BI7210 Fase I Klimaatadaptatie en Biodiversiteit eindrapport
Tekst van het document
B2.2.2 Kwaliteit Voor het bepalen van de kwaliteit is per soort per buurtcluster bekeken wat op basis van de beschikbare informatie kan worden gezegd over de geschiktheid van elk habitat. Hierbij is gebruik gemaakt van de LGNkaart, de waarnemingen, het veldbezoek, de literatuurstudie naar de habitatvereisten van de soorten en de ecologische expert kennis. Het betreft zodoende een complete integratie die handmatig op de kaart is nagelopen. De kwaliteit is ingedeeld in vier categorieën, te weten ‘goed’, ‘matig’, ‘slecht’, en ‘onbekend’. Deze waardeoordelen zijn subjectief maar zijn in algemene zin te definiëren als volgt: Goed: het aanwezige habitat is van goede kwaliteit voor de betreffende soort (let wel, dit kan voor hetzelfde gebied per soort verschillend zijn). Voor deze beoordeling geldt dat de juiste structuur aanwezig moet zijn, de benodigde nabijheid van andere habitats (gras, struikvegetatie en bosschages moeten voor veel soorten gezamenlijk voorkomen), voldoende aaneengesloten 29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
38
Vertrouwelijk
-
-
omvang (bijvoorbeeld voor geschikt vlucht/schuilterrein van een soort), de benodigde soortendiversiteit (bijvoorbeeld diversiteit en verhouding kruiden/grassen in bloemrijk (schraal) grasland) en in enkele gevallen de juiste abiotische randvoorwaarden (zoals bodemtype, voedselrijkdom en vochtgehalte. Het oordeel wordt per buurtcluster bepaald waarbinnen een variatie aan kwaliteiten kan voorkomen. In dat geval wordt hoofdzakelijk gekeken naar de meest bepalende locaties. Matig: een matige kwaliteit duidt erop dat een deel van de benodigde kwaliteiten van het habitat aanwezig is, of dat het in gereduceerde vorm (oppervlak, aantal, mate van verbinding etc.) voorkomt. Een matige kwaliteit vereist naast de aanwezigheid van het habitat in beginsel zicht op potentie voor verbetering. Slecht: een slechte kwaliteit houdt in dat het habitat óf helemaal niet voorkomt, óf dusdanig gereduceerd of gefragmenteerd aanwezig is, dat het voor de betreffende soort geen functioneel habitat kan vormen. Onbekend: in een aantal gevallen zijn, op basis van de uitgevoerde analyse onvoldoende gegevens of kennis aanwezig om een goede uitspraak te kunnen doen.
Hiervan is het mogelijk dat er, bijvoorbeeld door inbreng van externe gebieds- en expertkennis waarde toegevoegd kan worden voor een kwaliteitsoordeel, of dat er expliciet noodzaak is voor nader onderzoek/veldwerk om de kwaliteit van het betreffende habitat voor een soort in beeld te brengen.
B2.3. Beoordeling De beoordeling van de habitats per soort is een integratie van kwantiteit, kwaliteit, verspreiding en connectie binnen de buurtclusters, en binnen de gemeente als geheel. In beginsel wordt uitgegaan van de volgende spelregels: De beoordeling volgt een one-out-all-out-principe, wat wil zeggen dat de meest kritische component bepalend is voor de beoordeling. Is er ruim voldoende oppervlak, maar is de kwaliteit matig, dan is het oordeel matig. Is de kwaliteit goed, maar is het nauwelijks aanwezig, dan is het oordeel slecht. Is de kwantiteit in beeld, maar de kwaliteit onbekend, dan is het oordeel onbekend. Bij de beoordeling wordt gekeken naar de gehele levenscyclus van een soort. Dit oordeel wordt per habitat gegeven (hoewel in de meeste gevallen voor de levenscyclus een combinatie van habitats vereist is). De beoordeling richt zich in beginsel op de meest bepalende aanwezige oppervlaktes van het habitat. Is (bijvoorbeeld in buurtcluster Bentwoud) een deel zeer geschikt en voldoende in oppervlak, maar komt het habitat in de andere helft van het gebied niet of nauwelijks voor, dan is het eerste deel leidend, en wordt het oordeel daar hoofdzakelijk op gebaseerd. Het oordeel kijkt uitsluitend naar de huidige situatie. Er wordt wel gekeken naar potentie voor verbetering, zodat het afgezet kan worden tegen een toekomstperspectief op korte en lange termijn.
Doelen en maatregelen De doelen worden bepaald op hetzelfde detailniveau als de oordelen over de huidige situatie. Dat wil zeggen dat doelen expliciet de potentie beschrijven en richtinggevend zijn voor de maatregelen, maar niet kwantitatief zijn, zoals een KPI. Hoewel meer expliciete KPI’s gemaakt zouden kunnen worden, ontstaat met betrekking tot ecologie en biodiversiteit snel het risico om je blind te staren op getallen en percentages. De in deze rapportage gepresenteerde doelen kunnen door een inhoudelijk expert worden beoordeeld en ingevuld, zijn expliciet (per soort, per buurt, per habitattype) en bieden ruimte om vooruitgang en invloed van maatregelen vast te stellen. Met doelen wordt hier bedoeld, de per doelsoort nastrevenswaardige stip op de horizon (voor korte en lange termijn), met betrekking tot kwantiteit en kwaliteit. Dit doel is onafhankelijk van andere functies, ontwikkelingen of wensen in het gebied, en eveneens onafhankelijk van mogelijke knelpunten tussen doelsoorten. Bijvoorbeeld, de kleine karekiet verlangt rietvegetaties, de glassnijder verlangt soortenrijke natuurvriendelijke plasdrasoevers, welke overlappend zoekgebied hebben om beide doelen te realiseren. De afweging voor het verder concretiseren van de doelen vindt plaats ná deze rapportage. In de tweede 29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
39
Vertrouwelijk
fase, bij het overzicht van de maatregelsuggesties per wijk, wordt wel integraal gekeken naar welke soorten en habitats integraal de meeste potentie bieden voor het gebied. De doelen worden in alle gevallen voorzien van een toelichting en zijn altijd verbonden aan maatregelen. De concrete uitwerking van de maatregelen (wat precies, wanneer en hoeveel) is uit deze opdracht gelaten en dient in een vervolgfase te worden uitgewerkt. Wel volgt uit deze analyse expliciet waar de aandachtspunten liggen per wijk, en hoe deze tussen elkaar verschillen. Bovendien wordt een koppeling gezocht met het projectenboek, waarin de gemeente Waddinxveen alle (inrichtings)projecten (NB: er dient nog een koppeling gemaakt te worden met de beheerplannen en de (regie-jaar)bestekken.
29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
40
Vertrouwelijk
B3.
Resultaten
In dit hoofdstuk komen de resultaten van de analyse aan bod. Als eerste worden de verzamelde waarnemingen besproken (B3.1). Dan volgt de selectie van de doelsoorten, waarin per soort wordt toegelicht wat de enerzijds de vereisten aan het leefgebied zijn en anderzijds de waarnemingen binnen de gemeente (B3.3). Daarna wordt ingegaan op de gedefinieerde habitats (B3.4). De integrale blik op de doelsoorten en habitats volgt in hoofdstuk B4.
B3.1 Waarnemingen biodiversiteit Aantal soorten per soortgroep Het totaal aantal waargenomen soorten varieert sterk tussen soortgroepen (Figuur B.3). De meest soortdiverse groepen zijn vogels, nachtvlinders, insecten en vaatplanten, met tussen de 200 en 650 soorten. Dit zijn tevens de soortgroepen met de meest talrijke soorten in Nederland.
Figuur B.3. Aantal waargenomen unieke soorten per soortengroep in Nederland.
B3.1.1 Aantal Rode lijstsoorten De zeldzaamheid van de waargenomen soorten is uitgedrukt op basis van de Rode Lijststatus. Dit is de landelijke lijst van soorten waarvan de aantallen onder druk staan, variërend van gevoelig tot verdwenen uit Nederland. Figuur B.4 toont het aantal Rode Lijstsoorten per buurtcluster. Hierin valt op dat het totaal aantal in alle buurt vrij hoog is, namelijk variërend van 35 in bebouwd noord naar 59 in Bentwoud. Tevens is te zien dat in totaal drie soorten met de status ‘verdwenen uit NL’ voorkomen. Het betreft de vogelsoorten hop, ortolaan en goudplevier, die als tijdelijke bezoeker of doortrekker nog schaars voorkomen, maar niet meer broeden of overwinteren/overzomeren in Nederland.
