CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Triangel Zuid-Oost_Toelichting.pdf

Besluitvormende raadsvergadering 23 juni 2021, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: RV.RB Vaststellen bestemmingsplan Triangel Zuid-Oost22.467 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Er is een beleidsadvieskaart gemaakt waar per gebied is aangegeven of en wanneer archeologisch (voor)onderzoek verplicht is. Wanneer een archeologisch onderzoek niet verplicht is, zijn er geen belemmeringen van archeologische aard voor de voorgenomen ontwikkelingen. Wanneer een archeologisch onderzoek verplicht is, dienen verschillende stappen van onderzoek en besluitvorming gevolgd te worden. Deze stappen worden beschreven in de cyclus van de Archeologische Monumentenzorg. In 2018 is de archeologische beleidsadvieskaart geactualiseerd en opgenomen in het bestemmingsplan Parapluplan Archeologie en Parkeren (vastgesteld op 19 september 2018).Op basis van archeologisch onderzoek en nieuwe informatie over de ondergrond zijn zones met een archeologische verwachting opnieuw vastgesteld. 5.7.2 Onderzoek In het kader van het bestemmingsplan Triangel, deelgebied G3, wordt inzicht gegeven in de verwachtingswaarden en bijbehorend beleid in het bestemmingsplangebied. Hiervoor zijn de volgende bronnen geraadpleegd: de gemeentelijke beleidsadvieskaart/Parapluplan Archeologie en Parkeren (september 2018);

58/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

5.7.3 Resultaten In figuur 4.7 is een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Waddinxveen weergegeven. Het plangebied valt in een gebied met een lage archeologische verwachting en volgens de beleidsadvieskaart zijn gebieden met een lage verwachting vrijgesteld van archeologische dubbelbestemming en een onderzoeksplicht.

Figuur 4.7: Uitsnede uit beleidsadvieskaart: rode contour: plangebieden G3 (1= locatie woningbouw; 2= locatie bedrijventerrein); gele ondergrond: gebied vrijgesteld van archeologisch onderzoek. In het kader van het moederplan Triangel is in 2004 een grootschalig archeologische booronderzoek uitgevoerd (adviesbureau RAAP, rapport 1031). In 2012 is een grootschalig bureauonderzoek uitgevoerd naar eventuele resten van een Duitse tankgracht (adviesbureau RAAP, rapport 4330). Uit beide onderzoeken blijkt dat binnen het plangebied G3 de kans zeer gering is op de aanwezigheid van intacte waardevolle archeologische resten. Op basis van deze gegevens geldt voor het plangebied een lage archeologische verwachting.

59/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

5.7.4 Conclusie Voor het plangebied geldt een lage archeologische verwachting. Daarom is een archeologische dubbelbestemming en/of een onderzoek niet meer nodig. Met inachtneming van het bovenstaande kan het bestemmingsplan voor het aspect archeologie worden vastgesteld. Als (graaf) werkzaamheden plaatsvinden over een oppervlakte groter dan 1.000 m² en dieper dan 2,5 m dan is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Bij werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden geldt in ieder geval het volgende: Ook als archeologisch onderzoek niet verplicht is, kunnen archeologische resten toch nog aanwezig zijn. Mocht blijken bij uitvoer dat deze aanwezig zijn, dient het bevoegd gezag (zijnde gemeente Waddinxveen) meteen op de hoogte gesteld te worden en een beslissing te nemen over hoe om te gaan met de resten. Dit conform paragraaf 5.4, artikel 5.10 van de Erfgoedwet. 5.8

Ecologie

5.8.1 Wet- en regelgeving Om natuurwaarden in Nederland te beschermen gelden de landelijke wetten: de Wet natuurbescherming (Wnb), Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) en de Wro (Natuurnetwerk Nederland, voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Deze wetgeving is voor een deel verwerkt in provinciaal beleid, te weten: Verordening uitvoering Wet natuurbescherming (2016) en Beleidsregel Wet natuurbescherming (2016), Omgevingsverordening Provincie Zuid-Holland (2019); natuurbeheerplan 2020 en Provinciaal Compensatiebeginsel 2013. Wet natuurbescherming (Wnb) Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) van kracht. De wet maakt onderscheid tussen gebieds-, soorten- en houtopstandenbescherming. Het beschermingsregime gaat uit van het “nee, tenzij-principe“. Dit betekent dat de genoemde bepalingen in de Wnb verboden zijn, tenzij het bevoegd gezag een afwijking van het verbod toestaat. Die toestemming wordt verleend door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. Onder de Wnb zijn gedeputeerde staten van provincies bevoegd gezag voor ontheffing- of vergunningverlening. In de provincie Zuid-Holland is de Omgevingsdienst Haaglanden belast met de vergunningverlening, terwijl Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid de toezichts- en handhavingstaken uitvoert voor de Wnb.

