CConstaterende datwassenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2.1 bestemmingsplan “Laan van Pluymestein 11 en Het Kerkehout 64”, Toelichting

Raadsvergadering Wassenaar 8 november 2022, gemeente wassenaarBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Laan van Pluymestein 11 en Het Kerkehout 6417.861 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

bestemmingsplan

Laan van Pluymestein 11 en Het Kerkehout 64 Wassenaar Gemeente Wassenaar TOELICHTING

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.0629.BPPLUYM11KERK64-VG01

Datum:

15 november 2022

Kenmerk Buro SRO:

SR210057

Opdrachtgever:

Melkveebedrijf Alkemade Wassenaar

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 4 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 4 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 11

3 Beleid ..................................................................................................................................................... 14 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 14 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 15 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 20

4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 23 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 23 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 24 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 26 4.4 Milieuzonering .................................................................................................................................................. 27 4.5 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 28 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 29 4.7 Ecologie .............................................................................................................................................................

31 4.8 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 33 4.9 Cultureel erfgoed .............................................................................................................................................. 35 4.10 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 38 4.11 Duurzaamheid ................................................................................................................................................. 39

5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 41 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 41 5.2 Toelichting ......................................................................................................................................................... 41 5.3 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 41 5.4 Planregels .......................................................................................................................................................... 41 5.5 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 42

6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 44 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 45 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 45 7.2 Participatie ........................................................................................................................................................ 45 7.3 Vooroverleg ....................................................................................................................................................... 45 7.4 Zienswijzen ........................................................................................................................................................ 46

3

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer heeft het voornemen om op de beide percelen Het Kerkehout 64 en Laan van Pluymestein 11 een vrijstaande woning toe te voegen. Hierbij worden de vervallen kassen op de Laan van Pluymestein 11 en de agrarische bedrijfsbebouwing op Kerkehout 64 verwijderd. Tevens wordt de bestaande boerderijwoning op het perceel van Het Kerkehout 64 gerenoveerd. Er is voor dit initiatief in april 2019 een principeverzoek ingediend bij de gemeente Wassenaar, waarna op verzoek van de gemeente nog de notitie 'Afweging bouwmogelijkheden' is opgesteld (d.d. 9 mei 2019). Op 2 februari 2021 volgde de reactie van de gemeente Wassenaar op het principeverzoek van april 2019. Daarbij is aangegeven dat de Raadscommissie Ruimte en Economie op 4 november 2019 heeft uitgesproken in principe bereid te zijn medewerking te verlenen aan een plan voor twee woningen, waarbij één woning wordt gerealiseerd op het perceel Laan van Pluymestein 11 en één woning op het perceel Het Kerkehout 64. Vervolgens is er geruime tijd gediscussieerd over de positionering van de nieuwe woning op het perceel Het Kerkehout 64, met name vanuit de cultuurhistorische situatie. Inmiddels is er overeenstemming over het voorstel van Hegeman Bouwteam ('Erfinrichtingsplan Laan van Pluymestein, Het Kerkehout', d.d. 21 juni 2022).

Tevens is hiervoor een nieuwe Nota van uitgangspunten vastgesteld en is het initiatief veelvuldig (ambtelijk en bestuurlijk) besproken. Het initiatief past niet binnen de mogelijkheden van de ter plaatse geldende bestemmingsplannen. Derhalve is hiervoor een nieuw bestemmingsplan vereist. Hiertoe dient het voorliggende bestemmingsplan dat als doel heeft een nieuw en actueel planologisch-juridisch kader te bieden dat de realisatie van onderhavig initiatief op de twee deelgebieden mogelijk maakt.

1.2 Ligging plangebied De twee deelgebieden bevinden zich nabij de wijk Kerkehout en landgoed Oud Clingendael in de gemeente Wassenaar. Het perceel van Het Kerkehout 64 is bekend onder de kadastrale gemeente Wassenaar, sectie D en perceelnummers 3092 en 2563. Het perceel gelegen aan de Laan van Pluymestein 11 is bekend onder de kadastrale gemeente Wassenaar, sectie D en perceelnummer 2104. Onderstaande afbeelding geeft de globale ligging van het plangebied weer.

Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

4

De onderstaande kaart toont de globale begrenzing van het plangebied: met 1 is het deelgebied Het Kerkehout 64 aangegeven en met 2 het deelgebied Laan van Pluymestein 11.

Globale begrenzing plangebied, rood omcirkeld (bron: maps.google.nl)

5

1.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied is onderdeel van het bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2015' dat is vastgesteld door de gemeente Wassenaar op 6 april 2015. Ook valt een deel bij Het Kerkehout 64 binnen het bestemmingplan 'Kerkehout 2010', dat is vastgesteld door de gemeente Wassenaar op 11 april 2011. Tevens geldt het 'Paraplubestemmingsplan Cultureel Erfgoed Wassenaar - Panden, objecten en archeologie', vastgesteld door de gemeente Wassenaar op 12 april 2018. De volgende afbeelding toont een fragment van de verbeelding van de geldende bestemmingsplannen.

