Raadsinformatiebrief 124 Bijlage 1 Tussenuitspraak Raad van State Valkenhorst
Tekst van het document
ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:5127
Datum uitspraak
11 december 2024
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 30 juni 2022 heeft de raad van de gemeente Katwijk het bestemmingsplan "Woongebied Valkenhorst" vastgesteld. Het plangebied ligt in de gemeente Katwijk, tussen Katwijk, Leiden en Wassenaar. Het gebied is zo’n 475 ha groot. Het grootste gedeelte van het plangebied werd vroeger gebruikt voor het Marinevliegkamp Valkenburg. Deze vliegbasis is in 2006 gesloten. Het plan beoogt het mogelijk te maken dat deze gronden worden getransformeerd naar een internationaal georiënteerd woon-, werk- en recreatiegebied. In totaal wordt de ontwikkeling van maximaal 5.600 woningen in combinatie met de ontwikkeling van bedrijfslocaties en diverse voorzieningen mogelijk gemaakt. Gemeente Wassenaar, SVG en VVW betogen dat bij het opstellen van het milieueffectrapport ten onrechte niet alle ontwikkelingen in ogenschouw zijn genomen die met de verwezenlijking van Valkenhorst samenhangen. Gemeente Wassenaar betoogt dat in het MER niet de redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven zijn onderzocht. Zo is niet onderzocht of er in het gebied ook minder woningbouw kan worden verwezenlijkt, of dat de woningbouw anders over de verschillende deelgebieden wordt verspreid.
Volledige tekst 202205246/1/R3. Datum uitspraak: 11 december 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in het geding tussen:
1
1. Stichting Valkenburg Groen (hierna: SVG), gevestigd te Wassenaar, 2. Vereniging van Vrienden van Wassenaar (hierna: VVW), gevestigd te Wassenaar, 3. Het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar, de raad van de gemeente Wassenaar en de gemeente Wassenaar (hierna samen en in enkelvoud: gemeente Wassenaar), 4. Stichting Duinbehoud en anderen, gevestigd te Leiden, appellanten, en de raad van de gemeente Katwijk, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 30 juni 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Woongebied Valkenhorst" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben SVG, VVW, gemeente Wassenaar en Stichting Duinbehoud en anderen beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. SVG, Stichting Duinbehoud en anderen, gemeente Wassenaar, de raad en BPD Ontwikkeling B.V. hebben nadere stukken ingediend. Bij besluit van 18 april 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst" vastgesteld. Gemeente Wassenaar en Stichting Duinbehoud en anderen hebben gronden over het besluit van 18 april 2024 naar voren gebracht. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 mei 2024, waar SVG, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], VVW, vertegenwoordigd door [gemachtigde B], gemeente Wassenaar, vertegenwoordigd door A.M.
Nijboer, advocaat te Amsterdam, Stichting Duinbehoud en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde C] en [gemachtigde D], bijgestaan door mr. V. Wösten, rechtsbijstandsverlener te Den Haag, en de raad van de gemeente Katwijk, vertegenwoordigd door mr. F.P. van Galen, advocaat te Leiden, zijn verschenen. Ook is op de zitting BPD Ontwikkeling B.V., vertegenwoordigd door mr. J.S. Haakmeester, advocaat te Baarn, als partij gehoord. Na de zitting hebben Stichting Duinbehoud en anderen gronden over het besluit van 18 april 2024 naar voren gebracht. De raad heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft vervolgens het onderzoek gesloten. Overwegingen OVERGANGSRECHT INWERKINGTREDING OMGEVINGSWET 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het
2
ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpbestemmingsplan "Woongebied Valkenhorst is op 4 juni 2021 ter inzage gelegd. Het ontwerpbestemmingsplan "Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst" is op 22 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. INLEIDING 2. Het plangebied ligt in de gemeente Katwijk, tussen Katwijk, Leiden en Wassenaar. Het gebied is zo’n 475 ha groot. Het grootste gedeelte van het plangebied werd vroeger gebruikt voor het Marinevliegkamp Valkenburg. Deze vliegbasis is in 2006 gesloten. Het nu voorliggende plan beoogt het mogelijk te maken dat deze gronden worden getransformeerd naar een internationaal georiënteerd woon-, werk- en recreatiegebied. In totaal wordt de ontwikkeling van maximaal 5.600 woningen in combinatie met de ontwikkeling van bedrijfslocaties en diverse voorzieningen mogelijk gemaakt. In paragraaf 6.3 van de plantoelichting staat verder dat de voorgenomen ontwikkelingen met name worden gefaciliteerd op de gronden waaraan de bestemmingen "Gemengd", "Woongebied-1" en "Woongebied-2" zijn toegekend.
De gronden met de bestemming "Woongebied-1" worden als eerste ontwikkeld. 3. Het plan is een zogenoemd "bestemmingsplan met verbrede reikwijdte". Dit betekent dat de raad op basis van artikel 2.4 van de Crisis- en Herstelwet in samenhang gelezen met artikel 7c van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (hierna: het Bu Chw) gebruik heeft gemaakt van extra mogelijkheden voor de inrichting van het bestemmingsplan. 4. Bij besluit van 18 april 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst" vastgesteld. Hierbij is het oorspronkelijke plan opnieuw, gewijzigd vastgesteld. Dit herstelbesluit is door artikel 6:19 van de Awb ook onderwerp van het geding. Voor zover in het herstelbesluit niet tegemoet is gekomen aan de beroepen, worden die beroepen geacht ook te zijn gericht tegen het herstelbesluit. 5. De Afdeling zal eerst de beroepen tegen het herstelbesluit beoordelen en vervolgens bezien of er nog belang bestaat bij een beoordeling van het besluit van 30 juni 2022. 6. In deze uitspraak wordt regelmatig verwezen naar verschillende wetsartikelen. Voor zover deze artikelen niet in de overwegingen zijn weergegeven of samengevat, zijn deze te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. INHOUDSOPGAVE 7. Hieronder staat hoe deze uitspraak verder is opgebouwd.
De getallen tussen haakjes verwijzen naar het nummer van de overweging waar het desbetreffende onderwerp begint. - Intrekking (9) - Delegatie (10) - Milieueffectrapportage (MER) (11) - Bestemmingsplan met verbrede reikwijdte; - Beleidsregels tijdig ter inzage gelegd? (12) - Open normen en dynamische verwijzing naar beleidsregels (13) - Beleidsregel Beeldkwaliteit (14)
3
- Meldingen (15) - Positief advies kwaliteitsteam vereist (16) - Inrichting bestemming "Woongebied-2" (17) - Inrichting groene buffer; - Bestuurlijke afspraken (20) - Bouwmogelijkheden groene buffer (21) - Topmilieuwoningen (22) - Maximum bouwhoogte (23) - Testveld (24) - Windturbine (25) - Verkeer (26) - Natuur-Gebiedsbescherming (28) - Stikstof: Extern salderen? (32) - Stikstof: Referentiesituatie (33) - Stikstof: Beoogde situatie (34) - Stikstof: Randeffecten (35) - Stikstof: Cumulatie (36) - Stikstof: Borging beëindiging meegenomen activiteiten (37) - Recreatie: Reikwijdte onderzoek (40) - Recreatie: Mitigerende maatregelen (41) - Recreatie: Honden- en kattenconcentratie (42) - Natuur-Natuurnetwerk Nederland (NNN) (43) - Uitvoerbaarheid-Soortenbescherming (44) TOETSINGSKADER 8. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht.
Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. Omdat in dit geval sprake is van een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte kunnen verder op grond van artikel 7c, eerste lid, onder a en b, van het Bu Chw, in aanvulling op artikel 3.1, eerste lid, van de Wro in het plan ook regels worden gesteld die strekken ten behoeve van het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies. Ook kunnen op grond van het zesde lid regels worden gesteld waarvan de uitleg bij de uitoefening van een bij die regels aan te geven bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels. De Afdeling zal, voor zover dat aan de orde is, ook beoordelen of de raad voldoende heeft gemotiveerd dat hij het plan in overeenstemming met de in artikel 7c van het Bu Chw vermelde criteria heeft vastgesteld. HET BESLUIT VAN 18 APRIL 2024 INTREKKING 9. Op de zitting zijn de volgende beroepsgronden ingetrokken:
4
- de beroepsgrond van SVG en VVW over de Nota Ruimte 2005 ingetrokken; - de beroepsgrond van Stichting Duinbehoud en anderen over de in de stikstofberekeningen gehanteerde emissiefactor voor het bemesten van landbouwgronden. DELEGATIE 10. Gemeente Wassenaar voert aan dat in artikel 30.3, onder b, van de planregels ten onrechte is opgenomen dat het college de beleidsregels voor Duurzaamheid en Evenwichtig woningaanbod kan wijzigen. Volgens gemeente Wassenaar is dat niet in lijn met de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2394. Als de raad delen van het omgevingsplan aan het college delegeert, dan moet dan bij afzonderlijk besluit van de raad gebeuren. 10.1. De Afdeling stelt vast dat de uitspraak waar gemeente Wassenaar naar verwijst gaat over artikel 7c, dertiende lid, van het Bu Chw. Dat artikel biedt de raad de mogelijkheid de bevoegdheid tot het vaststellen van delen van het bestemmingsplan te delegeren aan burgemeester en wethouders. De Afdeling stelt verder vast dat artikel 30.3, onder b, van de planregels niet regelt dat het college bevoegd is delen van het bestemmingsplan vast te stellen, maar regelt dat het college de beleidsregels "Duurzaamheid" en "Evenwichtig aanbod" mag wijzigen, intrekken of herzien. Daarvoor biedt artikel 7c, zesde lid, van het Bu Chw de grondslag. De Afdeling ziet daarom op dit punt geen gebrek in het plan.
Het betoog slaagt niet. MILIEUEFFECTRAPPORT (MER) 11. Gemeente Wassenaar, SVG en VVW betogen dat bij het opstellen van het milieueffectrapport ten onrechte niet alle ontwikkelingen in ogenschouw zijn genomen die met de verwezenlijking van Valkenhorst samenhangen. Gemeente Wassenaar wijst in dit verband op de ontwikkelingen ‘Mient Kooltuin’, ‘Valkenburgse Meer’, Zijlhoek en De Woerd’ en ‘Tjalmastrook’. De samenhang van deze ontwikkelingen met het voorliggende plan volgt uit de voor die ontwikkelingen opgestelde gebiedsvisies, en vloeit ook voort uit de bestuurlijke afspraken die zijn gemaakt over het behoud van de ‘Groene Zone’. Omdat de ontwikkelingsgebieden in elkaars nabijheid liggen en elkaars milieugevolgen (kunnen) versterken, hadden in het milieueffectrapport de effecten hiervan in samenhang moeten worden onderzocht. Gemeente Wassenaar wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1333. SVG en VVW betogen dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de ontwikkeling van zo’n 1.300 woningen in het aangrenzende gebied ‘Zijlhoek en De Woerd’. Deze gebieden grenzen direct aan het plangebied en de ontwikkelingen daarin hebben volgens hen grote gevolgen voor de maximale planologische druk van het gebied en op de verkeersafwikkeling.
Deze ontwikkelingen hadden bij het opstellen van het milieueffectrapport dan ook niet buiten beschouwing kunnen worden gelaten. 11.1. In paragraaf 5.2.15 van de plantoelichting staat dat, hoewel er volgens de raad geen verplichting is tot het opstellen van een milieueffectrapport, dat desondanks wel is gedaan, omdat sprake is van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’, als bedoeld in categorie 11.2, van onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (hierna: het Besluit mer), en de drempelwaarde, bedoeld in kolom 2, wordt overschreden. De resultaten hiervan zijn opgenomen in het milieueffectrapport Valkenhorst van Antea Group van 21 april 2022 (hierna: het MER). In het MER staat dat het een gecombineerd plan-/project-MER is.
5
Samenhang 11.2. De raad stelt zich op het standpunt dat bij het opstellen van het MER de relevante te verwachten ontwikkelingen in het plan zijn betrokken bij de beoordeling van de milieueffecten. Onzekere gebeurtenissen in de toekomst hoeven bij de beoordeling van de cumulatieve effecten redelijkerwijs niet in beschouwing te worden genomen. De raad wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1470. De ontwikkelingen waarnaar is verwezen betreffen allemaal nog onzekere, toekomstige ontwikkelingen waarover nog besluitvorming moet volgen. Daarom zijn deze niet betrokken in het MER. In het MER zijn wel de aanleg van de RijnlandRoute (verbreding van de Tjalmaweg) en de realisatie van het Hoogwaardig Openbaar Vervoer (HOV)-net Zuid Holland Noord betrokken, omdat deze zich momenteel in een zodanig stadium bevinden dat met enige zekerheid kan worden vastgesteld dat deze ontwikkelingen zullen worden verwezenlijkt. De ontwikkelingen ‘Mient Kooltuin’, ‘Zijlhoek en De Woerd’ en ‘Valkenburgse Meer’ zijn in het MER aangemerkt als ‘raakvlakprojecten’, omdat deze ontwikkelingen nog moeten worden uitgewerkt en vastgesteld. De raad wijst er verder op dat de commissie m.e.r. op 25 april 2022 een toetsingsadvies heeft uitgebracht over het MER.
Uit dat advies volgt niet dat de beoogde ontwikkelingen in de aangrenzende gebieden hadden moeten worden meegenomen in de beoordeling van de milieueffecten van het plangebied. 11.3. Ingevolge artikel 7.7, eerste lid, onder e, van de Wet milieubeheer beschrijft het MER de voorgenomen activiteit, alsmede de milieugevolgen daarvan. 11.4. In paragraaf 5.3 van het MER is de referentiesituatie beschreven. Dit is de toekomstige situatie, maar dan zonder de ontwikkeling van Valkenhorst. Hierbij is rekening gehouden met autonome plannen die al in procedure zijn gebracht en plannen die parallel aan Valkenhorst in gang zijn of worden gezet. Ontwikkelingen die al zijn vastgelegd in (ontwerp)plannen zijn als autonome ontwikkelingen meegenomen. Overige ontwikkelingen worden gezien als ‘raakvlakprojecten’. De ontwikkelingen zijn kort beschreven, waarbij is aangegeven hoe deze zijn meegenomen in de effectbeoordeling. De Mient Kooltuin ligt op de scheiding van zand- en kleigronden, tussen duin en polder. Dit gebied dient als bufferzone tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Meijendel & Berkheide’. Het gebied is aangewezen voor sport, recreatieve en maatschappelijke voorzieningen ten gunste van de woonwijk. Het is bovendien deel van de binnenduinrand en belangrijk overgangsgebied naar het duinlandschap.
