CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. BP Theo Thijssenschool

Besluitvormende raadsvergadering 9 juli 2025, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan uitbreiding Theo Thijssenschool23.243 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's. 5.2.1 Rijk De Rijksoverheid heeft het Nationaal Waterplan 2022-2027 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan (hierna: NWP3) is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid en is, voor wat betreft de ruimtelijke aspecten, een structuurvisie zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. In de Waterwet is vastgelegd dat het Rijk dit plan eens in de zes jaar actualiseert. Het NWP3 geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot duurzaam waterbeheer. Het NWP3 richt zich op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. In het Nationaal Waterplan zijn de maatregelen benoemd die worden genomen om de verschillende doelen te bereiken.

In het Nationaal Waterplan 2022-2027 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust. Het waterbeleid, zoals geformuleerd in het NWP3, werkt door op provinciaal en regionaal niveau, om zo te komen tot gebiedsgericht beleid. Via het provinciaal en gemeentelijk waterbeleid en het beleid van de waterschappen dient het Rijksbeleid, zoals geformuleerd in het NWP, door te werken tot op bestemmingsplanniveau. De watertoets, die is geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening, blijft een belangrijk instrument om de waterbeheerder vroegtijdig bij ruimtelijke planprocessen te betrekken. Daarnaast is in het NWP3 aangegeven dat aandacht moet worden geschonken aan de planologische borging van beschermingszones van primaire waterkeringen, door deze vast te leggen in bestemmingsplannen. Een en ander is op Rijksniveau in

38/524

het Barro vastgelegd. 5.2.2 Provincie Provinciale Staten hebben op 9 maart 2022 het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. In dit programma staat wat de provincie doet om uitvoering te geven aan de Europese richtlijnen die betrekking hebben op water (verplichte onderdelen). Het gaat om de volgende richtlijnen. Kaderrichtlijn Water: grondwaterrichtlijn; drinkwaterrichtlijn; richtlijn Overstromingsrisico's; zwemwaterrichtlijn. Naast deze verplichte onderdelen bevat het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 ook niet-verplichte onderwerpen, zoals zoetwatervoorziening, wateroverlast, vaarwegbeheer en waterrecreatie. Hiermee laat de provincie Zuid-Holland zien hoe ze samen met haar partners werkt aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. Het regionaal waterprogramma is zelfbindend. Dat betekent dat alleen Gedeputeerde Staten eraan gebonden zijn. Toch heeft het regionaal waterprogramma ook gevolgen voor andere overheden. Die zijn wettelijk verplicht rekening te houden met de verplichte onderdelen van het regionaal waterprogramma. De binding van andere overheden aan de niet-verplichte onderdelen is waar nodig geregeld via de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

5.2.3 Gemeente Het gemeentelijke beleid is vastgelegd in het Gemeentelijk Waterplan 2021-2025. Het gemeentelijk Waterplan (GWP) 2021-2025 beschrijft de bijdrage van de gemeentelijke zorgplichten en watertaken aan verschillende kernambitie. Het GWP geeft vorm aan de gemeentelijke visie en beleidskaders op het gebied van water en riolering om de leefomgeving toekomstbestendig en klimaatadaptief in te richten. De zorgplichten en watertaken van de gemeente gaan verder dan alleen de buizen onder de grond. Gemalen, sloten en greppels hebben bijvoorbeeld ook tot doel om (afval)water te verwerken. Dit moet op een zodanige manier zijn geregeld dat het, in samenspraak met de hoogheemraadschappen, geen problemen veroorzaakt. De riool- en watervoorzieningen hebben dan ook een aantal belangrijke functies in het dagelijks leven, namelijk: het beschermen van de volksgezondheid tegen infectieziekten; het schoonhouden van de bodem en het oppervlaktewater; het voorkomen van schade door hevige regenval en/of bij extreme droogte; het voorkomen en beperken van structureel nadelige gevolgen van grondwater. Het GWP geeft inzicht in de omvang, het functioneren en de kwaliteitstoestand van de gemeentelijke voorzieningen op het gebied van water. Hiermee geeft de gemeente invulling aan de wettelijke zorgplichten voor de inzameling, het transport en de verwerking van afvalwater, hemelwater en grondwater.

Ook gaat het GWP in op de gemeentelijke watertaken voor oppervlaktewater. Daarnaast worden op hoofdlijnen de activiteiten rond onderzoek, jaarlijks een groot onderhoud en investeringen omschreven. We richten ons voor

39/524

deze activiteiten en de financiering ervan via de rioolheffing op de planperiode 2021-2025. Tot slot dient het GWP als instrument van de Omgevingswet nadat deze wet in werking is getreden.

5.3

Beleid hoogheemraadschap van Rijnland

Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Dit schap is in het gebied verantwoordelijk voor de waterhuishouding: het waterkwaliteitsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en de zorg voor de waterkeringen. Voor elk bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de effecten van de bouwmogelijkheden op het waterbeheer. De waterbeheerder voert de Watertoets uit. De Watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. De opmerkingen van de waterbeheerder worden verwerkt in deze waterparagraaf. Taken en bevoegdheden van Rijnland als waterbeheerder Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft de veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Voor voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken, zoals gemalen, duikers en stuwen, op orde zijn en toekomstbestendig worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering.

Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Waterbeheerprogramma 2022-2028 Voor de planperiode 2022-2028 zal het Waterbeheerprogramma (WBP6) van Rijnland van toepassing zijn. In dit plan geeft Rijnland aan wat haar visie is voor de komende planperiode en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. De visie van het hoogheemraadschap kan samengevat worden in: water wijst de weg. Het beheergebied van Rijnland en het watersysteem moeten veerkrachtiger en flexibeler worden, er is een noodzaak om water meer leidend te maken in de ruimtelijke inrichting. Belangrijk is om te blijven investeren in waterbeheer. Het werken aan oplossingen om de leefomgeving toekomstbestendig te maken doet het hoogheemraadschap niet alleen, maar in samenwerking met andere partijen zoals het Rijk, provincies en gemeenten.

