CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Triangel Zuid-Oost_Toelichting.pdf

Besluitvormende raadsvergadering 23 juni 2021, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: RV.RB Vaststellen bestemmingsplan Triangel Zuid-Oost22.467 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het waterplan resulteert uiteindelijk in een maatregelenpakket om te komen tot: een veilig en robuust watersysteem; het voorkomen van wateroverlast en watertekort; een goede waterkwaliteit en een ecologisch gezond watersysteem; het benutten van mogelijkheden voor beleving en recreatie; het optimaliseren van beheer en onderhoud; het optimaliseren van communicatie binnen en tussen partijen. In het kader van het bestemmingsplan Park Triangel is uitgebreid aandacht besteed aan water.Ook in de toelichting van het voorliggend bestemmingsplan wordt aangegeven op welke wijze met de waterafspraken (zie paragraaf 4.2) wordt omgegaan. 33/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

Conclusie Het voorliggend plan voldoet aan het Waterplan Boskoop en Waddinxveen. 4.2

Water in Park Triangel

In het kader van het bestemmingsplan Triangel is uitvoerig op het thema water ingegaan en zijn ook afspraken gemaakt met de waterbeheerders over de wijze hoe de waterbelangen in het plan worden opgenomen, zoals waterberging, veiligheid en waterkwaliteit. Op basis van voorgaande uitwerkingsplannen voor Triangel zijn aandachtspunten naar voren gebracht door het HHSK. Deze aandachtspunten zijn in de navolgende onderdelen opgenomen. Veiligheid en voorkomen van wateroverlast Door de aanleg van Park Triangel treedt functieverandering op in de Zuidplaspolder. Daardoor neemt mogelijke schade bij een dijkdoorbraak toe. De vraag is dan of de schadeklasse van de boezemkades moet worden verhoogd. Maatgevend hierbij is een doorbraak van de waterkering langs de Gouwe. De boezemkade langs de Gouwe heeft als normering schadeklasse V. Dit is de zwaarste klasse. Het verzwaren van de boezemkades is dan ook voor Park Triangel niet relevant.In december 2005 is in opdracht van de provincie een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van een overstroming voor de Zuidplaspolder. Onder andere voor plangebied Park Triangel zijn de maximaal optredende waterstanden berekend. Deze waterstand ligt 15 cm lager dan het beoogde vloerpeil van toekomstige woningen (dit was aanvankelijk NAP -5,05 m en voor nieuwe woningen recentelijk verhoogd naar NAP -4,85 m).

Deze waterstand treedt op bij een dijkdoorbraak langs de Gouwe tussen Waddinxveen en de A12. Door provincie en HHSK is geconcludeerd dat gezien de geringe waterdiepte, de verwaarloosbare stroomsnelheden van het water en de beschikbare evacuatietijd geen aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn. Het bruto oppervlak van de ontwikkeling bedraagt 106 ha. Wanneer er van uit wordt gegaan dat 50% van het gebied verhard wordt dan moet voor 53 ha. waterberging gecompenseerd worden. Binnen het gebied is al 15 ha. verhard, waardoor de waterbergingsopgave geldt voor 53-15 = 38 ha. Voor dit oppervlak geldt dat conform de eisen van het HHSK waterberging gerealiseerd moet worden. De te realiseren waterberging bedraagt dan 19.400 m3. Deze bergingshoeveelheid dient gevonden te worden tussen het peil van -5.92 m. NAP en -6.25 m. NAP (toets hoogte voor grasland). De plannen voor de inrichting van het plangebied Triangel in Waddinxveen zijn echter in de loop van de jaren gewijzigd. Daarom is in 2018 een actualisatie van de waterhuishouding Park Triangel uitgevoerd. Deze actualisatie is als bijlage 10 opgenomen bij de toelichting. Hierbij wordt, in afstemming met het waterschap, voor de wateropgave binnen het plan Triangel uitgegaan van een peilstijging van 0,33 m. Dit is de peilstijging ten opzichte van het streefpeil.

In overleg met het hoogheemraadschap is overeengekomen dat het oppervlak open water uitgebreid dient te worden met 15,5 % van de toename van het verhard oppervlak. In het bestaande inrichtingsplan is in het hele gebied 51,4 ha aan verhard oppervlak gepland en 7,84 ha aan open water voorzien. Het verhard oppervlak in de oorspronkelijke situatie was 17,8 ha en het bestaand wateroppervlak 7,46 ha. De toename verhard oppervlak wordt dan (51,4 - 17,8 =) 33,6 ha. Dit betekent dat de benodigde uitbreiding open water als compensatie van de toename verhard oppervlak (0,155 x 33,6 ha =) 5,20 ha is. De totale bergingsopgave is dan (7,46 + 5,20 =) 12,66 ha. Omdat er 7,84 ha water wordt voorzien, is er een tekort van (12,66 - 7,84 =) 4,82 ha. Met een peilstijging van 0,33 m, wordt het tekort (4,82 ha x 0,33 m =) 15.908 m3. De nieuwe wateropgave is (bij een peilstijging van 0,33 m) 12,766 ha of 41.783 m3. Er is in totaal 7,84 ha wateroppervlak voorzien. Dit betekent, dat er een bergingstekort is van 4,82 ha. Het bergingstekort (berekend in de vorige wateropgave) was 2,73 ha. Dit betekent, dat het bergingstekort ruim 2 ha is toegenomen. Het verschil is voor het grootste deel te verklaren door de afname van voorzien wateroppervlak en voor een klein deel door toename van verhard 34/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

oppervlak. In het vorige plan was er 9,78 ha aan water voorzien. In het huidige plan is er slechts 7,84 ha aan water voorzien. Gelet op het bovenstaande zal in 2021 binnen de Vredenburghzone nog een waterberging met een oppervlak van 5,2 ha ten behoeve van het plan Park Triangel worden gerealiseerd. Om de waterberging van 5,2 ha optimaal te benutten moeten de watergangen die de aan te leggen waterberging voeden, van voldoende capaciteit zijn. Waterkwantiteit Als het bestemmingsplan (parkeer)kelders mogelijk maakt, dienen deze om overlast te voorkomen waterdicht zijn, zodat geen grondwater kan binnentreden. Daarnaast moet bij het ontwerp rekening worden gehouden met mogelijk peilstijgingen van het oppervlaktewater. Om wateroverlast bij forse peilstijgingen te voorkomen is het verstandig om eventuele inritten, ramen en ventilatieopeningen van de (parkeer)kelders ruim boven het maximale waterpeil aan te leggen. Hier zal in de omgevingsvergunning voor het bouwen rekening mee gehouden worden. Voorkomen van grondwateroverlast In het plangebied zullen de bestaande zomer- en winterpeilen gehandhaafd worden. Het toekomstige wegpeil in het plangebied wordt dusdanig gekozen dat de minimale drooglegging is gewaarborgd.

