CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

BI7210 Fase I Klimaatadaptatie en Biodiversiteit eindrapport

Overige evenementen 10 mei 2023, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: Klimaatadaptatie en Biodiversiteit23.119 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

RAPPORT Verdiepende studie klimaatadaptatie, biodiversiteit en gezondheid: Fase I Gemeente Waddinxveen Klant:

Gemeente Waddinxveen

Referentie: BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001 Status:

Definitief/0001

Datum:

29 november 2022

Vertrouwelijk

HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.

Laan 1914 no.35 3818 EX Amersfoort Water & Maritime Trade register number: 56515154 +31 88 348 20 00 T +31 33 463 36 52 F info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W

Titel document: RAPPORT

Verdiepende studie klimaatadaptatie, biodiversiteit en gezondheid: Fase I

Sub titel: Gemeente Waddinxveen Referentie: BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001 Status: 0001/Definitief Datum: 29 november 2022 Projectnaam: Projectnummer: BI7210 Auteur(s): Maarten Wansink, Nienke Ansems, Jos Schild, Martin Droog, Jerry Olthuis Opgesteld door: Margo Robben Gecontroleerd door: Niels Back Datum: 29-11-2022 Goedgekeurd door: Datum:

Classificatie Vertrouwelijk

Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat mogelijk persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V.. Voordat publicatie plaatsvindt (of anderszins openbaarmaking), dient dit document te worden geanonimiseerd of dient toestemming te worden verkregen om dit document met persoonsgegevens te publiceren. Dit hoeft niet als wet- of regelgeving anonimiseren niet toestaat. 29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

i

Vertrouwelijk

Inhoud Inleiding

4

Klimaatadaptatie

6

A.1

Inleiding

6

A.1.1

Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA)

6

A.1.2

Klimaatrisicoanalyse op basis van labelsystematiek

7

A.1.3

Ambitieniveau Waddinxveen

9

A.2

Feiten- en risicoanalyse per klimaatthema

11

A.2.1

Hittestress

11

A.2.4.1 A.2.2.1 A.2.2.2 A.2.2.3

Stedelijk hitte-eilandeffect Gevoelstemperatuur Aandachtslocaties: Hittestress en kwetsbaren Leefbaarheid en afstand tot koelte

12 14 16 17

A.2.2

Droogte en bodemdaling

18

A.2.3.1 A.2.3.2

Bodemdaling Grondwaterdaling

18 22

A.2.3

Wateroverlast

22

A.2.4.2 A.2.4.3

Water op straat en risico voor kwetsbare gebouwen Water op straat

25 26

A.2.4

Groenbeleid voor klimaatadaptatie

27

A.2.5

Waterveiligheid

31

A.2.5.1

Overstromingsrisico

31

B.

Biodiversiteit

34

B1.

Inleiding

34

B2.

Materiaal en methoden

35

B2.1.

Verwerken soortwaarnemingen

35

B2.1.1 B2.1.2

Selectie data Aggregatieniveau

35 36

B2.2.

Analyse habitat en omgevingskenmerken

37

B2.2.1 B2.2.2

Kwantiteit Kwaliteit

38 38

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

1

Vertrouwelijk

B2.3.

Beoordeling

39

B3.

Resultaten

41

B3.1

Waarnemingen biodiversiteit

41

B3.1.1

Aantal Rode lijstsoorten

41

B3.2

Selectie doelsoorten

42

B3.2.1 B3.2.2 B3.2.3 B3.2.4 B3.2.5 B3.2.6 B3.2.7 B3.2.8 B3.2.9 B3.2.10 B3.2.11 B3.2.12 B3.2.13

Bruin blauwtje Weidehommel Steenuil Rietorchis Grutto Merel Egel Glassnijder Meervleermuis Kleine karekiet Bunzing Huismus Ringslang

42 43 44 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55

B3.3

Habitats

56

B3.3.1 B3.3.2 B3.3.3

Een bredere blik op het landschap Van LGN naar habitats Inhoudelijke beschrijving habitats

56 57 61

B3.4

Soort-Habitatmatrix

74

B4.

Analyse doelsoorten en habitats

75

B4.1

Bruin blauwtje

75

B4.2

Weidehommel

79

B4.3

Steenuil

83

B4.4

Grutto

86

B4.5

Rietorchis

90

B4.6

Merel

91

B4.7

Egel

95

B4.8

Glassnijder

98

B4.9

Meervleermuis

101

B4.10

Kleine karekiet

105

B4.11

Bunzing

108

B4.12

Huismus

111

B4.13

Ringslang

114

B5.

Synthese

118

B5.1.

De huidige situatie in beeld

118

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

2

Vertrouwelijk

B5.2.

Doorkijk naar fase II

119

C.

Gezondheid

120

Inleiding

120

C1.

Inleiding gezondheid

120

C2.

Stedelijke ontwikkeling

121

C3.

Beleid

121

C4.

Methoden

122

Bijlagen Bijlage A-I Waddinxveen achtergrondkaarten

123

Bijlage B-I Kaarten van (minder algemene) soorten per soortgroep

129

Bijlage B-II Bodem en vegetatie

133

Bijlage B-III koppeltabel LGN-data naar habitattypen

135

Bijlage B-IV Overzichtstabellen oordelen en doelen

136

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

3

Vertrouwelijk

Inleiding Aanleiding

Ondanks internationale afspraken om de opwarming van de aarde te beperken, heeft er al een deel van de opwarming plaatsgevonden. Dit uit zich in extremere weersomstandigheden die effect hebben op onze leefomgeving. Denk hierbij aan warmere zomer, hevigere buien en extreme droogte. We zullen ons moeten aanpassen aan deze veranderende omstandigheden. Dit noemen we klimaatadaptatie. De opgave klimaatadaptatie is nationaal geadresseerd in het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA, 2018). Hierbij hebben het Rijk, de provincies, gemeenten en waterschappen de gezamenlijke ambitie vastgelegd dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en water-robuust is ingericht. Naast de risico’s van het veranderende klimaat neemt de laatste jaren de biodiversiteit, de verscheidenheid aan levende organismen op aarde, drastisch af. Een grote biodiversiteit is van essentieel belang voor de leefomgeving van mensen. Gezonde ecosystemen zorgen voor essentiële behoeften of diensten die wij als vanzelfsprekend beschouwen. Voorbeelden zijn voedsel, drinkwater, het onderdrukken van plagen, verkoeling en groene recreatie 1. Een grote biodiversiteit maakt de natuur, en daarmee onze leefomgeving veerkrachtiger. Zowel de opgave klimaatadaptatie als biodiversiteit zijn geadresseerd in het Koersdocument Duurzaam Waddinxveen. Hierin zijn de doelen voor de opgaven vastgesteld en is er een eerste aanpak beschreven.

Maar wat is die opgave concreet? Bij de samenstelling van het Koersdocument Duurzaam Waddinxveen is vastgesteld dat meer inzicht gewenst is in klimaatadaptatie en biodiversiteit; wat is de situatie per buurt, welke maatregelen zijn mogelijk en welke kosten zijn daarmee gemoeid? Om hier antwoord op te vinden is het project Verdiepende studie Klimaatadaptatie en Biodiversiteit uitgevoerd. Hierbij zijn de twee opgave integraal opgepakt. Want een gezond ecosysteem levert minder risico’s bij extremer weer en maatregelen voor klimaatadaptatie bieden kansen voor biodiversiteit. Omdat beide opgaven in de basis gaan over een gezonde fysieke leefomgeving is er ook een doorkijk gemaakt naar het thema gezondheid.

Doel

Gemeente Waddinxveen heeft aan Royal HaskoningDHV gevraagd om de Verdiepende studie Klimaatadaptatie en Biodiversiteit uit te voeren met een doorkijk naar het thema gezondheid. Het doel van deze verdiepende studie is om de opgaven van deze thema’s voor de gemeente Waddinxveen duidelijk in beeld te brengen. De volgende vraag moet daarbij beantwoord worden: Hoe geeft de gemeente Waddinxveen invulling aan de landelijke ambitie voor klimaatadaptatie en een toename van biodiversiteit in 2050? Dit doelstelling van dit project is: 1. De verdiepende studie moet inzicht geven in de opgave klimaatadaptatie en biodiversiteit in Waddinxveen op basis van (bestaande) feitelijke informatie (weten, willen, werken). 2. Uit de studie moet duidelijk worden naar welke concrete doelen Waddinxveen moet streven in 2050 én welke inspanningen er verricht moeten worden t/m 2026 om de doelstelling van 2050 te halen. De uitvoering van de verdiepende studie bestaat dus enerzijds uit een inhoudelijke studie op genoemde thema’s en anderzijds uit een integrale blik op de thema’s waarmee oplossingsrichtingen van maatregelen en doelen in beeld worden gebracht.

