BP Plasweg 24 24a 41 en Polderweg 2 Toelichting regels en bijlagen
Tekst van het document
Bij het ordenen van ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied moet daarom de verkavelingstructuur als uitgangspunt worden genomen. Versterking van de hoofdstructuur van de polder is mogelijk, waardoor er ruimte is voor een gevarieerde ontwikkeling. De linten vormen hiertoe belangrijke structuurdragers van de polder. Deze kunnen worden benut en uitgebouwd als landschappelijk raamwerk voor nieuwe ontwikkelingen.
Toelichting
27
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
De hier relevant zijnde ambitie voor de droogmakerij is dat de bebouwing gekoppeld blijft aan de linten. Erven worden groen ingepast. Nieuwe ontwikkelingen zijn passend bij de grote maat en rationele opzet van de droogmakerij. Het lint dient als structuurdrager van de hoofdstructuur te worden versterkt. Eenheid en de typerende opbouw van de polder dient herkenbaar te worden gehouden. Toetsing planontwikkeling aan Gebiedsprofiel Bentwoud-Rottemeren-Zuidplas Het kenmerkende landschap van het lint is nog altijd herkenbaar rond de locatie, maar niet meer zo sterk bepalend door de vele, vooral infrastructurele, ingrepen, zoals de in voorbereiding zijnde bovenlokale infrastructuur Vredenburghlaan/ Bentwoudlaan. Het contrast tussen het nieuwe bedrijvenlandschap (Glasparel+) en behoud van het lint zorgt ervoor dat deze structuurdrager beleefbaar blijft (het lint blijft het lint). Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan een strategie van 'behoud, herstel en ontwikkeling': behoud van de lintstructuur, zonder daarmee 'het gebied op slot te zetten' (ontwikkeling). De twee bedrijfsverzamelgebouwen bieden een fraaie overgang richting het in ontwikkeling zijnde bedrijvenlandschap. De uitbreiding van het agrarisch bouwvlak is eveneens inpasbaar, omdat de bestaande kwaliteiten hierdoor niet worden aangetast.
Conclusie Deze planontwikkeling is in overeenstemming met het ambitiebeeld van het Gebiedsprofiel Bentwoud-Rottemeren-Zuidplas, omdat de ontwikkeling een bijdrage levert aan het behouden en/of versterken van de ruimtelijke kwaliteit van het cultuurhistorisch waardevolle lint.
4.3
Regionaal beleid
4.3.1 Intergemeentelijk Structuurplan Zuidplas Het Intergemeentelijk Structuurplan Zuidplas (ISP) is een gezamenlijk plan van thans de drie Zuidplas gemeenten Gouda, Waddinxveen en Zuidplas. Het ISP is onder bestuurlijke regie van de Stuurgroep driehoek RZG tot stand gekomen, dat wil zeggen in samenwerking met de provincie Zuid-Holland, de gemeente Rotterdam en het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Het ISP is een uitwerking van de vastgestelde Interregionale Structuurvisie (2004). Het plan geeft inzicht over de ontwikkelingen in de Zuidplas tot 2030, waarbij het accent ligt op de periode 2010-2020. Het streven is om het ISP binnen deze periode in fasen uit te werken en uit te voeren. Het ISP is voor de gemeenten in de Zuidplas de basis voor het ruimtelijk beleid. De gemeentebesturen moeten zich bij het maken van bestemmingsplannen houden aan wat in het ISP staat. Voor burgers en organisaties komen uit het ISP geen juridisch bindende gevolgen voort. Dat gebeurt pas na de vaststelling van bestemmingsplannen. Aan het ISP kunnen dan ook door burgers en bedrijven niet direct rechten worden ontleend. Het ISP is door de gemeenteraad van Waddinxveen op 1 februari 2006 vastgesteld.
Het ISP omvat: Een inrichtingsschets voor de Zuidplaspolder op schaal 1:25.000 De hoofdstructuur voor groen, water en verkeer Aantallen te bouwen woningen Aantallen hectares voor bedrijventerreinen en glastuinbouw Een visie op de financiering Een visie op de ontwikkelingsorganisatie Een fasering van het programma. Het plangebied Zuidplas bestaat globaal uit de Zuidplaspolder, de bovenlanden langs de Hollandsche IJssel, de Eendragtspolder, de Tweemanspolder, Polder de Wilde Veenen en een zone ten westen van Waddinxveen. Het betreft het grondgebied van de Zuidplasgemeenten Gouda, Waddinxveen en Zuidplas. De belangrijkste richtinggevende uitspraken voor het ruimtelijk beleid in de Zuidplas, zoals geformuleerd in de Interregionale Structuurvisie (vanuit de lagenbenadering) zijn voor zover betrekking op het noordelijke gebied: Droogmakerijen (zoals de Zuidplas) lenen zich beter voor intensieve verstedelijking dan de veenweidegebieden. Uitbreiding van de groenstructuur is in de Zuidvleugel nodig. De Rottewig vormt met de Eendragtspolder, de Tweemanspolder en Polder de Wilde Veenen met het Bentwoud een robuuste groene as. Aan de zuidkant wordt de groenstructuur gecompleteerd met de Krimpenerwaard, de
28
Toelichting
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
Hollandsche IJssel en Hitland en het restveengebied van de Zuidplas. Conclusie De plankaart (figuur 8) kent drie lagen: 'groenblauw casco', 'infranetwerk' en 'occupatie'. Deelgebied Plasweg 41 en Polderweg 2 is hierin aangeduid als 'lintzone' tussen het glastuinbouwlandschap' en het reservegebied glastuinbouw of nieuw wonen. Het plangebied is met een zwarte pijl aangeduid op de plankaart. Deelgebied Plasweg 24/24a ligt in een groene zone. De functiewijziging van een (voormalig) agrarisch bedrijf naar een kleinschalige bedrijvenontwikkeling in een lichte milieucategorie is in overeenstemming met de uitgangspunten van het ISP. De uitbreiding van een paardenhouderij levert een bijdrage aan het stimuleren van recreatievoorzieningen in het groengebied.
