Bijlage 2.1 bestemmingsplan “Laan van Pluymestein 11 en Het Kerkehout 64”, Toelichting
Tekst van het document
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. De meest voorkomende vorm van geluidhinder is degene die wordt veroorzaakt door het wegverkeer. Zo stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. De voorkeursgrenswaarden is de waarde die zonder meer kan worden toegestaan. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur wegen, op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Indien na akoestisch onderzoek blijkt dat de grenswaarden van de gevelbelasting worden overschreden dient er een ontheffing te worden verkregen via een hogere voorkeursgrenswaarde procedure. De maximale ontheffingswaarde voor nieuw te bouwen woningen in stedelijk gebied is 63 dB. Planspecifiek Woningen zijn geluidgevoelig in de zin van de Wet geluidhinder (Wgh). De locatie Het Kerkehout 64 ligt buiten de zone van de N44.
De locatie ligt aan het eind van Het Kerkehout, een doodlopende weg die alleen wordt gebruikt door aanwonenden. Deze weg is om die redenen akoestisch niet relevant. Voor deze locatie is geen verder onderzoek noodzakelijk.
26
De beoogde woning op het deelgebied Laan van Pluymestein 11 ligt binnen de wettelijke geluidzone van de N44, zodat een akoestisch onderzoek vereist is om aan te tonen dat voldaan wordt aan de bepalingen van de Wgh. Er is akoestisch onderzoek wegverkeer uitgevoerd: zie rapport 'Geluidbelasting wegverkeer op locaties Laan van Pluymestein 11 en Het Kerkehout 64 te Wassenaar' (Adviesburo van der Boom, d.d. 6 mei 2021): zie bijlagen bij toelichting, bijlage 3. De locatie Laan van Pluymestein 11 is gelegen binnen de bebouwde kom van Wassenaar binnen de geluidzone van de N44 op ca 250 meter van die weg. De woning ligt voorts op ca. 10 meter uit de Laan van Pluymestein. Dit is een doodlopende weg die wordt gebruikt door aanwonenden: deze weg is akoestisch niet relevant. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting door wegverkeer op de N44 op de verdieping van de woning aan de Laan van Pluymestein 50 dB na aftrek ex art 110-g Wgh bedraagt. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee met 2 dB overschreden. De maximale hogere waarde van 53 dB voor de Wet Geluidhinder wordt niet overschreden. Overigens wordt de voorkeurswaarde op de begane grond niet overschreden. Hieronder zijn maatregelen beschreven om zo mogelijk de geluidbelasting op de locatie Laan van Pluymestein ten gevolge van de N44 zo mogelijk tot de voorkeursgrenswaarde te doen afnemen. Maatregelen aan de bron
• •
Stil asfalt. De N44 is voorzien van een ZOAB wegdek. Deze maatregel is reeds getroffen. Verlagen van de maximumsnelheid. De maximumsnelheid op de N44 bedraagt 70 / 100 km/uur voor lichte motorvoertuigen (rekensnelheid volgens het Geluidregister). Het terugbrengen van de snelheid op een autoweg ten behoeve van het terugbrengen van de geluidbelasting op de woning is niet haalbaar en is niet verder uitgewerkt.
Afscherming met een geluidscherm De woning kan van de van de N44 worden afgeschermd met verdiepinghoog geluidscherm op het eigen terrein. Deze maatregel stuit op landschappelijke bezwaren. Conclusie Voor de woning op de locatie Laan van Pluymestein 11 dient een hogere waarde te worden aangevraagd van 50 dB voor de geluidbelasting door wegverkeer op de N44. Het treffen van maatregelen aan de weg is niet mogelijk omdat de N44 reeds is voorzien van stil asfalt. Het plaatsen van een verdiepinghoog geluidscherm op het eigen terrein is landschappelijk niet haalbaar. Voor het aspect geluid zal voorts sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als voor de woningen wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. De hoogste geluidbelasting op de gevels van de woning bedraagt 52 dB zonder aftrek. Voor de gevels met een geluidbelasting van ten hoogste 53 dB zonder aftrek zijn geen voorzieningen noodzakelijk, De benodigde karakteristieke geluidwering GA;k bedraagt dan 20 dB, dit is de minimale waarde conform het Bouwbesluit.