1

PBL, WUR, CICES 2014, https://www.pbl.nl/infographic/ecosysteemdiensten-in-nederland

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

4

Vertrouwelijk

Om de thema’s integraal te kunnen door vertalen heeft er voor klimaatadaptatie een feitenanalyse plaatsgevonden en voor biodiversiteit een nulmeting. Voor klimaatadaptatie is er namelijk al veel uitgevoerd. Zo zijn er resultaten van een stresstest en heeft de gemeente risicodialogen uitgevoerd. Er is dus op het thema klimaatadaptatie geen nieuwe input verzameld. Over de biodiversiteit in gemeente Waddinxveen was er weinig bekend. Daar heeft dus een nulmeting plaatsgevonden. Gedurende het hele project is het thema gezondheid als spiegel tegen de resultaten aangehouden.

Leeswijzer

Het voorliggende rapport vormt het resultaat van de feitenanalyse klimaatadaptatie, nulmeting biodiversiteit en de doorkijk op het thema gezondheid. Het is fase I van een tweeluik, waarbij fase II de thema’s integraal door vertaald naar maatregelen per buurtcluster. In dit document zijn de thema’s apart van elkaar uitgewerkt, daar ze beide een eigen werkwijze en inhoudelijke achtergrond kennen. Het voorliggende rapport is opgedeeld in drie delen, te weten deel A: klimaatadaptatie, deel B: biodiversiteit en deel C: gezondheid. Ieder deel beschrijft voor het betreffende thema de aanpak, de gebruikte methodiek en analysetechnieken, de resultaten van de huidige situatie (T=0) en de doorkijk naar maatregelen en doelen (hoe gaat fase II hier inzicht in geven). Eventuele bijlagedocumenten zijn per deel opgenomen in plaats van helemaal achteraan, zodat ieder deel apart leesbaar is.

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

5

Vertrouwelijk

Klimaatadaptatie A.1

Inleiding

A.1.1 Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) In 2018 is het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) verschenen. Het DPRA is een gezamenlijk plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk om Nederland klimaatadaptief in te richten. De eerste stap in het DPRA was de kwetsbaarheid voor wateroverlast, droogte, hittestress en risico op overstroming in beeld te brengen, de zogenaamde ‘stresstest’. Deze is door gemeente Waddinxveen in 2019 uitgevoerd en wordt elke zes jaar herhaald. De tweede stap betreft ‘het gesprek aangaan over de resultaten van deze stresstest’, de zogenaamde ‘risicodialoog’. Een risicodialoog is geen moment opname, maar een continu proces en in die zin nooit ‘klaar’. Het doel van de risicodialoog is: • Het onder de aandacht brengen van de klimaatrisico’s bij de collega’s binnen de gemeenten (intern) en relevante stakeholders (zoals woningbouw corporaties, GGD, hulpdiensten, etc.), ondernemers en inwoners van Waddinxveen (extern); • Bewustwording van de risico’s bij iedereen (het weten); • Het zelf gaan nadenken over hoe deze risico’s verminderd/ opgelost kunnen worden (het willen) en hier, op basis van een concreet handelingsperspectief, actief mee aan de slag gaan als onderdeel van hun dagelijkse werk (het werken).

Naar aanleiding van de stresstest in 2019 zijn er binnen de gemeente Waddinxveen risicodialogen uitgevoerd, hier wordt dus vervolg aan gegeven. Het DPRA heeft echter bewust niet vastgelegd wat een klimaatadaptieve inrichting van de openbare ruimte precies inhoudt. De haalbaarheid hiervan binnen de verschillende geografische regio’s in Nederland is namelijk heel verschillend. Elke regio moet daarom zelf bepalen wat voldoende klimaatadaptatie inhoudt. De concrete vraag voor gemeente Waddinxveen is dan ook: Wat is het streven in Waddinxveen uit oogpunt van de klimaatthema’s (hemel)wateroverlast, droogte en hitte om een gezonde en leefbare openbare ruimte te behouden en of te realiseren, zodat het ook in de toekomst een gebied is waar het fijn wonen, werken, ontmoeten en recreëren is?

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

6

Vertrouwelijk

A.1.2 Klimaatrisicoanalyse op basis van labelsystematiek Voor u ligt de feiten- en risicoanalyse klimaatadaptatie voor de gemeente Waddinxveen. Deze analyse is tot stand gekomen op basis van de eerder uitgevoerde klimaatstresstesten, risicodialogen en landelijke klimaateffectkaarten. Het document ‘Koers naar duurzaam Waddinxveen’ (2021) 2 is als vertrekpunt genomen voor deze analyse. In dit document wordt er voor de formulering van klimaatadaptatie verwezen naar het convenant Klimaatadaptief bouwen Zuid-Holland. In het convenant Klimaatadaptief bouwen Zuid-Holland is een eerste aanzet gemaakt wat klimaatadaptatie betekent. Het convenant heeft hiervoor een kwalitatieve formulering opgenomen per klimaatadaptatiethema (zie Figuur A.1). In het koersdocument Duurzaam Waddinxveen is ook opgenomen dat deze kwalitatieve formuleringen nader worden uitgewerkt naar (kwantitatieve) streefwaarden voor de gemeente Waddinxveen.

Figuur A.1. Kwalitatieve formulering klimaatadaptief (bron: Convenant Klimaatadaptief Bouwen).

Klimaatrisicolabels voor ambities, monitoring en communicatie

Voor deze risicoanalyse is gebruik gemaakt van de klimaatrisicolabels methodiek. De klimaatrisicolabels zijn vergelijkbaar met een energielabel van een woning en gebaseerd op kwantitatieve streefwaarden. De schaal loopt van label A (groen, zeer laag risico) tot E (rood, zeer hoog risico) (zie Figuur A.2). Door gebruik te maken van labels ligt er dus tevens een eerste uitwerking van de kwantitatieve streefwaarden voor de verschillende thema’s van klimaatadaptatie.

2

Gemeente Waddinxveen, 2021 Koers naar duurzaam Waddinxveen, (her)verbinden met de natuur

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

7

Vertrouwelijk

Risico

A. Zeer laag B. Laag C. Matig D. Hoog E. Zeer hoog

Hittestress Stedelijk hitte eiland (UHI) UHI tussen 0 - 0,5 graden UHI tussen 0,5 - 0,9 graden UHI tussen 0,9 - 1,9 graden UHI tussen 1,9 - 2,8 graden UHI meer dan 2,8 graden

Gevoelstemperatuur (PET) 2050

PET waarde van < 29°C PET waarde tussen de 29 - 35°C PET waarde tussen de 35 - 41°C PET waarde tussen de 41 - 46°C PET waarde van > 46°C

Droogte en bodemdaling Bodemdaling Grondwaterdaling (2050) (GLG 2050)

< 10 cm

Nauwelijks verandering < 0,1 m

10 – 25 cm

Lichte daling 0,10,25 m

25 – 50 cm

0,25 – 0,5 m

50 – 75 cm

0,5 - 0,75 m

> 75 cm

> 0,75 m

Wateroverlast Water tegen de panden 70 mm in 2 uur (T100) % van woningen met meer dan 10 cm tegen de gevel

Water op straat per wijk70 mm in 2 uur (T100) % per wijk met meer dan 15 cm water op straat

Groen Percentage groen (openbaar terrein of privé terrein)

Bij geen van de panden in de straat

Bij geen van de straten

> 40% van de buurt

Bij maximaal 0 - 10% van de panden in de straat Bij maximaal 10 20% van de panden in de straat Bij maximaal 20 30% van de panden in de straat Bij meer dan 30% van de panden in de straat

Bij maximaal 0 10% van de straten Bij maximaal 10 - 20% van de straten Bij maximaal 20 - 30% van de straten Bij meer dan 30% van de straten

Tussen 30 – 40% van de buurt Tussen 20 - 30% van de buurt Tussen 10 - 20% van de buurt Minder dan 10% van de buurt

Figuur A.2. Labelsystematiek en kwantitatieve formulering klimaatadaptatie.

Monitoren van resultaten Een kaart en tabel met de labels in ‘de huidige situatie’ vormt het vertrekpunt voor het monitoren van vooruitgang richting een klimaatrobuuste leefomgeving. De komende jaren vinden allerlei (her)inrichtingsprojecten en andere (ruimtelijke) ontwikkelingen plaats. Wanneer deze ontwikkelingen klimaatrobuust uitgevoerd worden, zijn de effecten hiervan te zien op de kaart in de vorm van bijvoorbeeld een verandering van ‘label D’ naar ‘Label B’. Op een ijk- of evaluatiemoment (bijvoorbeeld afgestemd met de 6-jarige cyclus van het DPRA) kan gemeente Waddinxveen de effecten van uitgevoerde ontwikkelingen inzichtelijk maken en als verantwoording naar het gemeentebestuur.

