CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1: Verordening Sociaal Domein Samenredzaam versie maart 2025

Besluitvormende raadsvergadering 21 mei 2025, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: Aanpassing verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen34.322 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

15 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025

1.3 Uitgangspunten Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de doelen van de genoemde wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het resultaat van een besluit recht doet aan die doelen. De gemeente gaat daarbij uit van de volgende Uitgangspunten: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

Eigen leven, eigen verantwoordelijkheid, Jeugdigen groeien gezond en veilig op. Ouders zijn primair verantwoordelijk en zullen zelf (ook) aanpassingen moeten doen. We gaan uit van wat iemand kan in plaats van wat iemand niet kan. De hulpvraag en de eigen woon- en leefomgeving staat centraal. Deze hulp duurt niet langer dan noodzakelijk en is gericht op zelfredzaamheid en versterken van de eigen kracht. Vrij toegankelijke hulp gaat vóór hulp op maat Voorop staat het leren omgaan met de situatie, niet het recht op zorg.

Per hoofdstuk wordt aangegeven welke van deze en andere Uitgangspunten de basis van de regels vormen en welke rol zij spelen. De begrippen die in deze verordening worden gebruikt, worden toegelicht in hoofdstuk 13. De gemeente is gelijktijdig verantwoordelijk voor goede zorg voor inwoners die geen hulp of ondersteuning willen ontvangen, maar wel een gevaar vormen voor zichzelf of de omgeving. Voor deze inwoners wordt vaak de term ‘zorgmijders’ gebruikt. In dit geval zoekt de gemeente samenwerking met de GGD of meldpunt Veilig Thuis.

1.4 Artikel en wet Deze verordening is gebaseerd op de wetten die bij 1.1 zijn genoemd. Die wetten vormen de wettelijke basis voor de artikelen in deze verordening. Maar niet voor alle artikelen geldt dat in iedere wet daarover iets is terug te vinden. Dat verschilt per artikel. Daarom is per artikel aangegeven op welke wetten dat artikel is gebaseerd. Soms is een paragraaf of hoofdstuk in zijn geheel gebaseerd op een of meer wetten. Dan is dat aangegeven bij het begin van die paragraaf of dat hoofdstuk. Waar in deze verordening ‘Gemeentewet’ als grondslag wordt genoemd, gaat dit over de algemene regelingsbevoegdheid van de gemeenteraad (art. 121 Gemeentewet). Bij een aantal artikelen wordt ook de ‘Awb’ (Algemene wet bestuursrecht) genoemd. Die verwijzing staat er als er in de Awb specifieke bepalingen zijn die op dat artikel van toepassing zijn. Bijvoorbeeld bij artikel 3.4.11 en 3.4.12 (over subsidies), 8.2 (over geld) en 11.1 t/m 11.3 (over klachten). De wet verplichte GGZ (wvggz) en de wet zorg en dwang (wzd) vormen hierop een uitzondering. Deze wetgeving vormt een nieuwe verantwoordelijkheid waar gemeenten per 1 januari 2020 mee te maken hebben. Deze wetten komen verder niet terug in de verordening omdat de gemeente hierbij alleen een rol heeft wanneer het gaat om crisissituaties. Het Sociaal Team verwijst - zoals terug te lezen is in artikel 1.3.

- in het geval van zorgmijders en crisissituaties door naar het meldpunt zorg en overlast en zo nodig Veilig Thuis. De wvggz regelt per 1 januari 2020 de rechten van mensen die te maken krijgen met verplichte zorg vanwege een psychische aandoening. Deze wet biedt meer instrumenten voor zorg op maat: verplichte zorg zo kort als mogelijk en zo lang als noodzakelijk. De wet zorg en dwang regelt per 1 januari 2020 de rechten bij onvrijwillige zorg of opname van mensen met een licht verstandelijke beperking of psychogeriatrische aandoening zoals dementie. De gemeente is met deze wetgeving beter in staat om inwoners – bijvoorbeeld na ontslag uit een gedwongen opname - zorg en ondersteuning op maat te kunnen bieden aan huis en in de woonomgeving. De burgemeester heeft de plicht meldingen van inwoners die zich zorgen maken te onderzoeken en kan na het zo mogelijk horen van de betrokkene in overleg met een psychiater zo nodig een (crisis)maatregel opleggen.

16 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025

1) De hulpvraag Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop een inwoner aan de gemeente hulp kan vragen als het gaat om één of meer van de onderwerpen uit deze verordening. Beschreven wordt hoe de inwoner een hulpvraag kan stellen, hoe de hulpverlening in zijn werk gaat en wat de gemeente van de inwoner verwacht. Uitgangspunt is dat alle hulpvragen die de inwoner heeft in één keer kunnen worden gesteld en dat er één procedure is. Dit is de standaardprocedure. Bij het onderzoeken van die hulpvragen kijkt de gemeente naar alle leefgebieden van de inwoner die daarvoor van belang zijn en volgt het principe ‘één huishouden, één plan, één regisseur’. Dit betekent dat er een vaste contactpersoon is die overzicht houdt en de voortgang bewaakt. Soms geldt voor bepaalde hulpvragen een bijzondere route, dat is dan ook aangegeven.

Uitgangspunten:  De gemeente maakt hulp bereikbaar.  De hulpvraag van de inwoner staat centraal.  De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente kan samen met de inwoner zoeken naar een duurzame oplossing van de problemen, als dat nodig is.  De gemeente onderzoekt alle leefgebieden die van belang zijn voor het beoordelen van hulpvragen.

2.1 Stap 1: Melding bij de gemeente [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs] Indienen hulpvraag Inwoners die hulp nodig hebben kunnen zich melden bij het preventieteam (Wadwijzer). Het preventieteam meldt inwoners zo nodig aan bij het Sociaal Team van de gemeente. Inwoners die al hulp krijgen van de gemeente, kunnen direct een digitale melding doen bij het Sociaal Team. De inwoner kan een melding schriftelijk, telefonisch of digitaal doen. Het is ook mogelijk dat iemand anders een melding namens de inwoner doet. De gemeente maakt onder andere via de website bekend hoe en wanneer inwoners zich kunnen melden bij het preventieteam en Sociaal Team. [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs] Procedure Het doel van de melding is om de hulpvraag met de inwoner te bespreken en te onderzoeken of er hulp nodig is. De gemeente bevestigt de melding of aanvraag binnen 5 werkdagen per brief aan de inwoner en nodigt de inwoner daarbij uit voor een gesprek (zie 2.3.1 lid 3). Ook geeft de gemeente informatie over wie namens de gemeente contactpersoon is en dat het mogelijk is om een eigen plan op te stellen (persoonlijk plan). De gemeente informeert de inwoner daarnaast over de mogelijkheid om iemand mee te nemen tijdens het gesprek. Dit kan iemand zijn uit het persoonlijke netwerk of een gratis onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner).