4.4 Milieuzonering Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de
27
gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek Aan de hand van het vigerende bestemmingsplan is in kaart gebracht wat voor bedrijfsactiviteiten er aanwezig zijn in de nabijheid van de twee plangebieden. Hieronder wordt per plangebied besproken of er wordt voldaan aan de richtafstanden zoals die zijn aangeven in de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering. Beide plangebieden kunnen worden aangegeven als 'rustig buitengebied'. Deelgebied 1. Het Kerkehout 64 In de nabijheid van het perceel gelegen aan Het Kerkehout 64 liggen ten noorden de sportvelden van Sport Vereniging Wassenaar. Voor sportvelden met lichtmasten geldt een milieucategorie van 3.1 en een richtafstand van 50 meter. Het meest dichtgelegen sportveld, een honkbalveld zonder lichtmasten, bevindt zich op ruim 50 meter van het plangebied. De beoogde ontwikkeling zal geen belemmering ondervinden van de sportvelden. Er zijn geen andere activiteiten in de omgeving van het perceel aan Het Kerkehout 64. Deelgebied 2. Laan van Pluymestein 11 Het plangebied aan de Laan van Pluymestein is gelegen in rustige buitengebied. Wel bevinden zich ten oosten van het plangebied gronden met de bestemming 'Bedrijf - Hoveniersbedrijf'. Bij een oppervlakte groter dan 500 m² moet er worden uitgegaan van een millieucategorie van 3.1 en een richtafstand van 50 meter. Het plangebied ligt op ruim 90 meter afstand en voldoet daarmee aan de richtafstand.
Er zijn geen andere bedrijfsactiviteiten in de omgeving van dit deelgebied aanwezig. Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen belemmering ondervindt voor wat betreft het aspect milieuzonering.
4.5 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm van 1,2 µg/m³ voor fijnstof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale
28
overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling worden twee woningen gebouwd. Er zal sprake zijn van een minimale toename van de voertuigbewegingen van en naar het plangebied. De voorgenomen ontwikkeling kan gezien worden als een NIBM-project; er is geen sprake van een 'groot' project waar meer dan 3% bij wordt gedragen aan de jaargemiddelde norm van 1,2 µg/m³ voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). De ontwikkeling draagt 'niet in betekende mate' bij aan de luchtverontreiniging waardoor het niet hoeft te worden getoetst aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen. Wel is, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m³ voor zowel fijnstof PM10 als stikstofdioxide.
De specifieke concentraties over 2019 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) aan Het Kerkehout bedragen respectievelijk 17 μg/m³ PM10, 9 μg/m³ PM2,5 en 17 μg/m³ NO2. en aan de Laan van Pluymestein respectievelijk 17 μg/m³ PM 10, 9 μg/m³ PM2,5 en 18 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.
29
Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken.
Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) regelen onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen.
Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.
Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.
30
Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. Onderstaande afbeelding toont de risicokaart.
Risicokaart (plangebied zwart omkaderd, bron: Atlas Voor Leefomgeving)
In de directe omgeving staan geen risicovolle inrichtingen. Wel loopt op 200 meter ten noordwesten van het deelgebied aan de Laan van Pluymestein de N44 (Rijksstraatweg). Op de N44 vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats (brandbaar gas en giftige vloeistoffen). De N44 heeft een plaatsgebonden risico van 0. Het vervoer van gevaarlijke stoffen op het midden van de weg bedraagt niet meer dan 10-6 per jaar. Beide deelgebieden bevinden zich verder dan 200 meter van de transportroute. Daarmee is het niet noodzakelijk om het groepsrisico te berekenen. Bovendien voorziet de ontwikkeling slechts in twee extra woningen ten opzichte van de huidige situatie. Er kan gesteld worden dat het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N44 geen belemmeringen vormt voor de beoogde ontwikkeling. Bij de verdere uitwerkingen zal nog specifiek wordt gekeken naar brandveiligheid, waarbij aandacht besteed wordt aan de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen, zoals bedoeld in de notitie 'Advisering EV – Veiligheidsregio Haaglanden - invulling van de adviesrol bij ruimtelijke plannen’ (d.d. 11 mei 2021). Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het voorgenomen plan.
4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die
31
zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling worden de twee plangebieden getransformeerd. Hierbij dienen bestaande gebouwen op de plangebieden te worden verwijderd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop.