Figuur 8: Plankaart ISP. Plangebied met zwarte pijl aangeduid. 4.3.2 Handboek kwaliteit Zuidplaspolder In het Handboek kwaliteit Zuidplaspolder (2008) zijn de ruimtelijke en milieutechnische ambities en richtlijnen opgenomen voor de ontwikkeling van de Zuidplaspolder. Dit Handboek is niet vastgesteld, maar dient wel als uitgangspunt bij toetsing van nieuwe aanvragen. Het Handboek bevat een omvangrijke set uitspraken over drie kwalitatieve aspecten, waarmee in de verdere planvorming voor de deelgebieden rekening moet worden gehouden: 1. duurzaamheid 2. hoofdplanstructuur van de Zuidplaspolder
Toelichting
29
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
3. kwaliteit in de deelgebieden Een belangrijk uitgangspunt bij uitwerking van de plannen is het principe van 'Linten, lanen en tochten'. Het stelsel van 'Linten, lanen en tochten' is sinds de voorstudies uit 2004 van de bureaus H+N+S en Palmboom-Van de Bout het belangrijkste structurerende element in de Zuidplaspolder. Het door hen geschetste principe van verdubbelde groene linten in noord-zuidrichting en brede tochten in oostwest-richting zorgde voor een herkenbare structuur, waarbinnen allerlei variaties in ruimtelijke en programmatische zin denkbaar zouden zijn. De Plasweg maakt onderdeel uit van de hoofdplanstructuur. De Plaswegzone loopt van Oost naar West in het noordelijk deel van de polder. De huidige Plasweg vormt nu al een heldere lijn tussen Zevenhuizen en Waddinxveen. Door de aanleg van nieuwe tochten, regionale wegen met forse laanbeplanting en brede ecologische zones wordt de structurerende betekenis van de Plaswegzone in Oost-Westrichting versterkt. Conclusie De tochten en lanen zijn uitgewerkt in profielen. Voor de Plasweg is een zone van minimaal 50 m opgenomen voor wonen/ werken. In figuur 9 is dit weergegeven. De nieuwe Vredenburghlaan en Bentwoudlaan worden voorzien van laanbeplanting waarlangs de ecologische zone kan lopen.
De planontwikkelingen voldoen aan de in het Handboek genoemde criteria, zodat inpassing mogelijk is van de planontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.
Figuur 9: Profiel Bentwoudlaan - Plasweg.
4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1 Structuurvisie Waddinxveen 2030 De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 3 oktober 2012 de structuurvisie Waddinxveen 2030 "Positief en realistisch naar 2030" vastgesteld. De structuurvisie van 2006 is herzien, omdat in de periode tot 2006 en nu veel is veranderd. De huidige economische situatie en bijgestelde groeiprognoses hebben gevolgen voor bijvoorbeeld het beleid dat gericht is op de woningmarkt. Er is opnieuw gekeken naar de kansen en mogelijkheden die Waddinxveen heeft op het gebied van ruimtelijke ontwikkelingen. Het karakter van de structuurvisie is positief en realistisch. Concreet betekent dit dat de ambities haalbaar en uitvoerbaar zijn, maar dat de visie ook uitdaagt en perspectief biedt. De nieuwe structuurvisie moet zowel de gemeente als burgers, bedrijven en andere betrokken partijen inspireren om actief mee te werken en te bouwen aan de toekomst van Waddinxveen. De structuurvisie schept een duidelijk kader voor de ontwikkeling van het buitengebied, aan beide zijden van de kern Waddinxveen. Als één van de uitgangspunten is benoemd dat er behoefte is aan ruimte voor de glastuinbouw, niet alleen in Waddinxveen, maar ook in andere gemeenten in de regio. Grote toekomstopgave voor het landelijk gebied is het verbreden van de landbouw en het benutten van de potentie van recreatie.
Daarnaast is het van belang om wonen in het buitengebied naast de agrarische sector verder mogelijk te maken. Op de integrale kaart van de Structuurvisie ligt Deelgebied Plasweg 41 en Polderweg 2 ten zuidwesten van de aanduiding "Glastuinbouw/ bedrijvenlandschap nieuw". Dit deelgebied zelf ligt in een lintzone met de aanduiding “Versterken natuurwaarden Zuidplaspolder/ Polder Achterof”. Deelgebied Plasweg 24/24a ligt in de 'Versterken / faciliteren groen-blauwe zone Vredenburghzone' (zie figuur 10). Conclusie
30
Toelichting
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
Deelgebied Plasweg 41 en Polderweg 2 Dit deelgebied ligt op de hoek Plasweg en Polderweg. De Plasweg vormt van oudsher de verbindingsroute tussen Waddinxveen en Zevenhuizen. De bedrijfsbebouwing is georiënteerd op het bedrijvenpark Glasparel+. Deze vervolgfunctie is inpasbaar zoals dat met een wijzigingsbevoegdheid al mogelijk wordt gemaakt in het bestemmingsplan Zuidplas-Noord, zonder dat de bestaande ruimtelijke kwaliteiten worden aangetast. Mitsdien kan worden gesteld dat het oprichten van 2 bedrijfsverzamelgebouwen in overeenstemming is met de uitgangspunten van de Structuurvisie. Deelgebied Plasweg 24/24a In de Structuurvisie is opgenomen dat groengebieden (al dan niet privaat) ontwikkeld kunnen worden. Ook agrarisch gebruik behoort tot de mogelijkheden. Verder moet in of langs deze strook rekening worden gehouden met de Bentwoudlaan en Vredenburghlaan. De uitbreiding van het bouwvlak ten behoeve van een bestaande paardenhouderij levert een positieve bijdrage aan de verdere ontwikkeling van de Vredenburghzone, zonder dat dit beperkingen oplegt voor de Vredenburghlaan.
Figuur 10: Integrale kaart Structuurvisie. 4.4.2 Gebiedsvisie Vredenburghzone De gemeenteraad van Waddinxveen heeft in zijn vergadering van 12 juni 2019 de gebiedsvisie Vredenburghzone vastgesteld. De visie heeft betrekking op de zuidrand van Waddinxveen tussen de woonwijken Zuidplas en Park Triangel enerzijds en de onlangs in gebruik genomen Vredenburghlaan anderzijds. De ontwikkeling van de zone is geagendeerd als een duurzame, recreatieve natuurontwikkeling van het gebied tussen de bestaande en nieuwe woonwijken en de Vredenburghlaan, opgespannen tussen de A12 en de Plasweg. Voor deze landschappelijke groene “bufferzone” die onderdeel kan worden van doorgaande ecologische hoofdstructuren, zijn de volgende doelstellingen meegegeven: Een toegankelijk recreatief gebied Het behoud en de versterking van de natuurfunctie en ecologische waarde in het gebied Een bijdrage leveren aan een gezonde leefomgeving Het optimaal benutten van groen De landschappelijke inpassing van de Vredenburglaan
Toelichting
31
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
Het is bewust niet de bedoeling de Vredenburghzone de komende jaren in één keer te realiseren. Voor de duurzame transformatie van dit gebied is gekozen voor een zorgvuldig meerjarig ontwikkelingsproces, waarin bewoners in het gebied en de directe omgeving, initiatiefnemers, grondeigenaren en de gemeente een open samenwerking en participatie aan gaan om toe te werken naar een organische ontwikkeling van alle meegegeven doelstellingen in het gebied van bijna 40 hectare. Behoud van het karakter van de linten De bebouwing langs het lint maakt onlosmakelijk onderdeel uit van het landschap en de identiteit van de Vredenburghzone. Veel van de bestaande opstallen zijn (voormalige) boerderijwoningen langs de weg en met stallen of loodsen verder op het erf. Deze opstallen horen qua verschijningsvorm en schaal bij het oorspronkelijk agrarisch landschap en kunnen uitstekend worden ingepast in het toekomstig beeld van de Vredenburghzone als groene recreatieve bufferzone. Een uitzondering hierop vormt het kassencomplex aan de Plasweg 20a. De lintbebouwing is opgenomen in figuur 11. Hierbij valt te denken aan kleinschalig agrarisch gebruik, landelijk (agrarisch) wonen, transformatie naar infopunt of activiteitencentrum of zelfs een kleine horecavoorziening.
