CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

RV2021-045 Bijlage 1 Dijkversterking Tiel - Waardenburg_Toelichting.pdf

Gemeenteraad 28 september 2021, gemeente West BetuweBij agendapunt: 19: Instemmen nota van zienswijze en gewijzigd vaststellen bestemmingsplan “Dijkversterking Tiel-Waardenburg”29.862 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Meekoppelkansen

Wens/Thema

Uitwerking

Partner

Synergie tussen woningbouwlocaties en dijkversterking

Molenblok te Varik

Gemeente West Betuwe

Slingerbos te Ophemert Verbeteren van de verkeersveiligheid op de Gastvrije Waaldijk: 't lange lint dijk (wegprofiel) Extra parkeermogelijkheden tussen de dorpen Herstellen en bevorderen van de verbinding Gastvrije Waaldijk; inrichting van tussen de dorpen en de rivier en de rustpunten of brandpunten uiterwaarden

Waterschap, provincie en gemeenten Gemeente West Betuwe Waterschap, provincie en gemeenten

Dorpsboulevard Neerijnen/Opijnen/ Heesselt/Varik/Ophemert

Gemeente West Betuwe

Terugbrengen en herstellen dijktrappen en dijktoegangen. Verhogen van de veiligheid door ruimte te maken voor fietsers en wandelaars ter hoogte van zo'n aansluiting.

Gemeente West Betuwe en Tiel

Toeristisch/recreatief brandpunt Zennewijnen

Gemeente Tiel

Vanwege de sterke ruimtelijke impact wordt de Gastvrije Waaldijk nader toegelicht in paragraaf 4.1.4.1.

Dijkversterking Tiel - Waardenburg Pagina 25 van 76

4.1.4.1 Gastvrije Waaldijk De Gastvrije Waaldijk richt zich op het ontwikkelen van een veilige verkeersfunctie en recreatieve inrichting van de hele noordelijke Waaldijkroute tussen Gorinchem tot voorbij Nijmegen. De herinrichting wordt gekoppeld aan de zes dijkversterkingsprojecten die op deze route plaatsvinden. In deze projecten ,waaronder dijkversterking Tiel-Waardenburg, wordt de kruin van de dijk volgens de eenduidige principes van de Gastvrije Waaldijk ingericht. De weg wordt rustig, eenvoudig en samenhangend ingericht, met ruimte voor fietsers, voetgangers en gemotoriseerd verkeer, die uitgenodigd worden om ruimte te bieden aan elkaar. Figuur 4-1 geeft de principe-indeling van de weg weer. De aanwezige verharding wordt over de gehele dijk vervangen, ook voor de delen waar geen hoogteopgave is. Het wegprofiel wordt ingepast binnen de bestaande breedte van de Waaldijk. Op de landgoeddijk bij buitenplaats Waardenburg-Neerijnen wordt de Gastvrije Waaldijk op geheel eigen wijze toegepast. Hier wordt een smalle kruin met halfverharding gehandhaafd. Ook zijn er uitgangspunten voor op- en afgangen van de dijk. Daarnaast worden lokaal rustpunten of brandpunten ingericht met uitzicht op objecten naast de dijk, zoals bruggen, kastelen en redoutes.

De Gastvrije Waaldijk is een initiatief van Waterschap Rivierenland, Provincie Gelderland, ANWB, Gemeente Lingewaard, Gemeente West Betuwe, Gemeente Tiel, Gemeente Nederbetuwe, Gemeente Overbetuwe en Gemeente Nijmegen (OKRA, 2018; 2019; 2020).

Figuur 4-1 Schematische weergav e indeling wegprof iel Gastv rije Waaldijk (indicatief )

Dijkversterking Tiel - Waardenburg Pagina 26 van 76

4.2

Ontwerpuitgangspunten

4.2.1

Principe-oplossingen dijkversterking

Er zijn verschillende oplossingen mogelijk om de veiligheidsopgave op te lossen en de dijkversterking in te passen. Een belangrijk uitgangspunt daarbij is dat dijkversterkingen sober en doelmatig worden opgepakt. Sober betekent dat in de basis alleen maatregelen worden getroffen die noodzakelijk zijn voor de waterveiligheid. Doelmatig betekent dat de kosten voor de dijkversterking en voor beheer en onderhoud gedurende de hele levensduur van de waterkering zo laag mogelijk zijn. Daarnaast wordt bij de inpassing rekening gehouden met de waarden aan de binnenzijde en de buitenzijde van de dijk (zie ook Tabel 4-2). Waterschap Rivierenland heeft een aantal principe-oplossingen voor de dijkversterking ontwikkeld, en hanteert een voorkeursvolgorde voor de toepassing daarvan. Dit beleid is vastgelegd in het document Ontwerpuitgangspunten Primaire Waterkeringen. Belangrijke uitgangspunten zijn: Dijkversterkingen in grond hebben de voorkeur boven constructies; Binnenwaartse dijkversterking heeft de voorkeur boven buitenwaartse dijkversterking, om negatieve rivierkundige effecten en aantasting van natuurwaarden te vermijden. We vatten de principe-oplossingen hieronder samen, beginnend met de oplossingen met de sterkste voorkeur (zie ook figuur 4-2, waarin met de gestippelde lijn telkens het bestaande dijkprofiel is aangegeven).

De ontwerpprincipes zijn gericht op de faalmechanismen hoogte, macrostabiliteit en bekleding.

Figuur 4-2 Schematische weergav e ontwerpprincipes

Binnenwaartse versterkingsoplossing 'in grond' De eerste stap is om per locatie te kijken of een binnenwaartse versterkingsoplossing 'in grond' mogelijk is. Dat gebeurt op basis van het ruimtebeslag van de grondoplossingen die de belangrijkste faalmechanismen oplossen (hoogte, stabiliteit en mogelijk piping) en een beoordeling van de effecten van deze oplossingen. Bij een binnenwaartse versterking in grond wordt de nieuwe dijk in principe vanaf de buitenkruinlijn of buitenteen van de dijk naar binnen toe (aan de landzijde) vormgegeven. Daarbij verschuift de as van de dijk naar binnen toe. Om de ruimtelijke impact te beperken en kosten te besparen, wordt de asverschuiving zo beperkt mogelijk gehouden. Als de taludhelling van het buitentalud flauw genoeg is, kan het buitentalud gehandhaafd blijven en vindt de versterking niet vanaf de bestaande buitenteen, maar vanaf de buitenkruinlijn plaats. Binnenwaarts versterken heeft in principe de voorkeur, omdat hiermee het bestaande dijkprofiel behouden kan blijven en de kosten het laagst zijn indien er geen clusters van

Dijkversterking Tiel - Waardenburg Pagina 27 van 76

bebouwing aan de binnenzijde aanwezig zijn. Daarnaast worden rivierkundige effecten beperkt. Echter, op locaties met woningen of cultuurhistorische waarden langs de binnenzijde van de dijk kan een binnenwaartse versterking sterke negatieve effecten hebben. Buitendijkse versterkingsoplossing 'in grond' Wanneer wordt geconstateerd dat een binnendijkse oplossing niet haalbaar is, dan is de volgende stap om te kijken of een buitendijkse grondoplossing mogelijk is. Een buitenwaartse versterking in grond vindt in principe vanaf de huidige binnenteen van de dijk naar buiten toe (aan de rivierzijde) plaats. Daarbij verschuift de as van de dijk naar buiten toe. Ook hier geldt dat de asverschuiving zo beperkt mogelijk wordt gehouden. Daar waar de dijk dicht bij de rivier de Waal ligt, heeft een buitenwaartse grondoplossing negatieve effecten op de rivierafvoer en dus op de waterstanden, daar wordt dit principe dan ook niet toegepast. Ook kunnen buitendijks gelegen natuurwaarden (habitats met een behoud of uitbreidingsdoelstelling in Natura 2000-gebied) aanleiding zijn om dit principe niet toe te passen. Ruimtebesparende oplossingen Als ook een buitendijkse oplossing niet haalbaar is, kunnen ruimtebesparende oplossingen worden toegepast om de negatieve effecten te beperken. Ruimtebesparende oplossingen zijn bijvoorbeeld stabiliteitsschermen.