Middels twee ecologische onderzoeken is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het de plangebied voor deze soorten in kaart gebracht: 'Quickscan Wet natuurbescherming sloop kassencomplex en nieuwbouw woningen, Laan van Pluymestein 11 te Wassenaar' en 'Quickscan Wet natuurbescherming Het Kerkehout 64 te Wassenaar' (Van Dijk Geo- en Milieutechniek d.d. 19 mei 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4 en bijlage 5). In het eerstgenoemde onderzoek werd overigens nog uitgegaan van mogelijk twee woningen op het perceel aan de Laan van Pluymestein, maar dat doet niets af aan de bevindingen. Soortenbescherming De beide deelgebieden hebben geen essentiële betekenis voor beschermde dierensoorten. De planlocaties zijn mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming. Hiervoor geldt de Algemene zorgplicht. Gebiedsbescherming Het deelgebied aan Het Kerkehout maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Het deelgebied aan de Laan van Pluymestein is wel gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Derhalve is met een 'Nee tenzij toets onderzocht wat de invloed van de beoogde ontwikkeling is op het NNN (zie bijlagen bij toelichting bijlage 6). Het saneren van het huidige vervallen kassencomplex en verwijderen van grondopslag ten behoeve van de realisatie van een woning aan de Laan van Pluymestein 11 te Wassenaar leidt niet tot significante aantasting van het Natuurnetwerk Nederland. Doordat de planlocatie momenteel deels bestaat uit vervallen kassen en is overwoekerd met planten zoals braam en brandnetel, zijn de huidige natuurwaarden en samenhang met het Natuurnetwerk Nederland laag. Landschappelijke inpassing bij de beoogde ontwikkelingen zullen mogelijk leiden tot een hogere natuurwaarden en een betere samenhang. Derhalve wordt zo ook de robuustheid en aaneensluiting van het NNN verbeterd. De beoogde werkzaamheden leiden niet tot een toename van bebouwing. Er is dan ook geen sprake van afname van oppervlak van het NNN. Stikstofberekening Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dient middels een berekening met de AERIUS Calculator uitgevoerd te worden of er sprake is van negatieve effecten. Op 24 januari 2020 is er een stikstofberekening uitgevoerd voor de bouw- en gebruiksfase van het plangebied (zie bijlagen bij toelichting bijlage 7).
Hieruit is gebleken dat de stikstofdepositie van de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden. Daarmee is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Met het oog op de Wet natuurbescherming is het plan uitvoerbaar. Overigens dateren deze berekeningen nog van voor de bouwvrijstelling, zoals die per 1 juli 2021 geldt. Dat houdt in dat de bouw- en aanlegfase niet meer in ogenschouw hoeft te worden genomen. Dat houdt in dat de effecten nog beduidend minder zijn en het aspect stikstofdepositie hier zeker geen belemmering zal vormen.
32
Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet wordt belemmerd door het aspect ecologie.
4.8 Waterhuishouding De waterhuishouding is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterschapsbeleid Het hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid
33
tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft de veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Voor voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken, zoals gemalen, duikers en stuwen, op orde zijn en toekomstbestendig worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol. Waterbeheerplan Voor de planperiode 2022 - 2026 is het waterbeheerplan 'Water wijst de weg, WBP6' van hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing.
Hiermee maakt het hoogheemraadschap van Rijnland duidelijk hoe het, in samenwerking met de omgeving, invulling geeft aan de wettelijke taken en ambities. Het WBP6 legt meer dan voorheen accent op klimaatuitdagingen, waarbij het hoogheemraadschap een positieve bijdrage wil leveren aan de circulaire economie, de energietransitie, de ruimtelijke kwaliteit, het recreatieve medegebruik en versterking van de biodiversiteit. Dát is zorgen voor een gezonde en duurzame leefomgeving. Er is een interactieve Visiekaart opgesteld met vier landschapstypen. Onderhavig gebied maakt deel uit van het landschapstype 'zand'. Het Rijnlands zandlandschap aan de Noordzeekust bestaat uit duingebied en bollenstreek. Toerisme, recreatie en agrarische productie zijn de belangrijkste functies. De belangrijkste waterontwikkelingen zijn:
•
kwelwater van hoge kwaliteit uit de duinen stroomt af en raakt vervuild als het in contact komt met het oppervlaktewatersysteem;
•
de hoge ecologische kwaliteit van het duingebied staat onder druk, ook door gewasbeschermingsmiddelen uit de bollenteelt waarvan de restanten in het grondwater terechtkomen;
•
de vraag naar ruimte voor drinkwaterwinning wordt groter.