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs] Gegevens De gemeente verzamelt alle gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het gesprek. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen een bepaalde termijn aan te leveren. Bij de uitnodiging voor het gesprek wordt besproken welke gegevens dat zijn en welke termijn daarvoor geldt.

17 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025

2.2 Stap 2: Gesprek na de melding [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs] 2.2.1 Procedure gesprek 1. Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de persoonlijke situatie en de hulpvraag van de inwoner en van het resultaat dat de inwoner wil bereiken met de inzet van hulp of ondersteuning. Het gesprek vindt zo snel mogelijk na de melding plaats. 2. Tijdens het gesprek komen alle leefgebieden aan bod. In gesprek met volwassenen wordt hierbij gebruik gemaakt van de ZelfredaamheidsMatrix (ZRM). Voor jeugdigen wordt gebruik gemaakt van de Gezamenlijke Inschatting Zorgbehoefte (GIZ). 3. In geval na telefonisch of schriftelijk contact de medewerker samen met de inwoner inschat dat een gesprek niet nodig is, kan daarvan af worden gezien 4. Als de inwoner dat wil, kan er iemand vanuit zijn eigen netwerk (familielid, mantelzorg, deskundige of cliëntondersteuner) aanwezig zijn bij het gesprek. In het geval van een jeugdige wordt, afhankelijk van de leeftijd van de jeugdige en in overleg met de ouders of wettelijk vertegenwoordigers, bekeken of de jeugdige wel of niet bij het gesprek aanwezig is. Kinderen van alle leeftijden worden actief uitgenodigd om hun mening te geven.

Kinderen van 12 jaar en ouder hebben het recht hun standpunt kenbaar te maken met betrekking tot jeugdhulpaanvragen en worden in alle gevallen gehoord, tenzij er zwaarwegende inhoudelijke argumenten zijn om hiervan af te wijken. De inbreng van kinderen wordt serieus meegewogen in de besluitvorming. 5. Voor huisbezoeken in het kader van de Participatiewet is een huisbezoekenprotocol opgesteld. Hierin zijn alle regels opgeschreven voor het afleggen van een huisbezoek.

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs] 2.2.2 Inhoud gesprek 1. De medewerker bespreekt met de inwoner welk effect hij wil bereiken. In het gesprek onderzoekt de medewerker voor zover dat nodig is: a. de behoefte van de inwoner: wat is er nodig? b. de persoonlijke situatie en voorkeuren van de inwoner: hoe zien die eruit, hoe kan daarmee rekening worden gehouden en wat betekent dit voor het gewenste effect? c. de (on)mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing van het probleem? d. de omgeving van de inwoner: welke hulp kan het sociale netwerk of kunnen organisaties bieden? e. welke hulp er eventueel gegeven kan worden: is dit hulp-op-maat of een andere voorziening? Kan er een pgb worden verstrekt? Moet de inwoner een bijdrage in de kosten betalen? [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs] 2.2.3 Ondersteuningsplan 1. Tijdens en na het gesprek maakt de medewerker een inschatting van de zelfredzaamheid en de zorgbehoeften van de inwoner. Na het gesprek maakt de medewerker een verslag en legt dit vast in een ondersteuningsplan. Dat is een plan van aanpak, waaruit blijkt wat er is besproken, welk effect de inwoner wil bereiken, hoe dat bereikt zou kunnen worden en welke rol de gemeente daarbij zou kunnen spelen. 2.

De medewerker stuurt het ondersteuningsplan binnen zes weken na het gesprek naar de inwoner, tenzij de inwoner heeft aangegeven dat niet te wensen. 3. De inwoner ondertekent het ondersteuningsplan en stuurt dit terug naar de gemeente. Als de inwoner het niet eens is met wat er staat, kan hij dat daarop aangeven.

18 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025

2.3 Stap 3: Aanvraag [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb] 2.3.1 Aanvraag 1 Met ondertekening van het ondersteuningsplan wordt direct een aanvraag ingediend. Dit geldt niet voor de Jeugdwet en de Participatiewet. (Zie artikel 2.1.1 lid 2). De beoordeling van de aanvraag heeft als doel te bepalen of de gemeente hulp verleent en welke vorm die hulp dan heeft. 2 De melding over een hulpvraag voor een PW-uitkering of een IOAW of IOAZ-uitkering, wordt gezien als een aanvraag op het moment dat de inwoner dit bij de gemeente bevestigt met een (digitale) handtekening. 3 Inwoners die een collectieve zorgverzekering van de gemeente af willen sluiten kunnen dit alleen digitaal aanvragen via www.gezondverzekerd.nl. [Jeugdwet, Wmo, PW, Wgs] 2.3.2 Aanvraag voor hulp-op-maat 1. Vraagt de inwoner hulp-op-maat, dan gelden in ieder geval de volgende voorwaarden: a. De hulp is noodzakelijk om (één van) de doelen van de in 1.1 genoemde wetten te bereiken; b. De inwoner heeft geen mogelijkheden om het gewenste effect op eigen kracht te bereiken. Hij kan dit effect ook niet bereiken met gebruikelijke hulp van huisgenoten, met hulp vanuit het sociale netwerk, vanuit preventief aanbod of met behulp van andere voorzieningen of organisaties; c. De hulp past bij het gewenste effect en de persoonlijke situatie van de inwoner. 2.

Voor sommige vormen van hulp zijn er in de wet of in deze verordening extra voorwaarden gesteld. De hulp-op-maat duurt zo kort als kan en zo lang als nodig. De gemeente kiest daarbij voor de goedkoopste voorziening die nodig is om het probleem van de inwoner langdurig te verminderen of op te lossen. 3. De hulp-op-maat duurt zo kort als kan en zo lang als nodig. De gemeente kiest daarbij voor de goedkoopste passende voorziening die nodig is om het probleem van de inwoner langdurig te verminderen of op te lossen. 4. De gemeente kan financiering van hulp-op-maat weigeren als een inwoner iets (niet) heeft gedaan waardoor de hulpvraag is veroorzaakt, en hij deze hulpvraag had kunnen voorzien. De gemeente kan financiering van hulp-op-maat ook weigeren, als een inwoner de gevraagde hulp zelf heeft ingeroepen of aangeschaft, tenzij de gemeente daarvoor toestemming heeft gegeven. 5. [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb 2.3.3 Advisering De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die nodig is om deze melding of aanvraag goed te kunnen behandelen. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat iemand die de benodigde kennis wel in huis heeft een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de aanvraag.

