CConstaterende datwassenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsinformatiebrief 124 Bijlage 1 Tussenuitspraak Raad van State Valkenhorst

Raadsvergadering Wassenaar 17 december 2024, gemeente wassenaarBij agendapunt: Agenderingsverzoek Uitspraak Raad van State inzake bestemmingsplan Valkenhorst27.900 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Hierin wordt het huidige en toekomstige recreatieve gebruik buiten de wandelpaden in het Natura 2000gebied aangemerkt als ‘significant negatief effect’ op een aantal habitattypen. Om significante gevolgen van mogelijke vermesting en vertrapping door recreanten met honden buiten de paden te voorkomen, is een maatregel uitgewerkt in de vorm van een toezicht- en handhavingsplan. Hierin wordt de naleving en handhaving van de toegangsregels en bepalingen ten aanzien van honden nader uitgewerkt. Gezien er bij de huidige recreatiedruk maatregelen moeten worden genomen om een significant effect te voorkomen, het aantal bezoekers zal toenemen, de maatregel in het beheerplan daar niet op is afgestemd en de kans aanwezig is dat de extra bezoekers bijdragen aan de afname op lange termijn van de populatieomvang van de betrokken typische soorten in het gebied, kan zonder mitigerende maatregel niet worden uitgesloten dat de natuurlijke kenmerken van het gebied vanwege het plan zullen worden aangetast. Op basis van de passende beoordeling kan dan ook geen volledige, precieze en definitieve conclusie worden getrokken, die elke redelijke wetenschappelijke twijfel over de gevolgen van het plan wegneemt. Zonder mitigerende maatregel kan niet worden voorkomen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied zullen worden aangetast.

Daarom kan het plan alleen doorgang vinden als de te verwachten gevolgen vanwege recreatie door een mitigerende maatregel kunnen worden uitgesloten. 39.1. Over de invulling van de te treffen mitigerende maatregelen vanwege effecten door recreatie op het Natura 2000-gebied is een rapport opgesteld. Dit rapport, getiteld "Mitigerende maatregelen ten behoeve van het plan Valkenhorst", van BügelHajema van 30 juni 2022 (hierna: het mitigatieonderzoek), is als separate bijlage opgenomen bij de passende beoordeling. Dit rapport beschrijft de maatregelen die genomen moeten worden ter mitigatie van de recreatiedruk op het Natura 2000-gebied als gevolg van de realisatie van de bouw- en gebruiksmogelijkheden uit het bestemmingsplan, en dient ter voorkoming dat als gevolg van het plan, vanwege de toegenomen recreatiedruk, de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied worden aangetast. Deze maatregelen omvatten onder meer de aanleg van een alternatieve wandelroute voor ommetjes tot 5 km tussen het Natura 2000-gebied en het plangebied. Deze wandelroute dient te voldoen aan de eisen zoals geformuleerd in paragraaf 4.4 van de passende beoordeling, paragraaf 5.3 van het mitigatieonderzoek en bijlage 8 bij de planregels.

Wanneer hieraan wordt voldaan, kan volgens het mitigatieonderzoek worden voorkomen dat door de uitvoering van het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000gebied worden aangetast. Uit de beoordeling komt naar voren dat dit wordt bereikt door alternatieve wandelmogelijkheden te bieden voor ommetjes tot 5 km en wandelingen tot 10

36

km. Reikwijdte onderzoek 40. Stichting Duinbehoud en anderen voeren aan dat het in het mitigatieonderzoek gehanteerde afstandscriterium om alleen wandelingen niet langer dan 10 km mee te rekenen arbitrair is, althans dat een deugdelijke onderbouwing daarvoor ontbreekt. Volgens hen is de kans aanwezig dat een aanzienlijk deel van de toekomstige bewoners van het plangebied wandelingen groter dan 10 km zal willen maken, bijvoorbeeld om heen en weer naar het strand te lopen. Ook zijn afstanden van meer dan 10 km gebruikelijk voor hardlopers/joggers. De effecten van dit deel van de recreatie is ten onrechte niet onderzocht. 40.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het mitigatieonderzoek redelijkerwijs de lange wandelingen van meer dan 10 km buiten beschouwing konden worden gelaten. Dergelijke lange (dag)wandelingen zijn volgens de raad niet toerekenbaar aan het gebruik van het plangebied als woongebied. Over de wandelingen naar zee merkt de raad op dat deze vanwege de zonering in het Natura 2000-gebied een afstand groter dan 10 km beslaan, zodat deze wandelingen, vanwege de afstand, niet zijn toe te rekenen aan de planontwikkeling. 40.2. Paragraaf 2.2 van het mitigatieonderzoek omschrijft de afbakening van het onderzoek. Hierin staat dat het onderzoek uitsluitend ziet op landrecreatie in het duingebied.

Fietsen en mountainbiken is in het onderzoek niet meegenomen, omdat deze recreanten vanuit het plangebied een groot aantal Natura 2000-gebieden kunnen bezoeken, zodat een eventuele toename van het aantal recreanten niet zonder meer herleidbaar is tot een specifieke planontwikkeling. Paragraaf 2.2.2 beschrijft de reikwijdte van het onderzoek voor wat betreft wandelen. Hierin is een onderverdeling gemaakt naar ommetjes (2-5 km), wandelingen (5-10 km) en dagwandelingen (>10 km). De effecten van dagwandelingen van meer dan 10 km zijn niet meegenomen omdat ook deze activiteit, vanwege het grotere bereik vanuit de woningen niet herleidbaar is tot een specifieke planontwikkeling. Omdat voor dergelijke wandelingen een groot aantal Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied kan worden bereikt, leiden de activiteiten niet meer aantoonbaar tot een toename van de recreatiedruk bezien vanuit het plangebied op het onderzochte Natura 2000-gebied. Deze activiteiten hangen sterk samen met de algehele wijzigingen van de recreatie in natuurgebieden. Dergelijke ontwikkelingen worden samen met de bestaande recreatieactiviteiten getoetst in de beheerplannen voor Natura 2000-gebieden. Om deze redenen zijn dagwandelingen bij het onderzoek buiten beschouwing gelaten. 40.3.

De Afdeling is van oordeel dat de raad, onder verwijzing naar het mitigatieonderzoek toereikend heeft gemotiveerd waarom wandelingen van meer dan 10 km in het onderzoek buiten beschouwing zijn gebleven. In het mitigatieonderzoek wordt verwezen naar de Nationale Wandelmonitor 2021, waarin het wandelgedrag van Nederlandse wandelaars/recreanten wordt beschreven. De Afdeling acht het onder verwijzing hiernaar voldoende aannemelijk dat (dag)wandelingen van 10 km of meer niet zijn toe te rekenen aan het gebruik van het plangebied voor bewoning, omdat recreanten voor dergelijke wandelingen specifiek een gebied zullen bezoeken, al dan niet met de auto of de fiets. Om die reden hoefde bij het onderzoek geen rekening te worden gehouden met deze vorm van recreatie in het Natura 2000-gebied. Het betoog slaagt niet.

37

40.4. Voor wat betreft hardlopers overweegt de Afdeling dat het mitigatieonderzoek er geen blijk van geeft dat met deze vorm van recreatie rekening is gehouden. Het onderzoek gaat er vanuit dat zich in het plangebied zo’n 12.000 nieuwe inwoners zullen vestigen, waarvan een groot deel (65%) vanuit de woning zal gaan wandelen. Over hardlopen bevat het onderzoek echter geen relevante gegevens. Desgevraagd heeft de raad op de zitting toegelicht dat hardlopers maar beperkt tot verstorende effecten kunnen leiden in het gebied, omdat deze veelal op de paden blijven en zij meestal niet vergezeld gaan van een hond. Gelet hierop kan volgens de raad op voorhand worden uitgesloten dat deze vorm van recreatie tot een significant effect leidt op de instandhoudingsdoelen waarvoor het gebied is aangewezen. De Afdeling volgt dit standpunt van de raad niet. De Afdeling is van oordeel dat de raad, onder verwijzing naar het mitigatieonderzoek, onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de toename van het aantal hardlopers in het Natura 2000-gebied, zonder dat daar specifiek aandacht is besteed in het onderzoek, niet tot gevolg heeft of kan hebben dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast.