De Blauwe Lens De gevolgen, kansen en oplossingen van klimaatverandering voor het beheergebied van het hoogheemraadschap van Rijnland zijn onderzocht. Het resultaat van dit onderzoek is het rapport 'De Blauwe Lens, transitieopgaven verbonden door water' (januari 2021). De Blauwe Lens geeft aan dat het gebied en het watersysteem veerkrachtiger en flexibeler moeten worden. Een belangrijk inzicht is dat problemen niet afgewenteld moeten worden op de omgeving, maar dat water juist moet worden ingezet als ordenende kracht in ruimtelijke ontwikkeling. Met deze constatering bevestigt De Blauwe Lens de noodzaak om water leidend te maken. Keur en beleidsregels Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:
• • • •
waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden.
Maar ook aan:
• •
onttrekken en lozen van grondwater; aanbrengen van verhard oppervlak.
34
De Keur van Rijnland 2020 gaat uit van een 'ja, tenzij'-benadering; handelingen met een klein risico vallen onder de zorgplicht en kunnen zonder vergunning of melding worden uitgevoerd. Voor handelingen met een groter risico of in expliciet benoemde situaties zijn er algemene regels met voorwaarden van kracht of is een watervergunning vereist. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Watertoets In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Planspecifiek Op 14 april 2021 is de digitale watertoets uitgevoerd. De uitkomsten hiervan zijn naar de gemeente Wassenaar en het hoogheemraadschap van Rijnland toegezonden. Uit de digitale watertoets blijkt dat er sprake is van een waterbelang.
Watercompensatie Bij de beoogde ontwikkeling is sprake van een afname van de totale verharding. Voor het perceel aan Het Kerkehout wordt er ca. 1.500 m² aan schuren en opstallen gesloopt. Hiervoor komt alleen een woning terug. Voor het perceel aan de Laan van Pluymestein 11 worden de bestaande kassen gesloopt van ca. 950 m². Ook hier wordt één woning gebouwd. Dit betekent dat er voor beide deelgebieden sprake is van een aanzienlijke afname van verharding en dus geen watercompensatie vereist is. Waterafvoer De bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater wordt afgekoppeld en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt. De voordelen van het afkoppelen van hemelwater zijn: • de riolering wordt ontlast waardoor minder overstorten van ongezuiverd rioolwater optreden;
•
de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken, waardoor het zuiveringsrendement verbetert;
•
schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.
Het hemelwater wordt afgekoppeld en afgevoerd door het te laten infiltreren in de bodem. De afvoer van afvalwater vindt plaats via het gemeentelijk rioolstelsel. Oppervlakte- en grondwater Met de beoogde ontwikkeling wordt het oorspronkelijke slotenpatroon op het perceel Het Kerkehout 64 hersteld. Dit betekent dat daar gegraven zal worden en dat er nieuw oppervlaktewater zal worden aangelegd. Gezien het bovenstaande kan gesteld worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor het onderhavige initiatief.
4.9 Cultureel erfgoed 4.9.1 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.
35
Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Het plangebied is onderdeel van het beschermd dorpsgezicht ‘Landgoederenzone Wassenaar, Voorschoten, Leidschendam-Voorburg’ (2007). Bovendien wordt in de Structuurvisie 2025 verwezen naar het provinciaal beleid (Visie Ruimte en Mobiliteit) waarin Wassenaar is ingedeeld als beschermingscategorie 1 Kroonjuweel Cultureel Erfgoed. Dat betekent dat de instandhouding - en mogelijk verdere ontwikkeling - van de cultuurhistorische waarden voorrang heeft boven alle andere ontwikkelingen. Deelgebied 1. Het Kerkehout 64 Het erf aan Het Kerkehout 64 is een afsplitsing van het erf van de zogenoemde 'Oude Kerkewoning'. De nieuwe boerderij wordt ter onderscheiding de 'Nieuwe Kerkewoning' genoemd. Het erf maakt deel uit van het boerderijlint dat parallel aan de structuur van strandwallen en -vlaktes loopt. De ligging van de boerderijen is op de overgang van het gesloten naar het open landschap. In het gebiedsprofiel 'Duin, Horst en Weide' wordt daarover gezegd: linten blijven linten. Met andere woorden, de boerenerven aan het lint, worden bij herbestemming compact ingericht. De ruimtes tussen de erven worden niet verdicht.