Uitsnede geldend bestemmingsplannen, globale begrenzing plangebied: rode omkadering (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Deelgebied 1. Het Kerkehout 64 In het geldende bestemmingsplan ‘Landelijke Gebied 2015’ hebben de betreffende gronden de bestemming ‘Agrarisch - Bedrijfscentrum’, met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch bedrijfscentrum - bouwstede’, bedoeld voor (rund)veehouderijbedrijven. Verder is een ‘bedrijfswoning’ aangeduid. De ontsluiting van het aangrenzende perceel Het Kerkehout 103 verloopt via de agrarische bestemming. Een deel van het plangebied valt binnen het bestemmingplan 'Kerkehout 2010'. Hier geldt grotendeels de bestemming 'Recreatie - Volkstuin'. Verder zijn hierin water-, groen- en verkeersbestemmingen opgenomen, conform de bestaande situatie. Deelgebied 2. Laan van Pluymestein 11 In het geldende bestemmingsplan ‘Landelijke Gebied 2015’ hebben de betreffende gronden de bestemming ‘Bedrijf – Hoveniersbedrijf'. Het perceel is voorzien van een bouwvlak van ca. 950 m² ter plaatse van de bestaande kassen. Paraplubestemmingsplan Cultureel Erfgoed Wassenaar - Panden, objecten en Archeologisch erfgoed 2016 van de gemeente Wassenaar Een deel van het deelgebied Kerkehout 64 is voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie karakteristieke of beeldbepalende zaak'. Deze gronden zijn bestemd voor het behoud en zo mogelijk de versterking van de aan deze gronden, panden en objecten eigen zijnde cultuurhistorische waarden.

In het kader van dit parapluplan en het daarin opgenomen 'TasT projecten voor tastbaar erfgoed voor gemeente Wassenaar 2012/2013' is de waardering van de cultuurhistorische waarde van het pand Kerkehout 64 zeer hoog. Het pand is vanwege de cultuurhistorische, architectuurhistorische en ensemblewaarde van algemeen belang voor de gemeente Wassenaar. Deze regeling vormt een aanvulling op de regeling uit het onderliggende bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2015', waarin sprake is van de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie'. Deze blijft van kracht op de locatie aan de Laan van Pluymestein 11 en op delen van de locatie Het Kerkehout 64.

6

De gronden van Het Kerkehout 64 hebben ook de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3', voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden. Archeologisch onderzoek is nodig indien sprake is van een bouwwerk met een oppervlakte groter dan 100 m² waarbij de bodemingreep dieper reikt dan 30 cm beneden maaiveld. De gronden van het deelgebied Laan van Pluymestein hebben de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Bij werkzaamheden die dieper reiken dan 30 cm dient archeologisch onderzoek plaats te vinden. Met de beoogde ontwikkeling wordt op beide percelen bebouwing en bouwwerken gesloopt. Vervolgens worden op beide percelen een woning toegevoegd en wordt een bestaande woning aangewend als burgerwoning. Dit past niet binnen de mogelijkheden van de ter plaatse geldende bestemmingsplannen.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. De juridische planbeschrijving is te vinden in hoofdstuk 5. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische uitvoerbaarheid en hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

7

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Hieronder zullen de twee deelgebieden apart beschreven worden. Deelgebied 1. Het Kerkehout 64 Op het perceel aan Het Kerkehout staat een (voormalige) melkveebedrijf. Het bedrijf bestaat uit een hoofdgebouw met een bedrijfswoning en uit een viertal agrarische opstallen. Het hoofdgebouw met de bedrijfswoning is in 1917 na een brand hersteld conform de tekeningen uit 1909. Het vormt een afsplitsing van de Kerkewoning op nummer 103 en wordt ook wel de 'Nieuwe Kerkewoning' genoemd. Daarachter is een vrijstaande werktuigenloods aanwezig. In de jaren 70 een melkveestal gerealiseerd. Tegen deze stal is een schuur aanwezig die zich thans in een vervallen toestand zonder dak bevindt. Aan de andere zijde van de melkveestal is een stal uit 1992 aanwezig die inmiddels ook in vervallen toestand en zonder dak is. Aansluitend was nog een kweekkas aanwezig, maar deze is inmiddels goeddeels ontmanteld.

Bestaande situatie op Het Kerkehout 64 (Bron: Blom Ecologie, februari 2020)

8

Aanzicht van Het Kerkehout 64 (Bron: Hegeman Bouwteam, november 2021)

Het bedrijf wordt ontsloten via Het Kerkehout, waarvan het laatste deel een eigen weg betreft. Die eigen weg wordt overigens mede gebruikt door wandelaars en mensen die hun hond uitlaten en die weg is ook ter ontsluiting van het perceel Het Kerkehout 103. Ten oosten van Het Kerkehout 64 is de woonboerderij ‘De Kerkewoning’ (Het Kerkehout 103) aanwezig, een Rijksmonument uit de 17e eeuw. Direct ten noordoosten van het agrarische bedrijf bevindt zich 'Tuinpark het Kerkehout, een kleinschalig volkstuinencomplex van de Wassenaarse Volkstuinvereniging. Tussen deze volkstuinen en de weg Het Kerkehout bevindt zich een grasland dat eigendom is van initiatiefnemer. Ten noorden is het sportcomplex van S.V. Wassenaar gevestigd, aan de rand van de woonwijk Kerkehout. Deelgebied 2. Laan van Pluymestein 11 Op het perceel aan de Laan van Pluymestein 11 bevond zich een hoveniersbedrijf/handelskwekerij. Het perceel bestaat voor een deel uit kassen. Echter is het hoveniersbedrijf al 15 jaar niet meer actief waardoor de kassen in zeer slechte staat zijn geraakt. Hierdoor maakt het perceel een zeer vervallen en verwilderde indruk. Het betreffende perceel heeft een oppervlakte van ongeveer 3.000 m², waarop kassen met oppervlak van zo’n 950 m² aanwezig zijn. Onderstaande afbeeldingen geven een impressie van het plangebied.