Als ook een ruimtebesparende oplossing niet het gewenste resultaat biedt, dan kan een sterk ruimtebesparende oplossing worden toegepast, bijvoorbeeld een zelfstandig waterkerende constructie. Het toepassen van ruimtebesparende, technische oplossingen is over het algemeen duurder, minder flexibel bij toekomstige dijkversterkingen en vergt vaak meer beheer en onderhoud. Combinaties van principe-oplossingen Combinaties van principe-oplossingen kunnen lokaal een uitkomst bieden. Een voorbeeld is een binnenwaartse versterking in grond waaraan een ruimtebesparende constructie wordt toegevoegd ten behoeve van inpassing. Door de combinatie hoeft de berm minder breed uitgevoerd te worden, en de constructie minder zwaar te worden. Deze combinatie kan ook toegepast worden om overgangen tussen verschillende ontwerpoplossingen goed te laten verlopen. En ander voorbeeld is dat bij een ruimtebesparende oplossing stabiliteits- en pipingmaatregelen gecombineerd kunnen worden. Door het scherm op voldoende diepte aan te brengen, dient dit zowel als oplossing voor piping als stabiliteit. Voorgaande oplossingen zijn bedoeld om de opgave voor hoogte, macrostabiliteit en piping op te lossen. Deze bepalen in belangrijke mate de afmetingen van het dijklichaam.

Het ontwerp van de versterkte dijk zoals dat in hoofdstuk 4 van het projectplan Waterwet wordt gepresenteerd geeft ook invulling aan de opgave voor de dijkbekleding, aan specifieke inpassingsvraagstukken en meekoppelkansen. Uitgangspunt is dat het ontwerp op die manier een integrale oplossing is die continuïteit biedt langs het gehele dijktraject, in overeenstemming met het Ruimtelijk Kwaliteitskader. Voor een beschrijving van het ontwerp per dijkvak wordt verwezen naar hoofdstuk 4 van het projectplan Waterwet.

Dijkversterking Tiel - Waardenburg Pagina 28 van 76

4.3

Realisatie en beheer

4.3.1

Realisatie

4.3.1.1 Aanbesteding en planning In 2020 worden de werkzaamheden voor het versterken van de dijk aanbesteed. Dit betekent dat aannemers worden gevraagd in te schrijven en aan te geven op welke wijze de dijkversterking zal worden uitgevoerd en wat de kosten van deze uitvoering zijn. Hiervoor wordt door het projectbureau Tiel-Waardenburg aangegeven wat voor eisen aan het werk en de uitvoering van de werkzaamheden worden gesteld. Verwacht wordt dat de aannemer in het eerste kwartaal van 2021 wordt gecontracteerd. De voorbereidende werkzaamheden, waaronder het opstellen van het uitvoeringsontwerp, worden door de aannemer in de loop van 2021 opgestart. Naast het opstellen van het uitvoeringsontwerp wordt met de aannemer ook een bouwteam gevormd dat het voorlopige ontwerp voor de constructies verder uit zal werken. De realisatie van de dijkversterking zal naar verwachting in het voorjaar van 2022 starten en zal naar verwachting 4 jaar duren. 4.3.1.2 Globale wijze van uitvoeren De dijk van in totaal ca 19,3 km lengte wordt voor ca 9,7 km volledig 'in grond' uitgevoerd, waarvan in totaal ca. 4,9 km binnenwaarts asverschuiving toegepast ca. 4,8 km buitenwaartse asverschuiving en over ca 0,3 km wordt het profiel gehandhaafd. Daarnaast wordt ca.

9,3 km aan ruimtebesparende stabiliteitsvoorzieningen gerealiseerd, waarvan ca 6,3 km in combinatie met een pipingvoorzieningen en ca 0,7 km uitgevoerd als zelfstandige waterkerende constructie (deels versterking van de bestaande). Voor een uitgebreidere omschrijving van de wijze van uitvoering wordt verwezen naar hoofdstuk 5 van het projectplan Waterwet. 4.3.1.3 Bereikbaarheid en hinder De exacte uitvoeringswijze zal door de aannemer worden uitgedacht. Centraal hierin staat efficiëntie en het omgevingsgericht bouwen. De aannemers binnen de aanbesteding wordt onder andere gevraagd een uitvoeringsplan op te stellen met als doel hinder, overlast en schade zoveel mogelijk te beperken. Onderstaand is derhalve slechts een verwachting, het definitieve plan zal door en samen met de aannemer worden opgesteld en met de omgeving worden gecommuniceerd/afgestemd. Als de dijk tijdens de uitvoering wordt ingezet voor aan- en afvoer van materieel en materiaal, dan zal deze tijdelijk niet gebruikt kunnen worden voor doorgaand verkeer. Hiervoor zullen omrijdroutes worden opgesteld en duidelijk worden aangegeven. Er wordt naar gestreefd om bestaande openbaar vervoer verbindingen (bus en pont) zo lang en zo veilig mogelijk in stand te houden. Afsluitingen gelden niet voor bestemmingsverkeer.

Voor de bereikbaarheid van woningen langs de dijk en gebruikers van de uiterwaarden zullen steeds maatwerkafspraken met de bewoners worden gemaakt om de bereikbaarheid te garanderen en de overlast zo veel mogelijk te beperken. Overlast door geluid, trillingen en mogelijk door stof en licht zijn niet te voorkomen tijdens de uitvoering maar zullen zo veel mogelijk worden beperkt. De aannemer wordt gestimuleerd om effectieve maatregelen te treffen om hinder te beperken. De werkzaamheden zullen daartoe worden uitgevoerd tussen 7.00uur en 19.00uur en verlichting zal alleen in de winterperiode worden geplaatst. Met de plaatsing wordt rekening gehouden met woningen en natuurwaarden. Stof overlast zal worden voorkomen door zoveel mogelijk te sproeien in droge perioden en het schoonhouden van wegen. In de constructiezones zullen vooral damwandschermen worden aangebracht. De definitieve keuze van het ontwerp en uitvoeringsmethode wordt samen met de aannemer uitgewerkt, waarbij het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt. Door het opstellen van werkplannen zal hieraan nader inhoud worden gegeven door de aannemer Dijkversterking Tiel - Waardenburg Pagina 29 van 76

en worden omwonenden en belanghebbenden geïnformeerd over de maatregelen. 4.3.2

Beheer

De dijk moet na de dijkversterking goed kunnen worden beheerd. Op basis van het Beheer en onderhoudsplan Waterkeringen zijn de ontwerpuitgangspunten voor de beheervoorzieningen bij dijkversterking TiWa vastgelegd. Het betreft onder meer eisen voor de maximale taludhelling van grastaluds en beheerpaden langs de dijk of op de berm, maar ook zaken als niet waterkerende objecten en groenvoorzieningen. Dit in verband met een goede toegankelijkheid voor onderhoudsmaterieel en hiermee een beheer- en onderhoudbare dijk wordt aangelegd. Aan deze eisen is, ook rekening houdend met andere belangen, zo goed mogelijk voldaan. Belangrijke beheervoorzieningen zijn beheerpaden en beheerafritten. Een beheerpad wordt, afhankelijk van de specifieke situatie, gelegd langs de teen van de dijk of op de berm. Het is niet altijd mogelijk om de gewenste beheersituatie aan te leggen vanwege bestaande waarden, zoals bebouwing. In sommige gevallen zal de (onder aan de dijk liggende) weginfra ook gebruikt worden als beheerstrook. Beheerafritten worden aangelegd om de beheerpaden te ontsluiten, vanaf de kruin en soms via een wegaansluiting of perceelsontsluiting. Beheerafritten worden bij voorkeur tweezijdig ontsloten omdat onderhoudsmaterieel doorgaans niet kan keren op het beheerpad.