Nieuwe ontwikkelingen doen recht aan de korrelgrootte en de typologie van het erf. Transformaties sluiten aan bij de bestaande kavelopbouw: een hoofdgebouw voorop het erf met een of meer bijgebouwen en hoog opgaande beplanting (streekeigen soorten) rondom. Eventuele nieuwbouw past binnen de erftypologie en vormt een moderne interpretatie van de historische boerderijgebouwen (inclusief bijgebouwen). Daarbij is sprake van een eenduidige ontsluiting, in dit geval Het Kerkehout, zelf ook een waardevolle laanbeplanting.
Kadastrale Minuut 1811-1832, de Oude Kerkewoning binnen het oorspronkelijke boerenerf. De uitbreiding van de Nieuwe Kerkewoning vindt plaats binnen dezelfde contouren
36
De bebouwing op het erf is agrarisch van karakter, Het Kerkehout 64 beeldbepalend (opgenomen op de lijst behorende bij het 'Paraplubestemmingsplan Cultureel Erfgoed Wassenaar Panden, objecten en Archeologisch erfgoed 2016 van de gemeente Wassenaar'). De bijgebouwen zijn van geen bijzondere waarde, zij het dat het agrarisch karakter in de typologie bijdraagt aan de herkenbaarheid van het boerenerf. Deelgebied 2. Laan van Pluymestein 11 Het perceel aan de Laan van Pluymestein valt geheel binnen het gesloten landschap, bosachtig met hoge boomaanplant. De inrichting is groen en de bebouwing bescheiden. De typologie van de beoogde bebouwing sluit aan bij de (kleine tuinders) villabebouwing, niet zozeer bij de agrarische typologieën. Ten opzichte van de bestaande situatie is sprake van een aanzienlijke verbetering en versterking van de natuurwaarden door het opschonen van de bestaande kassen. Omdat de bedrijfsmatige functie (hoveniersbedrijf) van de enclave midden in de natuur verdwijnt, is evenzeer sprake van een (lichte) verbetering ten opzichte van de bestaande toestand. Waarde - Cultuurhistorie Verder wordt in het voorliggende bestemmingsplan de 'Waarde - Cultuurhistorie' gehanteerd, zoals ook opgenomen in het geldende bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2015'.
Daarnaast is een deel van het deelgebied Kerkehout 64 in het 'Paraplubestemmingsplan Cultureel Erfgoed Wassenaar Panden, objecten en Archeologisch erfgoed 2016 van de gemeente Wassenaar' voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie - karakteristieke of beeldbepalende zaak'. De betreffende gronden zijn bestemd voor het behoud en zo mogelijk de versterking van de aan deze gronden, panden en objecten eigen zijnde cultuurhistorische waarden, met een verwijzing naar de uitgevoerde Cultuurhistorische analyse. De analyse van Het Kerkehout 64 is als bijlagen bij de regels (bijlage 3) opgenomen. De juridische regeling is ontleend aan het 'Paraplubestemmingsplan Cultureel Erfgoed Wassenaar - Panden, objecten en Archeologisch erfgoed 2016 van de gemeente Wassenaar'. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling een (lichte) verbetering zal betekenen voor de cultuurhistorie van de beide plandelen.
4.9.2 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek De gronden van het perceel aan Het Kerkehout hebben in het Parapluplan de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 3'. Archeologisch onderzoek is nodig indien sprake is van een bouwwerk met een oppervlakte groter dan 100 m² waarbij de bodemingreep dieper reikt dan 30 cm beneden maaiveld. Bij de beoogde nieuwe woning wordt de oppervlaktemaat overschreden en dus is hier archeologisch onderzoek nodig.
De gronden aan de Laan van Pluymestein 11 hebben in het 'Paraplubestemmingsplan Cultureel Erfgoed Wassenaar - Panden, objecten en Archeologisch erfgoed 2016 van de gemeente Wassenaar' de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Deze dubbelbestemming kent allen een vrijstellingsgrens ten aanzien van de diepte: als het niet dieper reikt dan 30 cm. Bij de beoogde woning wordt die dieptemaat overschreden en dus is hier archeologisch onderzoek nodig.