Monitoren van beleid

De labelsystematiek biedt grip op het klimaatbeleid van de gemeente Waddinxveen. De kaart met labels geeft in de lange termijn inzicht in de gestelde ambities en de vooruitgang. Wanneer na het toepassen van maatregelen nieuwe labelanalyses worden uitgevoerd ziet u in één oogopslag vooruitgang per gebied en per thema. Indien ambitieniveaus niet worden behaald of niet haalbaar blijken kan de gemeenten een besluit tot actie nemen: meer inspanning leveren om de ambitie na te leven óf de gestelde ambitie aanpassen.

Een communicatiemiddel

De labelsystematiek draagt bij aan de communicatie over de nut en noodzaak van klimaatadaptieve maatregelen. De kleurschema’s maken knelpunten en resultaten van klimaatadaptieve maatregelen inzichtelijk, dat zorgt voor begrip voor de genomen en te treffen maatregelen. De labelsystematiek is overzichtelijk en spreekt tot de verbeelding. De resultaten van deze studie worden gebruikt voor (risico)dialogen met de politiek, inwoners en andere stakeholders.

Dynamisch en aanpasbaar op ontwikkelingen

De labelsystematiek richt zich op vooruitgang. De kleurwijziging zorgt ervoor dat veranderingen eerder zichtbaar worden dan bij een op risico’s gebaseerde methode, zoals risicocijfers. Dit is met name relevant voor monitoring van klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting op wijk- en straatniveau. De kaarten kunnen ten allen tijden worden aangepast. Door achterliggende data te updaten, toevoegen of vervangen. Het is ook mogelijk om bij een eventuele toekomstige herijking van data (nieuwe modellen of nieuwe inzichten op een klimaatthema) de oude data terug te halen.

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

8

Vertrouwelijk

A.1.3 Ambitieniveau Waddinxveen De klimaatrisicolabels per buurt maken in één overzicht inzichtelijk waar per buurt en vanuit welke thema er opgaven liggen voor een klimaatrobuuste inrichting. De klimaatlabels geven daarmee concrete handvatten voor het stellen van doelen op buurtniveau als onderdeel van een duurzaam Waddinxveen. Figuur A.3 toont de klimaatlabels voor Waddinxveen voor de huidige situatie. Nadere toelichting, inclusief de detailkaarten en klimaatrisicokaarten per thema, zijn uitgewerkt in de volgende hoofdstukken.

Figuur A.3. Overzichtstabel klimaatlabels per thema per buurt (huidige situatie).

Met inzicht in de huidige situaties heeft gemeente Waddinxveen in dit project het ambitieniveau voor de klimaatadaptieve inrichting als volgt in vormgegeven:  In Waddinxveen streven we voor een klimaatadaptieve inrichting naar label A in 2050 voor de thema’s (hemel)wateroverlast, droogte en hitte. Dit betekent dat als alle openbare ruimte in Waddinxveen voor de thema’s (hemel)wateroverlast, droogte en hitte voldoet aan label A, is de openbare ruimte klimaatbestendig en waterrobuust.  In Waddinxveen hanteren we voor de thema’s bodemdaling en waterveiligheid (overstromingsrisico) een ander ambitieniveau waarin een samenwerking met gebiedspartijen centraal staat. Het risico en de mate van bodemdaling hangt sterk samen met verschillende factoren, waaronder het peilbeleid. Bodemdaling in Waddinxveen vraagt dan ook om een bredere aanpak samen met gebiedspartijen. Wat kan er gezamenlijk worden gerealiseerd om bodemdaling te beperken? En welke stappen kunnen er gezamenlijk worden gezet bij gebiedsontwikkelingen om risico op schade aan bebouwing en infrastructuur in de toekomst te beperken. Om op lokale schaal overstromingen te voorkomen zal Waddinxveen door haar lage ligging moeten worden opgehoogd, dit is een onmogelijke opgave. Voor het beperken van overstromingsrisico zal dus samengewerkt moeten worden met het Waterschap en Rijkswaterstaat.

Ook bijvoorbeeld evacuatiemogelijkheden en beleid daarop moet met onder andere de veiligheidsregio worden afgestemd.

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

9

Vertrouwelijk

 Bij grootschalige (her)inrichtingen in de bestaande openbare ruimte moet het label voor elk thema minimaal twee labels omhoog tot label A voor dat thema is bereikt. In de kaarten en overzichtstabel “labels huidige situatie 2022” is te zien dat in meerdere buurten voor verschillende thema’s op dit moment een label C, D of E geldt. Het streven is vooralsnog ook voor deze buurten (op termijn) voor elk thema label A te bereiken. Doelmatigheid en werk met werk maken staan echter voorop. Bovendien is de beschikbare ruimte binnen de bestaande openbare ruimte vaak beperkt en moeten veel relevante ruimtelijke functies hier een plek krijgen. Wanneer de ambitie niet gehaald wordt zal expliciet onderbouwd moeten worden waarom de keuze is gemaakt om de mogelijk beperkte ruimte anders in te zetten. Bij straten waar voor een bepaald thema al een label A aanwezig is in de bestaande openbare ruimte, mag na de (her)inrichting de situatie nooit verslechteren.  De komende jaren ervaring opdoen met de labels en de labels daarna (mogelijk) aanpassen en gebiedspecifiek maken. De opgave klimaatadaptatie is vol op in ontwikkeling. Komende jaren komt er veel nieuwe kennis beschikbaar. Ook kan Waddinxveen kan komende jaren ervaring opdoen met de labels en de haalbaarheid daarvan. Bij de volgende DPRA-cyclus (2025- 2030), kunnen m.b.v.

de nieuwe klimaatstresstesten de klimaatlabels worden geactualiseerd. Ook kunnen testen worden verbeterd door bijvoorbeeld de riolering mee te nemen in wateroverlast modellen. Door nieuwe inzichten, maatregelen, en nieuwe (beleids)ontwikkelingen zal de klimaatadapatiestrategie waarschijnlijk worden herzien. De labelsystematiek geeft richting aan deze mogelijke herziening. Vanuit deze aanpak heeft de huidige kaart “klimaatlabels huidige situatie 2022” ook een waarde als ‘signaalfunctie’.

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

10

Vertrouwelijk

A.2

Feiten- en risicoanalyse per klimaatthema

A.2.1 Hittestress Risico’s hittestress

Door klimaatverandering kennen we steeds meer hitte-extremen. Deze hitte-extremen hebben negatieve gevolgen voor de leefbaarheid en kunnen leiden tot gezondheidsklachten. Door hogere gevoelstemperaturen is het minder prettig buiten verblijven. Zeker in verharde gebieden met weinig schaduw en groen. Ook kan toename van hitte extremen in gebieden met veel verharding, weinig groen en op plekken met hogere gebouwen (flats) in de omgeving leiden tot warme nachten en nachtelijke hittestress. Dit heeft gevolg voor de gezondheid, het geluksgevoel en arbeidsproductiviteit. Extra gevoelige bevolkingsroepen zijn baby's, kinderen, kwetsbare ouderen en mensen met een slechtere gezondheid. Als we kijken naar mogelijke hittemaatregelen in steden, maken we onderscheid tussen twee doelen. Ambitie Waddinxveen omgevingsvisie: In 2050 heeft Waddinxveen een groen centrum waar mensen graag verblijven en wat zorgt voor koelte op warme dagen. In woonwijken wordt meer verkoelend groen toegepast. Bebouwd gebied en industriegebieden in Waddinxveen zijn door vergroening minder hittegevoelig. De openbare ruimte biedt voldoende schaduw, onder meer door het aanplanten en beschermen van (hoge) bomen (mits er voldoende boven en ondergrondse ruimte is). Naast schaduw zorgt ook de aanwezigheid van water voor verkoeling.

Inwoners van Waddinxveen moeten in tijden van hitte idealiter binnen loopafstand verkoeling kunnen vinden. De planten en materialen die de gemeente in de openbare ruimte gebruikt, zijn, waar mogelijk, hittebestendig. Inwoners en bedrijven richten hun terrein, waar mogelijk, groen in. Als gemeente werken we samen met onze partners om hier in de juiste voorlichting te voorzien.