Gebiedsbescherming Het onderdeel gebiedsbescherming bevat instrumenten om op basis van effectstudies activiteiten in en rondom Natura 2000-gebieden af te wijzen, dan wel toe te staan op basis van een melding of een vergunning. In artikel 2.7 staat dat het verboden is zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die, gelet op de instandhoudings-doelstellingen voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. De wet schrijft verder voor dat onder voorwaarden een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelen van dat gebied, voor het voornemen noodzakelijk is (artikel 2.8). In een eventueel verkregen vergunning zijn aan handelingen die een negatief effect hebben op een Natura 2000-gebied voorwaarden verbonden om schade aan natuurwaarden te voorkomen en te compenseren. Het uitvoeren van een passende beoordeling kan ook leiden tot het opstellen van een planmer bij het doorlopen van een planologische procedure. Soortenbescherming 60/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

In de wet zijn verbodsbepalingen opgenomen ten aanzien van beschermde flora en fauna. Activiteiten waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, dienen voorkomen te worden, bijvoorbeeld door het treffen van mitigerende maatregelen of het werken met een goedgekeurde gedragscode. Als dit niet mogelijk is, dan is het uitvoeren van een dergelijke activiteit alléén toegestaan met een ontheffing van het bevoegd gezag, de gedeputeerde staten van de provincies. Een mitigatieplan of ontheffing dient in het bezit te zijn voorafgaand aan de start van de uitvoeringsfase. Bij de plantoets voor een bestemmingsplan dient aannemelijk te worden gemaakt met ecologisch onderzoek, dat een eventuele ontheffingsaanvraag voldoende onderbouwd kan worden en verwacht mag worden dat de ontheffing wordt verleend door het bevoegd gezag. Voor enkele soorten is een vrijstelling verleend bij de uitvoering van handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud. Deze soorten staan opgenomen in de provinciale Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland (vastgesteld op 9 november 2016).

Zorgplicht In aanvulling op bovenstaande bevat de Wnb de “zorgplicht”, die stelt dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen voor beschermde gebieden, flora of fauna veroorzaakt, verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. Stikstofregelgeving Het wettelijk instrument om stikstofdepositie te reguleren is de op 1 juli 2015 ingevoerde Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Dit is echter met het arrest van de Raad van State uit mei 2019 buiten werking gesteld. Het instrument moest voorkomen dat beschermde Natura 2000-gebieden worden aangetast als gevolg van een toenemende stikstofdepositie. De toegevoegde stikstofdepositie als gevolg van economische activiteiten werd met generieke nationale maatregelen gecompenseerd, maar kan nu niet langer worden toegepast. De provincie Zuid-Holland heeft in december 2019 nieuwe beleidsregels vastgesteld. Bij een toename van stikstof worden niet langer vergunningen verleend. Een toename van stikstof kan alleen worden vergund als intern of extern met een andere stikstofbron kan worden gesaldeerd. De beleidsregels staan nog niet vast voor langere periode.

Ze geven op dit moment nog geen juridische zekerheid op de langere termijn, in ieder geval niet tot de start bouw van dit project. Na de zomer van 2020 worden nieuwe beleidsregels met nieuwe wetgeving vastgelegd. Er kan dan opnieuw worden gekeken of regels strikter of juist soepeler zijn geworden. Op het moment van schrijven is nog niet geheel uit te sluiten dat een vergunningplicht zal gelden. Een eerdere Aeriusberekening voor projectfasen Triangel is bruikbaar op het moment dat: A. de projectgrootte kleiner is en B. de regels niet strikter worden. 5.8.2 Onderzoek In het ecologisch onderzoek 'Quickscan ecologie bestemmingsplan de Triangel te Waddinxveen', opgesteld door de ODMH, d.d. 12 december 2016, kenmerk 2016284410 (Bijlage 8), is de planologische haalbaarheid van het bestemmingsplan in het kader van de natuurwetgeving onderzocht. Hierbij is beoordeeld of er effecten kunnen optreden op beschermde gebieden en/of beschermde soorten. In deze onderbouwing is het onderzoek juridisch geactualiseerd. Er is rekening gehouden met gewijzigde wet- en regelgeving en dat het deelgebied nu inmiddels anders erbij ligt in verband met de werkzaamheden om de deelgebieden bouwrijp op te leveren. Een deel van het plangebied is nog niet bouwrijp gemaakt. Een ander deel wel. Daarvoor worden nog aanvullende maatregelen vastgesteld om problemen met de natuurregelgeving te voorkomen.