De koppeling van een woning op de kavel in combinatie met een andere functie sluit goed aan bij de wens om via de lintbebouwing betrokkenheid, verantwoordelijkheid en eigen initiatief te verbinden met de ontwikkelingen in de Vredenburghzone en het beheer daarvan. Het plangebied maakt onderdeel uit van de lintbebouwing.
Figuur 11: Uitsnede plangebied.
Lintbebouwing langs Plasweg.
Ontwikkelingsstrategie Over tien jaar ziet de Vredenburghzone er anders uit dan nu. Het is een half volgroeid coulissenlandschap met stukken ecologisch gebied met veel water waar veel wordt gevist en afwisselend rietlanden, weilanden, ruige gronden en blauwgraslanden. Door de afwisselende diversiteit aan natte en droge natuur is de biodiversiteit enorm toegenomen. Een gebied dat in samenwerking en participatie met gemeente en belanghebbenden is gerealiseerd. De organische ontwikkeling van de Vredenburghzone kan worden gestart met het zogenaamde “laaghangend fruit”: het toegankelijk maken van het gebied vanuit de diverse routes in de wijk en de aanleg van de landschappelijke buffer langs de Vredenburghzone op het stuk tussen de IJsermanweg en de Plasweg. Dit geldt ook voor de waterkwaliteitverbetering in het gebied en de verbetering van de bestaande routes vanuit de woonwijken naar het gebied. Deelgebied Plasweg 24/24a Dit deelgebied ligt in de lintbebouwing langs de Plasweg (figuur 11). Eerder is al in oktober 2016 besloten om in beginsel medewerking te verlenen aan het verplaatsen van een vergunde agrarische schuur achter de Plasweg 18a van 770 m², welke niet meer hier kon worden gerealiseerd in verband met aanleg van de Vredenburghlaan. Er is toen overeengekomen om een overkapping te plaatsen waar nu de stapmolen en longeerbak staan.
Hierdoor worden doorzichten niet onevenredig aangetast. Voorts kan opslag van stro en materieel plaatsvinden. De overkapping krijgt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 5 en 6 m. Aan de rand van het bouwvlak is inmiddels een bomenrij geplant, zodat de overkapping landschappelijk wordt ingepast. Tussen het plangebied en de Vredenburghlaan blijft een
32
Toelichting
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
perceel beschikbaar om toekomstige ontwikkelingen niet onmogelijk te maken. Hierbij moet worden gedacht aan het toegankelijk maken van de Vredenburghzone vanaf de Plasweg ten noordoosten van de Vredenburghlaan. Conclusie De uitbreiding van het bouwvlak in het deelgebied Plasweg 24/24a is in overeenstemming met eerder gemaakte afspraken tussen gemeente en initiatiefnemer. De toegankelijkheid van de Vredenburghzone vanaf de Plasweg blijft mogelijk tussen het plangebied en de Vredenburghlaan. 4.4.3 Mobiliteitsplan 2013-2020 De gemeenteraad heeft op 26 juni 2013 het Mobiliteitsplan Waddinxveen 2013-2020 vastgesteld. Het mobiliteitsplan vervangt de verkeersvisie Waddinxveen uit 2006 en de second opinion uit 2007. In het mobiliteitsplan staan ambities: een optimaal bereikbaar Waddinxveen, verkeersveiligheid voor alle verkeersdeelnemers, stimuleren van het fietsgebruik en het optimaal benutten van het openbaar vervoer. Het doel van het mobiliteitsplan is om deze vier ambities te realiseren. Hiervoor is een routeboek opgesteld. Dit routeboek bestaat uit beleidskaders die gebruikt worden bij diverse (integrale) ontwikkelingen en maatregelen waarmee de grootste knelpunten aangepakt kunnen worden. Het mobiliteitsplan is een sectorale uitwerking van de in oktober 2012 vastgestelde “Structuurvisie Waddinxveen 2030”. In het mobiliteitsplan staan geen detailuitwerkingen.
Hiervoor worden, waar relevant, aparte plannen gemaakt. Conclusie De Plasweg en Polderweg kunnen worden aangemerkt als gebiedsontsluitingswegen buiten de bebouwde kom. Een agrarische bedrijfsfunctie vervalt ten behoeve van kleinschalige bedrijfsontwikkeling en één woning. De verkeersintensiteit op deze wegen is laag. De ontsluiting van de twee bedrijfsverzamelgebouwen vindt plaats op de Polderweg. Ten opzichte van de bestaande planologische situatie heeft deze planontwikkeling nagenoeg geen verkeersaantrekkende werking. Bovendien vindt het merendeel van de verkeersbewegingen plaats met personenauto's. De uitbreiding van het agrarisch bouwvlak op Plasweg 24/24a brengt evenmin meer verkeersbewegingen met zich mee, omdat het aantal paarden niet wordt uitgebreid. De vergroting van het bouwvlak is met name bedoeld voor een meer efficiënte bedrijfsvoering. 4.4.4 Groenstructuur en Groenbeleid Waddinxveen De gemeenteraad heeft op 20 april 2016 het Groenstructuur en Groenbeleidsplan Waddinxveen vastgesteld. Hierin zijn beleidskader opgenomen voor het openbaar groen in de bebouwde omgeving. De Plasweg maakt onderdeel uit van lijnen in de hoofdgroenstructuur als ontginningsas in de Zuidplaspolder. De weg heeft een tweezijdige lineaire boomstructuur van essen. De boerderijen liggen op het niveau van de weg en landschap en hebben karakteristieke beplantingen.
Conclusie Het plangebied beperkt zich tot twee bestaande bouwpercelen en heeft geen betrekking op het openbaar gebied. De bestaande groenstructuur langs de Plasweg en Polderweg wordt niet aangetast. Vanuit het Groenbeleidsplan zijn er geen beperkingen tegen deze planontwikkeling. 4.4.5 Duurzaamheid De gemeenteraad heeft op 13 december 2017 de Woonvisie vastgesteld. Het doel van deze Woonvisie is richting te geven aan het beleid rondom wonen en de woningmarkt in Waddinxveen. Deze richting bestaat uit een hoofddoelstelling en vier pijlers die hier vorm aan geven. Pijler 3 heeft betrekking op duurzaamheid. Duurzaamheid is een belangrijk thema. Bij woonbeslissingen wordt duurzaamheid steeds vaker meegenomen door kopers/bewoners. Duurzaamheid speelt zowel een rol in de bestaande woningvoorraad als in de nieuwbouw. Door duurzaam te bouwen of woningen te verduurzamen, wordt bijgedragen aan energiebesparing in woningen. Duurzaamheid is echter meer dan energiebesparing. Het draagt ook bij aan voorkomen van uitputting van grondstoffen, een beter woon- en leefklimaat, een gezond binnenmilieu en gezondheid van bewoners. In de duurzaamheidsvisie is een tweetal ambities op het gebied van duurzaamheid en wonen
Toelichting
33
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
opgenomen. Het gaat om het stimuleren van duurzame nieuwbouw en verduurzaming van de bestaande voorraad. Duurzaam bouwen heeft ook een positieve weerslag op de leefbaarheid van de woningen en de woonomgeving en op de betaalbaarheid, woonlasten worden lager. Conclusie De bedrijfsverzamelgebouwen worden zo energieneutraal mogelijk uitgevoerd. Deze worden niet meer aangesloten op het aardgasnetwerk. Bij uitwerking van de bouwplannen zal rekening worden gehouden met de gemeentelijke uitgangspunten op het gebied van Duurzaam bouwen overeenkomstig de hiervoor genoemde maatregelen.