Vanwege een betere beheer- en onderhoudbare dijk worden op verschillende locaties de steenbekleding op de buitentaluds vervangen door grastaluds. In verband met een dijkveilig ontwerp worden op verschillende locaties steenbekleding aangebracht/ gehandhaafd op het buitentalud. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij Schaardijken en locaties waar een hoge golfoploop te verwachten zijn. Ook wordt steenbekleding aangebracht op locaties waar opeenhoping van drijfvuil en de hiermee gepaarde schades verwacht worden. In het vergunningenontwerp zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Het uitgangspunt is dat de beheerstrook aan de binnenzijde van de waterkering 5 meter breed is indien een steunberm aanwezig. Tevens is een beheerstrook voorzien van 5 meter langs de binnenteen. De beheerstrook aan de buitenzijde is 4 meter breed en is gesitueerd aan de buitenteen van de dijk. Het binnen- en buitentalud hebben in principe een helling van 1:3 Uitgangspunt in het ontwerp is dat medegebruik op de steunbermen wordt gefaciliteerd, onder voorwaarden en in nader overleg met de eigenaar. Verwachting is dat medegebruik qua investeringskosten kostenneutraal zal uitwerken ten opzicht van een traditionele berm. De beheersstroken zijn meegenomen in de verbeelding van dit bestemmingsplan en vallen onder de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'.

Dijkversterking Tiel - Waardenburg Pagina 30 van 76

Hoofdstuk 5

5.1

Milieu- en omgevingsaspecten

Algemeen

De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkeling van ruimtelijke functies. In dat verband dient bij de afweging van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen te worden onderzocht welke milieuaspecten daarbij een rol (kunnen) spelen. Ter voorbereiding van dit bestemmingsplan zijn daarom onderzoeken uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn noodzakelijk om te kunnen bepalen of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk, dan wel wenselijk zijn.

5.2

M.e.r. en passende beoordeling

5.2.1

Wettelijk kader

Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor, of een besluit neemt over, projecten met grote milieugevolgen een milieueffectrapportage te doorlopen (gesloten spoor). Onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (de 'C-lijst') geeft de aard en omvang van dergelijke projecten. Van andere projecten moet het bevoegd gezag beoordelen of deze projecten belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen hebben (m.e.r.-beoordeling). Deze projecten staan in onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r. (de 'D-lijst'). 5.2.2

Specifiek MER

Op de voorgenomen dijkversterking is het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) van toepassing. In dit besluit is aangegeven in welke gevallen een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. De dijkversterking Tiel-Waardenburg valt onder de volgend m.e.r-categorie: Categorie D3.2: de goedk euring van een Projectplan Waterwet dat de activiteit aanleg, wijziging of uitbreiding van werken inzake k analisering of ter beperking van overstromingen, met inbegrip van primaire waterkeringen en rivierdijken mogelijk maakt. Voor project dijkversterking Tiel-Waardenburg wordt een Project-m.e.r.-procedure in twee stappen doorlopen. Aangezien negatieve effecten door ruimtebeslag en/of stikstofdepositie (aanlegfase) op Natura 2000-gebieden (o.a. de Rijswaard, de Stiftsche uiterwaarden en de Heesseltsche uiterwaarden) op voorhand niet zijn uit te sluiten, geldt ook een noodzaak tot het opstellen van een passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming (in het kader van het Specifiek MER). Op basis van Art. 7.2a, eerste lid, Wet milieubeheer zijn plannen die op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht zijn en waarvoor een passende beoordeling moet worden opgesteld m.e.r.-plichtig. Onder dergelijke plannen wordt o.a. het bestemmingsplan geschaard.

Het opstellen van een passende beoordeling in combinatie met een bestemmingsplanwijziging, in het geval dat er een Projectplan Waterwettraject doorlopen wordt, is op zichzelf geen reden om een m.e.r.-procedure te doorlopen. De plicht tot het opstellen van een passende beoordeling leidt niet tot een plicht tot het opstellen van een planMER (als bedoeld in art. 7.2a, Wm), omdat een Projectplan Waterwet geen plan is in de zin van de Wet milieubeheer maar een besluit (kolom 4 van het Besluit m.e.r.). Hierdoor is art. 7.2a, eerste lid, Wm voor het Projectplan Waterwet niet relevant.

Dijkversterking Tiel - Waardenburg Pagina 31 van 76

De bestemmingsplanwijziging is in feite kaderstellend voor het op te stellen Projectplan Waterwet. Dit betekent echter niet automatisch dat – gelet op het feit dat een passende beoordeling moet worden opgesteld – via de lijn van artikel 7.2a Wet milieubeheer alsnog een plan-m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Hierbij zijn een aantal zaken van belang: Voor Dijkversterking Tiel-Waardenburg wordt reeds een ProjectMER (Specifiek MER) opgesteld; De bestemmingsplanwijziging heeft alleen betrekking op het planologisch mogelijk maken van de in het Projectplan Waterwet voorziene maatregelen. Besluit m.e.r. D9 In de Notitie Reikwijdte en Detailniveau en de Verkenningsfase van het project was nog sprake van een eventuele hoogwatergeul Varik-Heesselt. Omdat van een hoogwatergeul in het project nu geen sprake meer is, is categorie D9 'landinrichting' als genoemd in het Besluit m.e.r. enkel nog van toepassing in de vorm van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Ten gevolge van de dijkversterking is er namelijk maar een beperkte – minder dan 125 ha - functiewijziging van water (verlegging watergangen langs de dijk), natuur en landbouw. M.e.r.-proces dijkversterking Tiel - Waardenburg en rivierverruiming Varik - Heesselt In 2016 is een m.e.r.-procedure voor dijkversterking Tiel-Waardenburg en rivierverruiming Varik-Heesselt gestart met een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD).

In de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) is aangegeven dat voor het project is gekozen voor een MER in twee delen: een PlanMER (voor dit project een Globaal MER genoemd) in de Verkenningsfase en een ProjectMER (voor dit project een Specifiek MER genoemd) in de Planuitwerkingsfase bij de te nemen besluiten. Voor beide delen van het MER is in de NRD al een beoordelingskader opgenomen. Daarna is een Notitie Kansrijke Oplossingsrichtingen opgesteld. Hierin zijn mogelijke oplossingen voor het op orde brengen van de waterveiligheid verkend (via dijkversterking met of zonder rivierverruiming). Uit de oplossingsrichtingen zijn drie alternatieven c.q. 6 varianten overgebleven, die zijn beoordeeld in het Globaal MER dat voor de dijkversterking en rivierverruiming is opgesteld (Sweco, 2018b). Dit Globaal MER is voor advies aan de Commissie voor de m.e.r. (Cie-m.e.r.) voorgelegd. In mei 2018 heeft de Cie-m.e.r. haar toetsingsadvies gegeven. Ook zijn toen een Maatschappelijke Kosten Baten Analyse en een Verkenningenrapport opgesteld. Deze stukken hebben destijds ter inzage gelegen. Op basis van deze rapporten heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat in juni 2018 de voorkeursbeslissing genomen: 'Dijkversterking met natuur- en watercompensatie in de uiterwaarden'.

Vervolgens is in 2018 de rapportage Effectenstudie opgesteld, die kan worden gezien als een tussenstap in de m.e.r.-procedure. Deze is specifiek gericht op de milieueffecten van de dijkversterking (een binnenwaartse of een buitenwaartse variant). Op basis van de Nota Voorkeursvariant (met de Effectenstudie als onderlegger) is een voorkeursalternatief voor de dijk gekozen door het Waterschap. Het voorkeursalternatief is daarna stapsgewijs verder ontwikkeld naar het Vergunningenontwerp zoals dat is opgenomen in het Projectplan Waterwet. In het Specifiek MER is het Vergunningenontwerp beoordeeld. Het Specifiek MER wordt opgesteld ten behoeve van het Goedkeuringsbesluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland en de besluiten van gemeenten West Betuwe en Tiel over de bestemmingsplannen. In het Specifiek MER zijn de verschillende relevante milieuaspecten als gevolg van de dijkversterking beoordeeld. Voor de beoordeling wordt verwezen naar het Specifiek MER. In de volgende paragrafen wordt nader ingegaan op deze verschillende milieuaspecten.