37
Er is een 'Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)' uitgevoerd door Transect: zie bijlagen bij toelichting, bijlage 8 (rapportnummer 3920, d.d. 12 juni 2022). Deelgebied 1. Het Kerkhout 64 Onder de ligboxenstal en de jongveestal zijn kelders aanwezig. Het gaat hierbij om:
• •
ligboxstal (stalroosters): kelder 1 m diep, breedte 3 m en lengte 30 m; jongveestal (volledig onderkelderd): kelder 1, 5 m diep, breedte 15 m en lengte 25 m.
Vanwege de aanwezigheid van deze mestkelders is de ondergrond daar verstoord. Dit geldt ook voor de gebieden daaromheen, zoals uit de boringen blijkt. Daarom is in het gebied met een lage verwachting, waar uitsluitend twee nieuwe bijgebouwen en verharding verschijnen, gelet op de verwachte diepte van de funderingen ook geen aanvullend archeologisch onderzoek nodig. Wel kunnen in het kader van de omgevingsvergunning voorwaarden verbonden worden aan de (ondergrondse) sloop bestaande bebouwing en kelders. De nieuwe woning daarentegen staat gepland in de strook langs de zuidoostgrens van het plangebied. Omdat daar geen aanwijzingen zijn voor bodemverstoringen, zou op die plek het advies zijn om een proefsleuven onderzoek uit te voeren. Hiervoor is een Programma van Eisen (PVE) nodig, dat door de gemeente is goedgekeurd alvorens de werkzaamheden kunnen plaatsvinden. Mocht de woning iets richting het noorden (ter plaatse van de huidige veestal) kunnen worden verplaatst, dan is een vervolgonderzoek wellicht niet nodig. Deelgebied 2. Laan van Pluymestein 11 Uit het onderzoek blijkt dat het gebied aan de Laan van Pluymestein van zeer hoge waarde is en dat de kans op archeologische resten zeer groot is. Er zijn al vondsten gedaan en op meerdere niveaus kunnen grondsporen aanwezig zijn.
Terughoudendheid ten aanzien van het doen van bodemingrepen is daarom het allereerste advies, aangezien vanaf 30 cm beneden maaiveld al resten gevonden kunnen worden. Het advies is om op de plekken waar bodemingrepen gepland zijn een opgraving uit te voeren. Dit is op dit moment uitsluitend de plekken van de nieuwe woning en het bijbehorende bijgebouw. Hiervoor is op voorhand een door de gemeente goedgekeurd Programma van Eisen (PVE) nodig. Hierbij geeft Transect aan om bij het ontwerp van de woning rekening te houden met het gegeven dat in het noordwestelijke deel van het terrein op meerdere dieptes resten aanwezig zullen zijn. Een dergelijk onderzoek is intensiever hoe dieper de voorgenomen verstoring in het gebied reikt. Het verdient daarom ook de aanbeveling te bekijken of een (plaatselijke) ophoging van het terrein mogelijk is, zodat de funderingen niet in de ongeroerde grond, maar in de opgebrachte grond reiken. Op dat moment zouden archeologische resten in de ondergrond bewaard kunnen blijven en wordt geen aanvullende onderzoeksstap geadviseerd. Voor wat betreft de sloop van de kassen worden op dit moment geen verstoringen voorzien. Het merendeel van de sloop van de kassen omvat het ontmantelen van het raamwerk en glas.
Ondergronds worden alleen de poeren verwijderd: deze worden rechtstandig uit de grond getrokken, waarbij er geen sprake zal zijn van nieuwe grondverstoring. Vanwege deze wijze van uitvoering is de mate van bodemverstoring relatief beperkt waarvoor dan ook geen vervolgstappen voor worden voorgesteld. Conclusie Vooralsnog worden in het gehele plangebied de archeologische dubbelbestemmingen gehanteerd in het voorliggende bestemmingsplan, waarmee de archeologische waarden beschermd zijn. Uit het uitgevoerde archeologische onderzoek blijkt in welke situaties wel of geen aanvullend onderzoek nodig zal zijn.
