voor deze soorten. Deze zogenaamde vrijstellingslijsten zijn opgenomen in de provinciale verordeningen en komen tussen de provincies grotendeels overeen. De provincie Gelderland heeft in haar Omgevingsverordening opgenomen dat voor in totaal 24 soorten een vrijstelling geldt van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid uit de Wnb. Een overzicht van deze soorten is opgenomen in bijlage 3.
BUREAUONDERZOEK Omdat, zoals eerder is opgemerkt, voor een aantal algemene beschermde amfibieën- en zoogdiersoorten bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van toepassing is, zijn deze soorten voor het bestemmingsplan Buitengebied minder belangrijk. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Wnb. Uit het raadplegen van de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF) via Quickscanhulp.nl ('© NDFF - quickscanhulp.nl 19-02-2018 13:40:17) blijkt dat binnen een straal van 1 km rond het projectgebied verschillende beschermde diersoorten bekend zijn. Het betreft vogels, zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen en libellen (zie bijlage 2). Ook zijn enkele beschermde vaatplanten bekend uit dit gebied. Indien van toepassing worden relevante soorten in onderstaande tekst betrokken. Van veel soorten zullen grotere aantallen vooral voorkomen in de Natura 2000-gebieden en in (de grotere elementen van) het NNN, maar kunnen deze soorten ook daarbuiten voorkomen. Over het algemeen zijn de Wnbsoorten in de beschermde gebieden goed beschermd. In deze paragraaf ligt het accent op het voorkomen van Wnb-soorten buiten de beschermde gebieden, in het agrarische gebied. Deze soorten kunnen ook rechtstreeks worden aangetast bij bijvoorbeeld grond- en bouwwerkzaamheden. Dit zijn bijvoorbeeld aan gebouwen gebonden soorten zoals vleermuizen, huismus,
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
kerkuil. Tevens zijn er soorten die in en rond houtige landschapselementen voorkomen, in uiterwaarden, maar ook rond agrarische percelen en op boerenerven. Omdat van deze soorten geen gebiedsdekkende inventarisatie heeft plaatsgevonden en de verspreiding van soorten bovendien ook niet exact bekend is, is er voor gekozen om de Wnb-soorten niet op een kaart aan te geven. Hierna worden de op basis van de hiervoor genoemde inventarisaties naar voren gekomen beschermde planten- en diersoorten per soortengroep besproken. ZOOGDIEREN Er zijn 19 soorten beschermde grondbewonende zoogdiersoorten bekend uit het plangebied en nabije omgeving, waarvan er 4 niet zijn vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkeling. Per 1 januari 2019 vervalt naar verwachting de vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen voor bunzing, hermelijn en wezel. Van deze soorten kunnen molmuis en waterspitsmuis regelmatig verblijven in het agrarisch gebied. Ook deze soorten kunnen regelmatig verblijven in het agrarisch gebied. De waterspitsmuis komt verspreid in de nattere delen van de Nederland voor. Hij komt voor in ruigtes en moerasgebieden, maar ook wel in goed begroeide oe8
vers in het agrarisch gebied. Hij is incidenteel waargenomen bij de Diefdijk maar kan ook elders in het plangebied voorkomen. De molmuis is een pas recent van de woelrat onderscheiden soort. Hij komt zeldzaam voor in het rivierengebied en 9
Limburg, waarbij het voorkomen nog niet goed bekend is . Hij maakt gebruik van vergelijkbare biotopen als de waterspitsmuis. De bever komt in het gebied voor, maar vooral buitendijks langs de Linge. De boommarter heeft zijn zwaartepunt in verspreiding in meer beboste omgeving, maar lijkt wel uit te breiden in de nabijheid van menselijke bewoning, en vindt soms ook onderdak onder daken van huizen.