4.5
Conclusie
Het planinitiatief voldoet aan het geschetste rijksbeleid. Het betreft een passende vervolgfunctie c.q. uitbreiding van een agrarische functie in het buitengebied. Er is geen strijdigheid met de rijksbelangen. In de provinciale Omgevingsvisie ligt deelgebied Plasweg 41 en Polderweg 2 in het glastuinbouwconcentratiegebied. Een agrarisch bouwperceel wordt gewijzigd in een passende vervolgfunctie naar bedrijven (twee kleinschalige bedrijfsverzamelgebouwen in een lichte milieucategorie achter het lint van de Plasweg), zoals dat ook al met een wijzigingsbevoegdheid mogelijk is gemaakt in het geldende bestemmingsplan. Op grond van artikel 6.9, lid 2 onder a is inpassing toegestaan. De nieuwe bebouwing past qua aard en schaal bij wat er al is in de nabije omgeving. Ten opzichte van de bestaande bebouwing is sprake van een kleinschalige ontwikkeling die nagenoeg geen ruimtelijke impact heeft op de gebiedskwaliteiten. Gesteld kan worden dat hier sprake is van 'inpassing'. Datzelfde geldt voor Deelgebied Plasweg 24/24a. Dit deelgebied is op de kwaliteitskaart aangeduid als recreatiegebied met beschermingscategorie 2. Er is alleen sprake van een geringe vergroting van een agrarisch bouwperceel tot niet meer dan 1 ha. Voldaan wordt aan de uitgangspunten en randvoorwaarden, zoals deze zijn vastgelegd in de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
Mitsdien is dit bestemmingsplan in overeenstemming met de provinciale belangen. De planontwikkelingen passen eveneens binnen de uitgangspunten van het gemeentelijke beleid, zoals dat is vastgelegd in de gemeentelijke structuurvisie. De (agrarische) bedrijfsactiviteiten worden op landschappelijke wijze ingepast. Op grond van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat dit bestemmingsplan in overeenstemming is met het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid.
34
Toelichting
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
Hoofdstuk 5 5.1
Water
Inleiding
Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een Watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de Watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.
5.2
Beleidskader rijk en provincie
5.2.1 Rijk Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid en is, voor wat betreft de ruimtelijke aspecten, een structuurvisie zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. In de Waterwet is vastgelegd dat het Rijk dit plan eens in de zes jaar actualiseert. Het NWP2 geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot duurzaam waterbeheer. Het NWP2 richt zich op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. In het Nationaal Waterplan zijn de maatregelen benoemd die worden genomen om de verschillende doelen te bereiken. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust.
Het waterbeleid zoals geformuleerd in het NWP2 werkt door op provinciaal en regionaal niveau, om zo te komen tot gebiedsgericht beleid. Via het provinciaal en gemeentelijk waterbeleid en het beleid van de waterschappen dient het rijksbeleid zoals geformuleerd in het NWP door te werken tot op bestemmingsplanniveau. De watertoets, die is geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening, blijft een belangrijk instrument om de waterbeheerder vroegtijdig bij ruimtelijke planprocessen te betrekken. Daarnaast is in het NWP2 aangegeven dat aandacht moet worden geschonken aan de planologische borging van beschermingszones van primaire waterkeringen, door deze vast te leggen in bestemmingsplannen. Eén en ander is op rijksniveau in het Barro vastgelegd. 5.2.2 Beleid provincie Op provinciaal niveau heeft de provincie Zuid-Holland het beleid vertaald in het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021. Dit plan bepaalt het waterbeleid. Het gaat om waterveiligheid, waterkwantiteit, waterkwaliteit en een robuust en veerkrachtig watersysteem. In de Omgevingsvisie is veel ruimtelijk waterbeleid geïntegreerd. De visie omvat onder andere het wettelijk verplichte regionale waterplan als genoemd in artikel 4.4 van de Waterwet.
Voor de provincie zijn naast de Waterwet (Omgevingswet in 2021) en de Drinkwaterwet ook andere kaders en plannen bepalend en richtinggevend voor het beleid ten aanzien van de drinkwatervoorziening. Voortgangsnota KRW In de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2016-2021, vastgesteld door PS op 14 oktober 2015, zijn de doelen en maatregelen voor waterkwaliteit van grond- en oppervlaktewater vastgelegd. Deze nota fungeert als een regionaal waterplan conform de Waterwet, voor het thema waterkwaliteit. Provinciaal Waterplan 2010 - 2015 Een aantal onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 – 2015 blijft ongewijzigd van kracht. Dit heeft betrekking op een onderdeel van waterveiligheid, water en natuur en vismigratie. In dit Plan staat
Toelichting
35
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
uitgebreid beschreven hoe de provincie, samen met waterschappen en andere partners, een duurzame en klimaatbestendige delta zal realiseren en behouden, waar het veilig en aangenaam wonen, werken en recreëren is. In het Provinciaal Waterplan zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationale waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Zuid-Holland. Het Waterplan heeft vier hoofdopgaven: 1. Waarborgen waterveiligheid 2. Zorgen voor mooi en schoon water 3. Ontwikkelen duurzame zoetwatervoorziening 4. Realiseren robuust en veerkrachtig watersysteem In het plan zijn deze opgaven verder uitgewerkt in 19 thema's én voor drie gebieden, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit leidt tot een integrale visie op de ontwikkeling van de Zuid-Hollandse Delta, het Groene Hart en de Zuidvleugel van de Randstad.
5.3
Beleid gemeente
Het gemeentelijke beleid is vastgelegd in het Waterplan Boskoop en Waddinxveen (februari 2010). Dit Waterplan is een gezamenlijk plan van de gemeenten Waddinxveen en Boskoop, het hoogheemraadschap van Rijnland en het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Deze partijen hebben het Waterplan opgesteld om knelpunten in het watersysteem aan te pakken en kansen op verbeteringen te benutten. Een opgave voor het Waterplan is te voorzien in de lokale implementatie van het nieuwe waterbeleid (Kaderrichtlijn Water, Nationaal Bestuursakkoord Water). Ook willen de gemeenten en de hoogheemraadschappen met het Waterplan zorgen voor een optimale, gezamenlijke aanpak van de wateropgaven. De verwachting is dat hierdoor kostenefficiënter kan worden gewerkt. Het waterplan focust op de maatregelen in het bebouwde gebied. Het waterplan heeft tot doel een integrale visie op te stellen over alle aspecten van het water (met uitzondering van drinkwater en zwembaden) en het implementeren van duurzaam waterbeleid in het bebouwd gebied van beide gemeenten.
