Bijlage 1: Verordening Sociaal Domein Samenredzaam versie maart 2025
Tekst van het document
De gemeente nodigt de inburgeringsplichtige uit voor een gesprek hierover. In ieder geval worden in dat gesprek de volgende onderwerpen besproken: a. de uitkomsten van de brede intake; b. de persoonlijke einddoelen van de inburgeringsplichtige in het inburgeringstraject; c. welke leerroute als passend wordt gezien en waarom; d. de rechten en plichten van de inburgeringsplichtige tijdens het inburgeringstraject; e. de verwachtingen van de inburgeringsplichtige over het traject; f. de rol van de gemeente bij dit traject; g. voor gezinsmigranten en overige migranten: het aanbod aan passend en kwalitatief goed inburgeringsonderwijs waarmee de migrant de leerroute kan volgen en voltooien. 2. In het PIP staat wat de inburgeringsplichtige moet doen om aan de inburgeringsplicht te voldoen. Het PIP geeft een compleet beeld van de rechten en plichten van de inburgeringsplichtige gedurende het inburgeringstraject. De gemeente stemt het plan af op de persoonlijke situatie, ontwikkelbehoeften en capaciteiten van de inburgeringsplichtige. 3. Het PIP heeft de vorm van een officieel besluit (beschikking). Hierin staat vermeld: a. wat de vastgestelde leerroute is (en voor de asielstatushouder ook de intensiteit hiervan); b. welke afspraken er zijn gemaakt over (arbeids)participatie; c.
welke ondersteuning en begeleiding de inburgeringsplichtige bij de leerroute krijgt en van welke organisatie(s); d. welke afspraken er zijn gemaakt over vroeg- en voorschoolse educatie; e. welke onderdelen het PVT en de MAP bevatten en de intensiteit hiervan; f. de duur van het inburgeringstraject en het aantal voortgangsgesprekken dat de gemeente met de inburgeringsplichtige heeft gedurende het traject; g. wanneer de inburgeringsplichtige in aanmerking komt voor een bijstandsuitkering: een verwijzing naar de relevante beschikking(en) op grond van de Participatiewet. Het gaat hierbij om een verwijzing naar de toekenningsbeschikking van de uitkering voor levensonderhoud en het financieel ontzorgen (voor asielstatushouders) en om de beschikking waarin de arbeids- en reintegratieverplichtingen van de inburgeringsplichtige staan vermeld.
35 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025
4.
5.
6.
De beschikkingen op grond van de Participatiewet - genoemd in artikel 3.7.6 onder g - worden gevoegd bij de beschikking waarmee het PIP wordt vastgesteld. Als de gemeente op een later moment (nog) een besluit neemt op grond van de Participatiewet, voegt de gemeente ook deze beschikking bij. De gemeente stelt het PIP uiterlijk binnen 10 weken vast na inschrijving van de inburgeringsplichtige in de basisregistratie personen (BRP) van de gemeente waar hij of zij is gehuisvest of wordt gehuisvest na verblijf in het azc. De gemeente stuurt de inburgeringsplichtige het PIP daarna zo snel mogelijk per post en/of digitaal toe. Wanneer de inburgeringsplichtige voor wie de leerroute al is vastgesteld verhuist naar de gemeente Waddinxveen, stelt de gemeente het PIP opnieuw vast binnen 10 weken na de inschrijving van de inburgeringsplichtige in het BRP. De leerroute die daarbij wordt vastgesteld is gelijk aan de leerroute zoals die door de gemeente van vertrek is vastgesteld.
3.8.7 Leerroutes 1. De gemeente bepaalt samen met de inburgeringsplichtige welke leerroute de inburgeringsplichtige moet volgen om aan de inburgeringsplicht te voldoen. Er zijn 3 routes: a. de B1-route; b. de onderwijsroute; c. de zelfredzaamheidsroute (Z-route). 2. De leerroute is erop gericht dat de inburgeringsplichtige: a. de Nederlandse taal op een zo hoog mogelijk niveau afrondt; b. zo snel mogelijk meedoet in de Nederlandse samenleving en op de arbeidsmarkt. 3. Een alfabetiseringstraject is onderdeel van de leerroute als uit de brede intake blijkt dat de inburgeringsplichtige analfabeet of anders gealfabetiseerd is. 4. De gemeente stelt de leerroute vast op basis van: a. de uitkomst van de leerbaarheidstoets; b. alle overige informatie die tijdens de brede intake is verkregen. 3.8.8 Inhoud van de leerroutes De gemeente zorgt ervoor dat de inhoud van de leerroutes aansluit op de overige onderdelen van het inburgeringstraject. 3.8.9 Participatieverklaringstraject 1. De gemeente biedt de inburgeringsplichtige het PVT aan. Het traject duurt minimaal 12 uur en bestaat uit twee onderdelen: a. een inleiding in de Nederlandse Uitgangspunten; b. de ondertekening van de participatieverklaring (zoals omschreven in bijlage 1 van het Besluit). 2.
De inburgeringsplichtige doet in het onderdeel ‘Inleiding in de Nederlandse Uitgangspunten’ kennis op van de belangrijkste waarden, sociale regels en grondrechten in Nederland. Het doel hiervan is het krijgen van een beter beeld van en begrip voor de Nederlandse samenleving. De gemeente bepaalt de manier waarop deze kennis wordt overgedragen. 3. Onderwerpen waaraan het PVT aandacht besteedt zijn in ieder geval: a. het thema democratie; b. de Nederlandse rechtsstaat; c. het recht op zelfbeschikking; d. de vrijheid van meningsuiting; e. gelijkwaardige behandeling; f. het verbod op discriminatie; g. sociale rechten, zoals het recht op medische zorg en onderwijs; h. de wijze waarop inwoners in Nederland met elkaar omgaan; i. participatie en wat de samenleving hiervan verwacht; j. overige sociale regels en plichten in Nederland. 4. Minimaal één van de onderwerpen van het PVT krijgt een praktische invulling in de vorm van een excursie of activiteit. Door deze activiteit leert de inburgeringsplichtige de opgedane kennis te vertalen naar de praktijk. 5. De gemeente stemt het PVT af op de lokale situatie en behoefte, op de overige onderdelen van de inburgering en op de specifieke behoeften van de inburgeringsplichtige. 6. De inburgeringsplichtige voltooit het PVT en sluit het af met de ondertekening van de participatieverklaring. Dit gebeurt tijdens een ondertekenmoment.
De gemeente stuurt de inburgeringsplichtige hiervoor een uitnodiging.
36 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025
7. 8.
De gemeente registreert of de inburgeringsplichtige aanwezig is bij de inleiding op de Nederlandse Uitgangspunten en bij de ondertekening van de participatieverklaring. De gemeente legt de afspraken over de invulling van het PVT schriftelijk vast in het PIP van de inburgeringsplichtige.
3.8.10 Module Arbeidsmarkt en Participatie 1. De gemeente biedt de inburgeringsplichtige de MAP aan. Het doel van deze module is dat de inburgeringsplichtige: a. kennismaakt met de Nederlandse arbeidsmarkt; b. inzicht krijgt in de eigen competenties en arbeidskansen; c. een concrete beroepswens formuleert; d. beroeps- en werknemerscompetenties aanleert; e. leert hoe hij of zij een netwerk opbouwt; f. praktische ervaring opdoet op de (lokale) arbeidsmarkt; g. werk vindt. 2. De gemeente houdt bij het vaststellen van de inhoud en het aantal uren van de MAP rekening met de vermogens, capaciteiten en ontwikkelbehoeften van de inburgeringsplichtige en de situatie op de lokale arbeidsmarkt. 3. De gemeente legt de afspraken over de invulling van de MAP schriftelijk vast in het PIP van de inburgeringsplichtige. 4. De inburgeringsplichtige besteedt tenminste 40 uur van de MAP aan het opdoen van praktische ervaring op de arbeidsmarkt. 5. De MAP wordt afgesloten met een eindgesprek tussen de inburgeringsplichtige en de gemeente. Besproken worden de opgedane kennis, vaardigheden en praktijkervaring van de inburgeringsplichtige. 6. De gemeente beoordeelt op basis van dit gesprek of de inburgeringsplichtige voldoet aan de doelstelling en gestelde urennorm van de MAP. De gemeente houdt bij deze beoordeling rekening met de capaciteiten en vermogens van de inburgeringsplichtige. 7.