10
Bunzing, hermelijn en wezel kunnen regelmatig verblijven in het agra-
risch gebied. Deze soorten hebben een voorkeur voor structuurrijk kleinschalig landschap met voldoende dekking in ruigtes of houtelementen. Verblijfplaatsen zijn bestaande gaten en holten, zoals mollennesten, rattenholen, drainagepijpen, houtstapels, takkenhopen, opgestapeld puin, holle bomen, schuurtjes, stapels 11
hooi- en strobalen . Naast grondbewonende zoogdieren zijn 10 soorten vleermuizen bekend in en nabij het plangebied, waarvan vliegroutes, foerageergebied en verblijfplaatsen zijn beschermd. Vooral het meer gesloten landschap rond de Linge is geschikt als foerageergebied. Het open agrarische open gebied vormt vooral geschikt foerageergebied voor de laatvlieger en rosse vleermuis. Maar ook al de andere soor8
Zie NDFF, https://www.verspreidingsatlas.nl/8496171
9
Zie NDFF, https://www.verspreidingsatlas.nl/8496034
10
NDFF https://www.verspreidingsatlas.nl/8496123#
11
RUD Noord-Holland, 2018. Handreiking wezel, hermelijn en bunzing Noord-Holland
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
ten kunnen in het agrarisch gebied voorkomen. Meest algemeen zijn hier gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Rond de bebouwing en opgaand groen zijn ook gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en incidenteel de vrij zeldzame baardvleermuis te verwachten. De water- en meervleermuis zijn foeragerend te verwachten boven bredere watergangen, plassen en meren. Van gebouwbewonende soorten (gewone dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis) zijn vooral verblijfplaatsen te verwachten in spouwmuren, achter gevelbetimmering en daklijsten, onder dakpannen of in schuren. Hierbij moet aangetekend worden dat de recentere ligboxenstallen en kapschuren gezien de constructie en gebruikte bouwmaterialen meestal niet geschikt zijn voor vleermuizen. In Fort Asperen zijn grotere overwinterende kolonies bekend van baardvleermuis, gewone grootoorvleermuis en de watervleermuis. Boombewonende soorten (watervleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis) zijn in ruimten (holtes, scheuren) in bomen te verwachten. Rosse vleermuis en gewone grootoorvleermuis komen vooral in en rond de ooibossen voor. VOGELS Alle inheemse vogelsoorten zijn op basis van de Wnb beschermd.
Over het algemeen is het nest van vogels alleen beschermd wanneer dit in gebruik is om een broedsel groot te brengen (tijdens het broedseizoen). Bij een aantal vogelsoorten is het nest echter jaarrond beschermd (dus ook buiten het broedseizoen). Over deze soorten geeft de Quickscanhulp.nl informatie, dit betreft zestien vogelsoorten. Van enkele soorten is het onwaarschijnlijk dat ze hier ook broeden, en van een aantal is alleen te verwachten dat ze in natuurgebied broeden. In het agrarisch gebied is het wel mogelijk dat hier boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek en sperwer broeden in verspreide ooibosjes en singels tussen de percelen of op agrarische erven. De meeste van deze soorten komen vooral in natuurgebieden voor, maar ook wel daarbuiten. Tot slot dien de steenuil te worden genoemd. De steenuil komt verspreid voor in het kleinschalige landbouwgebied en langs randen van extensiever beheerde landbouwpercelen. Deze soort broedt meestal in oude, holle bomen zoals knotwilgen of hoogstamfruitbomen. In de (agrarische) bebouwing in de dorpen of verspreid liggende bebouwing kunnen jaarrond beschermde nestplaatsen aanwezig zijn van kerkuil en huismus. De gierzwaluw nestelt ook in gebouwen, maar zelden in bebouwing in agrarisch gebied. Ook voor veel andere vogels is het buitengebied van belang.
In de graslandgebieden, met name in en rond de Regulieren, maar ook in andere vochtige wat extensiever beheerde percelen broeden weidevogels als kievit, grutto en tureluur.
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
AMFIBIEËN De meeste soorten beschermde amfibieën hebben als leefgebied voorkeur voor de combinatie van afgesloten schoon water en houtige ruigte of opgaande beplanting zoals een houtwal of bosjes. Wanneer een keten van poelen om de 600 m is te volgen, kunnen veel soorten zich verspreiden. Volgens de Quickscanhulp komen 11 soorten amfibieën en 1 vissoort voor met een beschermingsstatus; vijf van de soorten amfibieën zijn echter vrijgesteld voor ruimtelijke ontwikkeling. Van de niet-vrijgestelde beschermde amfibieën komen heikikker, poelkikker, kamsalamander, alpenwatersalamander, vroedmeesterpad en rugstreeppad voor. De heikikker prefereert de grotere natuurgebieden met heide en veentjes, maar kan ook vochtig grasland met sloten voorkomen, mits de waterkwaliteit goed is en het agrarisch beheer extensief is. De heikikker komt vooral in het Diefdijkgebied, Het Lageveld en in de Regulieren voor. De poelkikker komt in dezelfde gebieden voor. De kamsalamander en rugstreeppad komen voornamelijk in en rond plassen en poelen in de uitwaarden voor, maar incidenteel ook wel in aangrenzend agrarisch gebied. De rugstreeppad komt daarbij algemener voor dan de kamsalamander. De meeste waarnemingen van kamsalamander komen van de omgeving Diefdijk en fort Asperen. De alpenwatersalamander in poelen of kleine wateren voor, en het plangebied valt niet in het normale verspreidingsgebied.
