Raadsinformatiebrief 124 Bijlage 1 Tussenuitspraak Raad van State Valkenhorst
Tekst van het document
De RijnlandRoute zal daarmee leiden tot een aanzienlijke verlichting op de huidige kruispunten op de N44 en de N441 in Wassenaar, zoals is aangetoond in de aan het provinciaal inpassingsplan RijnlandRoute en het Tracébesluit ten grondslag gelegde onderzoeken. De RijnlandRoute is meegenomen in het NRM-model, waarmee ook de berekeningen voor het voorliggende plan zijn uitgevoerd. Uit die berekeningen blijkt dat er geen extra knelpunten worden verwacht op de kruispunten van de N44 en N441. Een nadere dynamische kruispuntanalyse voor deze kruispunten is om die reden niet nodig geacht. In het rapport is wel een dynamische kruispuntanalyse opgenomen voor de kruisingen waar een significante toename van het verkeer wordt verwacht, namelijk de kruisingen van de N206. 27.4. De Afdeling is van oordeel dat de raad niet goed heeft gemotiveerd waarom, ondanks dat in de huidige situatie al sprake is van knelpunten op de Wassenaarse kruispunten met de N44, het plan in de toekomstige situatie niet tot een verslechtering leidt op deze kruispunten. De stelling dat deze knelpunten al deels worden weggenomen door de openstelling van de RijnlandRoute in 2024, is door de raad niet aan de hand van concrete gegevens onderbouwd.
Omdat het plan op de N44, en mogelijk ook op de op- en afritten bij Wassenaar, tot een significante verkeerstoename leidt, had het op de weg van de raad gelegen om hiernaar onderzoek te doen, en mogelijkerwijs maatregelen te treffen. Omdat dit onderzoek achterwege is gebleven is het bestreden besluit in zoverre in strijd met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog slaagt. NATUUR - GEBIEDSBESCHERMING 28. SVG, gemeente Wassenaar en Stichting Duinbehoud en anderen betogen dat de in het plan voorziene ontwikkelingen zullen leiden tot significante nadelige gevolgen voor het nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Meijendel & Berkheide’. Stichting Duinbehoud en anderen voeren aan dat deze gevolgen niet voldoende kunnen worden gemitigeerd om de intreding van negatieve gevolgen te voorkomen, zodat een ADC-toets had moeten worden doorlopen, als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: de Habitatrichtlijn). SVG, gemeente Wassenaar en Stichting Duinbehoud en anderen wijzen er in dit verband op dat de verwezenlijking van het plan leidt tot stikstofdepositie op in het Natura 2000-gebied aanwezige stikstofgevoelige habitattypen en tot toename van de recreatiedruk.
19
De passende beoordeling die de raad aan het plan ten grondslag heeft gelegd, berust volgens hen niet op deugdelijke uitgangspunten, zodat de raad op basis hiervan niet heeft kunnen concluderen dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast. 29. Voor een plan zoals hier aan de orde gelden de artikelen 2.7, eerste lid en 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb). Uit deze bepalingen volgt dat een passende beoordeling moet worden gemaakt als een plan significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Dat is het geval als een plan voorziet in ruimtelijke ontwikkelingen die ten opzichte van de referentiesituatie significante gevolgen kunnen hebben. Onder referentiesituatie wordt de feitelijk bestaande, planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan verstaan. Het plan kan, wanneer significante effecten niet zijn uitgesloten, worden vastgesteld als en nadat op grond van de gemaakte passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Stikstofdepositie De passende beoordeling 30.
De raad stelt zich op het standpunt dat in dit geval kan worden uitgesloten dat het plan leidt tot een toename van de stikstofdepositie en dat significante negatieve effecten voor de betrokken Natura 2000-gebieden in zoverre zijn uit te sluiten. De raad baseert zich hierbij op een passende beoordeling die is opgesteld door Antea. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport "Passende Beoordeling Valkenhorst, onderzoek naar de effecten op Natura 2000-gebieden" van Antea van 29 juni 2022 (hierna: de passende beoordeling). 31. Paragraaf 1.2 van de passende beoordeling vermeldt dat het bouwen van de woningen en het extra verkeer na realisatie van de ontwikkeling mogelijk tot effecten (waaronder een toename van stikstofdepositie) op (stikstofgevoelige) habitats in Natura 2000-gebieden leiden. Omdat de nabijgelegen duingebieden stikstofgevoelig zijn, en deels overbelast zijn door hoge achtergrondwaarden, is op voorhand niet uit te sluiten dat de ontwikkeling significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden heeft. Daarom is (mede) de passende beoordeling opgesteld. Direct ten noordwesten van het plangebied ligt Natura 2000-gebied ‘Meijendel & Berkheide’. Op grotere afstand liggen de Natura 2000-gebieden ‘Coepelduynen’, ‘De Wilck’, en ‘Kennemerland-Zuid’.
In de passende beoordeling staat dat een stikstofonderzoek is uitgevoerd dat onderdeel is van de passende beoordeling en in de bijlage daarbij is opgenomen. De resultaten van het stikstofonderzoek staan in het rapport "Onderzoek stikstofdepositie, rapport ten behoeve van bestemmingsplan Woongebied Valkenhorst" van Antea van 20 april 2022 (hierna: het stikstofonderzoek). Voor het plan zijn stikstofberekeningen uitgevoerd met behulp van het rekenprogramma AERIUS Calculator, versie 2021. Er zijn berekeningen gedaan voor de volgende, verschillende situaties: de eindfase (2036), de laatste bouwfase (2035) en de tussenfase (2033). Uit de berekeningen volgt dat in de verschillende situaties ten gevolge van het plan geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Wel worden enkele, in het stikstofonderzoek als ‘randeffecten’ omschreven, effecten genoemd. Hierdoor kan een maximale bijdrage van 0,03 mol/ha/jaar optreden op het verder weggelegen Natura 2000-gebied ‘Nieuwkoopse plassen & De Haeck’ (op een afstand groter dan 25 km van de gehanteerde bron).
20
De stikstofberekeningen gaan uit van saldering met de verschillende in het plangebied aanwezige bronnen. De nieuwe woonwijk leidt in de gebruiksfase onder meer tot een toename van voertuigbewegingen, die een toename van de uitstoot van stikstof tot gevolg heeft. Daarnaast leidt de realisatie (bouw) van woongebied Valkenhorst tot stikstofemissie door de inzet van machines en het transport van materialen en personeel. Tegelijkertijd verdwijnen als gevolg van de ontwikkeling functies en activiteiten uit het gebied. Zo leidt de ontwikkeling tot de beëindiging van bedrijvigheid in het gebied. Daarnaast zorgen aanpassingen aan de infrastructuur voor veranderingen in huidige verkeersstromen. Dit heeft een afname van stikstofuitstoot- en depositie tot gevolg. Extern salderen? 32. SVG en gemeente Wassenaar voeren aan dat ten onrechte wordt gesaldeerd met emissies van al vertrokken of gestopte bedrijven. Gemeente Wassenaar betoogt dat sprake is van externe saldering omdat het project gefaseerd zal worden uitgevoerd. De saldogevende bedrijven worden namelijk in een later stadium beëindigd dan dat de woningen binnen het deelgebied met de bestemming "Woongebied-1" worden gerealiseerd. Volgens gemeente Wassenaar is in de passende beoordeling uitgegaan van onjuiste referentiedata. Daarnaast kan ook niet aan de overige voorwaarden voor externe saldering worden voldaan. 32.1.
