BP Plasweg 24 24a 41 en Polderweg 2 Toelichting regels en bijlagen
Tekst van het document
Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de (jaargemiddelde en uurgemiddelde) grenswaarden. Tot deze grenswaarden gelden, zijn er voor NO2 minder strenge grenswaarden van kracht.
Toelichting
47
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
Tabel 6.3: Grenswaarden Wet luchtkwaliteit stof jaargemiddelde uurgemiddelde 24-uursgemiddelde Opmerkingen NO2 40 µg/m3 200 µg/m3 n.v.t. Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden PM2,5 25 µg/m3 n.v.t. n.v.t. n.v.t. 3 3 PM10 40 µg/m n.v.t. 50 µg/m 24-uursgemiddelde Mag 35x per jaar worden overschreden Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijk plan of project doorgang kan vinden indien: a. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt; en b. de luchtkwaliteit ten gevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; en c. een project “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht; (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10, PM2,5) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 µg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld.) d. een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten (projecten In Betekenende Mate of IBM-projecten) tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen. Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden.
Onder andere voor woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Luchtkwaliteit en goede ruimtelijke ordening Naast de bovenstaande bepalingen wordt in de Wet Luchtkwaliteit een relatie gelegd met de Wet ruimtelijke ordening, in de zin van dat bij een nieuwe ontwikkeling er sprake moet zijn van een “goede ruimtelijke ordening”. Een dergelijke afweging wordt uiteindelijk gemaakt in samenspraak met de andere milieuaspecten. Gekeken naar het aspect luchtkwaliteit kan gesteld worden dat de huidige grenswaarden geen absolute bescherming bieden – ook onder de normen kunnen, vooral bij gevoelige groepen gezondheidseffecten optreden. In het algemeen geldt voor een goede luchtkwaliteit - hoe verder van een drukke weg (de belangrijkste bron van luchtvervuiling) hoe beter. Onderzoek/ beoordeling Uit de resultaten van het onderzoek naar luchtkwaliteit in het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan Zuidplas Noord is uit het rapport van de Omgevingsdienst Midden-Holland gebleken dat ter hoogte van het plangebied wordt voldaan aan de grenswaarden voor NO2 en PM10. Hoewel niet nader onderzocht zal dit voor PM2,5 niet anders zijn. De vaststelling van dit bestemmingsplan stuit dan ook niet op bezwaren voor wat betreft luchtkwaliteit.
Deelgebied Plasweg 41 en Polderweg 2 Om een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit in dit deelgebied is met behulp van de NIBM-tool berekend of het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Hierbij is het extra aantal vervoerbewegingen ingevoerd en het aandeel vrachtverkeer, zijnde 240 verkeersbewegingen (weekdaggemiddelde), waarvan 30% aandeel vrachtverkeer. Voor de overige invoergegevens is in de tool uitgegaan van worst-case omstandigheden. Op basis hiervan is gebleken dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate is, zodat geen nader onderzoek nodig is.
48
Toelichting
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
Tabel 6.4 Worst-case berek ening
Deelgebied Plasweg 24/24a De gevraagde uitbreiding is Niet in betekenende mate (NIBM), omdat de gevraagde uitbreiding grotendeels ter vervanging is van de vergunde, doch niet gerealiseerde bebouwing, zodat geen (actualisatie van het uitgevoerde) onderzoek nodig is. Conclusie In het algemeen kan worden gesteld dat als in de huidige situatie aan de grenswaarden wordt voldaan, ook in toekomstige jaren wordt voldaan. Uit eerder onderzoek is aangetoond dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit niet worden overschreden. Deze ontwikkeling maakt a. het oprichten van twee bedrijfsverzamelgebouwen (deelgebied Plasweg 41 en Polderweg 2) en b. een uitbreiding van een bouwvlak in deelgebied Plasweg 24/24a. Aanvullend is voor deelgebied Plasweg 41 en Polderweg 2 met behulp van de NIBM-tool berekend dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen) staat deze planontwikkeling dan ook niet in de weg. 6.1.6 Externe veiligheid Wettelijk kader Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven.
Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR: rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt. Beleidsnota Externe Veiligheid gemeente Waddinxveen De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 3 oktober 2012 de Beleidsnota Externe Veiligheid vastgesteld. In de beleidsnota zijn de volgende veiligheidsambities geformuleerd: woongebieden worden zo veilig mogelijk ingericht; de vestiging van nieuwe risicobedrijven in woongebieden is niet toegestaan; binnen het 100% letaliteitsgebied van risicobronnen zijn nieuwe bestemmingen voor verminderd
Toelichting
49
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
zelfredzame personen niet toegestaan; de vestiging van nieuwe risicobedrijven op bedrijventerrein Coenecoop is uitsluitend toegestaan onder strikte voorwaarden; de vestiging van nieuwe risicobedrijven is toegestaan op Distripark Doelwijk en op het nog te ontwikkelen bedrijventerrein A12 Noord; nieuwe woon- en verblijfsgebouwen worden standaard uitgevoerd met afschakelbare ventilatie. Voor de uitvoering van deze ambities zijn planologische kaders opgenomen, waaraan bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan worden getoetst. Om de uitvoering te borgen wordt deze beleidsnota externe veiligheid gekoppeld aan de nieuwe Structuurvisie Waddinxveen 2030 en wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan rekening gehouden met de geformuleerde ambities. Onderzoek/ beoordeling Transport gevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes voor vervoer van gevaarlijke stoffen over water, weg en het spoor in werking getreden.
Met de invoering van dit Besluit beoogt het Rijk een evenwicht tot stand te brengen tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid. Transport over water Er ligt in de omgeving van het plangebied geen hoofdvaarweg, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is dus geen beperking voor het plangebied. Transport over spoor Er ligt binnen een zone van 200 meter van het plangebied geen spoorbaan, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is dus geen beperking voor het plangebied. Wegtransport Er liggen binnen een zone van 200 meter van het plangebied geen rijks- of provinciale wegen. Er is dus geen beperking voor het plangebied. Transport per buisleiding Voor zoneringsafstanden van hogedruk gasleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Hierbij dient te worden uitgegaan van de risicoafstanden zoals aangegeven in dit Besluit. Er ligt in de nabijheid van het plangebied geen hoge druk aardgasleiding waarvan de PR en/of GR contour reikt tot het plangebied. Er zijn voor wat betreft het transport door buisleidingen geen beperkingen voor de ontwikkeling. Inrichtingen Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden.
Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat het GR hier geen belemmering vormt. Risicokaart De Risicokaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Op de Risicokaart (figuur 14) zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen risicovolle bedrijven gevestigd, zodat er geen belemmeringen zijn voor deze planontwikkeling.