De drooglegging, het verschil tussen het wegpeil en het waterpeil, voor het waterrijke plangebied met zettingsgevoelige bodem die is overeengekomen met HHSK en gemeente bedraagt 0,9 m. Hiermee wordt de nodige veiligheid geboden tegen grondwateroverlast. Het watersysteem van Park Triangel zal zo worden ingericht dat het geen belemmering vormt voor het in de toekomst instellen van het genoemde peil in het gehele peilgebied waarbinnen Park Triangel valt. Dit betekent dat er bij het bepalen van de drooglegging en aanleghoogtes al rekening is gehouden met een peil van NAP -6,15 m. Vooralsnog zal echter worden aangesloten bij het huidige zomer- en winterpeil in het betreffende peilgebied, zijnde NAP -6,32/-6,42 m (peilbesluit Hoogheemraadschap Van Schieland en Krimpenerwaard, 4 december 2012). Tegengaan bodemdaling veengebied Voorafgaand aan de bouw en bewoning (gebruiksfase) zal het plangebied bouwrijp gemaakt worden. Hierbij zal gedurende 8 maanden tot 3 jaar de bodemdaling (zetting) kunstmatig worden versneld (door bijvoorbeeld de toepassing van verticale drainage, eventueel in combinatie met een extra bovenbelasting bestaande uit een grondlichaam en/of het afgraven van zettingsgevoelige bodemlagen zoals klei en veen en het terugbrengen van zand) om gedurende de gebruiksfase de bodemdaling te beperken tot acceptabele waarden (norm).

De norm die hiervoor gehanteerd wordt is dat een restzetting van 10 cm wordt geaccepteerd ter plaatse van wegen en riolering. Ter plaatse van tuinen wordt voorzien in een restzetting van 20 cm per 30 jaar. De nadere uitwerking hiervan, zoals de systeemkeuze van de versnelde consolidatie, dient in overleg met het HHSK tot stand te komen. Het HHSK heeft wel de toename van kwel als aandachtspunt benoemd. Riolering en waterkwaliteit In het gebied wordt een verbeterd gescheiden stelsel aangelegd waarbij, waar mogelijk, afstromend hemelwater van schone oppervlakken direct wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Het afkoppelen geschiedt met inachtneming van de daarvoor bij het HHSK geldende richtlijnen. Voorbeelden van oppervlakken die relatief schoon zijn, zijn onder andere daken en verkeersluwe wegen. Hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater afgevoerd wordt naar de afvalwaterrioolzuiveringsinstallatie. Verder zal het Nationaal Pakket Duurzaam Bouwen toegepast worden, en ook niet-uitlogende en milieuvriendelijke beschoeiing en betuining. Hiermee wordt verontreiniging van het afstromende hemelwater beperkt. Omwille van 35/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

de waterkwaliteit, worden in het plangebied geen doodlopende watergangen aangelegd, hetgeen de doorspoelbaarheid gunstig beïnvloedt. Inrichting en ecologie In het plangebied zijn de oevers ter plaatse van de openbare ruimte natuurvriendelijk ingericht. Een natuurvriendelijke oeverinrichting bestaat uit oevers met een flauw talud, zodat de waterdiepte geleidelijk afneemt. Hiermee wordt een variatie aan vegetatietypen gestimuleerd. Door een inrichting van het watersysteem met een waterdiepte van minimaal 1 m wordt een robuust watersysteem gerealiseerd. De natuurvriendelijke oevers dragen bij aan de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Het plangebied is gesitueerd in een gebied met wateraanvoer waardoor de doorspoeling goed is. In combinatie met de aanstaande sanering van lozingen van de glastuinbouw zal de waterkwaliteit naar verwachting verbeteren. Beheer en onderhoud Alle hoofdwatergangen zijn in beheer en in onderhoud bij het HHSK. De gemeente is in principe verantwoordelijk voor het onderhoud van de overige watergangen en het beheer en onderhoud van de riolering en hemelwaterafvoer en de daarmee samenhangende kosten. De gemeente en het HHSK hebben afgesproken dat het dagelijks en buitengewoon onderhoud van alle watergangen bij wijze van pilot zal worden uitgevoerd door het HHSK.

Voorwaarde hierbij is dat alle watergangen vanaf de kant bereikbaar dienen te zijn voor onderhoud en dat een obstakelvrije onderhoudsstrook (breedte 5 m) aanwezig is over de volle lengte van de watergangen. Daarnaast dienen de kruisingen met wegen doorvaarbaar te zijn voor varend onderhoudsmaterieel. Ook dienen de bewoners te worden ingelicht over de plichten, geboden en verboden met betrekking tot het onderhoud en activiteiten ter plaatse van het aangrenzende open water (de toepassing van geschikte bouwmaterialen, de eisen ten aanzien van bebouwing en steigers etc.). In dit opzicht is de aanwezigheid van bomen en grote struiken langs de oevers in algemene zin niet gewenst omdat dit leidt tot te veel beschaduwing en overmatige bladval in het water. Bouwen langs of in de hoofdwatergang is niet toegestaan omdat dan de bereikbaarheid voor het onderhoud wordt belemmerd. Daarnaast zal de benodigde transportcapaciteit van de hoofdwatergang ontoelaatbaar worden beperkt indien bebouwing plaatsvindt. Opgemerkt wordt dat voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem vergunning dient te worden aangevraagd bij het HHSK op grond van de "Keur" (ex artikel 77 en 80 van de Waterschapswet). In de keur is ook geregeld dat "beschermingszone" voor watergangen in acht dienen te worden genomen.

Het komt erop neer dat binnen de beschermingszone vanaf de insteek van de watergang (bovenkant talud) enkele meters niets gebouwd en opgeslagen mag worden. De laatstgenoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Voor het afkoppelen en direct lozen op het oppervlaktewater dient bij het HHSK een vergunning te worden aangevraagd in het kader van de Waterwet. Conclusie Aan de door HHSK gestelde randvoorwaarden is voldaan in het bestemmingsplan en bij de inrichting van het plangebied.

36/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

Hoofdstuk 5 Milieu- en andere aspecten Het milieubeleid is primair bedoeld om een optimale leefomgeving te realiseren. Dit kan er soms toe leiden dat planologische of milieutechnische beperkingen dienen te worden opgelegd aan gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. In onderstaande worden de conclusies voor de verschillende aspecten beschreven. Een groot deel van dit hoofdstuk (paragrafen 5.2 t/m 5.9) is opgesteld door de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH). Het betreffende document is voor de volledigheid als Bijlage 4 bij de toelichting opgenomen. 5.1

Milieueffectrapportage

5.1.1 Wet- en regelgeving De wet- en regelgeving voor milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in de AMvB Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de Wet milieubeheer staan vooral de procedurele verplichtingen. In Besluit m.e.r. is opgenomen wanneer een m.e.r. verplicht is. Globaal zijn er 3 soorten m.e.r.. 1. Een plan-m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer: a. Het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor een (project-)m.e.r. noodzakelijk is, dan wel waarvoor beoordeeld moet worden of een (project-)m.e.r. noodzakelijk is. Dit zijn de activiteiten die genoemd zijn in kolom 1 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r. Voor activiteiten uit Bijlage D geldt de plan-m.e.r. plicht direct als ze groter is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2. Als ze kleiner is dan die drempelwaarden, wordt de plan-m.e.r. plicht bepaald door de vormvrije m.e.r.-beoordeling. b. De activiteiten in het bestemmingsplan leiden tot mogelijk significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden (passende beoordeling noodzakelijk). Bij een plan-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 3 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r.. 2. Een project- of besluit-m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer: a. De activiteit genoemd is in Bijlage C van het Besluit m.e.r.. b.