Het waterplan resulteert uiteindelijk in een maatregelenpakket om te komen tot: een veilig en robuust watersysteem; het voorkomen van wateroverlast en watertekort; een goede waterkwaliteit en een ecologisch gezond watersysteem; het benutten van mogelijkheden voor beleving en recreatie; het optimaliseren van beheer en onderhoud; het optimaliseren van communicatie binnen en tussen partijen.
5.4
Beleid hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard
Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het Waterbeheerplan HHSK 2016-2021, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, algemene regels bij de Keur, peilbesluiten, leggers en andere documenten (zie www.hhsk.nl/diensten/publicaties). In deze documenten heeft HHSK de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard vastgelegd. HHSK streeft ernaar om samen met gemeenten als partners op te trekken. Er moet worden ingezet op intensief overleg met gemeentebesturen voor het kunnen realiseren van projecten. De ruimtelijke ordening en de waterhuishouding moeten in onderlinge relatie worden ontwikkeld. Op basis van ervaring en deskundigheid adviseert HHSK over de mogelijkheden voor een duurzaam watersysteem. De laatste jaren is het inzicht gegroeid dat op een duurzamer wijze met het stedelijk waterbeheer dient te worden omgegaan, mede gezien de klimaatveranderingen.
Aandachtspunten voor het duurzame stedelijk waterbeheer zijn het minimaliseren van wateroverlast, het realiseren van voldoende waterberging waarbij zoveel mogelijk een ecologische inrichting wordt nagestreefd, het verantwoord afkoppelen van verhard oppervlak en het voorkomen van diffuse verontreinigingen door toepassing van duurzame bouwmaterialen. De visie is uitgewerkt in een concreet maatregelenplan: het woongenot, de belevingswaarde en de recreatieve mogelijkheden op en in het water voor burgers nemen toe;
36
Toelichting
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
de waterkwaliteit voldoet tenminste aan de algemene milieukwaliteitseisen; het waterhuishoudkundig systeem kent goede aan- en afvoermogelijkheden, waarbij de doorspoelbaarheid en de mogelijkheid om onder normale omstandigheden het waterpeil binnen zekere marges te handhaven, voldoende worden gewaarborgd; het watersysteem is zo ingericht dat het de ontwikkeling van biologisch gezond water bevordert. In zijn algemeenheid geldt dat voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem bij het Hoogheemraadschap vergunning dient te worden aangevraagd op grond van de Keur, tenzij voor de activiteit algemene regels van toepassing zijn. Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 De Verenigde Vergadering van het hoogheemraadschap heeft op 27 juni 2012 het Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 vastgesteld. Dit beleid heeft tot doel om ongewenste effecten van verhardingstoename op het watersysteem te voorkomen. Een belangrijk ongewenst effect van verhardingstoenamen is de versnelde afvoer van neerslag. Voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorwaarden beschreven om de te verwachten effecten op het watersysteem te compenseren. Toetsingscriteria Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen plannen: kleine, middelgrote en grote ruimtelijke ontwikkelingen.
Onderstaand is per type toegelicht hoe HHSK omgaat met de typen ruimtelijke ontwikkelingen: 1. Kleine plannen: Plannen met een verhardingstoename tot 500 m² 2. Middelgrote plannen: Plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m² en kleiner dan 10 hectare bruto planoppervlak 3. Grote plannen: Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak Beleid peilverlaging Het algemene beleid van het Hoogheemraadschap is dat in de hele Zuidplaspolder geen peilverlaging meer wordt toegestaan. Daarbij wordt gestreefd naar een zo hoog mogelijk peil om de kwel terug te dringen en de bodemstabiliteit te bevorderen. Voor het toekomstig watersysteem streeft het hoogheemraadschap twee belangrijke doelen na: peilgebieden samen te voegen: de veerkracht van het watersysteem vergroten en het laten ontstaan van betere ecologische uitwisselingsmogelijkheden in de polder. een andere vorm van peilbeheer: vervangen huidige stelsel van zomer- en winterpeilen in de gehele Zuidplaspolder door een meer natuurlijke vrije fluctuatie van het peil binnen een bepaalde bandbreedte. In het deelgebied Noord ligt een aantal kleinere peilgebieden met eenzelfde peilregime, die voor een groot deel in gebruik zijn als glastuinbouwgebied. De infrastructuur in dit gebied maakt het zonder meer samenvoegen van deze peilgebieden tot een kostbare aangelegenheid.
Het Hoogheemraadschap zal peilgebieden daarom alleen samenvoegen wanneer zich kansen voordoen om dit met beperkte kosten te kunnen uitvoeren. Voor het deelgebied Noord stelt het Hoogheemraadschap een hoogste (bandbreedte)peil voor van NAP – 6,90 m, wat gelijk is aan het huidige zomerpeil. Om het waterbergend vermogen van het watersysteem op peil te houden is de eis gesteld dat bij nieuwe ontwikkelingen minimaal 5% van het gebied voor waterberging geschikt wordt gemaakt.
5.5
Waterhuishouding
Beschrijving watersysteem Het plangebied maakt waterstaatkundig onderdeel uit van de Zuidplaspolder. Het deel van de Zuidplaspolder waarin Waddinxveen ligt, watert in zuidoostelijke richting af en wordt bemalen door gemaal “De Zuidplas”, welke het water op de Ringvaart uitslaat. De aanvoersloten langs de Plasweg zorgen voor de aanvoer van water voor een groot gebied. Het waterpeil van deze watergangen ligt op -6.10 NAP. Dit water noemen we het 'hoogwater'. Er spelen geen grote knelpunten in de Zuidplaspolder. De wateropgave binnen de bestaande wijken is inzichtelijk gemaakt in het Waterplan (februari 2010), dat gezamenlijk met de gemeente Boskoop is opgesteld. In de nabijheid van het plangebied ligt geen waterkering. Beschrijving waterkwantiteit Dempen is graven Ten eerste geldt dat als er bestaand oppervlaktewater wordt gedempt, dezelfde hoeveelheid m³ die zich
Toelichting
37
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
bevinden in het afvoerend nat profiel en de daarbovenop aanwezige vrije ruimte voor het bergen van water (de drooglegging, ofwel het verschil tussen het waterpeil en het maaiveld) binnen hetzelfde peilgebied terug moet worden aangelegd. Dit principe staat bekend als 'dempen is graven'. Compenserende waterberging vanwege versnelde afvoer Daarbovenop komt de benodigde aanvullende hoeveelheid waterberging ter compensatie van de toename van verharding en/of een versnelde afvoersituatie. De minimale eis dat 5% van het nieuwe verharde oppervlak als retentiegebied moet worden gerealiseerd, wordt ingevuld in het plangebied. Deelgebied Plasweg 41 en Polderweg 2 Dit deelgebied is als (voormalig) agrarisch bouwvlak in gebruik. Op grond van de door het hoogheemraadschap opgestelde berekeningsmethode komt het aanvullende wateroppervlak op 5% van de netto toename verhard oppervlak. In casu zal er circa 145 m² (zijnde 5% van 2.887 m²) vervangend water moeten worden gerealiseerd binnen het plangebied. De opgave is in tabel 5.1 weergegeven. Tabel 5.1: Wateropgave Deelgebied Plasweg 41 en Polderweg 2
De planopzet is zodanig dat minimaal 160 m² extra water wordt gerealiseerd. Compensatie vindt plaats door middel van aanleg van een waterpartij, grenzend aan een bestaande watergang. In figuur 12 is hiervan een tekening opgenomen. Het compensatiewater is als zodanig bestemd op de verbeelding.