50
Toelichting
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
Figuur 14: Uitsnede Risicokaart (deelgebieden zwart aangeduid). Overstromingsrisico Hoogwater leidt tot materiële schade in ondergelopen gebieden en kan tot slachtoffers leiden. In het zwaarste scenario is er sprake van een overstroming van de gehele dijkring, waardoor grote aantallen inwoners geëvacueerd moeten worden. Uitval van nutsvoorzieningen kan leiden tot een nog groter effectgebied. Een dergelijke calamiteit leidt tot een ontwrichting van het maatschappelijke leven. Het plangebied valt binnen dijkring 14 van Zuid-Holland en heeft een verhoogd risico voor een dijkdoorbraak. Om burgers te kunnen beschermen en om de risico's zo veel mogelijk in te perken is er een Rampenbestrijdingsplan in voorbereiding (zoals dijkdoorbraken in dijkring 14). In geval van overlast/ overstroming treedt het hoogheemraadschap op in samenwerking met andere partijen. Bij een ramp is de gemeente coördinator en zitten het hoogheemraadschap en hulpdiensten in een calamiteitenteam. Overeenkomstig het advies van het hoogheemraadschap zal bij nieuwbouw minimaal 1,3 m drooglegging voor bebouwing worden aangehouden om (grond)wateroverlast te voorkomen. Niet gesprongen explosieven Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de gebruikte Conventionele Explosieven (CE) uit WOll tijd niet functioneerde en als blindganger in de bodem is achtergebleven.
Een blindganger vormt een wezenlijk risico tijdens grondroerende werkzaamheden. In 2012 is historisch vooronderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van NGE voor het grondgebied van de gemeente Waddinxveen. Hieruit blijkt dat het plangebied onverdacht is voor wat betreft het voorkomen van NGE. Verder onderzoek naar NGE is naar de mening van ODMH niet noodzakelijk. Hoewel er geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van NGE, kan niet met zekerheid worden gesteld dat die er niet zijn. Als men bij graafwerk stuit op een verdacht object, zijn passende maatregelen nodig. Conclusie Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen en inrichtingen gelden geen beperkingen voor het plangebied. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI), Besluit externe veiligheid Buisleidingen (BEVB) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) staat de uitvoering van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg.
Toelichting
51
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
6.2
Archeologie en cultuurhistorie
Wettelijk kader In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn: archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen. Het verdrag is geïmplementeerd in de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden. Onderzoek/ beoordeling In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland is het gebied niet specifiek aangeduid. Er is onderscheid gemaakt in drie kleuren categorieën (drie tinten bruin).
De toekenning van een (zeer) grote, redelijke of lage kans op sporen (kleuren donker-, middel- en lichtbruin) heeft betrekking op de relatieve dichtheid van archeologische vondsten die in een bepaald gebied verwacht wordt. De witte gebieden hebben een lage trefkans. De plankaart laat zien dat er in dit deelgebied een lage trefkans op archeologische sporen is (zie figuur 15).
Figuur 15: Gecombineerde Waardenkaart CHS provincie Zuid-Holland. Archeologiebeleid gemeente Waddinxveen (2012) De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 14 november 2012 de 'Nota archeologiebeleid gemeente
52
Toelichting
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
Waddinxveen' vastgesteld. Op de waarden- en verwachtingenkaart is voor het plangebied af te lezen waar welke verwachtingswaarden voorkomen. Deze beleidskaart is aan veranderingen onderhevig: door voortschrijdend inzicht en nieuwe onderzoeken kunnen nu betere keuzes gemaakt worden. In verband hiermee is in het document 'Actualisatie archeologische beleidskaart gemeente van Waddinxveen' van 11 januari 2018 de archeologische beleidskaart aangepast. Deze dient als aanvulling op de toelichting van het gemeentelijke archeologiebeleid uit 2012. De vastgestelde Nota archeologiebeleid gemeente Waddinxveen uit 2012 blijft ongewijzigd. Op de geactualiseerde archeologische beleidskaart (figuur 16 heeft het plangebied een lage verwachtingswaarde waarvoor geen archeologische vereisten gelden, zodat archeologisch onderzoek achterwege kan worden gelaten. Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet. Conclusie Het initiatief tast de archeologische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling.
Figuur 16: Uitsnede archeologische beleidskaart.
Toelichting
53
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
6.2.1 Cultuurhistorie/ monumenten Met ingang van 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009. Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a Bro moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. In het plangebied bevinden zich geen rijks- of gemeentelijke monumenten. Evenmin worden de cultuurhistorische waarden in en rondom het gebied aangetast. De bestaande bebouwing zelf heeft geen cultuurhistorische waarde. Evenmin komen de woningen voor op inventarisatielijst de provinciale Monumenten Inventarisatie Project Zuid-Holland. Conclusie Het initiatief tast de cultuurhistorische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze functiewijziging.
6.3
Landschap
Het plangebied ligt aan de rand van Waddinxveen. De voorgestane planontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maken heeft geen gevolgen voor de aanwezige kwaliteiten. In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland, (provincie Zuid-Holland) zijn de Plasweg en Polderweg/ Zesde Tochtweg aangeduid als een lint met redelijk hoge waarde (gele lijn in figuur 14). Conclusie De landschappelijke waarden worden niet aangetast, zodat er uit dien hoofde geen beperkingen worden gesteld aan onderhavige planontwikkeling.
54
Toelichting
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
6.4
Flora en fauna
Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Het geeft invulling aan de decentralisatieafspraken die het Rijk met de provincies heeft gemaakt in het Bestuursakkoord natuur en in het Natuurpact. Het brengt ook vereenvoudiging ten opzichte van het bestaande stelsel, onder meer door een betere aansluiting op het Europese recht en op het omgevingsrecht. Onderzoek/ beoordeling Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied of beschermd natuurmonument. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied, 'Broekvelden, - Vettenbroek & Polder Stein', bevindt zich op een afstand van circa 8,2 km ten oosten van het plangebied. Deelgebied Plasweg 41 en Polderweg 2 Sprake is alleen van een functiewijziging om twee bedrijfsverzamelgebouwen mogelijk te maken op een bestaand agrarisch bouwperceel, zodat dit Natura2000-gebied niet wordt beïnvloed. Evenmin worden (significante) externe effecten op Natura2000-gebieden verwacht. Het plangebied ligt ten zuidoosten van Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS) van de provincie Zuid-Holland (figuur 17), te weten de ecologische verbindingszone tussen het Bentwoud en de Krimpenerwaard.
Deze wijziging heeft geen nadelige gevolgen voor Natuurnetwerk Nederland (NNN), omdat de verbindingszone al is verstoord door het bestemmingsplan Glasparel+ (2014), waarin nagenoeg grenzend aan het plangebied, al woningen en bedrijven mogelijk zijn gemaakt. In het bestemmingsplan voor de Vredenburghlaan wordt realisatie van deze laan mogelijk gemaakt. In dat kader heeft de provincie een landschapsvisie laten opstellen als eerste fase van het opstellen van een landschapsplan. De landschapsvisie is voor de gehele randweg opgesteld en is in eerste instantie voor de Vredenburghlaan uitgewerkt in een landschapsplan. Doel van het opstellen van de landschapsvisie is bestaande ruimtelijke kwaliteit te borgen en nieuwe kwaliteit toe te voegen door uitgangspunten vast te leggen voor een zorgvuldige inpassing van de weg in haar omgeving, inclusief de bestaande EHS. In het landschapsplan worden de concrete inpassingsmaatregelen uitgewerkt. Dit betekent dat de EHS niet langer van toepassing is voor dit deelgebied. Kaart 7 (NNN) van de Omgevingsverordening is hierop inmiddels aangepast. Deelgebied Plasweg 24/24a Dit deelgebied ligt buiten NNN, zodat er uit dien hoofde geen beperkingen zijn. Voor het overige is het hiervoor gestelde van overeenkomstige toepassing.
