CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

5. Bestemmingsplan Wilhelminakade 83, toelichting en regels

Commissie Ruimte + Infrastructuur 24 mei 2023, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: Bestemmingsplan Wilhelminakade 8329.919 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

30

Toelichting

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

Figuur 8: Integrale visiekaart Waddinxveen 2050. Koers per deelgebied Op basis van de algemene koers, die voor de gemeente als geheel geldt, is per specifiek deelgebied een koers beschreven. Hierbij worden de gewenste gebiedskwaliteiten benoemd en zoveel mogelijk concrete ontwikkelingen. Waar relevant geeft de gemeente aan of kleinere locaties in dat deelgebied nog een afwijkende opgave hebben. De volgende deelgebieden worden onderscheiden: Woonwijken (Woonkern); Gouweplein centrum Waddinxveen en Sleutelkwartier (Woonkern); Bedrijventerreinen (Bedrijvigheid); Glastuinbouwgebieden (Bedrijvigheid) Polders Achterof en Zuidplas; Veenweidegebied: Polder Bloemendaal & de Voorofsche polder; Recreatiegebieden Bentwoud, Gouwebos en 't Weegje (Buitengebied). Recreatiegebieden Bentwoud, Gouwebos en 't Weegje (buitengebied) Het plangebied ligt aan de noordrand van recreatiegebied 't Weegje. 't Weegje is een half-besloten en waterrijk gebied met hoge ecologische waarden en horecagelegenheid het Praathuis bij de ingang. 't Weegje wordt beheerd door de Groenalliantie en is ook in eigendom van Groenalliantie. Toetsing planinitiatief In het plangebied heeft altijd een verffabriek gestaan. Dit bedrijf hoort niet meer thuis in de rand van het recreatiegebied. Daarbij komt dat het bedrijventerrein slecht is ontsloten.

Sanering van dit bedrijf wordt dan ook voorgestaan, omdat de gronden ernstig zijn verontreinigd. Om dit financieel/economisch mogelijk te maken is een herontwikkeling naar wonen nodig. Om de overgang tussen het stedelijk gebied en het recreatiegebied landschappelijk in te passen wordt een lage woondichtheid voorgestaan met een kleinschalig appartementengebouw en 9 vrijstaande woningen, waarbij een groene uitstraling langs de Wilhelminakade wordt voorgestaan. Het plangebied is op de kaart 'Recreatiegebieden Bentwoud, Gouwebos en 't Weegje (buitengebied)' aangeduid als potentiële woningbouwlocatie (figuur 9).

Toelichting

31

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

Figuur 9: Uitsnede Kaart 'Recreatiegebieden Bentwoud, Gouwebos en 't Weegje (buitengebied)' Conclusie De Omgevingsvisie Waddinxveen 2050 heeft een hoog abstractieniveau, waarin ontwikkelingen niet op perceelsniveau zijn beschreven. Het plangebied ligt in de dorpsrand aan de noorzijde van 't Weegje. Op de Visiekaart Waddinxveen 2050 is het plangebied aangeduid als potentiële woningbouwlocatie. De planontwikkeling is in overeenstemming met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie. 4.4.2 Woonvisie en woningbouwprogrammering De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 13 december 2017 de Woonvisie 2018-2022 vastgesteld. De woonvisie gaat in op de huisvesting van de huidige en toekomstige inwoners van Waddinxveen, de vraag en het aanbod en de bestaande en gewenste woningvoorraad. Het doel is om vraag en aanbod zoveel mogelijk bij elkaar te brengen, zodat iedereen die dat wil prettig kan wonen in Waddinxveen. De woonvisie is een kompas en toetssteen voor de gemeente bij de ontwikkeling van Waddinxveen, zowel voor nieuwbouw als voor de aanpassingen in de bestaande voorraad. De woonvisie bestaat uit een hoofddoelstelling en vier pijlers. De hoofddoelstelling is dat iedereen die dat wil op een prettige en geschikte manier in Waddinxveen moet kunnen wonen. De pijlers geven hier invulling aan. De eerste pijler is beschikbaarheid en betaalbaarheid.