De raad stelt zich op het standpunt dat in het stikstofonderzoek niet is uitgegaan van externe saldering. Het gaat in dit geval om de situatie waarin functies - op dezelfde locatie plaatsmaken voor andere functies. Deze functies bestonden in de referentiesituatie en zullen in de plansituatie niet langer bestaan en mochten om die reden in de referentiesituatie worden betrokken. 32.2. De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of het salderen met stoppende activiteiten binnen het plangebied, waar de ontwikkeling van de nieuwe woonwijk is voorzien, kan worden aangemerkt als een onderdeel van de referentiesituatie, of als extern salderen. Voor de beoordeling van de gevolgen van het plan dienen alle met het plan samenhangende gevolgen te worden betrokken. Daarbij mogen ook de positieve gevolgen worden betrokken, indien die een rechtstreeks, onlosmakelijk gevolg zijn van het plan. Hiervan is in ieder geval sprake wanneer het gebruik van de gronden wordt beëindigd op de plek waar de ruimtelijke ontwikkeling is voorzien (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2392, onder 12.5). 32.3. Vaststaat dat het plan voorziet in de verwezenlijking van een nieuw woongebied met ten hoogste 5.600 woningen op de voormalige vliegbasis Valkenburg. Hiertoe zijn aan de gronden in het plangebied de bestemmingen "Gemengd", "Woongebied-1" en "Woongebied-2" toegekend.
In hoofdstuk 3 van het stikstofonderzoek is de inrichting van het plangebied beschreven. De grootste bedrijvigheid bevindt zich in het Hangaargebied. Daarnaast is er bebouwing aanwezig aan de randen van het plangebied. Het overgrote deel van het gebied bestaat uit graslanden met enkele bosschages en watergangen. In de zone langs de Kooltuinweg zijn enkele bedrijven en een volkstuinencomplex gevestigd. Aan de noordzijde is een pallethandel en kassencomplex aanwezig. Verder naar het zuiden, langs de Oude Broekweg, is een agrarisch bedrijf aanwezig. Richting het Valkenburgse Meer, aan de Zonneveldslaan, is eveneens een agrarisch bedrijf gevestigd. In paragraaf 3.1 van het stikstofonderzoek zijn deze activiteiten nader omschreven. Hieruit blijkt dat in het gebied onder meer twee veehouderijen aanwezig zijn, die met het oog op de ontwikkeling van Valkenhorst zijn aangekocht en om die reden hun activiteiten zullen gaan
21
beëindigen. Ook een deel van de overige activiteiten op de gronden van het nieuwe bestemmingsplan zal worden beëindigd of worden afgesloten van het gasnet en gaat daarom zonder gasverbruik verder. In paragraaf 4.2 van het stikstofonderzoek staat dat de ontwikkeling van Valkenhorst activiteiten mogelijk maakt die stikstof uitstoten. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen twee fasen van de ontwikkeling: de realisatiefase en de gebruiksfase. De realisatie vindt gefaseerd plaats. Hiermee wordt de emissie van de totale realisatiefase over de looptijd verdeeld en is een deel van de woningen al in gebruik tijdens de realisatie van de rest van de woningen. In figuur 4-1 van het stikstofonderzoek is een en ander inzichtelijk gemaakt. Doordat als gevolg van de vaststelling van het plan grote saldogevers stoppen met hun activiteiten, ontstaat ruimte voor de voorziene activiteiten gedurende die jaren. 32.4. De Afdeling ziet in wat gemeente Wassenaar heeft aangevoerd over de fasering in het plan geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de in het plan voorziene woningbouwontwikkeling niet kan worden aangemerkt als één ruimtelijke ontwikkeling.
De Afdeling acht, gelet op het bepaalde in de artikelen 28.6 t/m 28.9.2 van de planregels en de omschrijving van het plan in de passende beoordeling en het stikstofonderzoek, de conclusie gerechtvaardigd dat de in het plangebied aanwezige bedrijfsactiviteiten worden beëindigd vanwege de in dat gebied voorziene woningbouw, en dus onderdeel zijn van één en dezelfde ruimtelijke ontwikkeling. Dat de bouwactiviteiten gefaseerd zullen worden uitgevoerd, maakt dit niet anders. Gelet hierop is de conclusie dat de stoppende bedrijfsmatige activiteiten terecht zijn aangemerkt als directe met het plan samenhangend gevolgen die in de referentiesituatie mogen worden betrokken. het betoog slaagt niet. Referentiesituatie 33. SVG, gemeente Wassenaar en Stichting Duinbehoud en anderen betogen dat de referentiesituatie onjuist is bepaald. De emissies van de saldogevende, stoppende activiteiten zijn volgens hen overschat. Ook zijn de emissies op sommige punten onvoldoende gemotiveerd. 33.1. In hoofdstuk 3 van het stikstofonderzoek staat dat in het kader van de bestemmingsplanprocedure is onderzocht wat moet worden verstaan onder de referentiesituatie. Daarbij is gekeken naar zowel directe als indirecte emissies. Hierbij is rekening gehouden met bedrijvigheid die in het plangebied is gevestigd en die stikstofdepositie veroorzaakt.
In de plansituatie zullen deze activiteiten plaats moeten maken voor de met het plan beoogde woningbouw. In paragraaf 3.1 worden in dit verband de volgende bedrijven genoemd: - [partij A] (veehouderij), [locatie 1]; - [partij B] (veehouderij), [locatie 2]; - [partij C] (glastuinbouw), [locatie 3]; - bedrijvigheid Hangaargebied; - overige functies, [locatie 4]. 33.2. Hierna worden de beroepsgronden over de referentiesituatie afzonderlijk per bedrijfsactiviteit besproken.
22
- Veehouderij [partij A] 33.2.1. Gemeente Wassenaar betoogt dat het beweiden ten onrechte niet is meegenomen in de berekening van de emissies. Stichting Duinbehoud en anderen voeren aan dat de bedrijfsactiviteiten ter plaatse in 2016 al zijn gestaakt en dat het bedrijf is verhuisd naar de locatie [locatie 5] te Wassenaar. Daarnaast is de natuurvergunning van het bedrijf nooit volledig gerealiseerd. De bestaande bedrijfsgebouwen kunnen de genoemde dieraantallen niet huisvesten. Ook zijn er nooit 112 melkkoeien gehouden op het bedrijf. De in 2016 vergunde dieren kunnen daarom niet worden aangemerkt als referentiesituatie. 33.2.2. Paragraaf 3.1 van het stikstofonderzoek vermeldt over de activiteiten op het perceel [locatie 1] (veehouderij [partij A]) het volgende: "Op het moment van de vaststelling van het bestemmingsplan wordt op de locatie [locatie 1] te Valkenburg en de bijbehorende gronden een veehouderij gedreven. Het bedrijf heeft op grond van het bestemmingsplan Landelijk gebied 1994 de functie Agrarische bouwpercelen en productiegebied. Het bedrijf is eigendom van BPD en aangekocht op 5 augustus 2020 om de ontwikkeling en realisatie van dit bestemmingsplan mogelijk te maken. De activiteiten worden door de voormalige eigenaar voortgezet op basis van een overeenkomst tot voortgezet gebruik.
De activiteiten vinden plaats op basis van een in december 2015 verleende [de Afdeling begrijpt: aangevraagde] Nbw ‘98-vergunning. Deze is verleend op 9 februari 2016 en onherroepelijk. […]" 33.2.3. De raad stelt zich op het standpunt dat bij het bedrijf van [partij A] geen sprake was van beweiding. De raad wijst er in dit verband op dat in de Regeling ammoniak en veehouderij voor beweiden pas een reductiefactor (5%) wordt toegepast als sprake is van beweiden voor ten minste 720 uur in een kalenderjaar. Daarvan is bij dit bedrijf geen sprake, aldus de raad. In de natuurvergunning van 9 februari 2016 is het beweiden dan ook niet vermeldt. De kavel van [partij A] is hiervoor ook te klein, zo stelt de raad. De raad betwist dat het bedrijf in 2016, of nadien, vrijwel geheel is gestaakt. De raad wijst er in dit verband op dat bij de aankoop door de ontwikkelaar van het bedrijf foto’s zijn gemaakt van de stallen, waaruit blijkt dat deze op dat moment nog in gebruik waren. De raad verwijst in dit verband ook naar het proces-verbaal van constatering van de deurwaarder van 29 juni 2022 dat de raad ter meerdere zekerheid voorafgaand aan de vaststelling van het plan heeft laten opmaken. De raad betwist de stelling dat er nooit 112 melkkoeien zijn gehouden en dat de bestaande stallen dat aantal niet kunnen huisvesten. In de natuurvergunning uit 2016 is deze feitelijke situatie onderbouwd.