Het recreatieve aanbod, een aantrekkelijk landschap en parkeervoorzieningen moeten de recreatieve druk op het kwetsbare duingebied ontlasten. Voor de Mient Kooltuin is een gebiedsvisie opgesteld. Deze is in september 2020 vrijgegeven voor inspraak. Ook heeft de gemeente een samenwerkingsovereenkomst gesloten met Dunea, voor een kwaliteitsimpuls in het gebied. De ontwikkelingen in de Mient Kooltuin worden nog uitgewerkt en vastgelegd in een planologisch kader. Om die reden is deze ontwikkeling bestempeld als raakvlakproject en niet meegenomen in de effectbeschrijving. Het Valkenburgse Meer ligt ten zuidoosten van het plangebied en heeft voornamelijk een recreatieve functie. Het vormt de schakel tussen de nieuwe woon- en werklandschappen en de A44. Het gebied wordt doorontwikkeld tot de visitekaart van het gebied. Ontwikkeling tot een recreatief aantrekkelijke omgeving is het uitgangspunt, waarbij waterrecreatie een grote rol zal spelen. Ook lopen er onderzoeken voor het plaatsen van windturbines, onder andere om te voorzien in de energiebehoefte van Valkenhorst. De ontwikkelingen in en rond het Valkenburgse Meer worden nog uitgewerkt en vastgelegd in een planologisch kader. Om die
6
reden is deze ontwikkeling bestempeld als raakvlakproject en niet meegenomen in de effectbeschrijving. 11.5. In aanvulling op het vorenstaande heeft de raad erop gewezen dat voor de ontwikkeling Mient Kooltuin een herziening van het omgevingsplan in voorbereiding is, maar dat ten aanzien van die ontwikkeling nog geen planologische (ontwerp)besluitvorming heeft plaatsgevonden, waardoor niet kan worden aangenomen dat de effecten daarvan al inzichtelijk zijn. Hetzelfde geldt voor de deelgebieden Valkenburgse Meer, Zijlhoek en De Woerd en de Tjalmastrook. Voor deze deelgebieden heeft van 1 april 2022 tot en met 12 mei 2022 een concept gebiedsvisie ter inzage gelegen. De gebiedsvisie voor dit gebied is in september 2022 vastgesteld door de raad, nadat het bestemmingsplan voor Valkenhorst werd vastgesteld. Deze visie is geen blauwdruk of eindbeeld, maar schetst slechts de uitgangspunten voor een verdere uitwerking van de ontwikkelingen in deze gebieden. De ontwikkeling van deze gebieden was ten tijde van het opstellen van het MER, noch ten tijde van de vaststelling van het plan al in een zodanig stadium dat die konden worden meegenomen in het onderzoek. 11.6. De Afdeling is van oordeel dat de door gemeente Wassenaar, SVG en VVW genoemde ontwikkelingen en de in het plangebied voorziene woningbouwontwikkeling terecht buiten beschouwing zijn gebleven bij het MER.
Wat de ontwikkeling Mient Kooltuin betreft, overweegt de Afdeling dat binnen de Mient Kooltuin in het kader van de passende beoordeling die is opgesteld voor het plan weliswaar mitigerende maatregelen zijn voorgesteld, die ook in het plan zijn opgenomen, maar dat voor de verdere ontwikkeling van dat gebied nog nadere planologische besluitvorming moet volgen. De Afdeling acht aannemelijk dat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingplan de verdere ontwikkeling van Mient Kooltuin nog niet zodanig concreet was, dat de milieugevolgen daarvan reeds in het MER hadden moeten worden betrokken. Wat de ontwikkeling van Zijlhoek en De Woerd acht de Afdeling het van belang dat niet kan worden gesproken van een zodanige planologische samenhang met de in het bestemmingsplan voorgestane woningbouwontwikkeling dat de ontwikkeling om die reden in het MER had moeten worden onderzocht. De locaties liggen weliswaar naast elkaar, maar worden gescheiden door infrastructuur en hebben een verschillend karakter. Daarnaast zijn de eigendomsposities binnen de Zijlhoek en De Woerd anders dan in het plangebied Woongebied Valkenhorst. In Zijlhoek en De Woerd is een groot aantal grondeigenaren, waar in het plangebied slechts sprake is van twee grondeigenaren die bij de gebiedsontwikkeling betrokken zijn.
In zoverre is dan ook geen sprake van een zodanig functionele, feitelijke en organisatorische samenhang met de in het plangebied voorziene woningbouwontwikkeling dat de ontwikkelingen hadden moeten worden aangemerkt als één activiteit. Wat de overige genoemde ontwikkelingen betreft, merkt de Afdeling op dat deze zijn vervat in een gebiedsvisie, maar dat nog niet kan worden gesproken van een zodanige mate van concreetheid dat in voldoende mate kan worden vastgesteld dat deze ontwikkelingen zullen worden verwezenlijkt. De betogen slagen niet. Alternatievenonderzoek 11.7. Gemeente Wassenaar betoogt dat in het MER niet de redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven zijn onderzocht. Zo is niet onderzocht of er in het gebied ook minder woningbouw kan worden verwezenlijkt, of dat de woningbouw anders over de verschillende
7
deelgebieden wordt verspreid. Gemeente Wassenaar wijst in dit verband op de mogelijkheid dat ‘deelgebied -1’ meer wordt verdicht en minder woningen worden gerealiseerd in ‘deelgebied-2’ of dat elders in Katwijk meer verdichting plaatsvindt. 11.8. De raad stelt zich op het standpunt dat er in het voorliggende geval geen redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven zijn voor de locatie van de ontwikkeling. In het MER is een onderbouwing gegeven van de keuze voor de onderhavige locatie. Het betreft in dit geval de herbestemming van de voormalige vliegbasis tot een woningbouwlocatie, met als uitgangspunt dat daarbij 5.600 woningen worden gerealiseerd. Gelet op het specifieke doel van het project en de omvang van het plangebied, zijn redelijkerwijs geen realistische alternatieve locaties beschikbaar die aan dezelfde doelstellingen kunnen voldoen. Wel zijn in het MER verschillende invullingen van het gebied onderzocht. Dit wordt ook geconcludeerd door de commissie m.e.r., die aangeeft dat er veel variaties in de vorm van nadere keuzes, spelregels en optimaliserende maatregelen zijn opgenomen in het MER. 11.9. Uit artikel 7.7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer volgt dat een plan-MER een beschrijving moet bevatten van de voorgenomen activiteit en de alternatieven daarvoor die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen.
De keuze voor de in beschouwing genomen alternatieven moet worden gemotiveerd. Uit onderdeel e van deze bepaling volgt dat in het plan-MER de gevolgen voor het milieu van de voorgenomen activiteit en de beschreven alternatieven moeten worden beschreven. 11.10. De Afdeling stelt voorop dat het antwoord op de vraag welke alternatieven in een MER redelijkerwijs in beschouwing moeten worden genomen, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Pas wanneer met de uitvoering van een bepaald alternatief kan worden beantwoord aan de doelstelling van de initiatiefnemer, kan sprake zijn van een redelijkerwijs in ogenschouw te nemen alternatief (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1250, 10.2). 11.11. In paragraaf 4.5 van het MER staat dat het programma en de ambities voor Valkenhorst, die zijn vastgelegd in bestuurlijke afspraken, weinig ruimte laten voor een volwaardig alternatief. Een verdubbeling van het woningbouwprogramma of een volledig andere invulling van het gebied met landbouw of natuur past niet binnen de ambities voor Valkenhorst. Dat wil echter niet zeggen dat alles al is vastgelegd en er geen keuzes of optimalisaties mogelijk zijn. De in het MER beschreven effecten van het planvoornemen op de fysieke leefomgeving kunnen aanleiding zijn om nadere keuzes te maken of optimaliserende maatregelen voor te stellen.