De initiatiefnemer of het bevoegd gezag besloten hebben dat voor een activiteit uit Bijlage D van het Besluit m.e.r. een milieueffectrapport opgesteld wordt, cq. moet worden. Bij een project- of besluit-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage C of D van het Besluit m.e.r. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een bestemmingsplan dat in directe zin woningbouw mogelijk maakt waarvoor een m.e.r.-plicht geldt, of om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een bedrijf (met aanzienlijke milieugevolgen). 3. Een m.e.r.-beoordeling is wettelijk verplicht voor de activiteiten in kolom 1 van Bijlage D van het Besluit m.e.r.. Als de activiteit groter is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D dient de in de wet milieubeheer beschreven m.e.r.-beoordelingsprocedure beschreven te worden. Als de activiteit kleiner is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D dient beoordeeld te worden of de in de Wet milieubeheer beschreven m.e.r.-beoordelingsprocedure al dan niet nodig is. Dit noemt men vormvrije m.e.r.-beoordeling. 37/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

Bij een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage 4 van het Besluit m.e.r. 5.1.2 Onderzoek Voor de beoordeling of een project m.e.r plichtig is kijk je of de activiteit is opgenomen in Bijlage II van het besluit m.e.r.. De ontwikkeling van De Triangel valt onder onderdeel D11.2 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Het oorspronkelijke plan maakt via een uitwerkingsplicht de bouw van 3000 woningen met voorzieningen mogelijk. Dat ligt boven de drempelwaarde van 2000 woningen. Het is een kaderstellend plan, daarom is in 2005 een plan-m.e.r. opgesteld, zie bijlagen bestemmingsplan Triangel 12 december 2008. Het vigerende bestemmingsplan Triangel is kaderstellend voor de latere uitwerkingsplannen. Voor deze plannen wordt per geval bekeken of een project-m.e.r. nodig is. Hiervoor wordt een m.e.r.-beoordeling gedaan. Intussen is een groot deel van het bestemmingsplan uitgewerkt en gerealiseerd (ongeveer 2000 woningen). Dit uitwerkingsplan Plan G3 betreft een woonbestemming en een maatschappelijke bestemming. Er is een m.e.r beoordeling uitgevoerd waarbij wordt nagegaan of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. In de m.e.r.

beoordeling is getoetst aan de selectiecriteria uit de Europese richtlijn, Bijlage III (Richtlijn 2001/42/EG): kenmerken van het project plaats van het project kenmerken van potentieel effect Tabel 4.1 Vormvrije mer beoordeling Projectnaam 1 kenmerken van het project Omvang van het project (relatie met drempel D lijst)

Cumulatie met andere projecten Gebruik natuurlijke hulpbronnen Productie van afvalstoffen Verontreiniging en hinder

2 Plaats van het project Bestaand grondgebruik

Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratieve vermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied

Bestemmingplan Park Triangel G3 Het plan maakt mogelijk de realisatie van 100 woningen en maatschappelijk bestemming Dat alles valt te zien als een stedelijk ontwikkelingsproject als vermeld in bijlage D van het bersluit m.e.r (D11.2). Geen Gebruik bouwmaterialen tijdens de bouw. Dit zou bij andere locaties niet anders zijn Huishoudelijk afval, afvalwater. De woningen en maatschappelijke bestemming zijn gasloos en veroorzaken geen CO2 uitstoot. De verontreiniging van het verkeer zal alleen optreden tgv het verkeer, deze verontreiniging is beperkt gezien de kenmerken van de omgeving. Planologisch is het een gebied met uit te werken woonbestemming, fysiek is nu niets meer aanwezig in het gebied. Geen

38/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

Opnamevermogen milieu met aandacht voor wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, HA/ Richtlijnengebied, gebieden waar milieunormen worden overschreden, gebieden met hoge bevolkingsdichtheid, landschappelijk historische cultureel of archeologische gebieden van belang

3) kenmerken van potentieel effecten Bereik van het effect (Geografisch en grootte getroffen bevolking)

Grensoverschrijdend karakter Orde van grootte en complexiteit effect Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect

Plan G3 ligt niet in of nabij aandachtgebieden: In de omgeving van het plangebied liggen de volgende beschermde natuurgebieden: De Wilck, Nieuwkoopse plassen & De Haeck, Broekvelden-Vettenbroek & polder Stein. Alle eerder genoemde gebieden worden niet aangetast door uitwerkingsplan Triangel G3. Cultuurhistorie: het plangebied is niet uniek en veel voorkomend in Zuid Holland Archeologie waarden worden beschermd Geen overschrijding normen luchtkwaliteit in en rond plangebied

Externe effecten Kleine toename van verkeer deze is opgenomen in de reguliere verkeersmodellen, in de onmiddellijke nabijheid is Openbaar vervoer aanwezig. Effecten binnen plangebied Geen Nee De effecten zijn niet bijzonder groot en niet complex Verbruik van bouwmaterialen is eenmalig. Overige effecten zijn permanent, Verwerking afval en productie CO2 en luchtverontreiniging kan met nieuw technologie op termijn worden verminderd

5.1.3 Conclusie Voor alle milieuaspecten wordt gemotiveerd aangegeven dat er geen nadelige gevolgen voor het milieu optreden ten gevolge van de ontwikkeling van G3, er is geen m.e.r plicht. 5.2

Geluid

Dit hoofdstuk geeft een samenvatting van de rapportage opgesteld door de Omgevingsdienst Midden-Holland “Akoestisch onderzoek wegverkeers- en spoorweglawaai t.b.v. deelplan G3 Park Triangel in Waddinxveen” van 11-05-2020 met referentie 2020116562. Zie Bijlage 6. 5.2.1

Wet- en regelgeving

5.2.1.1 Wet geluidhinder Onderzoekplicht Wanneer dient vanuit de Wet geluidhinder een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden? Voor wegverkeerslawaai via artikel 77; Voor spoorweglawaai via artikel 105. Wegverkeerslawaai Een weg heeft in de zin van de Wet geluidhinder een zone wanneer de maximaal toegestane rijsnelheid hoger is dan 30 km/u. Zogenaamde 30 km/u wegen vallen buiten het regime van de Wet geluidhinder. Een weg heeft aan beide zijden een zone die zich uitstrekt vanaf de uiterste rand van de weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg in buitenstedelijk of binnenstedelijk gebied, zie artikel 74 van de Wgh. 39/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

Op grond van artikel 82 lid 1 Wgh bedraagt de voorkeursgrenswaarde op de gevels van geluidsgevoelige bestemmingen 48 dB. Als de berekende geluidsbelasting van de weg(en) op de nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen hoger is dan de voorkeursgrenswaarde, dan moeten maatregelen worden getroffen om hieraan alsnog te kunnen voldoen. Als maatregelen niet mogelijk zijn of stuiten op zwaarwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard, dan is het college van burgemeester en wethouders bevoegd tot het vaststellen van een hogere grenswaarde conform artikel 83 van de Wgh. De ten hoogst vast te stellen hogere waarde voor deze ontwikkeling bedraagt voor deze ontwikkeling 53 dB voor de rijkswegen en 63 dB voor de overige wegen. In artikel 110g Wgh jo artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 staat dat het berekende geluidsniveau ten gevolge van het wegverkeerslawaai moet worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. In het akoestisch onderzoek is hiermee rekening gehouden. Spoorweglawaai De zonebreedte van spoorwegen zijn vastgesteld op basis van de hoogte van het GPP's (Geluid Productie Plafonds) uit het Geluidregister Spoor. Uit artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder valt de breedte van de zones van spoorweg af te leiden.

Op grond van artikel 105 van de Wet geluidhinder zijn in het Besluit geluidhinder (Bgh) normen opgenomen. De voorkeursgrenswaarde bedraagt 55 dB op grond van artikel 4.9 van het Bgh. De maximale waarde bedraagt 68 dB op grond van artikel 4.10 van het Bgh. Cumulatie Bij wijziging of vaststelling van een bestemmingsplan binnen zones van meerdere geluidsbronnen dient, op grond van het gestelde in artikel 110f van de Wet geluidhinder, onderzoek te worden gedaan naar de cumulatieve geluidsbelasting vanwege de verschillende geluidsbronnen. In het akoestisch onderzoek is dit conform het bovenstaande uitgevoerd.