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Wko, Awb] 2.3.4 Beoordelen aanvraag 1. Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt de gemeente alle gegevens die van belang zijn. Het gaat onder meer om gegevens over: a. de behoeften van de inwoner; b. de (on)mogelijkheden van de inwoner; c. de persoonlijke situatie van de inwoner; d. de mogelijkheden van het sociale netwerk, andere organisaties en de gemeente. 2. Om te bepalen of de gemeente hulp toekent, volgt de gemeente in principe de volgende stappen: Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat de hulpvraag van de inwoner is. Stap 2: De gemeente inventariseert eventuele problemen en beperkingen. Stap 3: De gemeente bepaalt welke hulp nodig is en hoeveel. Stap 4: De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), al dan niet met gebruikelijke hulp, met hulp van anderen uit het sociale netwerk of van andere organisaties, of met andere voorzieningen. Stap 5: De gemeente bepaalt welke maatwerkvoorziening nodig is om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken. 3. Voor iedere stap geldt dat de gemeente die deskundigheid inzet, die nodig is om die stap goed te kunnen afronden.

19 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb] 2.3.5 1.

2. 3.

Beslistermijn De gemeente beslist zo snel mogelijk en in ieder geval binnen 8 weken nadat de de aanvraag is ontvangen. Als het gaat om een aanvraag Wmo dan beslist de gemeente binnen 2 weken na ontvangst van de aanvraag en in ieder geval binnen 8 weken na de melding. De beslistermijn kan schriftelijk worden opgeschoven als de inwoner onvoldoende gegevens heeft doorgegeven. De gemeente noemt dan een nieuwe termijn waarbinnen het besluit zal worden genomen. Het besluit of de afwijzing tot schuldhulpverlening - zoals bedoeld in artikel 4a van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening – wordt gegeven binnen acht weken na de dag waarop het eerste gesprek plaatsvond.

2.4 Stap 4: Beslissing [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb] 2.4.1 Inhoud besluit 1. De gemeente stelt een besluit vast en stuurt deze per brief naar de inwoner. Dit noemen we een beschikking. Het doel van dit besluit is dat de inwoner weet of er wel of geen hulp wordt gegeven. Als hulp wordt gegeven staat in de brief welke vorm de hulp heeft. 2. Geeft de gemeente de hulp in natura, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: a. wat de hulp inhoudt en waarvoor de hulp bedoeld is; b. wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt; c. hoe en door wie de hulp wordt gegeven; d. welke voorwaarden en verplichtingen er voor de hulp gelden. 3. Geeft de gemeente de hulp in de vorm van een pgb, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: a. waarvoor het pgb bedoeld is; b. welke kwaliteitseisen er gelden voor de besteding van het pgb; c. hoe hoog het pgb is; d. wanneer het pgb ingaat en wanneer het pgb eindigt; e. hoe de uitgaven toegelicht dienen te worden (verantwoording); f. welke voorwaarden en verplichtingen er voor het pgb gelden. 4. Geeft de gemeente de hulp in de vorm van geld, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: a. voor welk doel het geld wordt gegeven; b. wanneer het geld wordt betaald; c. hoe vaak het geld wordt betaald; d. welke voorwaarden en verplichtingen er gelden. 5.

De gemeente informeert de inwoner in het besluit ook over een (verplichte) eigen bijdrage in de kosten. 6. Een besluit wordt genomen voor een periode die past bij de hulpvraag. 7. De gemeente informeert de inwoner in het besluit dat de inwoner, indien mogelijk, verplicht is zelf tussentijdse veranderingen in de gezondheidssituatie of veranderingen in de omgeving tijdig door te geven aan de gemeente. 8. De gemeente informeert de inwoner in het besluit over de mogelijkheid voor gratis hulp van een vertrouwenspersoon.

20 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025

2.5 Uitzonderingen [Jeugdwet, Awb] 2.5.1 Jeugdhulp via arts e.a. 1. Naast de gemeente kunnen de school, huisarts, jeugdarts, medisch specialist, gecertificeerde instelling, jeugdreclassering of rechterlijke macht de jongere doorverwijzen naar een jeugdhulpaanbieder. Een school mag doorverwijzen als er sprake is van ernstige dyslexie. 2. De gemeente stuurt over de jeugdhulp een besluit per brief naar de inwoner. Dit besluit voldoet aan dezelfde eisen als het besluit na een aanvraag bij de gemeente zelf. [Jeugdwet, Wmo, Llv, Wgs] 2.5.2 Spoedeisende gevallen In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner de hulp krijgt die volgens de gemeente nodig is. De gemeente kan hierbij afwijken van de normale procedure.

21 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025

3. Werk en Participatie De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners met een uitkering die kunnen werken, hulp krijgen bij het vinden van passend werk. Welke hulp dat kan zijn wordt in dit hoofdstuk beschreven. De hulpmiddelen die worden ingezet heten voorzieningen. De beschikbare voorzieningen moeten op een goede manier worden verdeeld. Hoe de voorzieningen worden verdeeld is afhankelijk van de kansen op betaald werk van de inwoners. Het vinden van passend betaald werk is het meest waardevol voor zowel de inwoner als de samenleving. Dit is niet voor iedereen haalbaar. Ook vormen van onbetaald werk kunnen een belangrijke stap zijn op weg naar betaald werk. Voor sommige mensen tot slot, is onbetaald werk uitdagend en waardevol genoeg. Ook deze vorm van meedoen draagt bij aan een samenredzaam Waddinxveen. Dit hoofdstuk gaat verder over de tegenprestatie die kan worden gevraagd en over meedoen aan activiteiten in de samenleving voor inwoners met een beperking. Het is belangrijk dat zij volwaardig kunnen meedoen en dat hun positie in de samenleving verbetert. Uitgangspunten:  De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente ondersteunt.  De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner zijn het uitgangspunt.    

De inwoner wordt zo goed mogelijk ondersteund bij het vinden van langdurig passend werk of een andere vorm van participatie. Betaald werk gaat voor onbetaald werk en voor inkomensondersteuning van de gemeente. De gemeente stemt de hulp af op en met de inwoner. Iedereen doet mee aan de samenleving.