Dijkversterking Tiel - Waardenburg Pagina 32 van 76

5.3

Rivierkunde

5.3.1

Huidige situatie

De Waal is samen met de Merwede de breedste en drukst bevaren rivier van Nederland. Het is een hoofdtransportas voor de scheepvaart. De waterstand van de Waal ter plaatse van het plangebied is afhankelijk van de waterafvoer van de rivier de Bovenrijn. In het plangebied is sprake van brede uiterwaarden waardoor de rivier niet op alle plekken vanaf de dijk zichtbaar is. Ten westen van de kern Tiel is het Inundatiekanaal gelegen. Het Inundatiekanaal is in de 19de eeuw aangelegd en maakte onderdeel uit van de Nieuwe Hollandse Waterline en had de functie om met water vanuit de Waal de Linge te voeden. Daarmee kon de Diefdijklinie onder water worden gezet. De inlaat van dit kanaal ligt ten oosten van het plangebied en maakt geen onderdeel uit van het plangebied. Op veel plekken liggen de uiterwaarden laag. Op sommige plekken is sprake van oppervlaktewater tussen de dijk en de Waal. Het grootste gebied met oppervlaktewater betreft de Heesseltsche Uiterwaarden. Hier zijn enkele grote plassen aanwezig. Daarnaast wordt in dit gebied momenteel gewerkt aan een herinrichting waarbij geulen worden aangelegd en de uiterwaarden verder worden verlaagd. Hierdoor neemt de hoeveelheid oppervlaktewater in dit gebied in de nabije toekomst verder toe. Ook nabij Waardenburg is oppervlaktewater aanwezig in de uiterwaarden, hier ligt een watergeul of zogenoemde 'kil'. 5.3.2

Verandering maatgevende hoogwaterstand

Met behulp van het afgeleide model van het vergunningenontwerp (VO) is het hydraulisch effect bij een aantal afvoerniveaus op basis van een modelsimulatie bepaald door de waterstanden te vergelijken met die van het referentiemodel. We zien in figuur 5-1a het resultaat bij het hoogste afvoerniveau (16.000 m3/s te Lobith), waarbij er in de rivieras sprake is van een waterstandstoename van maximaal 2 mm (rode lijn), die in bovenstroomse richting weer langzaam uitdempt. Dit resultaat is plausibel omdat er sprake is van een netto profielvernauwing. Het waterstandseffect van het VO is in de Pannerdensche Kop geheel uitgewerkt. Hierdoor is er geen invloed op de afvoerverdeling tussen de Waal en de Neder-Rijn/Lek te verwachten.

Figuur 5-1a Hydraulisch effect van het VO (exclusief resp. inclusief natuuraanleg- en compensatiemaatregelen)

Bij de dijkversterking Tiel-Waardenburg vindt natuuraanleg plaats, alsmede maatregelen ter compensatie of ter voorkoming van effecten op natuur en/of KRW natuuraanleg zachthoutooibos in de Rijswaard stroomdalgrasland in de Heesseltsche uiterwaarden natuuraanleg t.b.v. kamsalamander in de Heesseltsche uiterwaarden

Dijkversterking Tiel - Waardenburg Pagina 33 van 76

afgetichelde laagtes in de Stiftsche uiterwaarden compensatie Overtuinen in de Stiftsche uiterwaarden rivierverruiming Crobsche Waard De eerste vijf maatregelen zijn natuuraanleg- en compensatiemaatregelen, die onlosmakelijk aan het dijkversterkingsproject Tiel-Waardenburg verbonden zijn. Ten aanzien van de zesde maatregel is met het benedenstroom gelegen project dijkversterking Gorinchem-Waardenburg een onderlinge overeenkomst gesloten om de voor Tiel-Waardenburg noodzakelijke rivierkundige compensatie van in totaal 4 mm uit te voeren in de Crobsche Waard. Hiermee wordt de noodzakelijke compensatie voor de dijkverstering en de vijf natuuraanleg- en compensatieprojecten via één maatregel gerealiseerd. Het totale waterstandseffect is in onderstaande figuur als blauwe lijn weergegeven (figuur 5-1b). Deze lijn ligt onder de nullijn, met uitzondering van het benedenstrooms effect van de Crobsche Waard (lokaal 5 tot 6 mm bij rkm 939). Ter vergelijking is ook het waterstandseffect zonder compensatiemaatregelen opnieuw weergegegeven (rode lijn). Het waterstandseffect van het VO met deze aanvullende maatregelen (blauwe lijn) is eveneens in de Pannerdensche Kop geheel uitgewerkt. Hierdoor is er geen invloed op de afvoerverdeling te verwachten.

Figuur 5-1b Hydraulisch effect van het VO exclusief resp. inclusief natuuraanleg en compensatiemaatregelen in rode lijn, inclusief natuuraanleg en compensatiemaatregelen in blauwe lijn

5.3.3

Afvoerverdeling Pannerdensche Kop

Het waterstandseffect van de dijkversterking ligt met natuuraanleg en compensatiemaatregelen aan de onderzijde van de nullijn, maar is in de Pannerdense Kop eveneens geheel uitgewerkt. Hierdoor is er geen invloed op de afvoerverdeling te verwachten. 5.3.4

Effecten op stroomsnelheden

De effecten op de stroomsnelheden bevinden zich tussen -0,01 en 0,01 m/s, met uitzondering van de Waal bij de Rijswaard, waar de Crobsche Waard bij 16.000 m3/s een effect tussen 0,01 en 0,02 m/s tot gevolg heeft. In het zomerbed zijn de eerste effecten pas vanaf 6.000 m3/ te Lobith te zien en die zijn het gevolg van de Crobsche Waard en bevinden zich benedenstrooms van rkm 930. Bij 10.000 m3/s te Lobith is er een geringe stroomsnelheidsverlaging bij rkm 919 ten gevolge van een gestroomlijnde afrit. Het beeld bij het hoogste afvoerniveau (16.000 m3/s te Lobith) voor het Vergunningenontwerp inclusief natuuraanleg en compensatiemaatregelen is nauwelijks anders dan in een verschilplot van het Vergunningenontwerp zonder natuuraanleg en compensatiemaatregelen, waaruit geconcludeerd kan worden dat de natuur- en compensatiemaatregelen de stroomsnelheden in het zomerbed vrijwel niet beïnvloeden. De grootste zichtbare invloed komt van de Crobsche Waard Dijkversterking Tiel - Waardenburg Pagina 34 van 76

(benedenstrooms gelegen deelgebied in dijkversterking Gorinchem-Waardenburg). 5.3.5

Morfologie

Morfologische effecten ontstaan wanneer de stroomsnelheid in de hoofdgeul bij middelhoge afvoeren substantieel beïnvloed wordt. Het gaat hierbij om het effect op de waterdiepte in de vaargeul ten behoeve van de scheepvaart. Hiertoe is een morfologisch representatief afvoerniveau van 8.000 m3/s (te Lobith) doorgerekend met een nieuw model, waar de Crobsche Waard geen deel van uitmaakt. Op basis van door WaqMorf gestelde criteria ten aanzien van het eerste afvoerniveau waarbij merkbare hydraulische effecten optreden, is 8.000 m3/s gekozen als meest representatieve hydraulische conditie om morfologische effecten te schatten. Bij lagere afvoerniveaus zijn er te geringe hydraulische effecten op de stroomsnelheden, bij hogere afvoerniveaus is de representativiteit (frequentie van voorkomen) te gering om enig gewicht in het jaargemiddelde te hebben. Geanalyseerd zijn de bodemveranderingen met een weergavedrempel van -1 en +1 mm, te beginnen met een jaargemiddeld effect. In het zomerbed van het projectgebied liggen de geschatte effecten tussen -4 en +3 mm. Bij rkm 919 is er een bodemverhoging tot maximaal 3 mm, die mogelijk verband houdt met een stroomlijning van een afrit op de uiterwaard, waardoor de uiterwaard beter doorstroomd raakt. Een vergelijkbaar geval ligt tussen rkm 922 en 923).

