CConstaterende datwassenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Handboek Band I

Raadsvergadering Wassenaar 20 september 2022, gemeente wassenaarBij agendapunt: Handboek Welstand en Beeldkwaliteit Wassenaar21.669 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

3.2

Structuurbeeld: Schotse Ruit Wassenaar heeft een historisch waardevolle en sterke ondergrond. De wijze waarop uitleg en bebouwing door de eeuwen heen op het landschap hebben gereageerd, levert een begrijpelijke, goed herkenbare hoofdstructuur op. De lange lijnen op de strandwallen, de weteringen in de strandvlaktes, en de aangelegde korte dwarsverbindingen hebben tot een aantrekkelijk raamwerk van openbare ruimten geleid. Door deze historisch ruimtelijke ontwikkeling is er een afwisseling van volte (begroeiing en bebouwing op de strandwallen) en leegte (strandvlaktes) gevormd. Dit landschap is uniek door de wijze waarop met een specifiek repertoire woonmilieus het raamwerk in de loop van eeuwen is ingevuld. Landgoederen, buitenplaatsen en villa-wijken hebben zich hierbinnen gevoegd en hebben tot het groene `buiten-beeld` van Wassenaar geleid. Ook het landschap aan de noordrand van Wassenaar, de polders achter de stroomrug van de Oude Rijn, kent een eigen consistentie in opbouw en gebruik. Hier gaat het landschap van lange lijnen over in een blokverkaveling. De weidsheid en openheid in alle richtingen zijn kenmerkend. Tezamen met uitgegroeide buurtschappen (Den Deijl, Oostdorp en Kerkehout) en een suburbaan, in delen uitgebouwd dorp zijn zo meerdere Wassenaars ontstaan.

Een gevarieerd patroon van verschillende occupaties, een “groen en rood” landschap is het resultaat van cultuurhistorische ontwikkelingen binnen de Hollandse traditie. De overgang van zand en duinen naar veen en weides heeft in verschillende vormen en op verschillende tijdstippen plaatsgevonden. De hoofdstructuur van de ondergrond draagt bij aan een betekenisvolle organisatie van ruimte en bebouwing. Een weefsel van lijnen, zones en richtingen dat tot een sterk en karakteristiek patroon heeft geleid: een ‘groen getinte, Schotse ruit’. Hoewel niet overal aanwezig in de ondergrond (zoals in de noordrand) dekt dit motief wel de onderlaag van het structuurbeeld: een herkenbaar patroon, een overheersende kleur (groen) en een stabiel geheel dat indien nodig `versteld` kan worden. In de loop der tijd is ook de “Schotse Ruit” aan verandering onderhevig geweest, en zal dat ook in de toekomst blijven. Economische en maatschappelijke processen initiëren nu eenmaal ruimtelijke dynamiek. Deze dynamiek heeft altijd plaatsgevonden binnen het bestaande raamwerk; hier en daar heeft dit zich verdicht door de aanleg van nieuwe lanen en dwarsverbindingen; de karakteristiek is echter niet veranderd. In de programmatische invulling van de Schotse Ruit zit de noodzakelijke flexibiliteit om op maatschappelijke ontwikkelingen te kunnen reageren. Binnen het stel-

H a n dbo e k Welstand & B ee ldkwalite it

Structuurbeeld

[ 31 ]

Band I

sel van structuurbepalende elementen liggen gebieden met algemene en meer specifieke programma’s, bebouwd èn onbebouwd. Wisselend gebruik door de tijd heen (agrarisch, recre- atief) heeft zich bijna altijd binnen de Schotse Ruit gevoegd, en zo nu en dan weer plaats gemaakt voor nieuwe functies. Daarbij is vooral het woonprogramma in omvang toegenomen en het agrarisch gebruik afgenomen. Hoewel de karakteristiek van een groen milieu een wezenlijke bijdrage levert aan het woon- en leefmilieu in Wassenaar staat het zowel binnen als buiten de bebouwde kom nog altijd onder druk. De positie van Wassenaar tussen de verstedelijkte regio’s van Den Haag en Leiden leidt tot aanspraken in gebruik van zowel het onbebouwde deel (recre- atieve mogelijkheden) als het bebouwde deel (geliefd woonprogramma). Daarmee staat niet de structuur ter discussie maar de wijze waarop in het maatschappelijk krachtenveld enerzijds behoud en versterking, en anderzijds vernieuwing en verandering gestalte krijgen. De leesbaarheid van Wassenaar is in drie noord-zuidzones te vatten: I

De kustzone van strand en duinen: de natuur als overgangsgebied van verstedelijkt achterland en binnenduinrand naar de zee toe. Een gebied met beschermde status, deel uitmakend van de zeewering, ten dienste van drinkwaterwinning en in gebruik voor extensieve vormen van recreatie en sport

II De occupatiezone: de zone op en tussen de strandwallen waar de bebouwings- en nederzettingstructuur van Wassenaar vorm heeft gekregen: extensieve groene verstedelijking (landgoederen, buiten- plaatsen, villabuurten), de buurten en uitbreidingen rondom het oude dorp, en de defensie-nederzetting van het vliegkamp Valkenburg III De open-weidezone: het open agrarisch landschap van de strand- vlakte en veenweidegebied. De polder als groene buitenkamer met betekenis als buffergebied en ecologische corridor tussen de duinen en het Groene Hart. Een gebied dat kwetsbaar is voor sluipende verstedelijking aan de randen.

3.3

Landschaps-eenheden Binnen de bovengenoemde drie functionele zones is Wassenaar onder te verdelen in vijf ruimtelijke landschapseenheden. Het zijn gebieden met een eigen samenhang en identiteit, ontleend aan hun ligging, aan eigenschappen van de ondergrond en/of de geschiedenis.

Drie Zones

[ 32 ]

Landschapseenheden

Handboek Welstand & Beeldkwaliteit

Band I

Deze gebieden zijn: 1. 2. 3. 4. 5.

de duinen:een reliëfrijk gebied met openheid (duinpannen,vennetjes), geslotenheid (duinbossen) en vergezichten (duintoppen); het rivierlandschap van de Oude Rijn: een relatief leeg polderlandsc- hap met vergezichten; het strandwallenlandschap: de bossen als drager van een warande- milieu; een gesloten gebied met af en toe kamers erin (weides); het weidelandschap: een open ruimte, die wordt omsloten door bebou- wing en bos; Wassenaar-plaats: het intensief bebouwde deel van de gemeente.

De randen van de verschillende landschapstypes vormen interessante overgangen tussen open en gesloten, tussen vlak en reliëf. Op sommige plaatsen zijn deze randen duidelijk en hard, op andere plaatsen zijn zij rafelig en onduidelijk. Vanuit het weide-gebied is er een gaaf zicht op de strandwallen met daarachter de duinen. Ook bijzonder is de duinenrij langs de kust. Wanneer men hier vanuit land overheen komt, heeft men een vergezicht over de Noordzee. 1. Duinen De Duinen vormen een belangrijk gebied voor Wassenaar, maar ook voor grote delen van Zuid-Holland. Het glooiende gebied met zijn (voor Hollandse begrippen hoge) duintoppen is een wereld op zich. In fraai contrast met de horizontaliteit van de zee en het vlakke achterland van polders. Dit stuk natuur is op vele plaatsen ook door mensen handen gemaakt en behouden: de duin-ontginningen van o.a. Meijendel, kolo- nisatie bij het Kievitsduin. In het gebied zijn op bescheiden schaal en vanuit diverse perioden infrastructurele werken toegevoegd, sommige nog in werking (drinkwater), andere slechts aanwezig als herinnering aan (verdedigingswerken). 2. Polders van de Oude Rijn De polders aan de noordkant zijn sterk gericht op de loop van de Oude Rijn. Anderzijds zijn hier nog uitlopers van de strandwallen te vinden (Oostdorperweg, Maaldrift).

De Ruijgelaanse, Zonneveldse en Omme- dijkse polders liggen behalve in Wassenaar ook in het grondgebied van de gemeenten Katwijk en Valkenburg. In tegenstelling tot het strandwallenlandschap met zijn strokenverkaveling, is de blokverkaveling hier kenmerkend. De leegte van de polder wordt versterkt en in stand gehouden door de aanwezigheid van het marinevliegkamp. Temidden van de weilanden met een agrarische en ecologische (corridor) functie liggen hier -deels op de strandwaluitlopers- de elementen en functies van het techno-arcadische niemandsland die men niet binnen de stad kwijt kan: de resten van de Atlantikwall, een bedrijventerrein, defensie-complexen, een zandwinput en een slib- opslag. Binnen de verstedelijkte Deltametropool heeft dit relatief lege gebied bijzondere kwaliteiten die het behouden waard zijn (openheid, leegte,vergezichten). 3. Warande-zone: Landgoederen en villawijken Van oorsprong een strandwallenlandschap, gekenmerkt door een zandbodem en de aanwezigheid van bos; in de loop der tijden in cultuur gebracht door de aanleg van landgoederen en buitens. De extensiteit van de buitenplaatsen is een van de kenmerken voor dit gebied. Ruime bossen en parken met weinig bebouwing zorgen voor rust en een haast serene sfeer. Open velden (landschapskamers) contrasteren met de bossen en het reliëf van de strandwallen en jonge duinen.