De inburgeringsplichtige ontvangt een schriftelijk verslag van het eindgesprek. 3.8.11 Inburgeringsaanbod asielstatushouders 1. De gemeente biedt de asielstatushouder zo spoedig mogelijk na vaststelling van het PIP een cursus of opleiding aan waarmee de asielstatushouder kan voldoen aan de vastgestelde leerroute. 2. Met het inburgeringsaanbod kan de asielstatushouder: a. de Nederlandse taal leren op het voor hem of haar hoogst mogelijke niveau; b. kennis opdoen over de Nederlandse maatschappij zoals over normen en waarden, omgangsregels, de Nederlandse geschiedenis, het onderwijssysteem en de gezondheidszorg; c. zich voorbereiden op actieve participatie in de samenleving en op de arbeidsmarkt. 3. Het inburgeringsaanbod sluit aan bij de capaciteiten, persoonlijke omstandigheden en mogelijkheden van de asielstatushouder. 3.8.12 Kwaliteit van het inburgeringsaanbod en de leerroutes 1. Voor de kwaliteit van het inburgeringsaanbod voor asielstatushouders gelden de volgende uitgangspunten: a. De gemeente zorgt voor een kwalitatief goed aanbod aan cursussen, opleidingen en andere (participatie)activiteiten waarmee de asielstatushouder aan de leerroute kan voldoen. De gemeente zorgt ook voor continuïteit in het aanbod. b.
Cursusinstellingen die het taalonderwijs binnen de B1-route en de Z-route verzorgen moeten in het bezit zijn van een certificaat of keurmerk (zoals bedoeld in artikel 16 lid 3 van de wet). Taalschakeltrajecten moeten voldoen aan de eisen die voortvloeien uit artikel 8 lid 2 van de wet. 2. De gemeente legt in een beleidsregel aanvullende kwaliteitscriteria vast voor het inburgeringsaanbod aan asielstatushouders. Dit zijn bijvoorbeeld: a. het minimum aantal contacturen dat de inburgeringsplichtige per week heeft met docenten en begeleiders; b. de maximale groepsgrootte bij de inburgeringscursussen; c. de wijze waarop de cursusinstellingen de gemeente informeren over de voortgang van de inburgeringsplichtige; en d. de combinatie van formeel en informeel onderwijs. 3. De gemeente legt in een beleidsregel vast hoe zij de kwaliteit van het inburgeringsaanbod aan asielstatushouders en de leerroutes gaat controleren en wat zij doet als de kwaliteit onvoldoende is.
37 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025
3.8.13 Voortgang inburgering 1. De gemeente volgt de vorderingen van de inburgeringsplichtige tijdens het inburgeringstraject en controleert of het traject nog passend is. De gemeente voert hiervoor periodiek voortgangsgesprekken met de inburgeringsplichtige zolang het inburgeringstraject loopt. Het aantal gesprekken gedurende het inburgeringstraject wordt afgestemd op het niveau van de inburgeringsplichtige (maatwerk). 2. Gedurende de eerste 12 maanden na aanvang van de inburgeringstermijn vinden minimaal 2 voortgangsgesprekken plaats. 3. Ter voorbereiding op deze gesprekken wint de gemeente informatie in bij de organisaties die bij het traject betrokken zijn, zoals cursusinstellingen, werkgevers en andere personen. 4. Tijdens het gesprek komen de afspraken uit het PIP aan bod. Met de inburgeringsplichtige wordt besproken of de onderdelen nog aansluiten bij de capaciteiten, de behoeften en de persoonlijke situatie van de inburgeringsplichtige. Het gaat daarbij om: a. de afgesproken leerroute; b. de ondersteuning en begeleiding tijdens het inburgeringstraject; c. de intensiteit van de verschillende onderdelen van het traject; d. de participatie-activiteiten; e. de vorderingen en inzet van de inburgeringsplichtige; f. voor de inburgeringsplichtige die de B1-route volgt: of het taalniveau van deze leerroute voldoende aansluit. 5.
De gemeente kan een andere leerroute vaststellen als sinds de start van de inburgeringstermijn, - zoals bedoeld in artikel 11 eerste lid van de wet - nog geen 1,5 jaar verstreken is. Wegens bijzondere omstandigheden van de inburgeringsplichtige kan van deze termijn worden afgeweken. 6. Op basis van de uitkomst van een voortgangsgesprek kan de gemeente voor de inburgeringsplichtige die de B1-route volgt, bepalen dat de mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal geheel of gedeeltelijk op het niveau A2 worden getoetst. Dit kan alleen wanneer de inburgeringsplichtige: a. ten minste 600 uren taalles heeft gevolgd bij een instelling die voldoet aan de kwaliteitseisen zoals vastgesteld in artikel 32 van de wet; b. zich gedurende deze taallessen voldoende heeft ingespannen, zoals onder andere de betrokken cursusinstelling aangeeft; 7. De gemeente maakt een verslag van ieder voortgangsgesprek en deelt dit met de inburgeringsplichtige. 8. Op basis van de uitkomst van deze gesprekken past de gemeente zo nodig (onderdelen van) het PIP aan en stelt dan het PIP opnieuw per beschikking vast. 3.8.14 Maatschappelijke begeleiding van de asielstatushouder 1. De gemeente zorgt ervoor dat de asielstatushouder maatschappelijke begeleiding krijgt. Deze begeleiding is erop gericht: a.
de asielstatushouder kennis over de praktische organisatie van de Nederlandse samenleving te geven; b. de asielstatushouder te begeleiden en te ondersteunen om daarmee zijn of haar zelfredzaamheid en participatie te vergroten; c. randvoorwaarden te scheppen zodat de asielstatushouder tijdig met het inburgeringstraject kan starten. 2. De maatschappelijke begeleiding bestaat in ieder geval uit: a. praktische hulp bij het regelen van basisvoorzieningen zoals wonen, zorg, werk, inkomen, verzekeringen en onderwijs; b. een kennismaking met de woonomgeving; c. passende voorlichting over de basisvoorzieningen in de Nederlandse samenleving; d. een kennismaking met maatschappelijke organisaties die voor de inburgeringsplichtige van belang zijn. 3. De maatschappelijke begeleiding komt van medewerkers van een organisatie die hiervoor door de gemeente is aangewezen. De asielstatushouder krijgt waar mogelijk een vaste begeleider toegewezen. 4. De begeleiding start zo spoedig mogelijk na koppeling van de asielstatushouder aan de gemeente, maar in ieder geval op de dag dat de asielstatushouder in de basisregistratie personen (BRP) in de gemeente staat ingeschreven en in de gemeente woont. 5. De gemeente stemt de inhoud en duur van de maatschappelijke begeleiding af op het startniveau, de vaardigheden, de persoonlijke omstandigheden en de maatschappelijke positie van de asielstatushouder.