Bestaande situatie Laan van Pluymestein 11 (Bron: Hegeman Bouwteam, november 2021)

9

Impressie plangebied Laan van Pluymestein 11 (bron: initiatiefnemer)

Op het eerste stuk vanaf de Rijksstraatweg na, vormt de Laan van Pluymestein een eigen weg van initiatiefnemer. De weg geeft toegang tot het onderhavige perceel en het verderop gelegen agrarische bedrijf Laan van Pluymestein 36 en enkele woningen. Ten oosten van het perceel bevindt zich de historische buitenplaats Oud Clingendaal. De parkaanleg van deze buitenplaats vormt een Rijksmonument. In het park is nog een kwekerij aanwezig en er zijn enkele monumentale panden aanwezig, waaronder Villa Sijthoff (waarin nu Zorggroep Vandaegh is gehuisvest).

10

2.2 Toekomstige situatie Initiatiefnemer is voornemens om op beide percelen de bestaande agrarische bebouwing en bouwwerken te slopen om er vervolgens per perceel één nieuwe woning bij te bouwen. Hiervoor is een Erfinrichtingsplan opgesteld (Hegeman Bouwteam, d.d. 21 juni 2022): zie bijlagen bij toelichting, bijlage 1. Hieronder worden per deelgebied de ontwikkelingen besproken. Deelgebied 1. Het Kerkehout 64 Het voorstel is om 1.650 m² aan agrarische bedrijfsbebouwing op het perceel aan Het Kerkehout te slopen. Onderstaande afbeelding toont de te slopen stallen en schuren.

De te slopen agrarische bedrijfsbebouwing (bron: Buro SRO/google.maps)

De beoogde ontwikkeling bestaat uit de bouw van een nieuwe woning en de renovatie van de oude woonboerderij. De nieuw te bouwen woning zal ten zuiden van het bestaande woongebouw worden gerealiseerd. De woning zal bestaan uit één bouwlaag met een kap, wat aansluit bij de omliggende bebouwing en wordt zo gebouwd dat deze past bij de stijl van de omliggende woningen. Hierbij wordt voor de nieuwe woning uitgegaan van een inhoudsmaat van 1.000 m³, wat met name verband houdt met de maat van de omliggende woningen (Het Kerkehout 64 en 103). De nieuwe woning is georiënteerd op de 'Nieuwe Kerkewoning' en wordt ook met de entree en de formele gevel naar die woning gericht. Dit wordt ook als zodaniig in het voorliggende bestemmingsplan vastgelegd, middels de aanduiding 'gevellijn' op de verbeelding. Er worden tevens bijgebouwen voorgesteld, die uitgevoerd zullen worden in de typologie van een wagenschuur. Om te voorkomen dat er meerdere bijgebouwen verspreid over het perceel gebouwd worden, wordt geregeld dat één bijgebouw per woning gerealiseerd mag worden t.b.v. berging, fietsenberging en garage. De maximale grootte van dit bijgebouw is begrensd op 48 m² per woning. Bovendien worden deze bijgebouwen op enige afstand (minimaal zo'n 4 meter) tot de hoofdgebouwen gerealiseerd, zoals aangegeven op het Erfinrichtingsplan. De ontwikkeling ziet ook toe op een landschappelijke verbetering.

In het Erfinrichtingsplan zijn hiervoor voorstellen gedaan. Het zuidwestelijke perceelsgedeelte krijgt opnieuw een agrarische bestemming en zal groen en open worden ingericht, passend bij het open agrarische landschap. De oorspronkelijke kavelstructuur wordt hersteld en zal een natuurlijke begrenzing vormen tussen de woningen en deze agrarische gronden. Met name door de sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing zal er aanzienlijke verbetering zijn in het groene en open landschap.

11

De ontsluiting zal ook in de toekomstige situatie verlopen via Het Kerkehout. De parkeergelegenheid zal plaatsvinden op eigen terrein. Onderstaande afbeelding toont een situatietekening van de beoogde ontwikkeling.

Voorstel erfinrichting Het Kerkehout 64 (bron: Hegeman Bouwteam, 21 juni 2022)

Deelgebied 2. Laan van Pluymestein 11 Met de beoogde ontwikkeling worden op het perceel aan de Laan van Pluymestein 11 eerst de bestaande kassen gesloopt. De kassen hebben een oppervlakte van 950 m². Onderstaande afbeelding toont de te slopen bebouwing.