33.2.4. De Afdeling is van oordeel dat de raad toereikend heeft gemotiveerd dat het beweiden van vee voor het bedrijf van [partij A] geen onderdeel uitmaakt van de referentiesituatie. Het stikstofonderzoek noch de verleende natuurvergunning van 9 februari 2016 bieden hiervoor enig aanknopingspunt. Over het betoog van Stichting Duinbehoud en anderen dat in de referentiesituatie is uitgegaan van een te groot aantal melkkoeien, dat de stallen het aantal dieren niet kunnen huisvesten en de natuurvergunning nooit volledig is verwezenlijkt, overweegt de Afdeling dat de raad onder verwijzing naar het stikstofonderzoek en een proces-verbaal van constatering van een deurwaarder 29 juni 2022 toereikend heeft gemotiveerd dat de bedrijfsactiviteiten zoals weergegeven in het stikstofonderzoek, op het peilmoment feitelijk aanwezig waren. Dat de bedrijfsactiviteiten ook planologisch legaal aanwezig zijn, is niet in geschil. Voor de
23
vaststelling dat de bedrijfsactiviteiten al voorafgaand aan de vaststelling van het plan zijn gestaakt en dat geen melkkoeien meer aanwezig waren op het peilmoment, bestaan geen concrete aanknopingspunten. Dit betekent dat de stikstofemissies vanwege de bedrijfsactiviteiten van [partij A] terecht als onderdeel van de referentiesituatie in het stikstofonderzoek zijn betrokken. Het betoog slaagt niet. - Veehouderij [partij B] 33.2.5. Gemeente Wassenaar betoogt dat de referentiesituatie voor het bedrijf van [partij B] is overschat. In het stikstofonderzoek staat dat het bedrijf sinds 1993 op grond van een Hinderwetvergunning in bedrijf is en dat sinds 1993 geen emissieverlagende toestemmingen zijn gegeven, zodat het in de vergunning opgegeven aantal dieren kan worden aangehouden als minimum referentiesituatie. Dit acht gemeente Wassenaar onwaarschijnlijk, zodat het saldo mogelijk is overschat. Stichting Duinbehoud en anderen betogen dat ten onrechte de melding op grond van het Besluit melkrundveehouderijbedrijven Hinderwet van 16 december 1991 als referentiesituatie is gekozen. Volgens hen is de veehouderij in 2006 namelijk volledig gestaakt. De betrokken bedrijfsgebouwen zijn sindsdien in een zodanig vervallen staat geraakt dat geen melkveebedrijf meer kan worden gedreven. Slechts een enkel bedrijfsgebouw resteert in een voldoende staat voor het (mogelijk) houden van dieren.
Na 2006 zijn geen 35 melkkoeien meer gehouden, en konden deze ook niet meer worden gehouden. 33.2.6. De raad stelt zich op het standpunt dat het bedrijf van [partij B] bij de bepaling van de referentiesituatie kon worden meegenomen. De gronden van dit bedrijf en het bedrijf zijn in juli 2018 door de ontwikkelaar aangekocht met het oog op de ontwikkeling en realisatie van de met het plan beoogde woningbouwlocatie. Na de levering zijn de activiteiten voortgezet. Het bedrijf was ten tijde van de vaststelling van het plan nog actief. De raad stelt zich verder op het standpunt dat de opstallen op het bedrijfsperceel op het peilmoment nog aanwezig waren en gebruikt werden voor het agrarische bedrijf. Dit volgt ook uit diverse foto’s en een proces-verbaal van constatering van de deurwaarder van 24 juni 2022. Ook blijkt uit een foto van Google Streetview dat er in juni 2015 op het bedrijf koeien werden gehouden en dat de bedrijfsgebouwen op dat moment niet in vervallen staat verkeerden. 33.2.7. De Afdeling is van oordeel dat de raad met onder meer het proces-verbaal van constatering van de deurwaarder toereikend heeft gemotiveerd dat het bedrijf feitelijk aanwezig was voorafgaand aan de planvaststelling.
In de niet nader onderbouwde stelling van gemeente Wassenaar dat het onaannemelijk is dat er nooit emissie verlagende (natuur)toestemmingen zijn verleend voor het bedrijf, ziet de Afdeling geen grond voor de conclusie dat de referentiesituatie onjuist is bepaald. Niet in geschil is dat het bedrijf ook planologisch legaal aanwezig was, met inbegrip van de gronden die werden gebruikt voor beweiding. Gelet hierop bestaat geen grond voor de conclusie dat de emissies vanwege het bedrijf van [partij B] ten onrechte zijn betrokken in de referentiesituatie. Het betoog slaagt niet. - Hangaargebied 33.2.8. Stichting Duinbehoud en anderen voeren aan dat onvoldoende is gemotiveerd waarom in de referentiesituatie voor het hangaargebied kan worden uitgegaan van het in het stikstofonderzoek opgevoerde gasgebruik van 350.000 m3 per jaar. Volgens hen had moeten worden uitgegaan van de situatie zoals die was voorafgaand aan het besluit van 5 juli 2012
24
tot vaststelling van het bestemmingsplan "Tijdelijk gebruik Locatie Valkenburg", omdat voor de destijds ontstane wijziging van het gebruik van het Hangaargebied geen natuurvergunning is aangevraagd en verleend. Gemeente Wassenaar voert aan dat de bedrijvigheid in het hangaargebied niet kan worden ingezet, omdat geen sprake is van een natuurvergunning, noch van op de referentiedatum toegestaan gebruik. 33.2.9. De raad stelt zich op het standpunt dat de bedrijfsactiviteiten in het hangaargebied konden worden meegenomen in de referentiesituatie. Deze is beschreven in het stikstofonderzoek. Het gaat hierbij uitsluitend om het gasgebruik van gebouwen die in eigendom toebehoren aan het Rijksvastgoedbedrijf. Daarbij is uitgegaan van het verbruik in 2021, een jaar waarin de activiteiten in het hangaargebied deels stillagen in verband met COVID-19. Daarmee is volgens de raad sprake van een worst-case scenario. Volgens de raad is niet relevant of er in de tussentijd verbrandingsinstallaties zijn vervangen. Relevant is wat ten tijde van de vaststelling van het plan de feitelijk aanwezige, planologisch legale situatie was. De verbruiksgegevens zijn, anders dan de Stichting Duinbehoud en anderen stellen, controleerbaar. De facturen zijn bijgevoegd en de benodigde gegevens zijn aangeleverd door het Rijksvastgoedbedrijf. 33.2.10.
In het stikstofonderzoek staat over de stikstofemissies in het hangaargebied dat de aanwezige bedrijven zijn toegestaan op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "Tijdelijk gebruik Locatie Valkenburg". Voor de in de hangaars uitgevoerde musical ‘Soldaat van Oranje’ is in mei 2020 een tijdelijke omgevingsvergunning verleend die geldig is tot 17 mei 2025. Voor deze bedrijvigheid geldt dat deze of verdwijnt of gasloos zal worden verricht. De huidige feitelijk aanwezige, planologisch legale emissies zullen dus verdwijnen. Uit het stikstofonderzoek volgt verder hoe de emissies vanwege de verwarming van de gebouwen in het hangaargebied zijn berekend. Hierbij is uitgegaan van het gasgebruik zoals dat is aangeleverd door het Rijksvastgoedbedrijf voor het jaar 2021. Hierbij ging het om een verbruik van 350.000 m3. Dit levert een totale NOx-emissie op van 221,6 kg per jaar. In figuur 3-2 van het stikstofonderzoek is weergegeven welke gebouwen er binnen het hangaargebied getransformeerd worden, of al getransformeerd zijn, dan wel welke er in de plansituatie zullen worden gesloopt. 33.2.11. Ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan "Tijdelijk gebruik Locatie Valkenburg" was aan de gronden binnen het hangaargebied de bestemming "Gemengd-1" toegekend.