De monumentale panden liggen in een ontworpen landschapstructuur; vaak in een middelpunt van zichtassen. Het gebied heeft vooral betekenis voor recreatie, cultuurhistorie en natuur, maar bezit ook een stedelijk programma in de vorm van bijzonder wonen (instellingen) en instituten. In de warandezone liggen de villadorpen en appartementen complexen op de verbouwde

H a n dbo e k Welstand & B ee ldkwalite it

[ 33 ]

Band I

landgoederen en buitens. Dit woonmilieu van rijke oude suburbs is typerend voor Wassenaar, maar komt ook op andere plaat- sen zoals Bloemendaal en Aerdenhout voor. Kenmerkend is het groene karakter van deze wijken. Vanaf de weg zijn de meeste huizen groot- deels aan het oog onttrokken door tuinaanleg met heggen en struiken. Door de grootte van de kavels zijn de tuinen ruim, en zijn de vrijstaande villa en twee-onder-een-kapper het meest voorkomende type. Deze zijn ruim en goed onderhouden; naast de villa’s uit het begin 20ste eeuw zijn ook moderne varianten te vinden. De appartementencomplexen zijn van recente datum. 4. Veenzijdse Polders De openheid van de strandvlakte is nog terug te vinden in de polders aan de oostzijde: een uniek en gaaf gebied, verbonden met het achterliggende veenweidegebied. Die leegte contrasteert met de bosrijke strandwallen. Op de achtergrond bakenen de duinen de overgang van het land naar de zee af. De Veenzijdse polder en Papenwegse polder vormen samen een opvallende groene kamer in de Randstad vanaf Mariahoeve tot aan Leiden. Het gebied heeft met name een agrarische en natuurfunctie naast een opvallende belevingswaarde. Naast een bescheiden bebouwing leiden enkele recreatieve routes door het gebied heen. 5.

Wassenaar-Plaats: dorp, buurten en wijken Wassenaar-plaats is ontstaan uit een vroeg dorp van voornamelijk boer- derijen rondom een 11e eeuwse kerk. Langs de toegangswegen ontstond lintbebouwing. In de loop van de 19e eeuw vond in het dorp verdichting van bebouwing plaats. Aan het begin van de 20e eeuw werd de buurt rond de R.K.-kerk gebouwd voor de middenstand met oriëntatiepunten als de kerktoren en het Burchtplein. Tegelijkertijd werd Kerkehout ontwikkeld en Oostdorp gebouwd met sociale woningbouwcomplexen (o.a. Granpré Molière). Rond de jaren dertig werden plannen gemaakt voor een grote uitbreiding van Wassenaar naar idee van architect Mutters waarvan slechts delen zijn gerealiseerd (Binnenweg e.o. en Deyleroord). Op basis van dit eerste bestemmingsplan maakten Dudok (Cornelis de Wittstraat, Adriaan Pauwstraat), en Froger (Zijlwatering) verdere bouw en bestemmingsplannen. Deze wijken werden voornamelijk aan de noordzijde gebouwd, echter zonder een overgangszone of vormgegeven stadsrand naar de polder toe. Aan de zuidzijde is een geleidelijke overgang naar de warandezone. De Weteringzone en het Havenkanaal hebben beide een karakteristiek die nog niet onderkend is.

3.4

Beelddragers Binnen de landschapseenheden liggen verbindende stelsels die voortkomen uit de ondergrond. Deze ruimtelijke netwerken vertegenwoordigen naast een infrastructurele functie (waterhuishouding, verkeer) ook culturele en belevingswaarden; zij werken als beelddrager van de structuur. De lanen op de strandwallen vormen de hoofddragers: in de warandezone maar ook in de dorpsuitbreidingen van Wassenaar- plaats vormen zij een samenhangend lanenstelsel. De kwaliteit wordt gevormd door het profiel, de beplanting, en de wijze waarop de bebouwing in variaties deel uitmaakt van de ruimtelijke opbouw. Ze vormen een specifiek onderdeel van het openbare-ruimte-netwerk en tezamen met de fraai beplante en aaneengesloten landgoedparken staan ze model voor de groene kwaliteit van Wassenaar. Naast de lanen moet ook de betekenis van de weteringen als beeld- drager onderkend worden. Nu zijn ze als een geheim van Wassenaar verborgen, terwijl er in vroeger tijd dankbaar gebruik van werd gemaakt. Het water was onderdeel van de vervoersinfrastructuur en vormde een beeldelement dat de landschapstuinen bij de buitenplaatsen aanvulde. Het aaneenrijgen van de open ruimtes van de strandvlaktes, nu en dan afgewisseld met bos en bebouwing leidt tot een karakteristiek van open en dicht die vanaf de weteringen goed ervaarbaar is.

Wassenaar kenmerkt zich door een groot contrast tussen de openheid van de weideland-

[ 34 ]

Handboek Welstand & Beeldkwaliteit

Band I

schappen en de geslotenheid van de (strandwal)bossen. Er bestaat een grote verscheidenheid aan ruimte- soorten: open weides, gesloten bossen, reliëf op de strandwallen en in de duinen. De kwaliteiten van Wassenaar liggen in de concentratie van deze unieke landschaptypen en de overgangen van de ruimtesoorten. Openheid kan bestaan als `vlakte` (de leegte van het landschap) of als kamer (de leegte in het landschap). In de vlaktes zijn de zichten op de horizon en op het reliëf van de duinen van betekenis, in de kamers de zichten op de randen van de bossen. Ruimtelijke verbijzonderingen in het landschap zijn uitlopers van de strandwallen (zoals Santhorst, en het lint van de Oostdorperweg) en de afgegraven vlaktes langs de duinrand ten behoeve van de bollenteelt (o.a. Lentevreugd). Daarnaast worden de kwaliteiten gevormd door de architectonische bewerking van het landschap tot landgoed, buitenplaats, park of tuin met zichtassen, bijzondere bebouwing en landmarks. Van oudsher zijn de torens van zowel de N.H.-kerk in Wassenaar en als van de N.H.-kerk te Voorschoten die met name vanuit de weides goed zichtbaar zijn, voor Wassenaar opvallende gebouwen. Ook andere landmarks zoals de toren van de R.K.-kerk, de molen bij het Molenplein en de kerktoren van de Goede Herder in zuid zijn belangrijke oriëntatie-punten en mede iden- titeitdrager van Wassenaar.

3.5

Cultuurhistorie Bodem en landschap vormen de constante factoren in de geschiedenis van Wassenaar. Letterlijk en figuurlijk vormt het de ondergrond van de gemeente; fysiek ruimtelijk, maar ook in het mentale beeld. Het stratenpatroon kent een zelfde continue ontwikkeling. Op historische kaarten is al het patroon te zien dat heden ten dage in een groot gedeelte van de gemeente nog immer aanwezig is. Op sommige plekken heeft het netwerk zich verdicht. Langs de historische lijnen zijn de gebouwen als beelddrager op een bijzondere manier aanwezig: meer objectmatig dan continue. Wassenaar heeft een rijke en omvangrijke collectie architectonische objecten: naast oude landhuizen en boerderijen uit de 17de eeuw voornamelijk woonhuizen uit de periode 1800-1945. Hiermee is de rol van bebouwing als beelddrager opvallend en divers. In de landgoederen en buitenplaatsen neemt het huis door zijn positie een prominente plaats in. Landhuizen, gebouwd tot 1918, vormen een grotere architectonisch eenheid met toegangshekken, dienst- en portiers-woningen en garages of koetshuizen, die in dezelfde stijl zijn opgetrokken.