29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
41
Vertrouwelijk
gids
Figuur B.4. Aantal soorten met een Rode Lijststatus, weergegeven per buurtcluster.
B3.2 Selectie doelsoorten In deze alinea beschrijven we de habitateisen van de geselecteerde doelsoorten. Deze doelsoorten zijn in overleg met de gemeente, en met inbreng van de experts van Omgevingsdienst Midden-Holland geselecteerd. Hierbij is onder andere gekeken naar de icoonsoorten van de provincie Zuid-Holland, de doelsoorten die zijn voorgesteld in het koersdocument en de status (zeldzaamheid, trend, representativiteit) van de soort.
B3.2.1 Bruin blauwtje Habitatkenmerken
Het bruin blauwtje komt voor in droge, zandige, open, kruidenrijke en schrale graslanden (Figuur B.5). Voor het bruin blauwtje geschikte graslanden worden gevonden in de duinen, op dijken en rivierduintjes, in wegbermen en op opgespoten en ruderale terreinen, bijvoorbeeld in nieuwbouwgebieden (Figuur B.6). De vlinder vliegt vooral op warme, droge plaatsen en heeft een voorkeur voor gebieden met een afwisseling van open grond en begroeide plaatsen. In Nederlandse kalkgraslanden komt deze soort vrijwel niet voor en is de waardplant een ooievaarsbek, met name kleine ooievaarsbek en gewone reigersbek. (De Vlinderstichting, 2022) Uit het Landelijk Meetnet Vlinders blijkt dat het bruin blauwtje (gebaseerd op gegevens van de tweede generatie) matig afneemt. De achteruitgang kan voor een groot deel worden verklaard uit de eutrofiëring en verruiging van vegetaties,
29 november 2022
Figuur B.5. Foto van het bruin blauwtje. Bron: Vlinderstichting. BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
42
Vertrouwelijk
waardoor open en schrale vegetaties steeds zeldzamer worden. Juist op plaatsen waar de grond open is en lage vegetaties aanwezig zijn, leeft de vlinder. (De Vlinderstichting, 2022) Het bruin blauwtje is beschermd in het kader van de Wnb. Voorheen stond deze soort op de Doelsoortenlijst van de gemeente en was beschermd onder de Flora- en Faunawet. Onder de wet Natuurbescherming is deze soort strikt beschermd.
Figuur B.6. Waarnemingen bruin blauwtje binnen gemeentegrenzen Waddinxveen.
B3.2.2 Weidehommel Habitatkenmerken
Het habitat van de weidehommel bestaat uit weidegebieden, lichte bossen, tuinen en parken (Figuur B.7). Ze nestelt meestal bovengronds in de kruidlaag in composthopen en vogelnesten, maar kan ook ondergronds zijn, onder stenen (Figuur B.8). Deze soort hommel komt op vele planten voor, maar zit vroeg in het jaar op wilgen, bolgewassen, longkruid en later in het jaar op kruisbessen, braam, framboos en wilgenroosje (ZuidHollands landschap, wildebijen.nl). Hommels zijn soorten, die in tegenstelling tot bijvoorbeeld veel solitaire bijen, jaarrond aanwezig zijn (uitgezonderd overwintering) en daardoor een groot deel van het jaar gebruik maken van verschillende habitats. Figuur B.7. Foto van de weidehommel. Bron: Hans Arentsen.
29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
43
Vertrouwelijk
Figuur B.8. Waarnemingen weidehommel binnen gemeentegrenzen Waddinxveen.
Kwantiteit
Van deze soort is geen kwantiteitseis bekend. Doordat de soort zeer mobiel is, is de weidehommel minder gebonden aan een specifiek gebied, zolang er voldoende voedsel aanwezig is in de omgeving.
B3.2.3 Steenuil Habitatkenmerken
De steenuil komt veelal voor in kleinschalige cultuurlandschappen met een variatie aan houtwallen, heggen, weitjes en knoestige bomen (Figuur B.9). In grootschalige landbouwgebieden is de steenuil afhankelijk van gevarieerde erven bij boerderijen of vrijstaande huizen. Jachtgebied bestaat uit open terrein met het hele jaar door lage vegetatie (beweiding). Voorts zijn er voldoende zitplaatsen van één tot anderhalve meter hoogte (paaltjes bijvoorbeeld) om vanaf te jagen. Er zijn schuilplaatsen en broedholen in oude bomen, schuren, gebouwen en dergelijke. De steenuil broedt in allerlei natuurlijke holtes van bomen, vooral knotwilgen en oude (hoogstam)fruitbomen. (De Vogelbescherming, 2022) Figuur B.9. Foto van de steenuil. Bron: Glenn Vermeersch.
29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
44
Vertrouwelijk
De steenuil is een vogel die gebruikelijk leeft op erven van burgerwoningen, bij boerderijen in het agrarische cultuurlandschap en aan dorpsranden (Figuur B.10). Het ideale leefgebied van de steenuil voorziet het hele jaar in voldoende voedsel, in een geschikte nestplek en in voldoende veiligheid. Dit gebied ziet er als volgt uit: een open tot halfopen landschap met een afwisselend korte en verruigde vegetatie; erven met bebouwing, beplanting, tuinen, moestuinen en weilandjes met (hobby)vee; voldoende nestplaatsen in boomholten, nestkasten of nauwe ruimten in gebouwen, bijvoorbeeld tussen de dakbedekking en het beschot; een gevarieerd aanbod van prooien zoals muizen, regenwormen en insecten; voldoende zit- en uitkijkposten om te foerageren en om te rusten; geen verstoring en versnippering door grote wegen en geen gebruik van insecticiden of andere pesticiden in het territorium of in de directe omgeving. Kort gemaaide of begraasde weilanden zijn belangrijk voor het vangen van regenwormen en veldmuizen. In houtwallen, houtstapels en ruigtes zijn insecten zoals meikevers, loopkevers, nachtvlinders en rupsen te vinden. Plekken waar veel muizen zijn, zoals veestallen, opslagplaatsen en houtstapels, zijn belangrijk voor de voedselvoorziening, ook in de winter. Schuurtjes, houtsingels en lanen zorgen voor schuilplaatsen.
Bomen met holten, (vooral onder de daken van) toegankelijke gebouwen en steenuil kasten zijn geschikte broedplaatsen. (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, 2014)
Figuur B.10. Waarnemingen steenuil binnen gemeentegrenzen Waddinxveen.
29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
45
Vertrouwelijk
Kwantiteit
Een territorium heeft vaak een grootte van tussen de 5 en de 30 hectare. De grootte is onder andere afhankelijk van het voedselaanbod en van de leeftijd van het mannetje. Jongere steenuilen hebben een groter territorium dan oudere, ervaren mannetjes. (Kennisdocument Steenuil, BIJ12, 2017).
B3.2.4 Rietorchis Habitatkenmerken
De rietorchis komt voornamelijk voor in allerlei graslandtypen, in tril- en brakwatervenen, in begraasd of gemaaid rietland, langs greppels en kwelsloten, in duinvalleien, buitendijkse waarden en moerassen, op zandplaten, opgespoten terreinen en in afgravingen, in bermen en langs spoorwegen (Figuur B.11 en Figuur B.12). Rietorchis staat vaak op zonnige, zelden licht beschaduwde, vaak iets open plaatsen op vochtige tot natte, matig voedselrijke, zwak zure tot liefst kalkhoudende grond (FLORON, 2022).
Figuur B.11. Foto van rietorchis. Bron: Jelle Hofstra.
Figuur B.12. Waarnemingen rietorchis binnen gemeentegrenzen Waddinxveen.
Kwantiteit
Er zijn geen concrete eisen aan het oppervlak van geschikt habitat voor deze soort. In uitgezette vorm komt de soort ook voor in kleine geschikte plantsoenen of zelfs wegbermen. Kwaliteit van het habitat is voor de rietorchis belangrijker.