De gronden waren ter plaatse aangewezen voor onder meer theater tot een maximum van 11.500 m2 en bedrijven uit de staat van bedrijfsactiviteiten tot een maximum van 5.000 m2. Niet in geschil is dat de ter plaatse van het hangaargebied aanwezige bedrijvigheid voorafgaand aan de planvaststelling planologisch legaal aanwezig was. 33.2.12. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad toereikend gemotiveerd waarom voor de referentiesituatie van het hangaargebied is gerekend met een gasverbruik van 350.000 m3. De Afdeling ziet, anders dan Stichting Duinbehoud en anderen, geen aanknopingspunt voor de conclusie dat had moeten worden uitgegaan van de situatie zoals die was voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan "Tijdelijk gebruik Locatie Valkenburg". De bedrijvigheid zoals die voorafgaand aan de planvaststelling aanwezig was is feitelijk gerealiseerd, en is planologisch legaal, omdat deze past binnen het bestemmingsplan "Tijdelijk gebruik Locatie Valkenburg". Deze bedrijvigheid maakt daarom onderdeel uit van de referentiesituatie. Het feit dat voor de wijziging van het gebruik van een deel van de gebouwen in het hangaargebied geen natuurvergunning aanwezig is, maakt dit oordeel niet
25
anders. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1629, onder 11, is bij de vaststelling van de referentiesituatie bij een plan niet van belang of voor het feitelijk bestaande en planologisch legale gebruik een natuurvergunning is verleend. Stichting Duinbehoud en anderen en gemeente Wassenaar hebben de gemaakte berekening in het stikstofonderzoek over het gasgebruik van het hangaargebied verder niet betwist. Gelet hierop bestaat geen grond voor de conclusie dat de emissies vanwege het gasgebruik in het hangaargebied ten onrechte zijn betrokken in de referentiesituatie. Het betoog slaagt niet. - verleasen van stikstofruimte 33.2.13. Gemeente Wassenaar en Stichting Duinbehoud en anderen betogen dat de stikstofruimte waarmee wordt gesaldeerd ten behoeve van de in het plan voorziene ontwikkelingen, ten onrechte tijdelijk voor een deel wordt ingezet ten behoeve van de aanleg van de HOV-busbaan Katwijk/Leiden (N206 RijnlandRoute). Stichting Duinbehoud en anderen voeren verder aan dat deze ‘verleasing’ van een deel van de stikstofruimte ten behoeve van de HOV-busbaan gevolgen heeft voor de stikstofruimte die beschikbaar is voor de verwezenlijking van het bestemmingsplan.
Niet met zekerheid kan worden uitgesloten dat de betrokken emissies niet reeds zullen zijn benut ten behoeve van de HOV-busbaan, voordat de beoogde interne salderingsactie ten behoeve van het plan heeft plaatsgevonden. 33.2.14. De raad stelt zich op het standpunt dat voor het herstelbesluit mocht worden uitgegaan van de passende beoordeling zoals die aan het oorspronkelijke besluit ten grondslag is gelegd. De aanleg van de HOV-busbaan houdt ook geen direct verband met de verwezenlijking van het Woongebied Valkenhorst. Daarbij komt dat uit een in mei 2023 gemaakte AERIUS-berekening volgt dat de realisatie van zowel de HOV-busbaan als Valkenhorst passen binnen de beschikbare stikstofruimte. Ook wijst de raad erop dat er gelet op de wijze waarop de saldering is vormgegeven, geen sprake kan zijn van samenloop bij het benutten van de stikstofruimte. In artikel 8.2 van de salderingsverklaring van 5 december 2023 staat immers dat de HOV-busbaan wordt aangelegd voordat de saldogevende vergunningen worden ingetrokken. De realisatie van Valkenhorst kan daarentegen gelet op artikel 29.9.1 van de planregels van het herstelbesluit pas aanvangen nadat de agrarische activiteiten waarmee in de referentiesituatie is rekening gehouden zowel feitelijk als juridisch zijn beëindigd. 33.2.15.
Artikel 29.9.1 van de planregels van het herstelbesluit luidt: "Het is verboden de gronden van het plangebied van dit bestemmingsplan 'Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst' bouwrijp te maken, te bebouwen en te gebruiken overeenkomstig de artikelen 5, 11 en 12, indien en zolang activiteiten waarmee in de berekening van de emissie van stikstof zoals opgenomen in het 'Onderzoek stikstofdepositie' ten behoeve van bestemmingsplan 'Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst' die als bijlage 7 onderdeel uitmaakt van de regels van dit bestemmingsplan, rekening is gehouden, niet feitelijk zijn beëindigd en, voor zover nodig, alle omgevingsvergunningen voor de activiteit milieu, Hinderwetvergunningen en of Wet natuurbeschermingsvergunningen zijn ingetrokken." 33.2.16. De raad heeft bij nadere memorie van 15 juli 2024 een salderingsverklaring overgelegd van 5 december 2023. Dit betreft een overeenkomst gesloten tussen BPD Ontwikkeling B.V. en provincie Zuid-Holland met betrekking tot de tijdelijke inzet van een deel van de emissiebronnen
26
gelegen binnen het bestemmingsplan "Woongebied Valkenhorst" voor de aanleg van de HOVbusbaan. Uit de opgenomen lijst van definities volgt dat het hierbij gaat om de inzet van stikstofruimte van de veehouderijen aan de [locatie 2] en [locatie 1] te Valkenburg. 33.2.17. De Afdeling stelt voorop dat hier ter beoordeling voorligt het besluit van 18 april 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst". De beroepsgrond richt zich in dat verband op de vraag of de raad zich bij de vaststelling van het herstelbesluit heeft kunnen baseren op de passende beoordeling, zoals die aan het oorspronkelijke besluit ten grondslag is gelegd. Bij de beoordeling van de gevolgen van het plan moeten alle samenhangende gevolgen worden betrokken. Ook positieve gevolgen mogen daarbij worden betrokken, indien die een rechtstreeks, onlosmakelijk gevolg zijn van het plan. Hiervan is in ieder geval sprake wanneer het gebruik van de gronden wordt beëindigd op de plek waar de ruimtelijke ontwikkeling is voorzien. Het tijdelijk verleasen van stikstofruimte is geen gevolg van het plan.
Anders dan Stichting Duinbehoud en anderen betogen ziet de Afdeling in de omstandigheid dat ten behoeve van de aanleg van de HOV-busbaan een overeenkomst is gesloten over de tijdelijke inzet van het stikstofsaldo van de in het plangebied gevestigde agrarische bedrijven van [partij A] en [partij B], dan ook geen grond voor de conclusie dat de raad zich bij de vaststelling van het herstelbesluit niet heeft mogen baseren op de passende beoordeling, of dat de daarin opgenomen beschrijving van de referentiesituatie onjuist is of anderszins berust op onjuiste uitgangspunten. Het betoog slaagt niet. Beoogde situatie 34. Gemeente Wassenaar en Stichting Duinbehoud en anderen voeren aan dat de stikstofemissies vanwege de in het plan voorziene ontwikkelingen onjuist zijn bepaald. Gemeente Wassenaar betoogt dat bij de berekening van de effecten vanwege de bouwfase ten onrechte is uitgegaan van de veronderstelling dat er slechts 500 woningen per jaar gebouwd worden. De bouw van de woningen zou daarmee in zijn totaliteit 12 jaar duren. Dit is echter niet vastgelegd in het plan, zodat de stikstofemissie vanwege de bouwfase is onderschat. Gemeente Wassenaar betoogt verder dat bij de berekening van de stikstofeffecten geen rekening is gehouden met de maatschappelijke voorzieningen en de recreatie, waarin het plan ook voorziet.