Deze keuzes kunnen gezien worden als kleinschalige alternatieven voor de invulling van het plan. De optimaliserende maatregelen zijn aanbevelingen voor een alternatieve of additionele invulling van het plan. Gelet op het vorenstaande mocht de raad ervan uitgaan dat de uitvoering van het project op een andere locatie dan in het plangebied niet bijdraagt aan de doelstelling van het plan. Het primaire doel van het plan is namelijk de herontwikkeling van de voormalige vliegbasis Valkenburg tot woningbouwgebied, en dus locatie-specifiek. Dit betekent dat de raad in zoverre geen aanleiding heeft hoeven zien om alternatieve woningbouwlocaties in het MER in beschouwing te nemen. Over het betoog dat in het MER ten onrechte niet is onderzocht of er ook andere invullingen van het plangebied mogelijk zijn, bijvoorbeeld door dat ‘deelgebied -1’ meer wordt verdicht en minder woningen worden gerealiseerd in ‘deelgebied-2’ van het plangebied, overweegt de Afdeling dat gemeente Wassenaar niet heeft geconcretiseerd waarom dit tot wezenlijke andere milieugevolgen zou kunnen leiden voor de omgeving, en zo dit het geval zou zijn,
8
welke milieugevolgen dit dan zouden zijn. De Afdeling ziet dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het alternatievenonderzoek in het MER niet toereikend is geweest. Het betoog slaagt niet. BESTEMMINGSPLAN MET VERBREDE REIKWIJDTE Beleidsregels tijdig ter inzage gelegd? 12. Gemeente Wassenaar voert aan dat de bij het bestemmingsplan horende beleidsregels "Woongebied Valkenhorst" en het daarin meermaals genoemde Kwaliteitsboek ten onrechte niet gelijktijdig ter inzage zijn gelegd als onderdeel van het plan. Dat is in strijd met artikel 7c, zesde lid, van het Bu Chw. Ook hebben de beleidsregels alleen betrekking op de gronden met de bestemming "Woongebied-1" en niet op de gronden met de bestemming "Woongebied-2". Ook dat is in strijd met artikel 7c, zesde lid, van het Bu Chw, omdat daarin is bepaald dat de inhoudelijke beleidsregels gelijktijdig met het plan ter inzage moeten worden gelegd. 12.1. Op grond van artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro, en artikel 7c, zesde lid, van het Bu Chw kan de raad ervoor kiezen om regels te stellen met een open norm, waarvan de uitleg bij de uitoefening van een bij die regels aan te geven bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels.
Anders dan Gemeente Wassenaar betoogt, schrijft artikel 7c, zesde lid, van het Bu Chw daarbij niet voor dat de inhoudelijke beleidsregels gelijktijdig met het plan ter inzage moeten worden gelegd. Het betoog slaagt niet. Open normen en dynamische verwijzing naar beleidsregels 13. Gemeente Wassenaar voert aan dat het vastleggen van criteria in beleidsregels rechtsonzeker is. Beleidsregels kunnen immers worden gewijzigd zonder dat hiertegen rechtsmiddelen openstaan. De gemaakte bestuurlijke afspraken horen daarom ook thuis in randvoorwaarden in plaats van beleidsregels. Ter onderbouwing hiervan wijst gemeente Wassenaar op de uitspraak van de Afdeling van 27 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2388, waaruit blijkt dat niet zonder meer alle bepalingen geschikt zijn als beleidsregel vast te leggen en dat bij de toepassing van planregels de open norm in de planregels voldoende concreet en objectief moet worden begrensd. Dat is hier nu juist niet gebeurd. Ook VVW meent dat het opnemen van open normen in een bestemmingsplan rechtsonzeker is, aangezien deze normen gedurende de planperiode kunnen worden gewijzigd. 13.1.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, zie overweging 19.3 van de uitspraak van de Afdeling van 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2004 en overweging 18.3 van de uitspraak van de Afdeling van 24 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2649, leidt het opnemen van open normen met daarin een dynamische verwijzing naar beleidsregels in de regels van een bestemmingsplan op zichzelf niet tot de conclusie dat het plan in strijd is met de rechtszekerheid. Een dynamische verwijzing naar beleidsregels is op grond van artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro toegestaan. Dit houdt in dat in de planregels kan worden opgenomen dat als de betrokken beleidsregels worden gewijzigd, de aldus gewijzigde beleidsregels het toetsingskader vormen voor de uitoefening van de betrokken bevoegdheid. Eventuele bezwaren tegen de toepassing van de aan de orde zijnde gewijzigde beleidsregel kunnen dan in het kader van een procedure met betrekking tot de betrokken omgevingsvergunning naar voren worden gebracht. Gemeente Wassenaar en VVW hebben hun stelling dat het opnemen van open normen in het plan leidt tot rechtsonzekerheid verder niet geconcretiseerd. De Afdeling ziet in deze niet nader
9
onderbouwde algemene stelling onvoldoende grond om te oordelen dat het plan in deze vorm niet kon worden vastgesteld. Het betoog slaagt niet. Beleidsregel Beeldkwaliteit 14. Gemeente Wassenaar voert aan dat in artikel 12.4.2 en artikel 12.5.3 van de planregels zoals deze zijn vastgesteld bij het herstelbesluit, ten onrechte niet langer de eis wordt gesteld dat moet worden voldaan aan het vereiste van een hoogwaardige beeldkwaliteit zoals bedoeld in de beleidsregel "Beeldkwaliteit". 14.1. Zoals op de zitting is besproken, is in artikel 12.4.1, onder 2, van de planregels zoals deze zijn vastgesteld bij het herstelbesluit, de eis opgenomen dat bouwwerken een hoogwaardige beeldkwaliteit moeten hebben zoals bedoeld in de beleidsregel "Beeldkwaliteit". Anders dan Gemeente Wassenaar betoogt, is deze eis wel opgenomen in het bij het herstelbesluit vastgesteld plan. Het betoog slaagt niet. Meldingen 15. Gemeente Wassenaar wijst erop dat in het plan, zoals dat is vastgesteld bij besluit van 30 juni 2022, bepaalde randvoorwaarden waren opgenomen voor meldingsplichtige activiteiten. Gemeente Wassenaar voert aan dat deze randvoorwaarden met het herstelbesluit ten onrechte zijn geschrapt. 15.1. De Afdeling stelt vast dat de regels voor meldingsplichtige activiteiten zijn gewijzigd met het herstelbesluit.
De raad heeft deze artikelen gewijzigd, omdat een deel van de randvoorwaarden die waren opgenomen een nader afwegingsmoment vergen. In artikel 5.3.1, onder a, van de regels van het plan zoals dat is vastgesteld bij besluit van 30 juni 2022, staat bijvoorbeeld dat aangetoond moet worden dat wordt voldaan aan de voorwaarde dat de activiteit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de verkeersveiligheid. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad er terecht voor gekozen in het herstelbesluit dergelijke voorwaarden uit de planregels te verwijderen. Het is niet verenigbaar met het karakter van het instrument van een meldingsplicht om de toelaatbaarheid van de activiteit afhankelijk te stellen van een dergelijke regel. Het is namelijk inherent aan een melding dat geen nader afwegingsmoment volgt. Daardoor ontbreekt een moment waarop wordt getoetst of aan de voorwaarde wordt voldaan. Ook is het onduidelijk wat het gevolg zou zijn als de melding een onderbouwing bevat die niet toereikend is. Vergelijk overweging 29.2 van de uitspraak van de Afdeling van 18 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1845. Het betoog slaagt niet. Positief advies kwaliteitsteam vereist 16. VVW voert aan dat in de planregels ten onrechte is opgenomen dat alleen een omgevingsvergunning kan worden verleend nadat het kwaliteitsteam een positief advies heeft gegeven.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:54, voert VVW aan dat een dergelijke regeling in strijd is met de wet. 16.1. De Afdeling stelt vast dat in de planregels zoals deze bij het herstelbesluit zijn vastgesteld, niet langer de eis is opgenomen dat een positief advies moet worden gegeven door het kwaliteitsteam. De Afdeling ziet dan ook geen reden dat het herstelbesluit op dit punt geen stand kan houden.
10
Het betoog slaagt niet. INRICHTING BESTEMMING "WOONGEBIED-2" 17. SVG en VVW betogen dat het plan in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is vastgesteld. De invulling van de gronden die de bestemming "Woongebied-2" hebben gekregen, is niet duidelijk. Anders dan bij de gronden die de bestemming "Woongebied-1" hebben gekregen, is voor de bestemming "Woongebied-2" geen stedenbouwkundig raamwerk of Kwaliteitsboek gemaakt. SVG wijst erop dat de raad bij de beantwoording van haar zienswijze heeft erkend dat de ontwikkeling en stedenbouwkundige inrichting van de gronden met de bestemming "Woongebied-2" niet door burgers kan worden beoordeeld. Op dit moment is alleen geregeld dat er 2100-2200 woningen kunnen komen. Hoe deze ruimtelijk worden ingepast en hoe het verkeer wordt afgewikkeld is nog onduidelijk. Ook VVW meent dat de bestemming "Woongebied-2" nog niet voldoende is uitgewerkt om in een bestemmingsplan op te kunnen nemen. In de ogen van SVG en VVW kan voor de gronden die de bestemming "Woongebied-2" hebben gekregen, beter een separaat bestemmingsplan worden vastgesteld. Op die manier heeft de raad meer tijd onderzoek te doen en kan een plan worden vastgesteld met een duidelijke invulling. 17.1. De raad heeft toegelicht dat het een bewuste keuze is geweest een globale bestemming in het plan op te nemen.
