RV2021-132 Bijlage 7 PlanMER buitengebied Geldermalsen.pdf
Tekst van het document
M il i eu e f fec tr ap p or t ag e b es te m m in g sp lan B u it en g eb ie d Ge ld erm al s en , ge m e en t e We st Be tu we
D EF IN I TI EF
M il i eu e f fec tr ap p or t ag e b es te m m in g sp lan B u it en g eb ie d Ge ld erm al s en , ge m e en t e We st Be tu we
D EF IN I TI EF
Inhoud
MER
4 oktober 2019 Projectnummer 108.00.10.00.00.00
Samenvatting De gemeente West Betuwe herziet het bestemmingsplan voor het buitengebied van de voormalige gemeente Geldermalsen, inclusief herzieningen en wijzigingen, tot één actueel en digitaal Bestemmingsplan Buitengebied voor de voormalige gemeente Geldermalsen. De gemeente dient namelijk op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), over een actueel, digitaal bestemmingsplan te beschikken. De gemeente heeft in de voorbereiding op het opstellen van het bestemmingsplan in de geest van de Omgevingswet belanghebbenden in het plangebied opgeroepen ideeën en wensen aan de gemeente door te geven. Het doel moet voorop staan en de houding bij het beoordelen van initiatieven is 'ja mits' in plaats van 'nee tenzij'. Zo ontstaat ruimte voor bijvoorbeeld bedrijven en organisaties om met ideeën te komen. Inhoudelijk kan het nieuwe bestemmingsplan niet op de nieuwe wet anticiperen, omdat er geen gebruik kan en mag worden gemaakt van regels die nog geen wetskracht hebben. Omdat de gemeente per 1 januari 2019 op is gegaan in de nieuwe gemeente West Betuwe, samen met Neerijnen en Lingewaal, wenst de gemeente ook om vooruitlopend op de fusie, het ruimtelijke kader te vernieuwen in dit bestemmingsplan. Het plan kan daarmee ook functioneren als overbrugging naar in de toekomst op te stellen Omgevingsplan in het kader van de Omgevingswet.
Voor het opstellen van het bestemmingsplan moet ook een milieueffectrapport (planMER) worden opgesteld. Een dergelijk rapport biedt inzicht in de milieueffecten van de ontwikkelingen die op grond van een bestemmingsplan in het plangebied mogelijk worden gemaakt. Op basis van het planMER kan een verantwoorde keuze worden gemaakt over welke ontwikkelingen op grond van het bestemmingsplan wel en niet mogelijk (kunnen of moeten) worden gemaakt. Het bestemmingsplan biedt namelijk het kader voor toekomstige activiteiten waarvoor volgens de Wet milieubeheer (Wm) een besluit-m.e.r.(beoordeling) verplicht is, met name in de vorm van uitbreiding van bestaande veehouderijen. ALTERNATIEVENONTWIKKELING Het MER is gebaseerd op het op basis van het conceptontwerpbestemmingsplan buitengebied, herziening 2018. Voor opstellen van dit bestemmingsplan was reeds bekend dat voor het in de gemeente gelegen Natura 2000-gebied de kritische depositiewaarde voor stikstof in de huidige situatie al wordt overschreden. Om die reden is in het bestemmingsplan de gebruiksregel voor stikstof opgenomen. De ontwikkelingsmogelijkheden op grond van het bestemmingsplan en het uitgangspunt dat de milieueffecten van de “worst case” situatie bepaald moeten worden in overweging nemende, is het voornemen op basis van het volgende uitgewerkt:
De ammoniakemissie mag per bedrijf niet meer bedragen dan in de huidige situatie.
Allereerst zijn de milieueffecten van het voornemen bepaald en beoordeeld. Op basis hiervan is inzicht verkregen in die milieueffecten van het voornemen die als negatief of als zeer negatief beoordeeld worden en waarvoor maatregelen nodig zijn om deze te voorkomen of te beperken.
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
Het voornemen is beoordeeld op de volgende milieuthema’s: –
Natuur
–
Landschap, cultuurhistorie en archeologie
–
Geur
–
Bodem en water
–
Licht
–
Luchtkwaliteit
–
Geluid
–
Verkeer
–
Gezondheid
Voor deze milieuthema’s zijn de volgende onderdelen beschreven: –
een beschrijving van de referentiesituatie (huidige situatie en autonome ontwikkeling);
–
een beschrijving van de milieueffecten per alternatief;
–
de beoordeling van de milieueffecten;
–
een omschrijving van de mogelijke maatregelen om (zeer) negatieve milieueffecten te voorkomen of te beperken;
–
een omschrijving van de zogenoemde leemten in de kennis.
Verder is in 4.2 de toets aan de Wet natuurbescherming (voorheen Natuurbeschermingswet 1998) opgenomen. Na beoordeling van het voornemen zijn twee alternatieven beschreven: –
Alternatief 1: Niet-grondgebonden veehouderij groei tot 2 ha In het voornemen kan de niet-grondgebonden veehouderij niet groeien, omdat de gemeente geen beleidsregels heeft zoals bedoeld in het provinciale Plussenbeleid. Gemeente Geldermalsen is per 1 januari 2019 gefuseerd met de gemeenten Neerijnen en Lingewaal. In deze voormalige gemeenten vigeert een bestemmingsplan buitengebied waarin ook aan nietgrondgebonden veehouderijen een uitbreidingsmogelijkheid van 2 ha wordt geboden. Om in beeld te brengen wat het zou betekenen als de voormalige gemeente Geldermalsen dezelfde regeling zou hanteren als de voormalige gemeenten Lingewaal en Neerijnen, is dit alternatief beoordeeld.
–
Alternatief 2: Geen beperking ammoniak Voor opstellen van dit bestemmingsplan was reeds bekend dat voor het in de gemeente gelegen Natura 2000-gebied de kritische depositiewaarde voor stikstof in de huidige situatie al wordt overschreden. Om die reden is in het bestemmingsplan de gebruiksregel voor stikstof opgenomen. In de paragraaf Natuur van dit MER, onder 4.2.8 (inclusief voortoets) is op basis daarvan beschreven dat het voornemen uitvoerbaar is. Wanneer echter geen rekening zou worden gehouden met de beperking van stikstof die in het bestemmingsplan is opgenomen, dan zou dit een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden betekenen. Om dit te illustreren is ter achtergrond informatie een berekening uitgevoerd met programmapakket
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
Aerius. Dit alternatief is beschreven ter achtergrond informatie en heeft geen gevolgen voor het voornemen. De onderstaande tabel geeft een totaal overzicht van de verwachte effecten van het voornemen en de alternatieven. Effecten
Voornemen
Alternatief 1:
Alternatief
2 ha (verschil
2: Geen
luchtkwaliteit
beperking
en geur)
van ammoniak
Effecten op Natura 2000-gebieden t.a.v. verzuring en vermesting
0
0
--
Effecten op Natura 2000-gebieden t.a.v. verdroging en verontreiniging
0
0
0
Effecten op Natura 2000-gebieden t.a.v. geluid, licht en trilling
0
0
0
Effecten op Natura 2000-gebieden t.a.v. optische verstoring
0
0
0
Effecten op GNN-gebieden t.a.v. verzuring en vermesting
0
0
--
Effecten op GNN-gebieden t.a.v. verdroging en verontreiniging
-
-
-
Effecten op GNN-gebieden t.a.v. geluid, licht en trilling
0
0
0
Effecten op GNN-gebieden t.a.v. optische verstoring
0
0
0
Effecten van verzuring en vermesting op flora en fauna, met name ge-
0
0
-
-
-
-
0
0
0
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
richt op beschermde soorten Effecten van verdroging en verontreiniging op flora en fauna, met name gericht op beschermde soorten Effecten van geluid, trilling en optische verstoring op flora en fauna, met name gericht op beschermde soorten Effecten van licht op flora en fauna, met name gericht op beschermde soorten Effecten van fysieke aantasting op flora en fauna, met name gericht op beschermde soorten Effecten op de kernkwaliteiten van het landschap: Rivier de Linge en de uiterwaarden
-
-
-
Oeverwallen en stroomruggen
0/-
0/-
0/-
Komgebieden
0/-
0/-
0/-
Totaalscore
-
-
-
Effecten op cultuurhistorische waarden
0/-
0/-
0/-
Effecten op archeologische waarden
-
-
-
Toe- en afname aantal geurgehinderden en mate verandering leefkli-
-
--
--
Risico op negatieve effecten op grondwaterkwantiteit.