De villaparken, gebouwd na 1910, zoals De Kieviet, rond de buitenplaats De Paauw, De Drie Papegaaien en Het Rijksdorp zijn op ensembleniveau opvallend, omdat naast een ruim opgezette verkaveling en een landschappelijk stratenplan ook naar harmonie werd gestreefd tussen landschap, bebouwing en architectuur van de villa’s onderling. Zij zijn opvallende bouwstenen van het kenmerkende warandemilieu van Wassenaar. Naast een beperkt aantal dorpsuitbreidingen met een bijzonder karakter (sociale woningbouw in Oostdorp, het Burchtplein en omgeving), een serie fraaie openbare gebouwen uit de jaren ‘20 (van o.a. architect Co Brandes, waarvan teveel is gesloopt) en enkele architectonische ensem- bles, blijft karakteristiek dat het architectonisch object niet alleen zelf beeldbepalend is maar ook in combinatie met stedebouwkundige en landschaps-architectonische middelen. De oogst van bouwstenen aan deze collectie na 1945 is op een paar uitzonderingen na (karakteristieke wederopbouw, een incidentele villa) kwalitatief en kwantitatief achterge- bleven bij de mogelijkheden die Wassenaar te bieden heeft. Nieuwbouw moet bij zorgvuldige vervanging en vernieuwing ook kunnen leiden tot het toevoegen van opvallende en beeldbepalende gebouwen aan de Wassenaarse collectie. De geschiedenis heeft op (tuin- en landschaps)architectonisch gebied haar sporen nagelaten.

Met name uit de periode 1800-1945 zijn veel cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwezig. Zij zijn geïnventariseerd in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) “Jongere bouwkunst en stedebouw 1800-1945 Wassenaar”. Hierin zijn zo’n 750 objecten uit Wassenaar opgenomen en beschreven. Van deze objecten is recent een gedeelte geselecteerd

H a n dbo e k Welstand & B ee ldkwalite it

[ 35 ]

Band I

en aangewezen als Rijksmonument. Ook van voor 1800 beschikte Wassenaar over een rijke collectie aan monumenten.

3.6

Beschermd Dorpsgezicht Het oude, kleine beschermde dorpsgezicht is uitgebreid met de ‘Landgoederenzone Wassenaar-Voorschoten-Leidschendam Voorburg’ de aaneengesloten reeks landgoederen en buitenplaatsen met landerijen, en de villawijken binnen Wassenaar aan weerszijden van de Rijksstraatweg. Op het grondgebied van Voorschoten behoren hiertoe ook enkele buitenplaatsen en een strook weilanden en landerijen die functioneel ooit deel uitmaakten van de landgoederenzone. Het gebied omvat de vrijwel aaneengesloten reeks 18e-, 19e- en 20e-eeuwse landgoederen en buitenplaatsen -inclusief hun uitgestrekte (duin)bossen en weidegronden - en een aantal met name uit de eerste helft van de 20e eeuw daterende villaparken, villawijken en middenstandswijken, veelal aangelegd op de gronden van voormalige buitenplaatsen. De strandvlakte ten oosten van de Rijksstraatweg telt bovendien een reeks boerderijen die dominant en markant zijn gesitueerd langs een uitgestrekt weidegebied. Het beschermde dorpsgezicht ‘Landgoederenzone Wassenaar- Voorschoten-Leidschendam Voorburg’ vormt zo een representatief en merendeels gaaf bewaard voorbeeld van een historische landgoederenzone met aangrenzende villaparken, waar de continuïteit van grondgebruik en landinrichting en de vroeg-20e-eeuwse suburbanisatie zich in relatief gave vorm naast elkaar laten herkennen.

De landgoederen en buitenplaatsen kennen vaak nog een historisch-functionele en/of visuele samenhang tussen de verschillende onderdelen. De villaparken hebben een planmatige aanleg, waarbij gebruik is gemaakt van aanwezige historisch-geografische en landschappelijke kenmerken en van aanwezige cultuurhistorische kenmerken van de buitenplaatsen en landgoederen. Het beschermde dorpsgezicht ‘Landgoederenzone Wassenaar- Voorschoten-Leidschendam Voorburg’ is van algemeen belang vanwege de gaafheid en de herkenbaarheid van de bijzondere en zeldzame historisch- geografische, cultuur- en architectuur-historische waarden, alsmede de stedebouwkundige complex- en ensemblewaarden. Met name is het gebied van belang: • als een kenmerkend, goed herkenbaar en zeldzaam voorbeeld van een gebied dat wordt gedomineerd door 18e- en 19e-eeuwse landgoederen- en buitenplaatsen en vroeg-20e-eeuwse landhuis- en villabebouwing, maar waarin ook het oorspronkelijk agrarisch karakter nog zeer duidelijk aanwezig is; • als een bijzonder voorbeeld van de intergratie van bestaande buitenplaatsen, landgoederen, (duin)bossen en sommige boerenbedrijven met een aantal gefaseerd en

Beschermd Dorpsgezicht en MIP-objecten

[ 36 ]

Handboek Welstand & Beeldkwaliteit

Band I

planmatig tot stand gekomen uitbreidingen van villa- en middenstandswijken, waarin deze elementen tot één uitgestrekt visueel samenhangend geheel zijn samengevoegd; • vanwege het open weidegebied met markant gesitueerde en monumentale boerderijen, die een thans zeldzame structurele samenhang vertonen.

3.7

Morfologie van verstedelijking

De occupatie en verstedelijking in Wassenaar is volgens verschillende (historische) lijnen verlopen en heeft zich geuit in een rijk repertoire aan stedebouwkundige patroon. De veelheid aan gebieden wordt bij elkaar gehouden en ruimtelijk gedragen door het stelsel van lanen en weterin- gen. In hoofdlijnen zijn er in de morfologie van de stedebouw drie hoofdprincipes te onderscheiden: verstedelijking langs een lijn, verstedelijking van of in een vlak, of verstedelijking in een punt (object). In de gebieds- inventarisatie worden de gebieden aan de hand van deze verstedelijk- ingsmorfolgie gecategoriseerd. I. Verstedelijking langs een lijn Van oudsher vormen lijnen een belangrijke drager voor occupatie en stedelijke ontwikkelingen. Niet alleen wegen van A naar B zijn hieronder te scharen. Ook landschappelijke lijnen zoals rivieren, weteringen en hoogtelijnen (overgang van hoog en droog naar laag en nat) vormen zulke dragers. Vaak betreffen het routes met belangrijke cultuurhisto- rische en/of landschappelijke waarden. Naast dit aspect bevat elk type lijn een ander ruimtelijk opbouw en beeld, met bijbehorende beeldkwa- liteitsaspecten. In Wassenaar zijn er de volgende verstedelijkingslijnen te typeren: Lanen: De historische lanen liggen over het algemeen op de hoger gelegen strandwallen, in de bosrijke landgoederenzone en het warande-milieu.

In de meeste gevallen vormen ze een oude route van Leiden naar Den Haag. Ze kenmerken zich in profiel door de flankering met bomen van monumentale grootte. Langs de lanen liggen in eerste instantie de buitenplaatsen. Theatrale oprijlanen naar het hoofdhuis worden bij de aansluiting op de laan benadrukt met een poort of hek, en soms door de aanwezigheid van dienstwoningen of andere bijgebouwen. Zichtassen naar het hoofdhuis zijn op diverse plekken vanaf de laan waarneembaar. Met de verkaveling van de landgoederen tot villawijken veranderde de structuur. Alhoewel dit heeft geleid tot versnippering van het landgoed en tot meerdere toegangen langs de laan (inclusief de aanwezigheid van parkeerplaatsen) bleef de continuïteit van het profiel onaangetast. Dammen en stoepen: De dammen en stoepen zijn Middeleeuwse, door mensenhanden aangelegde dwarsverbinding over de strandvlaktes tussen de lanen op de hoger gelegen strandwallen. Ze vormen de kortste verbinding dwars op de natuurlijke ondergrond van de wallen van verschillende routes. Linten: De linten zijn de wegen in het (polder-) landschap waarlangs de boerderijen hun plek hebben gevonden. Ze zijn ooit zelf oprijlaan van een boerderij geweest of vormden een hoger gelegen weg op de strandwal. Ze kenmerken zich door de openheid van het omliggende landschap en de begeleiding door sloten aan weerszijden.