Er zijn vijf maatschappelijke opgaves geformuleerd: bijdragen aan klimaatbestendige woningbouw tegengaan van bodemdaling versterking van de biodiversiteit energieneutraal werken Nederland circulair in 2050. De thema's voor de strategische doelen bestaan uit waterveiligheid, voldoende water, schoon water, waterketen, Rijnland duurzaam en Rijnland klimaatadaptief. In het waterbeheerprogramma is beschreven hoe

40/524

het hoogheemraadschap de gestelde taken wilt bereiken en hoe ze denken dat te gaan doen. Het Waterbeheerprogramma (WBP6) 2022-2028 van Rijnland is te vinden op de website: www.bp6rijnland.nl Waterschapsverordening en uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de waterschapsverordening, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij: Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); De bodem van kwelgevoelige gebieden. Binnen HH van Rijnland wordt bij de bepaling van de waterbergingsopgave een verschil gemaakt tussen 4 verschillende groottes aan toename van verharding: minder dan 500 m2,> 500 m2 en < 5.000 m2, > 5.000 m2 en > 50.000 m2. Voor toename aan verharding geldt: Dit is het nieuwe hard oppervlak minus het verwijderd (binnen 5 jaar) en/of minus bestaand hard oppervlak. Minder dan 500 m2 toename aan verharding (zorgplicht, geen vergunning nodig) Kleine toename aan verharding valt bij HH van Rijnland onder de zogenoemde zorgplicht. Dit houdt in dat er geen melding of vergunning nodig is.

Vanuit HH van Rijnland wordt de verantwoordelijkheid voor het voorkomen dat een plan nadelen voor het watersysteem veroorzaken bij de initiatiefnemer neergelegd. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijv. door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.

5.4

Waterhuishouding

Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater en bodemopbouw, oppervlaktewater, hemel- en afvalwater. Afkoppeling van

41/524

het hemelwater van de daken, ontsluitingswegen, parkeerplaatsen en overige verharde oppervlakken is in principe mogelijk. Beschrijving waterkwantiteit Het plangebied bestaat volledig uit (bedrijfs)bebouwing en verharding. Er is geen oppervlaktewater aanwezig. Ten behoeve van het planvoornemen wordt de bestaande bebouwing en verharding vervangen door een uitbreiding van de naastgelegen school. Het verhard oppervlak neemt niet toe. Waterafvoer Het hemelwater van het toekomstige dak zal worden afgevoerd naar de gemeentelijke riolering. Het afvalwater van de nieuwbouw zal op het riool worden aangesloten overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Er wordt voor de afvoer van hemelwater geen gebruik gemaakt van uitloogbare bouwmetalen. 5.4.1 Wateradvies De Watertoets is via www.dewatertoets.nl op 11 oktober 2022 uitgevoerd. In bijlage 3 is de doorlopen watertoets bijgevoegd. Het hoogheemraadschap heeft middels een overlegreactie laten weten dat het plan in lijn is met haar beleid. 5.4.2 Conclusie Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen bestaan er geen bezwaren tegen de in dit bestemmingsplan opgenomen planontwikkeling.

42/524

Hoofdstuk 6 6.1

Omgevingsaspecten

Geluid

6.1.1 Wet- en regelgeving Geluid kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog geluidsniveau kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden langs gezoneerde geluidsbronnen. Onder geluidsgevoelige bestemmingen wordt verstaan (art. 1 Wgh): a. Woningen b. Onderwijsgebouwen c. Ziekenhuizen en verpleeghuizen d. Verzorgingstehuizen e. Geluidsgevoelige terreinen f. Kinderdagverblijven. Bij realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen dient de geluidsbelasting ten hoogste de voorkeursgrenswaarde te bedragen. Als uit onderzoek blijkt dat hier niet aan voldaan kan worden en maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn ofwel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard kan in sommige gevallen een Hogere Waarde worden vastgesteld. Daarbij mag de maximale grenswaarde niet worden overschreden. Ter bepaling of deze Hogere Waarde inderdaad kan worden vastgesteld heeft de gemeente Waddinxveen op 5 maart 2019 de Beleidsregel Hogere waarden, 2018 regio Midden-Holland vastgesteld.

In deze Beleidsregel staan voorwaarden weergegeven waaronder burgemeester en wethouders een hogere waarde mogen verlenen. In onderstaande tabel zijn de voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden ten aanzien van wegverkeer, railverkeer en industrie weergegeven. Tabel 6.1 Overzicht voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden in dB voor weg-, railverkeer en industrielawaai Bestemming Geluidsbron Geluidsbelasting Lden in dB VoorkeursMaximale grenswaarde grenswaarde Nieuw te bouwen of het bestemmen van Wegverkeer 48 63 geluidsgevoelige bestemmingen (binnenstedelijk) Railverkeer 55 68 Industrie 50 55 In het kader van een goede ruimtelijke ordening is inzicht vereist in de geluidsbelasting ter plaatse van het plangebied. De cumulatieve geluidsbelasting geeft een indicatie voor de te verwachten geluidhinder. Voor

43/524

cumulatie van geluid is in Bijlage I, hoofdstuk 2 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 een methodiek gegeven voor het bepalen van de gecumuleerde geluidsbelasting. Hierin wordt de geluidsbelasting geclassificeerd en beoordeeld op basis van klassen van 5 dB. Voor bepaling van de milieukwaliteitsmaat is de gangbare rekenmethode Miedema gehanteerd. De te verwachten hinder als cumulatieve geluidsbelasting is gekwantificeerd volgens tabel 6.2. Tabel 6.2: Milieukwaliteitsmaat (Miedema) Gecumuleerde geluidsbelasting in Lden in dB < 50 50-55 55-60 60-65 65-70 > 70

Milieukwaliteitsmaat MKM Goed Redelijk Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer Slecht

6.1.2 Onderzoek Kwantitatief onderzoek In onderhavig bestemmingsplan wordt een nieuwe geluidsgevoelige functie (onderwijsgebouw) mogelijk gemaakt. De ontwikkeling ligt in de wettelijke zones van Henegouwerweg, Kerkweg-Oost/Brugweg en Juliana van Stolberglaan. Verder ligt de niet gezoneerde 30 km/u weg Oranjelaan in de directe omgeving van het plangebied. Uit het uitgevoerde onderzoek (zie bijlage 4) blijkt dat voor de gezoneerde wegen geen overschrijding is van de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De maximale berekende geluidbelasting bedraagt Lden = 47 dB als gevolg van het wegverkeer op de Kerkweg-Oost/Brugweg. Aanvullende kwalitatieve onderbouwing vanwege actualisatie plan Recent zijn een aantal aanpassingen in het plan doorgevoerd, die ook doorwerken in het onderzoek wegverkeerslawaai. Het gaat om: a. In het onderzoek wordt gesproken over acht leslokalen met elk maximaal 25 leerlingen, dit zijn nu maximaal 100 leerlingen voor alle lokalen gezamenlijk. Hierdoor is de verkeersgeneratie naar beneden bijgesteld. Daarnaast zijn de uitgangspunten voor het aantal kinderen dat gebracht en gehaald wordt sindsdien aangepast, wat invloed heeft op de berekening van de verkeersgeneratie. In het onderzoek is uitgegaan van een verkeerstoename van 275 mvt/etmaal (weekdag), die is nu 84 mvt/etmaal (weekdag). b.