Hierbij acht de Afdeling het van belang dat uit de passende beoordeling volgt dat al bij de huidige recreatiedruk in het Natura 2000-gebied maatregelen nodig zijn ter voorkoming van significant verstorende effecten op de natuurwaarden van het gebied. Zonder nadere onderbouwing kan niet worden geconcludeerd dat een eventuele toename van het aantal hardlopers in het gebied niet tot een verdere verstoring van de aanwezige natuurwaarden zal leiden. Gelet hierop berust het bestreden besluit in zoverre niet op een deugdelijke motivering. Het betoog slaagt. Mitigerende maatregelen 41. Stichting Duinbehoud en anderen betogen dat onvoldoende is verzekerd dat met de in de passende beoordeling beschreven en onderbouwde mitigerende maatregelen kan worden verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast. De effectiviteit van deze maatregelen is volgens hen niet goed onderbouwd. Ook kan op basis van het mitigatieonderzoek niet worden vastgesteld dat met de aanleg van een wandelpad de druk op het Natura 2000-gebied niet verder toeneemt. Ter onderbouwing van dit betoog verwijzen Stichting Duinbehoud en anderen naar de Notitie "beoordeling gevolgen recreatie planbesluit Valkenhorst N2000 Meijendel & Berkheide" van [gemachtigde C] van april 2024 (hierna: de notitie). 41.1.

De raad stelt zich op het standpunt dat in de passende beoordeling en het mitigatieonderzoek deugdelijk is onderbouwd waarom het plan niet tot gevolg heeft dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied vanwege de recreatiedruk zullen worden aangetast. 41.2. Artikel 32.2 van de planregels van het herstelbesluit luidt: "1. Tot een met de functies 'Gemengd', 'Woongebied - 1' en 'Woongebied - 2' strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig die in artikelen 4.1, [ …bedoeld zal zijn 5.1…] sub a, 11.1, sub a en 12.1, sub a toegelaten activiteiten, tenzij op dat moment de van toepassing zijnde maatregelen zoals vervat in het document 'Maatregelen recreatiedruk' dat als bijlage 8 onderdeel uitmaakt van deze regels uitgevoerd zijn en in stand worden gehouden. 2. In afwijking van het bepaalde onder 1 mogen gronden en bouwwerken overeenkomstig de in artikelen 5.1 sub a, 11.1 sub a en 12.1 sub a toegelaten activiteiten gebruikt worden onder de voorwaarde dat in het plangebied van dit bestemmingsplan een tijdelijk wandelpad zoals

38

bedoeld onder 2 in het document 'Maatregelen recreatiedruk' dat als bijlage 8 onderdeel uitmaakt van deze regels aangelegd wordt dat voldoet aan de van toepassing zijnde voorwaarden zoals vervat in de eerdergenoemde bijlage 8.". 41.3. Paragraaf 4.4 van de passende beoordeling vermeldt over de te treffen mitigerende maatregelen dat om de algehele recreatiedruk op het Natura 2000-gebied te verminderen, groene gebieden nabij het woongebied zullen moeten worden ingericht als uitloopgebied om de recreatiedruk in het Natura 2000-gebied te verminderen. Wanneer het recreatieve gebruik in een natuurgebied te hoog wordt, kan een deel van de recreatiedruk worden afgeleid naar het aangrenzende cultuurlandschap, indien dit qua belevingswaarde kan wedijveren met het natuurgebied. 41.4. Paragraaf 2.4 van het mitigatieonderzoek beschrijft het planeffect voor de recreatieactiviteiten. Geconcludeerd wordt (in paragraaf 2.5) dat als gevolg van het plan in een worstcasescenario per jaar maximaal 1.156.580 ommetjes (tot 5 km) en 233.710 wandelingen (5-10 km) vanuit de woningen te verwachten zijn. Dit leidt tot een worstcasetoename van het aantal wandelingen met deze aantallen in het Natura 2000gebied. Het aantal ommetjes zal in werkelijkheid lager zijn, omdat een groot deel van de woningen te ver van het Natura 2000-gebied ligt voor een kort ommetje.

Omdat geen gegevens bekend zijn van het aandeel van de korte ommetjes is dit echter niet te bepalen. Verder is berekend hoeveel ommetjes en wandelingen naar verwachting op zondag (piekdag) zullen plaatsvinden. Het piekaantal ommetjes en wandelingen binnen het Natura 2000-gebied bedraagt als gevolg van het plan maximaal 7.786 per dag. Hiermee zorgt het plan voor een substantiële toename van het aantal wandelingen in een deel van het Natura 2000-gebied. Hoofdstuk 3 van het onderzoek beschrijft de gevolgen van de ommetjes en wandelingen voor de in het gebied voorkomende habitattypen en de voorkomende soorten, die relevant zijn voor de instandhoudingsdoelstellingen waarvoor het gebied is aangewezen. Hierbij gaat het om de mogelijke aantasting van de kwaliteit van een habitat doordat aanwezige typische soorten worden verstoord. Hoofdstuk 4 beschrijft alternatieve recreatiemogelijkheden (voor ommetjes en wandelingen) in de directe omgeving van het plangebied. Het gaat hierbij om de gebieden Valkenburgse Meer en Mient Kooltuin. Waar Valkenburgse Meer al is ingericht voor recreatief gebruik, is dat voor Mient Kooltuin nog niet het geval. Wanneer dit gebied beter toegankelijk wordt gemaakt vanuit het plangebied levert dit volgens BügelHajema een aanzienlijke reductie op van het aantal wandelingen en ommetjes in het N-2000 gebied.

Hierbij wordt aangehouden dat 65% van de makers van de ommetjes gebruik zal maken van een dichterbij gelegen alternatief. Uitgaande van 1.156.580 ommetjes per jaar vanuit het plangebied betekent dat een afname van 751.777 ommetjes. Voor de langere wandelingen tot 10 km zal de Mient Kooltuin niet een volledige wandelroute kunnen opvangen maar (zeker op termijn) wel degelijk een langer verblijf in dit gebied en een kortere duur van de wandelingen in het Natura 2000-gebied tot gevolg hebben. In hoofdstuk 5 staan de mitigerende maatregelen beschreven die getroffen moeten worden om te voorkomen dat de recreatiedruk op het Natura 2000-gebied toeneemt. Dit betreffen allemaal ‘externe’ mitigerende maatregelen, die buiten het Natura 2000-gebied moeten worden getroffen. Het meest effectief is daarbij het realiseren van een volwaardig alternatief voor wandelingen of ommetjes door het Natura 2000-gebied. Paragraaf 5.2.2 beschrijft de voorwaarden waaraan dit wandelpad moet voldoen (zie ook het overzicht in paragraaf 5.3). Wanneer deze maatregelen getroffen worden, kan volgens het mitigatieonderzoek worden

39

voorkomen dat de recreatiedruk in het Natura 2000-gebied toeneemt, zodat de aantasting van de natuurlijke kenmerken van in dat gebied voorkomende habitats kan worden uitgesloten. 41.5. In de notitie die is ingebracht door Stichting Duinbehoud en anderen wordt over de effectiviteit van de mitigerende maatregelen aangevoerd dat de mitigerende maatregelen alleen voorkomen dat een significant deel van de effecten van de ommetjes wordt gemitigeerd, maar dat dit voor een groot deel van de wandelingen niet het geval is. Om die reden zijn de beoogde mitigerende maatregelen onvoldoende en niet voldoende effectief om te voorkomen dat de natuurlijke kenmerken in het Natura 2000-gebied zullen worden aangetast. 41.6. Voor individuele plannen en projecten die significante gevolgen voor een Natura 2000gebied kunnen hebben, geldt dat deze uitsluitend kunnen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan of het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. In die passende beoordeling mogen de verwachte voordelen van mitigerende maatregelen - dat zijn maatregelen waarmee wordt beoogd de eventuele schadelijke gevolgen die rechtstreeks uit een plan of project voortvloeien te voorkomen of te verminderen - worden betrokken, mits die voordelen ten tijde van de passende beoordeling vaststaan. 41.7.