61/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

5.8.3

Resultaten

Gebiedsbescherming Uit het onderzoek blijkt dat de afstand tot de natuurgebieden zo groot is en de uit te voeren activiteiten dusdanig beperkt, dat er geen effecten verwacht worden op Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland of belangrijk weidevogelgebied. Stikstof Bij nieuwe projecten en ontwikkelingen kan het noodzakelijk zijn om de stikstofuitstoot te bepalen. Dit is bij het vaststellen van de huidige deelplannen ook aan de orde. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied betreft 'Nieuwkoopse Plassen en de Haeck' en is gelegen op 10 kilometer afstand. De stikstofuitstoot veroorzaakt door alle geplande activiteiten om het woningbouwproject mogelijk te maken is beoordeeld met een Aeriusberekening (zie bijlage 9). Die wijst uit dat er, onder de huidige wet- en regelgeving, geen vergunningplicht geldt. De effecten op Nieuwkoopse Plassen en de Haeck op een afstand van meer dan 10 kilometer zijn niet significant. Soortenbescherming Uit het onderzoek blijkt dat binnen het plangebied mogelijk de volgende beschermde diersoorten aanwezig zijn: Vogels Jaarrond beschermde broedvogels. In deelgebied G3 worden geen woningen/opstallen gesloopt en wordt ook geen vegetatie verwijderd die bij uitstek geschikt is om als schuilplek te dienen voor de huismus. Ook worden geen bomen gekapt voor de woningbouwontwikkeling.

Algemene broedvogels In het plangebied kunnen algemeen voorkomende vogels broeden, zoals kievit, wilde eend en meerkoet. Het is daarom van belang dat werkzaamheden buiten broedseizoen worden uitgevoerd. Als dit niet mogelijk is, moet ecologische veldbegeleiding tijdens de werkzaamheden aanwezig zijn, om te borgen dat er geen nesten worden geschaad. Het vrij liggende bouwzand is ook een kans voor pionierssoorten als oeverzwaluw en kleine plevier. Oeverzwaluw komt al tot broeden in het gebied van Triangel. Het is aan te bevelen om geschikte plekken aan te leggen met bouwzand die nog niet moeten worden bebouwd om daar de soort naar toe te lokken. Dan kan er verderop, ongestoord door de oeverzwaluw, zonder vertraging worden gebouwd. Vleermuizen In deelgebied G3 zijn geen bomenrijen of gebouwen aanwezig die worden aangetast. Foeragerende vleermuizen kunnen na de bouw van de woningen nog steeds terecht in het gebied. Er zijn in de tussentijd wel bomenrijen verwijderd net over de plangrens van Triangel. Dit was onvermijdelijk in verband met de essentaksterfte. Hiervoor is in overleg met het bevoegd gezag inmiddels een mitigatieplan vastgesteld waarbij ten westen van Triangel nieuwe bomenrijen worden gevormd, terwijl naast de nieuwe provinciale weg ook weer nieuwe aanplant wordt gerealiseerd om de trekroutes te herstellen.

Inmiddels zijn ook meer woningen in de wijk gerealiseerd, die verblijfplaatsen bieden aan soorten als gewone dwergvleermuis en mogelijk ook laatvlieger. Deze zullen foerageren in het plangebied en het aangrenzende parkgebied. De aanwezigheid van foeragerende vleermuizen leidt tot het nemen van aanvullende maatregelen in en rond de bouwplaats. Bouwplaatsverlichting moet alleen de grondkavels waar gebouwd wordt aanlichten. Het 62/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