In het onderzoek is een oudere toedeling van het verkeer van de beoogde ontwikkeling opgenomen. De nieuwe toedeling, zoals opgenomen in paragraaf 3.2.5, is echter op alle voor het onderzoek relevante wegen lager dan de oudere toedeling. c. In het onderzoek wordt gesproken over maximaal vier bouwlagen, dit zijn nu maximaal twee bouwlagen (met een bouwhoogte van 4,1 m per bouwlaag). In het onderzoek is uitgegaan van een maximale bouwhoogte van 12 meter, die is nu maximaal 8,2 meter. d. De geluidbelasting op het geluidgevoelige gebouw vanwege wegverkeer wijzigt niet, daar geen sprake is van uitbreiding dichter bij de weg.

44/524

Op deze onderdelen is het akoestisch onderzoek niet in overeenstemming met het bestemmingsplan. Er is gekozen voor een kwalitatieve beschouwing van het effect van deze aanpassingen op het eerder uitgevoerde onderzoek. Door de lagere bouwhoogte neemt ook de toetshoogte voor het geluid af. Er is al aangetoond dat op lagere toetshoogten voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde. Daarnaast is de verkeerstoename en bijbehorende verkeerstoedeling door de ontwikkeling lager dan voorheen aangenomen. De aanpassingen zullen leiden tot een lagere geluidbelasting. Geconcludeerd kan worden dat ook na aanpassing voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Er blijft sprake van een aanvaardbare geluidsituatie. 6.1.3 Conclusie Ter plaatse van de beoogde nieuwbouw van de school is daarmee sprake van een aanvaardbaar akoestisch klimaat.

6.2

Luchtkwaliteit

6.2.1 Wet- en regelgeving Als mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in onderstaande tabel. Tabel 6.3: Grenswaarden Wet luchtkwaliteit stof jaargemiddelde uurgemiddelde NO2 40 µg/m3 200 µg/m3

24-uursgemiddelde n.v.t.

PM10 40 µg/m3

50 µg/m3

n.v.t.

Opmerkingen Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden 24-uursgemiddelde mag 35x per jaar worden overschreden

Ten aanzien van tabel 6.3 wordt opgemerkt dat PM2,5 niet is beoordeeld. Dit omdat: Wanneer voldaan wordt aan de grenswaarde voor PM10 over het algemeen eveneens wordt voldaan aan de grenswaarde voor PM2,5. Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijk plan of project doorgang kan vinden als: a. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt; b. de luchtkwaliteit ten gevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; c. een project “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 µg/m3 PM10 of NO2

45/524

jaargemiddeld.); d. een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). (Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen.) Regeling NIBM De Ministeriële Regeling NIBM geeft een uitwerking aan het Besluit NIBM en een getalsmatige invulling van de NIBM-grens. Voor een aantal categorieën van projecten kan met zekerheid worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een luchtkwaliteitsonderzoek niet meer nodig is: Woningbouw = 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg. Woningbouw = 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Kantoorlocaties = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Ook is in het Besluit NIBM, art.5 een anticumulatiebepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit.

In de overige gevallen, die niet in het Besluit NIBM genoemd worden, zal op een andere manier bijvoorbeeld door middel van berekeningen aannemelijk gemaakt moeten worden dat de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden. 6.2.2 Onderzoek De luchtkwaliteit ter plaatse van de verschillende locaties is inzichtelijk gemaakt aan hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK), die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De concentraties in het CIMLK geven een indruk van de luchtkwaliteit langs wegen voor het jaar 2023. Het plan omvat de realisatie van maximaal vier lokalen met een maximum van 25 leerlingen per lokaal en één speelzaal. Gelet op de geringe verkeersgeneratie (zie ook paragraaf 3.2.4) zal de ontwikkeling 'niet in betekende mate' bijdragen aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen.

46/524

Afbeelding 6.1 Rekenpunten CIMLK rond het plangebied (indicatief rood omcirkeld) De concentraties in de nabijheid van de locatie zijn berekend, aan de hand van de nsl-monitoring, langs de omliggende wegen. De concentraties liggen overal onder de 35 µg/m³ en voldoen daarmee aan de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m³. De hoogste concentraties langs de Kerkweg-Oost zijn in onderstaande tabel 5 benoemd. Tabel 6.4: concentraties voor het jaar 2023 Stof Hoogste concentratie Stikstofdioxide (NO2) 18,3 µg/m3 Fijn stof (PM10) 15,9 µg/m3

PM10 Overschrijdingsdagen geen 6

Uit tabel 6.4 blijkt dat de maatgevende jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof (PM10) ruimschoots onder de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m³ liggen. Ook het aantal overschrijdingsdagen van maximaal 35 µg/m³ wordt niet overschreden. Omdat in de huidige situatie aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook in de toekomstige situatie het geval zijn. De concentraties zullen de komende jaren namelijk afnemen.

47/524

6.2.3 Conclusie Uit de monitoringstool blijkt dat langs de maatgevende wegen in de nabijheid van het plangebied aan de wettelijke grenswaarden voldaan wordt. Een toename van de concentraties luchtverontreinigende stoffen als gevolg van de ontwikkeling in het bestemmingsplan leidt in geen geval tot een overschrijding van grenswaarden. Deze plannen kunnen conform Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) dan ook toelaatbaar worden geacht.

6.3

Bedrijven en milieuzonering

6.3.1 Wet- en regelgeving Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Deze brochure geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten. Bij de beoordeling worden ook normen uit de Wet milieubeheer en Activiteitenbesluit milieubeheer betrokken. De richtafstanden in de richtlijn Bedrijven en Milieuzonering 2009 van de VNG gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bijvoorbeeld bedoeld met de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype “gemengd gebied” kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. Dit omgevingstype en bijbehorende systematiek zullen dan wel in het bestemmingsplan moeten worden vastgelegd. In tabel 6.5 zijn de richtafstanden uit de VNG richtlijn opgenomen voor een rustige woonwijk en gemengd gebied.