Stichting Duinbehoud en anderen betogen dat in het stikstofonderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met de NH3-emissies vanwege de uitstoot van mens en dier, die aan de bewoning van de in het plan voorziene woningen zijn toe te rekenen. Gewezen wordt in dit verband op de publicatie "Methode inschatting depositie woningbouwprojecten" van het RIVM uit 2019, waarin voor dergelijke emissies een emissiefactor van 0,5 kg NH3 per huishouden wordt gehanteerd. Stichting Duinbehoud en anderen voeren daarnaast aan dat geen rekening is gehouden met andere vormen van verwarming, zoals pallet- of houtkachels. - Bouwtempo woningen (bouwfase) 34.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in artikel 28.8 van de planregels is geborgd dat ten hoogste 500 woningen per jaar mogen worden gerealiseerd. Hiermee is dit een aannemelijk en reëel uitgangspunt in de stikstofberekening, aldus de raad. 34.1.1. In hoofdstuk 4 van het stikstofonderzoek staat beschreven hoe de gevolgen vanwege
27
het plan voor de stikstofdepositie in de plansituatie zijn berekend. Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen twee fasen van de ontwikkeling: de realisatiefase en de gebruiksfase. Wat de bouwfase betreft staat in paragraaf 4.2 dat de realisatie gefaseerd plaatsvindt. Hiermee wordt de emissie van de totale realisatiefase over de looptijd verdeeld en is een deel van de woningen al in gebruik tijdens de realisatie van de rest van de woningen. Er wordt uitgegaan van een bouwtempo van maximaal 500 woningen per jaar. Het maximum bouwtempo is ook zo in het bestemmingsplan vastgelegd. Dit zal in de eerste jaren van de bouw iets lager liggen in verband met het opstarten van deze activiteit. Ervan uitgaande dat de realisatie start in 2024 is de volledige ontwikkeling in 2036 gerealiseerd (12 jaar). 34.1.2. Artikel 28.8 van de planregels luidt: "Het is verboden meer dan 500 woningen per kalenderjaar te bouwen." 34.1.3. De Afdeling ziet in wat gemeente Wassenaar heeft aangevoerd geen aanknopingspunt voor de conclusie dat ten onrechte is uitgegaan van een bouwtempo van maximaal 500 woningen per jaar. Dit maximum is vastgelegd in artikel 28.8 van de planregels. Daarbij wordt opgemerkt dat, zoals volgt uit par.
4.4.1 van het stikstofonderzoek, bij de berekening van de emissies vanwege de bouw in de tussenfase is uitgegaan van een verdubbeling van het aantal verkeersbewegingen en van de bouwemissie. Het betoog slaagt niet. - Maatschappelijke voorzieningen en recreatie (gebruiksfase) 34.2. De raad stelt zich op het standpunt dat in het verkeersonderzoek dat is gedaan rekening is gehouden met de verkeersaantrekkende werking van de geplande maatschappelijke voorzieningen. Het plan voorziet niet in recreatieve voorzieningen, anders dan voor de wijk zelf, zoals parken. 34.2.1. Ingevolge het plan zijn binnen de bestemmingen "Groen", "Water", "Woongebied-1", "Woongebied-2" en "Gemengd", die aan een deel van de gronden in het plangebied zijn toegekend, activiteiten gericht op maatschappelijke en commerciële voorzieningen, al dan niet in combinatie met wonen, en activiteiten gericht op maatschappelijke voorzieningen toegestaan. Ook zijn activiteiten gericht op aanleg, onderhoud en beheer van dagrecreatie en sport binnen deze bestemmingen toegestaan. Ingevolge artikel 2.76 moet onder ‘maatschappelijke voorzieningen’ worden verstaan: "educatieve, medische, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, sport- en recreatieve voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de openbare dienstverlening.".
Ingevolge 2.37 moet onder ‘dagrecreatie’ worden verstaan: "recreatieve activiteiten ter ontspanning zonder dat er een overnachting elders mee gepaard gaat in de vorm van sport, spel, toerisme en educatie die in de open lucht plaatsvinden gedurende de periode van een uur voor zonsopgang tot een uur na zonsondergang.". 34.2.2. Paragraaf 4.1 van de plantoelichting vermeldt dat het plan naast de ruimte voor woningen ook plaats biedt om voorzieningen in te passen in het woongebied. Voorzieningen maken een woonwijk tot een aantrekkelijke, dynamische woonomgeving en de voorzieningen hebben voldoende woningen binnen het verzorgingsgebied nodig. In stedelijke kernen ligt de verhouding tussen woningen en voorzieningen in vloeroppervlak gemiddeld rond de 80/20. Tabel 4.1.1 die is opgenomen in de plantoelichting, geeft de behoefte aan voorzieningen behorend bij een programma van 5.600 woningen weer. In de regels van dit bestemmingsplan is een maximaal programma aan (kleinschalige) maatschappelijke en commerciële voorzieningen mogelijk gemaakt zodat er in ieder geval
28
detailhandelsvoorzieningen, scholen en andere maatschappelijke functies gevestigd kunnen worden in het plangebied. 34.2.3. In paragraaf 4.4.2 staat dat voor de berekening van de stikstofemissies in de gebruiksfase is gekeken naar de verkeersaantrekkende werking van de ontwikkelingen in het plangebied. Hierbij is rekening gehouden met de verkeersgeneratie van de nieuwe woningen, voorzieningen en de werkgelegenheid. Voor de onderbouwing van de bij de verkeersberekening gehanteerde uitgangspunten en kengetallen verwijst het stikstofonderzoek naar het rapport "Verkeersonderzoek Valkenhorst" van 4cast van 31 maart 2021 (hierna: het externe verkeersonderzoek), dat aan het plan ten grondslag is gelegd. Paragraaf 2.2 van het externe verkeersonderzoek beschrijft de uitgangspunten van de ontwikkeling waarmee de verkeerseffecten vanwege het plan zijn bepaald. Over de modelvariant ‘2030 - ontwikkeling 5.600 woningen, Unmanned Valley en bijbehorende voorzieningen’ staat daarin dat is uitgegaan van de realisatie van 5.600 woningen, werkpark Unmanned Valley en maatschappelijke- en winkelvoorzieningen. In bijlage 2 ‘Kentallen definitie arbeidsplaatsen’ van het verkeersonderzoek staan de gehanteerde kentallen opgenomen die gebruikt zijn bij de omzetting van de aangeleverde oppervlakte eenheden naar arbeidsplaatsen.
Hieruit volgt dat voor bovengenoemde functies in totaal 1.098 arbeidsplaatsen ontstaan. Een nadere toelichting op de gehanteerde cijfers in het kader van de berekening van de stikstofeffecten vanwege de verkeergeneratie staat in bijlage 4 van het stikstofonderzoek. Hierin staat dat is uitgegaan van werkpark Unmanned Valley (5 ha), maatschappelijke voorzieningen (3,5 ha) en winkelvoorzieningen. 34.2.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 3 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1743, staat voorop dat de raad in een onderzoek naar de gevolgen van een bestemmingsplan moet uitgaan van reële en aannemelijke uitgangspunten, maar hoeven die uitgangspunten niet per se in het plan te worden geborgd. 34.2.5. Wat de in het stikstofonderzoek onderzochte verkeersbewegingen vanwege maatschappelijke en recreatieve voorzieningen betreft, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor de conclusie dat daarbij niet is uitgegaan van reële en aannemelijke uitgangspunten.