Toelichting
55
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
Figuur 17: NNN in de omgeving van het plangebied (globaal weergegeven met de rode punt). NNN is met paarse lijn aangegeven. Het Natura 2000-gebied Broekvelden, Vettenpolder & Stein is het gearceerde gebied ten oosten van het plangebied. Stikstofdepositie Natura2000-gebieden kunnen gevoelig zijn voor stikstofdepositie. Het op circa 8,2 km oostelijk gelegen Natura2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' is alleen een Vogelrichtlijngebied. Dit gebied is momenteel nog niet stikstofgevoelig, maar wordt mogelijk binnenkort wel aangewezen als stikstofgevoelig gebied. Het Natura2000-gebied 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck' is wel een stikstofrelevant habitatrichtlijngebied. Dit gebied ligt op circa 11,5 km afstand. In onderhavige situatie is er sprake van de nieuwbouw van een bedrijfsverzamelgebouw en een kleine uitbreiding van een agrarisch bouwvlak. Gelet op de grote afstand zijn significante effecten door bedrijfsbebouwing onwaarschijnlijk op een afstand van 10 km van het stikstofrelevante Natura2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Het is daardoor aannemelijk dat dit in de aanlegfase en gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie over deze grote afstand. Het aspect stikstofdepositie vormt voor dit bestemmingsplan geen belemmering.
6.4.1 Ecologisch onderzoek Bij nieuwbouwplannen moet bekeken worden wat het effect is op de aangrenzende natuurbeschermingsgebieden en aanwezige flora- en fauna. In verband hiermede is een Eco-effectscan uitgevoerd door Aqua-Terra Nova B.V. te Naaldwijk (rapport van 12 februari 2019, rapportnr. 216151, Bijlage 4). Op basis van een inventarisatie, literatuuronderzoek en een verkennend onderzoek kunnen de volgende conclusies en aanbevelingen worden getrokken (overgenomen uit het rapport). Conclusies Gebiedsbescherming Het plangebied met beide deelglebieden ligt buiten de invloedssfeer van Natura-2000 gebieden. Vanwege de kleinschalige aard van de werkzaamheden, afstand, tussenliggende gebieden kunnen significante effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten worden en is een nadere toetsing aan de Wet Natuurbescherming niet noodzakelijk. Het deelgebied Plasweg 41 en Polderweg 2 ligt ten zuidoosten van de begrenzing van NNN-gebied. Hiervoor geldt niet langer een compensatieplicht. Het compensatieplan van de provincie Zuid-Holland in het kader van de planprocedure voor de aanleg van de Vredenburgh volstaat hier. Het deelgebied Plasweg 24/24a ligt buiten de invloedssfeer van een ecologische verbindingszone (NNN). Soortbescherming Op basis van een locatiebezoek en een literatuurstudie is geïnventariseerd welke beschermde soorten
56
Toelichting
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
er in het plangebied aanwezig kunnen zijn. Aan de hand van de projectbeschrijving is getoetst of de geplande activiteiten in strijd kunnen zijn met de Wet Natuurbescherming. Maatregelen bij uitvoering werkzaamheden Ecologische verbindingszone Deelgebied Plasweg 41 en Polderweg 2 ligt in een ecologische verbindingszone (NNN). Zoals hiervoor gesteld heeft de provincie op basis van de landschapsvisie al een landschapsplan opgesteld in het kader van de nieuw aan te leggen Vredenburghlaan. Hiermede wordt aangetoond dat aan alle eisen van de EHS-spelregels wordt voldaan. Onderzoeken naar het voorkomen van (strikt) beschermde soorten van categorie 1 en 2 dienen conform goedgekeurde protocollen uitgevoerd te worden. Deze onderzoeksperiodes zijn afhankelijk van de soort, potentiële functie van het plangebied en soms ook weersomstandigheden. Indien bij onderzoek afgeweken wordt van de betreffende protocollen kan dit tot gevolg hebben dat een eventuele latere ontheffingsaanvraag om deze reden afgewezen wordt. Beschermde en bijzondere soorten Op basis van soortgericht onderzoek naar steenuilen wordt de functie van de nestkasten en het plangebied voor de steenuil bepaald.
Aan de hand van de resultaten wordt duidelijk of voorafgaand aan de geplande werkzaamheden maatregelen genomen moeten worden om de functionele leefomgeving van de steenuil te waarborgen en of het aanvragen van ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Aangeraden wordt om de werkzaamheden in de actieve periode van vleermuizen (maart t/m oktober) zoveel mogelijk bij daglicht uit te voeren, om zo onnodige verstoring te voorkomen. Indien verlichting noodzakelijk is, dient uitstraling van licht in de actieve periode naar omliggende groengebieden en watergangen zoveel mogelijk te worden voorkomen. Tijdens de werkzaamheden kan het veranderende plangebied geschikt worden voor de rugstreeppad. Er wordt aanbevolen de volgende maatregelen te treffen ter voorkoming van vestiging van de rugstreeppad: Voorkom de vorming van plassen en poelen, want deze zijn geschikt als voortplantingswater in de periode van april tot en met juli; Dek aangevoerde vergraafbare grond af als het langer ligt dan drie dagen in de periode april tot en met oktober. Algemene aanbevelingen In alle plangebieden komen langs waterkanten, in struweel en in bomen algemene broedvogels voor. Alle in Nederland broedende vogels zijn strikt beschermd en mogen tijdens het broeden niet worden verstoord. De meeste vogels broeden in de periode maart tot en met juli.
Werkzaamheden aan het groen worden in deze periode afgeraden. Indien werkzaamheden in de periode maart t/m juli moeten worden uitgevoerd, dient de aanwezigheid van vogelnesten voorafgaand aan de werkzaamheden te worden gecontroleerd. Indien vogelnesten worden aangetroffen, dienen de werkzaamheden nabij het nest te worden uitgesteld totdat de jongen zijn uitgevlogen of dient een verstoringsvrije zone rond het nest te worden opgesteld. Voor het verwijderen van verblijfplaatsen en het verwonden van de potentieel aanwezige algemene soorten geldt een vrijstelling. In het kader van de zorgplicht wordt geadviseerd om een vluchtweg voor dieren te allen tijde te behouden bij het uitvoeren van de werkzaamheden. Nader onderzoek steenuil Gelet op het vorenstaande is op basis van de Eco-effectscan nader onderzoek naar de steenuil uitgevoerd door Watersnip Advies te Reeuwijk (notitie van 31 mei 2019, Bijlage 5). Uit de resultaten van het onderzoek is gebleken dat de steenuilenkast niet in gebruik is door een Steenuil. Ook in de directe omgeving van de schuur is geen Steenuil aangetroffen. De geplande werkzaamheden zullen geen schade veroorzaken aan jaarrond beschermde nesten van de Steenuil. In de aanwezige houtwal aan de noordwestkant van het plangebied is het jaarrond beschermde nest van de Buizerd aanwezig. In de nieuwbouwplannen blijven deze bomen behouden.