[PW, IOAW, IOAZ]

3.1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - doelgroep: inwoners met een gemeentelijke uitkering die niet op eigen kracht de weg naar werk kunnen vinden; inwoners die geen uitkering ontvangen en die niet op eigen kracht de weg naar werk kunnen vinden. - grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar; - interne werkbegeleiding: door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, en waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek; - jobcoaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk; - korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar; - overige voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de wet; - persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de wet en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da van de wet; - praktijkroute: het proces om de persoon, behorend tot de doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te geven op basis van loonwaardevaststelling op de werkplek; - Student:

een inwoner die volgens de bepalingen van artikel 36b eerste lid van de wet behoren tot de doelgroep, de personen van 18jaar of ouder, die recht hebben op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of recht hebben op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. - voorziening: een voorziening die door de gemeente als noodzakelijk wordt gezien en die gericht is op arbeidsinschakeling. Hiermee wordt ook persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken bedoeld; - werkgever: iemand die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om het werk van een werknemer gedurende een overeengekomen periode te gebruiken in zijn organisatie; - werknemer: iemand die op basis van een arbeidsovereenkomst werk verricht bij de werkgever, ook iemand zoals bedoeld in artikel 10d eerste of tweede lid van de wet met wie de werkgever een dienstbetrekking is aangegaan, dan wel dit van plan is; - wet: Participatiewet.

22 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025

3.2 Samenwerking 1. 2.

De gemeente werkt o.a. samen met UWV, Promen, Werkgeverservicepunt, Regionale Mobiliteits Teams, Leer Werk Loket, regio-gemeenten en andere organisaties om inwoners te helpen passend werk te vinden. De gemeente kan werkgevers in specifieke individuele gevallen tijdelijk ondersteunen als zij inwoners werk bieden die onder de doelgroep van de gemeente vallen.

3.3 Budget De gemeente kan voor de verschillende soorten voorzieningen budgetplafonds vaststellen. Een budgetplafond is het maximale bedrag dat de gemeente aan een bepaalde soort voorziening per kalenderjaar kan uitgeven. Als dit budgetplafond bereikt is, verstrekt de gemeente geen voorziening meer waarvoor dit budgetplafond geldt. Tenzij in de wet anders is bepaald. De hoogte van de beschikbare budgetten wordt jaarlijks vastgelegd in de gemeentebegroting.

3.4 Voorzieningen – werk [PW, IOAW, IOAZ] 3.4.1 Algemeen 1. De gemeente stemt de hulp aan de inwoner af op de persoonlijke situatie en op de positie op de arbeidsmarkt. 2. De gemeente beoordeelt per persoon of het zinvol is om een voorziening in te zetten. Als dit het geval is beoordeelt de gemeente welke voorziening zij inzet en voor hoe lang. Daarbij kijkt de gemeente naar een aantal factoren, zoals de omstandigheden van de inwoner, zijn eventuele beperkingen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en de beschikbaarheid van voldoende budget. 3. De gemeente biedt hulp aan in de vorm van voorzieningen (diensten, geld of goederen). Het doel daarvan is het vinden of behouden van passend werk. De gemeente kan nadere regels, voorwaarden en verplichtingen verbinden aan de voorzieningen. 4. De gemeente kan een voorziening weigeren als: a. de persoon aan wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep; b. de persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening; c. de persoon een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening; d. de voorziening onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of e.

er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 5.

De gemeente kan een voorziening beëindigen als: a. de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen als bedoeld in de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ niet nakomt; b. de persoon niet meer behoort tot de doelgroep; c. de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening die in deze verordening genoemd is. Personen die vallen onder artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de wet zijn uitgezonderd. d. de voorzien niet langer voldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; e. de voorziening niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; f. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; of g. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.

6.

De gemeente biedt de goedkoopst adequate voorziening aan, houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod, als dat nodig is, intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. De gemeente houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de wet.

23 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025

7.

Een werknemer wordt alleen geplaatst bij een voorziening als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet nadelig worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.

Voorzieningen voor inwoners met een afstand tot de arbeidsmarkt [PW, IOAW, IOAZ] 3.4.2 Sociale activering 1. De gemeente kan een inwoner die weinig kans heeft op werk verwijzen naar zinvolle activiteiten die de inwoner dichterbij betaald werk brengen. Dit heet sociale activering. 2. Het doel van sociale activering is om inwoners te helpen weer grip op hun leven te krijgen, sociale contacten op te bouwen en moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen. 3. De gemeente stemt de duur van de activiteiten genoemd in het eerste lid af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon en houdt rekening met de opvattingen van die persoon. 3.4.3 Participatieplaats 1. De gemeente kan een participatieplaats bieden aan een inwoner met een gemeentelijke uitkering die weinig kans heeft op werk. De inwoner moet 27 jaar of ouder zijn. De participatieplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. 2. Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan met behoud van uitkering op een bepaalde werkplek werken en doet zo werkervaring op. 3. De inwoner kan hiervoor na iedere 6 maanden een premie ontvangen. De hoogte wordt door de gemeente vastgesteld. Dit is terug te vinden in het tarievenoverzicht.

Een voorwaarde voor de premie is dat de inwoner voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op werk. De gemeente beoordeelt dit. 4. De gemeente zorgt ervoor dat de te verrichten extra werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door de gemeente, de werkgever en de persoon die de werkzaamheden gaat verrichten. 5. De deelname aan een participatieplaats bedraagt maximaal 24 maanden. 3.4.4 Beschut werk 1. De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan als het UWV heeft vastgesteld dat deze inwoner alleen kan werken als het werk en de werkplek zijn aangepast aan zijn mogelijkheden en dat de werkgever hier redelijkerwijs niet in kan voorzien. Daarbij gelden de voorwaarden die in de Participatiewet zijn genoemd in artikel 10 b. het gaat om de volgende voorzieningen: a. Fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving b. Uitsplitsing van taken, of; c. Aanpassingen in de wijze van de werkbegeleiding, het werktempo of de arbeidsduur. 2. De gemeente kan aan personen van wie is vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden kunnen werken de volgende voorzieningen aanbieden tot aan het moment dat de arbeidsovereenkomst in gaat: a. Arbeidsmatige dagbesteding b. Sociale activering zoals bedoeld in artikel 3.4.2 c. Scholing zoals bedoeld in artikel 3.4.10 d.