38 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025
3.8.15 Handhaving 1. De inburgeringsplichtige is verplicht om: a. na de oproep te verschijnen bij de brede intake en hieraan mee te werken; b. de afspraken in het PIP na te komen, waaronder deelname aan voortgangsgesprekken en aan activiteiten in het kader van de MAP en het PVT. 2. De asielstatushouder is daarnaast ook verplicht deel te nemen aan de taallessen en andere activiteiten van de gevolgde leerroute. 3.8.16 Handhaving verplichtingen bij de brede intake 1. Wanneer de inburgeringsplichtige na de eerste oproep voor de brede intake niet verschijnt of onvoldoende meewerkt, geeft de gemeente een schriftelijke waarschuwing. De gemeente wijst daarbij op de gevolgen voor de inburgeringsplichtige als hij of zij niet verschijnt na een oproep of als hij of zij op een andere manier onvoldoende meewerkt aan de brede intake. De gemeente nodigt de inburgeringsplichtige opnieuw uit om binnen 2 weken te verschijnen. 2. Wanneer de inburgeringsplichtige na deze volgende oproep niet verschijnt of onvoldoende meewerkt, legt de gemeente de inburgeringsplichtige een boete op. De hoogte van de boete is vastgesteld in artikel 7.1.1 van het Besluit. 3. Voordat de gemeente een boete oplegt, wordt onderzocht waarom de inburgeringsplichtige niet komt of onvoldoende meewerkt. De inburgeringsplichtige krijgt in een gesprek hierover de gelegenheid een verklaring te geven.
Wanneer de inburgeringsplichtige niet verschijnt bij dit gesprek, biedt de gemeente hem of haar de gelegenheid om dit binnen 2 weken alsnog te doen. 4. De gemeente legt geen boete op wanneer aannemelijk is dat iedere verwijtbaarheid ontbreekt. 5. De gemeente legt een lagere boete op dan vastgesteld in artikel 7.1.1 van het Besluit als op basis van de reactie van de inburgeringsplichtige aannemelijk is dat de boete vanwege bijzondere omstandigheden te hoog is. 6. In de brief (beschikking) waarmee de boete wordt opgelegd, nodigt de gemeente de inburgeringsplichtige opnieuw uit om binnen 2 weken te verschijnen of mee te werken. Wanneer de inburgeringsplichtige hieraan niet voldoet, legt de gemeente weer een boete op met inachtneming van artikel 7.1.1 van het Besluit. 3.8.17 Handhaving tijdens het inburgeringstraject 1. De gemeente legt een boete op als de inburgeringsplichtige de afspraken in het PIP tijdens het inburgeringstraject verwijtbaar niet of onvoldoende nakomt. 2. De gemeente legt de asielstatushouder een boete op als hij verwijtbaar niet of onvoldoende deelneemt aan de activiteiten van de gekozen leerroute. 3. Voordat de gemeente een boete oplegt, wordt onderzocht waarom de afspraken in het PIP of de afspraken over de activiteiten bij de gekozen leerroute niet zijn nagekomen.
De inburgeringsplichtige krijgt in een gesprek hierover de gelegenheid een verklaring te geven. Wanneer de inburgeringsplichtige niet verschijnt bij dit gesprek, biedt de gemeente hem of haar de gelegenheid hierover binnen twee weken uitleg te geven. 4. Op basis van het gesprek met de inburgeringsplichtige dan wel zijn of haar schriftelijke uitleg bepaalt de gemeente de mate van verwijtbaarheid. Als er sprake is van opzet, van grove schuld, van normale verwijtbaarheid of van verminderde verwijtbaarheid stemt de gemeente de hoogte van de boete daarop af met inachtneming van artikel 7.1 van het Besluit. 5. De gemeente legt geen boete op wanneer aannemelijk is dat iedere verwijtbaarheid ontbreekt . 3.8.18 Samenhang met handhaving op grond van de Participatiewet 1. Wanneer een inburgeringsplichtige een bijstandsuitkering (Participatiewet) ontvangt en zich niet houdt aan verplichtingen en afspraken uit het PIP - waarin de nadruk ligt op het bevorderen van participatie en het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt -, vindt bij voorkeur verlaging van de uitkering plaats op grond van artikel 18 Participatiewet en de verordening zoals bedoeld in artikel 8 eerste lid onder a Participatiewet. Het gaat hierbij om verplichtingen en afspraken anders dan in het aanbod in de MAP. De gemeente legt voor dezelfde gedraging dan geen bestuurlijke boete op grond van de wet op. 2.
Wanneer een inburgeringsplichtige die een bijstandsuitkering ontvangt zich niet houdt aan verplichtingen en afspraken in het PIP - waarin de nadruk ligt op het vergroten van de taalbeheersing en aan overige afspraken en verplichtingen in het PIP-, legt de gemeente bij voorkeur een boete op grond van de wet op. De gemeente verlaagt in dat geval voor dezelfde gedraging de bijstandsuitkering niet. 3. Bij de keuze tussen i) handhaving op grond van de Participatiewet door een verlaging van de uitkering en ii) handhaving op grond van de wet via een boete weegt de gemeente ook af welke wijze van handhaving,
39 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025
4. 5.
rekening houdend met de gevolgen hiervan voor de inburgeringsplichtige, naar haar oordeel het best bijdraagt aan het beoogde doel. Dit doel is het succesvol voltooien van het inburgeringstraject. In de brief (beschikking) aan de inburgeringsplichtige vermeldt de gemeente of er een boete op grond van de wet wordt opgelegd of dat de uitkering wordt verlaagd op grond van de Participatiewet. Wanneer de inburgeringsplichtige een boete op grond van de wet wordt opgelegd in de periode dat de gemeente verantwoordelijk is voor het financieel ontzorgen - op grond van artikel 56a Participatiewet-, dan kan de gemeente de boete met de uitkering verrekenen. De gemeente houdt hierbij rekening met een fictieve draagkracht van 5 procent van bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag.
40 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025
4. Gezond en veilig opgroeien Jeugdigen moeten zo gezond en veilig mogelijk kunnen opgroeien. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van hun ouders en hun netwerk. Als zij daarbij hulp nodig hebben, dan kunnen zij een beroep doen op hulp van de gemeente. Daarbij staat het versterken van de eigen kracht van de jeugdige en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin en de sociale omgeving voorop. Met jeugdigen bedoelen we in deze verordening kinderen en tieners tot 18 jaar en jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar die al jeugdhulp ontvingen toen zij 18 waren en die deze hulp vanaf hun 18 e nog nodig hebben. Dit zijn de jeugdigen zoals beschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
Uitgangspunten: De jeugdige moet gezond en veilig kunnen opgroeien. De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor. De inwoner zoekt samen met de gemeente naar een oplossing voor de problemen van de inwoner. De gemeente biedt hulp aan inwoners om problemen zo vroeg mogelijk op te lossen. De gemeente stemt de hulp af op de inwoner en zorgt voor goede aansluiting met andere hulp. Vrij toegankelijke hulp gaat voor hulp-op-maat.
[Jeugdwet]
4.1 Algemene voorzieningen jeugd De gemeente zorgt ervoor dat jeugdigen zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. Om dat te bereiken zijn in ieder geval de volgende algemene voorzieningen beschikbaar: a. informatie en (opvoed)advies door het CJG; b. algemeen maatschappelijk werk; c. jeugdgezondheidszorg; d. opvoedondersteuning; e. integrale crisisdienst; f. vertrouwenspersoon; g. kindertelefoon; h. schoolmaatschappelijk werk. Deze hulp is vrij toegankelijk. De jeugdige of zijn ouders heeft hiervoor geen verwijzing of een besluit van de gemeente nodig.