Hierdoor zal er geen schade ontstaan aan het jaarrond beschermde nest van de Buizerd. Om verstoring te voorkomen dienen verstorende werkzaamheden (sloop, heien) buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. De Buizerd gebruikt zijn nest van februari t/m augustus. Van maart t/m juli zijn er eieren of jongen aanwezig. Voor het uitvoeren van de werkzaamheden dient een Ecologisch Werkprotocol (EWP) te worden opgesteld. Hierin wordt beschreven wanneer en hoe de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd.
Toelichting
57
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
Algemene Zorgplicht Voor alle planten- en diersoorten geldt de algemene zorgplicht die is opgenomen. Deze bepaalt dat een ieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen voor flora en/of fauna kan hebben, verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. Conclusie Gelet op het vorenstaande kan worden geconcludeerd er vanuit de Wet natuurbescherming geen beperkingen worden opgelegd aan deze planontwikkeling. De in de twee uitgevoerde onderzoeken genoemde aanbevelingen zullen bij uitwerking van de plannen worden overgenomen.
6.5
Overige realiserings- en uitvoeringsaspecten
6.5.1 Kabels en leidingen In het plangebied liggen naast de gebruikelijke kabels en leidingen geen ruimtelijk relevante watertransportleidingen en gastransportleidingen, zodat een beschermende regeling niet nodig is.
58
Toelichting
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
Hoofdstuk 7 7.1
Juridische opzet
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de ruimtelijke en functionele ontwikkelingen een vertaling hebben gekregen in de juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan, de plankaart (de verbeelding van de geometrische plaatsbepaling) en de regels.
7.2
Verbeelding
Op de verbeelding (plankaart), getekend op een kadastrale ondergrond schaal 1:1.000, zijn door middel van coderingen (via combinatie van letteraanduidingen, arceringen en/of kleur) de bestemmingen aangegeven.
7.3
Regels
De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels zijn, overeenkomstig de SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In artikel 1 zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van de regels. Artikel 2 betreft de wijze van meten, waarin is aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. In dit hoofdstuk zijn per bestemming regels opgenomen voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing van de gronden. In paragraaf 7.3.2 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die voorkomen binnen het plangebied. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Het betreft regels die voor het hele plangebied of voor verschillende bestemmingen van toepassing zijn. In dit hoofdstuk zijn de anti-dubbeltelregel, algemene bouw- en gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en overige regels voor parkeren opgenomen. Hoofdstuk 4 bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald. 7.3.1 Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat 2 artikelen.
Artikel 1 Begrippen In het artikel 'Begrippen' wordt een aantal in de planregels voorkomende begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van deze begrippen beperkt, waarmee de duidelijkheid van het plan en daarmee de rechtszekerheid wordt vergroot. Artikel 2 Wijze van meten In het artikel 'Wijze van meten' wordt aangegeven hoe de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald. 7.3.2 Bestemmingsregels Dit hoofdstuk bevat de regels waarin de materiële inhoud van de op de verbeelding gegeven bestemmingen zijn opgenomen. Bij de opzet van de artikelen is, zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) bepaalt, een vaste indeling aangehouden. Voor de volgorde van de bestemmingen leidt dit ertoe dat eerst de bestemmingsomschrijvingen worden benoemd en hierna de bouwregels en in voorkomende geval nadere eisen, afwijken van de bouwregels, specifieke gebruiksregels, afwijken van de gebruiksregels en omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Artikel 3 Agrarisch De gronden in dit deelgebied heeft de bestemming 'Agrarisch', waarin een paardenhouderij -annex
Toelichting
59
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
-pension met een aanduiding is toegestaan. Voor het agrarisch bedrijf is op de verbeelding een bouwvlak opgenomen. Binnen het toegekende bouwvlak dienen de bedrijfsgebouwen en overkappingen te worden gesitueerd. De oppervlakte aan bedrijfsgebouwen en overkappingen is aan een maximum gekoppeld, zoals op de verbeelding met een maatvoeringsaanduiding is opgenomen voor het bestaande bouwvlak en de uitbreiding hiervan. Artikel 4 Bedrijf De op de verbeelding voor 'Bedrijf' aangeduide gronden zijn, met inachtneming van de nadere aanduidingen, bestemd voor gebouwen en andere voorzieningen ten behoeve van bedrijven. Bedrijfsverzamelgebouwen vallen hieronder ook. Aan de hand van de richtafstanden is binnen deze bestemming een milieuzonering opgenomen aan de hand waarvan wordt aangegeven welke categorie ter plaatse is toegestaan. De algemene toelaatbaarheid van bedrijvigheid bedraagt maximaal milieucategorie 2. Een Staat van Bedrijfsactiviteiten van toegestane bedrijven is als bijlage opgenomen. Binnen de bestemming zijn de volgende bouwwerken toegestaan: hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken. In de regels is onder meer de toegestane bouwhoogte van de hoofdgebouwen vastgelegd. De hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gesitueerd. De oppervlakte aan bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan 1.800 m².
Artikel 5 Groen De bestemming 'Groen' is opgenomen voor de groene gebieden waarvan het groene karakter voor de ruimtelijke structuur van het plangebied van belang is. Binnen de bestemming is de aanleg van voetpaden en water mogelijk. Door middel van het opnemen van een voorwaardelijke verplichting wordt geborgd dat beplanting in de groenstrook wordt aangelegd en onderhouden overeenkomstig het in de bijlage opgenomen beplantingsplan. Artikel 6 Tuin De gronden met de bestemming 'Tuin' zijn bestemd voor tuinen, behorende bij de in de aangrenzende bestemming gelegen hoofdgebouwen (bestemd als 'Wonen'). Op de gronden met deze bestemming zijn kleine aan- en uitbouwen (bijvoorbeeld erkers of ingangspartijen) toegestaan. Daarnaast zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan tot een hoogte van 1 meter. Artikel 7 Water Belangrijke waterlopen- en partijen zijn als ‘Water’ bestemd. Artikel 8 Wonen De gronden met de bestemming ‘Wonen’ zijn bestemd voor wonen. Bij de woonfunctie zijn aan-huisverbonden beroepen of bedrijven onder voorwaarden toegestaan. Aan-huis-verbonden bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan via afwijking. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd. De toegestane maatvoering van het hoofdgebouw is generiek geregeld.