4.10 Verkeer en parkeren 4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.
38
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek In de toekomstige situatie zullen op beide deelgebieden één extra woning gebouwd worden. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is voor beide locaties uitgegaan van 'Weinig stedelijk' en 'Buitengebied'. Per vrijstaande woning geldt hiervoor een verkeersgeneratie van gemiddeld 8.2. Gezien deze beperkte toename is de verwachting dat de Laan van Pluymestein deze toename zal kunnen opvangen. Voor het perceel aan Het Kerkehout was er oorspronkelijk een melkveebedrijf aanwezig. Dit bedrijf ging gepaard met een hogere verkeersgeneratie dan in de toekomstige situatie het geval zal zijn. Er zal op deze locatie veeleer sprake zijn van een afname van de verkeersgeneratie. Het aspect verkeer vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Planspecifiek Voor het berekenen van de parkeerbehoefte is uitgegaan van de CROW-publicatie 'toekomst bestendig parkeren'. Hierbij zijn bij de woningen uitgegaan van 'Weinig stedelijk' en 'Buitengebied. Bij vrijstaande woningen geldt een gemiddelde parkeerbehoefte van 2.4. per woning. Op de deelgebieden is genoeg ruimte om de benodigde parkeerplaatsen te realiseren.
4.11 Duurzaamheid Het Rijk sluit aan bij de Europese doelstelling om te komen tot een 20 % reductie van de CO2-uitstoot in 2020 ten opzichte van 1990. In 2023 dient verder de bijdrage van duurzame energie 16 % van het totale energieverbruik te zijn. De gebouwde omgeving is goed voor 30 % van het totale energieverbruik in Nederland, heeft een groot besparingspotentieel en kan daardoor een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de bovengenoemde doelstellingen, ook op de langere termijn. Nederland in 2050 vrij van aardgas Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren. De Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) schrijft voor dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden. Energie (BENG) De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw.
Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De eisen houden in dat nieuwe woningen (bijna) energieneutraal gebouwd moeten worden. De BENG kijkt naar de energie prestatie van een gebouw aan de hand van de drie energieprestatie-indicatoren:
39
1. 2. 3.
de energiebehoefte indicator; de primaire fossiele energie-indicator; en het aandeel hernieuwbare energie.
Milieuprestatie Gebouwen (MPG) De Milieuprestatie Gebouwen (MPG) is een belangrijke maatstaf voor de duurzaamheid van een gebouw en is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m². Hoe lager de MPG, hoe duurzamer het materiaalgebruik. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling worden meerdere maatregelen getroffen met betrekking tot duurzaamheid. De nieuwe woningen worden energiezuinig gebouwd, waarbij voldaan zal worden aan de eisen van BENG. Uitgegaan wordt van gasloos bouw. Ook bij de renovatie van Het Kerkehout 64 wordt aandacht besteed aan duurzaamheid. Dit wordt nader uitgewerkt in het kader van de omgevingsvergunningen.
40
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
5.2 Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.3 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Basisregistratie Grootschalige Topografie en/of kadastrale kaart).
5.4 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 4 de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
• • • • •
bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
41
• •
afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
5.5 Wijze van bestemmen Navolgend worden per artikel kort de belangrijkste aspecten weergegeven. Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Artikel 2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hiervoor is aangesloten bij de SVBP 2012. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden Dit heeft betrekking op het westelijke gedeelte van het perceel Het Kerkehout 64. De voor 'Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor de ontwikkeling van een duurzame landbouw. Maar ook voor bijv. het behoud van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden, de openheid en het verkavelings-/slotenpatroon, kleinschalige landschapselementen en extensief recreatief medegebruik.
De gebruiksmogelijkheden, alsook de bouwmogelijkheden, zijn ontleend aan het geldende bestemmingsplan. Zo zijn uitsluitend kleinschalige overige bouwwerken toegestaan. Artikel 4 Natuur Aan de Laan van Pluymestein 11 zijn delen van het terrein voorzien van de bestemming 'Natuur', wat aansluit bij het omliggende gebied. De bestemmingsregeling is afgestemd op de geldende regeling. Deze bestemming is gericht op het behoud, herstel of versterking van de aan deze gronden eigen zijnde natuurwaarden, landschappelijke en cultuurhistorische waarden en de ontwikkeling van nieuwe natuurwaarden en landschappelijke waarden. Verder gaat de bestemmingsomschrijving uit van het gebruik als erf bij 'Wonen -1' en zijn er mogelijkheden voor extensieve dagrecreatie en agrarisch medegebruik in het kader van het beheer van de natuurgebieden. Er zijn beperkte bouwmogelijkheden, bijv. voor terreinafscheidingen. Daarnaast zijn er mogelijkheden voor gebouwen voor beheer en onderhoud. Artikel 5 Wonen - 1 Gronden in het plangebied zijn voorts voorzien van de bestemming 'Wonen - 1'. Binnen deze bestemming zijn de beoogde woningen toegestaan, maar ook ontsluitingen, parkeer- en groenvoorzieningen en bijbehorende voorzieningen. Bij een woning is het gebruik ten behoeve van een aan huis verbonden beroep en ook bed & breakfast toegestaan.