29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
46
Vertrouwelijk
B3.2.5 Grutto Habitatkenmerken
De grutto komt in Nederland voornamelijk voor in laaggelegen open graslanden die niet te intensief benut worden (Figuur B.13 Figuur B.14). Dit betreffen vooral kruidenrijke, licht bemeste en laat gemaaide hooilanden, maar ook niet te intensief beheerde agrarische graslanden. De optimale broedbiotoop van de grutto bestaat uit open landschap met zichtafstand van min. 400 m (bij voorkeur meer dan 600 m). De grutto gebruikt gemeenschappelijke slaapplaatsen (zowel voor als na het broedseizoen) in open ondiepe wateren, waaronder plas-dras-situaties. De ideale vegetatiestructuur voor de grutto bestaat uit een (grote) variatie aan planten met een gevarieerde structuur, Figuur B.13. Foto van de grutto. Bron: Natuurmonumenten. zowel in hoogte als in dichtheid. Daardoor vallen nesten minder op. (BIJ12, 2022)
Figuur B.14. Waarnemingen grutto binnen gemeentegrenzen Waddinxveen.
Kwantiteit
Gebieden moeten een aaneengesloten oppervlak van minstens 250 ha hebben. In combinatie met de vereiste openheid en rust dient het gebied (incl. de buffer) min. 400 ha groot te zijn. Hierdoor wordt binnen het gebied voldoende afstand gegarandeerd t.o.v. verstorende factoren als wegen, opgaande begroeiing,
29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
47
Vertrouwelijk
bebouwing en wegverlichting. In aanvulling op min. één aaneengesloten, extensief gebruikt brongebied van 250 ha moet het opgroeigebied voor kuikens (‘kuikenland’) zoveel mogelijk aaneengesloten liggen. Tenminste 10 ha moet aaneengesloten zijn om voldoende kuikens per broedpaar vliegvlug te krijgen (BIJ12).
B3.2.6 Merel Habitatkenmerken
De merel broedt in bossen en bosrijke landschappen, maar in Nederland vaak ook daarbuiten, geregeld in houtwallen en lanen, soms in solitaire bomen in open landschap (Figuur B.15 en Figuur B.16). Ook veelvuldig in steden, in tuinen en groenstroken. Het liefst maken ze hun nest in dichte struiken of lage bomen, in klimop en andere lage beplantingen. De merel komt overal voor waar grasvelden zijn (hoe klein dan ook) in combinatie met bomen en struiken. De merel is het talrijkst in groene buitenwijken en in vochtige bossen met veel ondergroei. (De Vogelbescherming, 2022)
Figuur B.15. Foto van de merel. Bron: Sovon..
Figuur B.16. Waarnemingen merel binnen gemeentegrenzen Waddinxveen.
Kwantiteit
De merel kent een relatief klein territorium dat zich in stedelijk gebied tot een of enkele tuinen beperkt, zolang daar bovenstaande eigenschappen aanwezig zijn. Kwaliteit en beschikbaarheid van de verschillende elementen op korte afstand is voor deze soort belangrijker dan het absolute oppervlak.
29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
48
Vertrouwelijk
B3.2.7 Egel Habitatkenmerken
De egel voelt zich in allerlei biotopen thuis, als er maar voldoende voedsel en schuilgelegenheid is (Figuur B.17 en Figuur B.18). Overdag houdt de egel zich meestal schuil onder struiken en bosschages, in composthopen of houtwallen. In de bebouwde omgeving van dorpen en steden heeft de egel zich goed weten aan te passen. De leefwijze van de egel is territoriaal, maar verschillende territoria kunnen elkaar overlappen. In hetzelfde leefgebied zijn vaak meerdere egels op verschillende tijdstippen actief. Mannetjes hebben een veel groter leefgebied dan vrouwtjes en hebben meerdere nesten in dat leefgebied. De grootte van het territorium verschilt per biotoop. In bosgebieden kunnen territoria van enkele hectares groot genoeg zijn. In open landschappen kunnen territoria oplopen tot 30 hectare. (Veldman, Troost, & Klink, 2021). In woonwijken is bekend dat egels iedere Figuur B.17. Foto van de egel. Bron: Zoogdierenvereniging. nacht kilometers afleggen, doorgaans zijn dit vaste routes. In onze streken leeft de egel in bijna alle landschappen. In sommige gebieden zijn ze echter algemener dan in andere. Tuinen, bosranden, struweel en loofbos, liefst met ondergroei, zijn goede leefgebieden. Egels komen ook in steden voor, zolang er maar groen en schuilplaatsen aanwezig zijn.
In de zomer slapen egels vaak op de kale grond onder dicht struikgewas, in holtes onder boomwortels, in composthopen of konijnenholen. Soms worden slaapnesten gebouwd van losse bladeren. Een nest voor de jongen ligt op een goed verborgen plek zoals in een compost-, takken- of puinhoop. Winternesten worden meestal in de grond gemaakt, tegen een schutting aan, in een schuur of bijgebouw of in een takken- of composthoop. (Zoogdiervereniging, 2021)
Figuur B.18. Waarnemingen egel binnen gemeentegrenzen Waddinxveen. 29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
49
Vertrouwelijk
Kwantiteit
Egels hebben min of meer een vast leefgebied (mannetjes 20-40 ha, vrouwtjes 10-20 ha), maar ze hebben geen territorium dat ze verdedigen tegen soortgenoten. Egels leggen per nacht een paar kilometer af. (Zoogdiervereniging). Het territorium is vaak deels gefragmenteerd door wegen en stedelijk gebied, maar het verkeer vormt naast predatie een van de grootste bedreigingen voor de soort. De mate van verbinding tussen geschikt habitat en de looproutes bepalen in belangrijke mate de kwaliteit van het leefgebied.
B3.2.8 Glassnijder Habitatkenmerken
De glassnijder vliegt bij helder, matig voedselarm tot voedselrijk water met een goed ontwikkelde, vaak hoge en gevarieerde oever- en watervegetatie (Figuur B.19 en Figuur B.20). De meeste vindplaatsen hebben bos of bosschage in de directe nabijheid. Hij heeft een voorkeur voor wateren van minder dan tien meter breed (Höppner 1994). Op de oever groeien planten als egelskop (Sparganium sp.), lisdodde (Typha sp.), biezen (Scirpus sp.), moerasvaren (Thelypteris palustris) en riet (Phragmites australis), in het water fonteinkruiden (Potamogeton sp.) en blaasjeskruid (Utricularia sp.). Minder gunstig biotoop in laagveengebieden bestaat uit open water met een rietkraag – hier patrouilleren wel mannetjes, maar de dichtheden zijn laag. Figuur B.19. Foto van de glassnijder. Voortplanting is bij deze rietkragen niet aangetoond, wel bijvoorbeeld in dicht Bron: Vlinderstichting. begroeide greppels (De Groot 1995, 1997b, Raaijmakers 1997). Zoals al uit de verspreiding gegevens blijkt is de soort eind vorige eeuw en begin 21e eeuw sterk toegenomen en verspreid. Met name de aanwezigheid van een rijke water- en oevervegetatie is een belangrijke voorwaarde voor de glassnijder (Van de Haterd, 2004). (De Vlinderstichting, 2022)
Figuur B.20. Waarnemingen glassnijder binnen gemeentegrenzen Waddinxveen.
29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
50
Vertrouwelijk
Kwantiteit
Er is geen duidelijke territoriumgrootte bekend, en uit de toename in stedelijk gebied blijkt dat de soort minder kritisch is ten aanzien van aaneengesloten habitat dan werd gedacht. (Zuid-Hollands Landschap https://www.zuidhollandslandschap.nl/over-ons/flora-en-fauna/glassnijder). De nabije aanwezigheid van alle habitats (al dan niet onderbroken door meer stedelijk gebied) voor het voltooien van de levenscyclus is een belangrijke vereiste.
B3.2.9 Meervleermuis Habitatkenmerken
De meervleermuis jaagt in een snelle rechtlijnige vlucht in lange trajecten vlak boven groot open water en langs oevers van plassen, meren, kanalen, rivieren en vaarten (Figuur B.21 en Figuur B.22). Ook worden regelmatig meervleermuizen waargenomen boven vochtige weilanden en bosranden, binnen een straal van 500 meter van water. Ze jagen vooral op die insecten die op het wateroppervlak zitten of daar vlak boven vliegen. Meervleermuizen jagen tot op 10-20 km van de verblijfplaats. Kolonies van meervleermuizen verblijven vrijwel altijd in gebouwen zoals op kerkzolders, in spouwmuren en onder dakpannen. Figuur B.21. Foto van de meervleermuis.
