CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Bestemmingsplan Beukenhof (toelichting, regels, verbeelding en bijlagen)

Besluitvormende raadsvergadering 21 juni 2022, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: RV.RB. Vaststellen bestemmingsplan Beukenhof23.968 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Toetsing aan de Woonvisie en woningbouwprogramma Het woningbouwprogramma van 25 appartementen is in overeenstemming met de vastgestelde uitgangspunten in de Woonvisie. Zo wordt o.a. ingezet op betaalbare koopwoningen. Daarnaast is bij de laddertoets aangetoond dat er behoefte is aan de woningen (zie ook 3.4). De ontwikkeling levert een bijdrage aan het meerjarenprogramma woningbouw om voldoende woningen te realiseren voor de doelgroep doorstromers. Bij uitwerking van de bouwplannen dient rekening gehouden met de ambitie om duurzame woningen te realiseren zoals ook opgenomen is in de duurzaamheidsvisie (zie ook 4.4.8).

34/353

4.4.6 Mobiliteitsplan 2013-2020 De gemeenteraad heeft op 26 juni 2013 het Mobiliteitsplan Waddinxveen 2013-2020 vastgesteld. Het mobiliteitsplan vervangt de verkeersvisie Waddinxveen uit 2006 en de second opinion uit 2007. In het mobiliteitsplan staan ambities: een optimaal bereikbaar Waddinxveen, verkeersveiligheid voor alle verkeersdeelnemers, stimuleren van het fietsgebruik en het optimaal benutten van het openbaar vervoer. Het doel van het mobiliteitsplan is om deze vier ambities te realiseren. Hiervoor is een routeboek opgesteld. Dit routeboek bestaat uit beleidskaders die gebruikt worden bij diverse (integrale) ontwikkelingen en maatregelen waarmee de grootste knelpunten aangepakt kunnen worden. Het mobiliteitsplan is een sectorale uitwerking van de in oktober 2012 vastgestelde “Structuurvisie Waddinxveen 2030”. In het mobiliteitsplan staan geen detailuitwerkingen. Hiervoor worden, waar relevant, aparte plannen gemaakt. Nieuwe ontwikkelingen worden getoetst aan acht beleidskaders om de ambities te realiseren. Zowel de beleidskaders als de maatregelen om de knelpunten te reduceren hebben als doel om de mobiliteitsambities te realiseren. De beleidskaders worden gebruikt in het integrale afwegingskader bij nieuwe ontwikkelingen. Toetsing aan het Mobiliteitsplan Deze ontwikkeling is niet strijdig met de uitgangspunten van het Mobiliteitsplan.

Daarnaast wordt met het plan een doorgaande fietsverbinding mogelijk gemaakt zodat het fietsgebruik gestimuleerd wordt. 4.4.7 Parkeerbeleid De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 9 juli 2014 het Parkeerbeleid vastgesteld. Dit beleid is opgesteld, omdat er tot nu toe geen volledig beeld van de parkeersituatie was in Waddinxveen. De gemeente streeft naar een goede en eerlijke parkeersituatie, waarvoor duidelijke uitgangspunten worden opgesteld. De uitgangspunten geven aan: 1. wat wordt verstaan onder een goede parkeersituatie; 2. wat is het bereik van de verantwoordelijkheid van de gemeente. Het parkeerbeleid heeft betrekking op de (toekomstige) bebouwde kom van Waddinxveen. De basis hiervoor is de regeling zoals opgenomen in het 'Parapluplan Archeologie en Parkeren' (2018) en aanvullend de richtlijnen van CROW-publicatie 317, 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' (2012). Het CROW maakt onderscheid in de stedelijkheidsgraad en de locatie. Waddinxveen gaat voor de hele gemeente uit van 'matig stedelijk' als stedelijkheidsgraad. Afhankelijk van de betreffende locatie wordt gekozen voor 'centrum', 'schil centrum', 'rest bebouwde kom' of 'buitengebied', waarin per locatie de bandbreedte wordt bepaald. Toetsing aan het Parkeerbeleid Parkeren wordt in eerste instantie op de te ontwikkelen locatie opgelost.

Hiervan kan worden afgeweken, bijvoorbeeld als blijkt dat er in de directe omgeving een overcapaciteit aan parkeerplaatsen in de openbare ruimte is. In paragraaf 3.3 vindt de nadere toetsing plaats aan het parkeerbeleid. 4.4.8 Duurzaamheidsvisie 2015 - 2025 De duurzaamheidsvisie Waddinxveen 2015-2025 is een strategisch beleidsdocument met de ambitie om een duurzame gemeente te worden. De visie: Waddinxveen is in 2025 halverwege op de weg naar gesloten energieen grondstofkringlopen en heeft een optimale leefomgevingskwaliteit. Dit wordt mogelijk gemaakt door middel van de volgende drie deel ambities:

35/353

1. Waddinxveen heeft in 2025 een leefomgeving die gezondheid en welbevinden van mensen positief beïnvloedt. 2. Waddinxveen is in 2025 CO2-neutraal en wekt minimaal 25 % van haar energie duurzaam op. 3. Grondstofcycli zijn in 2025 voor 50% gesloten op een zo laag mogelijk schaalniveau. In de duurzaamheidsvisie is een tweetal ambities op het gebied van duurzaamheid en wonen opgenomen. Het gaat om het stimuleren van duurzame nieuwbouw en verduurzaming van de bestaande voorraad. Duurzaam bouwen heeft ook een positieve weerslag op de leefbaarheid van de woningen en de woonomgeving en op de betaalbaarheid, woonlasten worden lager. Duurzaamheid is ook in de Woonvisie nader uitgewerkt. Het doel van deze Woonvisie is richting te geven aan het beleid rondom wonen en de woningmarkt in Waddinxveen. Deze richting bestaat uit een hoofddoelstelling en vier pijlers die hier vorm aan geven. Pijler 3 heeft betrekking op duurzaamheid. Duurzaamheid is een belangrijk thema. Bij woonbeslissingen wordt duurzaamheid steeds vaker meegenomen door kopers/bewoners. Duurzaamheid speelt zowel een rol in de bestaande woningvoorraad als in de nieuwbouw. Door duurzaam te bouwen of woningen te verduurzamen, wordt bijgedragen aan energiebesparing in woningen. Duurzaamheid is echter meer dan energiebesparing.

Het draagt ook bij aan voorkomen van uitputting van grondstoffen, een beter woon- en leefklimaat, een gezond binnenmilieu en gezondheid van bewoners. Toetsing aan de Duurzaamheidsvisie Bij de nadere uitwerking van de bouw wordt gekeken of gewerkt kan worden met duurzame bouwmaterialen. Daarnaast worden de woningen gasloos gerealiseerd. Waar mogelijk worden de appartementen energie neutraal gerealiseerd door gebruik te maken van warmte koud opslag. Bij uitwerking van de plannen wordt rekening gehouden met de door de gemeente gehanteerde beleidsuitgangspunten op het gebied van Duurzaam Bouwen.