Tabel 6.5 Richtafstanden volgens VNG richtlijn Milieucategorie van bedrijf Richtafstand rustige woonwijk (meter) 1 10 2 30 3.1 50 3.2 100

Richtafstand gemengd gebied (meter) 0 10 30 50

6.3.2 Onderzoek In het plangebied worden nieuwe milieugevoelige activiteiten mogelijk gemaakt (onderwijs). Het plangebied kan worden beschouwd als een 'gemengd gebied.' Rondom het plangebied zijn een aantal milieubelastende activiteiten gelegen waarvoor op basis van de VNG brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' richtafstanden gelden: Tabel 6.6 Nabijgelegen bedrijven

48/524

Bedrijf Brugkerk Asian Palace Avé stucadoors

Adres

Milieucategorie Kerkweg-Oost 232 2 Oranjelaan 40 1 Nesse 46 2

Richtafstand gemengd gebied (meter) 10 0 10

Daadwerkelijke afstand tot plangebied (meter) 15 15 35

Zoals uit tabel 6.6 blijkt, zijn er geen bedrijven gevestigd die een belemmering vormen voor de ontwikkeling van de school. De uitbreiding van de school wordt ook gezien als een milieubelastende activiteit. Voor basisonderwijs geldt in een gemengd gebied een richtafstand van 10 meter tot een milieugevoelige functie, vanwege geluid. Het geluid wordt met name geproduceerd door spelende kinderen op schoolpleinen. Met de beoogde ontwikkeling wordt een schoolplein gerealiseerd. In dit kader is akoestisch onderzoek naar spelende kinderen uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 5. In het onderzoek zijn de geluidniveaus tijdens de huidige en mogelijke toekomstige situaties berekend, inzichtelijk gemaakt en tevens getoetst aan de gestelde geluideisen conform VNG. In h et onderzoek is onderscheid gemaakt in de volgende situaties: 1. Huidige situatie (twee speellocaties); 2. Toekomstige situatie met deel van nieuwe terrein als speelterrein conform verbeelding (drie speellocaties). Uit het onderzoek blijkt dat zonder realisatie van een geluidscherm niet kan worden voldaan aan Stap 3 uit het stappenplan uit de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. In de verdere berekeningen van de toekomstige situatie is daarom een geluidscherm meegenomen. Dit scherm dient een hoogte te hebben van 2,5 meter, kierdicht te worden uitgevoerd en een massa van minimaal 10 kg/m2 te hebben.

De realisatie van het geluidscherm is in de regels van dit bestemmingsplan geborgd via de 'Voorwaardelijke verplichting geluidscherm', zoals opgenomen in lid 3.2.3 en lid 5.2.4 van de regels van dit bestemmingsplan. Op basis van de resultaten kan worden gesteld dat ter plaatse van de omliggende woningen na realisatie van de ontwikkeling een akoestisch goed woon- en leefklimaat gewaarborgd blijft en er derhalve akoestisch gezien sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Er is daarnaast, vanwege de beoogde functie, geen nachtverstoring aanwezig. Voor wat betreft het aspect geluid zijn er derhalve geen bezwaren de bestemmingsplanwijziging door te voeren.

6.3.3 Conclusie Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het vaststellen van dit bestemmingsplan. Het voldoet uit het oogpunt van bedrijven en milieuzonering aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening.

49/524

6.4

Lichthinder

6.4.1 Wet- en regelgeving Er is geen wettelijk kader in het ruimtelijk spoor voor lichthinder of lichtgevoelige functies. De bescherming tegen eventuele lichthinder gaat via de invulling van een goede ruimtelijke ordening. 6.4.2 Onderzoek Met de beoogde ontwikkeling worden klaslokalen met ondersteunende functies, waaronder mogelijk een speelzaal, verdeeld over maximaal twee bouwlagen mogelijk gemaakt. Een nieuwe ontwikkeling kan mogelijk lichthinder op de omgeving veroorzaken, bijvoorbeeld ter plaatse van omliggende woningen. De dichtstbijzijnde woningen bevinden zich op een afstand van ongeveer 20 meter tot de beoogde ontwikkeling. De beoogde ontwikkeling vindt plaats in een stedelijke omgeving. In de directe omgeving bevinden zich woningen en andere gebouwen met vergelijkbare bouwhoogtes. In een stedelijke omgeving bevinden deze gebouwen zich op vergelijkbare of kortere afstanden tot woningen. Enige vorm van lichthinder als gevolg van verlichting (op verdiepingen van gebouwen) is daarom inherent aan een stedelijke omgeving. Daarnaast is in de huidige situatie een bedrijf binnen het plangebied gevestigd, welke in zekere mate lichthinder kan veroorzaken. Verder wordt een uitbreiding van een basisschool mogelijk gemaakt, die in hoofdzaak gedurende de dagperiode wordt gebruikt. Eventuele lichthinder gedurende avonduren ten gevolge van de ontwikkeling is dan ook zeer beperkt.

Tot slot is in de regels van dit bestemmingsplan een regel opgenomen dat in de gevels van de verdiepingen richting de omliggende woningen geen doorzichtige en/of openslaande ramen en deuren zijn toegestaan. Deze regel is in hoofdzaak opgenomen ter bevordering van privacy van omwonenden, maar draagt ook bij aan een beperking van eventuele lichthinder, omdat de lichtdoorlatendheid van deze ramen en deuren lager is dan van ramen en deuren die wel doorzichtig en/of openslaand zijn. 6.4.3 Conclusie De ruimtelijke effecten van de beoogde ontwikkeling ten aanzien van lichthinder zijn zeer beperkt. De nabijgelegen woningen bevinden zich op een ruime afstand van ten minste 20 meter, het plangebied bevindt zich binnen een stedelijke omgeving en de school is hoofdzakelijk gedurende de dagperiode in gebruik. De ramen en deuren in de gevels op de verdiepingen van de school zijn minder lichtdoorlatend omdat hier geen doorzichte en/of openslaande ramen en deuren zijn toegestaan. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot onaanvaardbare lichthinder ter plaatse van de omliggende woningen. Ten aanzien van het aspect lichthinder is sprake van een goede ruimtelijke ordening.

50/524

6.5

Externe veiligheid

6.5.1 Wet- regelgeving Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico's voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vormen op dit moment het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico's. Door het stellen van eisen aan de afstand tussen activiteiten met gevaarlijke stoffen en kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen etc.) worden de eventuele gevolgen van deze risico's zoveel mogelijk beperkt. Plaatsgebonden risico (PR) Als “harde” afstandseis voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron). Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd. Groepsrisico (GR) Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedsgebied. Binnen dit invloedsgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 (zich binnen dit invloedsgebied bevindende) personen overlijdt ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron.

De uitkomst van dit onderzoek geeft de hoogte van het GR weer en wordt uitgedrukt in een curve, waarbij als norm voor het GR een oriënterende waarde is vastgesteld. De hoogte van het GR moet door middel van een bestuurlijke afweging worden verantwoord. Als binnen het invloedsgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, geldt ook voor de hiermee samenhangende toename van het GR een bestuurlijke verantwoordingsplicht. 6.5.2 Beleidsnota Externe veiligheid gemeente Waddinxveen De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 3 oktober 2012 de Beleidsnota Externe Veiligheid vastgesteld. In de beleidsnota zijn de volgende veiligheidsambities geformuleerd: woongebieden worden zo veilig mogelijk ingericht; de vestiging van nieuwe risicobedrijven in woongebieden is niet toegestaan; binnen het 100% letaliteitsgebied van risicobronnen zijn nieuwe bestemmingen voor verminderd zelfredzame personen niet toegestaan; de vestiging van nieuwe risicobedrijven op bedrijventerrein Coenecoop is uitsluitend toegestaan onder strikte voorwaarden; de vestiging van nieuwe risicobedrijven is toegestaan op Distripark Doelwijk en op het nog te ontwikkelen bedrijventerrein A12 Noord; nieuwe woon- en verblijfsgebouwen worden standaard uitgevoerd met afschakelbare ventilatie.