4.2 Individuele voorzieningen (Hulp-op-maat) De volgende individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar : a. Jeugdzorg plus; b. Jeugdbescherming; c. Jeugdreclassering; d. Jeugd en opvoedhulp, waaronder: ambulante jeugdhulp; dagbesteding; individuele- en dagbehandeling; logeeropvang verblijf pleegzorg; verblijf 24-uurs zorg; spoedeisende zorg (ambulant en verblijf); vervoer; ernstig enkelvoudige dyslexie zorg. e. Jeugd GGZ, tweedelijns met en zonder verblijf. Deze hulp is niet vrij toegankelijk. De jeugdige of zijn ouders heeft daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig.
41 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025
4.3 Overgang van 18- naar 18+ 1. 2.
3.
4.
In geval de hulpvraag van een jongere in de jeugdhulp na 18 jaar blijft bestaan, is de zorgaanbieder, in samenwerking met de jongere, verantwoordelijk voor een Toekomstplan. Dit plan besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende onderwerpen: a. scholing, werk of participatie; b. wonen; c. inkomen; d. zorg en ondersteuning; e. vrije tijd; f. het netwerk van de jeugdige. Het is mogelijk dat de jeugdhulp wordt verlengd. Dit kan verlengd worden tot en met maximaal het 23e levensjaar. De jeugdhulp moet gestart zijn voor het 18e levensjaar en maximaal 6 maanden na afronding na het 18e levensjaar opnieuw starten. Pleegzorg kan worden ingezet tot de dag dat de jeugdige 21 jaar wordt. De jeugdzorg kan eventueel worden verlengd totdat de jeugdige 23 jaar wordt.
4.4 Kinderopvang om sociaal-medische redenen (SMI) 1.
2. 3.
Een inwoner kan een bijdrage krijgen voor de kosten van kinderopvang voor een thuisinwonend kind van maximaal 12 jaar (dan wel de laatste groep van de basisschool) als is vastgesteld dat : a. één of meer lichamelijke, zintuigelijke, verstandelijke of psychische beperkingen van de ouder opvang van het kind of de kinderen noodzakelijk maken; b. kinderopvang voor een goede en gezonde ontwikkeling van het kind noodzakelijk is; c. voorliggende voorzieningen of eigen netwerk geen passende oplossing kunnen bieden. De bijdrage kan verstrekt worden voor maximaal 12 weken en voor maximaal 2 dagdelen van 4 uur per week. Overige voorwaarden zijn te vinden in de Beleidsregels Sociaal Medische Indicatie.
42 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025
5. Wonen in een veilige en gezonde omgeving Inwoners met een beperking en/of met langdurige psycho-sociale problemen hebben soms hulp nodig om zo lang en zelfstandig mogelijk in hun eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. De gemeente heeft de taak om inwoners te helpen als ze niet in staat zijn om zelf oplossingen te vinden voor knelpunten in hun woning, bij normale dagelijkse activiteiten en in de huishouding. De gemeente moet ook maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk voor zichzelf kunnen zorgen (zelfredzaamheid). De gemeente kijkt hierbij niet alleen naar de korte termijn, maar ook naar de te verwachten ontwikkelingen. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen over de hulp die de gemeente aan deze inwoners kan geven. Uitgangspunten: De inwoner en de gemeente zoeken samen naar een langdurige oplossing voor de problemen van de inwoner. Inwoners met een beperking moeten zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen en leven. De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor. De gemeente stemt de hulp af op de inwoner. De gemeente maakt de hulp makkelijk bereikbaar. [Wmo]
5.1 Uitgangspunten De gemeente zet zich ervoor in dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen. Dat zij de noodzakelijke dagelijkse activiteiten kunnen uitvoeren en een eigen huishouding kunnen voeren. Inwoners kunnen als ze voldoen aan de voorwaarden van artikel 2.3.2 op aanvraag hulp-op-maat krijgen. Ook moet die hulp langdurig nodig zijn en een passende bijdrage leveren, zodat inwoners zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven wonen.
5.2 Zelfstandig en veilig wonen 5.2.1 Geschikte woning 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen als het normale gebruik van zijn woning als gevolg van een beperking niet mogelijk is (woonvoorziening). De hulp-op-maat houdt in dat de woning bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar wordt gemaakt. 2. Voor het bezoekbaar maken van de woningen van inwoners die (tijdelijk) in instellingen verblijven, verstrekt de gemeente een geldbedrag. Deze vergoeding is gelijk aan de verhuiskostenvergoeding. De hoogte van deze bijdrage wordt vastgesteld door de gemeente en is terug te vinden in het tarievenoverzicht. 3. Als de kosten van de woonvoorzieningen gelijk zijn aan of hoger zijn dan de verhuiskostenvergoeding, verwacht de gemeente dat de inwoner verhuist naar een geschikte woning. Een verhuiskostenvergoeding kan worden afgegeven in acute situaties, waarbij de inwoner onvoorzien en plots moet verhuizen. 4. Een verhuiskostenvergoeding kan worden afgegeven in acute situaties, waarbij de inwoner onvoorzien en plots moet verhuizen. De hoogte van deze bijdrage wordt vastgesteld door de gemeente en is terug te vinden in het tarievenoverzicht. 5. De gemeente verstrekt geen woonvoorzieningen in de volgende situaties: a. De beperkingen van de inwoner zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt. b.
De inwoner verblijft in een hotel of pension, een tweede woning, een trekkerwoonwagen, een klooster, een vakantiewoning, een recreatiewoning, een ADL-clusterwoning of een woonruimte waarvoor de inwoner geen huurtoeslag kan krijgen. c. De inwoner woont in een woning die specifiek gericht is op een bepaalde groep mensen waartoe de inwoner behoort - bijvoorbeeld een complex voor ouderen - en de voorziening is bedoeld voor gemeenschappelijke ruimten zoals elektrische deuropeners. d. Het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw en renovatie zonder veel meerkosten meegenomen kunnen worden. e. De inwoner zonder dringende reden verhuisd is vanuit een woonruimte waar de inwoner geen problemen had bij het normale gebruik van de woning. f. De inwoner een indicatie heeft voor verhuizing naar een zorginstelling op grond van de Wet langdurige zorg.
43 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025
g.
6.
De inwoner verhuisd is naar een woning die niet de meest geschikte woning is om de beperkingen van de inwoner te verminderen of weg te nemen, mits de gemeente daar toestemming voor heeft verleend. Een woonvoorziening die een eerder verstrekte woonvoorziening vervangt, kan alleen worden verstrekt als: a. de eerder verstrekte woonvoorziening technisch is afgeschreven; b. de eerder verstrekte woonvoorziening verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om.
5.2.2 Een schone en leefbare woning 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen als hij zijn woning niet schoon en leefbaar kan houden als gevolg van een beperking. 2. De hulp op maat houdt in dat de inwoner schoonmaakhulp aangeboden krijgt. 3. Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen zijn, dan kan de hulp-op-maat ook bestaan uit het overnemen van de gebruikelijke hulp voor deze kinderen. Deze hulp is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp is te overbruggen. 4. Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning, wordt gebruik gemaakt van het HHM Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 in de meest recente versie en met de laatste aanvullingen (laatste 2022). 5.2.3 Beschermd wonen 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen in de vorm van beschermd wonen. De inwoner moet deze woonvorm nodig hebben als gevolg van psychische of psychosociale problemen en voor de inwoner sprake is van noodzaak tot bescherming van zichzelf of zijn omgeving. Beschermd wonen kan worden ingezet als dit de inwoner helpt om zichzelf weer te kunnen handhaven in de samenleving. Bij beschermd wonen heeft de inwoner permanent toezicht nodig.