De Afdeling acht het op basis van wat op grond van de planregels is toegestaan en de beschrijving in de plantoelichting van de binnen het plan voorziene maatschappelijke voorzieningen, voldoende aannemelijk dat in het plangebied geen sportdan wel dagrecreatieve voorzieningen anders dan de activiteiten als omschreven in tabel 4.1.1 in de plantoelichting zullen worden verwezenlijkt, die tot een wezenlijke bijdrage aan de verkeersgeneratie zullen leiden. Hierbij betrekt de Afdeling dat de raad op de zitting heeft verklaard dat binnen het plangebied geen sport- dan wel dagrecreatieve voorzieningen zullen worden verwezenlijkt die tot een verkeersaantrekkende werking van buiten de wijk zullen leiden. Het betoog slaagt niet. - aan bewoning toe te schreven emissies (gebruiksfase) 34.2.6. De raad stelt zich op het standpunt dat bij de berekening van de stikstofdepositie vanwege het plan uitgegaan mocht worden van de Instructie gegevensinvoer AERIUS Calculator 2021 van BIJ12, uitvoeringsorganisatie voor de gezamenlijke provincies (hierna: de Instructie gegevensinvoer). Voor woningen binnen de sector ‘Wonen en werken’ hoeft
29
ingevolge de instructie geen aparte NH3-emissie te worden berekend. Over NOx-emissies vanwege pallet- en houtkachel stelt de raad zich op het standpunt dat in het stikstofonderzoek van het reële en aannemelijke uitgangspunt is uitgegaan dat in de plansituatie niet van dergelijke energiebronnen gebruik zal worden gemaakt. De raad heeft een uitdrukkelijk verbod voor het gebruik van deze energiebronnen niet nodig geacht, omdat de woningen in de plansituatie op een gasloos warmtenet zullen worden aangesloten. De raad wijst er in aanvulling op het vorenstaande nog op dat in het stikstofonderzoek rekening is gehouden met het gebruik van sfeerverwarming en BBQ’s. 34.2.7. Ingevolge het bepaalde in de artikelen 5.2.1, 11.2.1 en 12.2.1, aanhef, en onder b, van de planregels mag het gezamenlijk aantal toe te voegen woningen binnen de bestemmingen "Gemengd", "Woongebied-1" en "Woongebied-2" niet meer bedragen dan 5.600. 34.2.8. In paragraaf 10.1 van de Instructie gegevensinvoer staat dat wanneer de emissie en overige bronkenmerken voor woningen bekend zijn deze in AERIUS Calculator kunnen worden ingevoerd, waarmee de default kentallen overschreven worden. Nieuwbouwwoningen worden standaard niet meer op het gasnet aangesloten en deze hebben dus in beginsel geen NOx-emissie meer.
Voor de beschikbare emissiefactoren voor woningbouw, verwijst de Instructie gegevensinvoer naar het factsheet "Ruimtelijke plannen emissiefactoren". Cijfers voor NOx van verschillende typen woningen zijn daarin afgeleid uit het gasgebruik voor verwarming, warm water en koken. Bij gasloze woningen kan voor NOx meestal een emissiefactor van 0 gehanteerd worden. Uitzondering hierop zijn de woningen waar een aparte energiebron wordt gerealiseerd. Voor woningen binnen de sector wonen en werken behoeft volgens de Instructie gegevensinvoer voor NH3 geen emissie berekend te worden. 34.2.9. In paragraaf 4.3.2 van het stikstofonderzoek staat dat, ondanks dat de functies binnen het plangebied zonder gasaansluiting worden opgeleverd, toch rekening is gehouden met de mogelijke emissies ten gevolge van sfeerverwarming. In lijn met de "Methode inschatting depositie woningbouwprojecten" van het RIVM uit 2019 (hierna: de RIVM-methode) is een emissiekental voor grondgebonden woningen voor sfeerverwarming gehanteerd van 0,44 kg NOx/jaar per grondgebonden woning. NH3-emissies vanwege de uitstoot van mens en dier zijn niet meegenomen in het onderzoek. 34.2.10. De vraag ligt voor of de raad zich bij de berekening van de stikstofdepositie in de gebruiksfase van de in het plan voorziene woningen heeft mogen baseren op de Instructie gegevensinvoer.
De raad heeft deze instructie gevolgd voor het ontbreken van NOx-emissies vanwege de verwarming, warm water en koken (door middel van gasgestookte CVinstallaties), en voor het niet meerekenen van NH3-emissies vanwege de uitstoot van mens en dier. Wel heeft de raad bij de berekening van de emissies rekening gehouden met NOxemissies vanwege sfeerverwarming. Hiertoe is in lijn met de RIVM-methode een emissiekental gehanteerd van 0,44 kg NOx per jaar per grondgebonden woning. 34.2.11. De Afdeling heeft bij uitspraak van 18 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3845, onder 5.11, overwogen dat de uitstoot van NOx (kaarsen en olielampen) en de uitstoot van NH3 (mens en dier) in lijn met de Instructie gegevensinvoer geen aan de bouw of het gebruik van een specifieke woning toe te rekenen emissies zijn. Verder heeft de Afdeling in die uitspraak overwogen dat de RIVM-methode, waarnaar ook Stichting Duinbehoud en anderen verwijzen, is opgesteld met een ander doel dan de Instructie gegevensinvoer, die is bedoeld als instructie voor het maken van specifieke stikstofberekeningen die worden verricht bij plannen en projecten om te kunnen aantonen dat wordt voldaan aan het bepaalde in artikel
30
2.8 van de Wnb, gelezen in samenhang met artikel 2.7 van de Wnb. De RIVM-methode is in 2019 opgesteld in het kader van de aanpak van de stikstofproblematiek, waarbij het RIVM verkennende berekeningen heeft gemaakt om de betrokken ministers inzicht te geven in het effect van de verschillende stikstofmaatregelen. Vanwege dit verschil in doel en benadering tussen de RIVM-methode en de Instructie gegevensinvoer, kan dan ook niet worden gesteld dat de raad gehouden was om op het punt van de emissies vanwege mens en dier af te wijken van de Instructie gegevensinvoer. Stichting Duinbehoud en anderen hebben niet gemotiveerd bestreden waarom hetgeen is overwogen in de uitspraak van 18 november 2023 niet kan worden gevolgd. De Afdeling ziet gelet hierop dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat bij de berekening van de stikstofemissies in de gebruiksfase ten onrechte geen rekening is gehouden met de emissies van NH3 vanwege de uitstoot van mens en dier. 34.2.12. Over het betoog dat ten onrechte geen rekening is gehouden met emissies vanwege het gebruik van een ‘aparte energiebron’ als bedoeld in de Instructie gegevensinvoer, overweegt de Afdeling als volgt. Uit de plantoelichting volgt dat de woningen binnen het plangebied niet worden aangesloten op het gasnet, maar dat deze op duurzame wijze van elektriciteit en warmte worden voorzien.
Dat de woningen niet op het gasnet worden aangesloten geldt ook als wettelijk uitgangspunt omdat in artikel 10, zevende lid, onder a, van de Gaswet is opgenomen dat nieuwbouwprojecten niet worden aangesloten op het gastransportnet. Dit laat onverlet dat bij de bouw van woningen, of daarna, aparte energiebronnen kunnen worden gerealiseerd, zoals pallet- of houtkachels, om te voorzien in verwarming van de woning, het verwarmen van water en voor koken. Als dit zo is, kan een aanvullende emissie vanwege de bewoning worden berekend in AERIUS-calculator, aldus de Instructie gegevensinvoer. Dat de woningen in het plangebied op deze wijze zullen worden verwarmd heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling echter niet reëel en aannemelijk hoeven achten. Hierbij heeft de raad er vanwege de duurzaamheidseisen die onder meer in het Besluit bouwwerken leefomgeving aan nieuwbouwwoningen worden gesteld vanuit mogen gaan dat de in het plan voorziene woningen niet zullen worden verwarmd door middel van een pallet- of houtkachel. Stichting Duinbehoud en anderen hebben dit ook niet weersproken. Daarbij merkt de Afdeling op dat in het stikstofonderzoek wel rekening is gehouden met de aanwezigheid en het gebruik van sfeerverwarming en barbecues.