Voor de uitvoering van deze ambities zijn planologische kaders opgenomen, waaraan bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan worden getoetst. Om de uitvoering te borgen wordt deze beleidsnota externe veiligheid gekoppeld aan de nieuwe Structuurvisie Waddinxveen 2030 en wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan rekening gehouden met de geformuleerde ambities.

51/524

6.5.3 Onderzoek Ter voorbereiding van het opstellen van het bestemmingsplan is onderzocht of er risicobronnen binnen of nabij het plangebied zijn gelegen die hierop van invloed zijn. Mogelijke risicobronnen zijn bedrijven (inrichtingen), waar activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden of transportmodaliteiten bestemd voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals (spoor)wegen en buisleidingen. Inrichtingen Binnen en nabij het plangebied zijn geen EV relevante inrichtingen aanwezig. Transport gevaarlijke stoffen per buisleiding Ten westen van het plangebied is, op ongeveer 540 meter afstand, de hogedruk aardgasleiding W-517-01 gelegen. Het invloedsgebied (brandaandachtsgebied onder de Omgevingswet) van deze gasleiding is 140 meter vanaf de gasleiding. Het plangebied ligt ruim buiten het invloedsgebied van de gasleiding. Dit levert dus geen belemmeringen op voor het plan. Transport gevaarlijke stoffen over de weg Over de provinciale weg N207 (Henegouwerweg) worden (in kleine aantallen) gevaarlijke stoffen vervoerd. Deze weg is op ongeveer 160 meter afstand van het plangebied gelegen. De omvang van het invloedsgebied wordt bepaald door de stofcategorie die wordt vervoerd over de N207. Uit tellingen die zijn gedaan in het verleden blijkt dat het gaat om brandbare vloeistoffen (LF1+2), brandbare gassen (GF3) en toxische vloeistoffen (LT2, beperkte hoeveelheden).

De invloedgebieden per stofcategorie zijn opgenomen in de 'Handreiking Risicoanalyse Transport' (HART). Uit het HART blijkt dat het plangebied is gelegen binnen invloedsgebied van stofcategorie GF3 (355 meter) en LT2 (880 meter). Uit deze berekeningen blijkt dat de N207 ter hoogte van Waddinxveen geen PR 10-6 contour heeft. Het plaatsgebonden risico vormt dus geen belemmering voor het plangebied. Uit de berekeningen blijkt daarnaast dat het GR (groepsrisico) kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Het gebied tot 80 meter van de N207 is zeer bepalend voor de hoogte van het groepsrisico. Het plangebied is gelegen op 160 meter vanaf de weg. Gelet op de omvang van het planvoornemen en gezien de afstand tot de weg en het feit dat er tussenliggende, afschermende bebouwing staat, zal het groepsrisico niet significant veranderen. Het groepsrisico van de N207 blijft inclusief het planvoornemen lager dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Hiermee volstaat een beknopte verantwoording van het groepsrisico. Transport over het spoor Aan de westkant van het plangebied ligt de spoorlijn Gouda- Alphen aan den Rijn . Over dit spoor worden geen relevante hoeveelheden gevaarlijke stoffen vervoerd. Dit levert dus geen beperkingen op voor het plangebied. Transport over het water Aan de oostzijde van het plangebied stroomt de Gouwe.

In het Basisnet water van januari 2008 zijn vaarwegen aangewezen die relevant zijn voor externe veiligheid. De Gouwe is in het Basisnet aangewezen als groene vaarweg in verband met een beperkt transport van brandbare vloeistoffen dat over de Gouwe plaatsvindt. Voor groene vaarwegen hoeft niet te worden getoetst aan het PR 10-6 en het GR. Dit betekent dat de Gouwe in het

52/524

kader van externe veiligheid geen belemmering vormt voor het plangebied. Overstromingsrisico Hoogwater leidt tot materiële schade in ondergelopen gebieden en kan tot slachtoffers leiden. In het zwaarste scenario is er sprake van een overstroming van de gehele dijkring, waardoor grote aantallen inwoners geëvacueerd moeten worden. Uitval van nutsvoorzieningen kan leiden tot een nog groter effectgebied. Een dergelijke calamiteit leidt tot een ontwrichting van het maatschappelijke leven. Het plangebied valt binnen dijkring 14 van Zuid-Holland en heeft een verhoogd risico voor een dijkdoorbraak. Om burgers te kunnen beschermen en om de risico's zo veel mogelijk in te perken is er een Rampenbestrijdingsplan in voorbereiding (zoals dijkdoorbraken in dijkring 14). In geval van overlast/ overstroming treedt het hoogheemraadschap op in samenwerking met andere partijen. Bij een ramp is de gemeente coördinator en zitten het hoogheemraadschap en hulpdiensten in een calamiteitenteam. De door het hoogheemraadschap voorgeschreven minimale drooglegging zal voor bebouwing worden aangehouden om (grond)wateroverlast te voorkomen. De bouwwijze zal hierop worden afgestemd. Conclusie Binnen of in de nabijheid van het plangebied zijn geen wegen, inrichtingen, spoor- en vaarwegen gelegen die in het kader van externe veiligheid een beperking vormen voor het plangebied.

Wel dient een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Verantwoording groepsrisico De locatie ligt binnen het invloedsgebied van de N207 daardoor dient een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. In deze verantwoording is het advies van de Veiligheidsregio Hollands Midden verwerkt. Bestrijdbaarheid Hierbij kan onderscheid worden gemaakt in het bestrijden van een calamiteit op de N207 weg waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken en bestrijding in het plangebied: Bestrijdbaarheid ongeval op N207 Bij een ongeval op de N207 waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken kunnen de hulpdiensten vanuit twee richtingen de calamiteit benaderen. Ook is er voldoende bluswater aanwezig, omdat de N207 direct langs de Gouwe is gelegen. Dit is nodig om te blussen, maar ook om bijvoorbeeld een waterscherm aan te leggen, zodat toxische (rook)gassen zich zo min mogelijk verspreiden in de omgeving. Bestrijdbaarheid binnen plangebied (bereikbaarheid/bluswatervoorzieningen) Voor het plangebied is het belangrijk, ook los van een ongeval op de N207, dat bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen op orde zijn. Het is van belang het plangebied via meerdere (onafhankelijke) toegangswegen te kunnen bereiken. In de toekomstige situatie is het plangebied voor hulpdiensten toegankelijk via een doorgang aan de Oranjelaan, gelegen aan de westzijde van het plangebied.