De maatwerkvoorziening Beschermd wonen moet een passende bijdrage leveren aan het voorzien in de behoefte van de inwoner aan beschermd wonen aan het zorgen voor een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk (weer) op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 2. De toegang voor beschermd wonen vindt plaats via de gemeente Gouda. Voor inwoners die hulp-op-maat in de vorm van de beschermd wonen nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de verordening van de gemeente Gouda. 3. Er wordt geen voorziening beschermd wonen verstrekt aan een cliënt die uitsluitend (feitelijk) dakloos is. 5.2.4 Maatschappelijke opvang 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen in de vorm van tijdelijke (maatschappelijke) opvang. Deze opvang is bedoeld voor de inwoner die de thuissituatie heeft verlaten en de opvang nodig heeft omdat de inwoner zich niet op eigen kracht kan handhaven in de samenleving als gevolg van psychische of psychosociale problemen of de dreiging van huiselijk geweld. 2. De toegang voor maatschappelijke opvang vindt plaats via de gemeente Gouda. De toegang tot vrouwenopvang vindt plaats via Veilig Thuis.
Voor inwoners die hulp-op-maat in de vorm van de maatschappelijke opvang of vrouwenopvang nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp van de gemeente Gouda, zoals vastgesteld door de gemeenteraad van gemeente Gouda. 5.2.5 Beschut wonen 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp- op-maat kan krijgen in de vorm van beschut wonen. Beschut wonen is bedoeld voor bewoners die uitstromen uit beschermd wonen, maatschappelijke opvang en verblijfszorg jeugdzorg én om instroom op deze specialistische plekken te voorkomen. Beschut wonen is een geclusterde woonvorm met een gemeenschappelijke ruimte, waar begeleiding door de weeks op vaste momenten aanwezig is en daarbuiten 24-uurs bereikbaar. Bij beschut wonen is het uitgangspunt scheiden van wonen en zorg. De inwoner kan in aanmerking komen voor beschut wonen als de inwoner 18 jaar of ouder is en door psychiatrische problematiek, lvb-problematiek, verslaving of een combinatie hiervan niet zelfstandig kan wonen. Er 24-uurs bereikbaarheid nodig en de hulpvraag van de cliënt kan worden uitgesteld. 2. Er wordt geen voorziening beschut wonen verstrekt aan een cliënt die uitsluitend (feitelijk) dakloos is.
5.2.6 Gewoon Thuis 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp- op-maat kan krijgen in de vorm van Gewoon Thuis.
44 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025
2.
Gewoon thuis is een vorm van intensieve begeleiding die gelijkwaardig is aan een beschermende woonomgeving, maar dan thuis. Cliënten kunnen hierbij 24 uur per dag een beroep doen op begeleiding, maar wonen zelfstandig.
5.2.7 Jongeren onder Dak 1. De gemeente zorgt ervoor dat aan dak- en thuisloze jonge inwoners in de leeftijd van 18 tot en met 23 jaar opvang, begeleiding en ondersteuning wordt geboden, waarbij wordt gestreefd naar vergroting van de persoonlijke omstandigheden en groei naar zelfredzaamheid. Deze ondersteuning wordt geboden aan de jongeren die beperkt zelfredzaam zijn en daardoor niet op eigen kracht of met hulp van het eigen netwerk kunnen herstellen. 2. De toegang voor maatschappelijke opvang vindt plaats via de gemeente Gouda. De toegang tot vrouwenopvang vindt plaats via Veilig Thuis. Voor inwoners die hulp-op-maat in de vorm van de maatschappelijke opvang of vrouwenopvang nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp van de gemeente Gouda, zoals vastgesteld door de gemeenteraad.
5.3 Mantelzorg 5.3.1 Ondersteuning mantelzorger De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die mantelzorg geven, hulp-op-maat kunnen krijgen als het voor een korte periode niet meer lukt om de mantelzorg te geven en de zorg niet overgenomen kan worden door vrijwilligers of een voorliggende voorziening. De hulp-op-maat houdt in dat de mantelzorg tijdelijk wordt overgenomen door een betaalde kracht (professional).
5.3.2 Mantelzorgwaardering De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers voor inwoners met een gezondheidsbeperking die wonen in de gemeente Waddinxveen. Daarom stelt de gemeente jaarlijks een mantelzorgwaardering vast. Het doel van de mantelzorgwaardering is om het belang van mantelzorgers te onderstrepen. 5.3.3 Voorwaarden mantelzorgwaardering 1. Een mantelzorgwaardering kan worden aangevraagd door degene die mantelzorg verleent, degene die mantelzorg ontvangt of door een naaste. Om in aanmerking te komen voor een mantelzorgwaardering moet voldaan zijn aan de volgende voorwaarden: a. de mantelzorger zorgt in ieder geval voor een periode van 3 maanden en voor tenminste gemiddeld 8 uur per week onbetaald voor een chronisch zieke, gehandicapte of hulpbehoevende partner, familielid, kind of vriend(in); b. de persoon die zorg krijgt is een inwoner van de gemeente Waddinxveen. 2. De mantelzorgwaardering moet worden aangevraagd voor 1 november. 3. De mantelzorgwaardering heeft betrekking op de periode vanaf 1 november van het voorgaande jaar tot en met 31 oktober van het lopende kalenderjaar.
45 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025
6. Vervoer naar school Iedere leerling heeft recht op onderwijs dat past bij zijn of haar mogelijkheden en dat aansluit bij de godsdienst of levensbeschouwing van de ouders. Soms is de afstand van huis naar school te groot voor de leerling of kan het kind vanwege zijn beperking niet zelfstandig naar school reizen. Ouders kunnen dan mogelijk een beroep doen op leerlingenvervoer. In dit hoofdstuk is geregeld hoe de gemeente ouders ondersteunt bij het vervoer van hun kind naar school. Uitgangspunten: Uitgangspunt van de regeling en volgorde van beoordeling is een vergoeding op basis van fiets, het openbaar vervoer (eventueel met begeleiding) of eigen vervoer. Leerlingen hebben recht op onderwijs dat bij hun mogelijkheden past. Leerlingen moeten veilig kunnen reizen naar de school die aansluit bij de godsdienst of levensbeschouwing van de ouders. Ouders zijn verantwoordelijk dat hun kind naar school gaat, de gemeente ondersteunt. Aangepast vervoer wordt alleen toegekend als er geen andere mogelijkheden zijn. De gemeente versterkt de zelfredzaamheid van de inwoner.
[Llv]
6.1 Algemene bepalingen 1.
2.
3.
4. 5.
6.
De gemeente ondersteunt ouders als dat nodig is bij het vervoer van hun kind naar school. De hulp is erop gericht dat leerlingen naar de school kunnen gaan die past bij hun mogelijkheden, en die aansluit bij de godsdienst of levensbeschouwing van de ouders. Ouders zijn er zelf verantwoordelijk voor dat hun kind naar school gaat. De gemeente beoordeelt op aanvraag van de ouders of een vervoersvoorziening voor de leerling noodzakelijk is. Een grote mate van eigen inzet mag van ouders verwacht worden. De gemeente verwacht dat ouders bij de aanvraag tot een vervoersvoorziening aangeven op welke wijze zij zelf (voor een deel) invulling geven aan de van hun verwachte eigen inzet, dan wel motiveren waarom zij zelf geen eigen inzet kunnen leveren bij het organiseren van het vervoer van hun kind. Het hebben van werk of meerdere schoolgaande kinderne wordt niet als een belemmering gezien. Ouders krijgen hulp bij het vervoer van hun kind als voldaan is aan de voorwaarden van dit hoofdstuk. Deze hulp heet een vervoersvoorziening. Het kan gaan om een bijdrage in de reiskosten of het OV. De gemeente regelt aangepast vervoer als fiets, eigen vervoer of OV tot ernstige benadeling van het gezin leidt.. Ouders van leerlingen in het (bijzonder) basisonderwijs betalen mogelijk een deel van de kosten zelf. Dat is de eigen bijdrage. Deze hangt af van de hoogte van het inkomen.