Hiervoor is (met inachtneming van de RIVM-methode) een emissiekengetal van 0,44 kg NOx gehanteerd per grondgebonden woning, waarbij geldt dat worst-case is berekend dat alle 4.200 grondgebonden woning gebruik zullen maken van sfeerverwarming en/of barbecues. In het aangevoerde ziet de Afdeling dan ook geen aanknopingspunten voor de conclusies dat de stikstofemissies vanwege de bewoning van de in het plan voorziene woningen in het stikstofonderzoek zijn onderschat. Het betoog slaagt niet. Randeffecten 35. Stichting Duinbehoud en anderen betogen dat, ook wanneer wordt uitgegaan van de juistheid van de gemaakte referentieberekening, er een toename van stikstofdeposities optreedt. De gestelde mitigatie is onvoldoende om deze deposities weg te nemen zodat negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen niet zijn uitgesloten. 35.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het stikstofonderzoek is onderbouwd dat de door Stichting Duinbehoud en anderen genoemde toenames het gevolg zijn van zogenoemde ‘randeffecten’. De raad heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies
31
van het stikstofonderzoek. 35.2. In paragraaf 5.1 van het stikstofonderzoek staat dat de AERIUS-berekening voor de eindfase (2036) een maximale stikstofdepositiebijdrage van 0,00 mol/ha/jaar oplevert binnen een afstand van 25 km van de maatgevende saldogevers. Buiten deze afstand wordt wel een bijdrage berekend. Dit betreft een zogenoemd ‘randeffect’. Een vergelijkbaar effect is beschreven voor de berekende stikstofdepositiebijdragen in de laatste bouwfase (2035) en de tussenfase (2033). De randeffecten worden voor de drie onderzochte scenario’s uiteengezet in paragrafen 5.1.1, 5.2.1 en 5.3.1 van het stikstofonderzoek. Paragraaf 5.1.1 vermeldt over de randeffecten in de eindfase (2036) het volgende: "De huidige versie van AERIUS kent een ingebouwd afstandscriterium van 25 kilometer. Dit betekent dat de emissies van een bron tot een afstand van 25 kilometer van die betreffende bron kan zorgen voor stikstofdepositie. Buiten deze 25 kilometer kan diezelfde bron niet meer voor een stikstofdepositie-effect zorgen. Dit geldt niet alleen voor de bronnen in de plansituatie (in dit geval bijvoorbeeld de nieuw te bouwen woningen), maar ook voor de saldogevers in de referentiesituatie (in dit geval bijvoorbeeld de agrarische bedrijven).
De ruimte die de saldogevers bieden zorgen in de berekening buiten die straal van 25 kilometer niet meer voor een verlaging van de stikstofdepositie, omdat deze worden afgekapt door het rekenmodel. Hierdoor treden er zogenoemde randeffecten op. Dit zijn effecten die enkel optreden doordat AERIUS een afstandscriterium kent en de emissie van de saldogevers afkapt. Zonder deze afkap zouden deze effecten niet optreden. Dit is in de rekenresultaten van het bestemmingsplan Valkenhorst zichtbaar. Op de randen voorbij de straal van 25 kilometer van de saldogevers berekend het rekenmodel als gevolge van wegverkeer nog wel een beperkte toename van stikstofdepositie. Door de afkap geeft deze berekening echter een vertekend beeld. De feitelijke emissie door de saldogevers blijft ook na 25 kilometer aanwezig." Vervolgens zijn in tabel 5-1 alle Natura 2000-gebieden weergegeven waarop in het stikstofonderzoek effecten zijn bepaald. Hierbij gaat het alleen bij de gebieden ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’ (0,03 mol/ha/jr), ‘Kennemerland-Zuid (0,02 mol/ha/jr) en ‘Solleveld & Kapitelduinen’ (0,01 mol/ha/jr) om een toename. Deze toenames zijn volgens het stikstofonderzoek het gevolg van zogenoemde randeffecten. De grote saldogevers in de referentiesituatie zijn de veehouderijen van [partij B] en [partij A].
Enkel buiten een straal van 25 km van deze saldogevers zijn hexagonen waarneembaar met een beperkte toename aan stikstofdepositie. Het meest duidelijk zijn de randeffecten aan te tonen door de sprong in deposities die plaatsvinden per situatie (referentie en plan) van een hexagoon nog net binnen de 25 kilometer buffer en het naastgelegen hexagoon net buiten die 25 kilometer buffer. Dit is ook weergegeven in figuur 5-2, waarop is te zien dat de depositie in de plansituatie geleidelijk afneemt naarmate de hexagonen meer richting het oosten liggen, van 0,56 naar 0,55 mol/ha/jr. Dit is steeds verder van het plangebied af. Ook is te zien dat de berekende depositie in de referentiesituatie een sprong in afname laat zien nadat de 25 km grens in het rekenmodel is gepasseerd (van 0,56 naar 0,53 of 0,53 mol/ha/jr). Absoluut is het verschil in afname niet groot (0,03 - 0,01 = 0,02 mol/ha/jaar), maar relatief beschouwd wel (tot 300%). Hierdoor is het duidelijk dat voor de resterende bijdrage sprake is van een randeffect, aldus het stikstofonderzoek. Paragrafen 5.2.1 en 5.31 laten vergelijkbare effecten zien voor de berekening van de stikstofdepositiebijdragen in de laatste bouwfase (2035) en de tussenfase (2033). 35.3. De Afdeling overweegt over deze in het stikstofonderzoek waargenomen depositiebijdragen als volgt.
32
Vaststaat dat uit het stikstofonderzoek volgt dat voor alle berekende fasen een afname van de stikstofdepositie wordt berekend, waarbij voor de eindfase (2036) de grootste afname wordt berekend van -4,71 mol/ha/jr over een oppervlakte van 1.928,84 ha. De Afdeling begrijpt uit het stikstofonderzoek, en hetgeen de opsteller daarvan op de zitting heeft verklaard, dat een zogenoemd randeffect kan optreden doordat bij het maken van een verschilberekening met AERIUS-calculator voor de emissie van de saldogevers een grens (afkap) van 25 km wordt gehanteerd. Hierdoor kan bij een verschilberekening een vertekend beeld ontstaan. Het betreft situaties waarbij de plaats (x, y coördinaten) van de bron/bronnen in de beoogde situatie (deels) verschilt/verschillen van de plaats in de referentiesituatie. Dit leidt er in het concrete geval toe dat de positieve effecten op een bepaald rekenpunt in AERIUS-calculator nabij de rekengrens van 25 km worden afgekapt, terwijl de negatieve effecten (de planbijdrage) nog wel worden meegerekend.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad gelet op het vorenstaande voldoende gemotiveerd waarom de in het stikstofonderzoek berekende stikstofdepositiebijdragen kunnen worden aangemerkt als modelmatige randeffecten, die in de plansituatie niet tot een werkelijke bijdrage zullen leiden op hexagonen van voor stikstofgevoelige habitattypen binnen een Natura 2000-gebied in een straal van 25 km van de betrokken bronnen. In de niet nader onderbouwde stelling van Stichting Duinbehoud en anderen ziet de Afdeling geen grond voor de conclusie dat de raad bij de vaststelling van het plan niet heeft kunnen uitgaan van de conclusies en waarnemingen zoals die volgen uit de passende beoordeling en het stikstofonderzoek over de berekende stikstofdepositiebijdragen op de omliggende Natura 2000-gebieden. Het betoog slaagt niet. ¬Cumulatie 36. Stichting Duinbehoud en anderen betogen dat, gegeven de vaststelling dat met het plan de stikstofdeposities zullen toenemen, ten onrechte geen rekening is gehouden met de cumulatieve effecten van de stikstofdepositietoename. 36.1.1. De raad stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1960, onder 26.1, (Zandzoom) stelt de raad zich op het standpunt dat in een onderzoek naar de gevolgen voor Natura 2000-gebieden de cumulatieve effecten niet hoeven te worden beoordeeld als uit dat onderzoek blijkt dat een bestemmingsplan geen gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. 36.1.2. De Afdeling is van oordeel dat in het onderzoek naar de gevolgen voor Natura 2000gebieden terecht niet de cumulatieve effecten zijn onderzocht, omdat het plan niet leidt tot een daadwerkelijke stikstofdepositiebijdrage op voor stikstof gevoelige habitattypen. Het betoog slaagt niet. Borging beëindiging meegenomen activiteiten 37. Gemeente Wassenaar voert aan dat het onduidelijk is wanneer de activiteiten die in de referentiesituatie zijn meegenomen, zullen worden beëindigd. Stichting Duinbehoud en anderen voeren aan dat artikel 29.9.2, onder b, van de planregels tot gevolg heeft dat er incidentele deposities kunnen worden veroorzaakt die onder de drempelwaarde van 0,00 mol/ha/jr liggen, maar die tezamen (cumulatief) wel significante
33
gevolgen kunnen hebben. 37.1. De raad stelt dat voldoende duidelijk is wanneer de bestaande activiteiten zullen worden beëindigd. Op de gronden in het plangebied is namelijk woningbouw voorzien. De bedrijfsactiviteiten zullen worden beëindigd zodra de ontwikkelaar de ontwikkeling in het gebied start. De gronden waarop de in de referentiessituatie meegenomen bedrijvigheid aanwezig is, maken onderdeel uit van de eerste fase van het plan en zullen op korte termijn in ieder geval voor de start van de bouw van de woningen - beëindigd worden. De raad stelt zich verder op het standpunt dat de in de planregels opgenomen bepalingen verbodsbepalingen bevatten, die ertoe leiden dat de gronden pas bouwrijp gemaakt kunnen worden en dat pas nieuwe woningen gebouwd kunnen worden, nadat de activiteiten waarmee rekening is gehouden in het stikstofonderzoek zijn beëindigd. De bestaande activiteiten in het hangaargebied mogen, gelet op het bepaalde in artikel 29.6 van de planregels, blijven plaatsvinden, zolang als minder dan 4.100 nieuwe woningen zijn gerealiseerd. Hierna kunnen deze activiteiten alleen blijven plaatsvinden als de beoogde omzetting naar gasloze installaties heeft plaatsgevonden. 37.2.