De te slopen kassen (bron: Buro SRO/google.maps)

12

Met de sloop van de kassen komt er veel ruimte vrij op het plangebied. Beoogd wordt om op de locatie van de kassen één nieuwe woning te realiseren. Deze woning zal bestaan uit één bouwlaag met een samengestelde kap. Hierbij is afgesproken dat voor de nieuwe woning uitgegaan wordt van een inhoudsmaat van 650 m³. De goot- en bouwhoogten bedragen hierbij maximaal resp. 3 en 9 meter. Er wordt tevens één bijgebouw voorgesteld. Deze wordt uitgevoerd in de typologie van een wagenschuur en tot een maximum oppervlakte van 48 m². De woning zal zorgvuldig worden ontworpen, met een rijke detaillering en met veel aandacht voor duurzaamheid. Op deze wijze levert het initiatief een positieve bijdrage aan de kwaliteiten van landgoed Oud Clingendaal. De bestemming ‘Bedrijf – Hoveniersbedrijf' komt volledig te vervallen. Het centrale deel van het perceel aan de Laan van Pluymestein 11 krijgt de bestemming ‘Wonen - 1’. Hier is ruimte voor het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken. De parkeergelegenheid zal worden gerealiseerd op eigen terrein, waar genoeg ruimte voor is. De beide uiteinden van het onderhavige perceel worden in het voorliggende bestemmingsplan voorzien van de bestemming 'Natuur'. Hier ligt het accent op de ontwikkeling van nieuwe natuurwaarden en landschappelijke waarden. In het Erfinrichtingsplan zijn hiervoor suggesties gedaan.

Onderstaande afbeelding toont een situatietekening van de beoogde ontwikkeling.

Voorstel erfinrichting Laan van Pluymestein 11 (bron: Hegeman Bouwteam, 21 juni 2022)

13

3 Beleid 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de bovenals de ondergrond. Planspecifiek De aard en kleinschaligheid van de voorgenomen ontwikkeling maakt dat er, los van de ladder voor duurzame verstedelijking, geen raakvlak is met het Rijksbeleid. In toelichting paragraaf 3.1.3 wordt op de ladder voor duurzame verstedelijking ingegaan.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wet ruimtelijke ordening, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de NOVI zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016 en 1 januari 2017 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Het plangebied aan de Laan van Pluymestein is gelegen in het Natuurnetwerk Nederland. Voor het Natuurnetwerk Nederland geldt een beschermingsregime om significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het plangebied te voorkomen en om te voorkomen dat het Natuurnetwerk Nederland niet in oppervlakte afneemt. Ten behoeve van het Natuurnetwerk Nederland is een onderzoek uitgevoerd. Dit is verder te lezen in toelichting paragraaf 4.7.

De beoogde ontwikkeling zal het Natuurnetwerk Nederland niet aantasten. De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied raakt verder niet aan één van de andere nationale belangen en is dus ook niet specifiek van toepassing op het plangebied.

14

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 en 3 Bro als volgt omschreven: 2.

3.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.

Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Met de beoogde ontwikkeling worden twee woningen gebouwd. Bij het mogelijk maken van 2 extra woningen is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Met de beoogde ontwikkeling wordt de agrarische bebouwing en de kassen gesloopt waardoor een afname zal zijn van bebouwing in de plangebieden. Derhalve is de beoogde ontwikkeling niet ladderplichtig. Gezien het voorgaande wordt er geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 7 augustus 2021. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:

•

het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;

• •

de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht;

•

het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur; de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie;

15

• • •

de groene ruimte en de groenblauwe structuur;

2.

Ambities en sturing

het bodem- en watersysteem; energie.

De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:

• • • • • •

naar een klimaatbestendige delta;

3.

Omgevingskwaliteit

naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendig meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:

•

een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;

•

een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit;

•

een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.

4.

Beleidskeuzes

De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet direct van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. 2.

Ambities en sturing

De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de herontwikkeling. 3.

Omgevingskwaliteit

16

Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit van belang. Ruimtelijke ontwikkelingen die maatschappelijk en economisch gewenst zijn, moeten bijdragen aan de balans tussen de instandhouding, benutting en versterking van de bestaande gebiedskwaliteiten. Deze vinden hun grondslag in de drie onderscheiden deltalandschappen. Het plangebied is gelegen in het kustcomplex. De kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten geven richting aan de wijze waarop ontwikkelingen kunnen inspelen op ruimtelijke gebiedskwaliteiten. Navolgend wordt ingegaan op de relevante kaartlagen hiervan. Laag van de ondergrond Het plangebied bevindt zich in het kustcomplex. Het kustlandschap is opgebouwd uit een opeenvolging van zee, strand, jonge duinen, strandvlakten en strandwallen parallel aan de kust. Bij de beoogde ontwikkeling zal zorg dragen voor behoud en herkenbaar houden van het kustcomplex waar nodig. De beoogde ontwikkeling doet geen afbreuk aan de kwaliteiten van het kustlandschap. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied is gelegen in het landgoederenlandschap. Herkenbaar en afwisselend patroon van historische buitenplaatsen en landgoederen, volgroeide bossen en open ruimtes met nog deels een agrarische functie. Hier is de landschapsgradiënt van duin naar veen nog herkenbaar terug te vinden. Deze gebieden hebben een hoge recreatieve en cultuurhistorische waarden.