Toelichting risico analyse Stedelijk hitte-eilandeffect: Het eerste doel, het verlagen van de luchttemperatuur op stadsschaal, houdt verband met de energiebalans van de stad (Figuur A.4). De luchttemperatuur op stadsschaal kan inzichtelijk worden gemaakt met het stedelijk hitte-eilandeffect. Vooral in de avond en ‘s nachts zorgt het hitte-eilandeffect ervoor dat de luchttemperatuur in de stad een paar graden warmer is dan de omgeving (Steeneveld et al., 2011; Brandsma en Wolters, 2012). Het effect neemt toe als gevolg van stadsuitbreiding en -inbreiding. De warmte gaat in gebouwen zitten en inwoners kunnen moeilijk afkoeling vinden. Met name ’s avonds en ’s nachts treden grote verschillen op, met als gevolg risico voor nachtelijke hittestress tijdens warme nachten. Extra gevoelige bevolkingsroepen zijn baby's, kinderen, kwetsbare ouderen en mensen met een slechtere gezondheid. Deze vorm van hittestress is preventief aan te pakken middels goede ruimtelijke ordening: de inrichting van woonwijken en ruimte voor groen/blauwe maatregelen.

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

11

Vertrouwelijk

Figuur A.4. Hitte-eilandeffect: bebouwde gebieden zijn warmer dan hun omgeving

Gevoelstemperatuur

Het tweede doel, het verlagen van de gevoelstemperatuur op lokale schaal, houdt verband met de energiebalans van het menselijk lichaam. Met name overdag kan de gevoelstemperatuur op bepaalde locaties in de stad onaangenaam hoog worden. Dat komt vooral doordat daar geen schaduw van bomen is of doordat bepaalde materialen veel warmte uitstralen, zoals asfalt en baksteen en de reflectie van zonnestraling door ramen en glazen gevels of zeer lichtgekleurde oppervlakken. Verschillen in de gevoelstemperatuur tussen verschillende plekken in de stad kunnen hierdoor oplopen tot 22°C (Klok et al., 2019).

A.2.4.1Stedelijk hitte-eilandeffect De kaarten in Figuur A.5 en Figuur A.6 tonen het huidige stedelijk hitte-eilandeffect in ºC, ook wel urban heat island (UHI) genoemd. In Waddinxveen is er op dit moment in meerdere buurten sprake van een lichte toename van gezondheidsrisico’s. In 2050 zal naar verwachting het stedelijke hitte-eilandeffect verder oplopen door stadsuitbreiding en inbreiding. Zonder groen/blauwe maatregelen zal naar verwachting in het bebouwd gebied het aantal warme nachten toenemen van gemiddeld 7 naar 14 - 20 warme nachten per jaar. Hittestress Label

UHI

Toelichting gezondheidsrisico’s

A.

0 - 0,5 °C

B.

0,5 - 0,9 °C

C.

0,9 - 1,9 °C

Lichte toename van risico door bebouwde omgeving, acceptabel tot 25 dagen per jaar.

D.

1,9 - 2,8 °C

Risicovol voor kwetsbare doelgroepen (extra risico door bebouwde omgeving, vergelijkbaar met informatiedrempel ozon).

E.

> 2,8 °C

Risicovol voor iedereen (extra risico door bebouwde omgeving, vergelijkbaar met smogalarm).

29 november 2022

geen merkbare risico’s door bebouwde omgeving

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

12

Vertrouwelijk

Figuur A.5. Klimaatlabelkaart hitte: Stedelijk hitte-eilandeffect per buurt (huidige situatie).

Figuur A.6. Klimaatlabelkaart hitte: Stedelijk hitte-eilandeffect detailkaart (huidige situatie).

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

13

Vertrouwelijk

A.2.2.1

Gevoelstemperatuur

Op sommige plekken in Waddinxveen kan de gevoelstemperatuur hoog oplopen. De kaarten tonen de lokale gevoelstemperatuur in ºC voor het tijdvak 12:00-18:00 lokale tijd op een hete zomerdag bij een veranderd klimaat (2050) (Figuur A.7 en Figuur A.8). Een hoge gevoelstemperatuur kan gezondheidsklachten veroorzaken. Naar verwachting zal, zonder het nemen van klimaatadaptieve maatregelen, de gevoelstemperatuur in 2050 in bijna alle buurten worden ervaren als zeer heet. Label A.

Gevoelstemperatuur (PET) < 29°C

Wordt ervaren als…. Beetje warm

B.

29 - 35°C Warm

C.

35 - 41°C Heet

D.

41 - 46°C Zeer heet

E.

> 46°C Extreem heet

Figuur A.7. Klimaatlabelkaart hitte: Gevoelstemperatuur per buurt (KNMI scenario 2050).

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

14

Vertrouwelijk

Figuur A.8. Klimaatlabelkaart hitte: Gevoelstemperatuur detailkaart (KNMI Scenario 2050).

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

15

Vertrouwelijk

A.2.2.2

Aandachtslocaties: Hittestress en kwetsbaren

Ouderen zijn extra kwetsbaar voor hittestress. Op de kaart (Figuur A.9) is het percentage 65+ers per buurt weergegeven (bron: Klimaateffectatlas). Aandachtsgebieden waar zowel sprake is van verhoogde temperaturen als gebied waar veel 65+ers wonen zijn: Peter Zuidlaan en Horstenbuurt, Groenswaard en Oranjewijk Zuid.

Figuur A.9. Klimaatlabelkaart hitte: Stedelijk hitte-eilandeffect en % ouderen (huidige situatie).

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

16

Vertrouwelijk

A.2.2.3

Leefbaarheid en afstand tot koelte

Door het inrichten van koele plekken in de stad kunnen inwoners koelte opzoeken tijdens warme dagen (Figuur A.10). Koele plekken helpen zowel het tegengaan van het hitte-eilandeffect en zorgt dat er lokaal plekken zijn met een aangenamere gevoelstemperatuur. Dat is niet alleen prettig, maar ook beter voor de gezondheid. Een richtlijn die vaak wordt gehanteerd is dat er voor elk huishouden binnen 300 meter loopafstand (~5 minuten lopen) een aangename en aantrekkelijke koele plek (van minstens 200 m2) aanwezig zou moeten zijn. Deze richtlijn komt uit het onderzoeksrapport De hittebestendige stad. Bij een loopafstand van meer dan 300 meter worden koele plekken minder goed bereikbaar voor inwoners. Vooral voor kwetsbare mensen wordt het dan moeilijker om de koele plekken op te zoeken. Label

Afstand tot koelte

A.

Koele plek

B.

0 tot 300 meter

C.

300-400 meter

D.

400-500 meter

E.

Meer dan 500 meter

Figuur A.10. Klimaatlabelkaart hitte: afstand tot koelte (huidige situatie).

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

17

Vertrouwelijk

A.2.2 Droogte en bodemdaling De risico’s voor bodemdaling en droogte zijn hieronder beschreven:

Risico’s bodemdaling

Bodemdaling heeft in Waddinxveen twee oorzaken: 1; Door een lager waterpeil komt het bovenste veenpakket droog te staan en gaat oxideren. Dit zorgt voor bodemdaling en CO2-uitstoot. 2; De veenbodem werkt als een spons, zodra er gewicht op komt zakt het in elkaar, dit heet zetting. Bodemdaling kan leiden tot verzakking (van wegen, gebouwen en schade aan ondergrondse infrastructuur (kabels, leidingen)). Extra risicovolle objecten zijn panden die niet onderheid zijn. In de buurten: Zuid, Centrum, Vondelwijk, en Noordkade is er in de toekomst groot risico van sterke bodemdaling en zijn veel panden gebouwd voor 1970. Deze panden lopen extra risico omdat er toen niet of met houten palen werd onderheid. Hierbij kunnen deze houten palen ook gaan rotten wanneer het grondwaterpeil zakt. Daarnaast kunnen gebieden waar bodemdaling optreedt in de toekomst extra kwetsbaar worden voor wateroverlast. Ook kan door de dalende bodem kan (grond)wateroverlast ontstaan in tuinen, kruipruimtes en kelders, op wegen en op landbouwpercelen. Dit leidt tot problemen als natte voeten, vochtige woningen, gezondheidsproblemen en onbegaanbare landbouwpercelen.