aanlichten van watergangen en het parkgebied kan een overtreding van de wet betekenen en moet worden voorkomen. Bij voorkeur wordt alleen gewerkt tijdens daglichtperiodes. Deze maatregel geldt niet tussen november en 15 maart, wanneer de vleermuizen in winterslaap zijn. Rugstreeppad Bij werkzaamheden voor het bouwrijp maken van deze fase in de woningbouw kan de soort zich vestigen vanuit de omliggende gebieden waar rugstreeppad wordt waargenomen. Ook bouwterreinen in de omgeving van het plangebied van Triangel kunnen tot nieuwe vestiging van deze soort leiden die graag bouwterreinen uitkiest voor zijn leefgebied. 5.8.4 Conclusie Getoetst is of ten gevolge van het nieuwe bestemmingsplan de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (Wnb) worden overtreden en/of natuurwaarden van beschermd gebied, die door de Wro wordt beschermd, worden aangetast (planologische uitvoerbaarheid). Gebiedsbescherming Noch de gebruiksfase noch de aanlegfase van het deelplan G3 (Parkgebied) van Park Triangel te Waddinxveen leidt tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Voor H en I is onderzoek uitgevoerd voor 600 woningen. G3 betreft 100 woningen. In dit geval kan worden vasgesteld dat ook G3 geen significante negatieve effecten veroorzaakt op natuurgebieden.

De Wet natuurbescherming vormt, vanuit het aspect stikstofdepositie, geen belemmering voor de vaststelling van het plan. Soortenbescherming Een negatief effect op soorten is met het toepassen van onderstaande maatregelen uit te sluiten. Er is dan geen nader onderzoek noodzakelijk, er hoeven voor overige soorten geen mitigerende maatregelen te worden getroffen en er hoeft geen ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Voorwaarde hiervoor is dat rekening moet worden gehouden met de juiste werkwijze voor beschermde soorten die in het plangebied kunnen voorkomen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Schade aan algemene broedvogels moet worden voorkomen. Dit kan door buiten het vogelbroedseizoen te werken (het broedseizoen loopt grofweg van half maart tot half juli), of na inspectie van de locatie op broedende vogels tijdens het broedseizoen. Om ongewenste vertraging van bouwplanningen te voorkomen kan het nodig zijn om maatregelen te treffen om het vestigen van pionierssoorten zoals kleine plevier en oeverzwaluw tegen te gaan. Door bouwzand af te dekken tijdens de start van het broedseizoen, kunnen broedgevallen op de bouwplaats worden voorkomen. En door op een plek waar niet hoeft te worden gewerkt nog geschikte plekken voor de oeverzwaluw te creëren, kan overlast tijdens de bouw op de bouwplaats worden voorkomen.

Bouwplaatsverlichting mag geen vleermuizen verstoren. Verlichting van het naburig parkgebied en de watergangen moet worden voorkomen. Door niet te werken onder kunstlichtomstandigheden wordt ook verstoring voorkomen. Het vestigen van rugstreeppad moet voorkomen worden. Dit kan door het plaatsen van een amfibiënscherm aan de zuidzijde (langs de Zuidelijke Rondweg). Een andere maatregel die genomen kan worden, als in de actieve periode van de rugstreeppad wordt gewerkt (april-oktober), is het voorkomen van het ontstaan van rijsporen en waterplassen. Er zijn geen onderzoeken of andere acties, naast het plaatsen van het amfibieënscherm, meer nodig voordat woningbouw plaats vindt.

63/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

5.9

Provinciaal belang

5.9.1 Wet- en regelgeving Provincie Zuid-Holland heeft in de Provinciale Structuurvisie en in de Provinciale Milieuverordening het provinciaal milieubelang beschreven. Ruimtelijke plannen worden doorgaans na publicatie van het ontwerpbesluit aan de Provincie toegestuurd. De Provincie toetst dan of het provinciaal belang in het geding is en of er mogelijk in strijd met het provinciaal belang wordt gehandeld. In dit hoofdstuk wordt reeds een voortoets voor het provinciaal milieubelang uitgevoerd. Daarmee wordt tijdig zicht gekregen op strijdigheden en waar mogelijk worden oplossingsrichtingen benoemd. Het provinciaal milieubelang heeft betrekking op vier thema's: bescherming van stiltegebieden windenergie stimuleren beschermen bedrijventerreinen voor HMC-bedrijven beschermen van grote groepen mensen 5.9.2 Onderzoek Getoetst wordt of bij dit bestemmingsplan het provinciaal belang in het geding is. Zo ja, dan wordt bekeken of er mogelijk sprake is van strijdigheid met het provinciaal belang. De ontwikkeling van dit bestemmingsplan vindt niet plaats in (de nabijheid van) een stiltegebied. De ontwikkeling van dit bestemmingsplan vindt niet plaats in (de nabijheid van) een plaatsingsgebied voor windmolens. De ontwikkeling van dit bestemmingsplan vindt niet plaats in (de nabijheid van) een HMC-bedrijventerrein. Afname van HMC-locaties is derhalve niet aan de orde.