Buiten het bouwvlak zijn bijbehorende bouwwerken (aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) toegestaan. Hierbij geldt dat de gronden buiten het bouwvlak voor maximaal 50% mogen worden bebouwd, tot een maximum van 50 m². Op percelen groter dan 500 m² mogen, afhankelijk van de perceelsgrootte, meer bijbehorende bouwwerken worden gebouwd. In de regels zijn nadere voorwaarden gegeven voor de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Via een omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag een dakopbouw, een hekwerk op een dakterras of een Bed & Breakfast toestaan. 7.3.3 Algemene regels Dit hoofdstuk bevat meerdere artikelen die op de bestemmingen uit hoofdstuk 2 van toepassing zijn. Artikel 9 Anti-dubbeltelregel Het artikel 'Anti-dubbeltelregel' bevat een regeling waarmee wordt voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot.
60
Toelichting
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
Artikel 10 Algemene bouwregels In het artikel 'Algemene bouwregels' is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Bijvoorbeeld extra bouwmogelijkheden voor ondergeschikte bouwdelen zoals balkons, kelders en ondergronds bouwen. Artikel 11 Algemene gebruiksregels In het artikel 'Algemene gebruiksregels' is een algemeen verbod opgenomen voor gebruik in strijd met de bestemmingen. Artikel 12 Algemene afwijkingsregels Het artikel 'Algemene afwijkingsregels' is gebaseerd op artikel 3.6, lid 1 onder c van de Wro en heeft onder meer tot doel enige flexibiliteit in de regels aan te brengen. Met een door het bevoegd gezag te verlenen afwijking kunnen onder meer geringe wijzigingen in de maatvoeringen voor bouwwerken, zoals genoemd in hoofdstuk 2 van de regels, worden aangebracht en (openbare) nutsvoorzieningen worden gerealiseerd. Artikel 13 Overige regels In dit artikel zijn de parkeerregels opgenomen. Deze komen er op neer dat het parkeerbeleid van de gemeente dient te worden toegepast bij nieuwe bouwplannen en functiewijzigingen. 7.3.4 Overgangs- en slotregels Het laatste hoofdstuk van de planregels bevat twee artikelen. Artikel 14 Overgangsrecht Het artikel 'Overgangsrecht' heeft ten doel de rechtstoestand te begeleiden van situaties die afwijken van de regels van het bestemmingsplan. Lid 14.1 e.v.
van dit artikel geeft regels voor bouwwerken die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden, en die afwijken van de bebouwingsregels van het plan. Lid 14.4 e.v. van dit artikel regelt het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken in het plan, voor zover dit gebruik op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan, afwijkt van de in het plan gegeven bestemming. Artikel 15 Slotregel Het artikel 'Slotregel' bevat de titel waaronder het bestemmingsplan kan worden geciteerd. Dit artikel wordt dan ook wel het citeerartikel genoemd.
7.4
Handhaving bestemmingsplan
Het ontwikkelen van beleid en de vertaling daarvan in een bestemmingsplan heeft alleen zin, indien na de vaststelling van het bestemmingsplan handhaving plaatsvindt. Daarom is het belangrijk om reeds ten tijde van het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te besteden aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels. Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid: 1. Voldoende kenbaarheid van het plan Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het bestemmingsplan bij degenen die het moeten naleven. De wet bevat enkele waarborgen ten aanzien van de te volgen procedure: deze heeft in de bestemmingsplanprocedure een aantal inspraakmomenten ingebouwd. 2. Voldoende maatschappelijk draagvlak voor beleid en regeling in het plan De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden indien het beleid en de regeling vanuit een oogpunt van algemeen belang aanvaardbaar is. De belangen van omwonenden worden hierbij vooraf gewogen in het kader van de inspraak. 3. Realistische en inzichtelijke regeling Een juridische regeling dient realistisch en inzichtelijk te zijn; dat wil zeggen niet onnodig beperkend of inflexibel. Bovendien moeten de bepalingen goed controleerbaar zijn. De regels moeten derhalve niet meer regelen dan noodzakelijk is. 4. Actief handhavingsbeleid
Toelichting
61
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in het plangebied. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de regels worden overtreden. Indien dit wordt nagelaten, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid.
62
Toelichting
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
Hoofdstuk 8 8.1
Economische uitvoerbaarheid
Financiële haalbaarheid
De gemeente en initiatiefnemer/exploitant van de planontwikkeling hebben over de economische uitvoerbaarheid van het plan overleg gehad. De planontwikkeling zal in overeenstemming zijn met provinciale en gemeentelijke uitgangspunten. De afspraken zijn vastgelegd in een tussen de gemeente en initiatiefnemer/exploitant gesloten exploitatieovereenkomst. Hiermee is het kostenverhaal voor de ontwikkeling verzekerd en is het niet noodzakelijk om een exploitatieplan vast te stellen. Er zijn ook geen overige redenen als bedoeld in artikel 6.12 Wro, om een exploitatieplan vast te stellen. Alle eisen en voorwaarden waaraan moet worden voldaan zijn opgenomen in de exploitatieovereenkomst.
Toelichting
63
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
64
Toelichting
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
Hoofdstuk 9 9.1
M aatschappelijke betrokkenheid
Resultaten overleg ex artikel 3.1.1 Bro
In het kader van het overleg ingevolge artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan een aantal personen en/of instanties.
9.2
Communicatie
Initiatiefnemer heeft overleg gehad met de aangrenzende bewoners/ eigenaren aan de Plasweg 22 en Polderweg 2. Betrokkenen hebben medegedeeld dat zij geen bezwaren hebben tegen de planontwikkelingen aan de Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2 in Waddinxveen.
9.3
Zienswijzen
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening heeft het ontwerpbestemmingsplan vanaf 15 juli 2021 gedurende zes weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn twee schriftelijke zienswijzen ontvangen, waarvan er één later is ingetrokken. De overgebleven zienswijze is beantwoord in de Nota van beantwoording zienswijzen, welke is opgenomen in Bijlage 6.