Verder zien we fluctuaties tussen maximaal -2 en +2 mm, die met de profilering van het dijklichaam te maken kunnen hebben. Ook effecten na een lange periode van rust en effect dat verwacht mag worden na een hoogwaterperiode zijn geanalyseerd. Deze resultaten worden als relatief gering maar niet verwaarloosbaar beschouwd. Belangrijk is echter de vraag waar deze effecten optreden. Hierop is een uitgebreidere GIS-analyse gemaakt waarin deze geringe effecten worden geconfronteerd met bestaande waterdieptebestanden van de Rijntakken. Dit zowel in de vorm van een bodemraster (1 x 1 m2) als in de vorm van hectometervakken (150 x 100 m2). Het blijkt dat de locaties van sedimentatie soms samenvallen met de locaties van bestaande waterdieptetekorten, maar er kan ook bodemerosie in zones van waterdieptetekorten optreden. Dit gebeurt echter minder. De totale oppervlakte aan vaarweg met een vaarwegdieptetekort is hierdoor toegenomen met 2.690 m2 (toename van 2,4% op een totaal van 112.126 m2). Dit geldt ook voor het totale volume van te baggeren materiaal binnen de zones met waterdieptetekorten (toename van 77 m3, ofwel 0,24% op een totaal van 32.192 m3). Op basis van de analyse kan worden gesteld dat er beperkte nadelige morfologische effecten zijn als gevolg van de in het onderzoek gepresenteerde maatregelen.

Dijkversterking Tiel - Waardenburg Pagina 35 van 76

Figuur 5-2 Jaargemiddelde bodemv erandering v olgens schatting m.b.v . WaqMorf

5.3.6

Dwarsstroming (hinder voor scheepvaart)

Voor alle beschouwde afvoerniveaus is gekeken naar de effecten op de dwarsstroming in de uiterste vaarlijn (in stroomrichting rechts, geografisch noordelijk). De dwarsstroming is de component van de stroomsnelheid, die loodrecht op de vaarlijn staat. Een dwarsstroming is landinwaarts of rivierwaarts gericht en treedt op bij meestromende plassen, havens of grote uiterwaarden. Hiervoor geldt binnen het Rivierkundig Beoordelingskader een criterium van 0,15 m/s bij afvoeren boven 50 m3/s op de rand van de vaarweg. Bij lagere afvoeren is er sprake van een puntbelasting en is een stroomsnelheid van 0,30 m/s dwars op de vaarrichting acceptabel. Voor het gehele onderzochte afvoerspectrum laat de analyse de dwarscomponent van de stroomsnelheid in de rechter (noordelijke) normaallijn van de Waal zien. Op veel locaties wordt al in de referentiesituatie niet aan de richtlijn voldaan. We zien hier dat dwarsstroming niet specifiek aan hoge rivierafvoeren gerelateerd is. Wel is het beeld bij hoge rivierafvoeren duidelijker te relateren aan meestromende uiterwaarden. Omdat bestaande overschrijdingen het dijkverbeteringsproject Tiel-Waardenburg natuurlijk niet aangerekend kunnen worden, is bij elke van deze locaties gekeken of de dwarsstroming door het project slechter of beter wordt.

Een verbetering is een verlaging van de dwarsstroming, een verslechtering is een verhoging, ongeacht de richting. Hierbij kijken we naar veranderingen vanaf afgerond 1 mm/s. Onderstaande grafiek laat het resultaat voor 8.000 m3/s (te Lobith) zien. Voor alle afvoerniveaus geldt dat de lijn van het VO inclusief natuuraanleg en compensatiemaatregelen bij benadering op die van de referentiesituatie ligt. De effecten (verschillen tussen het VO en de referentie) staan in de grafiek additioneel weergegeven (rode stippellijn, rechter as) en liggen bij de bevaarbare Rijnafvoeren (tot 10.000 m3/s te Lobith) rond de nul met uitschieters tussen -18 en +10 mm/s. Verslechteringen op kritieke locaties zijn in rood weergegegeven, verbeteringen in groen. Het achtergrondrapport bevat een tabel met een opsomming van al deze locaties voor alle afvoerniveaus, die per locatie en afvoerniveau inventariseert of er een verslechtering of een verbetering is en hoe groot deze is. Er zijn zowel verslechteringen als verbeteringen. De effecten zijn beperkt in omvang. De grootste Dijkversterking Tiel - Waardenburg Pagina 36 van 76

verslechtering is 11 mm/s bij 8.000 m3/s (van 0,276 naar 0,287 m/s) en de grootste verbetering bedraagt 10 mm/s bij 10.000 m3/s (van 0,225 naar 0,235 m/s). Naar ons oordeel houden de verbeteringen en verslechteringen elkaar ongeveer in evenwicht.

Figuur 5-3 Dwarsstroming rechter normaallijn (8.000 m3/s te Lobith): ref erentiesituatie resp. VO met natuuraanleg en compensatiemaatregelen (rood: locaties met v erslechtering, groen: locaties met v erbetering)

5.3.7

Conclusie

Om het dijkversterkingsontwerp uitvoerbaar te maken is in het ontwerp rekening gehouden met maatregelen die negatieve effecten beperken, zoals hiervoor genoemd de maatregelen in de Crobsche Waard. Aanvullende mitigerende en/of compenserende maatregelen ten behoeve van de waterstand zijn daarom niet nodig. Wel gaat Waterschap Rivierenland in overleg met Rijkswaterstaat aanvullende maatregelen treffen om de sedimentatie te beperken. Met de maatregelen is het bestemmingsplan uitvoerbaar voor het aspect rivierkunde. De effecten worden ruimtelijk aanvaardbaar geacht.

5.4

Water

5.4.1

Wettelijk kader

In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. 5.4.2

Maatregelen regionaal watersysteem

Vanuit de dijkversterking is er een aantal maatregelen in het watersysteem nodig. Dit betreft voornamelijk het compenseren van de bergingsopgave en het verleggen van teensloten. In combinatie met de knelpuntenanalyse zijn onderstaande maatregelen benodigd voor de compensatie en inpassing van het dijkontwerp in het regionale watersysteem. De effecten van deze maatregelen zijn, waar mogelijk, meegenomen in de effectberekening van het regionaal oppervlakte- en grondwatersysteem. Bergingscompensatie In vijf peilgebieden liggen er in de binnenteen watergangen die geraakt worden door het nieuwe

Dijkversterking Tiel - Waardenburg Pagina 37 van 76

ruimtebeslag van de dijk. De verloren gegane berging wordt teruggebracht in het zelfde peilgebied. Bij het bepalen van de locatie van de terug te brengen watergang is eerst bepaald of de dempte watergang op dezelfde locatie langs de nieuwe binnenteen terug moet komen, om zodoende de werking van het watersysteem te behouden. Dit is vooral het geval bij parallelle teensloten. Bij geraakte kopsloten kan de berging ook elders in het peilgebied gerealiseerd worden. Bij het realiseren van deze berging is er zoveel mogelijk geprobeerd om bekende knelpunten in het watersysteem aan te pakken. Op deze manier verbetert de algehele werking van het watersysteem. Maatregelen Hieronder zijn de maatregelen beknopt beschreven. Een gedetailleerdere uitwerking van de maatregelen is te vinden in de maatregelen rapportage.

Figuur 5-4 Locatieoverzicht maatregelen watersysteem binnendijks (rood) en buitendijks (oranje)

Maatregel 1: Omleggen A-watergang nabij Inundatiekanaal Het lokale watersysteem bestaande uit een deel C-watergang en een deel A-watergang komt in de teen van de dijk te liggen. Om de lokale afwatering te borgen moet de watergang worden verlegd. Gezien de lokale aard van de verlegging hoeft er geen nieuwe A-watergang terug te komen maar kan ook worden volstaan met een nieuwe B-watergang. De maatregel voorziet ook direct in de compensatiebehoefte in peilgebied TLW009. Bij de secundaire kering van het Inundatiekanaal is een puls gelegen. Een puls is oud boorgat / peilbuis. Hier komt bij hoogwater veel afvoer uit. Dit zorgt lokaal voor problemen. In overleg met de omgeving en middels een kostenafweging wordt bepaald of de puls wordt verwijderd (afgedicht), de afvoer wordt verbeterd middels een watergang of geen actie wordt ondernomen. Maatregel 2: Inpassen duiker Zennewijnseweg Op deze locatie ligt een lange duiker. De duiker wordt nu (mogelijk) aan de zuidzijde geraakt door de berm van de nieuwe dijk of door uitvoering van de werkzaamheden. Met de bewoners wordt afgestemd wat de voorkeur heeft: een open watergang of het herstellen en verlengen van de duiker. Vooralsnog wordt uitgegaan van het verlengen en herstellen van de bestaande duiker.