Niet in geschil is dat de voorgestelde mitigerende maatregelen kunnen worden ingezet als beschermingsmaatregelen ter mitigatie van de schadelijke gevolgen die rechtstreeks voortvloeien uit het voorliggende bestemmingsplan. Die gevolgen bestaan in het concrete geval uit de verstoring van typische soorten en vermesting en vertrapping van in het Natura 2000-gebied voorkomende planten door wandelaars en honden. De Afdeling is van oordeel dat op basis van de passende beoordeling en het mitigatieonderzoek onvoldoende is komen vast te staan dat met de daarin voorgestelde mitigerende maatregelen, bestaande uit de aanleg van alternatieve wandelroutes, de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast. De Afdeling werkt dat hierna uit. 41.8. In de eerste plaats is van belang dat in de passende beoordeling staat dat er gezien de huidige recreatiedruk in het Natura 2000-gebied maatregelen moeten worden genomen om een significant effect te voorkomen, dat het aantal bezoekers zal toenemen, de maatregel in het beheerplan daar niet op is afgestemd en de kans aanwezig is dat de extra bezoekers bijdragen aan de afname op lange termijn van de populatieomvang van de betrokken typische soorten in het gebied.

Om dit effect te voorkomen is een pakket aan mitigerende maatregelen uitgewerkt, dat er in de kern op neerkomt dat het schadelijke effect van de toename van de recreatiedruk moet worden afgeleid naar het aangrenzende cultuurlandschap door daarin nieuwe wandelpaden aan te leggen. Dit kan volgens het mitigatieonderzoek door de aanleg van een wandelpad van ongeveer 5 km in het nabijgelegen gebied Mient Kooltuin en door een netwerk van wandelpaden in en rondom het plangebied. Dit netwerk wordt beschreven in het mitigatieonderzoek. Ook heeft de raad voorafgaand aan de zitting een verkennend memo genaamd "Wandelroutes Mient Kooltuin" van 16 mei 2024 overgelegd, waarin diverse routes en mogelijkheden worden beschreven om wandelpaden in en rondom het plangebied aan te leggen conform de uitgangspunten van het mitigatieonderzoek. Het mitigatieonderzoek beschrijft dat deze maatregelen naar verwachting zullen leiden tot een vermindering van de toename van de recreatiedruk met zo’n 65% van de makers van ommetjes. Uitgaande van het in dat onderzoek aangehouden aantal van 1.156.580 ommetjes per jaar, betekent dit een afname van 751.777 ommetjes. Voor de langere wandelingen tot

40

10 km zal de Mient Kooltuin niet een volledige wandelroute kunnen opvangen, maar (op langere termijn) zal zeker een langer verblijf in dit gebied en een kortere duur van de wandeling in het Natura 2000-gebied tot gevolg hebben. Uit het onderzoek volgt echter niet of en in hoeverre het overige deel van de berekende, als gevolg van het plan te verwachten ommetjes en wandelingen tot 10 km tot een nadelig effect kunnen leiden op de in het Natura 2000-gebied voorkomende typische soorten en habitats. In dit verband acht de Afdeling van belang dat het mitigatieonderzoek in paragraaf 5.4 beschrijft dat een omslagpunt waarop voor het eerst sprake is van significante effecten, niet expliciet kan worden bepaald. Het ontbreekt aan geaccepteerde parameters die een omslagpunt bepalen waarop gevolgen voor de instandhoudingsdoelen niet langer uit te sluiten zijn. Daarnaast is het zo dat de huidige recreatiedruk in het Natura 2000-gebied dusdanig is dat in het beheerplan al instandhoudingsmaatregelen moesten worden opgenomen om negatieve gevolgen door recreatie te voorkomen. Omdat alle woningen binnen het plangebied op wandelafstand van het Natura 2000-gebied liggen, zowel bij ommetjes als bij wandelingen van 5-10 km, zullen alle nieuwe bewoners in het Natura 2000-gebied kunnen recreëren.

Dit staat op gespannen voet met de constatering dat niet alle bewoners van het gebied gebruik zullen maken van de aan te leggen wandelpaden. Verder blijkt uit de analyse van de benodigde mitigerende maatregelen dat het nodig is om dusdanige maatregelen te nemen dat wordt voorkomen dat de recreatiedruk in het Natura 2000-gebied wordt vergroot. De Afdeling is van oordeel dat op grond van de passende beoordeling en het mitigatieonderzoek niet goed is onderbouwd of en in hoeverre de resterende toename van de recreatiedruk op het Natura 2000-gebied niet tot gevolg heeft dat de daarin voorkomende typische soorten en habitats op een dusdanige manier worden verstoord en/of aangetast, dat het plan niet tot gevolg heeft dat de natuurlijke kenmerken van het gebied worden aangetast. In zoverre berust het plan niet op een deugdelijke motivering. Het betoog slaagt. Honden- en kattenconcentratie 42. Stichting Duinbehoud en anderen voeren aan dat de passende beoordeling ten onrechte geen rekening houdt met de gevolgen van honden en katten in het Natura 2000-gebied. Onvoldoende bekend is welke honden- en kattenconcentratie verenigbaar is met de betrokken natuurwaarden, en welke maatregelen effectief zijn om te voorkomen dat zich een te hoge concentratie voordoet. 42.1.

De raad stelt zich op het standpunt dat op de mogelijke verstoring en bemesting door honden is ingegaan in de passende beoordeling. Daarin staat dat in het Natura 2000-gebied alleen op de paden mag worden gewandeld en dat honden aan de lijn moeten worden gehouden. Daarnaast is in het mitigatieonderzoek ingegaan op de effecten van verstoring door loslopende honden. De conclusie is dat als kan worden voorkomen dat de recreatiedruk toeneemt, geen significante negatieve gevolgen zullen optreden. Dat kan door een dichterbij gelegen alternatief voor een wandeling te bieden in de Mient Kooltuin en de andere recreatiegebieden die rondom het plangebied liggen. Over de toename van de kattenconcentratie stelt de raad zich op het standpunt dat aan de passende beoordeling ten grondslag is gelegd dat geen sprake zal zijn van een verstorende toename van het aantal jagende katten, laat staan dat dit zal leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied. De raad wijst er in dit verband op, mede op basis van door ecologen van IDDS verstrekte gegevens, dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat huiskatten dicht bij de woning blijven (vergelijk o.a. Mapping the

41

"catscape formed by a population of pet cats with outdoor access", Bischof e.a., april 2022 in Nature https:/www.nature.com/articles/s41598-022-09694-9). Katten brengen bijna 80% van de tijd door in een straal van 50 m rond het huis van de eigenaar. De gemiddelde maximale afstand bedroeg in het bovengenoemde onderzoek 352 m. Dit geldt volgens de raad te meer voor katten in een (matig) stedelijke omgeving. Deze katten komen buiten direct in het territorium van andere katten en zullen om die reden een relatief klein territorium hebben van enkele honderden meters. Daar komt bij dat katten het Natura 2000-gebied niet eenvoudig zullen kunnen betreden. Het gebied ten westen van het plangebied is een polder met brede watergangen. Aan de westzijde van het plangebied loopt langs de Mient Kooltuin de Grooteof Valkenburgsche Watering. Deze brede watergang fungeert als een natuurlijke barrière voor katten. Halverwege de Mient Kooltuin bevindt zich een tweede noord zuid gerichte watergang. Ten westen van de Mient Kooltuin bevindt zich vervolgens de N441, en drukke weg, waarnaast zich eveneens deels een sloot bevindt. Tot slot is een groot deel van het Natura 2000-gebied zelf omgeven door brede watergangen en waterpartijen. Al met al zullen katten niet of slechts zeer moeilijk en daarmee in zeer beperkte mate in het Natura 2000gebied kunnen komen.