5.2.1.2 Hogere waarde en gemeentelijk hogere waardenbeleid Op 5 maart 2019 heeft de gemeente Waddinxveen de Beleidsregel Hogere waarden, 2018 regio Midden-Holland van 8 oktober 2018 vastgesteld. In deze beleidsregel staan voorwaarden weergegeven waaronder burgemeester en wethouders een hogere waarde mogen verlenen. In tabel 4.2.1 is het toetsingskader van het gemeentelijk hogere waarden beleid opgenomen (voor wegverkeerslawaai). Tabel 4.2.1 Toetsingskader Wet geluid hinder Geluidsbelasting Wegverkeer Spoorweg = 48 dB = 55 dB 48-53 dB

55-60 dB

> 53 dB Rijkswegen

-

53-63 dB

60-68 dB

Voorwaarden Hogere Waarde beleid Voldoet aan voorkeursgrenswaarde geen hogere waarde nodig en geen aanvullende voorwaarden vereist. Hogere grenswaarde nodig, geen aanvullende voorwaarden vereist. Overschrijding maximale grenswaarden, bouwen niet mogelijk anders dan met dubbele gevel, vliesgevel of dove gevel. Aanvullende voorwaarden voor wat betreft de geluidsluwe gevel en geluidsluwe buitenruimte en maximaal 1 dove gevel. Hogere grenswaarden nodig én aanvullende voorwaarden zoals geluidsluwe gevel en geluidsluwe buitenruimte vereist.

40/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

5.2.1.3 Beoordeling woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening is inzicht vereist in de geluidsbelasting ter plaatse van het plangebied. De cumulatieve geluidsbelasting geeft een indicatie voor de te verwachten geluidshinder. In het akoestisch onderzoek is de cumulatieve geluidsbelasting bepaald volgens de methode “Miedema”. 5.2.2 Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat de woningen binnen deelgebied G3 worden belast door de rijkswegen A12 en A20, de Zuidelijke Rondweg en de spoorbaan Gouda – Alphen aan den Rijn.

Wegverkeerslawaai De geluidsbelastingen ten gevolge van de rijksweg A12 en de A20 komt ter plaatse van een deel van de gevels uit boven de maximale grenswaarde van 53 dB. De geluidsbelasting ten gevolge van de Zuidelijke Rondweg en de N451 is alleen ter plaatse van de bouwvlakken 1 en 2 relevant. Uit het onderzoek blijkt dat maatregelen ter reductie van de geluidsniveaus stuiten op bezwaren van financiële, landschappelijke en verkeerskundige aard. Dit volgt voor een groot deel uit het feit dat zowel voor de A12 als de Zuidelijke Rondweg al maatregelen zijn voorzien. Spoorweglawaai Ten gevolge van de spoorbaan Gouda – Alphen aan den Rijn wordt ter plaatse van alle gebouwen de voorkeursgrenswaarde van 55 dB overschreden. De maximale grenswaarde van 68 dB wordt echter niet overschreden. Maatregelen Maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting ten gevolge van de (spoor)wegen stuiten op bezwaren van financiële, landschappelijke en verkeerskundige aard. Deels omdat reeds maatregelen zijn voorzien langs de A12 en de N451 (geluidsschermen) en omdat de Zuidelijke Rondweg wordt voorzien van stil asfalt (SMA NL 8 G+ of gelijkwaardig) en deels omdat maatregelen niet doelmatig zijn. Vast te stellen hogere waarden Wet geluidhinder Tabel 4.2.2 geeft een overzicht van de vast te stellen hogere waarden wegverkeers- en spoorweglawaai voor deelplan G3 van Park triangel.

Tabel 4.2.2: Vast te stellen hogere waarden Bestemming Omschrijving Appartementen bouwvlak 1 Appartementen bouwvlak 2 Appartementen begane grond bouwvlak 3 Appartementen 1e, 2e, 3e en 4e verdieping bouwvlak 3 Appartementen begane grond bouwvlak 1,2 en 3 Appartementen 1e, 2e, 3e en 4e verdieping bouwvlak 1, 2 en 3 Appartementen bouwvlak 1 Appartementen 2e verdieping bouwvlak 1 Appartementen 3e verdieping bouwvlak 1 41/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

Geluidsbron

Hogere waarden [dB]

Aantal 25 A12 40 A12 7 A12 28 A12

53 53 52 53

20

A20

51

80

A20

53

25 5 5

Zuidelijke Rondweg N451 N451

52 49 50

Appartementen 4e verdieping bouwvlak 1 Appartementen 4e verdieping bouwvlak 2 Bouwvlak 4, bestemming maatschappelijk Bouwvlak 4, bestemming maatschappelijk Appartementen 4e verdieping bouwvlak 1

5 5 1 1 5

Appartementen begane grond bouwvlak 2

8

Appartementen 1e verdieping bouwvlak 2

8

Appartementen 2e, 3e en 4e verdieping bouwvlak 24 2 Appartementen begane grond bouwvlak 3 7 Appartementen 1e, 2e, 3e en 4e verdieping bouwvlak 3 Bouwvlak 4, bestemming maatschappelijk

28 1

N451 N451 A12 A20 Spoor Gouda-Alphen Spoor Gouda-Alphen Spoor Gouda-Alphen Spoor Gouda-Alphen Spoor Gouda-Alphen Spoor Gouda-Alphen Spoor Gouda-Alphen

51 49 53 53 56 57 58 59 62 63 67

Aan het hogere waarden besluit en in de regels van het bestemmingsplan zullen voorwaarden worden verbonden ten einde een goed woon- en leefklimaat in de woningen te garanderen. Figuur 4.2.3 geeft een overzicht van de delen van de gebouwen (dus ook met bestemming maatschappelijk) waar de geluidsbelasting hoger is dan de maximale grenswaarde. Deze delen van de gebouwen moeten dus zonder te openen delen (ten hoogste 1 per woning conform de beleidsregel) worden uitgevoerd (of voorzien van maatregelen). In de figuur is aangegeven: Bruin = Vanaf de 1e verdieping zonder te open delen. Geel = Vanaf de 2e verdieping zonder te open delen. Blauw = Vanaf de 4e verdieping zonder te open delen.

42/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

Figuur 4.2.3: Overzicht gevels zonder te open delen Los van het bovenstaande dienen alle woningen en het gebouw op het bouwvlak met de bestemming maatschappelijk te beschikken over een geluidsluwe gevel en als een buitenruimte aanwezig is, dient deze ook geluidsluw te worden uitgevoerd. Gecumuleerde geluidsbelasting De gecumuleerde geluidsbelasting conform de Wgh bedraagt ten hoogste 61 dB. De gecumuleerde geluidsbelasting bedraagt meer dan de hoogst toelaatbare geluidsbelasting volgens artikel 83 van de Wgh voor rijkswegen. Dit wordt acceptabel geacht omdat bij alle appartementen maatregelen worden getroffen, en de maatregelen worden als voorwaarde opgenomen in het hogere waarden besluit en in de regels van het bestemmingsplan. Woon- en leefklimaat Het woon- en leefklimaat binnen deelplan G3 is bepaald door middel van de methode Miedema. Hieruit blijkt dat het woon- en leefklimaat tamelijk slecht is. De typering van het woon- en leefklimaat is passend voor een woonwijk gelegen op korte afstand van (snel)wegen.