Een ouder is verantwoordelijk voor het gedrag van de leerling. Dit geldt ook voor het gedrag op school of tijdens de reis naar school. Als de leerling of diens ouders een gevaar vormen voor zichtzelf of anderen tijdens de reis dan kan de gemeente besluiten om de leerling tijdelijk niet te vervoeren. De gemeente houdt zich het recht voor om kinderen die niet vervoerbaar zijn geen aangepast vervoer toe te kennen. Als een handlingsbekwame leerling 18 jaar wordt zal het zelf verantwoordelijk zijn voor het aanvragen van het vervoer en het gedrag tijdens de reis. Voor leerlingen boven de 18 jaar gelden dezelfde regels als leerlingen onder de 18 jaar
6.2 Onderzoek 1.
2.
3. 4.
De gemeente onderzoekt of ouder(s) hulp nodig bij het vervoer van de leerling naar school. Als dat het geval is dan wordt ook door de gemeente onderzocht of de leerling met de fiets, eigen vervoer of OV kan reizen. Als dit niet kan wordt er gekeken of begeleiding of vervoer via een busje noodzakelijk is. Tot slot beoordeeld de gemeente welke route naar school de kortste is. Voor het bepalen van de route naar school maakt de gemeente gebruik van de actuele routeplanner. De gemeente berekent wat de afstand van de woning van de leerling is tot de dichtstbijzijnde school die bij het de leerling past. De gemeente kan ouders vragen om een Toelatingsverklaring (TLV) te laten zien. De gemeente vraagt altijd om een TLV indien gebruik wordt gemaakt van kilometervergoeding of OV. Gaat de leerling naar de basisschool, dan betalen ouders een eigen bijdrage. Deze is afhankelijk van het inkomen van de ouders. Ouders van kinderen op het Speciaal Onderwijs (SO) en Speciaal Basisonderwijs (SBO)betalen geen eigen bijdrage. Pleegouders betalen geen eigen bijdrage.
46 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025
5.
6. 7.
Als besloten wordt dat een leerling met een busje naar school gebracht moet worden zal er een opstapplaats aangewezen worden van waaruit de leerling en uit het busje kan stappen. De opstapplaats bevindt zich op redelijke loopafstand (maximaal 2 km). De ouders moeten er zelf voor zorgen dat de leerling op tijd op de opstapplaats is. Een opstapplaats wordt niet toegewezen indien dit tot ernstige benadeling van het gezin leidt. Burgemeester en wethouders kunnen nieuwe opstapplaatsen aanwijzen in zoverre dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van het aangepast vervoer (AV). Aangepast vervoer vindt plaats tussen de opstapplaats van de leerling en de school die de leerling bezoekt. De gemeente kan toestemming geven voor het vervoer van en naar maximaal één ander (opvang)adres dan de opstapplaats. De volgende voorwaarden moeten dan gelden: a) Het opvangadres ligt binnen de gemeentegrens van Waddinxveen; en b) Het opvangadres is een kinderdagverblijf of /een buitenschoolse opvang binnen een straal van 6 km van school of de gemeentegrens
6.3 Wijzigingen 1.
2.
De ouders of de meerderjarige leerling zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening, zo snel als mogelijk schriftelijk mede te delen aan de gemeente via het volledig ingevulde wijzigingsformulier of per mail onder vermelding van de datum waarop de wijziging ingaat. Als sprake is van een wijziging die van invloed is op de toegekende vervoersvoorziening, kan het recht daarop vervallen. De gemeente kan dan opnieuw beoordelen of de voorziening noodzakelijk is
6.4 Voorwaarden 1. De gemeente verstrekt aan ouders alleen een vervoersvoorziening, als: a) De leerling minimaal 4 jaar oud is, of minimaal 3 jaar oud is als het om dove of slechthorende kinderen gaat die speciaal onderwijs volgen, en b) De leerling in de gemeente Waddinxveen woont; en c) De leerling naar speciaal basis onderwijs of speciaal voortgezet onderwijs gaat zoals omschreven in artikel 6.1 en de dichtbij zijnde school voor de leerling meer dan 6 kilometer van de woning van het kind afligt voor PO of 7 km voor vmbo, havo of VWO. 2. Als een leerling vanwege een structurele handicap niet zelfstandig of begeleid met het openbaar vervoer of met de fiets kan reizen, kan de gemeente aangepast vervoer toekennen. 3. Als de ouders vanwege een specifieke godsdienstige of levensbeschouwelijke behoefte van de leerling een vervoersvoorziening aanvragen naar een school op een grotere afstand, dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school wordt deze slechts toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden: a) aan de gemeente door de ouders is aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige behoefte van de leerling; en b) aan de gemeente is door de ouders aangetoond dat de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen niet toegankelijk is c) Ouders dienen hun redenen schriftelijk bij de gemeente in te dienen. 4.
Ter uitvoering van artikel 6.4 lid 3 kan de gemeente een onafhankelijk (dat wil zeggen niet aan school verbonden of huisarts) deskundige om advies vragen om de situatie van de leerling te beoordelen. De ouders en de leerling verlenen medewerking aan het onderzoek van de deskundige. 5. De gemeente verstrekt aan ouders een vergoeding voor de reiskosten van een begeleider, als hun kind begeleiding nodig heeft bij het vervoer naar school en de ouders voor dit kind een vervoersvoorziening hebben. Pleegouders zijn vrijgesteld van het begeleiden van hun pleegkinderen. 6.4.1 Afwijzingsgronden 1. Een vervoersvoorziening wordt niet toegekend als de afstand van de woning tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school kleiner is dan 6 km. Deze grens geldt niet voor gehandicapte leerlingen. 2. Een vervoersvoorziening wordt niet toegekend voor het bezoeken van het voortgezet onderwijs, tenzij: a) er sprake is van voortgezet speciaal onderwijs en de leerling door een handicap niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra; of b) de leerling door een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer als bedoeld in artikel 8.28, van de Wet voortgezet onderwijs 2020; of c) de leerling bezoekt een internationale schakelklas (ISK).
47 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025
6.4.2 Bijzondere regeling voor weekend- en vakantievervoer 1. De gemeente kan indien nodig een vervoersregeling toekennen voor het weekeinde en de vakantie toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft. De artikelen 6.2 en 6.4 zijn hier ook van toepassing. 2. De gemeente kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de in het tweede lid bedoelde schoolvakanties. 3. De gemeente kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het vakantievervoer van de leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer, gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, als de vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt.
6.4.3 Stage en tijdelijk verblijf buiten de gemeente 1. Voor leerlingen met een vervoersvoorziening, die vanuit hun opleiding stage moeten lopen, moet een aparte aanvraag voor leerling vervoer ingediend worden. De gemeente kan het stagecontract opvragen. 2. De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt alleen toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a) de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school of in het stagecontract; en b) de stage vindt plaats op één stageadres; en c) het stageadres is gelegen binnen het met de vervoerder afgesproken vervoersgebied. 3. De gemeente kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van zes weken toekennen aan de ouders van een leerling, die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) de leerling blijft zijn eigen school bezoeken; b) in de periode, vooraf het tijdelijke verblijf buiten de gemeente, is een vervoersvoorziening toegekend op grond van deze verordening; en c) de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke gemeente.. 4. De eerder toegekende vervoersvoorziening wordt opgeschort voor de tijd dat de leerling buiten de gemeente verblijft.