De deskundigen hebben naar de mening van de raad dan ook terecht geen reden gezien om de nadelige effecten van verstoring door katten in het Natura-2000 gebied nader te onderzoeken. 42.2. In wat Stichting Duinbehoud en anderen aanvoeren over de toename van het aantal katten in het plangebied, ziet de Afdeling geen aanknopingspunt voor de conclusie dat het aan de passende beoordeling ten grondslag liggende onderzoek naar de verstorende effecten van het plan op de in het Natura 2000-gebied aanwezige natuurwaarden onvolledig is geweest. De raad heeft toereikend gemotiveerd waarom het onwaarschijnlijk is dat zich in het concrete geval, mede vanwege het natuurlijke gedrag van de huiskat, in grote aantallen katten zullen ophouden in het Natura 2000-gebied, met als gevolg de (eventuele) verstoring van daar voorkomende soorten. Om die reden kon onderzoek naar deze verstoringseffecten achterwege blijven. Het betoog slaagt niet. 42.3.

In wat Stichting Duinbehoud en anderen aanvoeren over in het bijzonder de verstorende effecten van honden op in het Natura 2000-gebied voorkomende typische soorten, vertrapping en vermesting, overweegt de Afdeling onder verwijzing naar wat hiervoor onder 41.8 is overwogen dat in de passende beoordeling en het mitigatieonderzoek onvoldoende inzichtelijk is gemaakt wat de precieze gevolgen zijn van de toename van het aantal wandelaars en honden in het gebied, terwijl niet valt uit te sluiten dat die toename zich zal voordoen. Daarbij neemt de Afdeling mede in aanmerking dat in de passende beoordeling staat dat wandelaars met honden een groter verstorend effect hebben dan wandelaars zonder hond en ook dan andere recreatievormen, en dat momenteel 1 op de 5 huishoudens in Nederland een hond heeft, wat mogelijk 1120 extra honden betekent. Onder die omstandigheden kan bij de huidige beheersmaatregelen die op het gebied van toepassing zijn, niet worden gesteld dat de in het gebied aanwezige natuurwaarden vanwege de toename van het aantal honden in het gebied niet zonder meer zullen worden aangetast. Het betoog slaagt. NATUUR - NATUURNETWERK NEDERLAND (NNN) 43. Gemeente Wassenaar voert aan dat het onderzoek naar de gevolgen van het plan voor het Bunkerbos, dat deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), ten onrechte is doorgeschoven naar een latere fase.

Dit acht zij in strijd met de provinciale verordening.

42

43.1. Artikel 6.24, eerste lid, van de Omgevingsverordening Zuid-Holland, luidde ten tijde van belang: "Een bestemmingsplan voor een locatie binnen het Natuurnetwerk Nederland, onderverdeeld in bestaande en nieuwe natuur, waternatuurgebied en ecologische verbinding, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 7 in bijlage II, wijst geen bestemmingen aan die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden.". 43.2. Ingevolge kaart 7 van bijlage II bij de Omgevingsverordening is het Bunkerbos, aan de zuidwestzijde van het plangebied, aangewezen als ‘bestaande en nieuwe natuur’ als bedoeld in artikel 6.9e, eerste lid, van de Omgevingsverordening. De gronden ter plaatse hebben ingevolge het voorliggende plan de bestemming "Natuur" gekregen. Deze gronden zijn ingevolge artikel 7.1 van de planregels van het herstelbesluit aangewezen voor de volgende activiteiten: "a. activiteiten gericht op aanleg, onderhoud en beheer van: 1. bos, struiken en opgaande beplanting; 2. kruidachtige vegetaties; 3. water en watergangen; 4. nutsvoorzieningen; 5. infrastructuur. b. activiteiten gericht op behouden en verbeteren van de waterkwaliteit; c.

activiteiten die verband houden met verkeer en verblijven op voet- en fietspaden; d. activiteiten gericht op extensief recreatief medegebruik; e. behoud, ontwikkeling en bescherming van cultuurhistorische waarden van rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten.". 43.3. Het rapport "Natuurtoets Wet natuurbescherming Vliegveld Valkenburg" van Eelerwoude van 27 augustus 2020 (hierna: de Natuurtoets), dat aan het plan ten grondslag is gelegd, gaat in op de effecten vanwege het plan op de gebieden die in het plangebied zijn gelegen en die deel uitmaken van het NNN. Hieruit volgt dat het Bunkerbos deels binnen de begrenzing ligt van het NNN. Het Bunkerbos blijft echter ongemoeid omdat hier geen ontwikkelingen op grond van het plan zullen plaatsvinden. Hierdoor is dan ook geen sprake van een afname van areaal binnen het NNN. Of sprake is van andere effecten die de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN significant kunnen aantasten, is afhankelijk van de aard van de ontwikkeling ter plaatse, zo staat in de Natuurtoets. Een nadere toetsing aan het NNN is daarom noodzakelijk zodra de ontwikkeling nabij het Bunkerbos duidelijk is. 43.4. De Afdeling overweegt dat in de Natuurtoets is onderzocht of er effecten zijn vanwege de in het plan voorziene ontwikkelingen op de tot het NNN behorende gebieden.

Dit onderzoek omvat onder meer een ecologische quickscan naar de aanwezigheid van eventuele soorten, die zich binnen de als NNN aangeduide gebieden bevinden. Over de gevolgen voor het NNN staat in de Natuurtoets dat het plan niet tot gevolg heeft dat de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant worden beperkt, omdat geen ontwikkelingen zijn voorzien binnen het NNN. Gelet hierop is terecht de conclusie dat het plan in zoverre niet in strijd is met het bepaalde in artikel 6.24, eerste lid, van de Omgevingsverordening. Van dat artikel gaat geen bescherming uit van de gebieden buiten het NNN (externe werking). Dat de Natuurtoets de

43

aanbeveling doet om nog nader onderzoek te doen zodra de ontwikkeling nabij het Bunkerbos duidelijk is, doet hier niet aan af. Het betoog slaagt niet. UITVOERBAARHEID - SOORTENBESCHERMING 44. Gemeente Wassenaar voert aan dat het soortenbeschermingsregime in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het onderzoek naar de aanwezigheid van enkele soorten in het plangebied is ten onrechte doorgeschoven, terwijl met het plan op deze locaties al wel woningbouw mogelijk is gemaakt. Dit geldt voor vleermuizen, de buizerd, de havik en de ransuil, als ook voor overige vogels en de rugstreeppad. Gemeente Wassenaar voert verder aan dat het vleermuisonderzoek uit 2014 dat aan het plan ten grondslag is gelegd, is verouderd. Verder volgt uit dit onderzoek dat de voorgenomen woningbouw en de bijbehorende verlichting op enkele plaatsen tot aan essentiële foerageergebieden van vleermuizen kunnen komen. Het gaat daarbij om locaties aan de noordzijde bij de 1e Mientlaan, ter hoogte van het Bunkerbos en aan de rand van het Valkenburgse Meer. Omdat negatieve invloeden niet kunnen worden uitgesloten, is een ontheffing benodigd indien de essentiële foerageergebieden bij nader onderzoek opnieuw worden vastgesteld, en aantasting hiervan niet kan worden voorkomen.