43/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

5.2.3 Trillingen ten gevolge van de spoorbaan In opdracht van de gemeente heeft Fugro NL Land B.V. op 13 december 2018 de rapportage 'Trillingsonderzoek Park De Triangel' uitgevoerd ten behoeve van de uitwerkingsplannen Park Triangel J en G1+G2. Binnen deze plannen zijn woningen op een kortere afstand van het spoor gelegen dan de woningen uit het voorliggend plan. In het rapport worden de onderstaande conclusies getroffen:

Kortste afstand van multifunctioneel gebouw tot spoor is circa 20 meter en de kortste afstand van de appartementen tot de spoor is circa 40 meter. Gelet op de afstanden van de woningen uit dit plan tot het spoor wordt voor dit plan ook niet verwacht dat noch risico op schade nog hinderbeleving zal optreden. 5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1 Wet- en regelgeving Als mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). De grenzen voor deze stoffen staan in onderstaande tabel. Tabel 4.3.1 Grenswaarden Wet luchtkwaliteit jaargemiddelde NO2

40 µg/m3

PM10

40 µg/m3

PM2,5

25 µg/m3

Uurgemiddelde 24-uurgemiddeld Opmerking e 200 µg/m3 n.v.t Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden n.v.t 50 µg/m3 24 uurgemiddelde mag 35x per jaar worden overschreden n.v.t n.v.t -

44/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijk plan of project doorgang kan vinden als: a. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt; b. b. de luchtkwaliteit ten gevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; c. c. een project “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 ìg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld.); d. d. een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). (Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen). Regeling NIBM De Ministeriële Regeling NIBM geeft een uitwerking aan het Besluit NIBM en een getalsmatige invulling van de NIBM-grens. Voor een aantal categorieën van projecten kan met zekerheid worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een luchtkwaliteit onderzoek niet meer nodig is: Woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Woningbouw en kantoorlocaties: 0,0008*aantal woningen+ 0,000012*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg en 0,0004*aantal woningen+ 0,000006*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg. De NIBM regels gelden niet voor PM2,5. Aan de grenswaarde voor PM2,5 moet dus wel worden getoetst. PM2,5 is een fractie van PM10. Als aan de normen voor PM10 wordt voldaan wordt ook aan de norm voor PM2,5 voldaan.

45/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

5.3.2 Onderzoek Het plan maakt onderdeel van het IBM-project “Woonwijk Triangel” dat onder nummer 1489 in het NSL is opgenomen. De NSL-melding betreft de realisatie van in totaal 3000 woningen in de periode van nu tot 2030. In de Monitoringstool (de rekenkundige onderbouwing van het NSL) is in de voor de luchtkwaliteit berekeningen gebruikte verkeersgegevens ook rekening gehouden met de realisatie van deze woningen. Het betreft hierbij gegevens uit het Regionaal Verkeersen Milieumodel Midden-Holland (RVMH), versie 2.5 voor de prognose over 2020 en 2030 en van versie 2.2 voor de concentratieberekening in 2015. Het onderhavige plan maakt onderdeel uit van het IBM-project en is ten opzichte van de NSL-melding niet gewijzigd. Hiermee kan gesteld worden dat op grond van artikel 5.16, eerste lid, onder d, Wm (“grondslag NSL”) voldaan wordt aan de eisen van de Wet Luchtkwaliteit. Nader onderzoek naar de bijdrage aan de luchtverontreiniging ten gevolge van de planontwikkeling is om deze reden niet noodzakelijk. PM2,5 en PM10 Per 1 januari 2015 is de grenswaarde voor PM2,5 inwerking getreden. In het globale bestemmingsplan Triangel uit 2008 was onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit concentraties voor NO2 en PM10.

Uit de luchtonderzoeken in het bestemmingsplan Triangel 2008 blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling in het bestemmingsplan Triangel voldoet aan de grenswaarden voor NO2 en PM10. Als voldaan wordt aan de grenswaarden voor PM10 dan wordt ook voldaan aan de grenswaarden voor PM2,5. Ondanks dat het rapport van 2008 is kan deze regel nog steeds worden gehanteerd. Er is van het plangebied een uitsnede gemaakt uit de NSL monitoringstool. In figuur 4.1 zijn de rekenpunten voor luchtkwaliteit in de omgeving van het plangebied opgenomen. Op alle meetpunten in de omgeving is de concentratie N02 en PM10 < 35 ìg/m3 en de PM 2,5 < 20 ìg/m3. Deze luchtkwaliteit concentraties zijn lager dan de grenswaarden zoals in voorgaande tabel.

Figuur 4.3.1 meetpunten uit de NSL-monitoringstool In navolgende tabel 4.3.2 is een rekenpunt op de kruising van de zuidelijke rondweg en het spoor genomen aan de rand van het plangebied. Dit rekenpunt is met rode pijl aangegeven op de figuur op de vorige pagina. De berekende concentraties liggen ruim onder de grenswaarden en hiermee is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

46/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

Grenswaarde (µg/m3) Berekende concentratie (µg/m3) NO2 40 15,7 PM10 40 16,1 PM2,5 25 8,7 Tabel 4.3.2, Concentratie van NO2, PM10 en PM 2,5 in ìg/m3. De gemeenteraad heeft een onderzoek laten uitvoeren waarin inzichtelijk is gemaakt wat de bijdrage is van wegverkeer, intensieve veehouderij, huishoudens, geplande biomassacentrales, tuinbouwbedrijven, industrie en scheepvaart op de luchtkwaliteit. Alle bronnen worden op afzonderlijke kaartlagen in beeld gebracht en ook de totale concentratie. In de raadsvergadering van 27 november 2019 zijn de onderzoeksresultaten van het rapport “Inzicht in de lokale luchtkwaliteit van Waddinxveen, Huidige situatie en doorkijk naar 2030 ”projectnummer 1267924, TAUW d.d. 26 november 2019 met de gemeenteraad gedeeld. De onderzoeksresultaten uit het rapport komen overeen met de resultaten uit het NSL. 5.3.3 Conclusie Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan voldoet uit het oogpunt van luchtkwaliteit aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. 5.4

Bedrijven en milieuzonering

5.4.1 Wet- en regelgeving Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Door aanwezigheid van bedrijven kan mogelijk hinder voor de omgeving ontstaan met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Activiteitenbesluit milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Bedrijven en Milieuzonering geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten. Bij de beoordeling worden ook normen uit de Wet milieubeheer en Activiteitenbesluit milieubeheer betrokken. De richtafstanden in de richtlijn Bedrijven en Milieuzonering 2009 van de VNG gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bijvoorbeeld bedoeld met de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype “gemengd gebied” kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. Dit omgevingstype en bijbehorende systematiek zullen dan wel in het bestemmingsplan moeten worden vastgelegd.