Deze gaat weer in bij terugkeer, tenzij er wijzigingen zijn in de omstandigheden van de leerling, waardoor de voorziening niet langer rechtmatig is, of omdat het besluit is verlopen.
6.5 Vorm en hoogte van de vervoersvoorziening 1.
2.
3.
4.
5.
De gemeente stemt de vervoersvoorziening af op de voor de gemeente goedkoopste manier van reizen. Als de leerling (onder begeleiding) naar school kan fietsen, kunnen de ouders een kilometervergoeding krijgen voor het gebruik van de fiets. Kan de leerling niet zelfstandig fietsen naar school, dan kunnen de ouders een vergoeding krijgen voor het openbaar vervoer (OV) voor maximaal een lopend schooljaar. Ouders kunnen ervoor kiezen om de leerling zelf te vervoeren. Dan hebben zij recht op een vergoeding die gebaseerd is op de kosten van vervoer met eigen auto. Gaat het kind naar de (speciaal) basisonderwijs, dan betalen de ouders de reiskosten soms voor een deel zelf. Dit is de eigen bijdrage. Aangepast vervoer is nodig in de volgende situaties: a) De leerling is met het openbaar vervoer meer dan anderhalf uur onderweg en de reistijd wordt met aangepast vervoer teruggebracht tot 50% of minder van die reistijd. b) Openbaar vervoer naar school ontbreekt en het kind kan naar oordeel van de gemeente niet met de fiets naar school (ook niet met begeleiding). c) De leerling heeft langdurige beperkingen waardoor hij naar oordeel van de gemeente niet met het OV kan reizen (ook niet met begeleiding). Aangepast vervoer wordt niet toegekend in combinatie een fiets, openbaar vervoer of eigen vervoer voorziening. Aangepast vervoer is groepsvervoer.
Bij uitzondering is klein vervoer mogelijk voor leerlingen die overgevoelig zijn voor prikkels. Een medisch onderzoek uitgevoerd door een onafhankelijk deskundige kan onderdeel uitmaken van het onderzoek of klein vervoer nodig is. De hoogte van een vergoeding van de gemeente is afhankelijk van de reisafstand naar de dichtstbijzijnde school die bij het kind past en waar plaats is voor het kind, via de kortste route op basis van de actuele routeplanner.
48 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025
6. 7.
Als de ouders recht hebben op andere (gedeeltelijke) vergoedingen voor de reiskosten van het kind, trekt de gemeente deze vergoedingen af van de vergoeding die de gemeente geeft. De vergoeding van de gemeente voor het gebruik van een eigen vervoermiddel wordt berekend op basis van een door de gemeente vast te stellen kilometervergoeding voor dat vervoermiddel.
6.5.1 Eigen bijdrage en drempelbedrag 1 Is het inkomen van de ouders hoger dan het bedrag genoemd in het Tarievenoverzicht Sociaal Domein dan trekt de gemeente per kind de kosten voor de eerste 6 kilometer met het OV af van de vergoeding aan de ouders. Het gaat om de kosten voor het gebruik van een OV-chipkaart of een andere OV-betaalmogelijkheid door het kind en een eventuele begeleider. Bij aangepast vervoer moeten de ouders dit bedrag aan de gemeente betalen (eigen bijdrage). 2 Is de reisafstand meer dan 20 kilometer? Dan betalen ouders per kind de reiskosten voor een deel of helemaal zelf (eigen bijdrage). Als de gemeente zorgt voor aangepast vervoer, dan betalen de ouders de eigen bijdrage aan de gemeente. Als het kind op een andere manier wordt vervoerd, dan wordt de eigen bijdrage afgetrokken van de vergoeding die de ouders van de gemeente krijgen. De hoogte van de eigen bijdrage wordt per kind per schooljaar berekend en hangt af van het inkomen van de ouders. 3 De gemeente past de bedragen van de inkomensgrenzen jaarlijks aan. 4 De gemeente kan de vervoersvoorziening stoppen als ouders de eigen bijdrage niet (langer) betalen aan de gemeente. 5 De ouders van kinderen die naar het speciaal onderwijs gaan betalen geen eigen bijdrage.
Kinderen van ouders die naar het speciaal basisonderwijs gaan betalen wel een eigen bijdrage, tenzij door de ouders kan worden aangetoond dat het kind niet naar verloop van tijd zelfstandig of onder begeleiding kan reizen.
6.5.2 Zelfstandig leren reizen 1. Via MEE op weg kan een leerling zelfstandig leren reizen met de fiets of het openbaar vervoer. De gemeente financiert de route ter bevordering van ze zelfstandigheid van leerlingen 2. Alle aanvragen voor MEE op weg moeten via het Sociaal Team lopen. 3. Na het behalen van het zelfstandig reizen diploma betaald de gemeente de rest van de OV reiskosten voor maximaal een schooljaar.
6.6 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer 1. 2.
Als er recht bestaat op een vervoersvoorziening, kan de gemeente de ouders verzoeken of op aanvraag toestaan één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren. Als toestemming als gevolg van het eerste lid aan de ouders is gegeven, zal de gemeente de kosten vergoeden voor het vervoer van de leerling door de ouders zelf of door derden: a) een bedrag op basis van de kosten van het vervoer per fiets voor de leerling zonder begeleiding, als er recht zou bestaan op een vergoeding op basis van de kosten van het vervoer per fiets met of zonder begeleiding. De kilometervergoeding voor de fiets is opgenomen in het Tarievenoverzicht Sociaal Domein b) De vergoeding wordt berekend op basis van de kosten van het openbaar vervoer voor de leerling wanneer deze alleen reist, als er recht zou zijn op vergoeding gebaseerd op de kosten van het openbaar vervoer, met of zonder begeleiding of; c) Als er recht bestaat op speciaal vervoer, krijgen ouders normaal gesproken geld voor elke kilometer met de eigen auto gereden wordt. Dit bedrag is opgenomen in het Tarievenoverzicht Sociaal Domein Uitzonderingen op deze tarieven staan beschreven in artikel 6.4 van deze verordening.
6.7 Ingangsdatum en duur van de vervoersvoorziening Een vervoersvoorziening gaat in op de door de ouders aangegeven datum. Deze datum mag niet liggen vóór de datum waarop de gemeente de aanvraag heeft ontvangen. Voor aangepast vervoer geldt dat de vervoersvoorziening binnen 5 werkdagen na het besluit van de gemeente ingaat. De gemeente besluit binnen 6 weken nadat de aanvraag is ontvangen. Tot die tijd zijn ouders zelf verantwoordelijk voor het vervoer.
6.8 Beslissing burgemeester en wethouders in gevallen waarin de regeling niet voorziet
49 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025
In gevallen, waar deze verordening geen regels bevat voor specifieke situaties met betrekking tot leerlingenvervoer, nemen de burgemeester en wethouders een besluit.
6.9 Nadere regels Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels stellen voor de uitvoering van het leerlingenvervoer.
50 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025
7. Inkomen en schulden Voor inwoners die niet in hun levensonderhoud kunnen voorzien, heeft de gemeente een financieel vangnet. Dit is de maandelijkse bijstandsuitkering. Om deze inwoners en andere inwoners met een laag inkomen extra te ondersteunen kunnen zij bij de gemeente een aantal aanvullende uitkeringen en toeslagen aanvragen. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste extra’s geregeld. Ook staan de basisregels beschreven voor de hulp die de gemeente kan bieden bij een schuldenprobleem. Uitgangspunten: De inwoner en de gemeente zoeken samen naar een langdurige oplossing voor de problemen van de inwoner. De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor. De gemeente neemt maatregelen, die de inwoner helpen om problemen zo vroeg mogelijk op te lossen. De gemeente stemt de hulp af op de inwoner. Iedereen doet mee aan de samenleving. De gemeente helpt de inwoner om de zelfredzaamheid te vergroten.