Risico’s droogte

Ongeveer 25% van de oppervlakte van Waddinxveen is veengebied, vooral ten oosten van de Gouwe. Uitdroging van de bodem kan leiden tot veenoxidatie. Bij dit proces komt mogelijk (veel) CO2 vrij. Door droogte kan er een tekort ontstaan aan oppervlakte- en grondwater, hierdoor mogen bijvoorbeeld agrariërs geen oppervlakte- of grondwater meer gebruiken. De waterkering van de Gouwe is mogelijk kwetsbaar voor droogte doordat deze op veen is gefundeerd. Er zijn wel in de nieuwe damwand van de Gouwe inlaten gemaakt met drainage (infiltratie) om de kade nat te houden. Op hout gefundeerde panden zijn mogelijk kwetsbaar bij (extra) daling van de grondwaterstanden wat kan leiden tot paalrot. Er is op dit moment beperkte informatie hoeveel en welke woningen zijn gebouwd op houten paalfundering. Om deze risico’s en impact in kaart te brengen is nadere informatie nodig van funderingstype per woning. Ambities gemeente Waddinxveen: Het grondwaterpeil wordt voldoende hooggehouden waardoor bodemdaling zo veel mogelijk wordt tegengaan en houten funderingen tegen droogvallen worden beschermd. De gemeente werkt hierin samen met de hoogheemraadschappen. Zowel in de kern van Waddinxveen als in het akkerbouwgebied wordt, waar mogelijk, hemelwater gebufferd: dit hemelwater is een bron om verdroging tegen te gaan. De voorkeursvolgorde is het benutten, bergen en als laatste afvoeren van hemelwater.

Inwoners verharden zo min mogelijk hun tuin en zijn bekend met slimme bufferen infiltratiemethoden. Omdat er bij een calamiteit voldoende bluswater voorhanden dient te zijn, worden bij ruimtelijke ontwikkelingen in overleg met de brandweer de bluswatervoorzieningen van het plangebied beoordeeld.

A.2.3.1

Bodemdaling

De risico’s van bodemdaling zijn in kaart gebracht op basis van de bodemdalingkaart 2020 – 2050 (Deltares, WenR, TNO, 2021). Hoe sterk de bodem in de toekomst daalt, hangt af van hoe sterk het klimaat opwarmt, er meer droogte ontstaat én van het peilbeleid (op welke hoogte wordt het grondwaterpeil gehouden). De kaart (Figuur A.11) toont de bodemdaling bij peilindexatie en sterke klimaatverandering (voor een korte toelichting over peilindexatie zie kader: “Wat is peilindexatie?”) De kaart toont dat er mogelijk sterke bodemdaling optreedt in Waddinxveen. Met name de veengebieden en het overgangsgebied tussen het veen en poldervaaggronden is gevoelig voor bodemdaling.

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

18

Vertrouwelijk

Label

Bodemdaling (2020 – 2050)

A.

< 10 cm

B.

10 – 25 cm

C.

25 – 50 cm

D.

50 – 75 cm

E.

> 75 cm

Figuur A.11. Klimaatlabelkaart bodemdaling: bodemdaling bij KNMI scenario 2050.

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

19

Vertrouwelijk

Wat is peilindexatie? Peilindexatie is het waterpeil van sloten en andere watergangen met de bodemdaling mee laten zakken, zodat vernatting van de bodem wordt voorkomen. Maar peilindexatie zorgt er ook voor dat de bodem blijft dalen. Peilindexatie gebeurt vooral in het veengebied, waar de noodzaak vaak groter is. Dat komt doordat veenafbraak ervoor zorgt dat de bodem blijft dalen. Bovendien zal de afbraaksnelheid van veen door de opwarming van het klimaat versnellen. Hogere bodemtemperaturen zorgen namelijk voor een snellere omzetting van organische stof. Daarnaast neemt de kans op verlaagde grondwaterstanden toe. Beide factoren dragen bij aan een snellere bodemdaling. Om de invloed van klimaatopwarming op de bodemdalingssnelheid inzichtelijk te maken, is in dit scenario het peilindexatiebeleid gecombineerd met het klimaatscenario WH 2050 (sterke opwarming).

Risico’s voor Waddinxveen

Bodemdaling kan leiden tot verzakking van wegen. Ook zijn met name niet onderheide panden kwetsbaar voor zettingschade door bodemdaling. In principe geldt dat hoe sterker de bodemdaling is, hoe groter de kans is op schade. Voor gemeente Waddinxveen is geen kaart beschikbaar met funderingstype per woning. Daarom is voor het beoordelen van de risico’s gekeken naar woningen die voor 1970 zijn gebouwd. Deze woningen zijn vaak niet onderheid of onderheid met houten palen (met of zonder betonnen opleggers). De kaart (zie Figuur A.12) laat zien dat in de buurten: Zuid, Centrum, Vondelwijk, en Noordkade veel panden zijn gebouwd voor 1970 én er mogelijk sprake is van sterke bodemdaling. Ook is het CKAF (centrum kennis funderingsproblematiek) geraadpleegd (zie Figuur A.13) om inzicht te krijgen het percentage van gebouwen dat voor 1970 gebouwd is.

Figuur A.12. Klimaatlabelkaart bodemdaling en zettingsgevoelige panden (panden gebouwd voor 1970). 29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

20

Vertrouwelijk

Figuur A.13. Percentage BAG panden gebouwd voor 1970 (KCAF 3).

3

KCAF (Kennis Centrum Aanpak Funderingsproblematiek) website: https://www.kcaf.nl/funderingsviewer/

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

21

Vertrouwelijk

A.2.3.2

Grondwaterdaling

Door langdurige droogte kan de grondwaterstand dalen. Voor het beoordelen van de risico’s is gekeken naar het droogte scenario en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) in 2050 (Figuur A.14). Label

Grondwaterdaling (GLG)

A.

Nauwelijks verandering < 0,1 m

B.

Lichte daling 0,1-0,25 m

C.

0,25 – 0,5 m

D.

0,5-0,75 m

E.

>0,75 m

Figuur A.14. Klimaatlabelkaart droogte: Grondwaterdaling (GLG) bij KNMI scenario 2050.

A.2.3 Wateroverlast Hevige neerslag over een korte periode kan lokaal zorgen voor wateroverlast. Dit type wateroverlast komt het meest voor bij wolkbreuken in de zomer. Een groot deel van de Nederlandse straten en pleinen kunnen bij hevige buien onder water komen te staan. Neerslagextremen hebben in de stad vaak grote gevolgen: ondergelopen tunnels, kelders, straten en huizen. In het algemeen geldt dat laaggelegen verharde delen in het bijzonder gevoelig zijn voor wateroverlast.

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

22

Vertrouwelijk

Risico’s van wateroverlast • • • •

• •

Mogelijk risico op wateroverlast aan panden. Kans op paalrot bij houten onderheide gebouwen. Bedrijventerrein Doelwijk is gevoelig voor wateroverlast. Toename van gezondheidsklachten als gevolg van vervuild water op straat. Extra gevoelig zijn buurten met gemengde riolering waarbij regenwater gemengd met niet-gezuiverd water via overstort en het riool omhoog komt. Risico dat spoortunnels onderlopen en onbegaanbaar zijn. Er is kans op zoute kwel waardoor er een tekort is aan zoet (grond)water voor de landbouw.

Ambities gemeente Waddinxveen uit omgevingsvisie: De openbare ruimte van Waddinxveen biedt, waar mogelijk, ruimte voor waterberging en groen. Bij herinrichting en nieuwbouw wordt hier bewust rekening mee gehouden bij het inrichten van de openbare ruimte. De gemeente accepteert dat groenstroken vaker en bij zeer extreme regenbuien (T>100) (buurt)wegen kortdurend onder water staan. Belangrijke doorgaande routes in Waddinxveen zijn ook bij hevige neerslag begaanbaar voor hulpdiensten. Er staan in Waddinxveen geen nieuwe kwetsbare objecten, zoals verdeelstations voor gas of elektriciteit, op locaties die bij hevige neerslag onderlopen. Particulieren zijn verantwoordelijk voor het hemelwater dat op eigen terrein valt. Inwoners en ondernemers in Waddinxveen weten in de toekomst dat wateroverlast op eigen perceel hun verantwoordelijkheid is. Ook weten ze welke maatregelen ze zouden kunnen treffen om water vast te houden en te infiltreren. De gemeente pakt haar rol in het informeren en aanjagen hiervan.