36/353

Hoofdstuk 5 5.1

Water

Inleiding

Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.

5.2

Beleidskader rijk, provincie en gemeente

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's. 5.2.1 Rijk Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid en is, voor wat betreft de ruimtelijke aspecten, een structuurvisie zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. In de Waterwet is vastgelegd dat het Rijk dit plan eens in de zes jaar actualiseert. Het NWP2 geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot duurzaam waterbeheer. Het NWP2 richt zich op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. In het Nationaal Waterplan zijn de maatregelen benoemd die worden genomen om de verschillende doelen te bereiken.

In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust. Het waterbeleid zoals geformuleerd in het NWP2 werkt door op provinciaal en regionaal niveau, om zo te komen tot gebiedsgericht beleid. Via het provinciaal en gemeentelijk waterbeleid en het beleid van de waterschappen dient het rijksbeleid zoals geformuleerd in het NWP door te werken tot op bestemmingsplanniveau. De watertoets, die is geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening, blijft een belangrijk instrument om de waterbeheerder vroegtijdig bij ruimtelijke planprocessen te betrekken. Daarnaast is in het NWP2 aangegeven dat aandacht moet worden geschonken aan de planologische borging van beschermingszones van primaire waterkeringen, door deze vast te leggen in bestemmingsplannen. Eén en ander is op rijksniveau in het Barro vastgelegd.

37/353

5.2.2 Provincie Op provinciaal niveau heeft de provincie Zuid-Holland het beleid vertaald in het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021. Dit plan bepaalt het waterbeleid. Het gaat om waterveiligheid, waterkwantiteit, waterkwaliteit en een robuust en veerkrachtig watersysteem. In de Omgevingsvisie is veel ruimtelijk waterbeleid geïntegreerd. De visie omvat onder andere het wettelijk verplichte regionale waterplan als genoemd in artikel 4.4 van de Waterwet. Voor de provincie zijn naast de Waterwet (Omgevingswet in 2021) en de Drinkwaterwet ook andere kaders en plannen bepalend en richtinggevend voor het beleid ten aanzien van de drinkwatervoorziening. Provinciaal Waterplan 2010 - 2015 Een aantal onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 – 2015 blijven ongewijzigd van kracht. Dit heeft betrekking op een onderdeel van waterveiligheid, water en natuur en vismigratie. In dit Plan staat uitgebreid beschreven hoe de provincie, samen met waterschappen en andere partners, een duurzame en klimaatbestendige delta zal realiseren en behouden, waar het veilig en aangenaam wonen, werken en recreëren is. In het Provinciaal Waterplan zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationale waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Zuid-Holland. Het Waterplan heeft vier hoofdopgaven: 1. Waarborgen waterveiligheid 2.

Zorgen voor mooi en schoon water 3. Ontwikkelen duurzame zoetwatervoorziening 4. Realiseren robuust en veerkrachtig watersysteem In het plan zijn deze opgaven verder uitgewerkt in 19 thema's én voor drie gebieden, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit leidt tot een integrale visie op de ontwikkeling van de Zuid-Hollandse Delta, het Groene Hart en de Zuidvleugel van de Randstad. Dit is vervolgens verwerkt in het gemeentelijk beleid. 5.2.3 Gemeente Het gemeentelijke beleid is vastgelegd in het Waterplan Boskoop en Waddinxveen (februari 2010). Dit Waterplan is een gezamenlijk plan van de gemeenten Waddinxveen en Boskoop, het hoogheemraadschap van Rijnland en het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Deze partijen hebben het Waterplan opgesteld om knelpunten in het watersysteem aan te pakken en kansen op verbeteringen te benutten. Een opgave voor het Waterplan is te voorzien in de lokale implementatie van het nieuwe waterbeleid (Kaderrichtlijn Water, Nationaal Bestuursakkoord Water). Ook willen de gemeenten en de hoogheemraadschappen met het Waterplan zorgen voor een optimale, gezamenlijke aanpak van de wateropgaven. De verwachting is dat hierdoor kostenefficiënter kan worden gewerkt. Het waterplan focust op de maatregelen in het bebouwde gebied.

Het waterplan heeft tot doel een integrale visie op te stellen over alle aspecten van het water (met uitzondering van drinkwater en zwembaden) en het implementeren van duurzaam waterbeleid in het bebouwd gebied van beide gemeenten. Het waterplan resulteert uiteindelijk in een maatregelenpakket om te komen tot: een veilig en robuust watersysteem; het voorkomen van wateroverlast en watertekort; een goede waterkwaliteit en een ecologisch gezond watersysteem;

38/353

het benutten van mogelijkheden voor beleving en recreatie; het optimaliseren van beheer en onderhoud; het optimaliseren van communicatie binnen en tussen partijen. Met het voorgenomen plan is rekening gehouden met de bovenstaande punten. Dit is nader uitgewerkt in paragraaf 5.4.

5.3

Beleid hoogheemraadschap van Rijnland

Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Dit hoogheemraadschap is in het gebied verantwoordelijk voor de waterhuishouding: het waterkwaliteitsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en de zorg voor de waterkeringen. Voor elk bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de effecten van de bouwmogelijkheden op het waterbeheer. De waterbeheerder voert de Watertoets uit. De Watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. De opmerkingen van de waterbeheerder worden verwerkt in deze waterparagraaf. Taken en bevoegdheden van Rijnland als waterbeheerder Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft de veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Voor voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren.

Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken, zoals gemalen, duikers en stuwen, op orde zijn en toekomstbestendig worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. In het Waterbeheersplan (WBP5) geeft Rijnland richting aan het waterbeheer in de periode 2016 – 2021. Dit is een uitwerking van het coalitieakkoord (2015), waarin het bestuur van Rijnland de koers voor de komende jaren heeft uitgezet. In maart 2016 is het WBP5 vastgesteld (zie http://www.rijnland.net/plannen/waterbeheerplan). In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol. Keur en beleidsregels Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden.

Denk hierbij aan handelingen in of nabij: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken), andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen),

39/353

de bodem van kwelgevoelige gebieden, maar ook aan: onttrekken en lozen van grondwater, het aanbrengen van verhard oppervlak. Per 1 juli 2015 is een nieuwe Keur in werking getreden met daarbij horende uitvoeringsregels. De Keur gaat uit van een “ja, tenzij” benadering; handelingen met een klein risico vallen onder de zorgplicht en kunnen zonder vergunning of melding worden uitgevoerd. Voor handelingen met een groter risico of in expliciet benoemde situaties zijn er algemene regels met voorwaarden van kracht of is een watervergunning vereist (zie http://www.rijnland.net/regels/keur-en-uitvoeringsregels). De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaats vindt, dient de initiatiefnemer een oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water. Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen.

Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op de specifieke situatie ter plaatse van het plangebied.

5.4

Waterhuishouding

Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn.

40/353

De belangrijkste zijn: grondwater en bodemopbouw, oppervlaktewater, hemel- en afvalwater. Afkoppeling van het hemelwater van de daken, ontsluitingswegen, parkeerplaatsen en overige verharde oppervlakken is in principe mogelijk. Beschrijving waterkwantiteit Het plangebied is voor een groot deel bebouwd en verhard. Daarnaast is er openbaar groen aanwezig. De ontwikkeling betreft het slopen van het kinderdagverblijf en het terrein te herontwikkelen met woningbouw, commerciële voorzieningen en bijbehorende (parkeer)voorzieningen. Daarnaast wordt ook de openbare ruimte bij het gemeentehuis groen ingericht. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt meer ruimte geboden aan groen. Bestemming Gemengd Verkeer Groen Wonen Tuin Totale oppervlakte

Bestaand in m2 2.420 4.160 1.650 8.230

Nieuw in m2 4.440 2.468 1.097 223 8.230

Waterafvoer Het hemelwater van de daken van de woningen zal worden afgevoerd naar de gemeentelijke riolering. Het afvalwater van de nieuwbouw zal op het riool worden aangesloten overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Geen gebruik wordt gemaakt van uitloogbare bouwmaterialen. 5.4.1 Wateradvies De Watertoets is via www.dewatertoets.nl op 3 augustus 2021 (dossiercode 2021-015841, ref 20210803-13-27296) uitgevoerd. Het hoogheemraadschap heeft laten weten dat de waterhuishoudkundige belangen niet in het geding zijn. De reactie op het plan is opgenomen in bijlage 3. 5.4.2 Conclusie Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen bestaan er geen bezwaren tegen de in dit bestemmingsplan opgenomen planontwikkeling.

41/353

Hoofdstuk 6 6.1

Omgevingsaspecten

Geluid

6.1.1 Wet- en regelgeving Geluid kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog geluidsniveau kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden langs gezoneerde geluidsbronnen. Onder geluidsgevoelige bestemmingen wordt verstaan (art. 1 Wgh): a. Woningen b. Onderwijsgebouwen c. Ziekenhuizen en verpleeghuizen d. Verzorgingstehuizen e. Geluidsgevoelige terreinen f. Kinderdagverblijven. Bij realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen dient de geluidsbelasting ten hoogste de voorkeursgrenswaarde te bedragen. Als uit onderzoek blijkt dat hier niet aan voldaan kan worden en maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn ofwel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard kan in sommige gevallen een Hogere Waarde worden vastgesteld. Ter bepaling of deze Hogere Waarde inderdaad kan worden vastgesteld heeft de gemeente Waddinxveen op 5 maart 2019 de Beleidsregel Hogere waarden, 2018 regio Midden-Holland vastgesteld. In deze Beleidsregel staan voorwaarden weergegeven waaronder burgemeester en wethouders een hogere waarde mogen verlenen.

In onderstaande tabel zijn de voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden ten aanzien van wegverkeer, railverkeer en industrie weergegeven. Tabel 1: Overzicht voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden in dB voor weg-, railverkeer en industrielawaai Geluidsbron Geluidsbelasting Lden in dB Bestemming VoorkeursMaximale grenswaarde grenswaarde Nieuw te bouwen of het bestemmen van Wegverkeer 48 63 geluidsgevoelige bestemmingen (binnenstedelijk) Railverkeer 55 68 Industrie 50 55 In het kader van een goede ruimtelijke ordening is inzicht vereist in de geluidsbelasting ter plaatse van het plangebied. De cumulatieve geluidsbelasting geeft een indicatie voor de te verwachten geluidhinder. Voor cumulatie van geluid is in Bijlage I, hoofdstuk 2 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 een

42/353

methodiek gegeven voor het bepalen van de gecumuleerde geluidsbelasting. Hierin wordt de geluidsbelasting geclassificeerd en beoordeeld op basis van klassen van 5 dB. Voor bepaling van de milieukwaliteitsmaat is de gangbare rekenmethode Miedema gehanteerd. De te verwachten hinder als cumulatieve geluidsbelasting is gekwantificeerd volgens tabel 2. Tabel 2: Milieukwaliteitsmaat (Miedema) Gecumuleerde geluidsbelasting in Lden in dB

Milieukwaliteitsmaat MKM Goed Redelijk Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer Slecht

< 50 50-55 55-60 60-65 65-70 > 70

6.1.2 Onderzoek In onderhavig bestemmingsplan worden nieuwe geluidsgevoelige functies (woningen) mogelijk gemaakt. Het bouwplan ligt in de wettelijke zones van Kerkweg-Oost, N207. Henegouwerweg, Kanaalstraat, en de Juliana van Stolberglaan. Verder liggen meerdere zogenaamde 30 km/u wegen in de directe omgeving van het plangebied. Uit het uitgevoerde onderzoek (zie bijlage 4) blijkt dat aan de gevels van het pand sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van het verkeer op de Kerkweg-Oost. De maximale grenswaarde wordt nergens overschreden. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de maatregelen om de geluidsbelasting te reduceren niet mogelijk, gewenst en/of doelmatig zijn. Om de woningen mogelijk te maken moeten daarom hogere waarden worden vastgesteld. De gecumuleerde geluidsbelasting staat het verlenen van hogere waarden niet in de weg. Er moet voldaan worden aan de voorwaarden ten aanzien van een geluidsluwe gevel en buitenruimte conform de beleidsregel Hogere Waarden Wetgeluidhinder regio Midden-Holland. In het besluit hogere waarden zijn voorwaarden opgenomen en in de regels van dit bestemmingsplan. 6.1.3 Conclusie Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat vanuit de Wet geluidhinder de Kerkweg-Oost relevant is.