38
Toelichting
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
Figuur 12: De te graven waterberging. Deelgebied Plasweg 24/24a De uitbreiding van het bouwvlak gaat gepaard met een uitbreiding van het bebouwd oppervlak met afgerond 770 m² (de stapmolen, longeerbak en mestplaat zijn al aanwezig). Deze uitbreiding komt in de plaats van een vergunde, doch niet gerealiseerde stal van 770 m² achter Plasweg 18a, zodat per saldo het verhard oppervlak niet wijzigt. Watercompensatie is in dit deelgebied niet nodig. Waterafvoer Het hemelwater van de daken van de woning en bedrijfsbebouwing zal worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Het afvalwater van de nieuwbouw zal op het riool worden aangesloten op de bestaande riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Geen gebruik wordt gemaakt van uitloogbare bouwmetalen. Voor vergunningplichtige activiteiten zal tijdig een Waterwetvergunning worden aangevraagd bij het hoogheemraadschap. Conclusie Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen bestaan er geen bezwaren tegen de in dit bestemmingsplan opgenomen planontwikkeling.
Toelichting
39
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
40
Toelichting
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
Hoofdstuk 6
M ilieu en omgevingsaspecten
De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsaspecten die een rol spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen dit plan. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht.
6.1
Milieu
De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van milieu van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn M.E.R., Milieuzonering, Geluid, Bodem, Luchtkwaliteit en Externe veiligheid. 6.1.1 M.E.R. Wettelijk kader In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Omdat het deelgebied Plasweg 41 en Polderweg 2 wordt genoemd in de D-lijst (categorie D 11.3, de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein), maar de omvang een oppervlakte heeft van minder dan 75 ha, kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deelgebied Plasweg 24/24a wordt eveneens genoemd in de D-lijst (categorie D 14, oprichten inrichting bestemd voor het fokken, mesten of houden van dieren). De omvang valt echter ruim onder de drempelwaarde van 100 paarden (waarbij het aantal bijbehorende dieren in opfok jonger dan 3 jaar niet wordt meegeteld). Het bedrijf heeft maximaal 47 paarden, zodat kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Onderzoek/ beoordeling De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994. In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. In het onderhavige situatie is sprake van een bedrijventerrein met een oppervlakte van afgerond 3.600 m² (deelgebied Plasweg 41 en Polderweg 2) en een geringe uitbreiding van een agrarisch bouwvlak (deelgebied Plasweg 24/24a). In de hierna volgende paragrafen wordt aangetoond dat 'belangrijke nadelige gevolgen' voor het milieu kunnen worden uitgesloten. In Deelgebied Plasweg 41 en Polderweg 2 was tot voor kort een akkerbouwbedrijf gevestigd, terwijl in Deelgebied Plasweg 24/24a een paardenhouderij annex -pension aanwezig is. De planontwikkelingen zitten qua omvang ruim onder de grens voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit.
Op basis van de kenmerken genoemd in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particulier projecten' dient te worden gemotiveerd waarom geen MER noodzakelijk is voor de beoogde ontwikkelingen. Het plan is getoetst aan de volgende kenmerken. Kenmerken van het project In Deelgebied Plasweg 41 en Polderweg 2 is sprake van een functiewijziging op een bestaand perceel, waarop de hoeveelheid bebouwing toeneemt met afgerond (1.800 - 300 =) 1.500 m². De paardenhouderij (Deelgebied Plasweg 24/24a) wordt in geringe mate uitgebreid met een overkapping, totaal 770 m². Een eerder vergunde, doch niet gerealiseerde bedrijfsbebouwing van 770 m², komt daarentegen te vervallen. Er is geen cumulatie met andere projecten. Bovendien is in het geldende bestemmingsplan al bebouwing toegestaan. Evenmin is het gebruik van natuurlijke hulpbronnen aan de orde. Voorts is er geen sprake van productie van afvalstoffen en verontreiniging. Hinder wordt ondervangen door voldoende afstand te houden van nabijgelegen milieugevoelige activiteiten (in paragraaf 6.1.2 wordt hierop nader ingegaan). Risico van ongevallen speelt eveneens niet bij de voorgestelde (agrarische) bedrijfsvergroting.
Toelichting
41
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
Plaats van het project Beide deelgebieden zijn niet van historisch, cultureel of archeologisch belang. Dit aspect is beschreven in paragraaf 6.2. Beide planontwikkelingen liggen voorts buiten de invloedssfeer van verderop gelegen Natura 2000-gebieden. In paragraaf 6.4 wordt hierop ingegaan. De afwijkingen ten opzichte van de geldende regeling zijn gering, zodat een toets waaruit inzichtelijk wordt of de betreffende activiteiten een negatieve invloed hebben op de gestelde beheerdoelen achterwege is gelaten. Kenmerken van het potentiële effect Het project heeft in samenhang met de hiervoor genoemde criteria geen aanzienlijke effecten op de bevolking. Evenmin is er sprake van een grensoverschrijdend karakter. Bovendien is er geen sprake van een onomkeerbaarheid van het effect. De complexiteit is gering gelet op de omvang van het plangebied. Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig, en dus ook niet m.e.r.-plichtig. Zoals de hieronder beschreven milieuparagrafen en -onderzoeken aantonen heeft het bestemmingsplan ook om andere redenen dan de omvang (zoals bijvoorbeeld de aard van de ontwikkeling of een ligging nabij een gevoelig gebied) geen significante nadelige gevolgen voor het milieu. Met m.e.r.-beoordellingsbesluit is opgenomen in Bijlage 2. 6.1.2 Milieuzonering Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit.
Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. De richtafstanden uit de VNG-publicatie voor de omgevingstypen bij verschillende hindercategorieën zijn in tabel 6.1 vermeld. Tabel 6.1: Richtafstanden en omgevingstype. Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype Richtafstand tot omgevingstype rustig buitengebied gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m Onderzoek/ beoordeling Deelgebied Plasweg 41 en Polderweg 2 Het plangebied kan getypeerd worden als een 'gemengd gebied', omdat het plangebied aan een gebiedsontsluitingsweg (Vredenburghlaan) komt te liggen.