De ontwikkeling van het woongebied Valkenhorst gaat namelijk zo’n 20 jaar duren. De raad verwacht dat gedurende die tijd de woon- en leefbehoeften van de bewoners zal wijzigen. Het plan biedt nu een mate van flexibiliteit waardoor daar ruimte voor wordt geboden. Daarbij wijst de raad erop dat in de planregels wel enkele begrenzingen ten aanzien van de bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn opgenomen. 17.2. Het behoort tot de beleidsruimte van de raad om de mate van gedetailleerdheid van een plan te bepalen. In een bestemmingsplan kunnen globale bestemmingen worden opgenomen die nog moeten worden uitgewerkt. Of een dergelijke bestemmingsregeling uit een oogpunt van rechtszekerheid aanvaardbaar is, moet per geval op basis van de feiten en omstandigheden die zich voordoen worden beoordeeld. 17.3. SVG en VVW wijzen er terecht op dat de precieze invulling van de gronden met de bestemming "Woongebied-2" nog niet duidelijk is. Maar dat is niet voldoende om het plan in strijd met de rechtszekerheid te achten. In dit geval heeft de raad ervoor gekozen een deel van de gronden die bestemd zijn voor woningbouw, namelijk de gronden met de bestemming "Wonen-2", zeer globaal te bestemmen. Daarom is op de verbeelding ook niet duidelijk op welke wijze de woningen worden gesitueerd of waar wegen worden voorzien.
Zoals onder 17.2 is overwogen, mag de raad ervoor kiezen een dergelijke globale bestemming in het plan op te nemen. Daarbij acht de Afdeling van belang dat in dit geval in het plan, zoals dat is vastgesteld bij het herstelbesluit, wel enkele randvoorwaarden zijn opgenomen. In artikel 12.1 van de planregels zoals deze zijn vastgesteld bij het herstelbesluit, is geregeld welk soort gebruik is toegestaan. In artikel 12.2.1 zijn enkele randvoorwaarden opgenomen voor de toekomstige bebouwing in het gebied. Anders dan SVG en VVW stellen, ziet dat op meer dan alleen het aantal woningen. Zo zijn er maximum bouwhoogten voor de woningen in het plan opgenomen en geldt er een maximum oppervlakte voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een hoofdgebouw van een woning. Verder zijn in artikel 12.4.3 verschillende maximum bouwhoogten opgenomen voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Gelet op het vorengaande, ziet de Afdeling geen aanleiding de bestemmingsregeling voor de gronden met de bestemming "Woongebied-2" in strijd met de rechtszekerheid te achten.
11
Het betoog slaagt niet. INRICHTING GROENE BUFFER 18. Ter verduidelijking waar de hierna volgende beroepsgronden op zien, merkt de Afdeling het volgende op. Aan ongeveer de helft van het plangebied is op de verbeelding van het plan de bestemming "Woongebied-2" toegekend. Voor een deel van deze gronden geldt volgens de verbeelding van het plan de functieaanduiding "specifieke vorm van woongebied overgangszone groen woonmilieu". Dit wordt door partijen ook wel de "groene zone" of "groene buffer" genoemd. 19. In paragraaf 4.1 van de plantoelichting staat hierover dat het plangebied grenst aan een agrarisch en ecologisch gebied met recreatieve functies: de groene zone. De overgang tussen de groene zone en de woningbouwlocatie Valkenhorst zal in samenwerking tussen Wassenaar en Katwijk worden vormgegeven als zachte, groene overgang van top wonen milieu naar het landschap. BESTUURLIJKE AFSPRAKEN 20. Gemeente Wassenaar voert aan dat de bouwmogelijkheden die het plan in de groene zone mogelijk maakt, geen recht doen aan de gemaakte bestuurlijke afspraken hierover. Gemeente Wassenaar wijst erop dat zij met gemeente Katwijk heeft afgesproken dat de groene zone groen zou blijven, waarbij uitsluitend in het overgangsgebied ruimte zou worden geboden voor een enkele grondgebonden woning in het topmilieu.
Ter onderbouwing van dit standpunt heeft gemeente Wassenaar verschillende documenten overgelegd, waaronder de Nota van Uitgangspunten Deelgebied 2 Valkenhorst. Gemeente Wassenaar meent dat in deze Nota op de juiste wijze wordt uitgegaan van deze bestuurlijke afspraken. Dat is echter niet op dezelfde wijze in het plan opgenomen. Zo staat het plan ten onrechte toe dat de groene zone volledig bebouwd kan worden. Verder is in het plan ten onrechte geen randvoorwaarde opgenomen dat de overgang naar de woningbouwlocatie in de groene zone zacht en landschappelijk wordt ingericht, terwijl deze overeengekomen voorwaarde impliceert dat de woningen in het woongebied grenzend aan de groene zone uitsluitend grondgebonden woningen uit het topmilieu kunnen zijn. Ook had in het plan moeten worden geregeld dat de woningen in de groene zone een minimale kavelgrootte van 1.500 m² en een maximale hoogte van 13 m mogen hebben. 20.1. De raad stelt zich op het standpunt dat gemeente Wassenaar niet concreet heeft gemaakt met welke van de genoemde afspraken het bestemmingsplan in strijd is. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat het bestemmingsplan in de weg staat aan het voldoen aan de bestuurlijke afspraken. Verder wijst de raad erop dat in de bestuurlijke afspraken niet is opgenomen dat deze afspraken in de regels van het bestemmingsplan moeten worden opgenomen.
Daarnaast stelt de raad zich op het standpunt dat het realiseren van een groene zone vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet noodzakelijk is. 20.2. De Afdeling ziet in de door gemeente Wassenaar overgelegde documenten geen concrete afspraken of toezeggingen staan over de inrichting van de groene buffer. De Afdeling ziet dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad het bestemmingsplan in strijd met bestuurlijke afspraken zou hebben vastgesteld. De Afdeling merkt tot slot nog op dat de raad op de zitting heeft toegelicht dat de intentie bestaat het gebied dat op de verbeelding van het plan de aanduiding "specifieke vorm van woongebied overgangszone groen woonmilieu" heeft gekregen, in overleg met gemeente Wassenaar in te richten.
12
Het betoog slaagt niet. BOUWMOGELIJKHEDEN GROENE BUFFER 21. SVG voert aan dat het plan ten onrechte niet zorgt voor een soepele overgang tussen de woningbouw en de groene buffer. De strook die op de verbeelding van het plan de aanduiding "specifieke vorm van woongebied - overgangszone groen woonmilieu" heeft gekregen, is door de invloed van het Rijksvastgoedbedrijf te smal geworden. Er is te veel gewicht toegekend aan winstmaximalisatie. Vanuit ruimtelijk oogpunt zou voor een bredere buffer tussen de gemeentegrenzen van Katwijk en Wassenaar zijn gekozen. Verder voert SVG aan dat de raad ten onrechte een maximum bouwhoogte van 15 m in de groene buffer toestaat. Flatgebouwen van 4 à 5 verdiepingen dragen niet bij aan de beoogde soepele overgang. 21.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de wijze waarop het plangebied grenst aan de groene zone, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij heeft het Rijksvastgoedbedrijf niet sturend opgetreden. Wel zijn de belangen van het Rijksvastgoedbedrijf als grondeigenaar bij de besluitvorming meegewogen. Verder heeft de raad toegelicht dat voor de gronden die binnen de aanduiding "specifieke vorm van woongebied - overgangszone groen woonmilieu" liggen, is gekozen de bouwhoogte voor gestapelde woningen te verlagen ten opzichte van de bouwmogelijkheden die gelden in de rest van het plangebied.