Ter plaatse van het bouwvlak varieert de geluidsbelasting als gevolg van de Kerkweg-Oost van 49 dB (aan de zuidzijde) tot 63 dB (aan de noordzijde). Bron- en overdrachtsmaatregelen, ter reductie van de geluidsbelasting, stuiten op bezwaren van financiële, verkeerskundige en stedenbouwkundige aard. Voor alle 25 appartementen wordt een hogere waarden vastgesteld van 63 dB. Dit omdat op dit moment nog geen inzicht is in waar de appartementen binnen het bouwvlak gerealiseerd worden. Tabel 3: benodigde hogere waarden Ontwikkeling Beukenhof appartementen

Aantal 25

Hogere waarde (dB) 63 dB

Bron Kerkweg-Oost

Aan het hogere waarden besluit zijn voorwaarden verbonden ten einde te kunnen voldoen aan de eisen uit het hogere waarden beleid van de gemeente Waddinxveen en het garanderen van een goed woon- en leefklimaat in

43/353

de appartementen. Het bestemmingsplan moet voldoen aan deze voorwaarden. Omdat de positionering van de appartementen binnen het bouwvlak nog meerdere invullingen toelaat kan nu niet worden vastgesteld of aan deze voorwaarden (63dB) wordt voldaan. Daarom zijn de voorwaarden uit het hogere waarden besluit opgenomen in de planregels als beoordelingskader voor aanvragen voor een omgevingsvergunning voor bouwen. Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen moet door middel van een akoestisch onderzoek aangetoond worden hoe aan de voorwaarden uit het bestemmingsplan en de eisen uit de Wet geluidhinder wordt voldaan. Dit akoestisch onderzoek dient samen met de bouwaanvraag ter toetsing aan het bevoegd gezag te worden aangeboden.

6.2

Luchtkwaliteit

6.2.1 Wet- en regelgeving Als mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in onderstaande tabel. Tabel 4: Grenswaarden Wet luchtkwaliteit stof jaargemiddelde uurgemiddelde NO2 40 µg/m3 200 µg/m3

24-uursgemiddelde n.v.t.

PM10 40 µg/m3

50 µg/m3

n.v.t.

Opmerkingen Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden 24-uursgemiddelde mag 35x per jaar worden overschreden

Ten aanzien van tabel 4 wordt opgemerkt dat PM2,5 niet is beoordeeld. Dit omdat: Wanneer voldaan wordt aan de grenswaarde voor PM10 over het algemeen eveneens wordt voldaan aan de grenswaarde voor PM2,5. Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijk plan of project doorgang kan vinden als: a. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt; b. de luchtkwaliteit ten gevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; c. een project “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 µg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld.); d. een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). (Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten tijdig aan de

44/353

grenswaarden te laten voldoen.) Regeling NIBM De Ministeriële Regeling NIBM geeft een uitwerking aan het Besluit NIBM en een getalsmatige invulling van de NIBM-grens. Voor een aantal categorieën van projecten kan met zekerheid worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een luchtkwaliteitsonderzoek niet meer nodig is: Woningbouw: = 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg. Woningbouw: = 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Ook is in het Besluit NIBM, art.5 een anticumulatiebepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. In de overige gevallen, die niet in het Besluit NIBM genoemd worden, zal op een andere manier bijvoorbeeld door middel van berekeningen aannemelijk gemaakt moeten worden dat de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden.

6.2.2 Onderzoek De luchtkwaliteit ter plaatse van de verschillende locaties is inzichtelijk gemaakt aan hand van de NSL-monitoringstool 2020 (www.nsl-monitoring.nl), die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De concentraties in het NSL geven een indruk van de luchtkwaliteit langs de drukke wegen (intensiteit meer dan 10.000 mvt/etmaal) voor het jaar 2019. Het plan Beukenhof in Waddinxveen omvat de realisatie van ten hoogste 25 appartementen. Gelet op de geringe verkeersgeneratie zal de ontwikkeling 'niet in betekende mate' bijdragen aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen.

45/353

Afbeelding 6.1 Concentraties NO2 en PM10 rond het plangebied De concentraties in de nabijheid van de locatie zijn berekend, aan de hand van de nsl-monitoring, langs de omliggende wegen. De concentraties liggen overal onder de 35 ìg/m³ en voldoen daarmee aan de wettelijke grenswaarde van 40 ìg/m³. De hoogste concentraties langs de Kerkweg-Oost zijn in onderstaande tabel 5 benoemd. Tabel 5: concentraties voor het jaar 2019 Stof Hoogste concentratie Stikstofdioxide (NO2) 25,8 µg/m3 Fijn stof (PM10) 19,1 µg/m3

PM10 Overschrijdingsdagen -6,9

Uit tabel 5 blijkt dat de maatgevende jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof (Pm10) ruimschoots onder de wettelijke grenswaarde van 40 ìg/m³ liggen. Ook het aantal overschrijdingsdagen van maximaal 35 ìg/m³ wordt niet overschreden. Omdat in de huidige situatie aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook in de toekomstige situatie het geval zijn. De concentraties zullen de komende jaren namelijk afnemen. 6.2.3 Conclusie Uit de monitoringstool blijkt dat langs de maatgevende wegen in de nabijheid van het plangebied aan de wettelijke grenswaarden voldaan wordt. Een toename van de concentraties luchtverontreinigende stoffen als gevolg van de ontwikkeling in het bestemmingsplan leidt in geen geval tot een overschrijding van grenswaarden. Deze plannen kunnen conform Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) dan ook toelaatbaar worden geacht.

46/353

6.3

Bedrijven en milieuzonering

6.3.1 Wet- en regelgeving Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Deze brochure geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten. Bij de beoordeling worden ook normen uit de Wet milieubeheer en Activiteitenbesluit milieubeheer betrokken. De richtafstanden in de richtlijn Bedrijven en Milieuzonering 2009 van de VNG gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bijvoorbeeld bedoeld met de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype “gemengd gebied” kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. Dit omgevingstype en bijbehorende systematiek zullen dan wel in het bestemmingsplan moeten worden vastgelegd. In tabel 6 zijn de richtafstanden uit de VNG richtlijn opgenomen voor een rustige woonwijk en gemengd gebied.

Tabel 6 Richtafstanden volgens VNG richtlijn Milieucategorie van bedrijf Richtafstand rustige woonwijk (meter) 1 10 2 30 3.1 50 3.2 100

Richtafstand gemengd gebied (meter) 0 10 30 50

6.3.2 Onderzoek In het plangebied Beukenhof worden nieuwe milieugevoelige activiteiten mogelijk gemaakt (woningen). Het plangebied kan worden beschouwd als een 'gemengd gebied.' Rondom het plangebied zijn een aantal milieubelastende activiteiten gelegen waarvoor op basis van de VNG brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' richtafstanden gelden: Tabel 7 Omliggende bedrijven Bedrijf

Adres

Hotel Restaurant Waddinxveen Basisschool Theo Thijssen Gemeentehuis Waddinxveen Karin's Wassalon Warung Waddinxveen

Kerkweg Oost 226 Kerkweg Oost 230 Beukenhof 1 Kerkweg Oost 169a Kerkweg Oost 171

47/353

Richtafstand t.o.v. gemengde gebied (meter) 0 10 0 0 0

Daadwerkelijke afstand tot plangebied (meter) 14 40 70 10 16

Zoals uit tabel 7 blijkt, zijn er geen bedrijven gevestigd die een belemmering vormen voor de ontwikkeling van woningbouw. In de plint aan de zijde van Kerkweg Oost van het appartementencomplex wordt een commerciële ruimte mogelijk gemaakt. Ter plaatse zijn de functies dienstverlening, zakelijke dienstverlening en maatschappelijke voorzieningen toegestaan. Voor deze nieuwe functie onder de woningen gelden de eisen uit het Bouwbesluit voor de scheiding van wonen en commerciële functies. Daarmee is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse. Omgekeerd levert de woonfunctie geen beperking op voor de bedrijfsvoering van de hiervoor genoemde functies. 6.3.3 Conclusie Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het vaststellen van dit bestemmingsplan. Het voldoet uit het oogpunt van bedrijven en milieuzonering aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening.