Toelichting methodiek

Voor de risicoanalyse is gebruik gemaakt van bestaande waterdieptekaarten uit de klimaateffectatlas (Figuur A.15). Deze kaart toont de maximale waterdiepte bij een extreme bui (70 mm neerslag in 2 uur). Deze bui komt in het huidige klimaat in Nederland gemiddeld eens per 100 jaar voor. Wel moet worden opgemerkt dat in deze kaarten het effect van berging in de riolering, het afkoppelen en het bergen in de watergangen nog onvoldoende is meegenomen. Daarnaast bemalen de waterschappen vaak voor waardoor de berging in de watergangen toeneemt. Dit betekent dat de huidige waterdieptekaarten mogelijk een vertekend beeld geven. Het is bekend dat in de buurten Zuidplas 90 en Triangel het hemelwater al geheel is afgekoppeld, en is gemeente Waddinxveen bezig met het afkoppelen van het hemelwater in Zuidplas 80. Ook In buurt West 2, is reeds een hemelwaterafvoerriool aanwezig en staan de panden langs watergangen waar ze zelf hun terrein afwatering naar toe leggen. Naar verwachting is het risico voor waterschade bij een extreme bui kleiner dan op de huidige kaarten wordt getoond.

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

23

Vertrouwelijk

Figuur A.15. Waterdieptekaart bij een hevige bui (70 mm in 2uur).

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

24

Vertrouwelijk

A.2.4.2 Water op straat en risico voor kwetsbare gebouwen Waterschade bij extreme buien kan hoog oplopen als water de panden binnen stroomt. Deze kans neemt sterk toe als er meer dan 10 cm water tegen de panden staat. De kaart toont het percentage wegdelen waar meer dan 10 cm water tegen de panden staat bij een extreme bui (70 mm neerslag in 2 uur) (Figuur A.17). Deze bui komt in het huidige klimaat gemiddeld eens per 100 jaar voor. Extra kwetsbare buurt is Noordkade en het bedrijventerrein Doelwijk. Kanttekening is dat bij deze berekening de berging in de riolering, het afkoppelen en de berging in de watergangen niet is meegenomen. Hierdoor kan het zijn dat de resultaten die hier worden getoond negatiever zijn dan dat ze in werkelijk zijn. In het buitengebied zijn geen trottoirbanden aanwezig, het water van de weg stroomt hier gelijk de watergangen in waardoor er niet snel water bij de panden kan komen. Label

Water tegen pand

A.

Bij geen van de panden in de buurt

B.

Bij 0 - 10% van de panden in de buurt

C.

Bij 10 - 20% van de panden in de buurt

D.

Bij 20 - 30% van de panden in de buurt

E.

Bij meer dan 30% van de panden in de buurt

Figuur A.16. Klimaatlabelkaart wateroverlast: Kwetsbare gebouwen bij een hevige bui (70 mm/2u).

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

25

Vertrouwelijk

A.2.4.3 Water op straat Voor het bepalen van een streefwaarde is gekeken naar het percentage wegen per buurt met meer dan 15 cm water op straat (Figuur A.16). Het laat zien dat de buurt Groenswaard 2 zeer gevoelig is voor wateroverlast bij een extreme bui (label E). Daarnaast hebben de wegen in Zuidplas 80 en Zuidplas 90, Triangel, bedrijventerrein Mercurius, Groenswaard 1 en Peter Zuidlaan een hoog risico voor wateroverlast (label D). Bij meer dan 15 cm water op straat worden wegen onbegaanbaar voor auto’s. Bij meer dan 30 cm water op straat zijn wegen onbegaanbaar voor calamiteitendiensten. Als wegen onbegaanbaar zijn door water op straat komt hulp mogelijk te laat. Dit heeft invloed op zorg die niet tijdig kan worden geleverd met mogelijk gevolg voor kwaliteit van leven, afname van gezonde levensjaren en toename van dodelijke slachtoffers. Ook neemt het risico op gezondheidsproblemen toe door vervuild water op straat. Label

Water op straat (meer dan 15 cm)

A.

Bij geen van de straten

B.

Bij maximaal 0 - 10% van de straten

C.

Bij maximaal 10 - 20% van de straten

D.

Bij maximaal 20 - 30% van de straten

E.

Bij meer dan 30% van de straten

Figuur A.17. Klimaatlabelkaart wateroverlast: % wegen per buurt met water op straat bij hevige bui (70 mm/2u).

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

26

Vertrouwelijk

A.2.4 Groenbeleid voor klimaatadaptatie Vergroenen is één van de maatregelen om gemeente Waddinxveen klimaatadaptiever in te richten. Groen/blauwe combinaties bieden kansen om zowel water te infiltreren en hittestress tegen te gaan. In deze analyse is daarom ook gekeken naar het groenbeleid. In het groenbeleid van Waddinxveen is de ambitie uitgesproken dat “Waddinxveen de groene uitstraling van Waddinxveen wil behouden en het openbaar groen waar nodig versterken. Hoogwaardig groen waar het moet, standaard en robuust waar het past, natuurvriendelijk en ecologisch waar het kan.” 4 Daarnaast is in het collegeprogramma (2023 – 2026) opgenomen dat Waddinxveen streeft naar 48 m2 openbaar groen per inwoner. Dit betekent voor de huidige situatie een toename van 3 m2 per inwoner. Ook zal het openbaar groen mee moeten groeien met de groei van Waddinxveen. Een gemiddelde toename van 7 % openbaar groen waarbij de gemeente de ambitie heeft dat de perken, plantsoenen en parken door de inwoners gewaardeerd worden met een 7 of hoger. Voor een klimaatbestendig Waddinxveen geldt zowel dat het vergroenen van de openbare ruimte als het vergroenen van de niet openbare ruimte bijdraagt aan een klimaatadaptieve inrichting. Daarom is er bij dit thema gekeken naar zowel het % groen per buurt in de openbare en niet-openbare ruimte.

• In buurten waar veel verharding is in de niet-openbare ruimte liggen er kansen om gericht met inwoners aan de slag te gaan om tuinen te vergroenen (Operatie Steenbreek). • In buurten waar er juist veel verharding is in de openbare ruimte, liggen er juist kansen om bij gebiedsontwikkelingen extra groen te realiseren bij gebiedsontwikkelingen passende bij de vergroeningsopgave.

4

Het ‘Groenstructuur en Groenbeleid Waddinxveen’ augustus 2019 te zien via: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2019196191.html#extrainformatie 29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

27

Vertrouwelijk

% groen per buurt gecombineerd

Deze kaart toont het % groen per buurt (openbaar en niet openbaar). Vooral in regio Zuid-West ligt er een vergroeningsopgave (Figuur A.20). Label

% groen per buurt

A.

> 40% van de buurt

B.

Tussen 30 – 40% van de buurt

C.

Tussen 20 - 30% van de buurt

D.

Tussen 10 - 20% van de buurt

E.

Minder dan 10% van de buurt

Figuur A.18. Klimaatlabelkaart groen: Percentage groen per buurt (huidige situatie).

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

28

Vertrouwelijk

% groen in openbare ruimte

Waddinxveen is een ‘groene gemeente’, de ambitie voor groen komt zoals beschreven ook teug in gemeentelijk beleid. Er is voor gekozen om het percentage voor label A zo te stellen dat verbetering in meerdere wijken mogelijk en wenselijk is (meerdere wijken zijn niet label A). Er is een duidelijke vergroeningsopgave openbare ruimte in de buurten: Zuidplas 80 en 90, Groenswaard 1 en 2, Zuid, Oostpolderwijk, zeeheldenbuurt (Figuur A.21). Label

% groen per buurt in openbare ruimte

A.

> 40% van de buurt

B.

Tussen 30 – 40% van de buurt

C.

Tussen 20 - 30% van de buurt

D.

Tussen 10 - 20% van de buurt

E.

Minder dan 10% van de buurt

Figuur A.19. Percentage groen in openbare ruimte (huidige situatie).

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

29

Vertrouwelijk

% groen in niet openbare ruimte

De 13.000 tuinen in Waddinxveen zijn gemiddeld voor zo’n 65% verhard. Ongeveer 40% van de tuinen is voor meer dan 80% verhard. Ook zouden gevels (groene gevels) en daken vergroend kunnen worden door intensieve of extensieve groene daken aan te leggen. Met name in de buurten Triangel, Coenecoop, Bedrijventerrein Mercuriusweg, en Noordkade is het percentage groen in niet openbaar gebied relatief laag (Figuur A.22). Label

% groen per buurt in niet openbare ruimte

A.

> 40% van de buurt

B.

Tussen 30 – 40% van de buurt

C.

Tussen 20 - 30% van de buurt

D.

Tussen 10 - 20% van de buurt

E.

Minder dan 10% van de buurt

Figuur A.20. Percentage groen in niet-openbare ruimte (huidige situatie).

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

30

Vertrouwelijk

A.2.5 Waterveiligheid Waddinxveen ligt onder de zeespiegel. Ook stromen de rivieren dicht langs de gemeente en is de invloed van de zee niet ver weg. Door klimaatverandering krijgen we te maken met hogere waterstanden. Waddinxveen is een laaggelegen gemeente die bij een overstroming van de omliggende dijken veel waterveiligheidsproblemen zal hebben.