Persoonlijke ondersteuning zoals bedoeld in artikel 3.4.16 e. Schuldhulpverlening zoals bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening 3. Personen worden op beschutte werkplekken geplaatst kijkend naar de mate waarin een beschutte werkplek essentieel is. Personen die tussen de 16 en 27 jaar oud zijn, die algemene bijstand ontvangen, met een loonwaarde van tenminste 30%, met een verstandelijke of lichamelijke beperking of chronische psychische of psychosociale problemen hebben, krijgen voorrang. 3.4.5 Loonkostensubsidie voor kwetsbare werknemers 1. De gemeente kan een loonkostensubsidie, anders dan de loonkostensubsidie bedoeld in hoofdstuk 3.5 verstrekken aan werkgevers die met een kwetsbare, of uiterst kwetsbare werknemer een arbeidsovereenkomst sluiten. 2. De loonkostensubsidie, bedoeld in het eerste lid, is maximaal 30% van de loonkosten gedurende maximaal 6 maanden en bedoeld voor de kwetsbare werknemer. De loonkostensubsidie, bedoeld in het eerste lid, is

24 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025

maximaal 50% van de loonkosten gedurende maximaal 6 maanden en bedoeld voor de uiterst kwetsbare werknemer. 3. Onder kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die: a. voorafgaand aan de indienstneming gedurende 12 maanden geen reguliere betaalde baan heeft gevonden; b. geen startkwalificatie bezit; of c. ouder is dan leeftijd 50 jaar; of d. alleenstaande ouder is. 4. Onder uiterst kwetsbare werknemer bedoelen we iemand die onmiddellijk voorafgaand aan de indiensttreding ten minste 24 maanden werkloos is geweest. 5. De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen die te maken hebben met de indiensttreding van de werknemer of als het duidelijk is dat de persoon ook zonder loonkostensubsidie kan worden aangenomen voor dat werk. 3.4.6 Hulp bij een leer-werktraject Sommige jongeren hebben een leer-werktraject nodig heeft om de stap richting werk te zetten. De gemeente kan hierbij hulp bieden als het gaat om jongeren: a. van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, b. van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. Een startkwalificatie is een HAVO-, VWOof MBO2-diploma.

Voorzieningen voor alle doelgroepen [PW,IOAW,IOAZ] 3.4.7 Scholing 1. De gemeente kan een inwoner die behoort tot de doelgroep van de Participatiewet een scholingstraject bieden. Dit gebeurt alleen als de inwoner geen recht heeft op studiefinanciering, er sprake is van een concrete kans op werk waarvoor scholing noodzakelijk is of als de inwoner in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats op grond van artikel 10a van de Participatiewet. 2. Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. het bevordert de mogelijkheid tot arbeidsinschakeling en de (duurzame) uitstroom naar werk; b. het sluit aan bij de capaciteiten van de persoon. 3.4.8 Kinderopvang vanwege werk of scholing De inwoner die kinderopvangtoeslag krijgt, kan voor de resterende kosten voor kinderopvang een bijdrage van de gemeente krijgen. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. De inwoner krijgt kinderbijslag van de Sociale Verzekeringsbank en ontvangt hulp van de gemeente op weg naar werk (een voorziening) of; b. de inwoner is inburgeringsplichtig; c. de kinderopvang vindt plaats in een geregistreerd kindcentrum of gastoudervoorziening. 3.4.9 Andere voorzieningen en vergoedingen De gemeente kan andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om inwoners te helpen aan het werk te gaan, te blijven of om de kans op werk te vergroten.

Zoals de aanschaf van een fiets als dit noodzakelijk is voor vervoer naar het werk. De maximale hoogte van de vergoeding is het verschil tussen de bijstandsnorm en het wettelijk minimumloon over de periode van 12 maanden. 3.4.10 Uitstroompremie De gemeente kan één keer een uitstroompremie toekennen aan een inwoner van 27 jaar of ouder die: a. een dienstbetrekking van 6 maanden of meer is aangegaan en die niet eerder een proefplaatsing of werknemerspremie heeft ontvangen; b. door die dienstbetrekking geen recht meer heeft op een gemeentelijke uitkering; c. 12 maanden direct voorafgaand aan de dienstbetrekking een gemeentelijke uitkering had. d. De premie kan worden aangevraagd vanaf de 7 e maand nadat het dienstverband is ingegaan en moet binnen een periode van 18 maanden na start van de werkzaamheden zijn aangevraagd.

25 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025

e.

De hoogte van de premie is opgenomen in het tarievenoverzicht sociaal domein.

3.4.11 Vrijlating inkomsten Om deeltijdwerk te belonen en stimuleren kan de gemeente een deel van het inkomen op de verrekening van de bijstandsuitkering vrijlaten. De vrijlating kan worden toegepast bij inwoners van 27 jaar of ouder waarbij: a. De dienstbetrekking bijdraagt aan de inschakeling op de arbeidsmarkt; b. Er aan de medische urenbeperking een keuring ten grondslag ligt; c. De vrijlating bedraagt voor iedere 6 maanden 25%, voor een alleenstaande ouder gedurende maximaal 30 maanden 12,5% en voor een uitkeringsgerechtigde met een medische urenbeperking structureel 15%. 3.4.14 Proefplaats 1. De gemeente kan iemand van de doelgroep toestemming verlenen om op een proefplaats bij een werkgever niet betaalde werkzaamheden te verrichten met behoud van uitkering. Dit kan voor de duur van twee maanden, met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden. 2. Het doel van een proefplaatsing is het voor een korte duur opdoen van werkervaring in een specifieke functie waarbij de proefplaats voor een zo kort mogelijke duur wordt ingezet. 3. Voor een proefplaats wordt uitsluitend toestemming verleend als: a. de persoon, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de werkzaamheden in staat is; b. dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de kans op werk c.

de werkzaamheden van de persoon niet al eerder zonder salaris door hem bij die werkgever, of diens rechtsvoorganger, zijn verricht; en d. de werkgever bij aanvang van de proefplaats schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij de persoon, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in dienst zal nemen. 4. De gemeente weigert de toestemming, bedoeld in lid 1, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk of als direct na de proefplaatsing sprake is van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de wet. 5. Als de werkzaamheden op de proefplaats wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze ziekteperiode niet meegenomen bij de berekening van de maximale periode genoemd in lid 1. 6. De gemeente kan een persoon op een proefplaats persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen toekennen overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk 3.5 3.4.15 Persoonlijke ondersteuning bij werk 1. De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk aanbieden aan personen behorend tot de doelgroep. 2. Persoonlijke ondersteuning bij werk als bedoeld in lid 1, wordt verstrekt net zo als de voorzieningen in hoofdstuk 3.5 3.4.16 Detacheringsbaan a.

De gemeente kan zorgen voor toeleiding van een inwoner die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever. Het doel hiervan is arbeidsinschakeling. b. De inwoner wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in twee schriftelijke overeenkomsten: één tussen de werkgever en de inlenende organisatie en één tussen de inwoner en de inlenende organisatie. c. De totale duur van een detachering bedraagt per werkgever/werknemer relatie maximaal 36 maanden. d. De detachering vindt plaats bij externe partijen. 3.4.17 Reiskosten (anders dan vervoersvoorziening) 1. De gemeente verstrekt een tegemoetkoming voor regelmatig terugkerende reiskosten die verbonden zijn aan activiteiten in het kader van re-integratie, participatie of inburgering. Het gaat hier om een inwoner die: a. behoort tot de doelgroep; b. een reisafstand heeft van minimaal 5 kilometer met de fiets; c. waarvoor de Ferm Wijzer een afstand hanteert van minimaal 8 kilometer; d. De ANWB routeplanning het aantal kilometers bepaalt; e. De vergoeding bedraagt de kosten openbaar vervoer of de belastingvrije vergoeding van de belastingdienst; f. Bij een beperking is het mogelijk een deeltaxi in te zetten.