6.4

Externe veiligheid

6.4.1

Wet- regelgeving

Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico's voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vormen op dit moment het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico's. Door het stellen van eisen aan de afstand tussen activiteiten met gevaarlijke stoffen en kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen etc.) worden de eventuele gevolgen van deze risico's zoveel mogelijk beperkt. Plaatsgebonden risico (PR) Als “harde” afstandseis voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron). Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd. Groepsrisico (GR) Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedsgebied. Binnen dit invloedsgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 (zich binnen dit invloedsgebied bevindende) personen overlijdt ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron. De uitkomst van dit onderzoek geeft de hoogte van het GR weer en wordt uitgedrukt in een curve, waarbij als norm voor het GR een oriënterende waarde is vastgesteld.

De hoogte van het GR moet door middel van een bestuurlijke afweging worden verantwoord. Als binnen het invloedsgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, geldt ook voor de hiermee samenhangende toename van het GR een bestuurlijke verantwoordingsplicht. 6.4.2 Onderzoek Ter voorbereiding van het opstellen van het bestemmingsplan Beukenhof is onderzocht of er risicobronnen binnen of nabij het plangebied zijn gelegen die hierop van invloed zijn. Mogelijke risicobronnen zijn bedrijven (inrichtingen), waar activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden of transportmodaliteiten bestemd voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals (spoor)wegen en buisleidingen.

48/353

6.4.3 Rekenresultaten Inrichtingen Binnen en nabij het plangebied zijn geen EV relevante inrichtingen gelegen (zie afbeelding 6.2).

Afbeelding 6.2: Ligging plangebied Beukenhof t.o.v. risicobronnen externe veiligheid Transport gevaarlijke stoffen per buisleiding Ten westen van het plangebied is, op ongeveer 360 meter afstand, de hogedruk aardgasleiding W-517-01 gelegen (zie afbeelding 6.2). Het invloedsgebied (brandaandachtsgebied onder de Omgevingswet) van deze gasleiding is 140 meter vanaf de gasleiding. Het plangebied ligt ruim buiten het invloedsgebied van de gasleiding. Dit levert dus geen belemmeringen op voor het plan. Transport gevaarlijke stoffen over de weg Over de provinciale weg N207 (Henegouwerweg) worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Deze weg is op ongeveer 220 meter afstand van het plangebied gelegen (zie afbeelding 6.2). De omvang van het invloedsgebied wordt bepaald door de stofcategorie die wordt vervoerd over de N207. Uit tellingen die zijn gedaan in het verleden blijkt dat het gaat om brandbare vloeistoffen (LF1+2), brandbare gassen (GF3) en toxische vloeistoffen (LT2, beperkte hoeveelheden). De invloedgebieden per stofcategorie zijn opgenomen in het de 'Handreiking Risicoanalyse Transport' (HART). Uit het HART blijkt dat het plangebied is gelegen binnen invloedsgebied van stofcategorie GF3 (355 meter) en LT2 (880 meter). Het plan ligt daarmee binnen het invloedsgebied van de N207, maar wel buiten de meest relevante zone voor het groepsrisico (200 meter zone).

Het plan heeft daarmee geen significante invloed op de hoogte van het groepsrisico, maar volgens artikel 7 van het Bevt moet wel worden ingegaan op bestrijdbaarheid en

49/353

zelfredzaamheid (beperkte verantwoording van het groepsrisico). 6.4.4 Beperkte verantwoording groepsrisico Hoewel de locatie buiten de 200 meter zone van de N207 is gelegen moet volgens het Bevt wel worden ingegaan op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Hierbij is het advies van de Veiligheidsregio Hollands Midden (kenmerk D2021-03-002160, 22 maart 2021 en aanvulling per mail 7 september 2021 i.v.m. laatste versie plannen) meegenomen. De reactie volgt hieronder: Bestrijdbaarheid Hierbij kan onderscheid worden gemaakt in het bestrijden van een calamiteit op de N207 weg waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken en bestrijding in het plangebied 1. Bestrijdbaarheid ongeval op N207; Bij een ongeval op de N207 waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken kunnen de hulpdiensten vanuit twee richtingen de calamiteit benaderen. Ook is er voldoende bluswater aanwezig, omdat de N207 direct langs de Gouwe is gelegen. Dit is nodig om te blussen, maar ook om bijvoorbeeld een waterscherm aan te leggen, zodat toxische (rook)gassen zich zo min mogelijk verspreiden in de omgeving. 2. Bestrijdbaarheid binnen plangebied (bereikbaarheid/bluswatervoorzieningen); Voor het plangebied is het belangrijk, ook los van een ongeval op de N207, dat bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen op orde zijn.

Uit de tekeningen in de toelichting van het bestemmingsplan is niet duidelijk op te maken of de wegen voldoende breed/belastbaar zijn. Om die reden worden hierbij de benodigde afmetingen voor (calamiteiten)routes benoemd: a. De wegen binnen het plangebied minimaal 4,5 meter breed zijn (minimale verharding breed 3,25 meter) en een vrije hoogte van 4,2 meter hebben; b. De wegen (inclusief bruggen) een asbelasting van 100 kN aan kunnen (NEN 1008, klasse 30); c. De bochtstralen van de wegen binnen het plangebied dienen te voldoen aan een minimale afmeting van 10 meter voor de buitenbochtstraal in combinatie met een minimale binnenbochtstraal van 5,5, meter (of gelijk aan de buitenbochtstraal verminderd met 4,5 meter). In verband met de afmetingen van de voertuigen is voor de te maken bochtstraal voor de voertuigen van de brandweer overal een vrije doorrijdbreedte van 3,50 m noodzakelijk; 3. Geadviseerd wordt om te voorzien in een opstelplaats tot op een afstand van 10 meter gemeten van de (brandweer)ingang van het appartementencomplex, zodat voldaan wordt aan artikel 6.37 van het Bouwbesluit en daarmee een snelle inzet voor het beperken van schade en eventueel redden van personen mogelijk wordt gemaakt. Indien de wegen binnen het plangebied voldoen aan bovenstaande punten is het voor de hulpdiensten mogelijk om het appartementencomplex te benaderen in geval van een calamiteit.