0
0
0
Risico van beïnvloeding grondwaterkwaliteit.
0
0
0
Risico’s en negatieve effecten oppervlaktewaterkwantiteit.
0
0
0
Risico’s en negatieve effecten de kwaliteit van het oppervlaktewater.
0
0
0
Effecten op de bodemkwaliteit.
0
0
0
milieueffecten van licht, bepaald op basis van de toename van de licht-
0/-
0/-
0/-
Toe-/afname knelpunten fijn stof t.g.v. wegverkeer
0
0
0
Toe-/afname knelpunten fijn stof t.g.v. bedrijfsvoering
-
--
--
maat
hinder
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
Toename van de geluidhinder agrarische bedrijven
0/-
0/-
0/-
Toename van de geluidhinder verkeer t.g.v. agrarische bedrijven
0
0
0
Verandering van verkeersintensiteiten
0/-
0/-
0/-
Verandering in de verkeersveiligheid
0/-
0/-
0/-
Verschillen in gezondheidseffecten op hoofdlijnen
0
0/-
0/-
Uit het MER blijkt dat het voornemen op meerdere thema's negatieve effecten kan hebben door de forse uitbreidingsmogelijkheden van veehouderijen, die in het voornemen en alternatieven mogelijk zijn. De effecten zijn vooral groot voor de onderdelen natuur en geurhinder. Het ontwerpbestemmingsplan kan ook effecten hebben op beschermde soorten. De opgenomen voorwaarden in wijzigingsbevoegdheden, alsmede de eisen van de Wet Natuurbescherming, voorkomen evenwel dat deze effecten daadwerkelijk optreden. Ook de landschappelijke effecten van het bouwen van extra stallen zijn negatief. De landschappelijke effecten kunnen worden verzacht doordat de uitbreiding van de agrarische bedrijven plaatsvindt door middel van wijzigingsbevoegdheden. Daarin is de landschappelijke inpassing als voorwaarde opgenomen, evenals behoud van de verkeersveiligheid. Voor wat betreft de geurhinder voorkomt de toetsing aan de Wet geurhinder het ontstaan van knelpunten.
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
Inhoudsopgave 1
2
Inleiding
10
1.1
Aanleiding
10
1.2
Plan-m.e.r. (de procedure)
12
1.3
PlanMER (het rapport)
13
1.4
Leeswijzer
15
Voornemen en alternatieven
17
2.1
17
Inleiding 2.1.1
2.2
2.3 3
4
M.E.R.-(beoordelings)plichtige activiteiten
17
Voornemen
21
2.2.1
Omschrijving
21
2.2.2
Uitwerking
25
Alternatieven
26
Wet- en regelgeving
28
3.1
Regelgeving natuurbescherming
28
3.2
Regelgeving veehouderij
29
3.3
Regelgeving luchtkwaliteit
30
3.4
Provinciale omgevingsvisie en omgevingsverordening
32
Beoordeling milieueffecten voornemen
34
4.1
Referentiesituatie
35
4.1.1
36
4.2
4.3
Bestaande situatie
Natuur
41
4.2.1
Referentiesituatie natuur
41
4.2.2
Referentiesituatie Natura 2000-gebieden
42
4.2.3
Referentiesituatie Gelders Natuur Netwerk en Natuurnetwerk Nederland 44
4.2.4
Referentiesituatie Natuur buiten de GNN/Agrarische natuur
49
4.2.5
Referentiesituatie Beschermde soorten
51
4.2.6
Referentiesituatie ammoniak
56
4.2.7
Autonome ontwikkeling
60
4.2.8
Omschrijving van de milieueffecten
60
4.2.9
Beoordeling van de milieueffecten
74
4.2.10
Maatregelen
74
4.2.11
Leemten in de kennis
75
Landschap
76
4.3.1
Referentiesituatie
76
4.3.2
Omschrijving van de milieueffecten
82
4.3.3
Beoordeling van de milieueffecten
90
4.3.4
Maatregelen
90
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
4.3.5 4.4
4.5
4.6
4.7
4.8
4.9
4.10
Leemten in de kennis
90
Cultuurhistorie en archeologie
90
4.4.1
Referentiesituatie
90
4.4.2
Omschrijving van de milieueffecten
99
4.4.3
Beoordeling van de milieueffecten
101
4.4.4
Maatregelen
101
4.4.5
Leemten in de kennis
101
Geur
101
4.5.1
Referentiesituatie
104
4.5.2
Omschrijving van de milieueffecten
107
4.5.3
Beoordeling van de milieueffecten
107
4.5.4
Maatregelen
107
4.5.5
Leemten in de kennis
108
Bodem en water
108
4.6.1
Referentiesituatie
108
4.6.2
Omschrijving van de milieueffecten
114
4.6.3
Beoordeling van de milieueffecten
115
4.6.4
Maatregelen
116
4.6.5
Leemten in de kennis
116
Licht
116
4.7.1
Referentiesituatie
116
4.7.2
Omschrijving van de milieueffecten
117
4.7.3
Beoordeling van de milieueffecten
117
4.7.4
Maatregelen
118
Lucht
119
4.8.1
Referentiesituatie
119
4.8.2
Omschrijving van de milieueffecten
121
4.8.3
Beoordeling van de milieueffecten
122
4.8.4
Maatregelen
122
4.8.5
Leemten in de kennis
122
Geluid
123
4.9.1
Referentiesituatie
123
4.9.2
Omschrijving van de milieueffecten
125
4.9.3
Beoordeling van de milieueffecten
126
4.9.4
Maatregelen
127
4.9.5
Leemten in de kennis
127
Verkeer
127
4.10.1
Referentiesituatie
127
4.10.2
Omschrijving van de milieueffecten
127
4.10.3
Beoordeling van de milieueffecten
128
4.10.4
Maatregelen
128
4.10.5
Leemten in de kennis
129
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
4.11
Gezondheid
129
4.11.1
Referentiesituatie
129
4.11.2
Omschrijving van de milieueffecten
134
4.11.3
Beoordeling van de milieueffecten
135
4.11.4
Maatregelen
135
4.11.5
Leemten in de kennis
135
5
Uitvoerbaarheid voornemen - potentiele uitbreidingsruimte
136
6
Alternatieven
139
6.1
Alternatief 1: niet-grondgebonden veehouderij 2 ha
139
6.2
Alternatief 2: geen beperking ammoniak
144
Samenvatting van de milieueffecten en advies
146
7
Bijlagen
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
1
Inleiding 1.1
Aanleiding
De gemeente West Betuwe is volgens de Wet ruimtelijke ordening verplicht om voor haar hele grondgebied bestemmingsplannen vast te stellen. Het bestemmingsplan is een bijzonder plan. Het is namelijk een bindend plan voor zowel overheid als burgers. De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vast. Ze wijst daarin de bestemming, ofwel de functie van de grond aan. Ook geeft het bestemmingsplan regels over het gebruik van de grond en hetgeen daarop gebouwd is (bouwwerken). Omgevingsvergunningen moeten worden getoetst aan het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan bepaalt daardoor mede of ergens gebouwd mag worden. De gemeente West Betuwe herziet het bestemmingsplan voor het buitengebied van de voormalige gemeente Geldermalsen, inclusief herzieningen en wijzigingen, tot één actueel en digitaal Bestemmingsplan Buitengebied. De gemeente besloot daartoe omdat zij, op grond van de Wro, over een actueel, digitaal (IMRO 2012/ SVBP 2012) en digitaal gepubliceerd (IMRO2012/STRI 2012) bestemmingsplan dient te beschikken. Het overgrote gedeelte van het plangebied ligt binnen het bestemmingsplan Buitengebied 2006, Buitengebied 2006 eerste herziening en Buitengebied derde herziening. Het bestemmingsplan Buitengebied is onherroepelijk in werking getreden op 11 februari 2009.