De beplanting verschilt per lint: afwezig, enkelzijdig, dubbelzijdig, en regelmatig of gevarieerd. De boerderijen liggen voor het merendeel niet direct aan het lint maar op een erf dat via een toegangsweg bereikbaar is. Aan dit erf liggen ook de andere gebouwen behorende bij het boerenbedrijf of de boomgaard. In sommige gevallen zijn de linten gelegen op de uitlopers van de strandwallen (in de noordelijke polders) en zijn dan ook gekoppeld aan het lanenstelsel. Verdichtingen: Door verdichting van een lijn zijn buurtschappen of (lint-) dorpen ontstaan. Meestal lag hier ook een ontmoetingsplaats of centrale voorziening zoals kerk, stadhuis, school en winkel. Kenmerk is een min of meer aaneengesloten maar soms verspringende straatwand van bebouwing uit verschillende periodes. Tussen de bebouwing zijn vaak stegen of doorgangen naar de achterliggende erven en bebouwing ontstaan die al dan niet

H a n dbo e k Welstand & B ee ldkwalite it

[ 37 ]

Band I

geprivatiseerd zijn. De bebouwing varieert in stijl, aard, hoogte, en materialisatie. Hoogtelijnen: Op de grens van hoog en laag (ofwel droog en nat), tussen strandwallen en strandvlaktes is een occupatie-patroon ontstaan van boerderijen. Deze agrarische bedrijven hebben zich gevestigd op de grens van vruchtbare grond (vlaktes), die relatief nat was maar goed geschikt voor landbouw en de droge stevige strandwalgronden, die beter geschikt waren voor bebouwing. De bebouwing is bereikbaar via toegangswegen vanaf een laan op de strandwal. Dit patroon is goed zicht-baar in de Papenwegse en Duivenvoordsche polder en is kenmerkend voor de Oostdorperweg. II. Verstedelijking in of van een vlak Verstedelijking in of van een vlak bestaat uit een (ontworpen) gebiedsdeel, dat is pgebouwd uit een of meerdere bouwstenen. Het gehele vlak is als compositie samengesteld uit bebouwde en onbebouwde delen (huizen, erven en tuinen) en infrastructuren van wegen, water en groen. Beeld- kwaliteits-aspecten hebben betrekking op de ruimtelijke opbouw van het gebied als geheel, waarbij met name de massa-ruimte-opbouw van belang is, zowel voor de afzonderlijke delen en als tussen de delen onderling (openbaar-privé). Daarbij wordt ook aandacht gevragd voor bijzondere (visuele) kenmerken. Landgoederen en buitenplaatsen: Landgoederen zijn van oudsher economische eenheden.

Ze vormden een groot bezit op het platteland en waren deels bestemd voor bos of agrarisch gebruik. Het centrale gebouw is meestal de hofboerderij. Daarnaast staat de buitenplaats; een buitenverblijf met herenhuis of kasteel, omringd door een grote, vaak specifiek ontworpen tuin of park. Karakteristiek van de buitenplaats is het samenstel van landhuis, tuin en bijgebouw(en). Het landhuis is het middelpunt van de compositie van tuin of park in samenhang met de landschappelijke context. Het huis is het object, is vrijstaand en te beschouwen als “de ziel van het landgoed”. De bijgebouwen (dienstwoning, garage, stal) zijn meestal in dezelfde stijl als het hoofdgebouw gebouwd en ondergeschikt aan het hoofdhuis in massa en positie. De buitenplaats is zowel fysiek (via de toegangslaan) als visueel (door middel van zichtassen) verbonden met het lanenstelsel. De bebouwingsintensiteit is extensief. Villawijken: De villawijken zijn de min of meer planmatig bebouwde delen van de landgoederenzone, waarbij ruime opgezette eenheden zijn verkaveld tot individuele percelen. Ze bestaan uit gevarieerde bebouwing in een parkachtige omgeving, rijk voorzien van groen en met bijzondere patroon- of vormkenmerken. De grote kavels zijn de bouwsteen van de villawijk en op het kavel staan hoofdzakelijk losse villa’s dan wel (dubbele) herenhuizen met annexen in de vorm van garages.

De bebouwingsintensiteit is extensief. Binnen de categorie is sprake van villawijken met eenheid in stijl van gebouw en openbare ruimte (ensemblewaarde) en van villawijken waarbij meer aandacht ligt op de individuele expressie van kavel en woning. Buurt en buurt-ensemble: Deze vorm van gebiedsverstedelijking bestaat uit een verzameling boerderijen of woningen, gelegen binnen of buiten de bebouwde kom van een nederzetting en veelal voorzien van een eigen (buurt)naam. Als planmatige vorm bestaat de verzameling uit verschillende elementen die tot een ontworpen eenheid zijn samengebracht. Er is veel aandacht besteed voor de relatie tussen en overgang van openbaar naar privé en het ambachtelijk detail. De drager is de openbare ruimte in relatie tot de architectonische en landschappelijke vormgeving, in alle aspecten tot aan het straatmeubilair toe. De categorie van het ontworpen buurt-ensemble stamt uit het begin van de 20ste eeuw en moet in relatie worden gezien met andere categorieën, zoals de villawijk (De Kieviet) en het tuindorp. Rijtjes-buurten: De bouwsteen is het vrijstaande en geschakelde (Hol- landse) woonhuis als expressie van gebundelde individualiteit. De buurt is planmatig opgebouwd en bestaat uit verschillende clusters of stempels rondom of binnen een groter openbare-ruimte-stelsel (plantsoen, singel).

Soms is de buurt aangevuld met een collectief woongebouw (portieketageflat, galerijwoningen) of een voorzieningencentrum. Het straten- patroon is meestal

[ 38 ]

Handboek Welstand & Beeldkwaliteit

Band I

gebaseerd op het traditionele onderscheid van een openbare voorkant en een meer privé of collectief te gebruiken achter- kant. In sommige situaties is hier bewust van afgeweken. De bebou- wingsintensiteit is suburbaan met als kengetal gemiddeld 30 won./ha. Passtukken: De bouwsteen is net zo divers als de naam reeds aangeeft; vaak een overgebleven deel van bebouwing of verbouwing uit het verleden, soms een fragment van een groter geheel of een bijzonder type, dat verdwaald is in de plattegrond van de nederzetting. Het passtuk kan zijn ontstaan, maar wordt ook doelbewust gebruikt als opvulling van de marge tussen verschillende delen. III. Verstedelijking in een punt (object) Op sommige plekken in de gemeente hebben functies vorm gekregen als een object zonder samenhang met de omgeving danwel juist als een verbijzonderd object van de omgeving. Meestal zijn het schijnbaar kleine objecten die opgaan in de omgeving zonder als opvallend element te worden geregistreerd. Op andere plekken gaat om objecten die juist een opvallende positie hebben gekregen door omvang, maat, schaal, door functie of als uitzondering op een verzameling. Autonoom gepositioneerde complexen: Deze autonome complexen zijn bebouwingspunten die los van de stedebouwkundige of landschappe- lijke context zijn neergestreken, en hun stempel drukken op de ruimte- lijke beleving van de omgeving.

In functie onderscheiden ze zich van de omliggende bebouwing evenals in massa en omvang. Landmarks: Opvallende gebouwen met een eigen beeldwaarde die dienen als oriëntatiepunt in de omgeving, of als plaatsaanduiding. Deze objecten zijn onderdeel van een bebouwd gebied en hebben tegelijker- tijd een visuele en symbolische functie op hogere schaal. Voorbeelden zijn kerktorens, maar ook specifieke landhuizen, zoals bijvoorbeeld De Paauw. Compositie van objecten: Een verzameling van autonome gebouwen of complexen die zich samen hebben gevoegd in een landschappelijke compositie en zo een gezamenlijke meerwaarde hebben gekregen. De ligging ten opzichte van het landschap en de positie ten opzichte van elkaar geven een bijzonder karakter aan het gebied. Voorbeeld is het gebied Wavo-park - Johanna-huis - Campina-terrein waar rondom de open strandvlakte relatief grote complexen langs de bosrand zijn neer- gestreken en zo de maat en schaal van de open ruimte articuleren. Objecten-cluster: Bouwsteen is een los object, een gebouw, waarvan er verschillende zijn samengevoegd tot een autonoom cluster. Ruimtelijk vertonen ze weinig verwantschap maar in functionele zin horen zij wel bij elkaar. Echter de relatie met de omgeving (stedenbouwkundige of landschappelijk) is gering of niet aanwezig.

In band II Gebieden wordt ingegaan op de beeldkwaliteitaspecten van de onderscheiden buurten en delen van Wassenaar. Deels is de gebiedsindeling gebaseerd op de hierboven omschreven typologie van verstedelijking. Echter waar er samenhang bestaat tussen verschillende eenheden of waar verstedelijkingsvormen samen komen, zijn deze als een beschouwd. Ook zijn met het oog op de praktische uitvoering keuzes gemaakt voor samenvoeging van meerdere delen tot een. In de gebiedsinventarisatie wordt verwezen naar de algemene kenmerken van eenheden zoals hier omschreven en worden de bijzondere karak- teristieken van de gebieden beschreven zoals structuur, details en materiaalgebruik. Ook in de bijbehorende gebiedscriteria worden de algemene kenmerken van gebieden aangehaald en als uitgangspunt voor ontwikkeling en toetsing beschouwd.