26 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025

27 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025

3.4.18 Werkstage 1. De gemeente kan een persoon een werkstage gericht op werk aanbieden als deze: a. behoort tot de doelgroep; en b. nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid. 2. Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie.

28 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025

3.5

Voorzieningen - Specifiek voor de doelgroep uit het Breed offensief [PW]

3.5.1 Speciaal aanvraagproces loonkostensubsidie 1. De gemeente verstrekt ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die de intentie heeft een baan aan te bieden aan een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. Als er een aanvraag is dan zijn het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing. 2. De gemeente bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de werkgever, of als de aanvraag wordt gedaan door de persoon, aan de werkgever en de persoon. 3. Ook als iemand (nog) niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, wordt de aanvraag in behandeling genomen. Er wordt vastgesteld of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. Als deze aanvraag is gedaan na het begin van de dienstbetrekking, wordt de vaststelling of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie bepaald door middel van de Praktijkroute. 4. De gemeente stelt binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever artikel 10d, vijfde lid, van de Participatiewet van toepassing is. 5.Bij het verstrekken van de loonkostensubsidie houdt de gemeente zich aan het preferente werkprocesproces voor loonkostensubsidie.

3.5.2 Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen geven aan een persoon met een arbeidsbeperking. 2. Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden onder andere de volgende voorwaarden: a. de persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij VSO/PRO-onderwijs heeft gevolgd; b. de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet werken. c. de werkgever biedt een baan aan van minimaal 6 maanden, met een minimale arbeidsduur van 12 uur per week; of een proefplaats. d. Er is geen sprake van een voorliggende voorziening via de zorgverzekeraar, het UWV, de Wsw, de Wmo of een andere regeling. e. het gaat niet om een Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; f. het gaat niet om een meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; g. er is naar het oordeel van de gemeente geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en h. de kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van de gemeente proportioneel. Dat betekent dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de maatschappelijke opbrengsten van uitstroom naar werk. i.

Het college kan nadere regels opstellen voor het verstrekken van werkplekaanpassingen en vervoersvoorzieningen.

3.5.3 Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan bij de gemeente worden ingediend door de persoon of zijn werkgever. De gemeente kan hiervoor een aanvraagformulier maken. 2. De gemeente bevestigt de ontvangst van de aanvraag. 3. De gemeente onderzoekt, zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen 8 weken na de aanvraag, de mogelijkheden en ondersteuningsbehoefte van de persoon. 4. De gemeente kan een deskundig oordeel en advies vragen, als dit nodig is bij de beoordeling van de aanvraag. 5. De gemeente bepaalt na overleg met de persoon, en zo nodig met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan het aan de slag gaan. 6. De gemeente onderzoekt, voor zover dat nodig is, de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de wet.

29 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025

3.5.4 Wat moet er in de beschikking staan 1. De gemeente geeft in een beschikking tot toekenning van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening in ieder geval aan: a. welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt gegeven; b. als subsidie wordt verstrekt, wat de omvang is van het subsidiebedrag; c. de duur en intensiteit van de ondersteuning; d. de ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening; e. als de toekenning afwijkt van wat is aangevraagd, wat de reden is van de afwijking; en f. voor zover van toepassing, welke andere ondersteuning of voorziening nodig is, of kan zijn, waaronder de wijze waarop de persoon integraal kan worden ondersteund. 2. De gemeente geeft in een beschikking tot afwijzing aan waarom een aanvraag wordt afgewezen. Als er sprake is van een voorliggende voorziening dan geeft de gemeente aan welke voorziening dat is. 3.5.5 Persoonlijke ondersteuning bij werk 1. De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van jobcoaching in natura verstrekken door middel van een jobcoach. 2. De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor: a. jobcoaching door een interne of externe jobcoach; of b. interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider. 3.

De in het eerste of tweede lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van werkzaamheden, anders dan in dienstverband, zoals bij een proefplaats of een leer-werktraject. 3.5.6 Speciale voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk 1. De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 4 weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen. Dit hoeft niet als voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. 2. De gemeente besluit op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen. 3.5.7 Jobcoaching 1. Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet gecertificeerd zijn en voldoen aan de kwaliteitseisen die het UWV hanteert. 2. Jobcoaching wordt halfjaarlijks toegekend met een maximum van 2 jaar. Een Jobcoach kan maximaal twee jaar worden ingezet. Als het nodig is kan deze periode met een jaar worden verlengd. 3. Ieder half jaar wordt bekeken of de jobcoaching nog noodzakelijk is. 4. De in te zetten jobcoaching wordt bepaald op basis van het de tarieven en begeleidingsregimes zoals het UWV deze hanteert. Deze tarieven gelden als maximum 5.

Het college beslist welk begeleidingsregiem wordt toegepast, waarbij de volgende (niet-limitatieve) input kan worden benut a. informatie over de mate van behoefte aan jobcoaching vanuit een eventuele proefplaats b. (beargumenteerd) voorstel van de jobcoach; c. de richtinggevende uitslag van het loonwaarde-instrument op de ondersteunings-/ begeleidingsbehoefte. 6. De gemeente kan in het individuele geval en bij dringede redenen afwijken van lid 1 en 2. 7. Voordat de gemeente de jobcoaching beëindigt verricht de gemeente onderzoek. Wanneer de beëindiging plaatsvindt met instemming van de werkgever en de werknemer kan de gemeente van dit onderzoek afzien. 3.5.8 Jobcoaching in natura 1. De gemeente kan ambtshalve, of op aanvraag, jobcoaching in natura aanbieden. 2. Bij aanvragen om jobcoaching in natura en de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag zijn de artikelen 3.5.2 tot en met 3.5.7 van toepassing. 3.5.9 Subsidie voor het organiseren van jobcoaching 1. De gemeente kan op aanvraag subsidie voor het organiseren van jobcoaching verlenen aan de werkgever.

30 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025

2. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan, gelet op de artikelen 3.5.2 tot en met 3.5.7, worden verleend als: a. de jobcoaching wordt geborgd door middel van een coachingsplan; b. de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is; c. de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en d. de persoon voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever. 3.Het college hanteert voor jobcoaching een maximumtarief zijnde maximaal de geldende UWV tarief. 4. De subsidie voor een interne werkbegeleider is maximaal het bedrag dat staat opgenomen in het UWV protocol Interne Jobcoach - begeleidingsregime licht. 5. Een volledige tegemoetkoming wordt toegekend bij een dienstverband van 24 uur of meer per week. 6. De tegemoetkoming wordt naar rato berekend indien het aantal uren onder de 24 uur en boven de 12 uur ligt.