Dit betekent dat begin 2019 het bestemmingsplan geactualiseerd moet zijn om te voldoen aan de eisen van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De gemeente heeft in de voorbereiding op het opstellen van het bestemmingsplan in de geest van de Omgevingswet belanghebbenden in het plangebied opgeroepen ideeën en wensen aan de gemeente door te geven. Het doel moet voorop staan en de houding bij het beoordelen van initiatieven is 'ja mits' in plaats van 'nee tenzij'. Zo ontstaat ruimte voor bijvoorbeeld bedrijven en organisaties om met ideeën te komen. Inhoudelijk kan het nieuwe bestemmingsplan niet op de nieuwe wet anticiperen, omdat er geen gebruik kan en mag worden gemaakt van regels die nog geen wetskracht hebben. Omdat de gemeente per 1 januari 2019 op is gegaan in de nieuwe gemeente West Betuwe, samen met Neerijnen en Lingewaal, wenst de gemeente ook om vooruitlopend op de fusie, het ruimtelijke kader te vernieuwen in dit bestemmingsplan. Het plan kan daarmee ook functioneren als overbrugging naar in de toekomst op te stellen Omgevingsplan in het kader van de Omgevingswet. Als onderbouwing van het bestemmingsplan Buitengebied 2018 dient een Milieueffectrapport (MER) voor plannen te worden opgesteld. Deze verplichting
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
komt met name voort uit het feit dat het bestemmingsplan de ruimte gaat bieden voor vergroting van agrarische bedrijven. Grote veehouderijen kunnen m.e.r.-(beoordelings)-plichtig zijn en als dat zo is, dan moet er bij het bestemmingsplan een MER worden opgesteld. Volgens de Wet milieubeheer (Wm) is een besluit-m.e.r.(beoordeling) verplicht voor uitbreiding van veehouderijen. Daarnaast is op voorhand niet uit te sluiten dat de uitbreidingsmogelijkheden van veehouderijen effecten kunnen hebben op Natura 2000-gebieden nabij het plangebied. Als negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, dient een Passende beoordeling in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998) te worden opgesteld. Als er een Passende beoordeling moet worden opgesteld, is ook dat aanleiding voor het opstellen van een MER. Deze dient namelijk in een MER te worden opgenomen. Het doel van een plan-m.e.r. is om de milieugevolgen van een plan, in voorliggend geval een bestemmingsplan, in beeld te brengen voordat er een besluit over wordt genomen. Zo kan het milieubelang volwaardig meegewogen worden in de besluitvorming door het ‘bevoegd gezag’ (de overheid die het besluit moet nemen).
Figuur 1. Globale begrenzing bestemmingsplan Buitengebied
Het plangebied van het bestemmingsplan omvat het buitengebied van de voormalige gemeente Geldermalsen, uitgezonderd de kernen en een enkel perceel, waarvoor recentelijk afzonderlijke bestemmingsplannen zijn vastgesteld of in procedure zijn gebracht.
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
Begrippen In het voorliggende planMER worden de volgende begrippen gebruikt: –
m.e.r.: milieueffectrapportage (de procedure).
–
MER: milieueffectrapport (het rapport).
–
m.e.r. voor plannen (plan-m.e.r.): de m.e.r.-procedure voor plannen die een kader bieden voor zogenoemde m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. Hier moet altijd de uitgebreide procedure voor gevolgd worden. m.e.r. voor besluiten (besluit m.e.r.): de procedure voor besluiten die op grond van
–
Wet milieubeheer zogenoemd m.e.r. (beoordelings)-plichtig zijn. Of het volgen van een uitgebreide of beperkte procedure gevolgd moet worden is hangt af van het project en de plaats van het project. Een besluit-m.e.r. wordt vaak als project-m.e.r. aangeduid om het verschil tussen een plan en een project duidelijk te maken. Om dit verschil goed te kunnen onderscheiden worden in dit rapport bij het MER ook de begrippen planMER en project MER (besluit-MER) gebruikt.
1.2
Plan-m.e.r. (de procedure)
De plan-m.e.r. volgt uit hoofdstuk 7 van de Wm. De procedure bestaat uit de volgende zeven stappen: 1.
Kennisgeving van het voornemen (artikel 7.9).
2.
Raadplegen van adviseurs en besturen (artikel 7.8).
3.
Opstellen van het planMER (artikel 7.7).
4.
PlanMER en ontwerpbestemmingsplan (artikel 7.10 en 7.12). –
Ter inzage leggen van planMER en ontwerpbestemmingsplan. ‘Een milieueffectrapport is gereed op het moment dat het ontwerp van het plan ter inzage wordt gelegd’ (artikel 7.10).
– 5.
Toetsing van planMER door de commissie voor de m.e.r.
Onderbouwen van de gevolgen van het planMER, de zienswijzen op het planMER en het advies van de commissie voor de m.e.r. voor het bestemmingsplan (artikel 7.14).
6.
Bekendmaking en mededeling van het bestemmingsplan (artikel 7.15).
7.
Onderzoeken van de gevolgen van de activiteit (artikel 7.39).
Ad 1. Op 9 juli 2015 heeft publicatie van het voornemen plaatsgevonden. Er is toen gelegenheid gegeven tot het indienen van zienswijzen op het voornemen om een planMER op te stellen. Daarvan is gebruik gemaakt. Aandacht wordt gevraagd voor bescherming van waardevolle landschapselementen, cultuurhistorisch waardevolle elementen, voorkomen negatieve effecten alternatieve energieinstallaties, rekening houden met grenscorrecties GNN en GO, meenemen PAS, kleinschalige verkoop streekproducten i.r.t. verkeer, parkeren en hygiëne, functieverandering en beoordelingscriteria, teeltondersteunende voorzieningen en
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
beoordelingscriteria, nieuwe landgoederen, evenals lichtvervuiling. Verder wordt aandacht gevraagd voor het stimuleren van biodiversiteit langs de Linge, en tegelijkertijd de recreatieve functie behouden. In het MER is aandacht besteed aan deze onderdelen, voor zover relevant voor het MER. Dit is met name terug te vinden in de paragraaf Natuur en de paragraaf Landschap. Ad 2. De kennisgeving van het voornemen is ook toegezonden aan relevante instanties. Dit heeft geleid tot één reactie. Verzocht wordt de berekeningen voor stikstof in Aerius uit te voeren en rekening te houden met alle gebieden waar sprake is van een depositie hoger dan 0,05 mol per ha per jaar. Deze gebieden kunnen verder dan 10 km van het plangebied gelegen zijn. Verwezen wordt naar hoofdstuk 2 en de paragraaf Natuur. Er is geen Notitie reikwijdte en detailniveau voorgelegd aan de Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie voor de m.e.r.). Door de commissie is dan ook geen advies over “de reikwijdte en het detailniveau” van het planMER opgesteld. Het college van B&W is de initiatiefnemer voor het MER. De gemeenteraad vormt het bevoegd gezag. Het plan-m.e.r. is gekoppeld aan het bestemmingsplan dat kaderstellend is voor eventuele concrete projecten of activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen.
Dit kan betekenen dat in eerste instantie voor het bestemmingsplan buitengebied een planMER wordt opgesteld en dat in een later stadium uit dat bestemmingsplan voortvloeiende activiteiten/projecten alsnog project-m.e.r.(beoordeling)plichtig zijn, omdat er besluiten aan zijn gekoppeld, zoals vergunningen. Ad 3. Het planMER omvat tevens de voortoets in het kader van de Wet Natuurbescherming, ten aanzien van Natura 2000-gebiden. Deze is opgenomen in paragraaf 4.2.8 onder 1.