Het plangebied van dit bestemmingsplan is niet gelegen in een invloedsgebied Groepsrisico van een EV-relevante risicobron. De voorgenomen ontwikkeling is derhalve niet in strijd met de provinciale milieubelangen. De provinciale belangen zijn niet in het geding. 5.9.3 Conclusie Er is geen provinciaal milieubelang in het geding.

64/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet Dit hoofdstuk beschrijft de opzet van de planregels van het bestemmingsplan Triangel Zuid-Oost 6.1

Inleiding

Het bestemmingsplan Triangel Zuid-Oost bestaat uit een verbeelding met de bijbehorende regels en gaat vergezeld van de voorliggende toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Op de verbeelding zijn de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen weergegeven. De verbeelding is getekend op een actuele digitale ondergrond, samengesteld uit de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) en kadastrale begrenzingen.

Afbeelding - verbeelding plangebied De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bouwwerken (wat mag waar?) en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels kunnen niet los worden gezien van de verbeelding. De verbeelding geeft aan waar welke bestemmingen, dubbelbestemmingen en aanduidingen gelden, waaraan vervolgens de regels zijn gekoppeld. De verbeelding en regels vormen daarom samen het voor eenieder bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking; deze maakt juridisch gezien ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de (ruimtelijke) onderbouwing en motiviering van het bestemmingsplan en bij uitleg van de opzet van het plan en de daarin opgenomen regels.

65/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

6.2

Opbouw van de regels

De regels van dit bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de Inleidende regels, de Bestemmingsregels, de Algemene regels en de Overgangs- en aan de orde komen. Hieronder zullen de verschillende onderdelen van de regels nader worden toegelicht. 6.2.1

Inleidende regels

6.2.1.1 Begripsbepalingen In de begrippen worden omschrijvingen gegeven van in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die worden gebruikt in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

6.2.1.2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg aangegeven hoe de hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. Peil en maaiveld In veel meetvoorschriften wordt aansluiting gezocht bij het begrip peil. De manier waarop het peil wordt bepaald is afhankelijk van de situering van de gevels van een bouwwerk ten opzichte van de weg. Het uitgangspunt is dat gemeten wordt vanaf het aansluitende afgewerkte terrein. Dit is de staat van het terrein zoals gelegen direct aansluitend aan het bouwwerk, zoals dat na de voltooiing van de bouw is afgewerkt, plus/minus 0,50 cm. Voor bouwwerken op een bouwperceel, waarvan een gevel onmiddellijk aan een weg grenst, wordt het peil gemeten vanaf de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang. Het maaiveld is de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein, zoals dat na de voltooiing van de bouw is afgewerkt. Om te voorkomen dat latere ophogingen of verdiepingen die niet passen bij het natuurlijk verloop van de grond leiden tot een kunstmatige verhoging of verlaging van het peil, wordt verhoging of verlaging van het peil als gevolg hiervan beperkt tot 0,50 meter.

Verhogingen en verdiepingen die deze drempelwaarde overschrijden worden bij het meten van bijvoorbeeld de hoogte van het bouwwerk buiten beschouwing gelaten. De bouwhoogte van een bouwwerk De bouwhoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. De oppervlakte van een bouwwerk De oppervlakte van een bouwwerk wordt gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Het gaat, met andere woorden, om de afstanden tussen de buitenzijden van het bouwwerk.