Volgens de verspreidingskaart
12
betreft dit waarnemingen van niet-wilde exem-
plaren. De natuurlijke verspreiding van de vroedmeesterpad is oorspronkelijk het uiterste zuiden van Limburg. In overige delen van het land wordt de soort sinds 2000 steeds vaker aangetroffen, met name in ruderale terreinen in stedelijk gebied. Hier blijken tal van uitgezette populaties zich al meerdere generaties te kunnen handhaven. In hoeverre in het plangebied een handhavende populatie voorkomt is niet duidelijk. Algemene beschermde amfibieën, waarvoor een vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen, als gewone pad en bruine kikker kunnen overal in het gehele landelijk gebied worden aangetroffen, met name in en rond de sloten en weteringen. REPTIELEN, VISSEN EN ONGEWERVELDEN De ringslang is als incidentele zwerver in het westelijke deel van de gemeente (Lingegebied en Diefdijk-Zuid) en ook in de Regulieren waargenomen. Ook is de
12
NDFF https://www.verspreidingsatlas.nl/A111#
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
muurhagedis waargenomen, deze soort komt van nature echter alleen in ZuidLimburg voor. De enige beschermde vissoort die bekend is, is de grote modderkruiper. Deze soort is aangetroffen in diverse sloten en weteringen in het Diefdijkgebied, Het 13
lage Veld en de Regulieren . Deze soort heeft een voorkeur voor stilstaand tot langzaam stromend ondiep water met een rijke plantenbegroeiing en een slib14
laag op de bodem . Ook in weteringen en grotere sloten in het overige buitengebied is deze soort te verwachten mits de waterkwaliteit er goed is. Ook bittervoorn en kleine modderkuiper die met ingang van 2017 geen beschermde status meer hebben zijn bekend uit het Diefdijkgebied, Het lage Veld en de Regulieren, en de bittervoorn ook rond landgoed Mariënwaerdt. Ook deze soorten kunnen elders in het buitengebied voorkomen. De enige beschermde ongewervelde soort die bekend is in het plangebied betreft de gevlekte witsnuitlibel. Het zwaartepunt van deze soort ligt in de laagveengebieden
van
Noordwest-Overijssel,
aangrenzend
Friesland
en
het
Vechtplassengebied, maar hij wordt recent ook elders steeds vaker waargeno15
men . Eventueel geschikt voortplantingsgebied is dan in het Diefdijkgebied of de Regulieren te vinden. Het agrarisch gebied is niet geschikt als leefgebied. 4.2.6 Referentiesituatie ammoniak WAV-GEBIEDEN Binnen het plangebied liggen twee kleinere gebieden die worden beschermd tegen neerslag van ammoniak door de Wet ammoniak en veehouderij (Wav, zie figuur 10). Het westelijk gelegen gebied maakt deel uit van het Natura 2000-gebied Lingegebied en Diefdijk-Zuid. Het noordoostelijk gelegen gebied maakt is het GNN gebied De Regulieren. Het WAV beleid staat toegelicht in paragraaf 3.2. In beginsel mogen in deze Wav-gebieden en de zone van 250 m geen nieuwe veehouderijbedrijven gevestigd worden. Op bestaande veehouderijbedrijven in een Wav gebied of binnen de zone van 250 m is een ten hoogste toegestane ammoniakemissie(ammoniakplafond) van toepassing.
13
www.gelderland.vissenatlas.nl en NDFF https://www.verspreidingsatlas.nl/V1201
14
www.ravon.nl
15
https://www.vlinderstichting.nl/libellen/overzicht-libellen/details-libel/gevlekte-witsnuitlibel
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
Figuur 10. Zeer kwetsbare gebieden op basis van Wet Ammoniak en Veehouderij 16
(bron: Open Data Provincie Gelderland, 2018 )
16
https://opendata.gelderland.nl/dataset/ngr-natuur-kwetsbare-gebieden-wet-ammoniak-enveehouderij-wav-provincie-gelderland
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
Huidige situatie ammoniakdepositie De huidige situatie ten aanzien van de ammoniakdepositie wordt weergegeven in figuur 11.