Hiervan uit kan een brandweerwagen binnen 40 meter van alle lokalen van de nieuwbouw komen. Daarnaast is het plangebied bereikbaar via de bestaande bebouwing van de Theo Thijssenschool, gelegen aan de zuidzijde van het plangebied. In de bestaande situatie zijn rondom de Kerkweg-Oost verschillende bluswatervoorzieningen aanwezig. Er zijn onder andere een aantal brandkranen en een (hoofd)watergang aanwezig. Beide voorzieningen kunnen dienst doen als bluswatervoorziening ten behoeve van de

53/524

brandweer. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Bij het vrijkomen van giftige (rook)gassen, bij een calamiteit in de omgeving (N207 of van elders), is het van belang om te schuilen. Wat betekent: naar binnen gaan, ramen en deuren sluiten en met een druk op de knop de mechanische ventilatie uitschakelen. Hiervoor moet dus wel een voorziening worden aangebracht. Dit is verankerd in de regels van dit bestemmingsplan. Onder de Omgevingswet wordt dit een verplichting om een dergelijke voorziening aan te brengen (artikel 4.124, lid 4 Besluit Bouwwerken Leefomgeving). Wanneer het nodig blijkt om te vluchten, dan zijn er vanuit het plangebied voldoende mogelijkheden om van de bron af te vluchten. De ontwikkeling maakt een uitbreiding van basisonderwijs mogelijk. Hierbij wordt verwacht dat in geval van een calamiteit de leraren en begeleiders de leerlingen begeleiden.

6.5.4 Conclusie In het kader van externe veiligheid is het transport van gevaarlijke stoffen over de N207 relevant. Het plangebied ligt binnen de 200 meter zone van de N207. Ten behoeve van de verantwoording van het groepsrisico zijn volgende constateringen en te nemen maatregelen van belang, waarop het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad haar verantwoording kan baseren. Situatie groepsrisico Het groepsrisico in verband met de N207 is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde; het bouwplan is slechts klein van omvang; de afstand tot de weg bedraagt 160 meter; er staat afschermende bebouwing tussen de weg en het bouwplan; gezien het voorgaande zal het groepsrisico niet toenemen. Maatregelen ter beperking van het groepsrisico Ter beperking van het groepsrisico worden de volgende maatregelen genomen: binnen het plangebied zijn voldoende mogelijkheden om van de risicobronnen af te vluchten; de beoogde nieuwbouw wordt uitgevoerd met afschakelbare ventilatie.

54/524

6.6

Bodem

6.6.1 Wet- en regelgeving Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft (Wbb): Niet saneren: Indien de verontreiniging voor het beoogde doel niet hoeft te worden gesaneerd kan het ruimtelijke plan voor wat betreft deze verontreiniging zonder meer doorgang vinden. Saneren: Indien de verontreiniging moet worden gesaneerd dient een saneringsplan te worden opgesteld en ingediend bij de Omgevingsdienst Midden-Holland. In sommige gevallen kan worden volstaan met het indienen van een BUS-melding (Besluit Uniforme Saneringen). Na goedkeuring door het bevoegd gezag kan de sanering doorgang vinden. Na afloop dient de sanering te worden geëvalueerd en ook dit verslag dient ter goedkeuring te worden voorgelegd. Tijdens de saneringsprocedure kan de ruimtelijke procedure worden voortgezet.

Echter, een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen kan pas inwerkingtreden nadat is vastgesteld dat er geen sprake is van een ernstige en spoedeisende sanering (art. 6.2. c. Wabo). Een onderzoeks- en saneringstraject heeft soms grote financiële consequenties voor de beoogde plannen. Enerzijds omdat de kosten van sanering hoog kunnen zijn, anderzijds omdat deze trajecten van grote invloed kunnen zijn op de planning. In het kader van de Grondexploitatiewet dienen deze kosten tijdig in kaart te worden gebracht. Het is daarom aan te bevelen reeds in een vroeg stadium van planvorming (historisch-) bodemonderzoek voor het hele plangebied uit te voeren. Deze bodemonderzoeken zijn ook noodzakelijk bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen. Bij de realisatie van ruimtelijke plannen is vaak grondverzet noodzakelijk. Dit grondverzet is middels het Besluit bodemkwaliteit aan regels gebonden. De gemeente Waddinxveen beschikt over een vastgestelde bodemkwaliteitskaart en bijbehorende Nota Bodembeheer. Uitgangspunt is dat bij hergebruik van grond de kwaliteit moet aansluiten bij de functie ter plaatse. 6.6.2 Onderzoek Econsultancy heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in het kader van de bestemmingsplanwijziging (zie bijlage 6).

Voorafgaand aan het onderzoek is de hypothese gesteld dat de onderzoekslocatie ter plaatse als "heterogeen verdacht" moet worden beschouwd.

55/524

6.6.3 Resultaten De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot sterk siltig, zeer tot matig fijn zand. Verder is de grond zwak tot sterk humeus. De bovengrond is plaatselijk zwak tot matig betonhoudend. Verder is de bovengrond matig tot sterk baksteenhoudend. Ook is de bovengrond sterk repachoudend. Verder is de bovengrond ten hoogte van boring 3 zwak glashoudend en zwak asfalthoudend. De ondergrond is plaatselijk zwak tot sterk asfalthoudend. Verder is de ondergrond matig betonhoudend, matig repachoudend en matig baksteenhoudend. Deze bijmengingen zijn (plaatselijk) verdacht op het voorkomen van asbest in de bodem. Er zijn tijdens de veldwerkzaamheden geen asbestverdachte plaat materialen waargenomen. Verschillende boringen zijn gestuit op een handmatig ondoordringbare laag, deze laag was ook niet doordringbaar met behulp van een ramguts. De bovengrond is licht verontreinigd met cadmium, kobalt, koper, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie, PCB en/of PAK. Ook is er in de bovengrond een matige verontreiniging van zink, PAK, koper, lood en nikkel aangetoond. Verder is er ter plaatse van boring 3 een sterke verontreiniging van PAK aangetoond. Na de uitsplitsing van de grondmengmonsters zijn in de separate grondmonsters ten hoogste nog lichte en matige verontreinigingen met nikkel aangetoond.