Toelichting
65
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
66
Toelichting
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
Bijlagen toelichting
Bijlagen toelichting
67
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
Bijlage 1 Landschapsplan Vredenburghlaan Waddinxveen
68
Bijlagen toelichting
LANDSCHAPSPLAN VREDENBURGHLAAN, RANDWEG WADDINXVEEN
Randweg Waddinxveen Landschapsplan datum: 22 februari 2017
status: defintief
schaal: 1:2.000/ 1:200
versie: 3.0
papierformaat: 1440x840
getekend: P. Westerink
referentie: 20170222_WADDINXVEEN_LANDSCHAPSPLAN_v3.0PW
ONDERWERP
PROJECTNUMMER
Landschapsplan Randweg Waddinxveen
D03091.000071
DATUM
ONZE REFERENTIE
23-2-2017
079090699 C
VAN
Peter Westerink AAN
Provincie Zuid-Holland
Landschapsplan Randweg Waddinxveen In februari 2016 is de landschapsvisie voor de Vredenburghlaan en de Bentwoudlaan, Randweg Waddinxveen, opgeleverd. Dit landschapsplan is de uitwerking van de landschapsvisie voor de Vredenburghlaan en loopt van de aansluiting met de parallelstructuur A12 in het zuiden tot de aansluiting met de Zesde Tochtweg in het noorden. Hieronder wordt kort de landschapsvisie beschreven en toegelicht op welke manier de visie is vertaald voor de Vredenburghlaan. Er liggen in het gebied krachtige structuren (lanen, linten en tochten) die door iedereen (in alle plannen) onderschreven worden en die behouden moeten blijven als ruimtelijke structuurdragers en recreatieve verbindingen tussen kern en buitengebied. Kruisingen van de Vredenburghlaan met deze structuren vragen om een zorgvuldige inpassing waarbij landschappelijke structuren herkenbaar blijven (Gebiedsprofiel en Structuurvisie) en de waarde ervan niet ondermijnd wordt (Landschapsplan Provinciale Infrastructuur). De ontwikkelingen in het gebied zijn op de langere termijn onzeker. De invloedssfeer van stedelijke ontwikkelingen is echter wel overal aanwezig.
De Vredenburghlaan en Bentwoudlaan vormen de begrenzing van de stadsrandzone rond Waddinxveen (of deze nu agrarisch of meer recreatief van aard is of wordt) en daarmee de grens tussen stedelijk gebied (met vooral wonen) en grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen (kassen en bedrijven).
Figuur 1 Landschapsvisie Vredenburghlaan en Bentwoudlaan De visie is opgebouwd uit de volgende drie pijlers: 1. Een zorgvuldige inpassing van nieuwe structuren met behoud van bestaande. 2. De weg reageert op de omgeving. 3. Continuïteit in het wegbeeld.
Arcadis Nederland B.V., Piet Mondriaanlaan 26, Amersfoort
T +31 (0)88 4261261
Arcadis Nederland B.V. - Registered office: Arnhem - Registered number: 09036504
www.arcadis.com
1. Een zorgvuldige inpassing van nieuwe structuren met behoud van bestaande In de landschapsvisie is gekozen voor een eenzijdige bomenrij aan de westzijde van de Vredenburghlaan. Met deze bomenrij wordt de ontginningsstructuur van de Zuidplaspolder versterkt. Daarom is er vooralsnog gekozen om alleen op de rechte trajecten een bomenrij toe te voegen in de 6 meter brede berm, buiten de minimale obstakelvrije zone van 4.5 meter. Ter plaatse van de opstelvakken van de kruisingen is een 4.5 meter brede berm aanwezig. Bij de verdere uitwerking wordt bezien of de bomenrijen nog verder doorgetrokken kunnen worden richting de kruising met de Beijerincklaan. Vanwege de benodigde obstakelvrije zone van 4.5 meter wordt de bomenrij onderbroken bij de kruising met de Beijerincklaan en de aansluiting met de Parallelstructuur A12. Waar de weg omhoog gaat om de Plasweg te kruisen stopt de bomenrij, zie figuur 2. Reden hiervoor is dat het profiel hier veranderd en dat het hoogteverloop niet geaccentueerd moet worden met een bomenrij.
Figuur 2 Landschapsplan Met de aanplant van de bomenrijen ontstaat er een asymmetrisch profiel, waarbij de weg aan één zijde begeleidt wordt door bomen en aan de andere zijde open blijft. Voorgesteld wordt om eenzelfde afstand tussen de bomen te hanteren als toegepast bij de Zuidelijke Rondweg, een hart op hart afstand van 10 meter. Aan de open zijde is watercompensatie vorm gegeven door middel van een brede watergang. De watergang fungeert tevens als perceelsafscheiding. Aan de westzijde is greppel ingepast waardoor een scheiding in de vorm van een afrastering voor vee noodzakelijk is. Het wegprofiel past zich daarmee aan de omgeving en de (toekomstige) ontwikkeling van de omgeving aan: bomen aan de zijde waar ontwikkelingen plaatsvinden en open (en waterrijk) aan de zijde waar een landschappelijke, recreatieve zone is voorzien met ruimte voor waterbergingsopgaven. Bovendien heeft het wegprofiel zo een afwijkend profiel ten opzichte van de linten en lanen in het gebied, met bomen aan weerszijde van de weg.
Figuur 3 Profiel A-A'
Datum: 23-2-2017
2 van 6
Figuur 4 Profiel B-B' Kruisingen bestaande structuren De historische structuren: de Plasweg en de Beijerincklaan (bestaande uit de Beijerincklaan, watergang, Tweede Bloksweg en IJsermanweg) veranderen met de aanleg van de Randweg drastisch door de verhoogde ligging bij de Plasweg en een kruising bij de Beijerincklaan. Beijerincklaan De bestaande waterstructuren worden via een duiker(brug) onder de Vredenburghlaan verbonden. Deze duiker(brug) heeft bij de Beijerincklaan een minimale hoogte van 1.5 meter zodat de aanwezige watervleermuizen via het water onder de weg door kunnen vliegen. De huidige breedte van het waterlijn wordt in de duiker(brug) doorgezet. De aanwezige laanbeplanting zal, in het geval van de Beijerincklaan over een grote afstand gekapt moeten worden. Vanuit de landschappelijke structuur is het echter zeer wenselijk om (een deel van) de laanstructuur door te laten tot de kruising zodat de Beijerincklaan een continue begeleiding heeft. Dit is mogelijk door nieuwe bomen te planten tussen de verbrede watergang en de IJsermanweg. Deze bomen zullen gezien de beperkte groeiplaats alleen nooit vergelijkbaar worden qua grootte als de bestaande bomen, zie figuur 5. Daarom is het voorstel is om de bomen aan de buitenzijde van het hele profiel te handhaven. Het betreft hier de bomen tussen de Beijerincklaan en de Tweede Bloksweg en tussen de IJsermanweg en de watergang.
Dit is alleen mogelijk indien de eis van het Hoogheemraadschap dat de vergraven watergangen hun oorspronkelijke breedte en doorstroomprofiel behouden wordt losgelaten. Zie figuur 6 voor het principe en het ruimtelijke effect.
Figuur 5 Profiel D-D'
Datum: 23-2-2017
3 van 6
Figuur 6 Profiel D-D' Voorstel versmalling watergang Beijerincklaan Het voorstel is voorgelegd aan het Hoogheemraadschap. Zij handhaven het standpunt dat de watergang ten westen van de Beijerincklaan niet versmald mag worden. Verderop ligt het gemaal en in de huidige situatie is de doorstroming al verre van optimaal. Een versmalling zou dit effect alleen maar versterken. Daarom is gekozen voor de aanplant van nieuwe bomen met de beperkte groeiplaats en daarmee kleinere afmetingen. Dit resulteert in een vormgeving van de kruising van de Beijerincklaan zoals is weergegeven in figuur 7.