1.3
PlanMER (het rapport)
Belangrijk bij het opstellen van het MER voor een bestemmingsplan is een goede beschrijving van hetgeen met de voorgenomen activiteit (in dit geval het opstellen van het bestemmingsplan) wordt beoogd. Daarbij moeten ook alternatieven voor de voorgenomen activiteit die redelijkerwijs in beschouwing kunnen worden genomen, worden beschreven en de motivering van de keuze voor de in
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
beschouwing genomen alternatieven. Op de keuze van alternatieven wordt in hoofdstuk 2 ingegaan. Op basis hiervan kan een keuze gemaakt worden in de ontwikkelingen die wel en die niet op grond van het bestemmingsplan mogelijk gemaakt worden. De inhoudelijke eisen die gesteld worden aan het planMER zijn opgenomen in artikel 7.7 van de Wm (m.e.r.-plichtige plannen): "Het milieueffectrapport dat betrekking heeft op een plan bevat ten minste: a.
een beschrijving van hetgeen met de voorgenomen activiteit wordt beoogd;
b.
een beschrijving van de voorgenomen activiteit, alsmede de alternatieven daarvoor, die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen, en de motivering van de keuze voor de in beschouwing genomen alternatieven;
c.
een overzicht van eerder vastgestelde plannen die betrekking hebben op de voorgenomen activiteit en de beschreven alternatieven;
d.
een beschrijving van de bestaande toestand van het milieu, voor zover de voorgenomen activiteit of de beschreven alternatieven daarvoor gevolgen kunnen hebben, alsmede van de te verwachten ontwikkeling van dat milieu, indien die activiteit noch de alternatieven worden ondernomen;
e.
een beschrijving van de gevolgen voor het milieu, die de voorgenomen activiteit, onderscheidenlijk de beschreven alternatieven kunnen hebben, alsmede een motivering van de wijze waarop deze gevolgen zijn bepaald en beschreven;
f.
een vergelijking van de ingevolge onderdeel d beschreven te verwachten ontwikkeling van het milieu met de beschreven mogelijk gevolgen voor het milieu van de voorgenomen activiteit, alsmede met de beschreven mogelijke gevolgen voor het milieu van elk der in beschouwing genomen alternatieven;
g.
een beschrijving van de maatregelen om belangrijke nadelige gevolgen op het milieu van de activiteit te voorkomen, te beperken of zoveel mogelijk teniet te doen;
h.
een overzicht van de leemten in de beschrijvingen, bedoeld in de onderdelen d en e, ten gevolge van het ontbreken van de benodigde gegevens;
i.
een samenvatting die aan een algemeen publiek voldoende inzicht geeft voor de beoordeling van het milieueffectrapport en van de daarin beschreven mogelijke gevolgen voor het milieu van de voorgenomen activiteit en van de beschreven alternatieven."
Het planMER is overeenkomstig deze inhoudelijke eisen opgesteld.
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
Onderzoeksgebied en -periode Het onderzoeksgebied van het planMER betreft in eerste instantie het bestemmingsplangebied. Omdat sommige milieueffecten ook buiten het bestemmingsplangebied kunnen plaatsvinden, ligt een deel van het onderzoeksgebied ook buiten het plangebied. Als voorbeeld: door de toename van vee op een veehouderijbedrijf is er mogelijk sprake van een toename van de emissie van ammoniak. Door deze toename van de emissie kan er sprake zijn van negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Deze negatieve effecten kunnen ook op grote afstand van het betreffende veehouderijbedrijf, dus ook buiten het bestemmingsplangebied, plaatsvinden. Het bestemmingsplan wordt in beginsel voor een periode van tien jaar vastgesteld. Met de afschaffing van de actualiseringsplicht van bestemmingsplannen is het mogelijk dat het bestemmingsplan een langere looptijd heeft dan 10 jaar. Gezien de komst van de nieuwe Omgevingswet en de omschakeling naar Omgevingsplannen, evenals de fusie van Geldermalsen met de gemeenten Neerijnen en Lingewaal per 1 januari 2019, is de verwachting dat dit bestemmingsplan binnen de komende 10 jaar herzien zal worden. Naar aanleiding hiervan betreft ook de onderzoeksperiode voor het MER een periode van tien jaar. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan in 2019 wordt vastgesteld. Hiermee is het zogenoemde 'zichtjaar' 2029.
1.4
Leeswijzer
Na de inleiding in dit hoofdstuk volgen de andere hoofdstukken van dit rapport in hoofdlijnen de inhoudelijke eisen aan het MER, zoals die zijn opgenomen in artikel 7.7 van de Wm. Dit betekent dat in beginsel in hoofdstuk 2 het voornemen is uiteengezet. Dit wordt in hoofdstuk 5 uitgebreid met het uitvoerbare alternatief, bij opstelling van het ontwerp bestemmingsplan. In hoofdstuk 3 is een overzicht van de vastgestelde wet- en regelgeving en het vastgestelde beleid opgenomen zoals dat van toepassing is op de activiteiten zoals voorzien in het voornemen en het uitvoerbare alternatief. Een omschrijving van de referentiesituatie en een globale, kwalitatieve beschrijving van de mogelijke milieueffecten van het voornemen zijn uiteengezet in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 4 is ook een overzicht van de mogelijke maatregelen om belangrijke nadelige gevolgen op het milieu te voorkomen of te beperken opgenomen, evenals een overzicht van de zogenoemde “leemten in de kennis”. In hoofdstuk 5 is de uitvoerbaarheid wat betreft de beperking van de ammoniakemissie in relatie tot de oppervlakte uitbreiding agrarische bedrijven beschreven. In hoofdstuk 6 is een alternatief beschreven. Ten slotte zijn in hoofdstuk 7 de conclusies en het advies opgenomen over de wijze waarop de resultaten van
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
het planMER in het bestemmingsplan Buitengebied kunnen worden verwerkt. Verder is in dit hoofdstuk aandacht besteed aan de evaluatie van dit planMER.
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
2
Voornemen en alternatieven 2.1
Inleiding
In dit hoofdstuk zijn de volgende inhoudelijke eisen aan het MER op grond van artikel 7.7, lid 1 van de Wm uiteengezet: a.
‘een beschrijving van hetgeen met de voorgenomen activiteit wordt beoogd;
b.
een beschrijving van de voorgenomen activiteit, alsmede de alternatieven daarvoor, die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen, en de motivering van de keuze voor de in beschouwing genomen alternatieven’.
In paragraaf 2.2 is een omschrijving van het voornemen opgenomen. Het voornemen betreft het nieuwe ontwerpbestemmingsplan buitengebied. 2.1.1 M.E.R.-(beoordelings)plichtige activiteiten Door het mogelijk maken van de volgende activiteiten is het bestemmingsplan kaderstellend voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten: 1.
De wijziging of uitbreiding van een veehouderij (onderdeel C14 en D14)
Bouwvlak bij recht
- Alle agrarische bedrijven hebben bij recht een bouwvlak van circa 1 ha, conform bestaand, met de beperking dat het bouwen van stallen alleen mogelijk is als de stikstofdepositie vanuit het bedrijf op maatgevende stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet toeneemt (en er dus geen significante gevolgen zijn, - Geen nieuwvestiging van veehouderijen mogelijk en geen uitwisseling tussen grondgebonden en niet grondgebonden. - Geen nieuwe intensieve neventak bij grondgebonden bedrijven.
Uitbreiding bouwvlak
- Grondgebonden agrarische bedrijven: Vergroting bouwperceel 1 ha naar max. 2 ha via wijzigingsbevoegdheid, mits de stikstofdepositie niet toeneemt. - Kuilvoerplaten direct aansluitend aan het bouwvlak tot maximaal 2.000 m². - Niet grondgebonden veehouderij: In het voorontwerpbestemmingsplan was sprake van een uitbreiding van 500 m² eens in de vijf jaar. In het ontwerp bestemmingsplan is dit teruggebracht naar 0 m2 omdat gemeente geen beleidsregels heeft zoals bedoeld in het Plussenbeleid. - Het gebruik van meer dan 1 bouwlaag in een bedrijfsgebouw ten behoeve van het stallen van dieren is in de planregels verboden.