3.8

Het belang van de openbare ruimte Behalve door de gebouwde omgeving wordt de beeldkwaliteit voor een belangrijk deel bepaald door de openbare ruimte en het groen in de omgeving, zowel particulier als open-

H a n dbo e k Welstand & B ee ldkwalite it

[ 39 ]

Band I

baar. Op de schaal van Wassenaar als geheel zijn de openbare-ruimte-stelsels van de lanen als beelddrager van wezenlijk belang. Op de lagere schaal van de wijk en buurt gaat het om de plantsoenen, parken, pleinen, en straten. Met name in de ensemble-gebieden is de relatie tussen bebouwing en openbare ruimte van cruciaal belang vanwege het oorspronkelijke integrale ontwerp. Ook in veel andere buurten bestaat een duidelijke relatie tussen de vorm en inrichting van de openbare ruimte en de waardering voor de woonkwaliteit. Als identiteitdrager is waarde toe te kennen aan de openbare ruimte; door het dagelijks gebruik en de aanwezigheid van opvallende elementen, kenmerkende materialen en monumentale beplanting wordt het mentale beeld mede bepaald. Het collectief geheugen, gebaseerd op de gemeenschappelijke voorstelling van de openbare ruimte, wordt ook beinvloed door bijzondere elementen zoals straatmeubilair (lantaarnpalen, bankjes, een klok) en bepaalt mede de identiteit van een wijk of buurt. Een goed beheer en onderhoud van de bestaande kwaliteiten van de openbare ruimte draagt bij aan een prettige leefomgeving. In de Structuurvisie is om deze openbare ruimten goed instand te houden en te versterken het uitvoeringsproject “Integraal beheer- en onderhoudsplan lanen en weteringen” aangedragen.

De openbare ruimte dient integraal (her-)ontworpen te worden vanuit technische randvoorwaarden, beeldkwaliteit en ruimtelijke aspecten. Het profiel van de weg, de materialisatie, beplanting en meubilair zijn van belang. Storende elementen zonder relatie met de omgeving en elementen die de continuïteit van de ruimte aantasten (zoals de geluidswering bij het zuidelijke deel van de Rijksstraatweg) dienen dan ook vermeden te worden. Verkeerstechnische hulpstukken dienen niet als standaard ontwerprepertoire voor de openbare ruimte gezien te worden. Daarvoor in de plaats zijn geïntegreerde, goed op de plek afgestemde oplossingen denkbaar die ook recht doen aan de beeldkwaliteit van de ruimte. Daarnaast speelt het particulier groen een belangrijke rol - vooral in de villawijken waar de grote groene kavels van invloed zijn op het straatbeeld; meer nog dan de bebouwing. In de noordelijke wijken en buurten is de invulling van de voortuin van invloed op hoe het straatbeeld wordt ervaren: hoge of lage beplanting, de zichtbare aanwezigheid van tuinmeubilair, een hek of haag dragen bij aan of doen soms afbreuk aan de kwaliteit van de openbare ruimte. Geparkeerde auto’s zowel op straat als op particuliere erven beïnvloeden veel sterker het ruimtelijk beeld van de openbare ruimte. Groene voortuinen vervangen door parkeerverharding is niet de meest gewenste oplossing.

Indien dit onvermijdelijk is, dient (half-)verharding zoveel mogelijk aan te sluiten bij het gebouw en de omgeving.De nadere uitwerking van het aspect beeldkwaliteit in relatie tot welstand is te vinden in band II van dit Handboek Welstand & Beeldkwaliteit.

[ 40 ]

Handboek Welstand & Beeldkwaliteit

Band I

Gebiedsindeling

H a n dbo e k Welstand & B ee ldkwalite it

Landgoed Villawijk Rijtjesbuurt Ensemble-buurt Lint-buurt Gemengd Object

[ 41 ]

Band I

[ 42 ]

Handboek Welstand & Beeldkwaliteit

Band I

DEEL 4 OBJECT CRITERIA VOOR VEEL VOORKOMENDE KLEINE BOUWWERKEN

H a n dbo e k Welstand & B ee ldkwalite it

[ 43 ]

Band I

[ 44 ]

Handboek Welstand & Beeldkwaliteit

Band I

4.1

Objectcriteria voor kleinere bouwwerken Een groot deel van bouwvergunningaanvragen bestaat uit aanvragen voor kleinere bouwwerken. Mits goed ingepast en geïntegreerd in de bestaande bebouwing hoeven deze geen grote impact te hebben op het ruimtelijk beeld. Teneinde deze vergunningaanvragen snel te kunnen behandelen zijn hiervoor objectcriteria opgesteld. De functie van de objectcriteria is tweeledig: enerzijds om aan initiatiefnemers vooraf inzicht te geven in de toetsingscriteria waaraan het plan dient te voldoen, anderzijds als een objectief stelsel van regels om de planaanvragen eenvoudig aan te toetsen. Daarnaast blijft het altijd mogelijk van de objectcriteria af te wijken indien een standaardoplossing tot ongewenste gevolgen leidt. In dat geval gelden de gebiedscriteria of de algemene criteria. In de gewijzigde woningwet wordt de categorie vergunningvrije bouwwerken verruimd. Deze bouwwerken hoeven niet meer (preventief) getoetst te worden aan het bestemmingsplan of welstand. Voor beschermde monumenten en beschermd stads- en dorpsgezicht blijft altijd een bouwvergunning noodzakelijk.

4.2

4.3

Voorwaarden a.

Het betreft een van de volgende kleinere bouwwerken, conform de definitie die bij de criteria is omschreven: 1 aanbouw en uitbouwen (of serre) 2 bijgebouwen en overkappingen (in de nieuwe systematiek samengevoegd onder de noemer bijbehorende bouwwerken) 3 dakkapellen en dakramen 4 erf- of perceelafscheiding 5 zonnecollectoren en -panelen 6 antennes en masten 7 kozijn- en gevelwijzigingen 8 zonwering, rol- of spijlenhek, luik of rolluik 9 gevelreclame

b.

De objectcriteria zijn van toepassing op de vergunningsplichtige bouwwerken, binnen het Beschermd Dorpsgezicht. Ontwerpen voor deze bouwwerken worden altijd om advies aan de welstands- en monumentcommissie voorgelegd.

c.

De objectcriteria zijn niet van toepassing op bouwwerken bij, op of aan Beschermde Rijks- of Gemeentelijke Monumenten. Deze bouwaanvragen dienen altijd om advies te worden voorgelegd aan de welstands- en monumentencommissie.

d.

De objectcriteria zijn van toepassing buiten het beschermde gezicht voor zover de criteria uit Bijlage II van het Bor niet van toepassing zijn.

e.

Als de objectcriteria niet van toepassing zijn volgt beoordeling aan de hand van gebiedsgerichte of algemene welstandscriteria.

Precedent-werking Een belangrijk aspect in de welstandstoesting in het algemeen is het uitgangspunt dat de bestaande toestand leidend is voor de beoordeling van de bouwplannen. Dit heeft onder andere de precedentwerking tot gevolg: indien van een bepaald type bouwwerk reeds een voorbeeld in hetzelfde bouwblok en/of dezelfde straatwand (i.e. van hetzelfde architectonische beeld) aanwezig is, dan geldt dit bouwwerk in principe als voorbeeld voor nieuwe aanvragen binnen dat blok danwel die straat. Het dient dan uiteraard wel om een (ooit) goedgekeurd bouwwerk te gaan.

H a n dbo e k Welstand & B ee ldkwalite it

[ 45 ]

Band I

Indien in het originele bouwplan van het gebouw reeds een standaard of uitwerking van een bouwwerk is opgenomen, en als zodanig reeds door de welstandcommissie is beoordeeld en goedgekeurd, geldt dit eveneens als goedgekeurd bouwwerk. De precedentwerking van de zogenoemde trendsetters gaat dus voor de objectcriteria.

4.4

Wabo De welstandstoetsing maakt deel uit van het pakket dat onder de Wabo valt. Ongeveer 25 vergunningen zijn onder de werking van de Wabo samengebundeld in een enkele omgevingsvrgunning.

4.5

Objectcriteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken Hieronder zijn de objectcriteria voor de veel voorkomende kleine bouwwerken beschreven.