Ook bij de aanvraag Omgevingsvergunning Bouwen zal er naar de bereikbaarheid (opstelplaats brandweer) gekeken worden. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om

50/353

grote effecten bij een incident te voorkomen. De toekomstige bewoners zijn voldoende zelfredzaam. Bij het vrijkomen van giftige (rook)gassen, bij een calamiteit in de omgeving (N207 of van elders), is het van belang om te schuilen. Wat betekent: naar binnen gaan, ramen en deuren sluiten en met één druk op de knop de mechanische ventilatie uitschakelen. Hiervoor moet dus wel een voorziening worden aangebracht. Onder de Omgevingswet wordt dit een verplichting om een dergelijke voorziening aan te brengen (artikel 4.124, lid 4 Besluit Bouwwerken Leefomgeving). Wanneer het nodig blijkt om te vluchten, dan zijn er in alle richtingen vanuit het plangebied voldoende mogelijkheden. Het gaat hier om woningen die niet specifiek zijn gericht op 'kwetsbare groepen'. De bewoners worden daarom voldoende zelfredzaam geacht. 6.4.5 Conclusie In het kader van externe veiligheid is het transport van gevaarlijke stoffen over de N207 relevant. Het plangebied ligt weliswaar buiten de 200 meter zone van de N207, maar er moet nog wel worden ingegaan op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

In dat kader de volgende conclusies: De toekomstige bewoners zijn voldoende zelfredzaam; Bij de verdere uitwerking van het plan moet worden voldaan aan de eisen vanuit de Veiligheidsregio wat betreft bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen; Mechanische ventilatie uitvoeren met de mogelijkheid om deze met een druk op de knop uit te kunnen schakelen. Dit is opgenomen in de planregels.

6.5

Bodem

6.5.1 Wet- en regelgeving Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft (Wbb): Niet saneren Indien de verontreiniging voor het beoogde doel niet hoeft te worden gesaneerd kan het ruimtelijke plan voor wat betreft deze verontreiniging zonder meer doorgang vinden. Saneren Indien de verontreiniging moet worden gesaneerd dient een saneringsplan te worden opgesteld en ingediend bij de Omgevingsdienst Midden-Holland. In sommige gevallen kan worden volstaan met het indienen van een BUS-melding (Besluit Uniforme Saneringen). Na goedkeuring door het bevoegd gezag kan de sanering doorgang vinden. Na afloop dient de sanering te worden geëvalueerd en ook dit verslag dient ter goedkeuring te worden voorgelegd. Tijdens de saneringsprocedure kan de ruimtelijke procedure worden voortgezet.

Echter, een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen kan pas inwerkingtreden nadat is vastgesteld

51/353

dat er geen sprake is van een ernstige en spoedeisende sanering (art. 6.2. c. Wabo). Een onderzoeks- en saneringstraject heeft soms grote financiële consequenties voor de beoogde plannen. Enerzijds omdat de kosten van sanering hoog kunnen zijn, anderzijds omdat deze trajecten van grote invloed kunnen zijn op de planning. In het kader van de Grondexploitatiewet dienen deze kosten tijdig in kaart te worden gebracht. Het is daarom aan te bevelen reeds in een vroeg stadium van planvorming (historisch-) bodemonderzoek voor het hele plangebied uit te voeren. Deze bodemonderzoeken zijn ook noodzakelijk bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen. Bij de realisatie van ruimtelijke plannen is vaak grondverzet noodzakelijk. Dit grondverzet is middels het Besluit bodemkwaliteit aan regels gebonden. De gemeente Waddinxveen beschikt over een vastgestelde bodemkwaliteitskaart en bijbehorende Nota Bodembeheer. Uitgangspunt is dat bij hergebruik van grond de kwaliteit moet aansluiten bij de functie ter plaatse. Nagenoeg alle grondverzet dient te worden gemeld bij het Meldpunt Bodemkwaliteit (www.meldpuntbodemkwaliteit.nl). 6.5.2

Onderzoek

Van het plangebied is aan de hand van een recent uitgevoerd historisch bodemonderzoek alle relevante bodeminformatie verzameld. In de volgende paragraaf wordt de bekende bodeminformatie besproken. In bijlage 5 is de bekende bodeminformatie van het plangebied op tekening weergegeven en onderzoek toegevoegd. Omdat de voorgaande uitgevoerde bodemonderzoeken ouder zijn dan 5 jaar is voor het huidige plangebied een actualiserend historisch bodemonderzoek uitgevoerd door Ingenieursbureau Land (kenmerk R01 77878.33 WZI-c01, d.d. 19 juli 2021) Het rapport is als bijlage 6 opgenomen in deze toelichting. 6.5.3 Resultaten Tanks Uit het onderzoek blijkt dat er binnen het plangebied geen ondergrondse tanks aanwezig zijn (geweest). Voormalige en huidige bedrijven Uit het onderzoek blijkt dat er in het verleden binnen het plangebied geen bodembedreigende bedrijven aanwezig zijn geweest. Uit het onderzoek blijkt verder dat er binnen het plangebied geen bodembedreigende bedrijven aanwezig zijn. Gedempte sloten Uit het onderzoek blijkt dat binnen het plangebied een gedempte sloot/watergang aanwezig is. Uit vergelijking van historische kaarten blijkt dat er in het verleden binnen het plangebied een sloot/watergang aanwezig is geweest. De sloot/watergang is gedempt rond 1970 en het is onbekend met welk materiaal de sloot/watergang is gedempt.

Bodemonderzoekslocaties Uit het onderzoek blijkt dat binnen met het plangebied twee bodemonderzoekslocaties aanwezig zijn: Ter plaatse van Kerkweg-Oost 169 (ZH062709169) is in 1993 een bodemsanering uitgevoerd in verband met de nieuwbouw van een bankgebouw. Er was sprake van een sterke verontreiniging met lood. De exacte omvang van de verontreiniging was niet in kaart gebracht. Mogelijk strekt de verontreiniging zich buiten de voormalige bouwlocatie uit. Opgemerkt wordt dat het geplaatste bankgebouw is gesloopt.