Voorts ligt tegenover het plangebied een glastuinbouwbedrijf en nabij het in ontwikkeling zijnde bedrijvenlandschap Glasparel+. Met behulp van het inrichtingenbestand is geïnventariseerd welke bestaande milieugevoelige activiteiten relevant kunnen zijn voor de twee geplande bedrijfsverzamelgebouwen achter de Plasweg 41 en Polderweg 2. Voor het bepalen van de milieuzones dient te worden uitgegaan van de afstandsnormen op basis van de VNG-richtlijn voor gemengd gebied. Woningen aan Plasweg 41 en Polderweg 2 versus bedrijfsverzamelgebouwen De bedrijfsverzamelgebouwen vallen in milieucategorie 2. Hiervoor dient een richtafstand van 10 meter te worden aangehouden voor gemengd gebied. De afstand tussen de bestemming Bedrijf en de twee bouwvlakken van de woningen bedraagt minimaal 15 m, zodat wordt voldaan aan de richtafstand, zodat gesteld kan worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Andersom geredeneerd geven de woningen geen beperkingen voor de bedrijfsactiviteiten.
42
Toelichting
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
Pluimveehouderijbedrijf Polderweg 2 Op dit perceel is een pluimveehouderijbedrijf gevestigd met 60.000 kippen. Als gevolg van een brand in oktober 2016 is het bedrijf niet meer in gebruik. De betrokken agrariër wil gebruik maken van de ruimte voor ruimteregeling om een vervolgfunctie naar Wonen mogelijk te maken. De afstand tussen de bestemming 'Bedrijf' en de geplande woningen is minimaal 28 meter, zodat er vanuit milieuzonering geen belemmeringen zijn. Bovendien zijn bestaande dichterbij gelegen woningen al maatgevend in de huidige planologische situatie. Bedrijventerrein Glasparel+ In de nabijheid van het de plangebied wordt bedrijventerrein Glasparel+ aangelegd. In figuur 13 is een uitsnede van dit bedrijventerrein opgenomen. Op het bedrijventerrein zijn bedrijven in de milieucategorieën 3.2 toegestaan. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter voor gemengd gebied. De afstand tussen de bestaande woningen op nummers 39 en 41 is circa 80 meter, ruim meer dan vanuit milieuzonering wenselijk is. Deze afstand is al maatgevend voor de nieuw te vestigen bedrijven, zodat hier een aanvaardbare situatie kan ontstaan. Vanuit oogpunt van industrielawaai zijn er geen beperkingen.
Figuur 13: Uitsnede plankaart bestemmingsplan Glasparel+ met in rood aangegeven de contouren van de nieuwe regionale infrastructuur (Vredenburghlaan). Deelgebied Plasweg 24/24a Activiteitenbesluit Het Activiteitenbesluit is van toepassing op o.a. paardenhouderijen waar niet meer dan 100 stuks paarden worden gehouden en opslagen van vaste mest. Het Activiteitenbesluit bevat voorwaarden die bepalen of een inrichting wel of niet onder het Besluit valt. Deze voorwaarden hebben onder andere betrekking op het aantal dieren, de afstand tot een kwetsbaar gebied, de afstand tot gevoelige objecten en de aard en capaciteit van stoffen die worden op- en overgeslagen. Indien niet aan de minimale afstanden wordt voldaan, is het bedrijf Wm-vergunningplichtig. De minimale afstanden zijn weergegeven in tabel 6.2. Naast de in de tabel genoemde afstanden gelden minimale afstanden tot opslagen van
Toelichting
43
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
mest, afgedragen gewassen en dergelijke. Tabel 6.2: Minimale afstanden landbouwbedrijven. Inrichting waar landbouwhuisdieren worden gehouden minimumafstand binnen de 100 m bebouwde kom minimumafstand buiten de 50 m bebouwde kom
Inrichting waar geen landbouwhuisdieren worden gehouden 50 m 25 m
Bij een uitbreiding van agrarische bedrijven dient rekening te worden gehouden met (afstands)normen ten aanzien van landbouwbedrijven. Op grond hiervan dient een afstandsnorm van 50 meter te worden aangehouden, omdat het plangebied buiten de bebouwde kom ligt. De afstand kan met 25 meter worden verminderd, wanneer de gemeente een Geurverordening vaststelt op basis van de Wet geurhinder en veehouderij (afgekort Wgv). Wet geurhinder en veehouderij In de paardenhouderij worden overeenkomstig de eerder gedane milieumelding maximaal 47 paarden gehouden. In verband hiermede is de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij gelden er voor veehouderijbedrijven afstanden die in het kader van de milieuvergunningverlening moeten worden aangehouden tussen de veehouderij en woningen van derden. Voor een woning buiten de bebouwde kom tot een veehouderij geldt een afstand van 50 meter. De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woonen verblijfklimaat.
Toetsing planontwikkeling aan Activiteitenbesluit De afstand tussen de paardenstallen en dichtstbijzijnde woningen van derden (buiten de bebouwde kom) moet ten minste 50 meter bedragen. De afstand tussen het bestaande bouwvlak en dichtstbijzijnde woning is daarentegen 15 m. In de nieuwe situatie is dat niet anders, met dien verstande dat de volgende beperkingen worden vastgelegd. In de huidige planologische situatie mag het agrarisch bouwvlak volledig worden bebouwd. Momenteel is de bestaande/ vergunde situatie aan bedrijfsgebouwen 2.400 m². Ten opzichte van het geldende bestemmingsplan wordt deze bebouwing als maximum oppervlakte vastgelegd in de regels en op de verbeelding, zodat er geen verslechtering optreedt van de huidige situatie. Op grond van het Activiteitenbesluit dient vergunninghouder bij het plaatsen van toekomstige (vervangende) nieuwbouw de afstand van 50 meter in acht te nemen. Dit wordt voldoende geborgd in de voorschriften van het Activiteitenbesluit. Met inachtneming hiervan worden er geen beperkingen gesteld aan de bedrijfsvoering van de agrarische activiteit. De paardenhouderij kan blijven voldoen aan de in het Besluit genoemde voorschriften. Conclusie Uit inventarisatie is gebleken er geen relevante bedrijven en/of milieugevoelige functies in de nabijheid van het plangebied zijn gevestigd.
Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de beoogde activiteiten binnen het plangebied milieuhygiënische knelpunten naar de omgeving zullen opleveren. Een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, zodat er vanuit milieuzonering geen bezwaren bestaan tegen dit bestemmingsplan.
44
Toelichting
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
6.1.3
Geluid
6.1.3.1 Wegverkeerslawaai Wettelijk kader wegverkeerslawaai Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen. Tevens stellen de Wgh en het Besluit geluidhinder regels aan de maximale geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen. Voor deze bestemmingen zijn voorkeursgrenswaarden opgesteld. Deze voorkeursgrenswaarden worden mede bepaald door de locatie van de gevoelige bestemmingen en het type weg. Bij realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen dient de geluidsbelasting ten hoogste de voorkeursgrenswaarde te bedragen. Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij deze binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. Deze wegen hebben een zone. Dit is een aandachtsgebied waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden, voor zover sprake is van gevoelige functies.