De in eerste instantie sterke verontreiniging met nikkel wordt derhalve als “uitbijter” beschouwd. Het volledige rapport is opgenomen in bijlage 6. 6.6.4 Conclusie Op basis van de resultaten uit het verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat de vooraf gestelde hypothese kan worden bevestigd. De onderzoekslocatie kan als ''heterogeen verdacht'' worden beschouwd. Op basis van de boringen wordt geadviseerd om nader onderzoek te doen ter plaatse van boringen 1, 3, 4, 5 en 7. Verder wordt geadviseerd om de ondergrond en het grondwater te onderzoeken met behulp van een machinale boorstelling. Tot slot zijn er aanwijzingen gevonden die duiden op asbestverdachte verontreiniging op de onderzoekslocatie. In het verkennend bodemonderzoek wordt geadviseerd om hier nader onderzoek naar uit te voeren. Naar aanleiding van de resultaten uit het verkennend bodemonderzoek is in 2024 nader onderzoek uitgevoerd. In 2025 wordt aanvullend onderzoek gedaan. Op basis hiervan worden de eventueel benodigde (sanerings)maatregelen genomen.

56/524

6.7

Archeologie

6.7.1 Wet- en regelgeving Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als zeer waardevol beschouwd: archeologisch erfgoed betreft onvervangbaar onderdeel van ons cultureel erfgoed. De Erfgoedwet legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed bij de gemeente. De taken in het kader van de Erfgoedwet behelzen o.a. het meewegen van archeologie in de besluiten op het gebied van de Ruimtelijke Ordening (zoals omgevingsvergunning) en de koppeling tussen bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen. De Erfgoedwet verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De feitelijke bescherming daarvan krijgt gestalte door het opnemen van voorschriften in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van een omgevingsvergunning voor bodemverstorende activiteiten in die gebieden die als archeologisch waardevol zijn aangemerkt. Deze voorschriften kunnen betrekking hebben op archeologisch vooronderzoek dat de aanvrager van de vergunning moet laten uitvoeren. Aan de vergunning zelf kunnen aanvullende voorwaarden worden verbonden, met als uiterste de verplichting tot planaanpassing of het laten verrichten van een opgraving. De gemeente Waddinxveen heeft in 2012 het eigen archeologiebeleid vastgesteld.

Aan de hand van de archeologische waardenkaart is per gebied bepaald of en wanneer archeologisch (voor)onderzoek verplicht is. Deze kaart is in 2018 geactualiseerd en vastgelegd in het Parapluplan Archeologie en Parkeren (19 september 2018). Wanneer een archeologisch onderzoek niet verplicht is, zijn er geen belemmeringen van archeologische aard voor de voorgenomen ontwikkelingen. Wanneer een archeologisch onderzoek verplicht is, dienen verschillende stappen van onderzoek en besluitvorming gevolgd te worden. Deze stappen worden beschreven in de cyclus van de Archeologische Monumentenzorg. 6.7.2 Onderzoek In het kader van het bestemmingsplan wordt inzicht gegeven in de verwachtingswaarden, het bijbehorend beleid in het bestemmingsplan en het reeds uitgevoerd archeologisch onderzoek. Hiervoor zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Parapluplan Archeologie en Parkeren (2018); Archeologische Waarden- en Verwachtingenkaart (2011); Het archeologisch inventariserend onderzoek (2022); 6.7.3 Resultaten In het parapluplan Archeologie en Parkeren is ter plaatse van het plangebied de bestemming 'Waarde Archeologie 2' opgenomen. Hier is opgenomen dat een archeologisch onderzoek nodig is voor ontwikkelingen groter dan 100 m² en dieper dan 0,3 m onder het maaiveld. Om die reden is dan ook het plangebied archeologisch onderzocht.

Archeologisch onderzoek Econsultancy heeft in november 2022 archeologisch bureauonderzoek verricht. Het doel van dit onderzoek was

57/524

om een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Het volledige rapport is te raadplegen in bijlage 7. Uit het onderzoek is gebleken dat de top van het Hollandveen Laagpakket een lage tot hoge archeologische verwachting heeft voor de periode Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd, wanneer de top van het veen veraard is. Verder zouden er archeologische resten van het landgoed Souburg aanwezig kunnen zijn in de top van het veen. Overweging ODMH Naar aanleiding van het archeologisch bureauonderzoek heeft de ODMH de onderstaande overweging gemaakt. De algemene hoge verwachting voor het plangebied is gebaseerd op een algemene verwachting op bewoning vanaf de ontginning in de Middeleeuwen. De historische kaarten (vroegste kaart circa 1650) geven allemaal aan dat de vroegste bewoning/historische bebouwing gesitueerd is te Waddinxveen Brug: langs de huidige Nesse en de Zuidkade. De kadastrale minuut geeft ook de strikte grens van deze bebouwing aan. De oude Kerkweg is nog niet bebouwd. Het plangebied ligt op circa 90 m ten westen van de oude bebouwing van Waddinxveen Brug en op circa 60 m ten noorden van de Kerkweg. Op deze afstanden verwacht je niet meer een hoge trefkans op bewoning vanaf de Middeleeuwen.

Een oud milieukundig onderzoek uit 1984 (Wiha Grondmechanica, 2 november 1984) toont aan dat de bodem ter hoogte van de Oranjestraat bestaat uit een dun laagje kleiig veen (1 m dikte) op veen. Binnen het huidige plangebied is een pakket verstoorde bodem (zand, repac) aanwezig tot tenminste 1,5 m onder het maaiveld. Ongetwijfeld zal dit pakket gezorgd hebben voor een bepaalde mate van zetting, maar de dikte ervan wijst er ook op dat waarschijnlijk een deel van de oorspronkelijke bodem is afgegraven. Op basis van de relatief grote afstand van de oude historische bewoningskern te Waddinxveen Brug en de aanwijzing dat de oorspronkelijke bodem tot tenminste 1,5 m onder het maaiveld verstoord is, kan de hoge archeologische verwachting naar laag bijgesteld worden. Vanwege de lage verwachting is er geen vervolgonderzoek meer nodig en kan de dubbelbestemming waarde Archeologie 2 vervallen. 6.7.4 Conclusie Op basis van het onderzoek heeft de Omgevingsdienst Midden-Holland overwogen dat de archeologische waarde als laag kan worden gekwalificeerd met als gevolg dat de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" op de verbeelding, alsmede de bijbehorende regels komen te vervallen. Dit advies is overgenomen in dit bestemmingsplan.