Figuur 11. Achtergronddepositie stikstof in en rond de voormalige gemeente Geldermalsen 2016 (Bron RIVM, 201817)
De huidige achtergronddepositie in het grootste deel van de voormalige gemeente Geldermalsen ligt tussen 1.500 en 2.000 mol N/ha/jaar, maar loopt op enkele plaatsen hoger op, tot maximaal 2.630 mol N/ha/jaar. Ditzelfde beeld treedt op in en nabij de Natura 2000-gebieden rondom de voormalige gemeente Geldermalsen. Het grootste deel hiervan is overigens afkomstig uit emissie vanuit andere gemeenten. De hoeveelheid depositie die een ecosysteem nog kan verdragen zonder schade te ondervinden, wordt de kritische depositiewaarde (KDW) of kritische belasting genoemd. Bij alle in beschouwing genomen Natura 2000-gebieden overschrijdt de huidige belasting met ammoniak de kritische depositiewaarde voor een of meer doeltypen van habitats. Ontwikkelingen met stikstofemissie hebben een sterker effect op depositie naarmate de afstand tot het Natura 2000-gebied kleiner is. Voor de vier habitattypen in het binnen de gemeente gelegen Natura 2000-gebied Lingegebied en Diefdijk-Zuid liggen deze waarden tussen 1.143 tot 2.000 mol N/ha/jaar. Vergelijkbare waarden gelden ook voor de andere Natura
17
http://geodata.rivm.nl/gcn/
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
2000-gebieden in de omgeving, De KDW-waarden voor habitattypen liggen hier tussen 1071 en > 2400 mol N/ha/jaar. Te verwachten ammoniakdepositie Van de meeste Natura 2000-gebieden binnen het onderzoeksgebied ligt de stikstofdepositie in de bestaande situatie al aanzienlijk boven de kritische depositiewaarde van het meest gevoelige habitattype. In het kader van het beheerplan Lingegebied en Diefdijk-Zuid
18
is een berekening gedaan van te verwachten
stikstofdepositie rekening houdend met autonome ontwikkeling, generiek beleid van Rijk en provincies, en van achtergronddepositie. Op basis van deze berekening met AERIUS Monitor 15 blijkt dat aan het einde van 2030, ten opzichte van de situatie in 2015, sprake is van een afname van de stikstofdepositie in het gehele gebied. Wel wordt na 2030 de KDW nog steeds overschreden van het habitattype H7230 Kalkmoerassen. In 2020 geldt dat ook nog voor habitattype H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen). Het bovenstaande betekent dat ook een kleine toename van depositie op een Natura 2000-gebied een significant negatief effect kan hebben. CONCLUSIE ONTWIKKELINGSRUIMTE DEPOSITIE Daar de depositie vanuit een bron sterk afneemt met de afstand, en de kritische depositiewaarden in het meest nabije Natura 2000-gebied niet afwijken van de gebieden op iets meer afstand, voldoet toetsing aan het Natura 2000 gebied Lingegebied & Diefdijk-Zuid. Op basis van hierboven aangegeven berekeningen wordt in het beheerplan geconcludeerd dat voor Lingegebied & Diefdijk-Zuid als geheel dat “de categorie 1b” geldt: Wetenschappelijk gezien is er redelijkerwijs geen twijfel dat de instandhoudingsdoelstellingen op termijn kunnen worden gehaald. Behoud is geborgd, dus verslechtering wordt voorkomen.
'Verbetering van de kwaliteit' of 'uitbreiding van de oppervlakte' van de habitattypen of leefgebieden kan in de gevallen waarin dit een doelstelling is kan vanaf 2015 of 2020 aanvangen. In het beheerplan wordt geconcludeerd dat er enige ontwikkelingsruimte ten aanzien van N-depositie is. Echter voor bestemmingsplannen kan geen ontwikkelingsruimte worden gereserveerd (zie 3.1). Ten aanzien van doelsoorten concludeert het Beheerplan
19
dat de kleine en gro-
te modderkruiper niet afhankelijk zijn van stikstofgevoelige leefgebieden, en dat de stikstofgevoelige leefgebieden waar de kamsalamander en bittervoorn van 18
Natura 2000-beheerplan Lingegebied & Diefdijk-Zuid (70), Definitief beheerplan. RVO Nederland december 2016
19
Natura 2000-beheerplan Lingegebied & Diefdijk-Zuid (70), definitief beheerplan, december 2016. RVO Nederland.