[ 46 ]

Handboek Welstand & Beeldkwaliteit

Band I

1

AANBOUWEN EN UITBOUWEN

Omschrijving

Aan- en uitbouwen zijn grondgebonden bouwwerken van één bouwlaag aan of tegen de gevel van een bestaand gebouw; voorbeelden hiervan zijn erkers en keuken-uitbouwen. Aangezien serres een bijzondere vorm van aanbouw zijn, transparant en gericht op lichten zoninval, gelden voor serres aparte criteria betreffende detaillering en materialisatie. In wezen zijn zij een klimatologisch afgesloten buitenruimte bij een gebouw. In de nieuwe regelgeving is er voor gekozen buiten het beschermde dorpsgezicht aan- en uitbouwen samen te voegen met bijgebouwen en overkappingen tot een nieuwe categorie bijbehorende bouwwerken. In Wassenaar, waar het beschermde dorpsgezicht voor een groot deel uit (half)vrijstaande bebouwing bestaat, is ervoor gekozen voor deze categorieen te blijven differentieren op basis van het oude onderscheid.

Beoordelingsgrondslag

Bij aanbouwen en uitbouwen is basis voor beoordeling van de aanvragen, het uitgangspunt dat positie, omvang en materialisatie aan dienen te sluiten bij de bestaande karakteristiek van gebouw en omgeving. Aanbouwen en uitbouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdmassa van het gebouw en zullen als zodanig ook duidelijk herkenbaar dienen te zijn. Aanbouwen en uitbouwen op het voorterrein zijn van grote invloed op het straatbeeld en in de meeste gevallen (beschermd dorpsgezicht) niet toegestaan. In voorkomende gevallen wordt er altijd de welstandscommissie om advies gevraagd.

Toetsingscriteria

1. Voorbeeldwerking: • Indien in de oorspronkelijk bouwtekening van het hoofdgebouw een voorstel voor de aanbouw of uitbouw is gedaan, is deze maatgevend (het verdient de aanbeveling in voorkomende nieuwbouwgevallen reeds een standaard in de plantekening op te laten nemen). • Een reeds aanwezige en door welstand goedgekeurde aanbouw of uitbouw binnen een bouwblok dient als voorbeeld voor aanvragen binnen het blok. • Binnen een gebieds-eenheid geldt een reeds aanwezige aanbouw of uitbouw binnen het gebied als voorbeeld voor aanvragen binnen het gebied. • Bij uitbreiding dan wel vergroting van een bestaande aan- of uitbouw dient deze als uitgangspunt met betrekking tot materialisatie, positie, en massa-verhoudingen. • Indien meerdere van bovenstaande gevallen van toepassing zijn, wordt bovenstaande volgorde aangehouden.

2. Afmetingen: • aan de achterzijde: niet breder dan de oorspronkelijke gevel, • aan de zijkant: niet breder dan de helft van de oorspronkelijke gevel, waarbij de zijkant van de aanbouw- of uitbouw niet samenvalt met de zijkant van de gevel (min. 0,5 m. marge). • bij een gebouw met één bouwlaag: de hoogte van de aan- of uitbouw is niet groter dan de gebouwhoogte en maximaal 3,25 m. • bij een gebouw met meerdere bouwlagen: de hoogte van de aan- of uitbouw ligt maximaal 0,15 m boven de vloer van de eerste verdieping (zie afbeelding 1.1). • de diepte is maximaal 3 meter. • de afzonderlijke erven zijn na plaatsing voor niet meer dan 50% bebouwd. 3. Positie: • bij bouwen op zij-erf: de afstand tot de voorgevellijn is minimaal 3 m.

H a n dbo e k Welstand & B ee ldkwalite it

[ 47 ]

Band I

• bij bouwen op achtererf of zij-erf: de afstand tot de zij-erfgrens is minimaal 1,5 m. • de plek in de gevel is in overeenstemming met de gevelindeling als geheel. 4. Detaillering en materialisatie: a. Voor aan- en uitbouwen die geen serre zijn: • De materialisatie, detaillering en kleur van de aan- of uitbouw zijn gelijk aan het gebouw of de betreffende gevel als geheel. Bij voorkeur worden neutrale tinten gebruikt. • De positie, afmetingen, indeling en profielen van gevelopeningen in de aan- of uitbouw zijn in overeenstemming met de gevelindeling en gevelopeningen van het gebouw of de betreffende gevel als geheel • Het dak van de aan- of uitbouw: ◦ komt overeen met het dak van het gebouw in materiaal en dakhelling waarbij het dakvlak van de aan- of uitbouw evenwijdig is aan het bestaande dakvlak; of ◦ is een plat dak; of ◦ is een samenstelling van beide. Een schuin dak bevat geen verdere toevoegingen of openingen. Een plat dak kan een eventuele lichtkoepel bevatten. • Boeibord en dakoverstek van de aan- of uitbouw staan in verhouding tot de boeiborden en dakoverstek van het gebouw. Het verdient de voorkeur dezelfde maat dan wel een kleinere maat aan te houden. b. Voor serres: • De constructie van een serre is rank uitgevoerd in hout, staal, aluminium of kunststof overeenkomend met de kozijnen van het hoofdgebouw.

De kleur van de constructie is afgestemd op het kleurgebruik van het gebouw waar het bijhoort. De verdere vulling van de gevel tussen de constructie is zoveel mogelijk van glas. Detaillering, ritme, en indeling van de serre zijn gericht op een zo transparant mogelijk uiterlijk. In de nieuwe regelgeving is er voor gekozen buiten het beschermde dorpsgezicht aan- en uitbouwen bijgebouwen en overkappingen samen te voegen met de aan- en uitbouwen tot een nieuwe categorie bijbehorende bouwwerken. In Wassenaar, waar het beschermde dorpsgezicht voor een groot deel uit (half)vrijstaande bebouwing bestaat, is ervoor gekozen voor deze categorieen te blijven differentieren op basis van het oude onderscheid.

H = max. 15 cm boven bovenkant vloer 1e verdieping

afb. 1.1: Hoogte van de aan- of uitbouw

[ 48 ]

Handboek Welstand & Beeldkwaliteit

Band I

achterzijde

zijkant

B = max. gevelbreedte y

B = max. 50% van gevelbreedte y

afb. 1.2: Breedte van de aan- of uitbouw

schuin

dak: evenwijdig dakhelling gebouw

aan

plat dak

samengesteld dak: helling evenwijdig aan dakhelling gebouw

afb. 1.3: Dakvorm van de aan- of uitbouw

in stramien gevelindeling

in stramien gevelindeling

afb. 1.4: Positie van de aan- of uitbouw

H a n dbo e k Welstand & B ee ldkwalite it

[ 49 ]

Band I

2

BIJGEBOUWEN EN OVERKAPPINGEN

Omschrijving

Bijgebouwen zijn grondgebonden gebouwen van één bouwlaag op het erf behorend bij een hoofdgebouw. Overkappingen zijn grondgebonden overkappingen van één bouwlaag op het erf behorend bij een gebouw.

Beoordelingsgrondslag

Bij bijgebouwen en overkappingen is basis voor beoordeling van de aanvragen, het uitgangspunt dat positie, omvang en materialisatie aan dienen te sluiten bij de bestaande karakteristiek van het gebouw en de omgeving.

Toetsingscriteria

1. Voorbeeldwerking: • Indien in de oorspronkelijk bouwtekening van het hoofdgebouw een voorstel voor een bijgebouw of overkapping is gedaan, is deze maatgevend (het verdient de aanbeveling in voorkomende nieuwbouw-gevallen reeds een standaard in de plantekening op te laten nemen). • Een reeds aanwezig en door welstand goedgekeurd bijgebouw of overkapping binnen een bouwblok dient als voorbeeld voor aanvragen binnen het blok. • Binnen een gebieds-eenheid geldt een reeds aanwezige bijgebouw of overkapping binnen het gebied als voorbeeld voor aanvragen binnen het gebied. • Bij uitbreiding dan wel vergroting van een bestaande bijgebouw of overkapping dient deze als uitgangspunt voor het nieuwe bijgebouw of overkapping met betrekking tot materialisatie, positie, en massa-verhoudingen. • Indien meerdere van bovenstaande gevallen van toepassing zijn, wordt bovenstaande volgorde aangehouden.