Artikel 29.6 van de planregels van het herstelbesluit luidt: "Het is verboden om in de functies 'Gemengd', 'Woongebied - 1' en/of 'Woongebied - 2' woningen te bouwen ten behoeve van de in artikel 5.1, onder a en/of artikel 12.1, onder a toegelaten activiteiten tot het moment dat het gebruik van stikstofemitterende installaties ten behoeve van de bestaande bebouwing in de functie 'Gemengd' als bedoeld in artikel 5.1 onder e, permanent gestaakt is, met dien verstande dat dit verbod in werking treedt na de bouw van 4.100 woningen van het totale aantal woningen als bedoeld in artikel 5.2.1, onder b, artikel 11.2.1, onder b en 12.2.1, onder b." Artikel 29.7 luidt: "Het is verboden om in de functies 'Gemengd', 'Woongebied - 1' en/of 'Woongebied - 2' stikstofemitterende installaties ten behoeve van bestaande bebouwing conform artikel 5.1, 11.1 en/of artikel 12.1 te bouwen en/of te gebruiken vanaf het moment dat de gronden in deze functies bouwrijp worden gemaakt." Artikel 29.9.1 luidt: "Het is verboden de gronden van het plangebied van dit bestemmingsplan 'Woongebied Valkenhorst' bouwrijp te maken, te bebouwen en te gebruiken overeenkomstig de artikelen 5, 11 en 12, indien en zolang activiteiten waarmee in de berekening van de emissie van stikstof zoals opgenomen in het 'Onderzoek stikstofdepositie' ten behoeve van bestemmingsplan 'Woongebied Valkenhorst' die als bijlage 7 onderdeel
uitmaakt van de regels van dit bestemmingsplan, niet feitelijk zijn beëindigd en, voor zover nodig, alle omgevingsvergunningen voor de activiteit milieu, Hinderwetvergunningen en of Wet natuurbeschermingsvergunningen zijn ingetrokken." Artikel 29.9.2 luidt: "Het verbod als bedoeld in artikel 29.9.1 is niet van toepassing op: a. bestaand gebruik, met dien verstande dat: 1. het bestaand gebruik als bedoeld in artikel 5.1, onder e alleen uitgezonderd is als voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 29.6;
34
2. het bestaande gebruik van bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van woongebied - handhaven' alleen uitgezonderd is als voldaan wordt aan het bepaalde in dat artikel 29.7. b. werkzaamheden die plaatsvinden met machines en voertuigen die geen stikstof uitstoten of voor activiteiten waarvan is aangetoond dat die niet leiden tot depositie van stikstof op daarvoor gevoelige Natura 2000-gebieden". 37.3. De Afdeling begrijpt het bovenstaande samenstel van verboden zo dat het de bedoeling is om de in het stikstofonderzoek in de referentiesituatie meegenomen activiteiten, afgezien van de activiteiten in het hangaargebied, te beëindigen voordat wordt aangevangen met de realisering van de in het plangebied geplande woningen. Artikel 29.9.1 bepaalt ook dat het niet is toegestaan om de gronden van het plangebied bouwrijp te maken, te bebouwen en te gebruiken voor de functies genoemd in de artikelen 5, 11 en 12 voordat de in de referentiesituatie benoemde activiteiten feitelijk zijn beëindigd en voor zover nodig alle toestemmingen voor deze activiteiten zijn ingetrokken. Gelet hierop is naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk wanneer de activiteiten die zijn meegenomen in de referentiesituatie zullen worden beëindigd. Het betoog slaagt niet. 37.4.
De raad stelt zich betreffende incidentele deposities op het standpunt dat de stelling dat zich diverse kleine activiteiten kunnen voordoen met een depositie onder de rekengrens van 0,005 mol/ha/jaar, die wordt geregistreerd door AERIUS Calculator, die op zichzelf bezien niet tot significante effecten kunnen leiden maar cumulatief wel tot dergelijke effecten kunnen leiden, in theorie juist is maar niet zodanig reëel en aannemelijk is dat hiermee in het stikstofonderzoek rekening gehouden had moeten worden. De werkzaamheden die nodig zijn voor het bouwrijp maken van de gronden worden gezien als één activiteit, die wordt bestreken door het verbod van artikel 29.9.1. Hetzelfde geldt voor het bouwen van de woningen in een bepaald deelgebied. De in artikel 29.9.2, onder b, van de planregels opgenomen uitzondering kan hoe dan ook niet leiden tot ingebruikname van woningen of andere gebouwen, omdat die ingebruikname hoe dan ook tot meer stikstofdepositie zal leiden. 37.5.
De Afdeling ziet in het betoog van Stichting Duinbehoud en anderen dat 29.9.2, onder b, van de planregels erin voorziet dat zich mogelijkerwijs een veelheid aan incidentele kleine emissies (met deposities kleiner dan 0,005 mol/ha/jr) voordoet waarmee in het stikstofonderzoek geen rekening is gehouden, geen aanknopingspunt voor de conclusie dat het stikstofonderzoek niet berust op reële en aannemelijke uitgangspunten. Desgevraagd hebben Stichting Duinbehoud en anderen ook niet kunnen concretiseren welke activiteiten het plan toestaat die dergelijke emissies zouden kunnen opleveren, afgezien van de activiteiten die al worden beschreven in de planregels en het stikstofonderzoek. Het betoog slaagt niet. Recreatie 38. Stichting Duinbehoud en anderen voeren aan dat het plan tot een te grote toename van de recreatiedruk leidt op het nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Meijendel & Berkheide’. Deze toename kan niet, of onvoldoende, met mitigerende maatregelen worden weggenomen, zodat niet verzekerd is dat vanwege het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000gebied niet zullen worden aangetast. Stichting Duinbehoud en anderen voeren verder aan dat de effectiviteit van de voorgestelde mitigerende maatregelen onvoldoende is onderbouwd.
35
Daarnaast zijn deze maatregelen ook niet op voldoende wijze juridisch geborgd. Verder betogen zij dat de passende beoordeling ten onrechte geen rekening houdt met de gevolgen van honden en katten in het Natura 2000-gebied. Stichting Duinbehoud en anderen voeren ten slotte aan dat ten onrechte de recreatie op een afstand groter dan 10 km van het plangebied buiten beschouwing is gelaten. Aan dit uitgangspunt ligt geen deugdelijke onderbouwing ten grondslag. Omdat niet is uitgesloten dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten, had volgens Stichting Duinbehoud een ADCtoets moeten worden doorlopen, als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de Habitatrichtlijn. Passende beoordeling 39. In paragraaf 4.1 van de passende beoordeling staat dat het plan leidt tot een toename van de recreatiedruk op het Natura 2000-gebied ‘Meijendel & Berkheide’, en dat dit mogelijk tot verstoring van de daar voorkomende habitattypen en soorten leidt. Door de bouw van 5.600 woningen naast het Natura 2000-gebied neemt het aantal mensen dat vanuit hun woning in het gebied kan gaan wandelen toe. In de passende beoordeling wordt verwezen naar het Beheerplan ‘Bijzondere natuurwaarden Meijendel & Berkheide, 2016 - 2022’.