Grote afstanden naar het uiteindelijke jachtgebied worden vooral via Bron: Zoogdierenvereniging. kanalen, beken, vaarten en brede sloten afgelegd. Boven land volgen ze vaak lijnvormige landschapselementen als bomenrijen, houtwallen en dijken. Vleermuiskasten en woonhuizen zijn bekend als paarverblijven; ook vindt de paring net als bij de andere soorten van het geslacht Myotis in de winterverblijven plaats. Paarverblijven van meervleermuizen liggen over het algemeen langs trekroutes van zomerverblijven naar winterverblijven. (De Zoogdiervereniging, 2022)
Figuur B.22. Waarnemingen meervleermuis binnen gemeentegrenzen Waddinxveen 29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
51
Vertrouwelijk
Kwantiteit
De meervleermuis legt dagelijks (nachtelijks) grote afstanden af, en de kwantiteitseis strekt zich dan ook verder uit dan de gemeentegrenzen, zo lang het maar bereikbaar is. Binnen de gemeentegrenzen wordt dan ook vooral gekeken naar de kwaliteit van de verbindingen en lijnvormige elementen.
B3.2.10
Kleine karekiet
Habitatkenmerken
De kleine karekiet heeft een voorkeur voor uitgestrekte rietmoerassen en rietkragen langs plassen en vaarten, maar broedt ook in smalle rietslootjes in polders en eenjarig rietland (Figuur B.23 en Figuur B.24). Doorgaans geldt: hoe meer riet, hoe meer kleine karekieten. De kleine karekiet eet voornamelijk insecten, maar in het najaar ook bessen. (De Vogelbescherming, 2022) Figuur B.23. Foto van de kleine karekiet. Bron: Sovon.
Figuur B. 24. Waarnemingen kleine karekiet binnen gemeentegrenzen Waddinxveen.
Kwantiteit
Hoewel de soort wel een eigen territorium verdedigt is de soort weinig kritisch en komt de soort al bij kleine oppervlaktes riet voor. Een schatting van de minimale breedte van de rietkraag is 2 meter (expert judgement) maar ook in nabijheid van geschikt habitat komt de soort in suboptimale omstandigheden voor.
29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
52
Vertrouwelijk
B3.2.11
Bunzing
Habitatkenmerken
De bunzing komt in allerlei landschapstypen voor. Het dier lijkt echter een voorkeur te hebben voor kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de nabijheid (Figuur B.25 en Figuur B.26). Ook in een bebouwde omgeving met veel groen kan de bunzing voorkomen, evenals in open bossen (Pertoldi et al., 2016). In de winter wordt de bunzing ook wel in schuurtjes, kelders of hooizolders aangetroffen (Birks, 1998) aangezien deze locaties goede beschutting bieden tegen de kou. Figuur B.25. Foto van de bunzing. (Bouwens, 2017) Bron: Zoogdiervereniging.
De bunzing stelt weinig specifieke eisen aan zijn biotoop en komt voor in een breed scala aan landschappen, mits er voldoende dekking is in de vorm van houtwallen, greppels, akker- en boszomen. De bunzing heeft een voorkeur voor waterrijke gebieden. (Veldman, Troost, & Klink, 2021)
Figuur B.26. Waarnemingen bunzing binnen gemeentegrenzen Waddinxveen.
Kwantiteit
De grootte van het leefgebied bedraagt 8 tot 1000 hectare. Dit varieert in de loop van het seizoen en door de jaren heen. De territoria zijn het grootst in de zomer, wanneer voedsel voor de jongen wordt gezocht. (Veldman, Troost, & Klink, 2021)
29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
53
Vertrouwelijk
B3.2.12
Huismus
Habitatkenmerken
Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen (Figuur B.27). De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing (Figuur B.28). Huismussen zijn uitgesproken standvogels. Dit betekent dat ze zich - het hele jaar door - niet meer dan enkele honderden meters van de broedplaats verwijderen. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is. Hierbij valt te denken aan ruim opgezette wijken met parkjes en tuinen en in dorpen met veel groen en met landbouwgronden in de nabijheid. Ongeveer Figuur B.27. Foto van de huismus. Bron: Sovon. 70% van de huismussen broedt in stedelijk gebied en de overige 30% in agrarisch gebied. Het habitat van de huismus moet voldoen aan een combinatie van een aantal belangrijke elementen, die ook nog eens binnen een straal van enkele meters (dekking bij voedselbronnen) tot enkele honderden meters (nestplek en voedselbronnen) van elkaar moeten liggen.
Het habitat moet bestaan uit een combinatie van plekken voor nestgelegenheid, voedsel (voor volwassen en juveniele huismussen), dekking (stekelige struiken, groenblijvende struiken en klimplanten, coniferen, klimop), plekken voor stofbaden (vaak open stukken fijn zand, zoals op uitgesleten olifantenpaadjes) en drinkwater. Ontbreekt één van de onderdelen of liggen ze te ver van elkaar verwijderd, dan is het habitat niet meer geschikt. (Bij12, 2022)
Figuur B.28. Waarnemingen huismus binnen gemeentegrenzen Waddinxveen.
29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
54
Vertrouwelijk
Kwantiteit
De habitatgrootte van huismussen hoeft niet groot te zijn, zo lang de benodigde componenten zich maar in elkaars directe nabijheid bevinden. De combinatie van habitats is dan ook belangrijke dan het absolute oppervlak en het gebrek aan (één van) de elementen zorgt vaak voor een minder geschikt leefgebied, waardoor huismussen sinds de jaren 80 in aantallen gehalveerd zijn (maar inmiddels stabiel blijven) (Vogelbescherming.nl)
B3.2.13
Ringslang
Habitatkenmerken
De ringslang is een watergebonden slang en wordt vaak zonnend aangetroffen op oevers in de buurt van water waar ze jagen op voornamelijk amfibieën en soms andere gewervelde dieren waaronder vissen (Figuur B.29 en Figuur B.30). Op niet te droge plaatsen, zoals bladhopen, mesthopen, ruimte onder mos-plakkaten, vermolmde boomstobben en in opgeworpen broeihopen worden eieren gelegd. De slang overwintert op droge plaatsen in holen, compost- en bladhopen, houtstapels, onder oude boomstammen en in dichte struiken. De ringslang kan goed zwemmen en grote afstanden Figuur B.29. Foto van de ringslang. Bron: RAVON. afleggen. Ook is hij goed in staat om nieuwe leefgebieden te koloniseren (RAVON, 2022).
Figuur B.30. Waarnemingen ringslang binnen gemeentegrenzen Waddinxveen.
29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
55
Vertrouwelijk
Kwantiteit
De grootte van het habitat van de ringslang hangt in sterke mate af van de kwaliteit van het leefgebied en de voedselbeschikbaarheid. Bij een goede kwaliteit en voldoende voedsel is een omvang van enkele (5) hectare voldoende groot, maar sommige ringslangen trekken kilometers tussen winterverblijf en voortplantingsgebied. In aanvulling op de waarnemingen op bovenstaande kaart is bekend dat ten noordoosten van Waddinxveen een populatie ringslangen aanwezig is in Boskoop. Deze populatie kan mogelijk uitbreiden naar Waddinxveen als in het noorden gunstige omstandigheden ontstaan.
B3.3 Habitats B3.3.1 Een bredere blik op het landschap Hoewel het grootste deel van de Waddinxveen sterk beïnvloed is door menselijke vormgeving en gebruik, helpt het om de aan- en afwezigheid van habitats te begrijpen vanuit landschappelijke basis. Daarom wordt hieronder een korte blik geworpen op de geomorfologie, de bodem en de geschiedenis van het gebied (Figuur B.31) . Waddinxveen is gelegen aan de Gouwe, een rivier die al eeuwen bestaat, en gevormd is aan de voet van een grote getij-afzetting aan de westzijde van de gemeente, waar zich nu de Zuidplaspolder bevindt. Voor die tijd is de regio langdurig een veengebied geweest. Aan de voet van de getij-afzetting bevinden zich nog restanten van deze veengrond, die in de 17de eeuw ontgonnen en ingepolderd is. De overgang van getij-afzetting naar veengrond zorgt voor een kenmerkende overgang in de bodemsamenstelling, van kalkrijke poldervaaggronden in het westen naar vlier- en koopveengronden in het oosten. Deze bodemgradiënt is in de huidige situatie duidelijk terug te zien in het landschap en het landgebruik, met aan de westzijde een kleiner wateroppervlak en intensieve akkerbouw, en in het oosten een dicht slotenpatroon met meer open water en met beweiding.