6.8

Ecologie

6.8.1 Wet- en regelgeving Om natuurwaarden in Nederland te beschermen gelden de volgende landelijke wetten: de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Deze wetgeving is voor een deel verwerkt in provinciaal beleid, te weten: Provinciale Omgevingsverordening (2021), met bijbehorende beleidsregels voor vergunningplicht voor stikstofuitstoot bij activiteiten en natuurbeheerplan 2021. Indien beschermde natuurwaarden aanwezig zijn in een plangebied dient middels een quickscan (combinatie van bureauonderzoek en een veldbezoek) te worden vastgesteld of het voornemen redelijkerwijs uitvoerbaar is, en:

58/524

Er overtreding van de verbodsbepalingen voor beschermde soorten plaatsvindt (toetsing soortbescherming Wnb); Er mogelijke significante gevolgen zijn voor beschermde gebieden (toetsing aan Wnb gebiedsbescherming, ook wel voortoets genoemd); Er wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) aangetast worden, maar ook of provinciaal compensatiebeleid met betrekking tot door de provincie aangewezen 'belangrijke weidevogelgebieden' aan de orde is. Indien deze beschermde natuurwaarden niet worden aangetast, wordt het project conform de eerder genoemde regelgeving toelaatbaar geacht. In dat geval dient rekening te worden gehouden met de algemeen geldende zorgplicht (artikel 1.11) van de Wnb. De zorgplicht bepaalt dat eenieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen voor flora of fauna veroorzaakt, verplicht is maatregelen te nemen die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. De zorgplicht kan gezien worden als algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt. Volgens verwachte planning in 2022 zal tijdens de geldigheid van het op te stellen uitwerkingsplan de Omgevingswet worden ingevoerd. In deze wet zullen Wro en Wnb tezamen met vele andere wet- en regelgeving gebundeld worden.

Dit kan nog gevolgen hebben voor activiteiten die uitgevoerd zullen worden in het plangebied na de wetswijziging Wnb. In juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) ingevoerd (zie BIJ12.nl). Deze wet regelt de nieuwe werkwijze voor vergunningverlening. Er wordt een vrijstelling van vergunningplicht voor eenmalige bouwactiviteiten ingevoerd. 6.8.2 Onderzoek 6.8.2.1 Gebiedsbescherming Voor het onderdeel gebiedsbescherming kunnen effecten worden uitgesloten. De voorgenomen activiteiten zijn kleinschalig en hebben geen externe werking op natuurgebieden. Broekvelden, Vettenbroek en Polder Stein is het dichtstbijzijnd gelegen Natura 2000 gebied. De directe omgeving van het plangebied kent een stedelijk karakter. Gezien het relatief kleinschalige karakter van de voorgenomen ontwikkeling is het niet te verwachten dat de ontwikkelingen in het plangebied negatieve effecten hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het plangebied (stedelijke omgeving) kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. De geplande ontwikkeling zou kunnen leiden tot een toename in stikstofdepositie.

In AERIUS calculator is voor dit project de depositie berekend. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 8. De bijbehorende berekeningen zijn opgenomen in bijlage 9 (gebruiksfase) en bijlage 10 (aanlegfase). Hieruit blijkt dat significante negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen worden uitgesloten. De Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie Zuid-Holland staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.

59/524

6.8.2.2 Soortenbescherming De aanwezigheid van beschermde planten- en diersoorten vormt een te onderzoeken aspect omdat met de plannen effecten kunnen ontstaan op soorten die beschermd zijn via de Wet natuurbescherming. In augustus 2022 is er ter plaatse van het projectgebied een inventarisatie naar beschermde planten- en diersoorten uitgevoerd, zie bijlage 11. Uit het onderzoek blijkt dat de aanwezigheid van zwaarder beschermde soorten in het projectgebied niet geheel kan worden uitgesloten. Voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden dient te worden bepaald of zwaarder beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn, middels een soortgericht onderzoek naar vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen. Het vervolgonderzoek naar vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen is opgenomen in bijlage 12. In dit onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Binnen het projectgebied zijn geen nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus en geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Er is tevens geen essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute van vleermuizen vastgesteld. Voor de werkzaamheden aan Kerkweg Oost 230 zijn er in het kader van de Wet natuurbescherming geen ontheffing en overige vervolgstappen benodigd. Wel dient er rekening gehouden te worden met het broedseizoen en de algemene zorgplicht.

6.8.2.3 Houtopstanden Er is geen sprake van beschermde houtopstanden in het plangebied. 6.8.3 Conclusie De Wet natuurbescherming en de Omgevingsverordening Zuid-Holland vormen in het kader van gebiedsbescherming, soortenbescherming en houtopstanden geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

6.9

Conventionele explosieven

6.9.1 Algemeen In de gemeente Waddinxveen is in 2012 historisch vooronderzoek gedaan naar Conventionele Explosieven (CE). Het onderzoek is uitgevoerd om te bepalen of er verdachte plekken zijn waar CE aangetroffen kunnen worden. Op basis van de beschikbare informatie zijn verschillende plekken aangewezen als verdacht gebied.

60/524

Afbeelding 6.2 Overzicht verdachte gebieden niet-gesprongen explosieven in de gemeente Waddinxveen (bron: Historisch Vooronderzoek Opsporing Conventionele Explosieven). 6.9.2 Onderzoek Op basis van nieuw onderzoek in de gemeente Waddinxveen zijn verschillende locaties niet meer als verdacht aangewezen. In afbeelding 6.3 is een uitsnede van de geactualiseerde kaart opgenomen waarin het plangebied met een rode pijl is aangegeven.

Afbeelding 6.3 Uitsnede geactualiseerde kaart van de ontplofbare oorlogsresten, ter plaatse van rode cirkel kans

61/524

op ontplofbare oorlogsresten (Bron: ODMH) 6.9.3 Conclusie Gelet op het bovenstaande ligt het plangebied dan ook buiten een gebied waar indicaties zijn van eventuele oorlogsresten.

6.10 Milieueffectrapportage 6.10.1 Wet- en regelgeving De wet- en regelgeving voor milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in de AMvB Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de Wet milieubeheer zijn vooral de procedurele verplichtingen opgenomen. In Besluit m.e.r. is opgenomen wanneer een m.e.r. verplicht is. Globaal zijn er 3 soorten m.e.r.: 1. een plan-m.e.r.; 2. een project- of besluit-m.e.r.; 3. een m.e.r.-beoordeling. 1. Een plan-m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer: a. Het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor een (project-)m.e.r. noodzakelijk is, dan wel waarvoor beoordeeld moet worden of een (project-)m.e.r. noodzakelijk is. Dit zijn de activiteiten die genoemd zijn in kolom 1 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r. Voor een activiteiten uit Bijlage D geldt de plan-m.e.r. plicht direct als ze groter is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2. Als ze kleiner is dan die drempelwaarden, wordt de plan-m.e.r. plicht bepaald door de vormvrije m.e.r.-beoordeling. b. De activiteiten in het bestemmingsplan leiden tot mogelijk significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden (passende beoordeling noodzakelijk). Bij een plan-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 3 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r. 2. Een project- of besluit-m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer: a.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15573612/2