2. Afmetingen: • De hoogte van een bijgebouw of overkapping is maximaal 3 m. en is kleiner dan de goothoogte van het betreffende gebouw indien deze uit één laag bestaat. • Het oppervlak van een bijgebouw of overkapping is maximaal 30 m2. • De afzonderlijke erven zijn na plaatsing voor niet meer dan 50% bebouwd. 3. Positie: • Gelegen op minimaal 3 m. achter de voorgevellijn. • De afstand tot het naburig erf is minimaal 1,5 m. • Bij bouwen op het achtererf: ◦ indien de zijgevel ligt op een zij-erf dat direct grenst aan weg of openbaar groen: de afstand tot de zijgevellijn is minimaal 3 m, ◦ indien het achtererf aan de achterzijde direct grenst aan de weg of openbaar groen: de afstand tot weg of openbaar groen is minimaal 1 m. • Bij bouwen op het zij-erf: het zij-erf mag niet direct grenzen aan weg of openbaar groen 4. Detaillering en materialisatie: • Materialisatie, detaillering en kleur van het bijgebouw of overkapping sluiten aan bij het gebouw als geheel. Gebruik bij voorkeur neutrale tinten. • Overkappingen hebben een plat dak of een dak met een lichte hel-ling. De constructie is zo transparant mogelijk, bij voorkeur van hout of staal. • Bijgebouwen hebben een plat dak of een dak dat verwant (dakhelling, materiaal) is aan het hoofdgebouw. Het dak bevat geen toevoegingen of openingen.

• De wanden van het bijgebouw, die zichtbaar zijn vanaf openbaar gebied, dienen enkele gevelopeningen te bevatten die verwant zijn aan de gevelopeningen van het hoofdgebouw.

[ 50 ]

Handboek Welstand & Beeldkwaliteit

Band I

• Boeiborden en dakoverstek van het bijgebouw of overkapping dienen in verhouding te staan tot de boeiborden en dakoverstek van het gebouw. Het verdient de voorkeur een gelijke maat dan wel een kleinere maat aan te houden.

OPENBAAR GROEN

<>

< >

NABURIG ERF

1 m.

1,5 m.

<> 1,5 m. < > 3 m.

< > 3 m.

<> 1,5 m.

V R I J S TA A N D GEBOUW

RIJTJESWONINGEN < >

voorgevellijn

zijgevellijn

3 m.

voorgevellijn

STRAAT

afb. 2.1: Positie van bijgebouw of overkapping

H a n dbo e k Welstand & B ee ldkwalite it

[ 51 ]

Band I

3

DAKKAPELLEN EN DAKRAMEN

Omschrijving

Dakkapellen en dakramen zijn (uitspringende) vensters aangebracht in het dakvlak van het hoofdgebouw (dus niet in het bijgebouw).

Beoordelingsgrondslag

Bij dakkapellen en dakramen is basis voor beoordeling van de aanvragen, het uitgangspunt dat positie, omvang en materialisatie aan dienen te sluiten bij de bestaande karakteristiek van gebouw en omgeving. Dak-kapellen en dakramen zijn ondergeschikt aan de hoofdmassa van het gebouw en zullen als zodanig ook duidelijk herkenbaar dienen te zijn.

Toetsingscriteria

1. Voorbeeldwerking: • Indien in de oorspronkelijk bouwtekening van het hoofgebouw een voorstel voor de dakkapel is gedaan, is deze maatgevend (het verdient de aanbeveling in voorkomende nieuwbouwgevallen reeds een standaard in de plantekening op te laten nemen). • Een reeds aanwezige en door welstand goedgekeurde dakkapel of dakraam binnen een bouwblok dient als voorbeeld voor aanvragen binnen het blok. • Binnen een gebieds-eenheid geldt een reeds aanwezige dakkapel binnen het gebied als voorbeeld voor aanvragen binnen het gebied. • Bij uitbreiding danwel vergroting van een bestaande dakkapel dient de oorspronkelijke dakkapel als uitgangspunt met betrekking tot materialisatie, positie, en verhoudingen. • Indien meerdere van bovenstaande gevallen van toepassing zijn, wordt bovenstaande volgorde aangehouden.

2. Afmetingen: • De hoogte van een dakkapel is maximaal 1,75 m. en is kleiner dan de dakhoogte. • Indien dakkapellen boven elkaar zijn aangebracht (alleen bij bestaande situaties toegestaan) is dit de totale gezamenlijke hoogte van de boven elkaar gelegen kapellen. • Aan de voorzijde is de gezamenlijke breedte maximaal 50% van de afzonderlijke dakbreedte y (zie afbeelding 3.2) • Aan de achterzijde en de zijkant is de gezamenlijke breedte van de dakkapellen maximaal 75% van de afzonderlijke dakbreedte y (zie afbeelding 3.2) • Het dakvlak bestaat hoogstens voor de helft uit dakkapellen, - ramen, of zonnecollectoren tenzij in het oorspronkelijk ontwerp in een groter percentage is voorzien. 3. Positie: • De dakkapel bevindt zich verticaal gemeten op een afstand van minimaal 0,5 m. onder de nok en minimaal 0,5 m. boven de dakgoot (zie afbeelding 3.3). • De dakkapel bevindt zich horizontaal op een afstand van minimaal 0,5 m. van de zijrand van het dak. • De dakkapel bevindt zich horizontaal bij voorkeur in het stramien van de horizontale geleding van de gevel, of is gelegen in het midden van het dakvlak. • Dakkapellen worden niet boven elkaar aangebracht, uitgezonderd (vervanging van) bestaande situaties. 4. Detaillering en materialisatie: • De indeling en profielen van de dakkapel zijn in overeenstemming met de gevelramen en kozijnen van het pand.

• Materialisatie, detaillering en kleur van de dakkapel sluiten aan bij het gebouw of de betreffende gevel als geheel. Gebruik bij voorkeur neutrale tinten. • Boeiborden en dakoverstek van de dakkapel dienen zowel in ver- houding te staan

[ 52 ]

Handboek Welstand & Beeldkwaliteit

Band I

tot de dakkapel als geheel als tot de boeiborden en dakoverstek van het gebouw. Het verdient de voorkeur een gelijke maat danwel (bij grote maten) een kleinere maat aan te houden. N.B. de dakbreedte y = de dakbreedte gemeten op het middelste punt tussen nok en dakgoot

H = max. 1,50 m.

afb. 3.1: Hoogte van de dakkapel of het dakraam

middellijn tussen nok en goot

B = max. 50% / 70% van dakbreedte y

B = max. 50% / 70% van dakbreedte y

breedte dakkapel aan de voor- of zijkant: max. 50% van dakbreedte y achterzijde: max. 70% van dakbreedte y “ “ “

afb. 3.2: Breedte van de dakkapel of het dakraam

H a n dbo e k Welstand & B ee ldkwalite it

[ 53 ]

Band I

d = min. 0,50 m. d = min. 0,50 m.

De afstand tot de nok en dakgoot is verticaal gemeten minstens 0,50 m.

afb. 3.3: Verticale positie van de dakkapel of het dakraam

d = min. 0,5 m. in midden van het dakvlak

d = min. 0,5 m. in stramien gevelindeling

afb. 3.4: Horizontale positie van de dakkapel of het dakraam

[ 54 ]

Handboek Welstand & Beeldkwaliteit

Band I

4

ERF- OF PERCEELAFSCHEIDING

Omschrijving

Erf- en perceelafscheidingen zijn hekwerken, en bouwwerken ter afbakening van een erf of perceel. Ook groene elementen zoals een haag kunnen fungeren als afscheiding en verdienen soms de voorkeur boven een gebouwde afscheiding.

Beoordelingsgrondslag

Bij erf- en perceelafscheidingen is basis voor beoordeling van de aanvragen, het uitgangspunt dat positie, omvang en materialisatie aan dienen te sluiten bij de bestaande karakteristiek van gebouw en omgeving. Erf- en perceelafscheidingen aan de openbare weg of groen hebben een grote impact op het straatbeeld en zullen visueel dan ook zo terughoudend mogelijk dienen te zijn.

Toetsingscriteria

1. Voorbeeldwerking: • Indien in de oorspronkelijk bouwtekening een voorstel voor een erf- of perceelafscheiding is gedaan, is deze maatgevend (het verdient de aanbeveling in voorkomende nieuwbouwgevallen reeds een standaard in de plantekening op te laten nemen). • Een reeds aanwezige en goedgekeurde erf- of perceelafscheiding binnen een straat of bouwblok dient als voorbeeld voor aanvragen binnen het blok. • Indien meerdere van bovenstaande gevallen van toepassing zijn, wordt bovenstaande volgorde aangehouden.