Volgens gemeente Wassenaar had dit onderzoek voorafgaand aan de vaststelling van het plan al moeten plaatsvinden conform het meest recente vleermuizenprotocol. Daarbij is het volgens gemeente Wassenaar nog maar zeer de vraag of de mogelijk benodigde ontheffing kan worden verkregen, omdat alternatieven voor het realiseren van woningen nabij essentiële foerageerroutes gemakkelijk te vinden zijn. Gemeente Wassenaar betoogt daarnaast dat het onderzoek naar vogels met jaarrond beschermde nesten gebrekkig is. Dit onderzoek uit 2018 is eveneens verouderd. Bovendien volgt uit dit onderzoek dat een ontheffingsaanvraag voor de buizerd, havik of ransuil niet nodig is voor de ontwikkeling, omdat de komende vijf jaar alleen in het noordoostelijke deel van het plangebied gebouwd zal worden. Omdat het plan al wel woningbouw mogelijk maakt binnen het gehele plangebied, had een toets of een eventueel benodigde ontheffing kan worden verkregen, al voor vaststelling van het plan moeten worden uitgevoerd. Daarbij wordt opgemerkt dat voor vogels geen ontheffing kan worden verleend vanwege een ‘dwingende reden van groot openbaar belang’. Het vorenstaande geldt ook voor in ieder geval de overige vogels en de rugstreeppad. 44.1.

De raad stelt zich op het standpunt dat hij bij de vaststelling van het plan geen zodanige belemmeringen heeft geconstateerd dat hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat geen enkele wijze van uitvoering van het plan mogelijk is die in overeenstemming is met het soortenbeschermingsregime. Omdat het hier een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte betreft dat een zeer groot gebied omvat en globaal van aard is, zal de uitvoering een lange periode - naar verwachting maximaal 20 jaar - in beslag nemen. Nader onderzoek, onder meer voor wat betreft uitvoeringsaspecten als soortenbescherming, is voor plandelen die in ontwikkeling worden gebracht hoe dan ook onontkoombaar, aldus de raad. De raad wijst er verder op dat hij het rapport "Natuurtoets Wet natuurbescherming Vliegveld Valkenburg" van Eelerwoude van 27 augustus 2020 aan het plan ten grondslag heeft gelegd (hierna: de Natuurtoets). Hierin zijn de effecten vanwege het plan op de in het gebied voorkomende soorten mede onderzocht. Te zijner tijd is naar verwachting nader onderzoek en mogelijk een ontheffing nodig voor vleermuizen en de rugstreeppad. In het voorkomende geval zal rekening gehouden moeten worden met eventuele aan de ontheffing te verbinden

44

voorschriften. Uit de Natuurtoets volgt echter niet dat het plan op geen enkele wijze uitvoerbaar is. 44.2. De Afdeling overweegt dat de raad een beroep heeft gedaan op artikel 7c, negende lid, onder a, sub 2, van het Besluit uitvoering Chw. Daarin is bepaald dat kan worden afgeweken van de verplichting die is neergelegd in artikel 3.1.6, eerste lid, onder f, van het Besluit ruimtelijke ordening om in de plantoelichting de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan neer te leggen. Dit betekent, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1960, onder 28.3 (Zandzoom), dat de raad in dit opzicht alleen had moeten afzien van de vaststelling van het plan indien de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat geen enkele wijze van uitvoering van het plan mogelijk is die in overeenstemming is met het soortenbeschermingsregime. 44.3. In paragraaf 5.2.7.2 van de plantoelichting zijn de resultaten van de Natuurtoets beschreven. Wat vleermuizen betreft volgt hieruit dat om de effecten van de ontwikkeling voor vleermuizen en een eventuele ontheffingsaanvraag te bepalen, nader onderzoek benodigd is. Uit de eerdere onderzoeken is gebleken dat het open gebied van het voormalige vliegveld ongeschikt is voor vleermuizen. De gebouwen in het hangaargebied zijn wel geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen.

Bij sloop of renovatie van deze gebouwen kunnen verblijfplaatsen vernietigd worden. Indien er werkzaamheden aan bestaande gebouwen plaatsvinden, moet onderzoek aantonen of hier daadwerkelijk vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn. Het Bunkerbos en de Wassenaarsche Watering maken onderdeel uit van de vliegroutes van de vleermuizen. Hier zijn geen ontwikkelingen voorzien, maar woningbouw en infrastructuur in de nabijheid kan wel leiden tot verstoring door lichthinder. Door een zone langs het Bunkerbos en de Wassenaarsche Watering vrij te houden van bebouwing of maatregelen voor verlichting voor de schrijven, kan aantasting voorkomen worden. Wat broedvogels van boselementen met jaarrond beschermde nesten betreft, staat in de plantoelichting dat bij het onderzoek (in 2018) verblijfsplaatsen zijn aangetroffen. Deze blijven behouden. Indien hiervan wordt afgeweken dient aangetoond te worden dat het voornemen uitvoerbaar is en ontheffing verleend te worden. Wat de rugstreeppad betreft vermeldt de plantoelichting dat het laatste integrale onderzoek naar de rugstreeppad reeds uit 2014 is. Om de effecten voor de beschermde amfibieënsoort rugstreeppad en een eventuele ontheffingsaanvraag te bepalen, is nader onderzoek naar de actuele verspreiding van de soort in het plangebied nodig.

In paragraaf 5.2.7.3 van de plantoelichting is geconcludeerd dat het aspect ecologie (wat soortenbescherming betreft) geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen, mits: - voorafgaand aan realisatie van het planvoornemen voldaan wordt aan de eis voor nader onderzoek (vleermuizen en rugstreeppad) en mogelijke ontheffingsaanvragen; - te allen tijde de zorgplicht in acht wordt genomen, en - tijdens de werkzaamheden eventueel broedende vogels niet worden verstoord. Op voorhand kan de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied niet worden uitgesloten. Dit geldt temeer door de omvang van het plangebied en de lange looptijd van de ontwikkeling. Beide aspecten kunnen er immers toe leiden dat zich tussen het moment van het uitvoeren van de onderzoeken en de aanvang van de werkzaamheden beschermde soorten in (een deel van) het plangebied vestigen. Om negatieve effecten op beschermde

45

soorten uit te sluiten is in de regels van dit bestemmingsplan (artikel 32.1) bepaald dat bij de aanvraag om een omgevingsvergunning aangetoond moet worden dat de te vergunnen activiteiten geen negatieve effecten op beschermde soorten hebben. 44.4. Artikel 32.1 van de planregels van het herstelbesluit luidt: "Bij het beginnen of veranderen van activiteiten zoals bedoeld in artikel 2.1, lid 1 onder a en b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht moet aangetoond worden dat de ecologische waarden niet onevenredig worden aangetast.". 44.5. De Afdeling overweegt, onder verwijzing naar het hiervoor in 44.2 uiteengezette toetsingskader, dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat geen enkele wijze van uitvoering van het plan mogelijk is die in overeenstemming is met het soortenbeschermingsregime. In de Natuurtoets is niet geconcludeerd dat uitvoering van het plan onvermijdelijk zal leiden tot overtredingen van verbodsbepalingen, waarvan geen ontheffing kan worden verleend. Uit de Natuurtoets volgt alleen dat er mogelijk ontheffingen nodig zijn, in het bijzonder voor vleermuizen en de rugstreeppad, afhankelijk van de vraag of bij nader, gericht onderzoek blijkt dat in het plangebied daadwerkelijk beschermde soorten voorkomen.