[PW, Gemeentewet] 7.1 Armoedebeleid In deze paragraaf wordt beschreven waar de gemeente rekening mee houdt bij het maken van beleid om armoede en schulden te voorkomen en tegen te gaan. 7.1.1 Wat wil de gemeente? 1. De gemeente wil dat inwoners met een laag inkomen en zonder goede financiële buffer hun noodzakelijke bestaanskosten kunnen betalen en kunnen meedoen aan de samenleving. De gemeente neemt maatregelen om armoede en schulden te voorkomen (preventie). 2. De gemeente biedt inwoners die moeite hebben om rond te komen of die schulden hebben, hulp aan bij het op orde krijgen van hun financiën. Het doel van die hulp is dat inwoners blijvend een gezonde financiële huishouding krijgen. 3. De gemeente werkt bij het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden zoveel mogelijk samen met andere organisaties. De gemeente stimuleert initiatieven van inwoners en organisaties, die zijn gericht op het tegengaan van armoede en schulden. 4. De gemeente legt het armoedebeleid vast in een beleidsplan. De gemeente geeft daarbij aan welke groepen kwetsbare inwoners op welke manier financieel worden ondersteund. 5. De gemeente richt het armoedebeleid zo in, dat inwoners met een laag inkomen voldoende ondersteund worden en dat het starten met betaald werk niet leidt tot een armoedeval. 6.
De gemeente betrekt bij het maken van het armoedebeleid naast inkomen ook andere leefdomeinen, zoals onderwijs, maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp. 7. De gemeente zorgt ervoor dat voorzieningen die per maand of per jaar worden verstrekt, na afloop van die periode op een eenvoudige manier opnieuw aangevraagd kunnen worden.
7.2 Bijzondere bijstand Bijzondere bijstand is een hulpmiddel waarmee de gemeente inwoners kan helpen om noodzakelijke kosten te kunnen betalen die door bijzondere omstandigheden zijn ontstaan. Deze kosten kunnen niet uit eigen middelen of aanvullende toeslagen betaald worden. Hier worden de uitgangspunten beschreven waarmee de gemeente rekening houdt bij het toepassen van de regels over bijzondere bijstand.
7.3 Individuele Studietoeslag [Is komen te vervallen] Zie hiervoor de landelijke richtlijnen.
51 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025
7.4 Individuele Inkomenstoeslag Voor inwoners die al jaren moeten rondkomen van een laag inkomen en geen uitzicht hebben op verbetering van hun inkomen, is de individuele inkomenstoeslag bedoeld. Dat is een extraatje dat eens per 12 maanden kan worden aangevraagd en waarmee het inkomen wordt aangevuld. Hier is beschreven voor welke inwoners de individuele inkomenstoeslag bedoeld is en aan welke aanvullende voorwaarden er moet worden voldaan. 7.4.1 Doelgroep De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor inwoners van 21 jaar of ouder en jonger dan de AOW-leeftijd, die in een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen hadden dat niet hoger was dan 130% van de bijstandsnorm. Studenten komen niet in aanmerking voor de individuele inkomenstoeslag. 7.4.2 Hoogte van de toeslag 1. De hoogte van de inkomenstoeslag kan jaarlijks wijzigen door indexering. De bedragen zijn te vinden in het tarievenoverzicht. 2. Deze bedragen worden jaarlijks aangepast aan de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. 3. Bij gehuwden en samenwonenden geldt dat als één van de partners geen recht op inkomenstoeslag heeft, de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder krijgt.
7.5 Bijdrage voor maatschappelijke kosten en schoolkosten Om actief deel te kunnen nemen aan de samenleving is het belangrijk dat inwoners meedoen aan maatschappelijke activiteiten. Hieraan zijn meestal kosten verbonden. Enkele groepen inwoners met een laag inkomen kunnen een bijdrage krijgen om te sporten en om mee te doen aan culturele en maatschappelijke activiteiten. Ouders met kinderen kunnen een bijdrage in de schoolkosten krijgen. De bijdrage voor maatschappelijke kosten is bedoeld voor inwoners uit de volgende groepen: a. Kinderen tot 18 jaar; b. Inwoners die de pensioengerechtigde leeftijd hebben; en c. Inwoners van 18 jaar of ouder en jonger dan de AOW-leeftijd, die chronisch ziek zijn of een beperking hebben. 7.5.1 Bijdrage maatschappelijke kosten en schoolkosten Een inwoner die valt onder de doelgroep kan een bijdrage krijgen als hij: a. bij de aanvraag in het kalenderjaar een inkomen heeft dat lager is dan 130% van de bijstandsnorm; b. geen goede financiële buffer heeft; c. kosten maakt op het gebied van sport, cultuur, recreatie of andere maatschappelijke activiteiten. d. Schoolkosten heeft voor minderjarige kinderen die basisonderwijs of voortgezet onderwijs volgen.
Minderjarige kinderen die in aanmerking komen voor een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, of minderjarige kinderen die een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs in de beroepsbegeleidende leerweg volgen komen niet in aanmerking.
7.5.2 Aanvraag 1. De inwoner moet bij de aanvraag verklaren dat de bijdrage wordt gebruikt om kosten voor maatschappelijke activiteiten of schoolkosten te betalen, en instemmen met een controle van de besteding. 2. Een bijdrage voor een kind moet worden aangevraagd door de ouder of verzorger bij wie het kind woont en staat ingeschreven. 3. Een aanvraag dient betrekking te hebben op kosten gemaakt in het lopende kalenderjaar. 4. De gemeente is bevoegd nadere regels te stellen inzake kosten voor maatschappelijke activiteiten of schoolkosten. De gemeente kan er voor kiezen om de bijdrage door een derde partij te laten verstrekken. 7.5.3 Hoogte van de bijdrage 1. De gemeente levert per persoon per kalenderjaar een bijdrage in de kosten voor één maatschappelijke activiteit.
52 Verordening sociaal domein Samenredzaam gemeente Waddinxveen 2025
2.
3. 4.
5. 6. 7.
In aanvulling op het eerste lid, vergoedt de gemeente voor inwoners tot 18 jaar ook het lidmaatschap voor één sport of één cursus per kalenderjaar. Voor inwoners van 18 jaar of ouder vergoedt de gemeente 50% van de kosten van een cursus of sport lidmaatschap per persoon per kalenderjaar. Voor alle bijdragen genoemd in lid 2 geldt dat er per persoon per kalenderjaar maximaal voor één lidmaatschap een vergoeding kan worden aangevraagd bij de gemeente. De gemeente levert per persoon per kalenderjaar tot een maximaal bedrag een bijdrage in de kosten voor maatschappelijke activiteiten, een sportlidmaatschap of een cursus. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen het sportlidmaatschap en het cultureel lidmaatschap. De kosten voor zwemles voor het diploma A, B en C worden voor kinderen vanaf 4 jaar volledig vergoed. Voor alle bijdragen genoemd in lid 2 geldt dat er per persoon per kalenderjaar maximaal voor één lidmaatschap een vergoeding kan worden aangevraagd bij de gemeente. Onder lidmaatschap wordt verstaan: Het deel uitmaken van een vereniging of (sport)club. De contributie van het lidmaatschap komt voor vergoeding in aanmerking. De gemeente vergoedt de schoolkosten tot een maximaal bedrag per kind per kalenderjaar.