Gestapelde woningen mogen op de gronden waarvoor de aanduiding "specifieke vorm van woongebied - overgangszone groen woonmilieu" geldt, maximaal 15 m hoog worden gebouwd. De raad stelt zich op het standpunt dat deze maximum bouwhoogte in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. 21.2. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het plan op dit punt niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening zou zijn vastgesteld. Niet is gebleken dat sprake is geweest van een dusdanige sturing vanuit het Rijksvastgoedbedrijf dat de raad daardoor niet een juiste belangenafweging heeft gemaakt. Ook ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad er niet voor heeft kunnen kiezen een maximum bouwhoogte van 15 m vast te stellen voor de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van woongebied - overgangszone groen woonmilieu". Het betoog slaagt niet. TOPMILIEUWONINGEN 22. SVG kan zich niet verenigen met de wijze waarop het bestemmingsplan voorziet in woningen in het topmilieu. In het plan is ten onrechte niet geborgd dat een topmilieuwoning een kavelgrootte van ten minste 1.500 m² moet hebben. Ook ontbreekt een controleerbare onderbouwing van de bewering dat er 500 topmilieuwoningen in het plan zijn opgenomen.
Hierdoor is het niet mogelijk te controleren of wordt voldaan aan de in de Programma Ruimte opgenomen voorwaarde dat van noord naar zuid moet worden gebouwd, zodat wanneer er eerder kan worden gestopt met de bouw, de groene buffer zo groot mogelijk kan zijn. 22.1. De raad heeft toegelicht dat ervoor is gekozen het begrip "topmilieuwoning" niet volledig in te vullen, omdat het hier gaat om een bestemmingsplan verbrede reikwijdte waarbij de planhorizon twintig jaar is. Als gevolg van deze planhorizon is het mogelijk dat een kaveloppervlakte van 1.500 m² te klein of te groot blijkt te zijn, afhankelijk van de behoefte op het moment dat het plan daadwerkelijk gerealiseerd wordt. Gelet op het feit dat het stedenbouwkundig kader dient te worden opgesteld alvorens een omgevingsvergunning voor bouwen kan worden verleend, kunnen de bezwaren van appellanten aan de orde komen bij
13
de omgevingsvergunning voor bouwen. Daarnaast zijn in het plan wel de noodzakelijke randvoorwaarden in de definitie van topmilieu wonen opgenomen. Het betreft een exclusieve woonfunctie in het hogere segment. 22.2. Anders dan SVG betoogt, is in artikel 12.2.1, onder b, onder 3 van de planregels geregeld dat maximaal 500 woningen in het top wonen milieu mogen worden gebouwd op de gronden met de bestemming "Gemengd" en "Woongebied-2". Ook is in artikel 2.105 van de planregels en omschrijving van het begrip "Top wonen milieu" opgenomen. Dat de raad voor het overige ervoor heeft gekozen het begrip niet nader uit te werken in planregels, acht de Afdeling niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Voor zover SVG meent dat op grond van het Programma Ruimte had moeten worden geborgd dat zo min mogelijk woningen in de groene buffer zouden worden gebouwd, merkt de Afdeling op dat het Programma Ruimte in werking was vanaf juni 2018 tot en met 15 februari 2019. Dat betekent dat dit programma niet meer gold ten tijde van de planologische besluitvorming die nu ter beoordeling voorligt. De raad heeft dit dan ook niet hoeven meenemen in zijn besluitvorming. Het betoog slaagt niet. MAXIMUM BOUWHOOGTE 23. SVG voert aan dat de raad ten onrechte een maximum bouwhoogte van 40 m in het plangebied heeft toegestaan.
Een maximum bouwhoogte van 40 m is volgens SVG niet passend in een woonwijk met een kwalitatief hoogwaardig woon- en leefklimaat en met een dorpskarakter. SVG wijst er verder op dat van de maximum bouwhoogte van 40 m kan worden afgeweken. De raad heeft weliswaar in de planregels de voorwaarde opgenomen dat een bouwhoogte van meer dan 40 m alleen is toegestaan als dat de betaalbaarheid en/of de leefbaarheid ten goede komt, maar het is aan een deskundige om dit te beoordelen. Volgens SVG is het niet aanvaardbaar dat onbegrensd en op basis van vage, niet-objectieve criteria van de maximum bouwhoogte van 40 m kan worden afgeweken. Ook wijst SVG erop dat het plan het mogelijk maakt dat direct aan de grens van de aanduiding "specifieke vorm van woongebied-overgangszone groen woonmilieu" een flatgebouw van 40 m of hoger wordt gebouwd. Dat staat haaks op de beoogde soepele overgang naar de groene zone. 23.1. De raad stelt zich op het standpunt dat een bouwhoogte van 40 m voor gestapelde bouw in een stedelijke omgeving niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Deze bouwhoogte is via een amendement in de planregels opgenomen. Zoals ook blijkt uit de toelichting bij het amendement, sluit deze bouwhoogte aan bij de op 12 mei 2022 door de raad vastgestelde Verdichtingsvisie.
De raad wijst er verder op dat voor gronden met de aanduiding "specifieke vorm van woongebied - overgangszone groen woonmilieu" een maximum bouwhoogte van 15 m geldt. Over de mogelijkheid hoger te bouwen dan 40 m, merkt de raad op dat in de planregels op grond waarvan een hogere bouwhoogte kan worden toegestaan, ook een afwegingskader wordt gegeven waarin de door SVG genoemde leefbaarheidsaspecten kunnen worden meegewogen. 23.2. Op de gronden met de bestemming "Gemengd", "Woongebied-1" en "Woongebied-2" staat het plan woningbouw toe. In artikel 5.4.2, onder k, van de planregels is voor de gronden waarop de bestemming "Gemengd" rust, bepaald dat gestapelde woningen maximaal 13 m hoog mogen worden gebouwd. Onder 1 wordt daarbij de mogelijkheid geboden hoger te bouwen dan 13 m. Daaraan is wel, onder meer, de voorwaarde verbonden dat niet hoger wordt gebouwd dan 40
14
m. Onder 2 is bepaald dat bij uitzondering een hogere bouwhoogte dan 40 m is toegestaan, als blijkt dat hogere woningbouw de betaalbaarheid of leefbaarheid ten goede komt. In artikel 11.4.2, onder k, is hetzelfde geregeld voor gestapelde woningen die worden gebouwd op de gronden met de bestemming "Woongebied-1". Voor de gronden met de bestemming "Woongebied 2" is in artikel 12.4.2, onder h, geregeld hoe hoog gestapelde woningen mogen worden gebouwd. Onder 1 is geregeld dat deze op de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van woongebied - overgangszone groen woonmilieu" maximaal 15 m hoog mogen worden gebouwd. Onder 2 is geregeld dat gestapelde woningen binnen deze bestemming op de overige gronden maximaal 40 m hoog mogen worden gebouwd. Daarbij is bij uitzondering een hogere bouwhoogte dan 40 m toegestaan, namelijk als hogere woningbouw de betaalbaarheid of de leefbaarheid ten goede komt. 23.3. In het ontwerpplan "Woongebied Valkenhorst" heeft het college voor alle gronden binnen het plangebied waar woningbouw is toegestaan, voorgesteld te bepalen dat gestapelde woningen maximaal 30 m hoog mogen worden gebouwd. In de raadsvergadering van 30 juni 2022 heeft de raad een amendement aangenomen. Dit amendement is als bijlage 22 bij de toelichting van het plan gevoegd.