Het zou kunnen dat een benodigde ontheffing in een concreet geval niet kan worden verleend. Dan moet wellicht voor de gewenste woningbouw een andere locatie in het plangebied worden gekozen of kan een minder groot aantal woningen worden gerealiseerd dan het maximaal toegestane aantal. Dit betekent echter niet dat het plan op geen enkele wijze kan worden uitgevoerd. De Afdeling ziet verder in wat gemeente Wassenaar heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor de conclusie dat reeds op voorhand moet worden gezegd dat de reeds verrichte Natuurtoets zodanige leemten en/of gebreken vertoont, dan wel dat de informatie waarop dat onderzoek is gebaseerd zodanig is verouderd, dat de raad dit rapport niet aan het plan ten grondslag heeft mogen leggen. Het betoog slaagt niet. CONCLUSIE OVER HET BESLUIT VAN 18 APRIL 2024 45. Het beroep van VVW tegen het besluit van 18 april 2024 is ongegrond. BESTUURLIJKE LUS 46. De beroepen van SVG, gemeente Wassenaar en Stichting Duinbehoud en anderen hebben gebreken in het besluit van 18 april 2024 aan het licht gebracht. De Afdeling zal de raad opdragen deze gebreken te herstellen. De raad kan dat doen door: a.

met inachtneming van wat is overwogen onder 23.5 te motiveren in hoeverre het in het plan opnemen van een maximum bouwhoogte van 40 m en de mogelijkheid nog hoger te bouwen dan 40 m in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, dan wel het plan op dit punt aan te passen; b. met inachtneming van wat is overwogen onder 27.4 alsnog te beoordelen in hoeverre het plan ter plaatse van de bestaande Wassenaarse kruispunten met de N44 in de toekomstige situatie leidt tot een verslechtering van de verkeerssituatie, en in dit licht te bezien of maatregelen noodzakelijk zijn, dan wel door een ander besluit te nemen; en c. met inachtneming van wat is overwogen onder 40.4, 41.8 en 42.3 alsnog te onderbouwen of en in hoeverre de resterende toename van de recreatiedruk op het Natura 2000-gebied vanwege het plan niet tot gevolg heeft dat de daarin voorkomende typische soorten en

46

habitats op een zodanige manier worden verstoord en/of aangetast, dat het plan niet tot gevolg heeft dat de natuurlijke kenmerken van het gebied worden aangetast, en hiertoe de passende beoordeling en de daaraan ten grondslag liggende rapportages te actualiseren, of, indien uit de passende beoordeling niet de vereiste zekerheid kan worden verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet zal aantasten, een zogenoemde ADC-toets overeenkomstig artikel 2.8, vierde en vijfde lid, van de Wet natuurbescherming uit te voeren, of een ander besluit te nemen. De raad dient de Afdeling en SVG, gemeente Wassenaar en Stichting Duinbehoud en anderen de uitkomst van voormelde opdracht mede te delen en het gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen. Afdeling 3.4 van de Awb hoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit niet opnieuw te worden toegepast. Dit betekent dat niet eerst een nieuw ontwerpbestemmingsplan ter inzage hoeft te worden gelegd. DE BEROEPEN TEGEN HET BESLUIT VAN 30 JUNI 2022 47. Niet is gebleken dat VVW belang heeft bij het inhoudelijk beoordelen van haar beroep tegen het oorspronkelijke plan. 48. Het beroep van VVW tegen het besluit van 30 juni 2022 is daarom niet-ontvankelijk. 49. Dit betekent dat voor VVW deze uitspraak een einduitspraak is. 50.

In de einduitspraak zal worden beslist op de overige beroepen gericht tegen het oorspronkelijke plan. SLOTOVERWEGINGEN 51. De raad hoeft geen proceskosten van VVW te vergoeden. 52. In de einduitspraak zal worden beslist over de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van gemeente Wassenaar, SVG en Stichting Duinbehoud en anderen. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep van VVW tegen het besluit van 30 juni 2022 niet-ontvankelijk; II. verklaart het beroep van VVW tegen het besluit van 18 april 2024 ongegrond; III. draagt de raad van de gemeente Katwijk op om: - binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak, met inachtneming van wat onder 46 is overwogen, de gebreken in het besluit van 18 april 2024 te herstellen; - de Afdeling, SVG, gemeente Wassenaar en Stichting Duinbehoud en anderen de uitkomst mee te delen en het gewijzigde of nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen. Aldus vastgesteld door mr. H.C.P. Venema, voorzitter, en mr. J.M.L. Niederer en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Perlot, griffier. w.g. Venema voorzitter

47

w.g. Perlot griffier Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2024 901-952

BIJLAGE Algemene wet bestuursrecht Artikel 6:19: "1 Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. 2 Het eerste lid geldt ook indien het bezwaar is gemaakt of het beroep is ingesteld nadat het bestuursorgaan het bestreden besluit heeft ingetrokken, gewijzigd of vervangen. 3 Het bestuursorgaan stelt het nieuwe besluit onverwijld ter beschikking aan het orgaan waarbij het beroep aanhangig is. 4 Indien een ander orgaan een bezwaar- of beroepschrift tegen het nieuwe besluit ontvangt, zendt het dit met toepassing van artikel 6:15, eerste en tweede lid, door. 5 De bestuursrechter kan het beroep tegen het nieuwe besluit echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is. 6 Intrekking of vervanging van het bestreden besluit staat niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft." Wet ruimtelijke ordening Artikel 3.1, eerste lid: "De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen vast, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven.

Deze regels betreffen in elk geval regels omtrent het gebruik van de grond en van de zich daar bevindende bouwwerken. Deze regels kunnen tevens strekken ten behoeve van de uitvoerbaarheid van in het plan opgenomen bestemmingen, met dien verstande dat deze regels ten aanzien van woningbouwcategorieën uitsluitend betrekking hebben op percentages gerelateerd aan het plangebied." Besluit ruimtelijke ordening Artikel 3.1.2: "(…) 2. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening kan een bestemmingsplan regels bevatten: a. waarvan de uitleg bij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid, afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels;

48

(…)" Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet Artikel 7c: "1 In aanvulling op artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening kunnen in het bestemmingsplan ook regels worden gesteld, die strekken ten behoeve van het: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies. (…) 6 In het bestemmingsplan kunnen tevens regels worden gesteld waarvan de uitleg bij de uitoefening van een bij die regels aan te geven bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels. Daarbij kan worden bepaald dat de beleidsregels worden vastgesteld door de raad of door burgemeester en wethouders. (…) 13 De raad kan de bevoegdheid tot het vaststellen van delen van het bestemmingsplan delegeren aan burgemeester en wethouders. (…)." Het bestemmingsplan "Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst" Artikel 2:105, getiteld "top wonen milieu": "een geografisch en stedenbouwkundig onderling samenhangend én verbonden groen woongebied, waarin een exclusieve woonfunctie in het hogere segment, met hoogwaardige en bij het gebied passende beeldkwaliteit van de bebouwing en openbare ruimte, is opgenomen.