Risico’s •

• • • •

Kwetsbare infrastructuur dreigt uit te vallen en routes voor hulpdiensten en evacuatie kunnen gestremd raken. De A12 tunnel is mogelijk niet bruikbaar voor evacuaties door grote waterdieptes bij overstromingen. Na een overstroming gaat er de nodige hersteltijd overheen voordat alles weer in werking is. In het winkelcentrum zijn elektriciteitsvoorzieningen in kelders met risico op uitval. Risico op het vrijkomen van milieubelastende stoffen bijvoorbeeld bij het tankstation maar ook op andere locaties Panden tegen de kanaaldijk zij.n mogelijk kwetsbaar voor overstromingen.

Ambitie gemeente Waddinxveen uit omgevingsvisie 2050: De gemeente houdt zich niet bezig met het verhogen of verstevigen van de dijken. Bij nieuwe ontwikkelingen en herinrichting wordt rekening gehouden met overstromingsrisico’s, kwetsbare functies en evacuatieroutes. De gemeente werkt hierin samen met de veiligheidsregio. De inwoners van Waddinxveen zijn zich bewust van het overstromingsrisico. De gemeente informeert, samen met haar partners, inwoners over de mogelijke gevolgen van een overstroming en opties om verticaal te evacueren.

A.2.5.1 Overstromingsrisico Voor de risicoanalyse is gebruik gemaakt van de overstromingsrisico kaart van het Landelijk Informatiesysteem Water en Overstromingen (LIWO 5) (Figuur A.18). Op één locatie zijn vaak verschillende overstromingsrisico mogelijk. In deze kaart zijn vier typen overstromingen (voor beschermde en onbeschermde gebieden gelegen langs het primair en regionale watersysteem) gecombineerd. De kaart bestaat dus uit samengestelde individuele overstromingsscenario's uit het landelijke database overstromingen (LDO). De kaart geeft mogelijke overstromingen weer die in werkelijkheid niet allemaal tegelijkertijd zullen optreden. De kaart toont de maximale overstromingsdieptes voor deze verschillenden overstromingstype bij een kleine kans (1 keer in de 1000 jaar), middelgrote kans (1 keer per 100 jaar) en grote kans (1 keer per 10 jaar). Voor verdere risicoanalyse is gewerkt met de risicokaart kleine kans, dus 1 keer per 1000 jaar (Figuur A.19).

5

Het Landelijk Informatiesysteem Water en Overstromingen (LIWO) is een product van het Watermanagementcentrum Nederland (WMCN) https://basisinformatie-overstromingen.nl/#/maps

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

31

Vertrouwelijk

Figuur A.21. Waterdieptekaarten bij kleine, middelgrote en grote kans op overstroming.

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

32

Vertrouwelijk

Label

Waterdiepte

Risico’s

A.

<0.1 m

Beperkte risico’s

B.

<0.5 m

Kans waterschade door water in panden

C.

0.5 -2 m

Vitaal en kwestbare functies lopen verhoogd risico op uitval.

D.

2–5m

Risicio hoog: Vraagt om (verticale) evacuatie mogelijkheden

E.

>5 m

Risico zeer hoog. Vraagt om (verticale) evacuatie mogelijkheden

Figuur A.22. Klimaatlabelkaart waterveiligheid: Waterdiepte bij kleine kans overstroming.

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

33

Vertrouwelijk

B.

Biodiversiteit

B1.

Inleiding

Hoewel biodiversiteit wetenschappelijk gezien op concrete wijzen kan worden beschreven, gemeten en berekend, is het begrip in de praktijk vaak een diffuus onderwerp. Het sec meten van biodiversiteit vraagt namelijk om specifieke meetgegeven en -methoden die er vaak niet zijn, en het wetenschappelijk in beeld brengen van de biodiversiteit vindt vaak niet op het niveau plaats dat bruikbaar en toepasbaar is voor de praktijk van beheer, onderhoud en (her)inrichting. In deze studie kijken we dan ook naar de biodiversiteit volgens een methodiek die nadrukkelijk wel aansluit bij de realiteit van de gemeente en die inhoudelijk goed onderbouwd is. Het vertrekpunt voor onze aanpak is het besef dat biodiversiteit zelf een kwetsbare graadmeter is, en dat aanwezigheid van a) de juiste omgevingskenmerken en b) de gewenste kwaliteit van deze omgevingskenmerken essentieel is om de aanwezigheid van de gewenste biodiversiteit mogelijk te maken. De koppeling tussen de omgevingskenmerken, de kwaliteit van deze kenmerken en de gewenste biodiversiteit is dan ook het fundament van de hieronder beschreven werkstappen. Hoewel in deze studie wel wordt gekeken naar de waarnemingen van soorten, leggen we de nadruk op wat soorten nodig hebben voor geschikt leefgebied, in plaats van op de aanwezigheid van de soorten zelf.

Wanneer, geredeneerd vanuit de gewenste soorten, goed in beeld is welke inrichting vereist is, kan van de huidige inrichting (maar ook van ontwikkelingen en plannen) in beeld worden gebracht wat de impact is op de biodiversiteit. Dit doen we zowel in kwantiteit (hoeveel potentieel geschikt leefgebied is er) als in kwaliteit (hoe geschikt is dit potentieel geschikt leefgebied precies). Centraal in deze aanpak staat de zogenaamde biomatrix, waarin we voor een set geselecteerde doelsoorten (soorten die kenmerkend zijn voor het gebied, minder algemeen, regionaal relevant en/of een paraplufunctie hebben voor veel andere soorten) bepalen wat de vereiste habitats en omgevingskenmerken zijn. Deze habitats en omgevingskenmerken brengen we voor de gemeente in beeld, en daarmee ontstaat inzicht in de waarde van Waddinxveen voor biodiversiteit.

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

34

Vertrouwelijk

B2.

Materiaal en methoden

De biodiversiteit is in kaart gebracht op basis van vier stappen. Ten eerste worden alle beschikbare waarnemingen onder de loep genomen en op verschillende manieren geanalyseerd. Dit geeft een ruimtelijk inzicht in waar welke soorten zijn waargenomen en hoe groot de waargenomen biodiversiteit is. Ten tweede worden doelsoorten geselecteerd, waarvoor in meer detail wordt gekeken naar de habitatvereisten en hun voorkomen in het gebied. Ten derde worden de aanwezige habitats en omgevingskenmerken 6 beschreven en ruimtelijk in beeld gebracht in de gemeente, zodat duidelijk is van alle voor de doelsoorten benodigde habitats waar en hoeveel ervan aanwezig is. Tot slot wordt op basis van dit ruimtelijk inzicht een kwaliteitsbeoordeling gegeven, die duidelijk aangeeft waar de hotspots zich bevinden en waar kansen liggen voor verbetering. Hieronder wordt in meer detail ingegaan op de werkwijze per onderdeel.

B2.1. Verwerken soortwaarnemingen De belangrijkste bron voor soortwaarnemingen betreft de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Deze gegevens zijn aangeleverd als .csv-bestanden en vervolgens verwerkt met behulp van programmeertaal R.

B2.1.1 Selectie data De gebruikte basis van alle waarnemingen bestaat de volgende onderdelen: Locatie: een x- en een y-coördinaat die de locatie, dan wel (in het geval van een vlakopname) het middelpunt van het locatievlak weergeven. Locatietype: waarnemingen bestaan in punten, vlakken, transecten etc. Een vlak kan een vlak zijn vanwege een vlakdekkende opname, vanwege een onzekerheidsmarge of vanwege bewuste abstrahering van details om de exacte locatie te beschermen. We kiezen ervoor om alleen te werken met locatietype ‘punt’ en ‘coördinaat’, zodat we zeker weten dat de locatie klopt. Datum: we gebruiken de startdatum (vrijwel altijd betreft een waarneming een enkel moment en geen langdurige opname), en halen hieruit het jaartal op. De analyses worden verwerkt op jaartalniveau (om seizoenseffecten van soortdynamiek en waarnemersactiviteit te beperken) Soort: in beginsel is de wetenschappelijke naam gebruikt omdat een aantal soorten (met name insecten) geen onderscheidende Nederlandse naam heeft. In geval van de doelsoorten is echter met Nederlandse naamgeving gewerkt. Het uitgangspunt is dat de aangeleverde naamgeving correct is, er is géén controle gedaan op naamgeving.