29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
56
Vertrouwelijk
Figuur B.31. Bodemtypering (boven) en Geomorfologie (links, Basisregistratie Ondergrond) en kaart uit 1850 (rechts, Topotijdreis.nl).
B3.3.2 Van LGN naar habitats In Figuur B.32 hieronder is de LGN_2021 weergegeven waarop het landgebruik is te zien, zoals ingedeeld in de voor deze analyse relevante categorieën. De gradiënt in het bodemtype is duidelijk terug te zien in het landgebruik, waarbij aan de westzijde veel gewassen worden verbouwd en zich aan de oostzijde voornamelijk veenweidegebied bevindt. Tevens is duidelijk te zien dat het centrale deel van de gemeente een stedelijk karakter heeft, hoofdzakelijk bestaande uit bebouwing. Aan de noordwestzijde valt het Bentwoud op, wat een meer natuurlijk karakter heeft met een afwisseling tussen grasland, struikvegetatie en bosschages. Dit geldt ook voor het Gouwebos, wat hoofdzakelijk bestaat uit een afwisseling van parkgrasland en bomen. Tot slot valt het Weegje op in het zuiden, waar als enige locatie in de gemeente een combinatie voorkomt van groot open water, riet- en moerasvegetatie en afwezigheid van bebouwing. 29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
57
Vertrouwelijk
Figuur B.32. LGN-kaartlaag binnen de gemeente Waddinxveen (handmatig nabewerkt).
De vertaalslag naar habitattypen, zoals terug te vinden in BIJLAGE III, leidt tot onderstaand Figuur B.33. Hierin is getracht de abstracte landgebruik-categorieën te vertalen naar de functionele habitats die relevant zijn voor de doelsoorten. De interpretatie van de kwaliteit van deze habitats volgt in het onderdeel kwaliteit, dat per soort beschreven wordt.
29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
58
Vertrouwelijk
Figuur B.33. Habitattypekaart, gebaseerd op LGN-data.
Figuur B.34 toont de oppervlaktes per habitat per buurt. De oppervlaktes verschillen sterk, tussen habitattype en tussen de buurtclusters (Figuur B.35). Veruit het grootste gedeelte bestaat uit stedelijk gebied met kleine groenstructuren de categorie ‘overig’ (dit zijn stenige gebieden, wegen en andere niet-natuurlijke elementen die buiten de categorie ‘stedelijke gebied met kleine groenstructuren’ vallen). Natuurvriendelijke oevers en rietkragen zijn het minste aanwezig, en deze bevinden zich vrijwel geheel in ’t Weegje. Daarnaast is ook struikvegetatie in zeer beperkte mate aanwezig. Het buurtcluster Veenweide bestaat logischerwijs grotendeels uit veenweide, hoewel ook Park noord en bebouwd zuidoost veenweide aanwezig is. Veenweide als habitat bevindt zich verder ook nog substantieel in deelgebied park Noord. Verder zijn de habitattypen als bossen en bosschages, parkgrasland en groot open water vrij sterk verdeeld tussen verschillende buurtclusters. Dit zijn aanzienlijk kleinere gefragmenteerde oppervlaktes, zoals parken, ligweides en wandelzones.
29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
59
Vertrouwelijk
Figuur B.34. Aanwezig oppervlak per habitat in hectares. In kleur is onderscheid gemaakt per buurtcluster.
Figuur B.35. Aanwezig oppervlak per buurtcluster in hectares. In kleur is onderscheid gemaakt in habitattypes.
29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
60
Vertrouwelijk
B3.3.3 Inhoudelijke beschrijving habitats Parkgrasland
Het habitattype parkgrasland is waardevol voor de doelsoorten merel, egel, bunzing en huismus. Het is een relatief soortenarm type grasland, afgewisseld met vaak solitaire bomen, idealiter in combinatie met struikvegetatie (Figuur B.36). Het habitattype heeft nadrukkelijk ook een recreatieve functie, waardoor beheer en gebruik doorgaans intensief zijn. Het is echter juist door de ligging in gebouwd gebied vaak een relatief rustige omgeving. In deze omgeving vinden met name vogels en kleine zoogdieren geschikt leefgebied, omdat ze er toevlucht en voedsel kunnen vinden in de structuurrijke omgeving, De kwaliteitsaspecten van dit habitattype zijn: een rijke afwisseling van grassen, kruiden, struiken en bomen; voldoende oppervlak; ondanks de recreatieve functie voldoende luwe zones met hooguit onverharde smalle wandelpaden, beperkte verlichting en geen verstoring van verkeer. Een belangrijk onderscheidend kenmerk ten opzichte van veel andere habitattypen is tot slot dat meerdere functies (natuur, recreatie, luchtkwaliteit etc.) samen kunnen gaan, mits de inrichting daarvoor geschikt is of daarop is/wordt aangepast.
Daarbij zijn er twee veel voorkomende uitdagingen, te weten het creëren van luwe plekken, waar met name grotere dieren zoals egel en bunzing beschutting vinden, en het creëren van kwalitatief hoogwaardig grasland, dat niet als gazon, ligweide of voetbalveld wordt gebruikt, en geen last heeft van eutrofiëring door bijvoorbeeld honden.
Figuur B.36. Voorbeeld van habitattype parkgrasland. Bron: Cyclomedia.
Bloemrijk (schraal) grasland
Het bloemrijk grasland kent een rijke variatie aan grassen en kruiden en is relatief soortenrijk, zowel in flora als in fauna (Figuur B.37). Idealiter zijn bloemrijke graslanden schraal, dat wil zeggen dat het arm is aan voedingsstoffen. Dit is in stedelijk gebied vaak een knelpunt, omdat onder andere het beheer en bijvoorbeeld het uitlaten van honden zorgt voor verrijking met stikstof en fosfor, waardoor een minder soortenrijk habitat ontstaat. Bloemrijk (schraal) grasland van goede kwaliteit kent een extensief beheer waarbij doorgaans eens per jaar (na de bloei) gemaaid of begraasd wordt. In de bloeiperiode is het habitat dan ook hoger (0.5 – 1.5 m) en structuurrijker dan bijvoorbeeld een gazon of voetbalveld. In dit habitat komt idealiter een rijke variatie aan kruiden voor, waaronder soorten die als specifieke waardplant dienen voor vlinders om eitjes 29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
61
Vertrouwelijk
af te zetten, en met voldoende bloeiende planten om te voorzien in voedsel voor bestuivers als bijen en hommels. Dit type habitat verdraagt moeilijk verstoring, hoewel in de de gebouwde omgeving vaak een combinatie wordt gezocht met recreatie/gebruik door aanleg van smalle (gemaaide of onverharde) paden. Een veel voorkomend beeld is dat de randen van de paden door dit gebruik verrijkt zijn met voedingsstoffen (met name het uitlaten van honden) en gedomineerd worden door bijvoorbeeld grote brandnetel of bramenstruiken. De kwaliteitsaspecten zijn: Soortenrijke samenstelling aan flora met een verhouding tussen grassen en kruiden van ongeveer 50/50; Aanwezigheid van specifieke inheemse waardplanten en bloemen die voedsel bieden voor bestuivers; Extensief beheer, eens per jaar maaien na de bloeiperiode; Weinig tot geen verstoring.
Figuur B.37. Voorbeeld van habitattype bloemrijk (schraal) grasland. Bron: o+bn Natuurkennis.