66/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

6.2.2 Bestemmingsregels De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat gebruik van de gronden voor de betreffende bestemming met inachtneming van de bestemmingsregels direct mogelijk is. De oprichting van gebouwen is direct mogelijk indien het voldoet aan de bouwregels van de bestemming, en nadat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor het bouwen heeft verleend. Een bouwwerk dient daarvoor naast de bestemmingsplanregels ook te voldoen aan onder meer de regels van het Bouwbesluit en de Bouwverordening. De bestemmingsregels zijn altijd op dezelfde wijze opgebouwd. Dit ziet er in beginsel als volgt uit: bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en van werkzaamheden. In dit bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen voor: Gemengd De bestemming 'Gemengd' geldt voor het toekomstige voorzieningencluster aan de noord-oostzijde van het plangebied van dit bestemmingsplan. Voor deze bestemming is gekozen aangezien hier in de toekomstige situatie sprake zal zijn van een multifunctioneel gebouw dat onderandere kan worden ingevuld met een dokterspost, andere maatschappelijke functies, (commerciële)dienstverlening, lichte horeca en wonen.

Aan de voorzieningen is een maximale bruto vloeroppervlakte gekoppeld en de bebouwing is in bouwhoogte gemaximaliseerd. Er is voor gekozen het bouwvlak samen te laten vallen met het bestemmingsvlak. Dit is gedaan om een flexibele inrichting van het perceel mogelijk te maken. Groen De groenstroken langs de hoofdinfrastructuur van de wijk hebben de bestemming 'Groen' gekregen. Binnen deze bestemming zijn groenvoorzieningen, voetpaden, fietspaden en watergangen, speelvoorzieningen en water toegestaan. Verkeer De hoofdontsluiting inclusief fiets- en voetpaden, groenelementen, water en parkeerplaatsen, zijn als 'Verkeer' bestemd. De bestemming heeft een globaal karakter en maakt de aanleg van deze wegen mogelijk. Water In het voorliggend plan heeft de aanwezige hoofdwatergang de bestemming ‘Water’ gekregen. Binnen deze bestemming vallen watergangen, waterpartijen, waterhuishouding, waterberging, infiltratievoorzieningen en groenvoorzieningen. De bouwmogelijkheden binnen deze bestemming zijn heel beperkt. Er zijn geen gebouwen toegelaten, maar uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming mogen worden gebouwd.

Woongebied De bestemmings- en bouwregels zijn gebaseerd op de uitwerkingsregels in artikel 6, 'Uit te werken Woongebied (UW)', van het moederplan bestemmingsplan Triangel en op de regels van 67/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

vergelijkbare recent opgestelde uitwerkingsplannen. Op de verbeelding is middels een bouwvlak aangegeven binnen welke gebieden gebouwd mag worden. Binnen de bestemming zijn de alleen maximale bouwhoogtes opgenomen. Er zullen enkel gestapelde woning worden opgericht. Hierbij is niet voorzien in het oprichten van bijbehorende bouwwerken. Naast een regeling voor hoofdgebouwen (de woningen) zijn tevens regels opgenomen ten aanzien van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Ook deze zijn zo veel mogelijk afgestemd op de eerder toegepaste regels voor bestemmingsplannen en uitwerkingsplannen voor Park Triangel. Hetzelfde geldt voor de regels die zijn opgenomen ten aanzien van het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis. In een woning en bijbehorende bouwwerken is de uitoefening van een aan huis gebonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit toegestaan. Daarbij is detailhandel expliciet uitgesloten. Internetwinkels, die wel detailhandel zijn, maar dan zonder de fysieke vorm of uitstraling van een winkel, zijn wél toegestaan. Van belang is dat geen sprake is van een afhaalfunctie en geen publieksfunctie. Deze functie levert een te grote belasting op voor de woonomgeving (parkeren, verkeersoverlast). Van het begrip 'internetwinkel' is een omschrijving opgenomen in artikel 1 van de regels.

Er zijn geen regels opgenomen ten aanzien van het bouwen van bijbehorende bouwwerken in de achtertuinen. De reden daarvoor is, dat per 1 oktober 2010 de huidige regels voor vergunningvrij bouwen met de invoering van de Wabo (Wet algemene bepalingen overgangsrecht) en de Bor (Besluit omgevingsrecht) wordt verruimd. De regels van vergunningvrij bouwen gelden ongeacht de bouwregels in het bestemmingsplan. Waterstaat - Waterstaatkundige functie Ten behoeve van het veilig stellen van de onderhoudszone rondom de aanwezige hoofdwatergang is aan weerszijden hiervan een zone van 5 meter opgenomen waar deze dubbelbestemming geldt. De breedte van de onderhoudsstrook geldt vanaf de boveninsteek van het talud, tenzij het talud dermate flauw is (1:7 of flauwer) dat onderhoudsmaterieel hierop kan rijden. 6.2.3 Algemene regels De Algemene regels gelden voor alle in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen. Regels die specifiek voor een bepaalde bestemming gelden worden in het algemeen in het desbetreffende bestemmingsartikel opgenomen. In Artikel 9 Anti-dubbeltelregel wordt geregeld dat grond die reeds eerder bij een verleende omgevingsvergunning is meegenomen niet nog eens bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning mag worden meegenomen. Artikel 10 Algemene bouwregels bevat algemene bouwregels, die specifiek zien op bestaande maten en afstanden.