Figuur 7 Vormgeving van de kruising van de Beijerincklaan Door het toevoegen van de kruising is er een heel aantal bomen dat verwijderd moet worden. Het gaat om ongeveer 112 bomen die verwijderd dienen te worden door de aanleg van de Vredenburghlaan. Deze bomen worden deels gecompenseerd doormiddel van de bomen die langs de Vredenburghlaan geplaatst worden, dit zijn er 89. Het is mogelijk om 12 nieuwe bomen tussen de IJsermanweg en de watergang van de Beijerincklaan worden aangeplant. De overige te compenseren bomen dienen langs de Beijerincklaan geplaatst te worden om de laanstructuur te versterken.
Datum: 23-2-2017
4 van 6
Plasweg De Plasweg wordt gekruist met viaduct voor de het fietspad en een twee duikers voor de watergangen aan beide zijden van de Plasweg. De wens om dit viaduct te verbreden zodat ook de watergang wordt gekruist en een brede doorgang ontstaat, is op dit moment niet realiseerbaar binnen het beschikbare budget.
Figuur 8 Vormgeving van de kruising van de Plasweg
2. De weg reageert op de omgeving De Vredenburglaan en Bentwoudlaan vormen geen autonome elementen in het landschap, maar maken onderdeel uit van hun omgeving. De basis hiervoor ligt in de situering van de weg met de kavelrichting van het onderliggende landschap mee en grotendeels op maaiveldniveau. De Vredenburghlaan bestaat uit twee delen • De Vredenburghlaan tussen parallelstructuur A12 en de Plasweg; • De Vredenburghlaan tussen Plasweg en Zesde Tochtweg. Het eerste traject volgt de richting van de Zuidplaspolder, hier wordt de nieuwe randweg dan ook begeleidt met bomen, zie vorige pijler. Het tweede traject begint al voor de Plasweg bij het verhogen van de weg om de Plasweg op hoogte te kruisen. Dit deel van de Vredenburghlaan moet een belangrijke entree voor Glasparel+ worden. De weg maakt hier ook een bocht om de verbinding met de Bentwoudlaan te maken en kruist de Zesde Tochtweg met een rotonde. Het ontwerp van de aansluiting met de Zesde Tochtweg is indicatief. De detailuitwerking vindt later plaats. Bedrijven en kassen in een waterrijke, parkachtige omgeving bepalen hier het landschappelijke beeld. Het is een kans om de gewenste waterpartijen van Glasparel+ te combineren met de watergangen van de Vredenburghlaan. Hierdoor komt het landschap dichter op de weg te liggen, zie hiervoor de profielen op de volgende pagina.
Deze kans vraagt nog nader overleg met de ontwikkelaar van de Glasparel, gemeente en provincie.
Figuur 9 Profiel C-C'
Datum: 23-2-2017
5 van 6
Figuur 10 Profiel C-C' Kans combineren waterpartijen Glasparel+ 3. Continuïteit in wegbeeld Met de keuze voor een bomenrij ontstaat er een continue wegbeeld van rijbanen en wegbermen met eenzelfde breedte. Kruisingen en rotondes vormen onderbrekingen, en daarmee belangrijke oriëntatiepunten in de doorgaande lijn, en tevens de raakvlakken met de kruisende structuren. De eenzijdige beplanting van de Vredenburghlaan en Bentwoudlaan aan dezelfde kant van de weg zorgt tevens voor een continuïteit van het wegbeeld en vergroot wellicht de herkenbaarheid voor de weggebruiker binnen de Zuidplaspolder. Voor het doorzetten van de bomenrijen is een bredere berm nodig, waarvoor extra grond aangekocht moeten worden. Bij de verdere uitwerking wordt bezien of dit mogelijk is.
Datum: 23-2-2017
6 van 6
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
Bijlage 2 M .e.r.-beoordelingsbesluit
76
Bijlagen toelichting
bestemmingsplan Plasweg 24/24a, 41 en Polderweg 2
Bijlage 3 Verkennend en nader milieukundig bodemonderzoek
Bijlagen toelichting
81
NADER MILIEUKUNDIG BODEMONDERZOEK AAN DE PLASWEG 39
M I L I E U B E H E E R
TE WADDINXVEEN
NADER MILIEUKUNDIG BODEMONDERZOEK AAN DE PLASWEG 39 TE WADDINXVEEN
Colofon
Opdrachtgever:
Hoogendoorn Beheer B.V. De heer J. Hoogendoorn Plasweg 16a 2742 KC Waddinxveen
Adviesbureau:
VanderHelm Milieubeheer B.V. Nobelsingel 2 2652 XA Berkel en Rodenrijs 010 - 249 24 60 info@vdhelm.nl www.vdhelm.nl
Projectfoto's:
VanderHelm Milieubeheer B.V.
© VanderHelm Milieubeheer B.V.
Projectcode:
KAWA20200263
Versie
Definitief
Datum
07-05-2020
Verantwoording
Auteur
Dhr. Ing. M. Hillenga
Projectleider
Mw. S.J.M. Clement-Waaijer MSc
Vrijgave
Dhr. Ing. E.L. van den Bosch
INHOUDSOPGAVE
1. INLEIDING......................................................................................................................................... 4 2. ACHTERGRONDINFORMATIE ........................................................................................................ 6 3. CONCEPTUEEL MODEL.................................................................................................................. 7 4. VELDONDERZOEK .......................................................................................................................... 8 4.1 AANPAK EN UITVOERING .....................................................................................................................8 4.2 BESPREKING VAN WAARNEMINGEN TIJDENS HET VELDWERK.................................................................8 5 LABORATORIUMONDERZOEK EN TOETSING .............................................................................. 9 5.1 TOETSINGSCRITERIA ...........................................................................................................................9 5.2 GETOETSTE ANALYSERESULTATEN ....................................................................................................10 6. EVALUATIE ONDERZOEKSRESULTATEN .................................................................................. 11 7.
CONCLUSIES, AANBEVELINGEN EN OPMERKINGEN .............................................................. 12
BIJLAGEN: VELDWAARNEMINGEN 1. 1A. LEGENDA EN BOORPROFIELEN 1B. FOTOGRAFISCHE WEERGAVE 1C. VERKLARING ONAFHANKELIJKHEID VELDWERKER 2. PARAMETERS 3. RESULTATEN ANALYSES 4. TOETSINGSTABELLEN ANALYSERESULTATEN 4A. TOETSINGSTABELLEN ANALYSERESULTATEN GRONDMONSTERS 4B. TOETSINGSRESULTATEN GROND INDICATIEF BESLUIT BODEMKWALITEIT EN TIJDELIJK HANDELINGSKADER 5. LOKALE SITUATIEKAART 6. SITUATIESCHETSEN TERREIN
Nader milieukundig bodemonderzoek Plasweg 39 te Waddinxveen Projectcode: KAWA20200263
3
1. INLEIDING VanderHelm Milieubeheer B.V. te Berkel en Rodenrijs heeft van Hoogendoorn Beheer B.V. de opdracht ontvangen voor het uitvoeren van een nader milieukundig bodemonderzoek aan de Plasweg 39 te Waddinxveen. Aanleiding Aanleidingen tot dit onderzoek zijn de in eerder uitgevoerd verkennend en nader bodemonderzoek aangetroffen verontreinigingen met PAK (10 VROM) alsmede de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie. Doelstelling De doelstellingen van het onderzoek zijn het vaststellen van de ernst (saneringsnoodzaak), omvang en, indien van toepassing, de spoedeisendheid van de aangetroffen verontreinigingen. Kwaliteitsborging Onderhavig onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met het kwaliteitssysteem van VanderHelm Milieubeheer B.V. Dit kwaliteitssysteem is gecertificeerd conform de norm ISO 9001:2015. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat van de BRL SIKB 2000 (Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek) en de huidige versie van het protocol 2001 (plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen). VanderHelm Milieubeheer B.V. is voor deze beoordelingsrichtlijn gecertificeerd en is tevens erkend door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.