52/353

Ter plaatse van Beukenhof 5 (ZH062701901) is een aanwezige kinderspeelplaats onderzocht. Uit het onderzoek blijkt dat geen maatregelen nodig zijn. Grondverzet De gemiddelde bodemkwaliteit binnen het plangebied is vastgelegd in de bodemkwaliteitskaart. Het plangebied is gelegen in zone 3 (Historische bebouwing zeekleipolders). De gemiddelde kwaliteit van de bovengrond (0,0 - 0,5 m -mv) en ondergrond (0,5 – 2,0 m -mv) voldoet aan de klasse Industrie. Dit betekent dat vrijkomende grond van de locatie niet zonder keuring buiten de eigen zone kan worden hergebruikt. Daarnaast dient te worden voldaan aan de vigerende wetgeving ten aanzien van PFAS. Voor het toepassen van grond van buiten het plangebied moet worden aangesloten bij de functie die het gebied heeft of krijgt. In dit geval betreft het de functie Wonen. Overig Tijdens het locatiebezoek zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de mogelijke aanwezigheid van een bodemverontreiniging en/of mogelijke bronnen die een bodemverontreiniging zouden kunnen hebben veroorzaakt. Daarnaast is geen asbestverdacht (plaat-)materiaal aangetroffen. 6.5.4 Conclusie Ten aanzien van de geplande bestemmingswijziging is de bodem van de locatie momenteel voldoende onderzocht.

Op basis van de huidige gegevens kan worden geconcludeerd dat er binnen het plangebied geen grootschalige bodemverontreinigingen zijn te verwachten die een mogelijke belemmering zijn voor de herontwikkeling van het gebied. Wel wordt de locatie als verdacht op het voorkomen van bodemverontreiniging gezien. In kader van de geplande nieuwbouw (aanvraag van een omgevingsvergunning bouw) moet daarom een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 worden uitgevoerd ter plaatse van de gedempte sloot/watergang en de verhoogde gehalten aan lood (exclusief gesaneerde deel).

6.6

Archeologie

6.6.1 Wet- en regelgeving Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als zeer waardevol beschouwd: archeologisch erfgoed betreft onvervangbaar onderdeel van ons cultureel erfgoed. De Erfgoedwet legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed bij de gemeente. De taken in het kader van de Erfgoedwet behelzen o.a. het meewegen van archeologie in de besluiten op het gebied van de Ruimtelijke Ordening (zoals omgevingsvergunning) en de koppeling tussen bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen. De Erfgoedwet verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De feitelijke bescherming daarvan krijgt gestalte door het opnemen van voorschriften in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van een omgevingsvergunning voor bodemverstorende activiteiten in die gebieden die als archeologisch waardevol zijn aangemerkt. Deze

53/353

voorschriften kunnen betrekking hebben op archeologisch vooronderzoek dat de aanvrager van de vergunning moet laten uitvoeren. Aan de vergunning zelf kunnen aanvullende voorwaarden worden verbonden, met als uiterste de verplichting tot planaanpassing of het laten verrichten van een opgraving. De gemeente Waddinxveen heeft in 2012 het eigen archeologiebeleid vastgesteld. Aan de hand van de archeologische waardenkaart is per gebied bepaald of en wanneer archeologisch (voor)onderzoek verplicht is. Deze kaart is in 2018 geactualiseerd en vastgelegd in het Parapluplan Archeologie en Parkeren (19 september 2018). Wanneer een archeologisch onderzoek niet verplicht is, zijn er geen belemmeringen van archeologische aard voor de voorgenomen ontwikkelingen. Wanneer een archeologisch onderzoek verplicht is, dienen verschillende stappen van onderzoek en besluitvorming gevolgd te worden. Deze stappen worden beschreven in de cyclus van de Archeologische Monumentenzorg. 6.6.2 Onderzoek In het kader van het bestemmingsplan Beukenhof Waddinxveen, wordt inzicht gegeven in de verwachtingswaarden, het bijbehorend beleid in het bestemmingsplan en het reeds uitgevoerd archeologisch onderzoek.

Hiervoor zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Parapluplan Archeologie en Parkeren (2018); Archeologische Waarden- en Verwachtingenkaart (2011); Het archeologisch inventariserend onderzoek Plangebied Beukenhof Waddinxveen. 6.6.3 Resultaten Archeologische verwachting en beleid In afbeelding 6.3 is een uitsnede van de archeologische beleidsadvieskaart (2018) van de gemeente Waddinxveen weergegeven.

Afbeelding 6.3: ligging plangebied Beukenhof (blauwe contour) op de archeologische beleidsadvieskaart. Rode zone: hoge archeologische verwachting. WA2 betreft de dubbelbestemming Waarde Archeologie 2. De noordelijke grens van het plangebied Beukenhof ligt aan de Kerkweg-Oost. De Kerkweg-Oost (en Passage) is

54/353

een oude ontginningsas waarlangs archeologische bewoningssporen worden verwacht die teruggaan tot het ontstaan van Waddinxveen in de Middeleeuwen. Daarom geldt er voor een zone langs de Kerkweg-Oost een algemene hoge archeologische verwachting. In het bestemmingsplan is deze zone weergegeven met een archeologische dubbelbestemming Waarde Archeologie 2. Hier is een archeologisch onderzoek nodig voor ontwikkelingen groter dan 100 m² en dieper dan 0,3 m onder het maaiveld. Archeologisch onderzoek Beukenhof Het plangebied is onderzocht door middel van een inventariserend veldonderzoek (adviesbureau RAAP, rapport 5216, 30 juni 2021). Het rapport is als bijlage 7 opgenomen in deze toelichting. Het onderzoek bestond uit een bureau- en een booronderzoek. Uit het bureauonderzoek blijkt dat er een hoge archeologische verwachting geldt verwachting voor vindplaatsen uit de late middeleeuwen (vanaf de 12e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd. Eventueel aanwezige archeologische resten kunnen bestaan uit resten van boerderijplaatsen met bijbehorende erven, schuren, opstallen en perceleringssporen, mogelijk gelegen op terpjes. Huisplaatsen zijn vooral te herkennen aan ophoog- en afvallagen als onderdeel van kleine huisterpjes, soms ook aan fragmenten baksteen- en mortelpuin, aardewerk, glas, steen, metaal, bot (al of niet verbrand) en houtskool.

Een potentieel archeologische niveau kan direct onder het maaiveld verwacht worden. Op grond van de kaartenanalyse is geconcludeerd dat het plangebied onbebouwd was vanaf circa 1614 tot de tweede helft van de 19e eeuw. Binnen het plangebied heeft in ieder geval vanaf de tweede helft van de 19e eeuw bebouwing heeft gestaan. Het betreft huisplaatsen als onderdeel van de boerderijlinten langs de Kerkweg. Vandaar dat voor resten van bebouwing enkel een hoge archeologische verwachting geldt vanaf de Late Nieuwe tijd (vanaf circa 1857). Archeologische resten uit deze periode zijn op dezelfde wijze te herkennen als die uit de periode Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd vroeg. Tijdens het veldonderzoek (mei en juni 2021) zijn 22 grondboringen gezet (maximale boordiepte: 4 meter onder het maaiveld). Het blijkt dat de bodem van het plangebied verstoord is tot plaatselijk 1,4 en 2,8 meter onder het maaiveld. Naast een verstoorde bodem zijn er ook verschillende recente ophogingslagen met veel puin waargenomen. De verstoringen zijn het gevolg van de werkzaamheden aan wegen, parkeerplaats, kabels en leidingen en voormalige bebouwing. Alleen langs de noordrand van het plangebied kunnen nog resten van bebouwing aanwezig zijn van bewoning uit de periode 1857-1876.