Tevens is hier het maximaal aantal toelaatbare woningen opgenomen die binnen het plangebied mogen worden opgericht. In Artikel 11 Algemene gebruiksregels is geregeld dat gebruik dat niet past binnen de bestemming als strijdig gebruik wordt gezien. Verder wordt specifiek het gebruik ten behoeve van prostitutie verboden. In Artikel 12 Algemene afwijkingsregels zijn algemene afwijkingsregels opgenomen. In deze bepaling wordt aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om met een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde in het bestemmingsplan geregelde onderwerpen. Hierbij gaat het om afwijkingsbepalingen die gelden voor maten, afmetingen en percelen. Deze bepalingen bevatten ook de criteria, die bij toepassing van de 68/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen. In Artikel 13 Algemene wijzigingsregels is de mogelijkheid opgenomen om het plan op ondergeschikte onderdelen te wijzigen, als hiervoor aanleiding is. Deze bevoegdheid is voorbehouden aan het college van burgemeester en wethouders. Artikel 14 Overige regels - parkeren In dit artikel zijn de parkeerregels opgenomen. Deze komen er op neer dat het parkeerbeleid van de gemeente dient te worden toegepast bij nieuwe bouwplannen en functiewijzigingen. 6.2.4

Overgangs- en slotregels

6.2.4.1 Overgangsbepalingen In Artikel 15 Overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bestaande zaken en rechten die niet in overeenstemming zijn met de overige regelingen in dit bestemmingsplan. De regels voor het overgangsrecht zijn overgenomen uit paragraaf 3.2 van het Besluit ruimtelijke ordening, waarin standaard overgangsrecht voor bestemmingsplannen is opgenomen.

6.2.4.2 Slotregel Als laatste wordt Artikel 16 Slotregel opgenomen. Dit artikel bevat de titel van het bestemmingsplan. Elk bestemmingsplan is daarnaast te onderscheiden door een uniek identificatienummer. Dit bestemmingsplan is geregistreerd en vindbaar op het landelijke portaal www.ruimtelijkeplannen.nl, onder nummer NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401

69/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid 7.1

Economische uitvoerbaarheid

De gemeente heeft samen met BPD (voorheen Bouwfonds) een gemeenschappelijke exploitatie maatschappij (GEM) opgericht voor de ontwikkeling van Park Triangel. Voor deze ontwikkeling is een gezamenlijke grondexploitatie opgesteld conform de samenwerkingsovereenkomst van maart 2010 tussen de gemeente Waddinxveen en BPD. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd. 7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg Er is vooroverleg, als bedoeld in artikel 3.1.1. Bro, gevoerd met de provincie Zuid-Holland. De provincie Zuid-Holland heeft geoordeeld dat het plan in het ruimtelijk beleid van de provincie past. Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan 'Triangel Zuid-Oost' heeft met ingang van donderdag 28 januari 2021 tot en met donderdag 11 maart, gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tevens is het ontwerpbestemmingsplan gedurende deze periode digitaal raadpleegbaar geweest op www.ruimtelijkeplannen.nl (NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0301). Eenieder is daarbij in de gelegenheid gesteld om naar aanleiding van het ontwerp wijzigingsplan - mondeling of schriftelijk - een zienswijze in te dienen. Gedurende de termijn van terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan zijn 6 schriftelijke zienswijzen ontvangen, waarvan 1 zienswijzen door meerdere reclamanten is ondertekend. Deze zienswijzen zijn beantwoord in de 'Nota van beantwoording zienswijzen' die als 10 bij de toelichting is opgenomen.

Bijlage

Door deze ingediende zienswijzen en de beantwoording hiervan zal het bestemmingsplan gewijzigd worden vastgesteld.

70/70 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPTriangelzuidoost-0401 -

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10222569/1