Het nader milieukundig bodemonderzoek is verricht conform de NTA 5755; Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek - Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging (juli 2010). Het laboratoriumonderzoek is uitgevoerd door Synlab Analytics & Services B.V. te Rotterdam. Synlab Analytics & Services B.V. is geaccrediteerd volgens de door de Raad voor Accreditatie onder nummer L028. Met deze kwaliteitsborging in de vorm van parafering op de eerste pagina en bijlage 1C van deze rapportage, verklaart de projectleider dat alle medewerkers de kritische functies ‘veldwerkzaamheden’ en ‘monstername’ onafhankelijk van de opdrachtgever hebben uitgevoerd conform de eisen van de BRL SIKB 2000 (Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek). VanderHelm Milieubeheer B.V. heeft geen financiële en/of juridische belangen bij de onderzoekslocatie van dit project.
Nader milieukundig bodemonderzoek Plasweg 39 te Waddinxveen Projectcode: KAWA20200263
4
Leeswijzer De rapportage is verder opgebouwd uit de volgende hoofdstukken: Hoofdstuk 2
Achtergrondinformatie In dit hoofdstuk worden de relevante gegevens betreffende eerder uitgevoerde bodemonderzoeken en de gevalsdefinitie beschreven.
Hoofdstuk 3
Conceptueel model Beschrijving van de hypothese ten aanzien van de geconstateerde verontreiniging en hoe invulling te geven aan kennishiaten.
Hoofdstuk 4
Veldonderzoek In dit hoofdstuk staat wanneer en hoe het veldwerk heeft plaatsgevonden. Tevens worden de waarnemingen tijdens het veldwerk beschreven.
Hoofdstuk 5
Laboratoriumonderzoek en toetsing Aan de hand van de waarnemingen tijdens het veldwerk wordt bepaald welke monsters, en op welke stoffen, deze monsters geanalyseerd worden. De analyseresultaten van de geselecteerde monsters worden getoetst aan de vigerende normen.
Hoofdstuk 6
Evaluatie onderzoeksresultaten In dit hoofdstuk worden de onderzoeksresultaten nader toegelicht.
Hoofdstuk 7
Conclusies, (aanbevelingen) en opmerkingen De rapportage wordt afgerond met een formulering van conclusies, (aanbevelingen) en opmerkingen.
Nader milieukundig bodemonderzoek Plasweg 39 te Waddinxveen Projectcode: KAWA20200263
5
2. ACHTERGRONDINFORMATIE De onderzoekslocatie is gelegen aan de Plasweg 39 te Waddinxveen en heeft een oppervlakte van circa 5.775 m2. Kadastraal staat de onderzoekslocatie bekend als gemeente Waddinxveen, sectie C, nummer 5973. De onderzoekslocatie bestaat uit een toegangsweg en een deel van het erf. Op 21 december 2016 is door VanderHelm Milieubeheer B.V. een verkennend en nader milieukundig bodemonderzoek conform NEN 5740 en NTA 5755 uitgevoerd met kenmerk CRWA161600. Uit het onderzoek blijkt dat in mengmonster M01, van de matig baksteen- en zwak puinhoudende bovengrond ter plaatse van het westelijk deel van het terrein (boring 06 en 17), de concentratie van de parameter PAK (10 VROM) de tussenwaarde overschrijdt. De deelmonsters van M01 zijn individueel geanalyseerd op PAK (10 VROM), uit de resultaten blijkt dat de bovengrond ter plaatse van boring 17 licht verontreinigd is met PAK (10 VROM) en dat de bovengrond ter plaatse van boring 06 sterk verontreinigd is met PAK (10 VROM). Voor het nader onderzoek zijn 10 afperkende boringen gezet. Uit de resultaten blijkt dat in de zintuiglijk schone bovengrond ter plaatse van boring 06-10 een sterk verhoogde concentratie PAK (10 VROM) is gemeten. De grond ter plaatse van de overige afperkende boringen is maximaal licht verontreinigd met PAK (10 VROM).
Tussen boring 06 en 06-10 bevinden zich twee boringen met licht verhoogde concentraties PAK (10 VROM). De sterke verontreiniging met PAK (10 VROM) ter plaatse van boring 06 is hiermee voldoende afgeperkt en betreft minder dan 25 m³. De omvang van de sterke verontreiniging met PAK (10 VROM) ter plaatse van boring 06-10 is in het onderhavig onderzoek niet bepaald. Op basis van de onderzoeksresultaten bedraagt de omvang van de verontreiniging mogelijk meer dan 25 m³ sterk verontreinigde grond. De omvang de verontreiniging is nog niet in voldoende mate vastgesteld, tevens is er mogelijk sprake van een "geval van ernstige bodemverontreiniging" zoals beschreven in de Wet bodembescherming. Nader onderzoek dient te worden uitgevoerd om de omvang en spoedeisendheid vast te stellen. De opdrachtgever is voornemens om ter plaatse van de onderzoekslocatie een toegangsweg te realiseren.
Nader milieukundig bodemonderzoek Plasweg 39 te Waddinxveen Projectcode: KAWA20200263
6
3. CONCEPTUEEL MODEL Uit de achtergrondinformatie komt naar voren dat de ernst, omvang en/of spoedeisendheid van de geconstateerde verontreiniging nog niet voldoende is vastgesteld. Derhalve dient nader bodemonderzoek te worden uitgevoerd. In tabel 3.1 is, conform de NTA 5755, een overzicht gegeven van de relevante kerngegevens, uitgangspunten en de gehanteerde onderzoeksstrategie voor het nader onderzoek. Tabel 3.1 Conceptueel model Aanleiding Ter plaatse van boring 06-10 is het bodemtraject van 0,0 tot 0,5 m-mv (zintuiglijk onverdacht) sterk verontreinigd met PAK (10 VROM). Gegevens van de verontreiniging
Doel van het nader onderzoek
Verwachte omvang in de grond Verwachte omvang in het grondwater Verspreidingsroute(s) Mogelijke natuurlijke afbraak Mogelijke saneringsvariant Onderzoeksstrategie