Dit woonmilieu kan verweven worden met de groene rand van het gebied en/of met één of meer sterk bepalende landschappelijke elementen." Artikel 5.4.2, getiteld "Voorwaarden activiteit bouwen van gebouwen": "De gebouwen zoals bedoeld in artikel 5.4.1 mogen uitsluitend worden gebouwd als wordt voldaan aan het volgende: (…) k. de bouwhoogte van nieuwe gebouwen met gestapelde woningen mag niet meer bedragen dan 13 meter, met dien verstande dat: 1. bij omgevingsvergunning gebouwen met een hogere bouwhoogte dan 13 meter toegelaten kunnen worden, mits: - zij in overeenstemming zijn met het kwaliteitsboek; - de bouwhoogte niet meer bedraagt niet dan 40 meter; 2. bij uitzondering een hogere bouwhoogte dan 40 meter als bedoeld onder 1 toegestaan is, als blijkt dat hogere woningbouw de betaalbaarheid of de leefbaarheid ten goede komt;

49

3. alvorens de hogere bouwhoogte als bedoeld onder 2 toe te staan, vragen burgemeester en wethouders advies aan een deskundige of de hogere bouwhoogte ten goede komt aan de betaalbaarheid of leefbaarheid. (…)." Artikel 11.1, getiteld "Toegelaten activiteiten": "Ter plaatse van de functie 'Woongebied - 1' zijn de volgende activiteiten toegestaan: a. wonen in woningen; b. activiteiten gericht op maatschappelijke en commerciële voorzieningen, al dan niet in combinatie met wonen; c. activiteiten gericht op maatschappelijke voorzieningen; d. kleinschalige detailhandelsactiviteiten en kleinschalige horeca-activiteiten; e. aan huis verbonden beroepen en aan huis verbonden bedrijven; f. geluidwerende voorzieningen; g. watercompensatie; h. een bebouwingsvrije zone; i. behoud, ontwikkeling en bescherming van cultuurhistorische waarden van rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten; j. behoud, ontwikkeling en bescherming van cultuurhistorisch waardevolle objecten anders dan bedoeld onder i; k. onderzoek naar cultuurhistorisch waardevolle objecten, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - cultuurhistorie -1'; l. activiteiten gericht op aanleg, onderhoud en beheer van: 1. groen; 2. dagrecreatie en sport; 3. ondergrondse infrastructuur; 4. water en watergangen; 5. verkeer en verblijven; 6. nutsvoorzieningen; 7. opwekking en distributie van duurzame energie.

m. het bouwen; n. het slopen; o. het kappen van een of meer houtopstanden." Artikel 11.2.1, getiteld "Algemene randvoorwaarden": "Functies en activiteiten zoals bedoeld in artikel 11.1 moeten voldoen aan de volgende voorwaarden: a. voor de gronden met de functie 'Woongebied - 1' kan geen omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, lid 1 onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht worden verleend totdat: 1. een stedenbouwkundig raamwerk door de gemeenteraad vastgesteld is; 2. de gemeenteraad de beleidsregels op basis van het stedenbouwkundig raamwerk zoals bedoeld onder 1 aangevuld heeft teneinde te bepalen wanneer er sprake is van een hoogwaardige beeldkwaliteit als bedoeld in de beleidsregel 'Beeldkwaliteit', die onderdeel uitmaakt van de 'Beleidsregels (herziening) Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst';

50

3. de gemeenteraad de beleidsregels op basis van het stedenbouwkundig raamwerk zoals bedoeld onder 1 aangevuld heeft teneinde te bepalen wanneer er sprake is van een hoogwaardige inrichting van de openbare ruimte als bedoeld in de beleidsregel 'Inrichting openbare ruimte', die onderdeel uitmaakt van de 'Beleidsregels (herziening) Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst'; b. het totaal gezamenlijk aantal toe te voegen woningen in de functies 'Gemengd', 'Woongebied - 1' en 'Woongebied - 2' mag niet meer bedragen dan 5.600, met dien verstande dat: 1. maximaal 3.500 woningen op gronden met de functie 'Woongebied - 1' moeten worden toegevoegd; 2. als er minder dan 3.500 woningen in de functie 'Woongebied - 1' toegevoegd worden, de resterende woningen in de functies 'Gemengd' en 'Woongebied - 2' toegevoegd mogen worden; 3. minimaal 1.125 sociale huurwoningen toegevoegd moeten worden. c. voordat een omgevingsvergunning wordt verleend voor een aangewezen bouwplan zoals bedoeld in lid 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, dient het kostenverhaal verzekerd te zijn overeenkomstig artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening; d. ten aanzien van de activiteiten gericht op maatschappelijke en commerciële voorzieningen, al dan niet in combinatie met wonen, zoals bedoeld in artikel 11.1 onder b gelden de volgende regels: 1.

de activiteiten zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gemengd'; 2. het totale brutovloeroppervlak van maatschappelijke voorzieningen daar waar 'gemengd' is aangeduid, mag niet meer bedragen dan 35.000 m2, met dien verstande dat als er minder dan 35.000 m2 aan maatschappelijke voorzieningen gerealiseerd wordt, de resterende oppervlakten in de functies 'Gemengd' en 'Woongebied - 2' gerealiseerd mogen worden; 3. het totale brutovloeroppervlak van commerciële voorzieningen daar waar 'gemengd' is aangeduid, mag niet meer bedragen dan 7.500 m2; e. ten aanzien van de geluidwerende voorzieningen zoals bedoeld in artikel 11.1 onder f geldt dat deze uitsluitend toegestaan zijn ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van woongebied - geluidwerende voorziening'; f. ten aanzien van de waterberging zoals bedoeld in artikel 11.1 onder g geldt dat deze uitsluitend toegestaan is ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - watercompensatie'; g. ten aanzien van de bebouwingsvrije zone zoals bedoeld in artikel 11.1 onder h gelden de volgende regels: 1. de zone is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - bebouwing'; 2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - bebouwing' mogen geen gebouwen of bouwwerken, geen gebouw zijnde, gebouwd worden. h.

ten aanzien van het behoud, de ontwikkeling en de bescherming van de cultuurhistorische monumenten en gemeentelijke monumenten zoals bedoeld in artikel 11.1, onder i geldt dat dit uitsluitend toegestaan is ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van cultuur en

51

ontspanning - rijksmonument' en 'specifieke vorm van cultuur en ontspanning - gemeentelijk monument' en dat voldaan moet worden aan het bepaald in artikel 21.2.2, sub a; i. ten aanzien van het behoud, ontwikkeling en bescherming van cultuurhistorisch waardevolle objecten anders dan bedoeld in artikel 11.1 onder h geldt dit uitsluitend toegestaan is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - cultuurhistorie -2' en dat voldaan moet worden aan het bepaalde in artikel 21.2.2, sub c; j. in afwijking van het bepaalde onder d mag het totale brutovloeroppervlak van maatschappelijke voorzieningen ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van wonen b1', 'specifieke vorm van wonen - b2', 'specifieke vorm van wonen - b3' en 'specifieke vorm van wonen - b4' niet meer bedragen dan 1.000 m2; k. het totale brutovloeroppervlak van commerciële voorzieningen, ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van wonen - b1', 'specifieke vorm van wonen - b2', 'specifieke vorm van wonen - b3' en 'specifieke vorm van wonen - b4' mag gezamenlijk niet meer bedragen dan 500 m2, met dien verstande dat: 1. de maximale oppervlakte per commerciële voorziening niet meer mag bedragen dan 200 m2; 2. de maximale oppervlakte als bedoeld in de aanhef niet in mindering hoeft te worden gebracht op de maximale oppervlakten als bedoeld onder d. l.

het totale brutovloeroppervlak van maatschappelijke voorzieningen alsmede kleinschalige detailhandelsactiviteiten en/of kleinschalige horeca-activiteiten buiten de aanduidingvlakken als bedoeld onder j en k en daar waar 'gemengd' is aangeduid, mag gezamenlijk niet meer bedragen dan 1.000 m2; m. ten aanzien van de oppervlakte aan groenvoorzieningen en waterlichamen/-partijen gelden de volgende regels: 1. minimaal 3% van het oppervlak van de aanduidingsvlakken zoals genoemd in artikel 11.4.2 moet uit groenvoorzieningen bestaan en per nieuw te bouwen woning in de functie 'Woongebied - 1' moet minimaal 7 m2 aan groenvoorzieningen in de openbare ruimte gerealiseerd worden; 2. minimaal 3% van het oppervlak van de aanduidingsvlakken zoals genoemd in artikel 11.4.2 moet uit waterlichamen/-partijen bestaan. n. van het minimale percentage waterlichamen/-partijen zoals bedoeld onder m kan worden afgeweken indien: 1. de afwijking betrekking heeft op het aanduidingsvlak 'specifieke vorm van wonen - c5', 'specifieke vorm van wonen - v1', 'specifieke vorm van wonen - v3' en/of 'specifieke vorm van wonen - w2' zoals genoemd in artikel 11.4.2; 2. de gemeente en waterbeheerder instemmen met het hanteren van een ander minimaal percentage. o. binnen de 1%-letaliteitscontour van de aardgastransportleidingen met de functie 'Leiding Gas' is het verboden om: 1.