In tabel 4.4 zijn de richtafstanden uit de VNG richtlijn opgenomen voor een rustige woonwijk en gemengd gebied. Milieucategorie van bedrijf

Richtafstand rustige woonwijk (meter) 1 10 2 30 3.1 50 3.2 100 4.1 200 Tabel 4.4, richtafstanden volgens VNG richtlijn

Richtafstand gemengd gebied (meter) 0 10 30 50 100

5.4.2 Onderzoek In onderstaand onderzoek is alleen de bedrijvigheid buiten het plangebied onderzocht, omdat dit plan geen bedrijvigheid mogelijk maakt. Daarbij hoort volgens de VNG handreiking Bedrijven en Milieuzonering de volgende aanpak: 47/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

Nieuwe milieugevoelige functies nabij bestaande bedrijven In deze situatie dient primair te worden beoordeeld of hinder te verwachten is van de specifieke bestaande bedrijven. Deze beoordeling is met name gebaseerd op de Wet Milieubeheer en het Activiteitenbesluit. Daarnaast zal moeten worden meegewogen of ter plaatse van de nieuwe milieugevoelige functies bij eventuele vestiging van een nieuw bedrijf op het bestaande bedrijfsperceel een probleemsituatie ontstaat. Deze afweging vindt met name plaats op basis van de richtafstanden van Bedrijven en Milieuzonering. Rondom het plangebied zijn de volgende bedrijfsmatige activiteiten aanwezig: Bestemmingsplan 'Triangel' Uit te werken bedrijfsgebied Naast de bedrijven in de omgeving heeft het bestemmingsplan Triangel 2008 een uit te werken bedrijfsgebied aan de zuidzijde van G3 opgenomen. Op de uit te werken bedrijfsbestemming worden maximaal bedrijven in de categorie 1 en 2 toegestaan. Bedrijven met maximaal categorie 2 zijn bedrijven met een richtafstand van 30 meter ten opzichte van een rustige woonwijk. De nieuwe woningen die mogelijk worden gemaakt in dit bestemmingsplan liggen op voldoende grote afstand van de uit te werken bedrijfsbestemmingsplan in deelgebied G3. Er is aldus geen sprake van belemmeringen. Wagro Bij de Wagro, Tweede Bloksweg 54 speelt het aspect geur een belangrijke rol.

De omgevingsvergunning onderdeel milieu voor het bedrijf is recent geactualiseerd. Uit deze omgevingsvergunning (2016257313) blijkt dat er geen geurcontour over het plangebied ligt. Voor de Wagro is een vergunning verleend voor een biomassacentrale (capaciteit 14,9 MW), deze vergunning is nog niet onherroepelijk (peildatum 7 juli 2020). Bij de aanvraag van de biomassacentrale (BMC) zijn berekeningen voor lucht en geur aangeleverd, deze voldoen aan de wettelijke richtlijnen. De afstand van de BMC tot de rand van het plangebied is ruim 700 meter. Een biomassa centrale heeft een milieucategorie 3.2, de richtafstand van een dergelijke BMC is 50 meter tot een gemengd gebied. De Wagro heeft een milieucategorie 4.1. Dit betekent dat op grond van de bedrijven en milieuzonering richtlijn de richtafstand 100 meter is tot een gemengd gebied. De meest bepalende richtafstand is voor het aspect geur. De afstand van het terrein van de inrichting Wagro tot aan het plangebied is ruim 500 meter. Deze afstand is groter dan de richtafstand van 100 meter die voor een rustige woonwijk van toepassing is. Doordat aan de richtafstanden wordt voldaan kan worden gesteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen in het plangebied G3. Omgekeerd wordt de Wagro niet belemmerd in zijn bedrijfsvoering door de komst van de woningen.

Coenecoop Het deelgebied G3 ligt langs de spoorlijn Alphen aan den Rijn en Gouda. In de directe omgeving van het plangebied, aan de oostelijke zijde van de spoorlijn is het bedrijventerrein “Coenecoop” gevestigd. Op bedrijventerrein Coenecoop is de vestiging van bedrijven met een milieucategorie 3.1, 3.2 en 4.1 mogelijk. Bevi bedrijven zijn niet toegestaan. Langs de rand van bedrijventerrein Coenecoop nabij de locatie G3 is tot en met milieucategorie 3.2 toegestaan. Dit betekent een richtafstand van 50 meter. De dichtstbijzijnde bedrijf ligt 68 meter ten opzichte van de woningen. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand van de VNG richtlijn. Hierdoor kan er vanuit worden gegaan dat de woningen niet gehinderd worden door de bedrijven op Coenecoop. Omgekeerd worden de bestaande bedrijven op de Coenecoop niet belemmerd door de woningbouw. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening en een goed woon- en leefklimaat. 48/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

Distripark Het Distripark ligt ten zuiden van de A12. Er is geen invloed van de bedrijvigheid van het Distripark op de woonbestemmingen binnen bestemmingplan Triangel. Op het Distripark staan vier windmolens. De invloed die de windmolens kunnen veroorzaken op ontwikkelingen die dit plan mogelijk maakt worden in de volgende paragraaf en in paragraaf 6 Externe Veiligheid beschreven. Windmolens In het Distripark zijn windmolens gerealiseerd. Windmolens kunnen in de omgeving overlast veroorzaken zoals slagschaduw, geluid en gevaar. Ten aanzien van schaduw, geluid en gevaar zijn voorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Om te kunnen waarborgen dat de bewoners van de woningen voor slagschaduw een acceptabel woon- en leefklimaat hebben is een onderzoek uitgevoerd ( Bijlage 7 Slagschaduwberekening). Uit dit onderzoek blijkt dat aan de zuidwestzijde van deelgebied G3 enkele woningen liggen waar de slagschaduw norm van 6 uur/ jaar op een receptorpunt wordt overschreden. Voor de overige woningen is dat 5 en 3 uur/jaar. Om te kunnen waarborgen dat de bewoners van deze woningen voor slagschaduw een acceptabel woon- en leefklimaat hebben zal bij de omgevingsvergunning een onderzoek naar slagschaduw moeten worden bijgevoegd.

In het slagschaduwonderzoek moet worden aangetoond dat in de woningen geen overschrijding van de slagschaduw norm van het Activiteitenbesluit plaats vindt. Het halen van de normen voor slagschaduw wordt mogelijk door het nemen van maatregelen aan de woningen en in de omgeving van de woningen. Om te kunnen borgen dat de bewoners niet geconfronteerd worden met een overschrijding van de norm voor slagschaduw uit het Activiteitenbesluit wordt in dit bestemmingsplan een planregel opgenomen die regelt dat bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen een onderzoek moet komen. Het onderzoek toont aan dat door middel van maatregelen aan de woningen en afschermende elementen in de omgeving wordt voldaan aan de normen van het Activiteitenbesluit voor slagschaduw. 5.4.3 Conclusie Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan met dien verstande dat ten behoeve van een aantal woningen in deelgebied G3 nader onderzoek plaats moet vinden ten aanzien van de slagschaduwwerking. Hiervoor is een planregel opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan.

49/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

5.5

Externe veiligheid

5.5.1 Wet- en regelgeving Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico's op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vormen op dit moment het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico's. Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden vastgelegd. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, etc.) worden de eventuele gevolgen van deze risico's zoveel mogelijk beperkt. Plaatsgebonden risico (PR) Als “harde” afstandseis” voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron). Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd. Groepsrisico (GR) Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedsgebied. Binnen dit invloedsgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 (zich binnen dit invloedsgebied bevindende) personen overlijdt ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron.

De hoogte van het GR moet door middel van een bestuurlijke afweging worden verantwoord. Als binnen het invloedsgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, geldt ook voor de hiermee samenhangende toename van het GR een bestuurlijke verantwoordingsplicht.

Omgevingsveiligheid onder de Omgevingswet (anticiperen op) Met de komst van de Omgevingswet (verwachting 01-01-2022) komt er ook een gemoderniseerde aanpak van het externe veiligheidsbeleid. Belangrijk element hierin is de introductie van zogenaamde aandachtsgebieden. Het uitgangspunt is dat mensen, zonder aanvullende maatregelen, binnen deze aandachtsgebieden onvoldoende zijn beschermd (ook binnen in huis). Het is aan de gemeente om de kernvraag te beantwoorden: Is de veiligheid voldoende gewaarborgd en zijn milieu en gezondheid voldoende beschermd? Om deze vraag te beantwoorden moet de gemeente de volgende punten overwegen: afstand houden tot de risicobron; risicocommunicatie; beperken personendichtheden in de omgeving van de risicobron; vlucht- en schuilmogelijkheden; omgevingsmaatregelen; aanvullende bouwmaatregelen (verplicht voor nieuwe 'zeer kwetsbare gebouwen', zoals basisscholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, enz.).