De beoogde ontwikkeling zal geen afbreuk doen aan het landgoederenlandschap; het levert veeleer een positieve bijdrage aan het landgoederenlandschap doordat (vervallen) bebouwing wordt verwijderd. Laag van de stedelijke occupatie Het plangebied is gelegen binnen het gebied aangegeven als 'Stads- en dorpsranden'. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied. Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit. Met de beoogde ontwikkeling zal er weinig veranderen. Beide deelgebieden zijn al deels bebouwd. De ontwikkeling zal een kleine verandering betekenen voor de stads- en dorpsranden en daaraan juist een positieve impuls geven.

4.

Beleidskeuzes

De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader. Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Horst, Duin en Weide'. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. Hieronder worden alleen de voor het plangebied relevante aspecten besproken die een aanvulling vormen op de reeds genoemde aspecten van de kwaliteitskaart. Kwaliteit in dorpsgebied Het plangebied is gelegen in de villawijken van Wassenaar. Met name Wassenaar ontwikkelde zich vanaf het begin van de 20e eeuw tot een villadorp voor rijke Hagenaars en Rotterdamse industriëlen. Door de aanwezige buitenplaatsen en landgoederen vestigden zich ook andere welgestelden in de regio. Deze villawijken zijn veelal tegen het bestaande dorp gebouwd, maar hebben een eigen, ontworpen, aanleg. Met de beoogde ontwikkeling worden de waardevolle patronen en structuren herkenbaar opgenomen. Linten blijven Linten Beide deelgebieden zijn gelegen aan wegen gekenmerkt als Boerenervenlint.

Het boerenervenlint bestaat uit een aantal historische boerderijen die vanaf dezelfde weg worden ontsloten. Met de beoogde ontwikkeling wordt de boerderij op Kerkehout behouden. De twee nieuw te bouwen woningen zullen passend zijn bij de rest van de omgeving van het plangebied.

17

Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie Zuid-Holland. De ruimtelijke kwaliteit wordt niet aangetast en er wordt aangesloten bij de gebiedsprofielen. De beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie, en de provinciale ambities.

3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening Zuid-Holland op 1 augustus 2020 in werking getreden. Per 7 augustus 2021 is een nieuwe versie van de omgevingsverordening in werking is getreden. Hierin is onder andere artikel 6.50 (Risico’s van klimaatverandering) toegevoegd. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende eisen: a.

b.

de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.

Voor het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 op de ladder voor duurzame verstelijking ingegaan. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, derhalve hoeft het voorgenomen plan niet nader getoetst te worden aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.

b.

c.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: i. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: i. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.

18

Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling zich afspeelt op het niveau van een kavel en past bij de aard en de schaal van het gebied. Met de stedenbouwkundige invulling van de beoogde nieuwbouw is zoveel mogelijk rekening gehouden met de bestaande gebiedsidentiteit. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart zijn in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart voldoet. Natuurnetwerk Nederland Het perceel gelegen aan de Laan van Pluymestein 11 is gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland. Ontwikkelingen in het Natuurnetwerk Nederland zijn in principe niet mogelijk, tenzij er geen sprake is van aantasting of verslechtering van de wezenlijke kenmerken en waarden. Uit nader onderzoek is gebleken dat de beoogde ontwikkeling mogelijk is. Dit is verder in toelichting paragraaf 4.7 toegelicht. Gebied met zeer hoge archeologische waarde Het perceel gelegen aan de Laan van Pluymestein 11 is gelegen binnen een gebied aangegeven als gebied met zeer hoge archeologische waarde. Voor alle werkzaamheden die dieper reiken dan 30cm onder het maaiveld archeologisch onderzoek moet plaatsvinden. Middels dit archeologische onderzoek moet aangetoond worden dat de archeologische waarden niet worden aangetast.

Dit is onderzoek is uitgevoerd en is verder in toelichting paragraaf 4.9.2 toegelicht. Risico's van klimaatverandering In artikel 6.50 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: 1. wateroverlast door overvloedige neerslag; 2. overstroming; 3. hitte; 4. droogte. Wateroverlast door overvloedige neerslag De planlocatie is gelegen ten noordoosten en zuidoosten van Kerkehout waar voldoende infiltratiemogelijkheden zijn. Met de ontwikkeling is er sprake van een afname in het aantal verharding in het plangebied. Verdere maatregelen om wateroverlast door overvloedige neerslag tegen te gaan worden op deze locatie niet nodig geacht. Overstroming De kans op overstromingen is per locatie anders. Overstromingen vanuit rivieren, meren of zeeën kunnen voor grote overlast zorgen. Het is dan ook van belang dat de overstromingskans zo klein mogelijk is. Uit het raadplegen van de klimaatatlas Zuid-Holland blijkt dat voor het plangebied een extreem kleine kans op overstromingen van tussen de 1/30.000 per jaar geldt. Het thema overstromingen is gelet op de aard en omvang van het initiatief verder niet van belang. Hitte In het stedelijk gebied speelt het thema hittestress een belangrijke rol.