Op de verbeelding zijn bouwvlakken weergegeven, waarbinnen het hoofdgebouw geplaatst dient te worden. Hierbij is binnen het bouwvlak van de nieuwe woning op het perceel Het Kerkehout 64 een 'gevellijn' aangeduid: de voorgevel van het hoofdgebouw met de entree dienen ter plaatse van deze aanduiding te worden gebouwd, dan wel maximaal 1 m daarachter. De maximum goot- en bouwhoogten van de hoofdgebouwen zijn eveneens op de verbeelding aangegeven, evenals de maximum inhoudsmaten van de nieuwe woningen. Voor het bestaande te handhaven hoofdgebouw op de locatie Het Kerkehout 64 vormt de bestaande inhoudsmaat het maximum.
42
Verder zijn bouwregels voor bijbehorende bouwwerken (uitsluitend vrijstaande bijbehorende bouwwerken) en voor overige bouwwerken opgenomen. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen aan de situering van gebouwen en er is een afwijkingsmogelijkheid voor een inritconstructie. Artikel 6 Waarde - Archeologie 2 en Artikel 7 Waarde - Archeologie 3 Ter bescherming van archeologische waarden zijn de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen. Bij bodemingrepen die dieper reiken dan 30 cm, respectievelijk groter zijn dan 100 m² of dieper reiken dan 30 cm, is archeologisch onderzoek vereist. De regelingen zijn ontleend aan het 'Paraplubestemmingsplan Cultureel Erfgoed Wassenaar - Panden, objecten en Archeologisch erfgoed 2016 van de gemeente Wassenaar', met recente aanpassingen. Artikel 8. Waarde - Cultuurhistorie De in artikel 8 genoemde regeling vormt een aanvulling op de regeling uit het bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2015', waarin binnen de beide plandelen sprake is van de dubbelbestemming 'Waarde Cultuurhistorie'. De betreffende regeling is derhalve nog van kracht op delen van het voorliggende plangebied. De regeling is 1-op-1 overgenomen uit het bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2015', waarbij ook de daarbij behorende bijlage (bijlage 2 bij de regels) is opgenomen.
Artikel 9 Waarde - Cultuurhistorie - karakteristieke of beeldbepalende zaak Een deel van het deelgebied Kerkehout 64 is voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie karakteristieke of beeldbepalende zaak'. Deze gronden zijn bestemd voor het behoud en zo mogelijk de versterking van de aan deze gronden, panden en objecten eigen zijnde cultuurhistorische waarden, met een verwijzing naar de uitgevoerde Cultuurhistorische analyse. De betreffende bevindingen ten aanzien van Het Kerkehout 64 zijn om die reden als bijlage bij de regels (bijlage 1) opgenomen. De juridische regeling is ontleend aan het 'Paraplubestemmingsplan Cultureel Erfgoed Wassenaar Panden, objecten en Archeologisch erfgoed 2016 van de gemeente Wassenaar'. Hoofdstuk 3: Algemene regels Artikel 10 Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 11 Algemene bouwregels In dit artikel zijn regels over het voorkomen van strijdigheden, over ondergronds bouwen, over ondergeschikte bouwdelen en over dakkapellen opgenomen.
Artikel 12 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van geringe gebruiksvormen die in ieder geval strijdig zijn met het bestemmingsplan. Artikel 13 Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen om – onder voorwaarden – af te wijken van hetgeen is bepaald in het bestemmingsplan. Artikel 14 Overige regels In dit artikel zijn de regels omtrent parkeren opgenomen: er moet voorzien worden in voldoende parkeerplaatsen, uitgaande van de gemeentelijke parkeernormen. Hierbij wordt uitgegaan van de CROWpublicatie 'toekomstbestendig parkeren'. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 15 Overgangsrecht In deze regels wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik. Artikel 16 Slotregel Als laatste wordt de slotregeling opgenomen. Deze regeling bevat de titel van het plan.
43
6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.