Verdere vergroting Nieuwvestiging
- N.v.t. en
- N.v.t.
verplaatsing
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
Bouwregels
- Bouwhoogte bedrijfsgebouwen 10 m bij recht. - Bij afwijking tot 13 m hoog, waarbij veestallen uitsluitend met een hogere bouwhoogte mogen worden gebouwd indien dit door toepassing van een specifiek stalsysteem vanuit het oogpunt van hoger dierenwelzijn of voor de plaatsing van melkrobots noodzakelijk is. - Tweede bedrijfswoning via afwijking mogelijk. - Paardenbakken bij recht mogelijk binnen een afstand van 40 m van de (bedrijfs)woning op basis van de algemene gebruiksregels. - Bij afwijking mestvergister binnen bouwvlak tot 10 m hoog, uitsluitend binnen de bestemming Agrarisch. - Afwijking voor zonnepark van maximaal 0,5 ha op of aansluitend aan het bouwvlak. - Afwijking voor de bouw van schuilstallen en veestallen buiten het bouwvlak, mits de inhoud van de stal niet meer bedraagt dan 100 m³ en de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 m. - Teeltondersteunende voorzieningen zijn binnen het bouwvlak toegestaan. - Teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak uitsluitend bij bestaande fruitteelt in de vorm van boomgaarden, waarbij de vastverankerde palen en constructies van die voorzieningen het hele jaar rond aanwezig mogen blijven, waarbij de oppervlakte niet meer mag bedragen dan de aanwezige boomgaard, tot maximaal 10 m hoog. Bij het toelaten van nieuwe fruitboomgaarden worden ook teelt ondersteunende voorzieningen toegestaan.
Binnen de bestemming ‘Agrarisch’ en de aanduiding 'specifieke vorm van agrarische - uiterwaard' binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden Landschapswaarden', zijn nieuwe boomgaarden alleen via een afwijking toegelaten (met een maximum van 5 ha en niet ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - open landschap'). Voor nieuwe boomgaarden geldt een generieke afstand van 40 m tot nader benoemde gevoelige bestemmingen, deze afstand kan verkleind worden tot 20 m, afhankelijk van de driftreductie. - Kassen zijn niet toegestaan binnen de bestemming Agrarisch en binnen de bestemming Agrarisch met waarden – landschap uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘glastuinbouw’.
Functiewijziging
Zie onder ‘4. De uitbreiding of wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject (D11.2)’.
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
M.e.r.-beoordeling Op grond van de gewenste uitbreidingsmogelijkheden voor veehouderijen is het bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig (onderdeel C 14 en D 14). Het accent in de effectbeoordeling zal dan ook vooral de veehouderij betreffen. Echter, uitbreidingen van bebouwing ten behoeve van de akkerbouw of andere functies kunnen ook negatieve milieueffecten genereren, bijvoorbeeld ten aanzien van landschap en het waterbergend vermogen van de grond. Voor deze milieuaspecten zullen daarom ook de bebouwingsmogelijkheden die niet voor de veehouderij bedoeld zijn, worden meegenomen. 2.
De wijziging of uitbreiding van een glastuinbouwgebied (onderdeel D9)
Kassen
- Kassen binnen de aanduiding ‘glastuinbouw’ in de bestemming Agrarisch met waarden – Landschapswaarden, maximaal 10 m hoog. - Uitbreiding van de aanduiding ‘glastuinbouw’ in de bestemming Agrarisch met waarden – landschapswaarden, niet meer dan 20% van de bestaande glasopstand.
Nieuwvestiging
- N.v.t.
M.e.r.-beoordeling De m.e.r.-drempel ten aanzien van glastuinbouw ligt bij de vestiging van een glastuinbouwgebied van 50 ha of meer (onderdeel D 9). In het bestemmingsplan Buitengebied is daarvan geen sprake. De verwachting is dat de mogelijkheden bij recht voor teelt ondersteunende kassen binnen het agrarisch bouwperceel, evenals de uitbreidingsmogelijkheden, geen negatief effect voor het milieu – vooral voor het landschap – zullen hebben, zeker niet in relatie tot de ontwikkelingen die binnen de veehouderij en akkerbouw mogelijk zijn. De mogelijkheden bij recht en de uitbreidingsmogelijkheden zijn bij de effectbeoordeling betrokken. 3.
De wijziging of uitbreiding van een recreatieterrein (onderdeel D10)
Kleinschalig kamperen
- Via afwijking kleinschalig kamperen, tot 25 kampeermiddelen, binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden – landschapswaarden’ bij woningen of agrarische bedrijven.
Bed & breakfast
- Bij recht mogelijk binnen de agrarische bestemmingen tot maximaal drie eenheden, binnen de bestaande bebouwing, tot een oppervlakte van maximaal 150 m². - Bij recht mogelijk bij woningen binnen de andere bestemmingen tot maximaal drie eenheden, binnen de bestaande bebouwing, tot een oppervlakte van maximaal 50 m².
Bestaande verblijfsre-
- N.v.t., geen uitbreidingsmogelijkheid opgenomen.
creatieterreinen
M.e.r.-beoordeling De aanleg, wijziging of uitbreiding van permanente kampeerterreinen is m.e.r. plichtig (onderdeel D 10) bij een oppervlakte van 25 ha of meer of 10 ha of meer
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
in een gevoelig gebied. Hoewel het in het bestemmingsplan Buitengebied gaat om de aanleg en uitbreiding van kleinschalige kampeerterreinen (tot 25 kampeermiddelen) en er beperkingen gelden voor bepaalde gebieden zullen de kleinschalige kampeerterreinen in de effectbeoordeling toch meegenomen worden voor de thema’s landschap, cultuurhistorie en natuur. 4.
De uitbreiding of wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject (D11.2)
Functiewijziging
- Functiewijziging naar wonen, niet agrarische bedrijvigheid en hergebruik van vrijgekomen agrarische bebouwing via een wijzigingsbevoegdheid mogelijk
Nieuwe woningen
- Maximaal 3 extra woningen, afhankelijk van het gesloopte oppervlak voormalige bedrijfsbebouwing
Niet-agrarische bedrijvigheid
- Uitbreiding van de bedrijfsgebouwen van aan het buitengebied gebonden niet-agrarische bedrijven ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - aan het buitengebied gebonden' (incl. voormalige agrarische bebouwing) binnen bouwperceel bij afwijking tot ten hoogste 20% tot maximaal 500 m². - Uitbreiding van de bedrijfsgebouwen van niet aan het buitengebied gebonden niet-agrarische bedrijven ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - niet aan het buitengebied gebonden' tot 10% tot maximaal 350 m².
M.e.r.-beoordeling Op basis van het bovengenoemde kunnen voormalige agrarische bedrijfswoningen worden gebruikt voor wonen. Hiermee neemt het aantal woningen niet toe. Wel biedt de regeling de mogelijkheid om een tot drie woningen toe te voegen, mits voldoende voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. De realisatie van een woning is een activiteit die tevens op de D-lijst van het besluit m.e.r. voorkomt (D 11.2). In alle gevallen is de toevoeging van een woning gekoppeld aan het beëindigen van de (agrarische) bedrijfsactiviteit. De effecten van het beëindigen van een agrarisch bedrijf zijn ten aanzien van de effecten op natuur, landschap en andere milieuaspecten altijd positiever dan het oprichten van een woning. De functiewijziging naar wonen zal daarom niet in de effectbeoordeling worden betrokken. Hetzelfde kan worden gezegd bij functiewijziging van een agrarisch bedrijf naar een bedrijf dat naar aard en omvang ruimtelijk, milieuhygiënisch en verkeerskundig inpasbaar is. In zekere zin zijn de emissies van geluid, licht en vervuilende stoffen afkomstig van agrarische bedrijven hoger of vergelijkbaar met de niet-agrarische bedrijvigheid die is toegestaan. Het valt dus niet te verwachten dat deze ontwikkelingen wezenlijke effecten op het milieu zullen genereren, zeker niet in relatie tot de mogelijkheden die geboden worden op het gebied van de landbouw.
Ze zullen daarom niet in de effectbeoordeling worden betrokken.