2. Afmetingen en positie: • de hoogte is maximaal 1 m. • de hoogte is maximaal 2 m. indien op het erf of perceel reeds een gebouw staat, en ◦ de positie van de erf- of perceelafscheiding meer dan 3 m. achter de voorgevellijn is; ◦ de positie meer dan 3 m achter de zijgevellijn is (alleen indien dat zijerf direct grenst aan de weg of openbaar groen); ◦ bij bouwen op het achtererf: de afstand tot de weg of openbaar groen is minimaal 1 m indien dat achtererf direct grenst aanweg of openbaar groen; • de hoogte is maximaal 2 m. indien op het erf of perceel reeds een gebouw staat, en het een transparante afscheiding (gaashekwerk) betreft die staat op meer dan 1 meter van de openbare weg of groen in een bossage of struikgewas van minimaal 3 meter diep. 3. Detaillering en materialisatie: • Bij voorkeur worden in plaats van gebouwde afscheidingen, hagen of andere groene afscheidingen toegepast (evt. in combinatie met een transparante afscheiding (gaashekwerk)). • Materialisatie van de erf- en perceelafscheidingen aan de voor- en achterzijde is afhankelijk van de ligging in Wassenaar: ◦ groene en houten afscheidingen passen meer in het warande- milieu, ◦ stenen afscheidingen (evt. in combinatie met andere materialen) meer in de intensiever bebouwde buurten, ◦ gaashekwerken bij grotere percelen ◦ transparante, overwegend houten hekwerken in het buitengebied.

• Bij voorkeur worden duurzame materialen gebruikt, en op maat gemaakte afscheidingen in plaats van pre-fab scheidingen. • In een gelede straat of met een verspringende straatwand is een verticaal gelede afscheiding meer geëigend; in een straat met een rechte straatwand is een horizontale geleding meer op zijn plaats (zie ook onder gebiedscriteria)

H a n dbo e k Welstand & B ee ldkwalite it

[ 55 ]

Band I

• Bij voorkeur wordt in een straat hetzelfde type afscheiding gebruikt. • De gekleurde (geverfde) delen van de afscheiding komen overeen met: ◦ de gekleurde delen van het gebouw bij een koppeling aan het gebouw, of ◦ de gekleurde delen van de naburige scheiding bij een koppeling aan de naburige afscheiding. • Afscheidingen hoger dan 1 m. worden zoveel mogelijk aan het zicht onttrokken met beplanting. N.B. bij een erf- of perceelafscheiding tussen twee particuliere erven- of percelen is overleg met de buren over de te kiezen erfafscheiding een goede zaak.

[ 56 ]

Handboek Welstand & Beeldkwaliteit

Band I

5

ZONNECOLLECTOREN EN -PANELEN

Vervallen

Vervangen door objectcriteria in het raadsbesluit van 14 december 2021. Zie buiten Band I en Band II bij 5. Zonnecollectoren en panelen

N.B. zie ook afbeeldingen bij de criteria voor dakkapellen en -ramen

H a n dbo e k Welstand & B ee ldkwalite it

[ 57 ]

Band I

6

ANTENNES EN MASTEN

Omschrijving

Antennes zijn spriet-, staaf- of schotelantennes voor verzenden en ontvangst van signalen; hieronder worden niet begrepen antennes voor mobiele telefonie. C2000-antennemasten zijn antennemasten die onderdeel uitmaakt van de landelijke C2000- infrastructuur voor de mobiele communicatie van niet-commerciële hulpverleningsdiensten.

Beoordelingsgrondslag

Antennes en masten dienen zo onopvallend mogelijk in het straatbeeld aanwezig te zijn. Bij schotel-antennes verdient het de aanbeveling per blok een gezamenlijk schotel-antenne te plaatsen. Bij de beoordeling wordt meegewogen dat voor een goede ontvangst een vrij zicht richting de satelliet nodig is: in Nederland om en nabij de zuidelijke richting.

Toetsingscriteria

1. Afmetingen en positie: Bij spriet- en staaf-antennes: • Gelegen achter de voorgevellijn, op minimaal 1,5 m. van de erf- of perceelsgrens. • Gelegen achter de zijgevellijn indien het een openbare zijkant betreft. • Niet aangebracht op of aan het gebouw of bijgebouw, of op een stellage. • Hoogstens 1 antenne per erf of perceel. Bij schotelantennes: • De hoogte is maximaal 5 m. en de doorsnede maximaal 2 m. • De schotelantenne is niet zichtbaar vanaf de openbare straat of groen: d.w.z. gelegen aan de achterzijde. • Bij voorkeur wordt het hoofdgebouw niet aangetast door de schotel-antenne: ◦ de schotelantenne is gelegen op het achter-erf op min. 1,5 m. van de erfgrens, achter de zijgevellijn indien het een openbare zijkant betreft, en niet aangebracht op een stellage, of ◦ aangebracht aan een bijgebouw aan een niet-openbare zijde op min 1,5 m. van de erfgrens, of op het platte dak ervan waarbij de afstand tot de dakrand minimaal gelijk is aan dehoogte van de schotelantenne. • Indien wel aan het gebouw, bij gebouwen met een plat dak: ◦ gelegen op het dak, ◦ de afstand tot de dakrand is minimaal gelijk aan de hoogte van de schotelantenne. • Indien wel aan het gebouw, bij gebouwen met een schuin dak: ◦ bevestigd aan de achtergevel van het gebouw, ◦ vallend binnen het silhouet van de achtergevel, ◦ niet voor karakteristieke geveldelen, ◦ niet uitstekend t.o.v.

de dakvorm, òf: ◦ gelegen op het platte dak van een dakkapel aan de achterzijde van het gebouw, en niet uìtstekend buiten de dakkapel. • Indien wel aan het gebouw: ◦ op een balkon of loggia aan de achterzijde of aan een niet- openbare zijkant, en niet uìtstekend buiten het balkon of loggia. ◦ Hoogstens 1 schotelantenne per adres.

2. Detaillering en materialisatie: • Bij bevestiging van schotelantennes aan het gebouw worden geen omzichtige constructies gebruikt. De bevestiging dient zo plaats te vinden dat er geen aantasting of beschadiging van het gebouw plaats vindt. Bij verwijdering wordt de gevel of anderszins in originele staat hersteld.

[ 58 ]

Handboek Welstand & Beeldkwaliteit

Band I

N.B. een spriet- of staafantenne is ook van invloed op het zicht van de buren: overleg met de buren over de te kiezen positie wordt sterk aangeraden.

H a n dbo e k Welstand & B ee ldkwalite it

[ 59 ]

Band I

7

KOZIJN- EN GEVELWIJZIGINGEN

Omschrijving

Kozijn- en gevelwijzigingen zijn veranderingen in of vervanging van de gevelopeningen van een gebouw. Toevoegingen aan de gevel (luifels, afdak boven deuren) vallen hier niet onder, evenals uitstulpende kozijnen of uitkragende erkers.

Beoordelingsgrondslag

Basis voor beoordeling bij gevelwijzigingen is dat het oorspronkelijke gevelbeeld behouden blijft, en indien er sprake is van een architectonische continuïteit, ook deze behouden blijft. Vrijstaande gebouwen hebben hierin relatief meer vrijheid dan rijtjeshuizen en architectonische ensembles. Met name veranderingen aan een openbare kant van het gebouw zijn van grote invloed op de belevingswaarde en zullen dan ook scherper worden beoordeeld dan aan de achterkant.

Algemeen

Aan de achterzijde en niet-openbare zijkant worden zowel kozijn- en gevelwijzigingen met objectcriteria getoetst. Aan de voorzijde en de openbare zijkant worden alleen veranderingen van kozijnen, vensters, deuren en ramen met objectcriteria getoetst; veranderingen in het aantal of de grootte van de gevelopeningen worden aan de welstands- en monumentencommissie voorgelegd.

Toetsingscriteria

1. Voorbeeldwerking: • Een reeds goedgekeurde kozijn- of gevelwijziging binnen een bouwblok dient als voorbeeld voor aanvragen binnen het blok. • Bij kozijn- en gevelwijzigingen dient het oorspronkelijke kozijn en de oorspronkelijke gevelindeling als uitgangspunt voor het nieuwe kozijn en gevelopening (materialisatie, positie, verhoudingen).

2. Positie en afmetingen A. Aan de achterzijde en niet-openbare zijkant: • de kozijnverandering is in kleur en materiaal afgestemd op de gevel als geheel, en zoveel mogelijk gelijk aan de oorspronkelijke kozijn- en gevelmaterialen (interpreteren); • de gevelwijzigingen zijn in maatvoering afgestemd op de oorspronkelijke gevelverhoudingen. B. Aan de voorzijde en openbare zijkant: • de kozijnverandering is in maatvoering, kleur, materiaal en detail afgestemd op de gevel als geheel, en zoveel mogelijk gelijk aan de oorspronkelijke kozijn- en gevelmaterialen: (behouden (binnen Beschermd Dorpsgezicht) dan wel gericht veranderen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duivenvoorde&id=dc462587-5e3a-4a53-9974-5feab8b426a2