Ook bij het plan zoals dit is vastgesteld bij het herstelbesluit, is dit amendement als bijlage 22 bij de toelichting opgenomen. In dit amendement is bepaald dat de maximum bouwhoogte van 30 m voor gestapelde woningen moet worden aangepast naar een maximum bouwhoogte van 40 m, waarbij bij uitzondering een hogere bouwhoogte is toegestaan, als blijkt dat hogere woningbouw de betaalbaarheid en/of de leefbaarheid ten goede komt. In het amendement staat verder dat deze keuze is gebaseerd op de Verdichtingsvisie, waarin een bouwhoogte van 40 m of hoger onder voorwaarden mogelijk is gemaakt. 23.4. In hoofdstuk 8 van de Verdichtingsvisie worden de stedenbouwkundige en planologische kaders voor hoogbouw aangegeven. Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee types hoogbouw: "Middelhoog" en "Katwijks-hoog". Middelhoog bestaat uit 4 t/m 7 bouwlagen en is maximaal 25 m hoog. Katwijks-hoog bestaat uit 8 t/m 10 bouwlagen en is maximaal 32 m hoog (met een uitzondering tot 40 m). In de Verdichtingsvisie staat verder dat Katwijks-hoog wordt gebouwd als solitaire torens of als onderdeel van een ensemble. Er worden geen nieuwe hoogbouwschijven meer gebouwd in de gemeente. Deze hogere categorie is wenselijk nabij ov-knooppunten en heeft de potentie om de structuur van de gemeente te versterken. De bebouwing is van iets grotere afstand te zien en kan daarmee plekken markeren.
De functie van het gebouw dient verder van betekenis te zijn voor de gemeente en zou in de plint (maatschappelijke) voorzieningen kunnen huisvesten. 23.5. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad onvoldoende gemotiveerd in hoeverre een bouwhoogte van 40 m in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De verwijzing naar de Verdichtingsvisie acht de Afdeling daarvoor onvoldoende. Zoals onder 23.4 beschreven, wordt in de Verdichtingsvisie het uitgangspunt gehanteerd dat een bouwhoogte van 40 m een uitzondering moet zijn. Op grond van het nu voorliggende plan is het op alle gronden waar woningbouw mogelijk wordt gemaakt (met uitzondering van de bufferzone), ook mogelijk een gebouw van 40 m te bouwen. Bovendien maakt het plan het mogelijk hoger te bouwen dan 40 m, zo lang dat de betaalbaarheid of de leefbaarheid ten goede komt. Het plan staat daarmee ook hogere flatgebouwen toe, terwijl een onderbouwing in hoeverre dit ruimtelijk aanvaardbaar is, ontbreekt. Dat wordt ook niet gedekt door de voorwaarde dat alleen hoger dan 40 m mag worden gebouwd als dat de betaalbaarheid of de leefbaarheid ten goede komt. Deze voorwaarde is immers een andere toets dan de toets aan een goede ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan is in zoverre in strijd met artikel 3:4, eerste lid, en
15
artikel 3:46 van de Awb vastgesteld. Het betoog slaagt. TESTVELD 24. Gemeente Wassenaar voert aan dat in artikel 33.2 ten onrechte is opgenomen dat ter plaatse van de aanduiding "overige zone - zoekgebied testveld" tot mei 2028 geen nieuwe bebouwing mag worden opgericht. Gemeente Wassenaar aarzelt of de periode tot mei 2028 voldoende is. Bovendien impliceert dit artikel dat als geen testveld binnen die periode wordt gerealiseerd, er alsnog nieuwe bebouwing mag worden opgericht. Maar de gronden met de aanduiding "overige zone - zoekgebied testveld" liggen deels in de groene buffer. 24.1. De raad wijst erop dat het bestemmingsplan alleen regelt dat er tot mei 2028 niet mag worden gebouwd op de gronden met de aanduiding "Overige zone - zoekgebied testveld". Het plan biedt niet het planologisch kader voor "Unmanned Valley" en bezwaren tegen het gebruik van de locatie ten behoeve van het testveld kunnen daarom in deze procedure niet aan de orde komen. De raad merkt verder op dat gemeente Wassenaar niet heeft onderbouwd waarom de periode tot mei 2028 niet voldoende zou zijn. De raad licht toe dat voor 2028 is gekozen op basis van artikel 1, onder b, lid 11 van de Bestuurlijke afspraken van Unmanned Valley. Gemeente Wassenaar is ook partij bij deze afspraken. 24.2.
Op de zitting heeft gemeente Wassenaar toegelicht dat zij met name vreest wat er na 2028 op deze gronden kan worden gebouwd. Daarbij gaat het haar vooral om het gedeelte van de gronden waarvoor ook de aanduiding "specifieke vorm van woongebiedovergangszone groen woonmilieu" geldt. De Afdeling stelt vast dat artikel 33.2 van de planregels slechts regelt dat tot mei 2028 niet mag worden gebouwd op de gronden met deze aanduiding, tenzij het testveld al gerealiseerd is of duidelijk is geworden dat dit niet gerealiseerd gaat worden. Maar artikel 33.2 maakt geen bebouwing mogelijk. Dat betekent dat als er gebouwd mag worden op de grond waarvoor zowel de aanduiding "specifieke vorm van woongebied-overgangszone groen woonmilieu" als de aanduiding "Overige zone zoekgebied testveld" geldt, dit dezelfde bouwmogelijkheden zijn als die gelden binnen de gehele aanduiding "specifieke vorm van woongebied-overgangszone groen woonmilieu". Het testveld wijzigt daar niets aan. De vrees van gemeente Wassenaar dat dat stukje grond na mei 2028 volgebouwd mag worden, is dan ook ongegrond. De Afdeling ziet daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het plan op dit punt gebrekkig is. Het betoog slaagt niet. WINDTURBINE 25. Gemeente Wassenaar betoogt dat het plan het ten onrechte mogelijk maakt een windturbine in het plangebied op te richten.
Op de zitting heeft gemeente Wassenaar toegelicht dat het haar met name gaat om de mogelijkheid windturbines te bouwen op de gronden met de bestemming "Woongebied-2". 25.1. De Afdeling stelt vast dat het plan, zoals dat is vastgesteld bij het herstelbesluit, het niet mogelijk maakt windturbines te bouwen op de gronden met de bestemming "Woongebied-2". Op grond van artikel 12.1, aanhef en onder f, onder 7, zijn weliswaar activiteiten gericht op aanleg, onderhoud en beheer van opwekking en distributie van duurzame energie toegestaan, maar het bouwen van een windturbine valt hier niet onder. De vrees van gemeente Wassenaar dat op de gronden met de bestemming "Woongebied-2" windturbines zullen worden gebouwd, is dan ook ongegrond.
16
Het betoog slaagt niet. VERKEER Interne verkeersstructuur 26. Gemeente Wassenaar betoogt dat het onderzoek naar verkeer uitgaat van een vaste routering, terwijl die niet in het plan is vastgelegd. Dit betekent dat ofwel deze alsnog moet worden vastgelegd, ofwel dat ook de andere routes moeten worden onderzocht. 26.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het bestemmingsplan de verkeersstructuur is vastgelegd door aan de hoofdverkeersstructuur de bestemming "Verkeer" toe te kennen. Deze hoofdverkeersstructuur sluit aan op de al in het provinciaal inpassingsplan Rijnlandroute opgenomen verkeersstructuur. De in dat inpassingsplan opgenomen aansluitingen op de N206 worden inmiddels gerealiseerd. De raad verwijst voor de interne hoofdverkeersstructuur naar het rapport "Onderzoek interne verkeersstructuur Valkenhorst" van Goudappel van maart 2021, dat als bijlage 18 bij de plantoelichting is gevoegd (hierna: het interne verkeersonderzoek). De raad stelt zich ten aanzien van dit onderzoek op het standpunt dat gemeente Wassenaar niet heeft gemotiveerd waarom de in dat onderzoek gehanteerde uitgangspunten niet reëel of aannemelijk zouden zijn.