De grootte van de zones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Buitenstedelijk is het gebied dat buiten de bebouwde kom is gelegen en het gebied binnen de bebouwde kom voor zover liggend langs een autosnelweg. Het overige gebied is binnenstedelijk. Onderzoek/ beoordeling Deelgebied Plasweg 41 en Polderweg 2 De relevante wegen in de directe omgeving van het plangebied zijn de Plasweg en Polderweg (beide buitenstedelijk met een zonebreedte van 250 m). Voor deze wegen geldt ter plaatse een maximum snelheid van 60 km/uur. Bij verandering van een bestemmingsplan moet er in principe worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Een akoestisch onderzoek kan evenwel achterwege worden gelaten, omdat er geen nieuwe woningen worden toegevoegd. Deelgebied Plasweg 24/24a De uitbreiding van agrarische bedrijfsbebouwing valt niet onder de noemer geluidsgevoelige gebouwen. Het aantal verkeersbewegingen zal nagenoeg niet toenemen. Op het binnenterrein is voldoende parkeergelegenheid. De afstand tot de dichtstbijzijnde woningen is zodanig dat deze verkeersaantrekkende werking geen geluidsoverlast veroorzaakt voor deze woningen (de afstand tussen de uitbreiding van het bouwvlak en de dichtstbijzijnde woning is minimaal 50 m).
Daarbij komt dat gevoelige functies voldoende zijn beschermd door de in het Activiteitenbesluit opgenomen geluidvoorschriften. De gebruiker kan hieraan voldoen. Conclusie Gezien het bovenstaande gelden vanuit de Wet geluidhinder geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling.
Toelichting
45
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
6.1.3.2 Spoorweglawaai Wettelijk kader spoorweglawaai Op 1 juli 2012 zijn de “spelregels” voor hoofdspoorwegen gewijzigd. Middels de vaststelling van geluidproductieplafonds (gpp’s) is een grens voor de maximale optredende geluidniveaus voor langs Rijksinfrastructuur vastgelegd. De bij vaststelling gehanteerde gegevens zijn vastgelegd in het bronregister. Voor de beoordeling van een plan blijft de Wgh van toepassing maar dient gebruik te worden gemaakt van de brongegevens uit het register. Onderzoek/ beoordeling Binnen de aangewezen zones dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden. Het plangebied valt ruim buiten een zone voor spoorweglawaai, zodat er vanuit dit oogpunt geen beperkingen zijn. Conclusie Gezien het bovenstaande gelden vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel spoorweglawaai geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling, 6.1.3.3 Industrielawaai Wettelijk kader industrielawaai Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform art. 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (art. 40 Wgh).
Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour voorkeursgrenswaarde) in het bestemmingsplan. Onderzoek/ beoordeling Bedrijven(terreinen) kunnen beperkingen opleggen aan nieuwe gevoelige functies, waaronder wonen, in verband met een geluidzone. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de richtafstanden uit de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (zie hiervoor paragraaf 6.1.2). Voor gezoneerde bedrijventerreinen geldt dat er binnen de geluidszone in beginsel geen woningbouw is toegestaan op grond van het bepaalde in de Wet geluidhinder. In de nabijheid van het plangebied liggen geen gezoneerde bedrijventerreinen. Dit betekent dat er voor de nieuwe woning sprake van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Het plangebied ligt niet in de zone van een gezoneerde industrieterrein. Industrielawaai vormt daarmee geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. 6.1.4 Bodem Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen.
Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft in oktober 2013 het beleid voor het uitvoeren van bodemonderzoeken in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geactualiseerd. Het nieuwe beleid is vastgelegd in de Nota 'Bodemkwaliteit bij bouwen' van oktober 2013. Dankzij het Bodem Informatie Systeem en de bodemkwaliteitskaart Midden-Holland is als veel bekend van de bodemkwaliteit. Door gebruik te maken van deze kennis kan in veel gevallen worden volstaan met een verminderde onderzoeksinspanning, wat een lastenverlichting voor burgers en bedrijven oplevert. In de beleidsnota worden vele raakvlakken concreet uitgewerkt en het beleid vormt hierdoor een goed handvat bij de beoordeling van bodemonderzoeken voor omgevingsvergunningen. De beleidsregels hebben burgemeester en wethouders van Waddinxveen op 4 maart 2014 vastgesteld.
46
Toelichting
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
Onderzoek/ beoordeling Bij een bestemmingsplan dient in beginsel een bodemonderzoek te worden uitgevoerd. In verband hiermede is voor Deelgebied Plasweg 41 en Polderweg 2 een verkennend en nader milieukundig bodemonderzoek overeenkomstig NEN 5740 uitgevoerd. Een aanvullend onderzoek was noodzakelijk naar de aangetroffen verontreiniging met PAK (10 VROM). Als vervolg hierop heeft VanderHelm Milieubeheer B.V. te Berkel en Rodenrijs dit nader milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd (rapport van 7 mei 2020, Bijlage 3). Uit de resultaten van het onderzoek blijkt het volgende (overgenomen uit rapport): Conclusies Geconcludeerd wordt dat op basis van eerder uitgevoerd en onderhavig bodemonderzoek er geen sprake is van een "geval van ernstige bodemverontreiniging" zoals beschreven in de Wet Bodembescherming.
Ter onderbouwing van bovenstaand wordt tevens geconcludeerd dat: de sterke verontreiniging met PAK (10 VROM) ter plaatse van boring 06-10 (101) en 102 in voldoende mate is afgeperkt, een omvang heeft van circa 14 m³ en geen "geval van ernstige bodemverontreiniging" betreft zoals beschreven in de Wet Bodembescherming; de omvang van de sterke verontreiniging met PAK (10 VROM) ter plaatse van boring 06 van het voorgaande onderzoek (kenmerk: CRAW161600) betreft circa 4 m³; de gezamenlijk omvang van de twee verontreinigingspots betreft circa 18 m³, derhalve is geen van een "geval van ernstige bodemverontreiniging" met technische, organisatorische en ruimtelijke samenhang. Aanbevelingen Aanbevolen wordt om tegelijkertijd met de aanvraag omgevingsvergunning een plan van aanpak in te dienen, waarin staat beschreven hoe tijdens de herontwikkeling van de locatie wordt omgegaan met de PAK-verontreinigingen. Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit of hetgeen is gesteld in het grondstromenbeleid Midden-Holland. Conclusie Op basis van het verkennend bodemonderzoek is de milieuhygiënische bodemkwaliteit in voldoende mate bepaald. De onderzoekslocatie is niet zondermeer geschikt voor het voorgenomen gebruik.
Voorafgaand aan het bouwrijpmaken van het terrein en aanvraag omgevingsvergunning zal een saneringsplan of BUS-melding worden opgesteld. Het saneringsplan of de BUS-melding zal ter goedkeuring wordt voorgelegd aan het bevoegd gezag. Initiatiefnemer zal voor de bodemsanering een budget reserveren. Met inachtneming hiervan is het aspect bodem in het kader van het bestemmingsplan voldoende onderzocht. Na afronding van de sanering zijn er geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig. 6.1.5 Luchtkwaliteit Wettelijk kader Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in de onderstaande tabel. Vanaf 2011 zijn de grenswaarden (jaargemiddelde en 24-uursgemiddelde concentratie) voor PM10 van kracht.