Dijkversterking Tiel - Waardenburg Pagina 38 van 76

Maatregel 3: Compensatie in peilgebied TLW018 (Molenblok) In peilgebied TLW018 worden (delen van) watergangen gedempt door de aanleg van de dijk. Hiervoor is compensatie noodzakelijk. De compensatie wordt zodanig uitgevoerd dat er tegelijkertijd een verbetering van de lokale waterafvoer optreedt. Mogelijk dat enkele duikers ook mee moeten worden genomen om een goede afwatering te borgen. De duikers zijn vooralsnog niet meegenomen en dit moet worden afgestemd met de beheerders van WSRL. Maatregel 4: Compensatie in peilgebied TLW017 en TLW016 (Heesselt) Compensatie van gedempte watergangen in peilgebied TLW017 en TLW016 wordt gevonden door een verbreding van de watergang langs de Gemeneweg. Deze maatregel verbetert tevens direct de afvoer in Heesselt en zorgt zo voor een win-win-situatie. Maatregel 5: Nieuwe duiker aanleggen t.b.v. lokale afwatering Heesselt Lokaal worden hier kopsloten gedempt, waardoor de waterberging afneemt. Een goede waterafvoer is dus noodzakelijk om de lokale bergingsvermindering op te vangen. De berging wordt gecreëerd in de watergang langs de Gemeneweg (maatregel 4). De lokale waterafvoer word hier geregeld via twee duikers: 1. Volgens de gemeente West Betuwe en de beheerders ligt er momenteel al een duiker. Deze wordt gekruisd in een kruisingsput door een rioolbuis, waardoor de capaciteit kleiner is. 2.

De huidige duiker (ten zuiden) is erg lang en ligt onder de weg en een perceel door. De duiker is hierdoor gevoelig voor opstoppingen. Door de aanleg van een nieuwe duiker op locatie 1 en het verwijderen van de duiker op locatie 2 (optioneel) wordt de waterhuishouding verbeterd, waardoor de compensatie voor de kopsloten elders kan plaatsvinden. Maatregel 6: Verleggen B-watergang Teensloot Heesselt De nieuwe dijk raakt de teensloot. Deze moet worden teruggebracht om geen verslechtering van de lokale grondwaterstanden te krijgen. Het heeft de voorkeur om de watergang direct grenzend aan de buitenberm te realiseren, dit zorgt voor minimale versnippering, minimale impact voor de aangrenzende eigenaar en minimaal benodigde grondaankoop. Deze verbreding vangt een deel van de benodigde bergingscompensatie in peilvak TLW017 op. Maatregel 7: Inpassing A-watergang bij Kromakkers De nieuwe dijk raakt op diverse plaatsen de huidige watergang. Veelal wordt de huidige watergang verlegd en opnieuw aangesloten op de bestaande delen die kunnen blijven liggen. In eerste instantie was dit het volledige tracé van 1.100 meter, maar dit is door optimalisatie van het dijkontwerp teruggebracht tot 3 deeltrajecten en 5 duikers. De maatregel wordt nog verder gedetailleerd waardoor mogelijk de stukken kleiner worden en minder duikers worden vervangen.

Indien duikers moeten worden vervangen worden deze vergroot naar 1000 mm en verlaagd naar B.O.B. NAP +2,10 m. Maatregel 8: Compensatie TLW078 en verbeteren afvoer Zandstraat. Doordat het dijkontwerp lokaal naar binnen komt moeten een aantal kopsloten worden gedempt in peilgebied TLW078. Ter compensatie wordt een bestaande B-watergang verbreed en opgewaardeerd naar een A-watergang en moet een nieuwe duiker onder de Zandstraat aangelegd worden. Door het aanleggen van een extra hoofdwatergang en duiker wordt de afvoer verbeterd. Dit lost lokale knelpunten bij hoogwater op. De duiker onder de Zandstraat moet ook een afsluiter krijgen, zodat in droge perioden water vast kan worden gehouden. Maatregel 9: Graven nieuwe B-watergang Achterstraat Neerijnen Het lokale watersysteem bestaat uit B- en C-watergangen. Deze zijn niet verbonden met het hoofdwatersysteem. De Achterstraat in Neerijnen kampt met lokale wateroverlast bij hoogwaters (kwel, grondwaterstanden, hemelwaterafvoer). Het dijkontwerp komt op een aantal plekken dichterbij de woningen, waardoor het waarborgen van de (kwel- en hemelwater)afvoer noodzakelijk is. Dijkversterking Tiel - Waardenburg Pagina 39 van 76

Om de lokale afwatering van Neerijnen te verbeteren wordt deze B-watergang gegraven. De maatregel helpt mee om ingrepen bij particulieren minimaal te houden. De B-watergang is aan de rand van het fruitperceel gesitueerd. Buitendijkse maatregelen: In de Stiftsche uiterwaarden en Heesseltsche uiterwaarden worden een aantal buitendijkse teensloten geraakt door het ruimtebelslag van de nieuwe dijk. Deze teensloten dienen terug gebracht te worden langs de nieuwe buitenteen. Hierbij moet opgemerkt worden dat de analyse van geraakte buitendijkse watergangen is gemaakt met de legger. Niet alle buitendijkse watergangen staan op de legger. Uitgangspunt is dat de werking van het buitendijkse watersysteem niet mag verslechteren. Daarnaast moet de buitenteen kunnen afwateren na een hoogwater. 5.4.3

Effecten

De effecten van de dijkversterking en de maatregelen op het watersysteem worden hieronder voor het gehele tracé weergegeven. Voor een beschrijving per dijkvak wordt verwezen naar het MER of de specifieke rapporten voor de grond- en oppervlaktewateranalyses. Grondwater Langs het dijktracé zijn er globaal gezien twee factoren die van invloed zijn op de grondwaterstanden. Dit is het dempen van watergangen binnen het toegenomen ruimtebeslag, en het vergroten van de deklaagweerstand ter plaatse van de vergrote dijk. Effecten treden voornamelijk op in de deklaag. Ten eerste worden langs het dijktracé watergangen gedempt. Over het algemeen staat gedurende een droge periode het omliggende grondwater lager dan het slootpeil en hebben de sloten een infiltrerende werking. Tijdens een natte periode staat het omliggende grondwater juist hoger dan het slootpeil, en hebben de sloten een drainerende werking. Wanneer deze sloten gedeeltelijk gedempt worden vermindert hierdoor lokaal de infiltratie in droge perioden, en vermindert lokaal de drainage in natte perioden. Dit zorgt in de deklaag, terplekke van de gedempte sloot, voor respectievelijk een verlaging van de GLG (gemiddeld laagste grondwaterstand) en verhoging van de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand).

Demping van watergangen vindt alleen plaats op locaties binnen het nieuwe ruimtebeslag van de dijk, en hier stijgt de maaiveldhoogte dus ook. Een stijging van de GHG leidt hier dus niet tot grondwateroverlast. Dit effect werkt niet door in het watervoerend pakket. Ten tweede heeft het toegenomen ruimtebeslag van de dijk invloed op de grondwaterstanden in de deklaag ter plaatse van de dijk. De daling van de GHG langs het dijktracé wordt veroorzaakt door de toename van de weerstand van de deklaag en het verwijderen van maaivelddrainage, en daarmee de afname van de kwel (van water uit de Waal). Het toegenomen ruimtebeslag is minder van invloed op de GLG omdat in droge situaties de grondwaterstand in de deklaag (en waterstand in de Waal) lager dan de teen van de dijk staat, en het toegenomen ruimtebeslag van dijk dus weinig invloed heeft op de grondwaterstand. Voor de GHG en GLG is te zien dat de grondwaterstand ter plaatse van de maatregelen in Heesselt, de Zandstraat en Molenblok daalt. Dit komt doordat hier de afvoercapaciteit is vergroot. Voor de GHG is dit een positief effect omdat de afvoer in natte omstandigheden wordt vergroot. Voor droge omstandigheden is het minder gewenst, echter komt dit effect alleen zeer lokaal ter plaatse van de watergangen voor. In het watervoerende pakket zijn er nagenoeg geen veranderingen in de stijghoogten.