50/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

5.5.2 Onderzoek In 2011 is er voor het gehele plangebied Triangel een verantwoording groepsrisico opgesteld ('Verantwoording groepsrisico Triangel gemeente Waddinxveen, 23 december 2011', versie 8 juli 2014). Deze verantwoording is als basis gebruikt voor deze paragraaf. Inrichtingen Ten zuiden van de A12 bevinden zich 4 windturbines. Gezien de afstand tot het plangebied (minimaal 530 meter) vormen deze met het oog op de externe veiligheid geen belemmering voor het plangebied. Transport over de weg Ten zuiden van de deelplan G3 ligt de snelweg A12 (zie figuur ligging A12). Het plangebied is voor een heel klein deel binnen de 200 meter zone (explosieaandachtsgebied) van de A12 gelegen, maar de bestemming 'woongebied' is buiten deze zone gelegen.

Figuur Ligging A12 Provinciale wegen Ten zuiden van het plangebied is de provinciale weg N451 (parallelstructuur A12) gelegen op ongeveer 70 meter afstand. Gezien deze afstand is het plaatsgebonden risico 10-6/jaar geen belemmering voor het plangebied. Wel ligt het plangebied voor een groot deel binnen de 200 meter van de N451 (zie figuur Veiligheid provinciale wegen). Omdat het plan voor een deel binnen de 200 meter van de N451 is gelegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd moet het groepsrisico conform het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) worden verantwoord. Dit kan met een beknopte verantwoording, waarbij alleen hoeft te worden ingegaan op 'bestrijdbaarheid' en 'zelfredzaamheid' (art. 7 Bevt).

51/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

Figuur Veiligheid provinciale wegen In 2017 zijn er door de Omgevingsdienst Midden-Holland risicoberekeningen uitgevoerd in verband met het transport van gevaarlijke stoffen over de A12/A20/N451 en de mogelijke invulling van de zuid-oost hoek Triangel. Uit de berekeningen blijkt dat het groepsrisico in verband met de A12 en de A20 in de bestaande en toekomstige situatie gelijk is. Alleen het groepsrisico voor de parallelstructuur neemt iets toe. Dat is te verklaren, omdat de A20 verder weg is gelegen van het plangebied en heeft daarom geen significant effect op het groepsrisico. Het hoogste groepsrisico in verband met de A12 is niet ter hoogte van het plangebied, maar ter hoogte van de het Gouweaquaduct. Het plan heeft hier dus ook geen significant effect op het groepsrisico.

52/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

Omdat het plan voor een deel binnen de 200 meter van de N451 is gelegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd moet het groepsrisico conform het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) worden verantwoord. Dit kan met een beknopte verantwoording, waarbij alleen hoeft te worden ingegaan op 'bestrijdbaarheid' en 'zelfredzaamheid' (art. 7 Bevt). Zie hiervoor paragraaf 4.5.3. Transport over het spoor Ten oosten van het plangebied ligt de spoorlijn Gouda – Alphen aan den Rijn. Over deze spoorlijn worden geen relevante hoeveelheden gevaarlijke stoffen vervoerd. Deze spoorlijn vormt dus geen belemmering voor het plangebied. Transport per buisleiding Ten zuidoosten van het plangebied is de hogedruk aardgasleiding W-21-01 gelegen (zie figuur ligging buisleidingen). Deze gasleiding heeft een invloedsgebied (brandaandachtsgebied onder de Omgevingswet) van 140 meter. Het plangebied ligt op meer dan 140 meter afstand.

Figuur Ligging buisleidingen Transport over het water In de nabijheid van het plangebied liggen geen vaarwegen die relevant zijn in het kader van externe veiligheid.

53/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

5.5.3 Maatregelen externe veiligheid (verantwoording groepsrisico) Zoals voorgeschreven in artikel 7 van het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' moet worden ingegaan op 'bestrijdbaarheid' en 'zelfredzaamheid'. Hiervoor is er advies gevraagd aan de Veiligheidsregio. Dit advies van 23 februari 2021 (kenmerk D2021-02-000205) is terug te vinden in de Bijlagen bij de Toelichting, bijlage 11. Bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid Bluswatervoorzieningen moeten aangelegd worden conform de adviezen van de Veiligheidsregio. Wat betreft bereikbaarheid zijn in het 'Besluit Veiligheidsregio's' opkomsttijden aangegeven voor verschillende functies. Voor de Triangel wordt niet voldaan aan deze wettelijke opkomsttijden. De Veiligheidsregio adviseert om extra rookmelders in de diverse verblijfsruimten te plaatsen. Dit in het kader van een snelle alarmering bij een beginnende brand en daarmee de verkleining van de kans op slachtoffers. Ook kan overwogen worden om woningsprinklers aan te leggen. Uitschakelbare ventilatie Voor het gehele plangebied (dus ook de woningen) geldt dat het toxisch scenario relevant is, omdat bij een incident giftige stoffen zich over grote afstand kunnen verspreiden. Gebouwen waar mensen verblijven moeten worden voorzien van de mogelijkheid om de mechanische ventilatie met één druk op de knop uit te schakelen.

Hiermee wordt voorkomen dat bij een incident toxische (rook)gassen naar binnen worden gezogen. Deze maatregel zal in de omgevingsvergunningen (activiteit bouwen) worden opgenomen. Deze maatregel is ook als verplichting opgenomen in het 'Besluit bouwwerken leefomgeving' onder de Omgevingswet (art. 4.124, lid 4). Investeren in risicocommunicatie Door te communiceren over de mogelijke scenario's in een gebied worden mensen zich meer bewust van wat ze moeten doen bij het scenario van een toxische wolk (naar binnen, ramen en deuren sluiten en de mechanische ventilatie uitschakelen). Dit kan bijvoorbeeld door middel van een instructiekaart in de meterkast worden gecommuniceerd. Voor het multifunctionele gebouw moet het scenario van een toxische wolk worden opgenomen in de bedrijfsnoodplannen. 5.5.4 Conclusie In het kader van de te verlenen omgevingsvergunning bouwen moet, in overleg met de Veiligheidsregio, nader worden ingegaan op de bereikbaarheid van het plangebied (niet voldoen aan de wettelijke opkomsttijden) en uitschakelen mechanische ventilatie. Het gaat om de volgende maatregelen: e. Extra rookmelders plaatsen in diverse verblijfsruimten (eventueel installeren van woningsprinklers); f. Woningen en multifunctionele gebouw uitvoeren met de mogelijkheid om de mechanische ventilatie met één druk op de knop uit te kunnen schakelen.

54/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

5.6

Bodem

5.6.1 Wet- en regelgeving Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Als bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft (Wbb): Niet saneren Als de verontreiniging voor het beoogde doel niet hoeft te worden gesaneerd kan het ruimtelijke plan voor wat betreft deze verontreiniging zonder meer doorgang vinden. Saneren Als de verontreiniging moet worden gesaneerd dient een saneringsplan te worden opgesteld en ingediend te worden bij de Omgevingsdienst Midden-Holland. In sommige gevallen kan worden volstaan met het indienen van een BUS-melding (Besluit Uniforme Saneringen). Na goedkeuring door het bevoegd gezag kan de sanering doorgang vinden. Na afloop dient de sanering te worden geëvalueerd en ook dit verslag dient ter goedkeuring te worden voorgelegd. Tijdens de saneringsprocedure kan de ruimtelijke procedure worden voortgezet.