Veenweide
Het veenweidegebied is een echt cultuurlandschap en kenmerkt zich in de eerste plaats door het bodemtype, wat bestaat uit veen. Een goed ontwikkeld veenweidegebied kenmerkt zich door een rijke variatie aan grasland op veen en sloten, en een relatief structuurarme inrichting (Figuur B.38). Her en der kunnen rietkragen en bomen als berken of knotwilgen voorkomen, maar het overheersende beeld is een open landschap. Door het open, weidse karakter trekt het habitat veel (water)vogels aan en het veenweide wordt dan ook sterk geassocieerd met soorten als grutto, wulp, kievit en verschillende soorten ganzen. Voor deze soorten zijn vooral de landschappelijke kenmerken belangrijk. Het habitat biedt bij een goede kwaliteit echter ook leefgebied aan soorten als ringslang, libellen, amfibieën en zoogdieren als waterspitsmuis, ree, vos en haas. Daarnaast kan een zeer soortenrijke flora voorkomen ondanks de voedselrijke veenbodem, wanneer er sprake is van goed ontwikkelde oevers, een beperkte nutriënten-uitwisseling met het
29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
62
Vertrouwelijk
oppervlaktewater en een constant nat milieu met kleine drooglegging (lees: plas dras). In deze omstandigheden komen soorten voor als kranswieren, fonteinkruiden, krabbenscheer en blauwe waterereprijs. In de praktijk is de drooglegging in veenweidegebieden vanwege de agrarische functie vaak te groot waardoor afbraak en inklinking ontstaat, en de sloten voedselrijk zijn. Veenweidegebied is nadrukkelijk gebonden aan de invloed van de mens, vaak betreft het een intensieve weidegang van koeien. De beste kwaliteit ontstaat echter bij een relatief extensief beheer van beperkte begrazing en minimale verstoring. De belangrijkste kwaliteitsaspecten zijn: Een open landschappelijk karakter met een rijke variatie aan grasland en sloten; Een natte inrichting met minimale drooglegging; Goed ontwikkelde oeverzones; Extensieve weidegang.
Figuur B.38. Voorbeeld van habitattype veenweide. Bron: Cyclomedia.
Bloemrijke akkerranden
Bloemrijke akkerranden zijn een overblijfsel van een langdurige interactie van mensen en dieren in het landschap. Door het laagwaardige extensieve karakter zijn oorspronkelijke akkerlandschappen zeer rijk aan specifieke akkersoorten, die tegenwoordig zeldzaam en kwetsbaar zijn. De akkerbloemen worden zelfs gezien als de meest bedreigde van Nederland (https://www.natuurmonumenten.nl/nieuws/akkerbloemende-meest-bedreigde-plantensoorten). In een extensief beheerde akker bestaat ruimte tussen de geplante gewassen waar akkerbloemen groeien als korenbloem, bolderik, spiegelklokje en wilde ridderspoor (Figuur B.39). Dit oorspronkelijke akkerlandschap is in Nederland nog maar in zeer beperkte mate aanwezig, doordat akkerbouw geïntensiveerd is en er ten bate van de opbrengst tegen de bijkomende akkerkruiden wordt gestreden (al dan niet met chemische bestrijdingsmiddelen). Met name maïsakkers zijn funest voor dit habitat omdat door de dichte begroeiing geen ruimte overblijft voor andere soorten. Aan de randen van akkers is vaak echter wel een overblijfsel van dit landschapstype mogelijk, en dat zijn de bloemrijke akkerranden.
Door kleine randen van de percelen op te geven wordt grote winst voor de biodiversiteit gehaald, en onder andere met subsidies en duurzaamheidsvoorlichting worden beheerders aangespoord om akkerranden buiten te beheer te brengen en in te zaaien met zaadmengsels van inheemse 29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
63
Vertrouwelijk
akkersoorten. De bloemen zijn een belangrijke bron voor bestuivers als weidehommel en bruin blauwtje. Het lange aaneengesloten, halfhoge, niet te dichte karakter van akkerranden is zeer waardevol voor bijvoorbeeld vogelsoorten als patrijs en kwartel. De belangrijke kwaliteitsaspecten zijn: Bloemrijke structuur met inheemse akkersoorten; Aaneengesloten structuur die een verbinding vormt door landbouwgebied; Halfhoge, niet te dichtbegroeide vegetatie; Extensief beheer waarbij gedurende het groeiseizoen niet gemaaid wordt.
Figuur B.39. Voorbeeld van habitattype bloemrijke akkerranden. Bron: Agrarische Natuurvereniging Altena.
Struikvegetatie
Struikvegetatie vormt in het landschap een belangrijke overgang tussen hogere boom- en lagere grasvegetatie. Het habitat wordt gekenmerkt door een al dan niet compacte begroeiing van hagen en lage groepjes struiken (Figuur B.40). Ook komen hier bomen zoals de hulst voor. Door concurrentie met van nature voorkomende soorten (grassen en ruigtekruiden) kan verruiging van de struik- en haagvegetatie optreden. Voorbeelden van struiken zijn de meidoorn, sleedoorn, veldesdoorn, vlier, vuilboom, hondsroos, egelantier en de braam. Door de bloei en vruchten vormen de struikelementen een voedingsbron voor verschillende zoogdieren, vogels en insecten. In dichte en compacte struikvegetatie (bv. rododendron) komt onder andere de nachtegaal voor. Daarnaast profiteren veel kleine zoogdieren zoals muizen, egels en kleine marterachtigen, maar ook insecten zoals de weidehommel en argusvlinder van struiken. Bovendien biedt het bladerdek van struiken ook dekking voor soorten zoals de haas, fazant en patrijs. Voor veel soorten die voorkomen in en rondom struikvegetatie is ook het beheer van aangrenzend gras-, dan wel akkerland en/of aangelegen poelen relevant. Dit is dan gericht op het creëren van insecten-, muizen- en zadenrijke stroken en percelen als geschikt foerageerhabitat in de winter zodat de hoeveelheid voedsel toereikend is tot en met het vroege voorjaar (maart).
Het is essentieel dat wintervoedselveldjes gelegen zijn direct naast opgaande elementen (zoals struiken) omdat soorten daar dekking voor predatoren vinden.
29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
64
Vertrouwelijk
De belangrijke kwaliteitsaspecten zijn: Voldoende aangrenzend foerageerhabitat; Cyclisch onderhoud van struikgewas door jaarlijks maximaal de helft te kappen/snoeien; Connectiviteit tussen struikelementen; Aanwezigheid bloeiende en bedragende struiken (bv. braam, Gelderse roos, rode kornoelje); Graasvrije zones.
Figuur B.40. Voorbeeld van habitattype struikvegetatie. Bron: Cyclomedia.
Bossen en Bosschages
De habitattypen bossen en bosschages zijn functioneel gezien vergelijkbaar. Beide habitats bieden een belangrijke schuilplaats voor verschillende faunasoorten. In de praktijk zijn bosschages (oppervlakte habitat < 1ha) echter meer voorkomend in de gemeente dan bossen. De bosschages in de gemeenten bestaan uit hoge opgaande begroeiing met verschillende vegetatietypen- en lagen (Figuur B.41). Kenmerkend is een geleidelijke overgang van open gebied naar opgaand bos via een zoomvegetatie met overjarige grassen en kruiden en een mantelvegetatie met struiken. De bosjes kunnen echter ook een abrupte overgang hebben naar weiland of akker. Alleen door actief beheer ontstaat een bosrand met een natuurlijke overgang. Bosjes zijn voor vleermuizen een van de belangrijkste biotooptypen. Dit geldt zowel voor de betekenis als jachtgebied als voor dagverblijven en kraamplaatsen. Daarnaast vormen bosranden een belangrijk element in de vliegroute van bijvoorbeeld de meervleermuis. De bosjes zijn ook een belangrijk habitat voor verschillende vogelsoorten. De merel komt bijvoorbeeld veel voor in vochtige bossen met veel ondergroei (rijke bodemflora en -fauna). In de bosjes gaat de merel opzoek naar voedsel in de vorm van wormen, insecten, bodemdiertjes, bessen en fruit. De steenuil gebruikt het bosje voornamelijk als schuilplaats en broedplaats in oude bomen.
De belangrijke kwaliteitsaspecten zijn: Actief beheer van de overgangszones tussen de bosschages en het graslandschap; Voldoende oude bomen als schuil- en broedplaats voor vogels; Diverse vegetatie van de ondergrond van het bos als stimulering van voedselrijkdom.
29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
65
Vertrouwelijk
Figuur B.41. Voorbeeld van habitattype bossen en bosschages. Bron: Footo.nl.