Met de beoogde ontwikkeling neemt de verharding in het plangebied af en wordt het plangebied veel groener ingericht dan wat nu het geval is. Het planten van nieuwe bomen zorgt voor meer groen en schaduw. Dit levert een bijdrage aan het tegengaan van hittestress. Droogte Droogte leidt tot een verhoogde watervraag en toenemende watertekorten, wat een langdurig effect op grond- en oppervlaktewaterstanden heeft. Langdurige droogte kan leiden tot bijvoorbeeld schade aan funderingen, verdroging van groen, een slechte oppervlaktewaterkwaliteit, versnelde bodemdaling en hittestress. Met de beoogde ontwikkeling neemt het aantal verharding in het plangebied fors af. Door het plangebied groen in te richten wordt een bijdrage geleverd in het vasthouden van water.

19

Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit de Omgevingsverordening voor de onderhavige ontwikkelingen.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Wassenaar 2015 - Landgoed aan zee Op 22 maart 2017 is de Structuurvisie 2025 ‘Landgoed aan zee’ vastgesteld. Dit document beschrijft de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van Wassenaar op middellange termijn. De ruimtelijke opgave voor de komende jaren richt zich op de instandhouding en versterking van deze ruimtelijke hoofdstructuur. De structuurvisie geeft nut en noodzaak aan van het duurzaam behoud van de unieke kwaliteiten van Wassenaar voor volgende generaties. Wassenaar wordt niet verder uitgebreid. Nieuwbouw in het dorp is mogelijk door vervanging van bestaande voorraad, herbestemming of op vrijgekomen locaties. Nieuwe ontwikkelingen moeten passen in maat en schaal bij het groene, kleinschalige en historische karakter van Wassenaar. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling worden de twee percelen opnieuw ingericht. De bestaande kassen op het perceel aan de Laan van Pluymestein zijn in zeer slechte staat en zullen met de beoogde ontwikkeling verdwijnen. Ook zullen de opstallen bij de boerderij van het perceel aan Het Kerkhout verdwijnen. Hiervoor in de plaats zal de oude boerderij opgeknapt worden en twee nieuwe vrijstaande woningen worden gebouwd. Deze ontwikkeling zal een aanzienlijk kwalitatieve verbetering opleveren.

Beide percelen zullen groener ingericht worden en de oude slotenverkaveling bij het perceel aan de Kerkehout zal worden hersteld. De beoogde ontwikkeling zal aansluiting vinden met het historische karakter, de kleinschaligheid en het groen van Wassenaar. Met al deze drie punten is met de beoogde ontwikkeling rekening gehouden. Met de nieuwbouw is sprake van een herontwikkeling van de huidige bebouwing, waarbij de bestaande kwaliteiten van het gebied aanzienlijk worden versterkt. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de structuurvisie van de gemeente Wassenaar. 3.3.2 Woonvisie Wassenaar 2021-2025 In de Woonvisie Wassenaar 2021-2025 (vastgesteld op 17 december 2019) is het woonbeleid van de gemeente voor de komende vier jaar geschetst. De woonvisie is een document van de gemeente, waarin de gemeente verwoord wat ze voor ogen heeft met het wonen in Wassenaar, wat zij daar zelf aan bijdraagt en wat van andere partijen wordt gevraagd. In deze woonvisie wordt op basis van een analyse, taken die op gemeenten afkomen vanuit landelijk beleid en interviews met stakeholders invulling gegeven aan de opgaven. Uit de analyse blijkt dat de druk op de woningmarkt hoog blijft gezien de voorziene bevolkingsontwikkeling. Dit betekent een nadrukkelijke rol voor de gemeente om de schaarse ruimte voor nieuwbouw zo gericht mogelijk in te zetten.

Planspecifiek In de gemeente moeten er tot en met 2030 ca. 950 woningen worden bijgebouwd. In de afgelopen jaren is vergeleken met de rest van Nederland weinig bijgebouwd. In Wassenaar is er sprake van achterstand van het aantal te bouwen woningen. Voor de komende jaren heeft de gemeente de ambities om 50 tot 70 woningen per jaar te bouwen. 50% van de te bouwen moeten worden gebouwd in de middeldure sector. De beoogde ontwikkeling ziet toe op de bouw van twee vrijstaande woningen buiten de dorpsgrenzen van Kerkehout. Daarmee kan een kleine bijdrage worden geleverd aan de te bouwen woningen in de gemeente. In de woonvisie wordt ook veel aandacht besteed aan de duurzaamheidsaspecten. De woningen

20

van de beoogde ontwikkeling worden onder andere gasloos gebouwd. De duurzaamheidsaspecten worden verder verwoord in toelichting paragraaf 4.11. Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de woonvisie van de gemeente Wassenaar. 3.3.3 Erfgoedvisie Wassenaar 2018-2024 Op 23 januari 2018 is door het college van burgemeester en wethouders de Erfgoedvisie Wassenaar 20182024 ‘Naar een erfgoedzorg voor iedereen’ vastgesteld. De Erfgoedvisie is, middels de campagne ‘doe een erfgoedwens’, samen met de inwoners van Wassenaar opgesteld. De visie is gestoeld op twee belangrijke fundamenten: 1. 2.

De intrinsieke waarde van erfgoed: de schoonheid en de historie in erfgoed te herkennen; De duurzame gebruikswaarde: erfgoed en monumenten worden benut voor wonen, werken en recreëren en voor het beleven.