3.5.10 Interne werkbegeleiding 1. Als een persoon uit de doelgroep extra begeleiding nodig heeft bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden, kan de gemeente een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne extra werkbegeleiding. 2. Een interne werkbegeleider die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet voldoen aan de kwaliteitseisen zoals het UWV deze hanteert. 2. De gemeente kan aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een training aanbieden voor een of meer medewerkers om hen in staat te stellen aan personen behorend tot de doelgroep interne werkbegeleiding te bieden.

3.5.11 Speciale voorwaarden toekenning vervoersvoorziening 1. De gemeente kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt. 2. De gemeente biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de persoon kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en b. het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer. 3. De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer. 4. De gemeente brengt een mogelijke vergoeding van reiskosten van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening. 3.5.12 Voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap De gemeente kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie. 3.5.13 Speciale voorwaarden meeneembare voorzieningen 1.

De gemeente kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de persoon om te kunnen werken. 2. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werkomgeving aantoonbaar is. 3. De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kan de gemeente besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken. 4. De gemeente kan in beleidsregels uitwerken hoe het de noodzaak en meerwaarde in de werkomgeving bepaalt. 3.5.14 Speciale voorwaarden werkplekaanpassingen De gemeente kan een aanpassing van de werkplek toekennen aan een persoon, als dit noodzakelijk is om zijn werk uit te voeren. In de regel kan daarbij elk product als een werkplekaanpassing worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar zijn.

31 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025

3.6 Tegenprestatie

[PW, IOAW en IOAZ]

3.6.1 Doel van de tegenprestatie 1. De gemeente legt een inwoner met een gemeentelijke uitkering een tegenprestatie op als de gemeente dit een passende manier voor de inwoner vindt om iets terug te doen voor de samenleving. De gemeente legt inwoners met een grote kans op werk alleen een tegenprestatie op in bijzondere situaties. 2. Het doel van de tegenprestatie is dat de inwoner zich inzet voor de samenleving als reactie op de inspanningen van de gemeente voor de inwoner. 3.6.2 Inhoud van de tegenprestatie De werkzaamheden die als tegenprestatie kunnen worden opgedragen: a) zijn geen werkzaamheden die als betaald werk worden gedaan binnen de organisatie waarvoor de inwoner de tegenprestatie uitvoert; b) leiden niet tot verdringing op de arbeidsmarkt c) zijn niet bedoeld als re-integratie instrument d) zijn activiteiten die het algemeen belang dienen. 3.6.3 Het opdragen van een tegenprestatie Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met de volgende factoren: a) de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een belanghebbende; b) er wordt rekening gehouden met de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende. c) de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende moeten in overweging worden genomen.

3.6.4 Duur en omvang tegenprestatie De tegenprestatie duurt maximaal 6 maanden per jaar en is maximaal 10 uur per week. 3.6.5 Geen tegenprestatie opleggen De gemeente legt geen tegenprestatie op als de inwoner mantelzorg verleent en dit niet te combineren is met de tegenprestatie of als de inwoner vrijwilligerswerk doet. Mantelzorg en vrijwilligerswerk worden gezien als een vorm van tegenprestatie.

32 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025

3.7 Meedoen in de samenleving [Wmo] Inwoners die vanwege een beperking of een psychisch/psychosociaal probleem hulp nodig hebben om mee te doen in de samenleving (participatie), kunnen op aanvraag hulp-op-maat krijgen. Zij moeten wel aan de voorwaarden van artikel 2.3.2 voldoen. Zodat zij in staat zijn om mee te doen in de samenleving en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. De gemeente kan in ieder geval de volgende vormen van hulp geven: 3.7.1 Dagbesteding en begeleiding 1. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die niet in staat zijn de dag goed in te vullen hulp-op-maat krijgen (dagbesteding). De hulp-op-maat houdt in dat inwoners mee kunnen doen aan arbeidsmatige, recreatieve of andere groepsactiviteiten onder begeleiding. 2. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die niet in staat zijn om de dag veilig door te komen hulp-op-maat krijgen (begeleiding). De hulp-op-maat houdt in dat inwoners begeleid worden. De begeleiding kan een-opeen of in een groep plaatsvinden. Dit betekent dat de begeleider helpt bij de dagelijkse gang van zaken en de inwoner helpt om op een goede manier met zijn omgeving om te gaan. De begeleider kan ook helpen bij vaak terugkerende activiteiten zoals het indelen van de dag, administratie en het beheren van de financiën. De begeleider neemt deze activiteiten niet volledig over. 3.

De normen uit het handboek ‘Inzet ondersteuning en behandeling Midden-Holland’ zijn de uitgangspunten voor het bepalen van de aard en de frequentie van de begeleiding en hoeveel tijd hiermee gemoeid is. 3.7.2 Verplaatsen in en om het huis 1. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die zich vanwege een beperking onvoldoende kunnen verplaatsen in en om de woning hulp-op-maat kunnen krijgen. De hulp-op-maat houdt in dat de inwoner een rolstoel kan krijgen die geschikt is voor dagelijks zittend gebruik. 2. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die vanwege een beperking in hun mobiliteit onvoldoende mogelijkheden hebben om - binnen redelijke grenzen - contact met anderen te hebben hulp-op-maat kunnen krijgen. Die hulp kan bestaan uit het aanbieden van: a. de mogelijkheid om te reizen met collectief taxivervoer; b. een taxi; c. een scootmobiel; d. het gebruikmaken van een ander vervoermiddel. Wanneer er geen voorliggende voorzieningen beschikbaar zijn, kan de gemeente bijdragen in de kosten voor: a. aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel of andere sportvoorziening; b. het gebruik van een auto; in geval van aanpassing van de auto voor werk of opleiding kan dit worden aangevraagd bij het UWV. c. het gebruik van een taxi; d. het gebruik van een rolstoeltaxi. De hoogte van deze bijdrage wordt vastgesteld door de gemeente en is terug te vinden in het tarievenoverzicht. 3.

Als het gaat om vervanging van een eerder door de gemeente verstrekt vervoermiddel doet de gemeente dit alleen als: a. het eerder verstrekte vervoermiddel technisch is afgeschreven; b. het eerder verstrekte vervoermiddel verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om; c. het vervoermiddel geen oplossing meer is voor de vervoersproblemen van de inwoner. 3.7.3 Sportvoorzieningen 1. De inwoner kan in aanmerking komen voor een sportvoorziening als er is voldaan aan de volgende voorwaarden: 2. de inwoner maakt ook in het dagelijks leven gebruik van een loophulpmiddel of een verplaatsingshulpmiddel; 3. de inwoner is zonder sportvoorziening niet in staat tot het beoefenen van een sport; 4. beoefening van de gekozen sport is alleen mogelijk met een specifieke sportvoorziening, beoefening van de sport is niet op een andere manier mogelijk; 5. de maximale bijdrage van de sportvoorziening is opgenomen in het tarievenoverzicht. 6.