Sloten en vaarten
Sloten en vaarten zijn kenmerkend voor het Nederlandse polderlandschap. Dit habitattype bestaat uit lijnvormige, gegraven wateren waarbij sloten smaller en vaarten breder zijn dan 6m (Figuur B.42). Een vaart kan zowel een scheepvaartfunctie hebben of uitsluitend een functie hebben voor waterbeheer. Sloten en vaarten hebben vrijwel altijd een peilbeheer en de stroomrichting van deze wateren wordt bepaald door het inlaten, vasthouden en/of afvoeren van water. In de praktijk is de stroming van sloten en vaarten meestal echter gering. In sloten en vaarten komen dan ook voornamelijk limnofiele vissen voor (gebonden aan zwakstromend of stilstaand water). Denk aan soorten als zeelt, snoek en de kleine en grote modderkruiper. Deze soorten zijn aangepast aan de temperatuur- en zuurstoffluctuaties van dit habitattype. Indien sloten en kanalen in verbinding staan met andere wateren kunnen ook migrerende vissen voorkomen, zoals paling en driedoornige stekelbaars. De macrofaunasoorten in sloten en vaarten zijn veelvoorkomend. Voorbeelden hiervan zijn borstelwormen, slakken, platwormen, bloedzuigers en een groot aantal waterinsecten en watermijten. Verder komen ondergedoken waterplanten, drijfbladwaterplanten en emergente waterplanten in een gevarieerde samenstelling voor (bv. kleine fonteinkruiden, hoornbladen, vederkruiden, waterpest, gele gentiaan).
Dominantie van één soort kan echter lokaal voorkomen. Bij voedselrijke waterbodems wordt de vegetatie meestal gedomineerd door soorten als grof hoornblad, smalle waterpest of sterrenkroos. Helofyten komen in sloten niet alleen aan de oever maar over de gehele breedte van het water voor. Midden in de sloot gaat het dan om onder andere holpijp, pijlkruid, watertorkruid, grote en kleine egelskop en zwanenbloem. De belangrijke kwaliteitsaspecten zijn: Voldoende vegetatie (habitatstructuren) met voldoende diversiteit voor macrofaunasoorten; Doorzicht moet voldoende zijn (licht moet ondergedoken waterplanten kunnen bereiken); Goede waterkwaliteit (beperkte organische vervuiling); Beperkte golfslag door wind, scheepvaart en waterbeheer om belemmering voor plantengroei en opwerveling van sediment te voorkomen. 29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
66
Vertrouwelijk
Figuur B.42. Voorbeeld van habitattype sloten en vaarten. Foto aangeleverd door Martin Droog.
Groot open water
Grote open wateren (breedte: ≥35m, lengte: ≥100m) vormen een belangrijk onderdeel van het landschap voor waterminnende soorten (Figuur B.43). In tegenstelling tot het veenweidegebied, waar ook veel water beschikbaar is, is het oppervlakte aan habitat groter. Voor onder andere de meervleermuis is groot open water door zijn grotere oppervlakte essentieel als foerageer- en verplaatsingsgebied. De meervleermuis jaagt in een snelle rechtlijnige vlucht in lange trajecten vlak boven het grote open water en langs oevers van sloten en vaarten. De soort jaagt vooral op insecten (bv. dansmuggen, schietmotten, nachtvlinders) die op het wateroppervlak zitten of er vlak boven vliegen. Open wateren zijn daarnaast ook belangrijk voor eenden. Eenden gebruiken het wateroppervlak vaak als rustplaats en foerageergebied. Denk bijvoorbeeld aan eendensoorten zoals de krakeend, bergeend en wintertaling. De belangrijke kwaliteitsaspecten zijn: Aanwezigheid van lijnvormige elementen (bomenrijen, waterwegen, bosranden) in de vliegroute meervleermuis; Maximale afstand tussen kolonie meervleermuizen en foerageergebied is 25km; Voldoende zomerverblijfplaatsen voor meervleermuis in spouwmuren woningen; Voorkomen van barrières voor meervleermuizen in de vorm van dichte bebouwing; Geschikte oevervegetatie voor het foerageren. Populieren en wilgen zijn geschikt om tussen te jagen.
Ook natuurvriendelijke oevers met een kleine helling draagt bij aan de geschiktheid van de habitat.
29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
67
Vertrouwelijk
Figuur B.43. Voorbeeld van habitattype groot open water. Bron: Bas Wallet, Flickr.
Natuurvriendelijke oevers
Natuurvriendelijke oevers zijn door de mens ingerichte oevers waarbij de ontwikkeling van natuur, landschap en ecologie expliciet wordt gestimuleerd. Dit type habitat wordt gekenmerkt door de geleidelijke overgang van verschillende oeverzones tussen land en water (Figuur B.44). De oeverzones strekken zich uit van oevervegetatie in ondiep water (riet, lisdodde) tot aan drijfbladplanten (waterlelie, gele plomp) en ondergedoken waterplanten (waterpest, hoornblad) respectievelijk op en onder het wateroppervlak. De invloed van het water is door de variatie in waterdiepten verschillend voor de zones, waardoor elk van de zones specifieke flora en fauna kent. In het water tussen de waterplanten komen verschillende macrofaunasoorten voor. Een groot aantal van deze soorten leven alleen als larve in het water. Voorbeelden hiervan zijn waterkevers, libellen, haften en kokerjuffers. In het laatste larve stadium klimmen de larven langs de vegetatie het water uit waarna ze zich ontwikkelen tot volwassen individuen. De waterplanten in de diepere oeverzones bieden daarnaast ook paai- en opgroeihabitat voor vissen zoals de snoek, rietvoorn en zeelt. In die ondiepere oeverzone vindt de voorplanting van verschillende amfibieënsoorten (kikkers, padden, salamanders) plaats. Voor de overwintering trekken deze amfibieënsoorten naar de oeverkant.
Een geleidelijke overgang van water naar land is hierdoor essentieel. Ook voor verschillende vogelsoorten (fuut, meerkoet, waterhoen, karekiet, rietzanger) en kleine zoogdieren (muizen, hermelijn) is de natuurvriendelijke oever een belangrijk onderdeel van het landschap door zijn functie als foerageergebied, schuilplaats en/of voorplantingshabitat. De belangrijke kwaliteitsaspecten zijn: Extensief maaien van oeverplanten; Geleidelijke overgang van land naar water (talud zo flauw mogelijk; 1:10); Brede oevers (>5-10m); Grote diversiteit aan oeverplantenvegetatie.
29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
68
Vertrouwelijk
Figuur B.44. Voorbeeld van habitattype natuurvriendelijke oevers. Foto aangeleverd door Martin Droog.
Rietkragen
Rietkragen worden gedomineerd door riet (Figuur B.45). Riet is een zeer algemene plant met een brede ecologische verspreiding. Deze soort groeit op zand-, veen- en kleibodem, komt voor in voedselarme tot voedselrijke milieus en tolereert zoet tot brak water. Naast riet kunnen rietkragen ook rijk zijn aan mossen of moerasplanten zoals moerasvaren, kamvaren, moeraswalstro, waterzuring, watermunt, grote watereppe, moeraswederik, pluimzegge, echte koekoeksbloem en echte valeriaan. Bij een goede waterkwaliteit zijn de rietlanden soortenrijk met rietorchis en groenknolorchis. Net zoals bij natuurvriendelijke oevers vormen rietkragen een belangrijk habitat voor verschillende organismen. Rietkragen dienen bijvoorbeeld als schuilplaats voor snoek, broedbiotoop voor de kleine karekiet en andere moerasvogels (overjarig riet) en kraamkamer van stekelbaars die weer dienen als voedsel voor de lepelaar. De belangrijke kwaliteitsaspecten zijn: Aanlegdiepte bedraagt tussen de 0.2-0.4m onder het winterpeil (permanente inundatie); Actieve bescherming tegen ganzenvraat in het eerste jaar na aanplanting van het riet; Extensief maaibeheer; Mozaïek van gemaaide rietzones (max. 1/3 van het riet wordt in hetzelfde jaar gemaaid).
29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
69
Vertrouwelijk
Figuur B.45. Voorbeeld van habitattype rietkragen. Foto aangeleverd door Martin Droog.