Wassenaar bezit als "Landgoed aan zee" een breed spectrum aan bijzondere cultuurhistorische kwaliteiten. Deze vertegenwoordigen een groot kapitaal en is ook een sterk merk. Nieuwe ontwikkelingen dienen de identiteit en authenticiteit te waarborgen en waar mogelijk te versterken. In de erfgoedvisie zijn zeven erfgoedthema's te onderscheiden. Deze thema’s bepalen voor een belangrijk deel de kernkwaliteiten van het Wassenaarse erfgoed. De thema’s van Het Verhaal van Wassenaar zijn als volgt: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

het historisch dorpscentrum met haar woon-winkelcultuur, de bedrijvigheid en bouwhistorisch waardevolle bebouwing; het agrarisch erfgoed (incl. de bollencultuur); de buitenplaatscultuur; de villacultuur (incl. automobielcultuur); de bad- sport- en recreatiecultuur; de ankerpunten in de wijk en historische elementen; militair erfgoed.

Planspecifiek Voor de twee deelgebieden zijn met name de buitenplaatscultuur en de villacultuur van belang. Uniek voor de omgeving van het plangebied is de aaneengesloten landgoederenzone die op de strandwallen is ontstaan en de ruggengraat vormt van het Landgoed aan zee. De historische parken vertegenwoordigen een meer dan 400 jaar oude traditie van omgaan met de natuur. Huis en tuin zijn bij de buitenplaatsen ruimtelijk en functioneel onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het plangebied gelegen aan de Laan van Pluymestein 11 is gelegen grenzend aan Landgoed Oud Clingendael. Tegenover het perceel van Het Kerkehout 64 staat 'De Kerkewoning’, een Rijksmonument uit de 17e eeuw. Het is duidelijk dat de twee deelgebieden onderdeel zijn van een gebied van hoge cultuurhistorische waarde. Om die reden is een cultuurhistorische analyse uitgevoerd: zie toelichting paragraaf 4.9.1 Cultuurhistorie en bijlagen bij de regels, bijlage 2. Daaruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling vanuit ruimtelijk-historisch oogpunt mogelijk is.

3.3.4 Groen- en Watervisie 2015 - 2019 De Gemeente Wassenaar heeft in 2016 de Groen- en Watervisie 2015-2019 vastgesteld. Deze visie gaat onder ander in op de vraag op welke wijze het unieke groene karakter van Wassenaar behouden en versterkt kan worden. In de visie is het streven vastgelegd om de groenste gemeente van de Randstad te zijn. Wassenaar streeft daarom naar uitbreiding van het groen en het behoud en versterking van het groen in de landgoederenzone en in de villawijken. Wassenaar is een groene gemeente, maar om zich te blijven onderscheiden van zijn omgeving en te voldoen aan de behoeften die er in de samenleving zijn, dient de kwaliteit van het groen behouden te blijven en, waar mogelijk, versterkt te worden. In de visie is het streven

21

vastgelegd om de groenste gemeente van de Randstad te zijn. Wassenaar streeft daarom naar uitbreiding van het groen en het behoud en versterking van het groen in de landgoederenzone en in de villawijken. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling worden twee deelgebieden opnieuw ingericht. Voor beide gebieden geldt dat er sprake zal zijn van een aanzienlijk toename van groen. Voor het gebied aan Het Kerkehout worden er meerdere agrarische opstallen gesloopt en wordt er slechts één woning bijgebouwd. De rest van het perceel wordt groen ingericht, passend bij de omgeving. Voor het plangebied aan de Laan van Pluymestein geldt dat de bestaande kassen worden gesloopt en dat ook hier slechts één woning voor terugkomt. Met de beoogde ontwikkeling wordt het groene karakter van Wassenaar versterkt en verbeterd. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de groen- en watervisie van de gemeente Wassenaar.

22

4 Milieu- en omgevingsaspecten In een ruimtelijke onderbouwing moet aandacht worden besteed aan milieu- en omgevingsaspecten. Van belang is te weten of een planvoornemen in overeenstemming is met wettelijke normen. Er wordt aandacht besteed aan de volgende thema's: 1. milieueffectenrapportage; 2. bodem 3. geluid; 4. milieuzonering; 5. Luchtkwaliteit; 6. externe veiligheid; 7. ecologie; 8. waterhuishouding; 9. cultureel erfgoed; 10. verkeer en parkeren; 11. duurzaamheid.

4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• •

Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;

23

•

De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Met de voorgenomen ontwikkeling worden meerdere agrarische opstallen en verouderde kassen gesloopt. Hiervoor in de plaats worden twee vrijstaande woningen gebouwd. Daarmee worden er twee woningen toegevoegd ten opzichte van de huidige (planologische) situatie. Echter nemen de bebouwingsmogelijkheden niet toe ten opzichte van de bestaande (planologische) situatie. Er kan dan ook gesteld worden dat er naar aard en omvang geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.(beoordelings)plicht geldt.

Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.

4.2 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Aangezien op de beide locaties sprake is van een verandering naar een strenger bodemgebruik, is Verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) vereist om aan te tonen dat de gronden geschikt zijn voor de beoogde woonfunctie. Deelgebied 1. Het Kerkehout 64 Voor de locatie Het Kerkehout 64 zijn een Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 en een Verkennend asbestonderzoek NEN 5707uitgevoerd (Inventerra, d.d. 30 juni 2021) zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2b.

Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is een hypothese opgesteld met betrekking tot een mogelijke verontreinigingssituatie in de bodem, namelijk verdacht voor zware metalen en PAK (diffuse verontreiniging) en asbest (druppelzone asbestdak).

24

Op grond van de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken wordt het volgende geconcludeerd:

•

De bovengrond ter plaatse van de voormalige dieselolietank (0,1 – 0,5 m-mv, 101-1) is niet verontreinigd met minerale olie.

•

In het baksteenhoudende zand uit de slootdemping (0,0 – 1,0 m-mv, MM-demping) zijn lichte verontreinigingen met PCB en PAK aangetoond. De baksteenhoudende bovengrond op het overige terrein (0,0 – 0,5 m-mv, MM1 t/m MM3) is licht verontreinigd met lood, zink en PAK.

• •

Het zintuiglijk onverdachte zand uit de bovengrond (MM4) en uit de ondergrond (MM5 en MM6) is niet verontreinigd met de onderzochte stoffen.

•

Het grondwater bij de voormalige bovengrondse dieselolietank (peilbuis 101) is licht verontreinigd met zink en barium en sterk verontreinigd met koper. In het grondwater uit de peilbuis op het overige terrein (peilbuis 102) zijn geen verontreinigingen aangetoond.

• •

Bij het uitgevoerde asbestonderzoek is visueel geen asbestverdacht materiaal waargenomen. In mengmonster AMM02 is een geringe hoeveelheid asbest (5,8 mg/kgds) aangetoond. Dit is lager dan de norm van 50 mg/kgds waarboven nader onderzoek nodig is. In het andere mengmonster is geen asbest aangetoond.

De hypothese ‘verdachte locatie’ voor asbest dient verworpen te worden, aangezien geen verontreinigingen met asbest boven de norm voor nader onderzoek zijn vastgesteld. De hypothese ‘verdachte locatie’ voor olieproducten bij de voormalige bovengrondse tank kan worden verworpen, aangezien geen verontreinigingen met minerale olie of vluchtige aromaten zijn vastgesteld. Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek is de hypothese ‘verdacht voor verontreiniging’ voor de overige verontreinigingen bevestigd, vanwege de aangetoonde licht verhoogde gehalten in de baksteenhoudende bodemlagen en de verontreinigingen met koper (sterk) en zink (licht) het grondwater. Het licht verhoogde bariumgehalte in het grondwater betreft volgens Inventerra een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde. De lichte verontreinigingen in de grond zijn toe te schrijven aan de aangetroffen bijmengen met baksteen, aangezien alleen in de grond met deze bijmengingen lichte verontreinigingen zijn vastgesteld. Aanvullend onderzoek hiernaar (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen worden niet noodzakelijk worden geacht. Voor de sterke verontreiniging met koper in het grondwater uit peilbuis 101 is geen eenduidige oorzaak aan te geven.

Aangezien de concentratie hoger is dan de interventiewaarde is aanvullend of nader onderzoek nodig om meer inzicht te krijgen in de omvang en ernst van de verontreiniging. Hiertoe wordt voorgesteld om een herbemonstering en her-analyse uit te voeren. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het onderhavige initiatief op de locatie Het Kerkehout 64, al is nog een aanvulling nodig in verband met een aangetroffen verontreiniging met koper in het grondwater. Deelgebied 2. Laan van Pluymestein 11 Voor de locatie Laan van Pluymestein 11 is een Verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Inventerra, d.d. 4 juni 2021); zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2a. Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is een hypothese opgesteld met betrekking tot een mogelijke verontreinigingssituatie in de bodem, namelijk verdacht voor bodemverontreiniging met zware metalen, organochloorbestrijdingsmiddelen en plaatselijk (bij de voormalige bovengrondse tank in het ketelhuis) met minerale olie. Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd:

•

Bij de locatie van de voormalige bovengrondse tank en ketelhuis zijn zowel zintuiglijk als analytisch geen verontreinigingen met olieproducten vastgesteld in de grond of het grondwater.

25

• •

De zintuiglijk onverdachte bovengrond (MM1) van het noordelijke terreindeel is licht verontreinigd met PAK. De zintuiglijk onverdachte bovengrond (MM2) van het zuidelijke terreindeel is licht verontreinigd met kwik, lood en PCB.

•

De zintuiglijk onverdachte bovengrond (MM3) ter plaatse van de kas is licht verontreinigd met zink, lood, PAK, DDD en Drins en niet verontreinigd met minerale olie (MM3 en 01-1).

• •

In de ondergrond (0,6 – 1,5 m-mv) zijn geen verontreinigingen vastgesteld. In het grondwater is een lichte verontreiniging aangetoond met barium. Dit wordt beschouwd als een natuurlijk verhoogde achtergrondwaard.

Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek is de hypothese ‘verdacht voor verontreiniging’ (strikt genomen) bevestigd, vanwege de aangetoonde licht verhoogde gehalten in de grond. Deze verhoogde gehalten zijn echter zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein Laan van Pluymestein 11 geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming.

4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);

•

andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duivenvoorde&id=7a4819aa-7c19-4b63-9170-578dd2ecff72