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
afhankelijk kunnen zijn, in dit Natura 2000-gebied niet of nauwelijks (< 1,0 ha) voorkomen. Er is geconcludeerd dat geen aanvullende maatregelen voor deze soorten nodig zijn. 4.2.7 Autonome ontwikkeling NATUURGEBIEDEN - NATUURBEHEERPLAN In de huidige beschermde natuurgebieden(natura 2000 en GNN) wordt, op basis van de beheer- en ambitietypen, zoals die zijn vastgelegd in het provinciaal Natuurbeheerplan, een beheer gevoerd die recht doet aan de wezenlijke kenmerken en waarden. Het beleid voor natuurgebieden is er op gericht om de huidige waarden te behouden en te versterken. Maatregelen hiervoor zijn onder andere het
verhogen
van
de
grondwaterstand,
het
ontwikkelen
van
(riet)moerasgebieden en het plaatselijk verschralen van gronden. Op basis hiervan wordt verwacht dat in de onderzoeksperiode de natuurwaarden in de bestaande natuurgebieden worden versterkt. WATERKWALITEIT De wet- en regelgeving en het beleid van provincie en waterschap is er op gericht om het vrijkomen van milieubelastende stoffen in het oppervlakte- en grondwater te voorkomen. Op basis hiervan wordt verwacht dat in de onderzoeksperiode onder andere de meststoffen in het oppervlaktewater afnemen (zie ook paragraaf 4.6). Deze ontwikkelingen zullen in nog onbekende mate een positief effect op de natuurwaarden hebben. LANDBOUW In het buitengebied wijzigt het gebruik van gebouwen en gronden, mede als gevolg van veranderingen in de landbouw. Het aantal agrarische bedrijven neemt al jaren af. Aan de andere kant groeien de zittende agrarische bedrijven of ontplooien de bedrijven nevenactiviteiten. Door deze ontwikkelingen is het mogelijk meer ruimte te creëren voor natuurlijk beheer van gronden en het omvormen van agrarisch naar natuurfuncties. Tot dusver levert deze ontwikkeling, landelijk gezien, nog onvoldoende tegenwicht voor de processen van de intensivering en schaalvergroting van de landbouw. Op basis hiervan wordt verwacht dat in de onderzoeksperiode de natuurwaarden in de akkerbouw- en veeteeltpercelen licht afnemen.
4.2.8 Omschrijving van de milieueffecten Door nieuwe ontwikkelingen kunnen natuurwaarden worden verstoord of zelfs verloren gaan. Daarnaast is het mogelijk dat door nieuwe ontwikkelingen de bestaande waarden worden versterkt. Belangrijk hierbij is vooral wat de mogelijke consequenties zijn voor de beschermde natuurgebieden en de beschermde soorten. De effecten van het voornemen zijn hieronder vergeleken met de referentiesituatie.
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
SELECTIE RELEVANTE EFFECTEN Voor de het verkennen van de mogelijke effecten op natuur is gebruik gemaakt 20
van de ‘effectenindicator Natura 2000-gebieden’ van het Rijk . Als leidraad zijn deze indicatoren ook breder toepasbaar op natuur. Hierin worden 19 zogenoemde storingsfactoren onderscheiden. Een aantal van deze factoren zijn gezien de ligging van het plangebied en de aard van de voorgenomen plannen op voorhand uitgesloten. Het plangebied en omringende Natura 2000-gebieden liggen door de afstand buiten de invloed van de zeewater. Daarom wordt het effect door verzilting en verzoeting op voorhand uitgesloten. Enkele andere factoren spelen vrijwel alleen bij natuurontwikkelingsprojecten, te weten vernatting, verandering stroomsnelheid (beken en kleine rivieren), verandering overstromingsfrequentie en verandering dynamiek substraat (bijvoorbeeld zandverstuiving in de duinen). Natuurontwikkeling maakt niet deel uit van het voornemen. Daarom kunnen effecten van deze storingsfactoren op voorhand uitgesloten worden. Verder beogen de plannen geen veranderingen in de populatiedynamiek of introductie van dier- of plantensoorten. Effecten naar aanleiding van deze factoren op de instandhoudingsdoelstellingen van soorten of habitats zijn op voor hand uitgesloten. Het voornemen van het bestemmingsplan maakt geen nieuwe activiteiten in Natura 2000-gebied of GNN mogelijk.