Aantalswaarde: er is géén gebruik gemaakt van de parameter aantalswaarde (in sommige gevallen, zoals bij vogeltellingen worden per waarneming meerdere individuen genoteerd), omdat niet wordt gekeken naar de aantallen individuen van een soort, maar alleen naar het aantal unieke soorten Protocol en data-eigenaar: De invoerprotocollen en data-eigenaren zijn allemaal meegenomen. Uit de NDFF-uitdraai blijkt 90% afkomstig uit waarneming.nl, in de meeste gevallen zijn dit particuliere waarnemingen. Hoewel de kennis en kunde van de betreffende waarnemer van een lager niveau kan zijn dan van een professionele waarnemer, kent Waarneming.nl een goed systeem van admins die alle invoer controleren, zeker wanneer het bijzondere waarnemingen betreft. Om te voorkomen dat het merendeel van de waarnemingen wegvalt maken we dus géén onderscheid op basis van protocol en data-eigenaar.

6

In de tekst wordt vanaf hier de term habitats gebruikt, waarmee zowel de leefgebieden worden bedoeld als omgevingskenmerken die bepalend zijn voor de kwaliteit van het leefgebied, zoals bijvoorbeeld lichtverstoring voor vleermuizen.

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

35

Vertrouwelijk

B2.1.2 Aggregatieniveau Het aantal waarnemingen in de NDFF is in de afgelopen vijf jaar sterk toegenomen, hoofdzakelijk als gevolg van apps en platforms die het voor particulieren makkelijker maken om soorten te determineren en waarnemingen in te voeren. De gehele gebruikte NDFF-uitdraai (periode 2012-2022, uitsluitend puntbestanden en volledig binnen de gemeentegrenzen) laat dan ook een sterke toename in waarnemingen én aantal unieke soorten zien door de tijd (Figuur B.1).

Figuur B.1. Totaal aantal unieke soorten per jaar (links) en het aantal unieke soorten uitgezet tegen het aantal waarnemingen per jaar (rechts).

Vanwege dit waarnemerseffect heeft het weinig zin om per jaar te kijken naar de aantallen, omdat deze geen representatief beeld geven van de werkelijke situatie. Om deze reden is ervoor gekozen om de periode 2017:2022 te bundelen en hiervan de aantallen in beeld te brengen (dus niet per jaar, maar als gehele periode). In de analyse wordt tevens een ruimtelijke aggregatie toegepast op basis van de buurten, zoals vastgelegd in de CBR buurten-shape (geraadpleegd op 2-07-2022 via PDOK). Deze buurtenindeling is tevens gebruikt voor de klimaatadaptatie-analyse, maar voor de biodiversiteit wordt een clustering van buurten uitgevoerd, omdat de schaalgrootte anders té klein is. Onderstaande kaart geeft de ruimtelijke aggregatie op basis van buurtclusters weer (Figuur B.2).

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

36

Vertrouwelijk

Figuur B.2. Overzichtskaart van de buurtclusters.

B2.2. Analyse habitat en omgevingskenmerken De analyse van het habitat en omgevingskenmerken is uitgevoerd in drie stappen, te weten kwantiteit, kwaliteit en oordeel. Het onderdeel kwantiteit kijkt nadrukkelijk alleen naar beschikbare kaartinformatie, en volgt zoveel mogelijk een vaste werkwijze, zodat deze stap transparant en herhaalbaar is. Er worden in deze stap oppervlaktes en lengtes berekend, met als doel te kwantificeren hoeveel ergens van aanwezig is. Het detailniveau van dit onderdeel wordt bepaald door het detailniveau van de beschikbare kaartlagen, waarbij aanvullend veldwerk is gebruikt om de algemene bestanden van meer detail te voorzien. Het onderdeel kwaliteit is een belangrijke nuancering van het onderdeel kwantiteit. Hierin wordt gekeken naar de kwaliteit van het bepaalde oppervlak van een habitat. Deze stap is een interpretatieslag op basis van ecologische kennis en kenmerkende waarden per soort, om te bepalen in welke mate het habitat geschikt is. Dit is tevens de vertaling van het beschikbare kaartmateriaal naar de realiteit, het kaartmateriaal is immers niet gedetailleerd genoeg om zelfstandig een goede weergave van geschikt habitat te bieden. De interpretatie is aangevuld aan de hand van veldwerk. De werkwijze en het detail zal per soort verschillen en is daarmee variabeler dan het onderdeel kwantiteit.

Uit dit onderdeel kan tevens naar voren komen waar nog sprake is van kennisleemtes of het ontbreken van gegevens. In dat geval wordt deze omissie expliciet sprake genoemd. Het onderdeel oordeel is de integratie van de onderdelen kwantiteit en kwaliteit. Het doel is om per soort te komen tot een oppervlak daadwerkelijk geschikt leefgebied. Hierbij speelt het oppervlak en de kwaliteit een belangrijke rol, maar ook andere factoren, zoals de mate van verstoring van buiten het habitat en de bereikbaarheid van het habitat. Het eindproduct van deze fase, voordat wordt gekeken naar potentie en maateregelen, is een tabel met per wijk, per soort, per habitat een oordeel, voorzien van onderbouwing.

29 november 2022

BI7210-RHD-XX-XX-RP-EO-0001

37

Vertrouwelijk

B2.2.1 Kwantiteit In deze analyse wordt gebruik gemaakt van de kaartlaag Landgebruik Nederland 2021 (LGN_2021), die specifiek voor dit project is ingekocht bij de data-eigenaar Wageningen Universiteit (WUR). De LGN_2021 bevat ruimtelijk beeld van het landgebruik, ingedeeld in categorieën die voor het doel van deze analyse bruikbaar zijn (er bestaan alternatieve kaartbestanden, maar hierin ontbreekt het gewenste detailniveau). Voor de analyse dient het landgebruik te worden ingedeeld, geclusterd en in een aantal gevallen handmatig te worden aangepast, om een benodigde weergave van de gemeente te geven. Hiertoe zijn de volgende handelingen verricht: 1. De LGN_2021 is omgezet van een rasterbestand naar een polygoonbestand. 2. De polygonen zijn door middel van een intersectie (functie in QGIS) opgesplitst zodat elk polygoon slechts in één buurtcluster valt (m.a.w. de polygonen die door buurtgrenzen heen liepen zijn op de grens geknipt in twee delen). 3. De categorieën landgebruik zijn op basis van een koppeltabel geclusterd tot een indeling die voor deze analyse relevant is. Zo zijn alle gewassen gegroepeerd tot één categorie, alle type bebouwing, alle type wegen en infrastructuur, alle typen struikvegetatie, etc. Deze tabel is te vinden in BIJLAGE III. 4.

Een aantal categorieën is handmatig toegevoegd en ingedeeld, te weten sportvelden (deze waren ‘gras’, maar zijn vanuit biodiversiteitsoogpunt niet functioneel, het bevat ook kunstgras en gravel) en water (hiervan is handmatig bepaald welke delen kwalificeren als ‘groot open water’, en als zodanig functioneel habitat kunnen vormen voor meervleermuis. Als richtlijn is hierbij aangehouden dat het water ten minste 35 á 40 meter breed moet zijn en 100 meter lang). 5. Een aantal categorieën is handmatig beoordeeld op geschiktheid te weten veenweide (het gras in het veenweidegebied is benoemd tot veenweide en als zodanig geschikt habitat geacht voor betreffende doelsoorten), stedelijk gebied en natuurvriendelijke oevers (hiervan is op basis van veldbezoek en een gebiedsanalyse beoordeeld welk stedelijk gebied en oevers kwalificeren als respectievelijk stedelijk met kleine groenstructuren en natuurvriendelijke oevers). Bij de beoordeling van de kwantiteit is bewust gekozen om geen concrete referentiewaarden te hanteren, omdat dit per definitie samenhangt met de concretisering van de ambitie uit het koersdocument.

Het is mogelijk om per soort te kijken naar vereisten van een territorium of verspreidingsafstanden, maar deze kunnen ook deels buiten de gemeente worden gevonden (in geval van grote territoria) of het is juist niet zinvol om naar de behoeften van slechts één individu te kijken (zoals weidehommel, die individueel weinig nodig heeft, terwijl de vraag zou moeten zijn: in hoeveel geschikt leefgebied kan/wil de gemeente voor de soort voorzien. De beoordeling van kwantiteit hangt bovendien nauw samen met a) de kwaliteit van dit habitat en b) de manier waarop het voorkomt (gefragmenteerd, geconcentreerd, in combinatie met andere habitats of niet, etc.). Daarom wordt geen los oordeel geveld over het onderdeel kwantiteit, maar wordt de kwantiteit samen met kwaliteit gebruikt om tot een integraal oordeel te komen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12705926/1