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
2.2
Voornemen
Een beherend bestemmingsplan betekent dat het plan een actuele planologische regeling van de bestaande situatie bevat. Bestaande rechten en plichten uit de geldende regeling worden zoveel mogelijk overgenomen en waar nodig aangepast aan de eisen en wensen van deze tijd. Via flexibiliteitsbepalingen worden bepaalde ontwikkelingen mogelijk gemaakt. 2.2.1 Omschrijving Zoals opgemerkt, is het bestemmingsplan er vooral op gericht de bestaande situatie in het plangebied te behouden en te versterken en is het hiervoor noodzakelijk dat het bestemmingsplan ook mogelijkheden biedt voor ontwikkelingen. Dit betreffen op basis van bovenstaande beschrijving van de M.E.R.(beoordelings)plichtige activiteiten de hierna uiteengezette (voor het planMER belangrijke) ontwikkelingen. BESTEMMING AGRARISCH EN AGRARISCH MET WAARDEN - LANDSCHAPSWAARDEN In het voorontwerpbestemmingsplan zijn de volgende ontwikkelingsmogelijkheden opgenomen, die relevant zijn voor het planMER: –
Per agrarisch bouwvlak is een grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan. Het bouwvlak is ca 1 ha. Gebouwen zijn toegelaten binnen het bouwvlak. Kassen zijn niet toegestaan, tenzij de aanduiding ‘glastuinbouw is opgenomen. Bij wijziging kan het bouwvlak van grondgebonden agrarische bedrijven worden vergroot, waarbij de oppervlakte van het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 2 ha; Deze oppervlakte sluit aan op de maatvoering in de voormalige gemeenten Neerijnen en Lingewaal, waarmee gemeente Geldermalsen samen de gemeente West-Betuwe vormt. De breedte van het bouwvlak langs de weg mag niet meer bedragen dan 150 m.
Veehouderij –
Grondgebonden agrarische veehouderijbedrijven zijn alleen toegestaan daar waar aangeduid als 'specifieke vorm van agrarisch - grondgebonden veehouderij' of 'specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij'.
–
Gebouwen zijn toegelaten binnen het bouwvlak. Kassen zijn niet toegestaan tenzij de aanduiding ‘glastuinbouw’ binnen de bestemming ‘agrarisch met waarden - landschapswaarden’ is opgenomen. Bij wijziging kan het bouwvlak worden vergroot, waarbij de oppervlakte van het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 2 ha. De breedte van het bouwvlak langs de weg mag niet meer bedragen dan 150 m. Strijdig gebruik is het houden van dieren op andere bouwlagen dan de begane grond. Voor wat betreft stikstofdepositie wordt verwezen naar het kopje ‘Stikstofdepositie’.
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
–
Niet-grondgebonden veehouderijen zijn alleen toegestaan daar waar aangeduid. Gebouwen zijn toegelaten binnen het bouwvlak. Een nietgrondgebonden veehouderij kan niet uitbreiden, ook niet binnen het bouwvlak. Strijdig gebruik is het houden van dieren op andere bouwlagen dan de begane grond, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen van gebouwen gebruikt mogen worden. Voor wat betreft stikstofdepositie wordt verwezen naar het kopje ‘Stikstofdepositie’.
Boomkwekerijen en fruitteelt –
Boomkwekerijen en fruitteelt zijn toegelaten: –
Binnen Agrarisch met waarden is bestaande boomteelt- en bestaande en nieuwe fruitteelt toegestaan. Onder voorwaarden is nieuwe fruitteelt middels afwijking ook binnen uiterwaarden toegelaten.
–
Binnen de bestemming Agrarisch is uitsluitend de bestaande fruitteelt in de vorm van boomgaarden en boom- en heesterkwekerijen toegestaan. Bij afwijking zijn eveneens nieuwe fruitteelt boomgaarden toegelaten, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – open landschap’.
Glastuinbouw –
Glastuinbouwbedrijven mogen uitbreiden binnen de aanduiding ‘glastuinbouw’ in de bestemming Agrarisch met waarden – landschapswaarden, waarbij de vergroting mag niet meer bedragen dan 20% van de bestaande glasopstand. De vergroting mag eenmalig worden toegepast.
Teeltondersteunende voorzieningen –
Teeltondersteunende voorzieningen binnen het bouwvlak.
–
Teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak uitsluitend bij bestaande fruitteelt in de vorm van boomgaarden, waarbij de vastverankerde palen en constructies van die voorzieningen het hele jaar rond aanwezig mogen blijven en de oppervlakte niet meer mag bedragen dan de aanwezige boomgaard, tot maximaal 10 m hoog.
Bij het toelaten van
nieuwe fruitboomgaarden worden ook teelt ondersteunende voorzieningen toegestaan. Binnen de bestemming ‘Agrarisch’ en de aanduiding 'specifieke vorm van agrarische - uiterwaard' binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden', zijn nieuwe boomgaarden alleen via een afwijking toegelaten (met een maximum van 5 ha en niet ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - open landschap'). –
Er is een afwijking op genomen voor opslag van baggerspecie in (tijdelijke) weilanddepots. Op basis van de afwijking is dit niet toegestaan in het GNN en Groene ontwikkelingszone, noch in de uiterwaarden.
Bouwen buiten bouwvlak –
Bij afwijking is de bouw van schuilstallen en veestallen ten behoeve van een agrarisch bedrijf buiten het bouwvlak, waarbij de oppervlakte van de
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
stal niet meer bedraagt dan 100 m³ en de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 m. Bij afwijking is de bouw van zonneparken mogelijk binnen het bouwvlak of
–
direct aansluitend aan het bouwvlak, waarbij de oppervlakte van het zonnepark niet meer mag bedragen dan 0,5 ha. Bij een (bedrijfs)woning is een paardenbak toegestaan.
–
Mestvergister Bij afwijking wordt een mestvergister toegestaan binnen het bouwvlak,
–
waarbij uitsluitend mest van het eigen bedrijf mag worden vergist en de opgewekte energie uitsluitend mag worden gebruikt ten behoeve van het eigen bedrijf. Bed and breakfast Bed and breakfast is toegestaan in een (bedrijfs)woning of aangebouwd
–
bijgebouw behorende bij de (bedrijfs)woning, mits de maximale vloeroppervlakte mag niet meer bedragen dan 50 m². Op basis van deze ontwikkelingen biedt het bestemmingsplan Buitengebied het kader voor activiteiten waarbij mogelijk sprake is van een overschrijding van de in onderdeel C en D van het Besluit MER opgenomen “drempelwaarden” (C14, C18.4, D14, D18.1-7 Bijlage besluit MER). De mogelijke overschrijdingen hangen samen met de ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven. Het onderzoek van het plan-m.e.r. is in het bijzonder gericht op het beoordelen van de milieueffecten van de activiteiten binnen deze ontwikkelingsmogelijkheden. STIKSTOFDEPOSITIE in het bestemmingsplan is een maatregel opgenomen om te garanderen dat geen negatieve effecten in Natura 2000-gebieden optreden en dan met name ten aanzien van de stikstofdepositie ten gevolge van veehouderijen. Hiertoe is een regel opgenomen, die bestaat uit het volgende:
de ammoniakemissie mag per bedrijf niet meer bedragen dan in de huidige situatie;
Deze regel is opgenomen in het voorontwerpbestemmingsplan en daarmee onderdeel van het voornemen. De uitvoerbaarheid van bovenstaande regeling is berekend, waaruit blijkt dat binnen de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, nog uitbreidingsruimte voor agrarische bedrijven aanwezig is, mits gebruik wordt gemaakt van realisatie van modernere stallen met een lage emissiefactor. Het planMER omvat tevens de voortoets in het kader van de Wet Natuurbescherming, ten aanzien van Natura 2000-gebieden. Deze is opgenomen in paragraaf 4.2.8 onder 1.
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
MESTVERGISTING Bij de agrarische bedrijven zijn mestvergistinginstallaties op bedrijfsniveau toegestaan binnen het bouwvlak. In algemene zin zijn de co-vergistingsinstallaties ingedeeld in vier categorieën. Deze indeling is gebaseerd op de mate waarin transportbewegingen plaatsvinden en de mate waarin sprake is van een koppeling met het 'eigen' bedrijf. De categorieën A, B en C worden beschouwd als een bedrijfseigen activiteit passend bij en gebonden aan een agrarische bestemming. Vóór de wijziging van het Besluit m.e.r. op 1 april 2011 waren in onderdeel C en D van het besluit 'drempelwaarden' voor biomassavergistingsinstallaties opgenomen. Na de wijziging is deze activiteit niet langer m.e.r.(beoordelings)-plichtig. In bijlage 4 van het MER is een algemene paragraaf mestvergisting opgenomen. Hierin wordt nader gemotiveerd waarom de effecten van mestvergistingsinstallaties die gerealiseerd kunnen worden binnen de kaders van dit bestemmingsplan, ondergeschikt zijn aan effecten die kunnen optreden als gevolg van de veehouderij. KLEINSCHALIG KAMPEREN Onder voorwaarden is in het buitengebied kleinschalig kamperen mogelijk bij woningen en agrarische bedrijven binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden – landschapswaarden’ op basis van een afwijkingsbevoegdheid.