Vanwege het aanwezige puin en de diepe verstoringen in de directe omgeving is het aannemelijk dat deze resten niet meer intact zijn. Voor het plangebied wordt geen verder vervolgonderzoek nodig geacht. Wel wordt het doen van een waarneming aanbevolen aan de noordrand van het plangebied bij diepere ingrepen dan 1 m –mv. Zodoende kan gecontroleerd worden of de verwachte resten van bebouwing uit de periode 1857-1876 niet toch intact aanwezig zijn.

55/353

6.6.4 Conclusie Het archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat de bodem van het plangebied Beukenhof grotendeels diep verstoord is. De kans op de aanwezigheid van waardevolle intacte archeologische resten is gering. Voor deze locatie wordt geen dubbelbestemming archeologie opgenomen in het bestemmingsplan. Het plangebied is voldoende archeologisch onderzocht.

6.7

Cultuurhistorie

6.7.1 Wet- en regelgeving Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. 6.7.2 Onderzoek In het plangebied zijn geen cultuurhistorische waardevolle gebouwen c.q. monumenten aanwezig. Nabij het plangebied ligt wel een voormalige pastorie woning wat aangewezen is als gemeentelijk monument (Kerkweg-Oost 218). Daarnaast bevindt zich ook nabij de hervormde brugkerk wat aangewezen is als rijksmonument. Naast het gebouwde erfgoed kunnen ook andere structuren cultuurhistorisch waardevol zijn. Een van deze structuur is de Kerkweg-Oost. In de provinciale cultuurhistorische atlas is de kerkweg-oost geclassificeerd als een historisch landschappelijk lijn met redelijk hoge waarde. De kerkweg was in het verleden een belangrijke verbinding tussen Noord- en Zuid-Waddinxveen. Met de voorgenomen ontwikkeling worden deze cultuurhistorisch waarden niet aangetast. 6.7.3 Conclusie Het initiatief tast de cultuurhistorische waarden niet aan.

6.8

Ecologie

6.8.1 Wet- en regelgeving Om natuurwaarden in Nederland te beschermen gelden de volgende landelijke wetten: de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Deze wetgeving is voor een deel verwerkt in provinciaal beleid, te weten: Provinciale Omgevingsverordening (2021), met bijbehorende beleidsregels voor vergunningplicht voor stikstofuitstoot bij activiteiten, van de provincie Zuid-Holland; natuurbeheerplan 2021. Indien beschermde natuurwaarden aanwezig zijn in een plangebied dient middels een quickscan (combinatie van bureauonderzoek en een veldbezoek) te worden vastgesteld of het voornemen redelijkerwijs uitvoerbaar is, en: Er overtreding van de verbodsbepalingen voor beschermde soorten plaatsvindt (toetsing soortbescherming Wnb); Er mogelijke significante gevolgen zijn voor beschermde gebieden (toetsing aan Wnb gebiedsbescherming, ook wel voortoets genoemd); Er wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) aangetast worden, maar ook of provinciaal compensatiebeleid met betrekking tot door de

56/353

provincie aangewezen 'belangrijke weidevogelgebieden' aan de orde is. Indien deze beschermde natuurwaarden niet worden aangetast, wordt het project conform de eerder genoemde regelgeving toelaatbaar geacht. In dat geval dient rekening te worden gehouden met de algemeen geldende zorgplicht (artikel 1.11) van de Wnb. De zorgplicht bepaalt dat een ieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen voor flora of fauna veroorzaakt, verplicht is maatregelen te nemen die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. De zorgplicht kan gezien worden als algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt. Volgens verwachte planning in 2022 zal tijdens de geldigheid van het op te stellen uitwerkingsplan de Omgevingswet worden ingevoerd. In deze wet zullen Wro en Wnb tezamen met vele andere wet- en regelgeving gebundeld worden. Dit kan nog gevolgen hebben voor activiteiten die uitgevoerd zullen worden in het plangebied na de wetswijziging Wnb. In juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) ingevoerd (zie BIJ12.nl). Deze wet regelt de nieuwe werkwijze voor vergunningverlening. Er wordt een vrijstelling van vergunningplicht voor eenmalige bouwactiviteiten ingevoerd. 6.8.2 Onderzoek Ten behoeve van de uitwerkingsplicht van het bestemmingsplan is ecologisch onderzoek uitgevoerd door de Omgevingsdienst Midden-Holland.

Het betreft de Quickscan ecologie Beukenhof Waddinxveen, kenmerk 2021213921, d.d. 21-03-2019 (hierna: quickscan). De quickscan is als bijlage 10 opgenomen in de toelichting. In de ecologische quickscan is onderzocht of het voornemen in het kader van natuurwetgeving redelijkerwijs uitvoerbaar is. Hieronder is een samenvatting opgenomen van de belangrijkste resultaten, die invloed hebben op de te nemen stappen tijdens de procedure om het bestemmingsplan vast te stellen. 6.8.3

Resultaten

6.8.3.1 Gebiedsbescherming Voor het onderdeel gebiedsbescherming kunnen effecten worden uitgesloten. De voorgenomen activiteiten zijn kleinschalig en hebben geen externe werking op natuurgebieden. Broekvelden, Vettenbroek en Polder Stein is het dichtstbijzijnd gelegen Natura 2000 gebied. Het wordt op termijn ook als stikstofgevoelig aangemerkt. Binnen de looptijd van het bestemmingsplan kunnen activiteiten optreden die stikstofuitstoot veroorzaken. Het is echter met recente regelgeving in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering vastgelegd dat de hoge stikstofbelasting bij de aanleg van bouwprojecten valt onder een vrijstelling van vergunningplicht. De aangewezen vogelsoorten van het Natura 2000-gebied hebben hun rust, nestel en foerageergebieden niet binnen het plangebied van Beukenhof. Er ligt verder geen Natuurnetwerk Nederland-gebied of beschermd weidevogelgebied binnen het plangebied. 6.8.3.2 Soortenbescherming In het kader van de sloop van het voormalige kinderdagverblijf is een quickscan flora en fauna uitgevoerd en aanvullend onderzoek naar vleermuizen (zie bijlage 8). Uit het aanvullend onderzoek bleek dat vleermuizen aanwezig zijn en is er ontheffing aangevraagd en verleend (zie bijlage 9). Voor het gehele plangebied is in het kader van de herontwikkeling onderzoek gedaan naar de eventuele aanwezige soorten in het plangebied (zie bijlage 10).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11555192/1