De raad stelt zich verder op het standpunt dat, voor zover het beroep aldus moet worden begrepen dat onvoldoende is geborgd dat geen aansluiting over de 1e Mientlaan naar de N441 wordt gerealiseerd, de locatie waar de knip zal worden gerealiseerd buiten het plangebied ligt. De betreffende weg is in eigendom van de Staat (Rijksvastgoedbedrijf) en daarmee zijn bindende afspraken gemaakt over de toekomstige verkeersstructuur. De wegen worden overgedragen aan de gemeente, zodat de gemeente het zelf in haar macht zal hebben om de betreffende knip te realiseren en in stand te houden. Ten behoeve van de uitvoering van het plan zullen bovendien de noodzakelijke verkeersbesluiten genomen worden. 26.2. In paragraaf 5.2.13 van de plantoelichting staat over het verkeer binnen het plangebied dat het verkeer op twee plaatsen op de N206 wordt aangesloten. Deze aansluitingen worden met de aanleg van de RijnlandRoute reeds gerealiseerd. Met de ontwikkeling van de nieuwe woonwijk wordt ook de interne wegenstructuur gerealiseerd. In het interne verkeersonderzoek is onderzoek gedaan naar de verkeerskundige effecten van de ontwikkeling op de interne wegen (binnen het plangebied). Het studiegebied betreft de huidige locatie van vliegkamp Valkenburg: gelegen tussen de N206, N441 en de A44 (zie paragraaf 2.1).
Het gehele gebied wordt in de toekomstige situatie ontsloten via twee aansluitingen op de N206. Voor de ontwikkeling is een raamwerk opgesteld voor de interne hoofdinfrastructuur van het ontwikkelgebied. De 1e Mientlaan wordt in het raamwerk geknipt. Het verkeer via de 1e Mientlaan ontsluit in de toekomstige situatie via de westelijke aansluiting op de N206; er is geen directe ontsluiting meer voor verkeer vanuit de 1e Mientlaan op de N441. 26.3. Ingevolge het plan zijn aan de gronden waarop de interne verkeersstructuur moet worden gerealiseerd de bestemmingen "Verkeer" en "Verkeer - Verblijfsgebied "toegekend. Deze gronden zijn onder meer aangewezen voor activiteiten die verband houden met verkeer en verblijven met bijbehorende voorzieningen zoals kruisingen en kunstwerken, zoals tunnels, viaducten en overbruggingen met bijbehorende voorzieningen zoals landhoofden. 26.4. In hetgeen gemeente Wassenaar heeft aangevoerd over de interne verkeersroutering
17
ziet de Afdeling geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het interne verkeersonderzoek op onjuiste uitgangspunten berust of anderszins leemten en/of gebreken vertoont. Gelet op de wijze waarop in het plan de bestemmingen zijn gelegd en de omschrijving van de interne verkeersroutering in de plantoelichting en het interne verkeersonderzoek, is voldoende duidelijk hoe het plangebied zal worden ontsloten. In zoverre heeft de raad redelijkerwijs geen aanleiding hoeven zien om ook alternatieve ontsluitingsopties te onderzoeken. Het betoog slaagt niet. Externe verkeersstructuur 27. Gemeente Wassenaar voert verder onder verwijzing naar een second opinion van Arcadis van 6 mei 2021 aan dat het in het onderzoek naar het verkeer gehanteerde NRM-model niet fijnmazig genoeg is om de effecten op het onderliggende wegennet binnen de gemeente Wassenaar goed te beoordelen. Hierin staat dat op de N44 in de huidige situatie al knelpunten waarneembaar zijn in de spits, en dat deze knelpunten zullen verergeren als gevolg van de toename van het aantal motorvoertuigen in de plansituatie. Ook kan vertraging op de N44 leiden tot extra verkeer via de N441. De aantrekkelijkheid van deze alternatieve route is echter zonder aanvullende modelberekeningen niet te beoordelen. De eventuele effecten van extra verkeer op de reeds bestaande knelpunten op de N44 zijn echter ten onrechte niet onderzocht. 27.1.
De externe verkeerseffecten vanwege het plan zijn beoordeeld in het rapport "Verkeersonderzoek Valkenhorst" van 4cast van 29 maart 2021 (hierna: het externe verkeersonderzoek). In paragraaf 1 van dit onderzoek staat dat de berekeningen van het planeffect zijn uitgevoerd met het Nederlands Regionaal Model (NRM) West, versie 2020. Deze studie richt zich op de verkeersbewegingen op het regionale hoofdwegennetwerk en gaat niet in op de verkeersafwikkeling op het Valkenhorst-terrein zelf. De ontwikkeling van het plan leidt tot een toename van verkeersintensiteiten op de omliggende wegen. De grootste toename is logischerwijs te zien op de N206, die als hoofdontsluiting van het gebied dient. Door onder andere de afsluiting van de 1e Mientlaan is de toename van verkeer op de N441 beperkt. Op het hoofdwegennet (A44) en verderop de RijnlandRoute is een lichte toename van verkeer te verwachten. Door de hoge intensiteiten op deze wegen in de referentiesituatie is de toename van de ontwikkeling relatief klein. 27.2. In paragraaf 1.2 van de second opinion van Arcadis staat dat het doel daarvan is om de onderzoeken van 4cast en Goudappel te beoordelen op punten die relevant zijn voor de gemeente Wassenaar.
In paragraaf 2.1.3 wordt over het gehanteerde NRM-model opgemerkt dat dit model is gericht op het hoofdwegennet, waardoor de resultaten/effecten voor het onderliggende wegennet minder nauwkeurig zijn. Ook kan dit model geen kruispuntvertragingen berekenen. Voor het verfijnder berekenen van de verkeerseffecten van Valkenhorst op het Wassenaars wegennet zou het MRDH-model (Metropoolregio Rotterdam Den Haag) mogelijk beter geschikt zijn. Om deze effecten te kunnen beoordelen zouden nieuwe berekeningen moeten worden uitgevoerd met een voor dit doel geschikt verkeersmodel. In paragraaf 2.2.3 staat vervolgens dat de resultaten uit het NRM-model laten zien dat het autoverkeer in Wassenaar niet, of minimaal, toeneemt wanneer Valkenhorst ontwikkeld wordt. Het verkeer neemt op de N206 en de A44 toe, maar vanwege de hoge capaciteit van deze wegen worden er geen problemen met betrekking tot de doorstroming verwacht. Bij een goede doorstroming is een ontsluitingsroute voor Valkenhorst via Wassenaar geen logische route. Echter, kruispunten worden niet in de NRM-modellering meegenomen. In de
18
spits kunnen wachtrijen ontstaan op locaties die niet in de modellering naar voren komen. Dynamische berekeningen van kruispunten op de N44 zijn niet uitgevoerd. De N44 kent in de huidige situatie hoge reistijdvertragingen op de kruispunten bij Wassenaar. De ontwikkeling van Valkenhorst zorgt op deze locatie voor 5% extra verkeer. Het extra verkeer door de ontwikkeling van Valkenhorst veroorzaakt geen knelpunten op de N44, maar de bestaande knelpunten worden door de ontwikkeling van Valkenhorst extra belast. Het extra verkeer vanuit Valkenhorst op het al bestaande knelpunt op de N44 kan dus effect hebben op de verkeerssituatie in Wassenaar. In hoeverre een alternatieve route tussen de N44 en de N441 daadwerkelijk een aantrekkelijke optie zou zijn, is zonder aanvullende modelberekeningen niet aan te geven. 27.3. De raad stelt zich betreffende de externe verkeersgevolgen van het plan op het standpunt dat Arcadis miskent dat de toekomstige situatie sterk afwijkt van de situatie in 2019, waarop Arcadis haar second-opinion heeft gebaseerd. In 2024 zal namelijk de RijnlandRoute worden opengesteld. Hiermee ontstaat een rechtstreekse verbinding tussen de A44 en de A4. De RijnlandRoute voorziet daarnaast in een aanzienlijke verbetering van de aansluitingen van de N206 op de A44 bij de Knoop Leiden West.