kwetsbare objecten of objecten voor niet-zelfredzame personen te realiseren; 2. gebouwen als kwetsbare objecten of als object voor niet-zelfredzame personen te

52

gebruiken; 3. het gebruik van gebouwen zodanig te wijzigen dat daardoor een een kwetsbaar object of een object voor niet-zelfredzame personen wordt toegelaten; 4. te bouwen in hogere dichtheden dan de maximale dichtheden zoals opgenomen in hoofdstuk 3 van het onderzoek 'Milieu- en veiligheidsonderzoek Nieuw Valkenburg' dat als bijlage 3 onderdeel uitmaakt van de regels van dit bestemmingsplan. p. in de eerstelijnsbebouwing bezien vanaf de aardgastransportleidingen met de functie 'Leiding - Gas' dan wel bezien vanaf de N206 zoals aangewezen op de kaart 'Ligging N206' die als bijlage 4 onderdeel uitmaakt van deze regels is het verboden om: 1. kwetsbare objecten of objecten voor niet-zelfredzame personen te realiseren; 2. gebouwen als kwetsbare objecten of als object voor niet-zelfredzame personen te gebruiken; 3. het gebruik van gebouwen zodanig te wijzigen dat daardoor een kwetsbaar object of een object voor niet-zelfredzame personen wordt toegelaten; 4. te bouwen in hogere dichtheden dan de maximale dichtheden zoals opgenomen in hoofdstuk 3 van het onderzoek 'Milieu- en veiligheidsonderzoek Nieuw Valkenburg' dat als bijlage 3 onderdeel uitmaakt van de regels van dit bestemmingsplan. q.

bij een vergunningsplichtige activiteit die betrekking heeft op de inrichting van de openbare ruimte moet er tevens sprake zijn van een hoogwaardige inrichting zoals bedoeld in de beleidsregel 'Inrichting openbare ruimte' die onderdeel uitmaakt van de 'Beleidsregels (herziening) Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst'; r. indien een vergunningsplichtige activiteit als duurzame ontwikkeling is aangemerkt in de beleidsregel 'Duurzaamheid' die onderdeel uitmaakt van de 'Beleidsregels (herziening) Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst moet voldaan worden aan de in deze beleidsregel opgenomen criteria; s. bij een vergunningplichtige activiteit die betrekking heeft op woningbouw moet er tevens sprake zijn van een evenwichtig woningaanbod zoals bedoeld in de beleidsregel 'Evenwichtig woningaanbod' die onderdeel uitmaakt van de 'Beleidsregels (herziening) Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst'; t. er is sprake van voldoende parkeergelegenheid zoals bedoeld in het Parkeerbeleid. u. het realiseren en als zodanig gebruiken van (beperkt) kwetsbare objecten binnen 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontouren is niet toegestaan; v. de afstand van de gevel van het hoofdgebouw dient, ten opzichte van de weg die binnen de aanduiding 'weg' gelegen is, tenminste 10 meter te bedragen, met dien verstande dat: 1.

de afstand berekend wordt vanaf de as van de weg tot aan de gevel van het hoofdgebouw die het dichtste bij de weg gelegen is; 2. hoofdgebouwen waarin, achter deze gevel, geen geluidgevoelige functie is voorzien uitgezonderd zijn. Artikel 11.4.2, getiteld "Voorwaarden activiteit gebouwen van gebouwen": De gebouwen zoals bedoeld in artikel 11.4.1 mogen uitsluitend worden gebouwd als wordt

53

voldaan aan het volgende: (…) k. de bouwhoogte van nieuwe woningen mag niet meer bedragen dan 13 meter, met dien verstande dat: 1. bij omgevingsvergunning gebouwen met een hogere bouwhoogte van 13 meter toegelaten kunnen worden, mits: - zij in overeenstemming zijn met het kwaliteitsboek; - de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 40 meter. 2. bij uitzondering een hogere bouwhoogte dan 40 meter als bedoeld onder 1 toegestaan is, als blijkt dat hogere woningbouw de betaalbaarheid of de leefbaarheid ten goede komt; 3. alvorens de hogere bouwhoogte als bedoeld onder 2 toe te staan, vragen burgemeester en wethouders advies aan een deskundige of de hogere bouwhoogte ten goede komt aan de betaalbaarheid of leefbaarheid. Artikel 12.1, getiteld "Toegelaten activiteiten": "Ter plaatse van de functie 'Woongebied - 2' zijn de volgende activiteiten toegestaan: a. wonen in woningen; b. activiteiten gericht op maatschappelijke voorzieningen; c. kleinschalige detailhandelsactiviteiten en kleinschalige horeca-activiteiten; d. aan huis verbonden beroepen en aan huis verbonden bedrijven; e. behoud, ontwikkeling en bescherming van cultuurhistorische waarden van rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten; f. activiteiten gericht op aanleg, onderhoud en beheer van: 1. groen; 2. Dagrecreatie en sport; 3. ondergrondse infrastructuur; 4. water en watergangen; 5. verkeer en verblijven; 6.

nutsvoorzieningen; 7. opwekking en distributie van duurzame energie. g. het bouwen; h. het slopen; i. het kappen van een of meer houtopstanden." Artikel 12.2.1, getiteld "Algemene randvoorwaarden": " Functies en activiteiten zoals bedoeld in artikel 12.1 moeten voldoen aan de volgende voorwaarden: (…) b. het totaal gezamenlijk aantal toe te voegen woningen in de functies 'Gemengd', 'Woongebied - 1' en 'Woongebied - 2' mag niet meer bedragen dan 5.600, met dien verstande dat: 1. maximaal 2.100 woningen op gronden met de functies 'Gemengd' en 'Woongebied - 2' mogen worden toegevoegd;

54

2. indien er minder dan 3.500 woningen op de gronden met de functie 'Woongebied - 1' toegevoegd worden, het verschil kan worden toegevoegd aan het aantal genoemd onder 1, waarbij het vanuit het verschil het toegevoegde aantal woningen niet meer mag bedragen dan 100; 3. van het aantal woningen zoals genoemd onder 1 en eventueel vermeerderd met het aantal benoemd onder 2 er maximaal 500 woningen in het top wonen milieu toegevoegd worden;. (…)" Artikel 12.4.1, getiteld "Algemene voorwaarden activiteit bouwen": "(…) 2. Bouwwerken hebben een hoogwaardige beeldkwaliteit zoals bedoeld in de beleidsregel 'Beeldkwaliteit' die onderdeel uitmaakt van de 'Beleidsregels (herziening) Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst'. (…)." Artikel 12.4.2, getiteld "Voorwaarden activiteit bouwen van gebouwen": "De gebouwen zoals bedoeld in artikel 12.4.1 mogen uitsluitend worden gebouwd als wordt voldaan aan het volgende: (…) h. de bouwhoogte van nieuwe gebouwen met gestapelde woningen mag niet meer bedragen dan: 1. 15 meter ter plaatse van van de aanduiding 'specifieke vorm van woongebied overgangszone groen woonmilieu'; 2. 40 meter op alle andere locaties dan bedoeld onder 1, met dien verstande dat bij uitzondering een hogere bouwhoogte dan 40 meter toegestaan is, als blijkt dat hogere woningbouw de betaalbaarheid of de leefbaarheid ten goede komt; 3.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duivenvoorde&id=13d4dc77-a081-477f-bccc-0f977c2dd41a