De effecten (voor alle situaties) op de grondwaterstanden aan de binnendijkse zijde concentreren zich sterk langs de dijk zelf. Verder landinwaarts treden geen effecten op. Het effect van de dijkversterking op de grondwaterstanden is dus beperkt. Zeer lokaal treden wijzigingen op in de grondwaterstanden. De allerlaagste grondwaterstanden gaan omhoog, de allerhoogste grondwaterstanden zakken. De dijkversterkingsmaatregelen hebben een positief effect, in die zin dat de grondwaterstand stabiliseert. Derhalve worden geen Dijkversterking Tiel - Waardenburg Pagina 40 van 76

specifieke maatregelen getroffen. Generiek wordt wel de drainage die aanwezig was teruggebracht na realisatie van de dijkversterking. Oppervlaktewater De enige significante effecten (> 1 cm peilverandering) in de T10- en T100-bui situatie treden op bij de Zandstraat. Door de verbeterde afvoermogelijkheid is de piekwaterstand ten oosten van de maatregel iets lager, zonder dat de piekwaterstand elders verhoogt. Dit effect is deels een rekeneffect, omdat een B-watergang wordt opgewaardeerd naar een A-watergang. En de verbinding dus opgenomen wordt in de schematisatie. In het veld is deze verbinding er echter al in de vorm van een B-watergang. Deze maatregel geeft wel aan dat deze watergang een functie heeft in de afwatering van het regionale watersysteem, en het te onderbouwen is om deze watergang op te waarderen naar A status. De overige maatregelen hebben lokaal positieve effecten, maar deze werken niet door in het regionale systeem. Het effect op de piekwaterstanden tijdens een hoogwater is groter dan voor de T10- en T100bui. Rondom de Zandstraat is er een verlaging in de piekwaterstand tot 10 cm, zonder dat dit leidt tot verhogingen elders. Zoals bij de T10- en T100bui al uitgelegd is dit deels een rekenkundig effect. De verbredingen in het watersysteem in Heesselt zorgen voor een verlaging van de piekwaterstand van ongeveer 2,5 cm.

De overige maatregelen hebben enkel lokaal (positieve) effecten die niet doorwerken tot in het regionale oppervlaktewatersysteem. De effecten in droge perioden zijn enkel kwalitatief weergegeven omdat de opgelegde randvoorwaarden tijdens de droogte theoretisch van aard zijn (constante watervraag van 0,3 l/s/ha). Het presenteren van een exact verschil is daarom niet mogelijk (kent geen herleidbare grond). Door de effecten kwalitatief weer te geven is er wel in beeld gebracht waar de situaties eventueel verbeteren of verslechteren. In de berekende effecten komen afwateringseenheden naar voren die een wateraanvoertekort hebben en droogvallen. In de praktijk hoeft het niet te betekenen dat er ook daadwerkelijk een watertekort is. Zoals hierboven aangegeven gaat het in deze berekening vooral om de kwalitatieve beschouwing van de knelpunten in droge situaties. Rondom de Zandstraat is er in het referentiemodel al onvoldoende watertoevoer mogelijk. De effectberekening laat zien dat de maatregelen bij de Zandstraat zorgen voor een nog lagere waterstand. Dit betekent niet meteen een kwantitatieve verslechtering. Maar het cluster van afwateringseenheden met lagere waterstanden geeft wel aan dat water sneller afgevoerd wordt in droge perioden. Om deze reden wordt de duiker onder de Zandstraat vervangen door een duiker die dichtgezet kan worden.

Zo kan water in droge perioden beter vast gehouden worden, wat zorgt voor een verbetering van het wateraanbod ten opzichte van de huidige situatie. Lokale effecten Bovenstaande analyse van het oppervlakte- en grondwatersysteem is op basis van regionale modellering. Langs de dijk worden damwanden geplaatst en is er drainage nodig om kwel- en hemelwater te verwerken. Deze elementen hebben vooral lokale effecten die niet in de regionale modellering naar voren komen. Om een beeld te krijgen van de te verwachten lokale effecten is er een aantal maatgevende sommen gemaakt om de bandbreedte van te verwachten effecten van de damwanden te bepalen. En om een maatgevend debiet voor de drainage te bepalen om gewenste grondwaterstanden te bereiken. Lokale effecten damwanden Plaatsing van damwanden leidt tot een extremere grondwaterdynamiek in de dijk (aan de buitendijkse zijde van de damwand). Dat wil zeggen: De GHG wordt hoger en de GLG wordt lager. Aan de binnendijkse zijde van de damwand wordt de grondwaterdynamiek juist gedempt: Een lagere GHG en een hogere GLG. Vanwege het dempende en versterkende effect op de grondwaterdynamiek is er geen verandering in de gemiddelde grondwaterstand. De mate van verandering hangt voornamelijk af van de zandigheid van het dijkprofiel. Een zandig profiel kan een verandering van 1 meter geven, bij een kleiig dijkprofiel kan dit 25 cm zijn.

De effecten zijn binnen 10-20 m van de damwand uitgedoofd tot minder van 5 cm. Het grootste effect wordt verwacht bij Dijkversterking Tiel - Waardenburg Pagina 41 van 76

dijkprofielen/deklaagopbouw met tussenzandlagen. Woningen langs de dijk Effecten op de grondwaterstand worden tot maximaal 10-20 m van de damwand berekend. Deze effecten laten altijd een verbetering aan de binnendijkse zijde van de damwanden zien. Namelijk een daling van hoge grondwaterstanden, en een stijging van lage grondwaterstanden. Uit de berekeningen komen geen risico's op grondwater over- of onderlast bij woningen naar voren. De hoogwaterberekeningen laten zien dat de grondwaterstand, bij plaatsing van de damwand in de binnenteen, bij de binnenteen daalt. Dit heeft een positief effect op de wateroverlast die lokaal langs de binnenteen ervaren wordt. Vanuit geohydrologisch oogpunt is monitoring van de woningen langs de dijk niet nodig om eventuele negatieve effecten van de damwanden te monitoren. De berekeningen geven hiertoe geen aanleiding. Risicolocaties De locaties waar het meeste effect van de damwanden verwacht wordt zijn locaties met tussenzandbanen in de deklaag. Vanuit geohydrologisch oogpunt zijn er hier geen risico's. Maar tijdens hoogwatersituaties zal op deze locaties de freatische grondwaterstand in de dijk het meeste stijgen. 5.4.4

Conclusie

De effecten op het (grond)water zijn niet significant. Het bestemmingsplan is uitvoerbaar ten aanzien van het aspect water. De effecten worden ruimtelijk aanvaardbaar geacht.

5.5

Ecologie

5.5.1

Wettelijk kader en inleiding

De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Voorheen was de soortenbescherming in Nederland geregeld in de Flora- en faunawet en de gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet 1998. Sinds 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet, Flora- en faunawet en de Boswet opgegaan in één nieuwe wet: de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb heeft tot doel in het wild voorkomende planten- en diersoorten in stand te houden en te beschermen. De wet kent daardoor zowel verbodsbepalingen, gebiedsbescherming als een algemene zorgplicht. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen middels ontheffingen. Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden.

Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn (Natura 2000-gebieden), gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS), beschermde natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten. Gebiedsbescherming Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden. Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn (Natura 2000-gebieden), gebieden die deel uitmaken van het NNN, beschermde natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten. Een belangrijk onderdeel van de Wet Natuurbescherming is dat er geen vergunning gegeven mag worden voor handelingen of projecten die schadelijk kunnen zijn

Dijkversterking Tiel - Waardenburg Pagina 42 van 76

voor de kwaliteit van de habitats van soorten, waarvoor een gebied is aangewezen. Wanneer niet op voorhand uitgesloten kan worden dat er schadelijke effecten kunnen optreden, dan dienen de initiatiefnemers een 'passende beoordeling' te maken. Dat betekent een onderzoek naar alle aspecten van het project en welke gevolgen die kunnen hebben voor datgene wat bescherming geniet. Soortenbescherming Het doel van de Wet natuurbescherming is het instandhouden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Wet natuurbescherming kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen middels ontheffingen. Er bestaan drie beschermingsregimes voor drie verschillende groepen van beschermde soorten. Voor de algemeen beschermde soorten geldt een algemene ontheffing voor ruimtelijke ingrepen. Ook voor de overige beschermde soorten is ontheffing mogelijk, mits wordt gewerkt volgens een goedgekeurde gedragscode. Voor strikt beschermde soorten kan enkel afgeweken worden na een uitgebreide toetsing. 5.5.2

Gebiedsbescherming

5.5.2.1 Natura 2000 Het plangebied ligt deels in en deels tegen de begrenzing van het Natura 2000-gebied Rijntakken (deelgebied Uiterwaarden Waal) aan. Het gehele deel van het Natura 2000-gebied ter hoogte van het plangebied is aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn. Daarnaast zijn delen van het gebied (Rijswaard, Heesseltsche uiterwaarden en Stiftsche uiterwaarden) ook aangewezen in het kader van de Habitatrichtlijn. Voor de Rijntakken zijn 59 Natura 2000-instandhoudingsdoelen geformuleerd. Het betreft 15 habitattypen waaronder kruidenrijke graslanden, diverse typen ooibossen, ruigtes en zomen, slikkige rivieroevers en waterplantvegetaties. Tot de aangewezen soorten (niet vogels) behoren vissen (zowel trekvissen als poldervissen), zoogdieren (bever, meervleermuis) en een amfibie (kamsalamander). Verder zijn er 11 broedvogels en 22 niet-broedvogels aangewezen als doelsoort. In de Rijswaard en Heesseltsche uiterwaarden bevinden zich binnen het ruimtebeslag van de dijkversterking de volgende kwalificerende habitattypen: H91E0A Vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen) Ruimtebeslag (oppervlak te verlies) Negatieve effecten op het habitattype H91E0A vochtige alluviale bossen (zachthoutooibos), treden op als gevolg van ruimtebeslag.

Op enkele plaatsen heeft een buitenwaartse versterking tot gevolg dat er een geringe oppervlakte aan zachthoutooibos zal verdwijnen binnen het HR-gebied. Hierbij gaat het om een deel van het zachthoutooibos ter plaatse van dijkvak 35 ten noorden van de visplas nabij Neerijnen en nabij dijkvak 28 in de Heesseltsche uiterwaarden (figuur 5-5). De dijkversterking leidt tot een verlies van maximaal 1 ha zachthoutooibos. Betreffende marginale aantasting leidt niet tot significant negatieve effecten doordat het, het duurzaam (kunnen) behalen van de geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen van het betreffende habitattype zachthoutooibos, niet in de weg staat. Zoals in de Passende beoordeling is aangehouden leidt de dijkversterking tot een verlies van maximaal 1 ha zachthoutooibos. Op basis van de meest recente optimalisatie van het dijkontwerp, gaat het om 0,3 ha aantasting van zachthoutooibos.

Dijkversterking Tiel - Waardenburg Pagina 43 van 76

Figuur 5-5 Begrenzing v an het kwalif icerend habitatty pe Vochtige alluv iale bossen, zachthoutooibos (groen) inclusief ruimtebeslag op zachthoutooibos (rood gearceerd) in relatie tot het Vergunning ontwerp (VO) (oranje)

De instandhoudingsdoelstelling voor zachthoutooibos (vochtige alluviale bossen) binnen het Habitatrichtlijngebied van de Rijntakken is behoud verspreiding, behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit, met een oppervlakte van 420 ha. De oppervlakte van habitattype H91E0A is op dit moment vrijwel gelijk aan de instandhoudingsdoelstelling behoud oppervlakte. Voor de dijkversterking Tiel – Waardenburg (TiWa) is gebruik gemaakt van een project specifieke aanpak waarbij tijdig nieuw extra oppervlak zachthoutooibos binnen het project is gerealiseerd om er zeker van te zijn dat het instandhoudingsdoel van behoud van 420 ha oppervlak voor Rijntakken niet wordt aangetast binnen het projectgebied project dijkversterking Tiel – Waardenburg. Doordat het duurzaam (kunnen) behalen van de geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen van het betreffende habitattype zachthoutooibos niet in de weg staat, leidt de aantasting niet tot een significant negatieve effect. Het gerealiseerde ooibos in de Rijswaard heeft een oppervlakte van 3,5 hectare (figuur 5-6).

Figuur 5-6 Aanplantlocatie v an zachthoutooibos (H91E0A) (ca. 3,5 ha.), ten opzichte v an het bestaande areaal zachthoutooibos in de Rijswaard (boskern).

Aantasting van het habitattype binnen het dijkversterkingsproject TiWa vindt uitsluitend plaats daar waar het gaat om kleinere snippers langs de dijk die – ondanks het feit dat ze wel

Dijkversterking Tiel - Waardenburg Pagina 44 van 76

kwalificeren – vanwege hun beperkte omvang van mindere ecologische waarde en kwaliteit zijn (het gewenste bos-klimaat behorend bij dit habitattype met een robuuste kwaliteit zal, gezien de omvang, nooit tot stand komen). Als onderdeel van het dijkversterkingsproject heeft het project TiWa, in de Rijswaard tijdig (2019) nieuw zachthoutooibos bij bestaande boskernen van zachthoutooibos gecreëerd met een extra factor in oppervlak (3,5 ha) om zodoende, met zekerheid voldoende omvang te creëren dat kwalificerend is ten tijde van aantasting zodat met zekerheid aan het instandhoudingsdoel behoud van oppervlak wordt voldaan. Op termijn wordt zelfs een kwaliteitsverbetering behaald (instandhoudingsmaatregel), omdat op deze wijze grotere boskernen ontstaan die ecologisch een veel hogere waarde kunnen krijgen dan kleine snippers langs de dijk. Dit past geheel binnen het beleid uit het Natura 2000-beheerplan, waarbij is toegestaan dat 'snippers' zachthoutooibos, in dit geval die in het ruimtebeslag van de dijk vallen, mogen verdwijnen als deze worden teruggebracht op een wijze waarbij een grotere boskern ontstaat. Er is gelet op dat er geen significante gevolgen zijn voor dit habitattype nadrukkelijk geen sprake van mitigatie en/of compensatie zoals bedoeld in de Habitatrichtlijn en Wet natuurbescherming.

Het betreft een project specifieke maatregel om omvang van de habitat te waarborgen en een kwaliteitsimpuls te geven. Op deze wijze draagt de project specifieke aanpak mede bij aan de verbeteropgave voor de kwaliteit van het habitattype zachthoutooibos, zoals geformuleerd in het Natura 2000-beheerplan Rijntakken, de robuustheid van het habitattype binnen Rijntakken en de algemene Natura 2000-doelen voor ecologische samenhang, biodiversiteit, versterken van de natuurlijke kenmerken en ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen. Gelet hierop zijn significant negatieve effecten uitgesloten en vindt geen aantasting plaats van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Rijntaken in het licht van de instandhoudingsdoelstelling voor zachthoutooibos. Effecten op habitatsoorten In de Heesseltsche uiterwaarden bevindt zich binnen het ruimtebeslag van de dijkversterking leefgebied van de volgende kwalificerende habitatsoort: Kamsalamander (H1166) Ruimtebeslag (oppervlak te verlies) Als gevolg van de dijkversterking kunnen negatieve effecten optreden op leefgebied van de kamsalamander. Het effect heeft betrekking op verlies aan leefgebied, zijnde ruimtebeslag op voortplantingswater (0,1 ha) met bijbehorende land- en overwinteringsbiotoop (0,5 ha) in de Heesseltsche uiterwaarden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/329/documents/6906