Uitgaande van ongeveer 104 bouwvlakken in de bestemming ‘Agrarisch met waarden – landschapswaarden’ (bron ontwerpbestemmingsplan), gaat het in een worstcasescenario om maximaal 104 minicampings die kunnen worden opgericht, verspreid over het plangebied, met elk een maximum aantal kampeermiddelen van 25. Wanneer ook de afwijkingsbevoegdheid voor minicampings bij burgerwoningen wordt mee gerekend, dan komen daar ongeveer 355 woonbestemmingsvlakken bij. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning kan de gemeente nadere eisen stellen aan de landschappelijke inpassing. Bovendien dient het kleinschalige kampeerterrein, inclusief de bijbehorende parkeervoorzieningen, binnen of direct aansluitend aan het bouwvlak te worden gerealiseerd. Een grote landschappelijke impact wordt om die reden niet verwacht. Uitgaande van circa 2,5 extra ritten per 10 standplaatsen betekent dit circa 650 ritten/etmaal over het gehele plangebied voor de agrarische bouwvlakken in de bestemming ‘Agrarisch met waarden – landschapswaarden’. Wanneer ook de afwijkingsbevoegdheid voor minicampings bij burgerwoningen wordt mee gerekend, dan komen daar ongeveer 2.219 verkeersbewegingen bij. Voor de extra depositie van NOx en de geluidsbelasting van wegen, verspreid over het gehele plangebied, is dit een te verwaarlozen hoeveelheid.
Daar komt bij dat de kampeermiddelen op of direct aangrenzend aan het bouwperceel dienen te worden geplaatst. Gemeenschappelijke voorzieningen als sanitair dienen binnen het
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
bouwvlak te worden gerealiseerd. Dat betekent voor agrarische bedrijven, dat deze ruimte dus niet kan worden benut voor stalling van vee. Ten aanzien van stikstofdepositie is een worstcasescenario met mini-campings dus gunstiger dan een worstcasescenario met uitbreiding van de veehouderij. In de regels van het bestemmingsplan is opgenomen dat er sprake dient te zijn van een goede landschappelijke inpassing. Indien deze locaties dicht tegen waardevolle natuurgebieden aan zijn gelegen, kunnen ze in theorie wel in beperkte mate negatieve effecten veroorzaken op verstoringsgevoelige fauna. In het hoofdstuk natuur komen deze aspecten aan de orde. OVERIGE NEVENACTIVITEITEN EN FUNCTIEVERANDERING De milieueffecten van de overige nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven zijn naar verwachting erg klein. In geval van functieverandering zal er doorgaans sprake zijn van een vermindering van de milieubelasting ten opzichte van de milieubelasting ten gevolge van de agrarische activiteit. Kortom, de milieueffecten van de activiteiten binnen de andere ontwikkelingsmogelijkheden van het bestemmingsplan Buitengebied (op grond van de bestemming ‘Bedrijf’, ‘Recreatie’, en dergelijke) worden als te verwaarlozen geacht, ook in samenhang (met andere woorden: ook de schaal waarop de effecten elkaar versterken of verzwakken wordt als te verwaarlozen geacht).
De milieueffecten van deze activiteiten zijn dan ook niet verder in het onderzoek overwogen. Daarbij moet bij alle afwijkings- en wijzigingsmogelijkheden worden opgemerkt dat naar verwachting maar in enkele situaties gebruik gemaakt zal (en kan) worden van deze mogelijkheden. 2.2.2 Uitwerking Voor het bestemmingsplan moeten in het planMER de milieueffecten van de minst gunstige situatie (de “worst case” situatie) worden bepaald. De ontwikkelingsmogelijkheden op grond van het voorontwerpbestemmingsplan en het uitgangspunt dat de milieueffecten van de “worst case” situatie bepaald moeten worden in overweging nemende, is het voornemen op basis van de volgende uitgangspunten uitgewerkt: –
De agrarische bouwvlakken van grondgebonden agrarische bedrijven worden vergroot bij wijziging tot 2 ha. Dit is niet toegestaan voor een glastuinbouwbedrijf ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw' of een nietgrondgebonden veehouderij, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij'. Uitbreiding van de
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
veestapel is alleen mogelijk als dit niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie op de maatgevende stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Niet-grondgebonden veehouderij kan niet uitbreiden
– –
Glastuinbouwbedrijven mogen uitbreiden binnen het bouwvlak, binnen de aanduiding ‘glastuinbouw, waarbij de vergroting mag niet meer bedragen dan 20% van de bestaande glasopstand. De vergroting mag eenmalig worden toegepast’. Uitbreiding is alleen mogelijk als dit niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie op de maatgevende stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden
Om misverstanden te voorkomen wordt opgemerkt dat het voornemen in het voorliggende planMER wordt uitgewerkt op basis van het conceptontwerpbestemmingsplan. De ontwikkelingsruimte van de agrarische bedrijven is in het voornemen beperkt 1
aan de hand van een zogenoemde ‘stikstofregel’ waarmee significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden worden voorkomen. De ontwikkelingsruimte voor ieder bedrijf is hiermee de bestaande bedrijfsemissie kg NH3/jr., zoals vermeld in artikel 2.12 het Besluit natuurbescherming. Voor de berekeningen van de milieueffecten van stikstof is in het planMER uitgegaan van de bestaande bedrijfsemissie kg NH3/jr. per agrarisch bedrijf.
2.3
Alternatieven
Voordat er alternatieven voor het voornemen worden uitgewerkt, wordt het wenselijk geacht om inzicht te krijgen in de milieueffecten van het voornemen in zijn meest maximale vorm (worst-case). Op basis van die uitkomsten zal vervolgens worden bepaald of en waar sturing of aanscherping van de ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan nodig is om onwenselijke milieueffecten te voorkomen of te beperken. De alternatieven worden op de volgende manier uitgewerkt: 1.
De milieueffecten van het voornemen worden bepaald.
2.
Op basis van de milieueffecten van het voornemen wordt bepaald waar sturing van de ontwikkelingsmogelijkheden op grond van het bestemmingsplan nodig is om niet-wenselijke milieueffecten te voorkomen of te beperken.
1
Een zogenoemde stikstofregel is opgenomen in de regels van het bestemmingsplan, omdat voor opstellen van dit bestemmingsplan reeds bekend was dat voor het in de gemeente gelegen Natura 2000-gebied de kritische depositiewaarde voor stikstof in de huidige situatie al wordt overschreden. Deze regeling beperkt de stikstofdepositie van agrarische bedrijven.
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
3.
In overleg tussen de gemeente en adviseurs wordt bepaald welke sturing op de ontwikkelingsmogelijkheden mogelijk en wenselijk is.
4.
Op basis hiervan wordt ten minste één alternatief uitgewerkt waarvan niet wenselijke milieueffecten van het voornemen worden voorkomen of wor3
den beperkt . Vervolgens worden de milieueffecten van het alternatief of de alternatieven bepaald. Voor voorliggend planMER is op basis van de milieueffecten van het voornemen bepaald dat geen extra sturing van de ontwikkelingsmogelijkheden op grond van het bestemmingsplan wenselijk zijn. Wat dat betreft is geen alternatief opgesteld. Toch zijn in hoofdstuk 6 2 alternatieven beschreven. Enerzijds ter vergelijk met de regelingen van de fusiegemeenten Lingewaal en Neerijnen, en anderzijds als achtergrondinformatie: –
In het bestemmingsplan buitengebied van de voormalige gemeente Geldermalsen worden de niet-grondgebonden veehouderijen geen uitbreidingsmogelijkheden geboden. In de gemeenten Lingewaal en Neerijnen hebben deze bedrijven wel uitbreidingsmogelijkheden. Gezien de fusie met deze gemeenten per 1 januari 2019 is berekend wat het zou betekenen als de niet-grondgebonden veehouderijen een uitbreidingsmogelijkheid krijgen tot 2 ha. Dit is alleen op de aspecten geur en ammoniak doorberekend. Dit alternatief is opgenomen in hoofdstuk 6 en is niet opgenomen in het voornemen.