33 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025

3.8 Inburgering [Nieuwe wet Inburgering] 3.8.1 Begrippenlijst  asielstatushouder: de inburgeringsplichtige, bedoeld in artikel 13 eerste lid van de Wet inburgering 2021;  Besluit: het Besluit inburgering 2021.;  brede intake: de brede intake, bedoeld in artikel 14 Wet inburgering 2021;  gemeente: de gemeente van burgemeester en wethouders van de gemeente Waddinxveen;  gezinsmigranten en overige migranten: inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19 van de Wet inburgering 2021;  inburgeringsplichtige: de inwoner die volgens artikel 3 van de Wet inburgering 2021 inburgeringsplichtig is;  MAP: de Module Arbeidsmarkt en Participatie, bedoeld in artikel 6, eerste lid onder b van de Wet inburgering 2021;  PIP: het Persoonlijk plan Inburgering en Participatie, bedoeld in artikel 15 van de Wet inburgering 2021;  PVT: het Participatieverklaringstraject, bedoeld in artikel 6, eerste lid onder a van de Wet inburgering 2021;  Regeling: de regelingen in de Wet inburgering 2021.;  wet: de Wet inburgering 2021. 3.8.2 Kernpunten van het inburgeringstraject De gemeente heeft een centrale rol in de begeleiding en ondersteuning van de inburgeringsplichtige. Hierbij gelden de volgende kernpunten: a. De gemeente bevordert dat de inburgeringsplichtige tijdig kan starten met het inburgeringstraject (tijdige start). b.

De inburgeringsplichtige rondt het inburgeringstraject binnen de termijn van drie jaar af. De gemeente let erop dat het traject niet langer duurt dan nodig is (snelheid). c. De gemeente stelt voor iedere inburgeringsplichtige een passend traject vast (maatwerk). d. De inburgeringsplichtige combineert zoveel mogelijk activiteiten gericht op het leren van de Nederlandse taal en op meedoen aan de maatschappij (dualiteit). e. De gemeente stelt eisen aan de kwaliteit van het aanbod en zorgt ervoor dat die kwaliteit en de continuïteit daarvan gewaarborgd is (kwaliteit). 3.8.3 Informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inburgeringsplichtige passend wordt geïnformeerd over: a. zijn of haar wettelijke rechten en plichten; b. de aanspraken op ondersteuning en begeleiding; c. het aanbod aan inburgeringsvoorzieningen en de toegang hiertoe. 2. De gemeente kan bij de informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen gebruikmaken van de volgende middelen: a. een informatiepunt op de gemeentelijke website; b. voorlichtingsbijeenkomsten; c. persoonlijke gesprekken, waarbij zo nodig een tolk wordt ingeschakeld; d. schriftelijke informatie in begrijpelijk Nederlands (niveau B1 of lager); e. telefonische informatie; f. de inzet van een taalmaatje en/of personen uit het netwerk van de inburgeringsplichtige. 3.

De gemeente beoordeelt of de informatieverstrekking aan de inburgeringsplichtigen, vooral die aan asielstatushouders, passend en effectief is. Hierover wordt aan de gemeenteraad gerapporteerd. 3.8.4 Brede intake 1. De gemeente neemt bij de inburgeringsplichtige een brede intake af. Met de informatie uit deze brede intake krijgt de gemeente een beeld van de startpositie en de ontwikkelingsmogelijkheden van de inburgeringsplichtige. De gemeente geeft samen met de inburgeringsplichtige en op basis van de uitkomsten van de brede intake invulling aan het inburgeringstraject. 2. De brede intake wordt zo snel mogelijk afgenomen. Dit is bij voorkeur zodra de inburgeringsplichtige bekend is bij de gemeente. Voor asielstatushouders is dit het moment van koppeling aan de gemeente. Voor gezinsmigranten en overige migranten is dit het moment van inschrijving in de gemeente. 3. De brede intake bestaat in ieder geval uit: a. een onderzoek naar het onderwijsniveau en de werkervaring van de inburgeringsplichtige; b. een onderzoek naar de persoonlijke omstandigheden van de inburgeringsplichtige, waaronder de fysieke en mentale gezondheid;

34 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025

c.

4.

5.

voor zover van toepassing: een verkenning van de mogelijkheden om het kind van de inburgeringsplichtige deel te laten nemen aan de voorschoolse educatie (volgens artikel 1.1 van de Wet kinderopvang en artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs); d. een leerbaarheidstoets. Deze toets wordt uitgevoerd door het leerwerkloket Midden-Holland. De gemeente brengt met de brede intake in ieder geval in kaart: a. het taalniveau van de inburgeringsplichtige; b. de mogelijkheden tot (arbeids)participatie; c. de mate van zelfredzaamheid; d. de wensen van de inburgeringsplichtige over inburgering en arbeidsparticipatie. De gemeente legt de uitkomsten van de brede intake schriftelijk vast.

3.8.5 Werkwijze brede intake 1. De gemeente nodigt de inburgeringsplichtige schriftelijk uit voor de brede intake. In de uitnodiging vermeldt de gemeente behalve informatie over dag, plaats en tijdstip van de intake ook: a. het doel, de werkwijze en het belang van de brede intake in het inburgeringstraject; b. de optie om de gesprekken met de gemeente alleen te voeren of in de aanwezigheid van een onafhankelijk cliëntondersteuner; c. de gevolgen als de inburgeringsplichtige niet bij de brede intake verschijnt of hieraan onvoldoende meewerkt. 2. Wanneer de inburgeringsplichtige - ook na drie oproepen - niet bij de brede intake verschijnt of onvoldoende medewerking verleent, voltooit de gemeente de intake zonder de inburgeringsplichtige. In dat geval onderzoekt de gemeente de omstandigheden van de inburgeringsplichtige aan de hand van de gegevens die wel bekend zijn, zoals: a. de uitkomsten van de leerbaarheidstoets (als de inburgeringsplichtige daaraan heeft meegewerkt); b. voor asielstatushouders: de gegevens uit het Taakstelling Volg Systeem (TVS); c. informatie uit het uitkeringsdossier. 3.8.6 Persoonlijk plan Inburgering en Participatie 1. De gemeente stelt na afronding van de brede intake het Persoonlijk plan Inburgering en Participatie (PIP) op. Dit gebeurt zoveel mogelijk samen met de inburgeringsplichtige.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15400191/4