Echter, een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen kan pas inwerking treden nadat is vast-gesteld dat er geen sprake is van een ernstige en spoedeisende sanering (art. 6.2. c. Wabo). Een onderzoeks- en saneringstraject heeft soms grote financiële consequenties voor de beoogde plannen. Enerzijds omdat de kosten van sanering hoog kunnen zijn, anderzijds omdat deze trajecten van grote invloed kunnen zijn op de planning. In het kader van de Grondexploitatiewet dienen deze kosten tijdig in kaart te worden gebracht. Het is daarom aan te bevelen al in een vroeg stadium van planvorming (historisch) bodemonderzoek voor het hele plangebied uit te voeren. Deze bodemonderzoeken zijn ook noodzakelijk bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen. Bij de realisatie van ruimtelijke plannen is vaak grondverzet noodzakelijk. Dit grondverzet is middels het Besluit bodemkwaliteit aan regels gebonden. De gemeente Waddinxveen beschikt over een vastgestelde bodemkwaliteitskaart en bijbehorende Nota Bodembeheer. Uitgangspunt is dat bij hergebruik van grond de kwaliteit moet aansluiten bij de functie ter plaatse. Nagenoeg alle grondverzet dient te worden gemeld bij het Meldpunt Bodemkwaliteit (www.meldpuntbodemkwaliteit.nl). Daarnaast dient te worden aangesloten aan de vigerende wetgeving ten aanzien van PFAS.

5.6.2 Onderzoek Van het plangebied is aan de hand van een recent uitgevoerd historisch bodemonderzoek alle relevante bodeminformatie verzameld. In de volgende paragraaf wordt de bekende bodeminformatie besproken. In Bijlage 5 Bodeminformatiekaart en historisch Bodemonderzoek is de bekende bodeminformatie van het plangebied op tekening weergegeven. Omdat de voorgaande uitgevoerde bodemonderzoeken ouder zijn dan 5 jaar is voor het huidige plangebied een actualiserend historisch bodemonderzoek uitgevoerd door Ingenieursbureau Land (kenmerk R01-77878.12-TST, d.d. 16 juni 2020).

55/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

5.6.3 Resultaten Tanks Uit het onderzoek blijkt dat er binnen het plangebied geen ondergrondse tanks aanwezig zijn (geweest). Voormalige bedrijven Uit het onderzoek blijkt dat er in het verleden binnen het plangebied geen bedrijven aanwezig zijn geweest. Huidige bedrijven Uit het onderzoek blijkt dat er binnen het plangebied geen bedrijven aanwezig zijn. Gedempte sloten Uit het onderzoek blijkt dat binnen het plangebied gedempte sloten aanwezig zijn. Uit vergelijking van historische kaarten blijkt dat er in het verleden binnen het plangebied meerdere sloten en een watergang aanwezig zijn geweest. De sloten zijn gedempt rond 1940 toen de westelijk gelegen spoorlijn (buiten het plangebied) is gerealiseerd. De watergang is in de jaren 80 van de vorige eeuw gedempt. De samenstelling van het dempingsmateriaal is deels onbekend. Bodemonderzoekslocaties Uit het onderzoek blijkt dat overlappend met het plangebied een bodemonderzoekslocatie aanwezig is. De status van deze locatie is dat er voldoende onderzoek is uitgevoerd. Het laatste onderzoek dat voor de locatie is uitgevoerd is van juni 2006. Tijdens de voorgaande bodemonderzoeken en het locatiebezoek is puinhoudende grond aangetroffen. Deze puinhoudende grond is destijds niet analytisch op asbest onderzocht. Als op locaties waar woningen wordt gebouwd, puinhoudende grond aanwezig is, moet locatie op asbest te worden onderzocht.

Grondverzet De gemiddelde bodemkwaliteit op onverdachte percelen binnen het plangebied is vastgelegd in de bodemkwaliteitskaart. Het plangebied is gelegen in zone 7 (Recente uitbreidingen). De gemiddelde kwaliteit van de bovengrond (0,0 - 0,5 m -mv) en ondergrond (0,5 – 2,0 m -mv) voldoet aan de klasse Landbouw/natuur. Dit betekent dat vrijkomende grond van onverdachte locaties zonder keuring in de gehele regio Midden-Holland kan worden hergebruikt op basis van de Nota bodembeheer Midden-Holland. Daarnaast dient te worden voldaan aan de vigerende wetgeving ten aanzien van PFAS. NGE (niet gesprongen explosieven) In 2012 is historisch vooronderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van NGE voor het grondgebied van de gemeente Waddinxveen. Hieruit blijkt dat het plangebied verdacht is voor het voorkomen van NGE wat betreft kleinkaliber en geschutmunitie tot 20mm en afwerpmunitie. Bij de omgevingsvergunning bouwen moet dit als aandachtspunt meegenomen worden.

56/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

Figuur 4.6 Kaart niet gesprongen explosieven (rood kleinkaliber en geschutmunitie, blauwe strepen afwerpmunitie) Overig Uit het historisch onderzoek blijk dat tijdens het locatiebezoek verdachte bronnen zijn waargenomen. Het betreft de volgende bronnen: Restanten van een gesloopte schuur. Van deze voormalige schuur zijn geen gegevens bekend. Dammen ter plaatse van de toegangen naar de percelen. De dammen zijn mogelijk met asbesthoudend puinmateriaal aangelegd. 5.6.4 Conclusie Ten aanzien van de geplande bestemmingswijziging en herinrichting is de bodem van de locatie momenteel voldoende onderzocht. Op basis van de huidige gegevens kan worden geconcludeerd dat er binnen het plangebied geen grootschalige bodemverontreinigingen zijn te verwachten die een mogelijke belemmering zijn voor de bestemming van het gebied. Als echter nieuwbouw plaats vindt (aanvraag van een omgevingsvergunning in kader van de bouw) dan is afhankelijk van de ligging van de nieuwbouw mogelijk meer bodemonderzoek noodzakelijk. Bij nieuwbouw dient bij de voormalige schuur een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 te worden uitgevoerd. Ter plaatse van de dammen en de puinhoudende grond dient een indicatief (asbest-)bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

57/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

5.7

Archeologie

5.7.1 Wet- en regelgeving Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als zeer waardevol beschouwd: archeologisch erfgoed betreft onvervangbaar onderdeel van ons cultureel erfgoed. De Erfgoedwet legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed bij de gemeente. De taken in het kader van de Erfgoedwet behelzen o.a. het meewegen van archeologie in de besluiten op het gebied van de Ruimtelijke Ordening (zoals omgevingsvergunning) en de koppeling tussen bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen. De Erfgoedwet verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De feitelijke bescherming daarvan krijgt gestalte door het opnemen van voorschriften in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van een omgevingsvergunning voor bodemverstorende activiteiten in die gebieden die als archeologisch waardevol zijn aangemerkt. Deze voorschriften kunnen betrekking hebben op archeologisch vooronderzoek dat de aanvrager van de vergunning moet laten uitvoeren. Aan de vergunning zelf kunnen aanvullende voorwaarden worden verbonden, met als uiterste de verplichting tot planaanpassing of het laten verrichten van een opgraving. De gemeente Waddinxveen heeft een eigen vastgesteld archeologiebeleid (november 2012).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10222569/1