–
Verder is een berekening gemaakt van de stikstofdepositie, als de stikstofmaatregel niet zo zijn opgenomen. Dit is opgenomen hoofdstuk 6. Dit brengt in beeld wat het effect zou zijn op stikstofdepositie in Natura 2000 gebieden in geval de stikstofregeling niet in het bestemmingsplan zou zijn opgenomen. Tegelijkertijd is met die berekening de uitbreidingsruimte beoordeeld van de verschillende bedrijven, zonder toename van de ammoniakdepositie, dit is opgenomen in hoofdstuk 5 en bijlage 7.
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
3
Wet- en regelgeving In dit hoofdstuk wordt invulling gegeven aan de inhoudelijke eisen aan het MER op grond van artikel 7.7, lid 1, onderdeel c van de Wm: ‘een overzicht van eerder vastgestelde plannen die betrekking hebben op de voorgenomen activiteit en de beschreven alternatieven’. Zoals aangegeven in hoofdstuk 2 is het bestemmingsplan er onder andere op gericht om, onder voorwaarden, het vergroten van bestaande agrarische bouwvlakken mogelijk te maken. Hiermee wordt de ontwikkeling van (intensieve) veehouderijbedrijven mogelijk gemaakt. De mogelijkheden voor de ontwikkeling van deze bedrijven worden vooral bepaald door: -
Wet Natuurbescherming
-
Wet ammoniak en veehouderij
-
Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij
-
Wet geurhinder en veehouderij
-
Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028
-
Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013
Hierna is een samenvatting van deze wet- en regelgeving en het beleid opgenomen. Ander, meer sectoraal, beleid is opgenomen bij de desbetreffende milieuthema's.
3.1
Regelgeving natuurbescherming
WET NATUURBESCHERMING Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb betreft zowel soortenbescherming (voorheen Flora- en faunawet) als bescherming van (Europese) natuurgebieden (voorheen Natuurbeschermingswet 1998). De soortenbescherming is gericht op het beschermen en het behouden van de goede staat van instandhouding van in het wild levende plant- en diersoorten en hun directe leefomgeving. De gebiedsbescherming is gericht op het beschermen van (natuur)gebieden. Deze natuurgebieden betreffen onder andere de zogenoemde “Speciale Beschermingszones” op grond van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Samen worden deze zones aangeduid als het “Natura 2000 netwerk”.
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
Op grond van de Wnb moet wanneer er bij ontwikkelingen sprake is van een “significant (negatief) effect” op een Natura 2000-gebied een zogenoemde “passende beoordeling” worden uitgevoerd.
3.2
Regelgeving veehouderij
WET AMMONIAK EN VEEHOUDERIJ Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav is er op gericht de zogenoemde ammoniakemissie van veehouderijbedrijven in een zone van 250 m rondom zogenoemde kwetsbare gebieden (Wavgebieden) te beperken. In beginsel mogen in deze Wav-gebieden en de zone van 250 m geen nieuwe veehouderijbedrijven gevestigd worden. Op bestaande veehouderijbedrijven in een Wav gebied of binnen de zone van 250 m is een ten hoogste toegestane ammoniakemissie(ammoniakplafond) van toepassing. In het plangebied liggen twee kleinere gebieden die worden beschermd tegen neerslag van ammoniak door de Wet ammoniak en veehouderij (Wav). BESLUIT EMISSIEARME HUISVESTING Op 1 augustus 2015 is het Besluit emissiearme huisvesting (Beh) in werking getreden. Op grond van het Beh mogen veeplaatsen, waarvoor zogenoemde emissiearme huisvestingsystemen beschikbaar zijn, een ten hoogste in het Beh opgenomen fijn stof- en ammoniakemissie hebben. WET VERANTWOORDE GROEI MELKVEEHOUDERIJ (MELKVEEWET) Op 1 januari 2015 is de Wet verantwoorde groei melkveehouderij (Melkveewet) in werking getreden. Deze wet bepaalt dat groei van de melkveehouderij uitsluitend mogelijk is op voorwaarde dat het bedrijf voldoende grond in gebruik heeft om de extra fosfaatproductie geheel te kunnen plaatsen dan wel dat de extra fosfaatproductie in zijn geheel wordt verwerkt.
Het gaat hierbij om een verantwoorde afzet van dierlijke mest. WET GRONDGEBONDEN GROEI MELKVEEHOUDERIJ De Wet grondgebonden groei melkveehouderij is per 1 januari 2018 in werking getreden. Deze wet bepaalt dat de groei van de melkveehouderij enkel mogelijk is indien sprake is van een bepaalde mate van grondgebondenheid. Doel van de wet is het grondgebonden karakter van de melkveehouderij te behouden en te versterken. Grondgebondenheid kan een bijdrage leveren aan een duurzame toekomst van de melkveehouderij. Voor bedrijven met melkvee bevat de wet de
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
verplichting de groei van de fosfaatproductie die plaatsvindt en heeft plaatsgevonden na 2014 deels te verantwoorden met een uitbreiding van de hoeveelheid grond die bij het bedrijf in gebruik is. FOSFAATRECHTENSTELSEL Aan de hiervoor genoemde ontheffing voor de gebruiksnorm voor stikstof uit dierlijke mest van 170 kg/N/ha is de voorwaarde verbonden dat de mestproductie – in termen van stikstof en fosfaat – het niveau van 2002 (172,9 miljoen kg per jaar) niet mag overstijgen, het zogenaamde mestproductieplafond. Mede naar aanleiding van het vervallen van de Europese melkquotering per 1 april 2015 is de mestproductie in de melkveehouderij echter fors toegenomen. Om te borgen dat de Nederlandse veehouderij onder het productieplafond produceert, is per 1 januari 2018 een nieuw fosfaatrechtenstelsel in het leven geroepen. Melkveebedrijven hebben een hoeveelheid fosfaatrechten toegekend gekregen op basis van het aantal gehouden koeien op 2 juli 2015 (de datum waarop het stelsel werd aangekondigd). De fosfaatrechten zijn verhandelbaar. Boeren die meer koeien willen houden, zullen daarvoor rechten moeten kopen van melkveehouders die hun veestapel inkrimpen of hun bedrijf beëindigen. WET GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Op grond van de Wgv is ter plaatse van geurgevoelige objecten (zoals woningen)
een
maximale
geurbelasting
vanwege
dierverblijven
van
veehouderijbedrijven toegestaan. De waarde van deze maximaal toegestane geurbelasting wordt uitgedrukt in zogenoemde odeur units (ou). Voor een aantal diersoorten, zoals melkrundvee, zijn geen waarden opgenomen maar afstanden. Tussen de stalgebouwen van deze diersoorten en een geurgevoelig object moet ten minste deze afstand gewaarborgd worden. Op grond van de Wgv kan door een gemeente eigen beleid worden opgesteld om de in de wet opgenomen ruimte verder uit te werken. Hiermee is het voor een gemeente mogelijk om gebiedsgericht geurbeleid op te stellen.
3.3
Regelgeving luchtkwaliteit
De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 (titel 5.2) van de Wet milieubeheer (Wm). Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in besluiten (AMvB's) en ministeriële regelingen. De kern van titel 5.2 Wm bestaat uit luchtkwaliteitsnormen, gebaseerd op de Europese richtlijnen. Verder bevat titel 5.2 van de Wm basisverplichtingen vanwege Europese richtlijnen, namelijk: het beoordelen van luchtkwaliteit, rapporta-
MER bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen - 4 oktober 2019
ge en maatregelen. De maatregelen worden in Nederland vooral in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) vastgelegd. Fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn de belangrijkste stoffen in de luchtkwaliteitsregelgeving. De regels en grenswaarden voor luchtkwaliteit staan in de Wet milieubeheer (Wm), titel 5.2: luchtkwaliteitseisen. Artikel 5.16 lid 1 van de Wm geeft aan wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Het bevoegde bestuursorgaan moet dan aannemelijk maken, dat het project aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet: –