Lijnvormige elementen
In de loop der eeuwen zijn in het Nederlandse landschap diverse landschapselementen verschenen. Deze landschapselementen hadden vroeger vaak meerdere functies; zo dienden ze als perceelscheiding of veekering maar ze leverden ook gebruikshout op. Kenmerkend voor de eeuwenoude landschapselementen zijn historische lijnen zoals waterlopen, (tracés van) wegen, dijken, bomenrijen, hagen en heggen (Figuur B.46). Deze verschillende lijnvormige landschapselementen vertegenwoordigen vaak een hoge natuurwaarde, doordat veel dieren en planten er beschutting, dekking en voedsel vinden en er gebruik van maken om door minder geschikt te terrein te bewegen. Zo worden geschikte heggen, houtwallen en struwelen gebruikt als migratieroute door zoogdieren als marterachtigen en dassen. Grootschaligere elementen als bomenrijen en watergangen bieden vleermuissoorten bijvoorbeeld een navigatieroute van het ene natuurgebied naar het andere. Echter, veel lijnvormige landschapselementen zijn de laatste eeuwen verloren gegaan door ingrepen van de mens (o.a. door ruilverkaveling, verstedelijking en onderkenning van de belangrijke waarde van dit landschapskenmerk).
De belangrijke kwaliteitsaspecten zijn: Aaneengesloten structuur, al dan niet door ongeschikt of minder geschikt gebied voor betreffende soorten; In geval van heggen, struweel en houtwallen: beschutting in de vorm van opgaande begroeiing en luwte door beperkte bereikbaarheid en invloed van de mens, die over de lengte van het lijnvormige element een of meerdere geschikte habitats met elkaar verbindt; In geval van bomenrijen: rechte, aaneengesloten lijnen die beperkt tot niet verlicht zijn en over de lengte van het lijnvormige element een of meerdere geschikte habitats met elkaar verbindt.
29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
70
Vertrouwelijk
Figuur B.46. Voorbeeld van habitattype lijnvormige elementen. Foto aangeleverd door Martin Droog.
Bebouwd met groenstructuren
Gebouwen, bestrating en menselijke invloed worden snel geassocieerd met een negatieve invloed op de biodiversiteit. In veel gevallen is dat terecht, maar er zijn ook verschillende soorten die goed gedijen in stedelijk gebied en soms zelfs de voorkeur geven aan dit landschapstype (Figuur B.47). Voor de in Nederland voorkomende soorten in stedelijk gebied betreft het vooral kleine tot middelgrote, vindingrijke en mobiele zoogdieren en vogels, zoals bruine rat, huismuis, ekster en vink. Deze soorten benutten het door bebouwing ontstane kleinschalige landschap, het rijke voedselaanbod en de beschutting van bijvoorbeeld spouwmuren en dakpannen. Het habitattype ‘bebouwd met groenstructuren’ bestaat in de optimale situatie uit een gevarieerde samenstelling van kleinschalige bebouwing, afgewisseld met heggen, tuinen, gazons, grasvelden en struikvegetatie of plantsoenen. Dit wordt het meest aangetroffen in laagstedelijke gebieden, zoals dorpen, stadsranden of buitenwijken. In dit gevarieerde landschap is de aanwezigheid van open zandplekken en (drink- en badder-) water belangrijk, net als de aanwezigheid van (regelmatig) luwe plekken. Tuinen zijn hiervan een goed voorbeeld, omdat ze gezamenlijk een groot oppervlak kunnen beslaan en slechts een klein deel van de tijd in gebruik zijn.
De kleinschaligheid is ook belangrijk omdat soorten als huismus een relatief klein territorium hebben, waarbinnen al deze elementen samen moeten komen. Tot slot is minder onderhoud vaak beter, omdat de soorten rommelige tuinen, grasvelden, schuren etc. benutten om zich in terug te trekken. De belangrijke kwaliteitsaspecten zijn: Gevarieerd landschap met bebouwing, heggen, plantsoenen, gazons en tuinen; Kleinschalig karakter met grote afwisseling en variatie tussen de aanwezige elementen; Laagstedelijk karakter, met beperkte mate van verstoring; Aanwezigheid van open zandplekken en water.
29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
71
Vertrouwelijk
Figuur B.47. Voorbeeld van habitattype bebouwd met groenstructuren. Foto aangeleverd door Martin Droog.
Kunstmatige nestruimte
Kunstmatige nestruimten zijn een belangrijk habitat voor verschillende diersoorten zoals vogels, zoogdieren en insecten (Figuur B.48). Afhankelijk van de diersoort kunnen er verschillende nestruimten worden geplaatst; denk bijvoorbeeld aan neststenen in de gevel, insectenhotels, vogelhuisjes en egelhuisjes. Huismussen en gierzwaluwen nemen in Nederland bijvoorbeeld nestruimten in gebruik in gebouwen waar ze ook hun jongen grootbrengen. Nestruimten zoals vleermuiskasten en neststenen in gebouwen zijn daarnaast essentieel voor gebouw bewonende vleermuizen als verblijfplaats om te slapen en te paren. In de tuin kunnen ook nestruimten worden gecreëerd voor vogels, insecten en kleine zoogdieren. Een insectenhotel in de tuin kan bijvoorbeeld dienen als broed- en nestelhulp voor onder andere bijen, wespen en vlinders. De belangrijke kwaliteitsaspecten zijn: • Vogels: o Regelmatig onderhoud en beheer (goed schilderen, stevig materiaal van bv.
houtvezelbeton) van de nestkast waardoor de nestkast meerdere jaren mee kan gaan en vogels terug kunnen keren naar hun nestkast; o Schuin aflopend dak om te voorkomen dat vogels gaan zitten op de nestkast en regenwater blijft liggen; o Plaats de nestruimte niet in de volle zon, zorg dat er genoeg beschutting is van de wind en plaats de nestruimte op een rustige plek; o De vliegroute van vogels naar de nestruimte toe moet vrij zijn van obstakels zoals takken. • Insecten: o Voor insecten zoals de hommel is het belangrijk dat de nestruimte niet in de felle zon staat (maar wel zonnig), dat het materiaal (gras/mos) in de nestruimte droog is en dat de nestruimte in de buurt van een bloeiende border of haag wordt geplaatst. • Vleermuizen: o Voor het uitvliegen van vleermuizen uit de nestkast is een goede hoogte belangrijk (minimaal 3 meter hoog gerekend vanaf de grond); o De vliegroute van de vleermuis naar de nestruimte toe moet vrij zijn van obstakels zoals takken; 29 november 2022
BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
72
Vertrouwelijk
o o
Vleermuiskasten kunnen het beste worden geplaatst in de richting waar de zon vandaan komt; In de winterperiode moet de vleermuiskast worden gereinigd (jaarlijks).
Figuur B.48. Voorbeeld van habitattype kunstmatige nestruimten. Bron: Nanda Sluijsmans.
Kale zandbodem
Kale zandbodems worden vaak gekenmerkt door zure bodems. Op de minst gebufferde en dus zuurdere bodems groeien heidevegetaties en vegetaties van bunt- en struisgras. Kale zandbodems komen bijvoorbeeld voor in de omgeving van bloemrijk (schraal) grasland in de vorm van zandplaten en/of zandige fiets- en wandelpaden (Figuur B.49). Veel soorten zijn karakteristiek vanwege het grote aanpassingsvermogen om in deze omstandigheden te kunnen overleven. Op kale, zandige bodems afgewisseld met kruiden en lage struiken vinden warmteminnende reptielen als gladde slang en zandhagedis en insecten als heidesabelsprinkhaan en veldkrekel geschikte leefomstandigheden. Ook de doelsoort bruin blauwtje komt voor in dergelijke schrale, zandige habitats. De mate van biodiversiteit is echter afhankelijk van een afwisseling en overgangen van kaal zand, korstmosbegroeiingen en droog open grasland. Voor sommige kenmerkende dieren is het in de nabijheid voorkomen van heide, struweel of bos van groot belang. Binnen bebouwd gebied zijn kale zandbodems eveneens relevant, maar niet voor dezelfde soorten. Hier betreft het hoofdzakelijk de voorziening van los open zand voor huismus, die geregeld gebruik maakt van zogenaamde zandbaden.
De belangrijke kwaliteitsaspecten zijn: • Zachte zandbodem met schrale, voedselarme kwaliteit en zonder verruiging; • Nabijheid van overige landschapselementen, zoals schraal grasland, struweel en in stedelijk gebied heggen, nestgelegenheid voor huismus, etc;. • Voldoende afwatering/ wegzijging voor benodigde droge omstandigheden.