Deze pijler gaat over passende huisvesting voor diverse doelgroepen. De tweede pijler gaat over wonen, zorg en welzijn. Een belangrijk thema is duurzaamheid, daarom gaat de derde pijler over dit thema. De vierde pijler ten slotte gaat over leefbaarheid. Het gaat hier zowel over de woningen zelf als over de woonomgeving. Naast de pijlers wordt er in de woonvisie ingegaan op het gewenste woningbouwprogramma voor Waddinxveen en de manier waarop de gemeente met 'partners in wonen' samenwerkt. De actiepunten uit de woonvisie zijn op een rij gezet en een bijlage bij de Woonvisie. Pijler 1: Beschikbaarheid en betaalbaarheid Passende huisvesting kan voor iedereen iets anders betekenen. Er moet variatie zijn in het woningaanbod, zodat ongeacht inkomen, leefstijl en huishoudenssamenstelling iedereen een geschikte woning kan vinden in Waddinxveen. De gemeente wil kwaliteit en diversiteit bieden, zowel qua woning als qua woonomgeving. Voor sommige doelgroepen zijn onvoldoende woningen beschikbaar. Om deze

32

Toelichting

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

doelgroepen te kunnen bedienen, zal de woningvoorraad aangepast moeten worden. Hierbij gaat het zowel om aanpassingen in de bestaande voorraad als om de toevoeging van nieuwbouwwoningen. Pijler 2: Wonen, zorg en welzijn Prettig wonen hangt voor een groot deel samen met contact hebben met anderen en verzorgd worden wanneer dat nodig is. Dit gebeurt steeds vaker in de eigen woning. Er moeten voldoende woningen beschikbaar zijn waarin dit kan, zowel in de bestaande voorraad als nieuw. Samenwerking met de samenleving en andere partners, zoals zorginstellingen, welzijnsorganisaties en scholen staat hierbij voorop. Pijler 3: Duurzaamheid Duurzaamheid is een belangrijk thema. Bij woonbeslissingen wordt duurzaamheid steeds vaker meegenomen door kopers/bewoners. Duurzaamheid speelt zowel een rol in de bestaande woningvoorraad als in de nieuwbouw. Door duurzaam te bouwen of woningen te verduurzamen, wordt bijgedragen aan energiebesparing in woningen. Duurzaamheid is echter meer dan energiebesparing. Het draagt ook bij aan voorkomen van uitputting van grondstoffen, een beter woon- en leefklimaat, een gezond binnenmilieu en gezondheid van bewoners. Pijler 4 Leefbaarheid Prettig wonen hangt voor een belangrijk deel samen met leefbaarheid. Iedereen moet zich prettig en veilig kunnen voelen in de eigen directe woonomgeving. In Waddinxveen is de leefbaarheid goed.

Doel is om dit zo te houden en op wijk- en buurtniveau in te zetten op de punten waar verbetering nodig is. Woningbouwprogramma Om aan de vraag te voldoen is het van belang inzicht te hebben in het gewenste programma voor Waddinxveen voor de komende jaren. Er is veel vraag naar woningen in de grote steden, maar ook in de gebieden langs de A12, waaronder Waddinxveen. Waddinxveen heeft veel ruimte om woningbouwplannen te realiseren. Naast de uitbreidingslocaties Park Triangel en ’t Suyt zet de gemeente in op binnenstedelijke herontwikkeling en transformatie van vastgoed. Het belangrijkste (transformatie)gebied voor de komende jaren is het gebied van Station tot Hefbrug. In dit gebied worden onder andere voormalige detailhandel en bedrijfsbestemmingen getransformeerd naar een gebied voor wonen en zorg gerelateerde voorzieningen. Deze locatie ligt binnen de invloedssfeer van station Waddinxveen. Op basis van de Woningbouwraming en de Bevolkingsprognose van de Provincie Zuid-Holland zou er in Waddinxveen ruimte zijn tussen 1622 en 2195 woningen in de periode van 2015 tot en met 2029 voor de eigen behoefte. Park Triangel heeft haar eigen vraag. Voor Park Triangel hanteert de gemeente als uitgangspunt dat 40% van Park Triangel gebouwd wordt voor de lokale en regionale behoefte en 60% voor de bovenregionale behoefte.

Deze bovenregionale behoefte komt voornamelijk voort uit de verhuisrelatie die Waddinxveen heeft met Rotterdam en Den Haag. In deze steden is een tekort aan met name grondgebonden woningen. Park Triangel vangt een deel van dit tekort op. Om te voldoen aan de vraag naar meer luxe woonmilieus, wordt als onderdeel van het woningbouwprogramma ook ingezet op duurdere koopwoningen. Toetsing planinitiatief Kwantitatieve vraag Deze planontwikkeling tot maximaal 25 woningen levert een bijdrage aan het voorzien in de behoefte aan voldoende woningen in de woonmilieus voor de doelgroepen doorstromers (gezinnen met kinderen) en senioren. De leefbaarheid van dit gebied wordt opgewaardeerd door appartementen en woningen te realiseren die qua uitstraling aansluiting zoeken bij de omgeving. Duurzaamheid wordt beschreven in paragraaf 4.4.4. Kwalitatieve vraag In de recentere regionale agenda wonen 2019 (RAW 2019) staan 10 opgaven geformuleerd. Onder opgave 9 op bladzijde 31 zijn de volgende punten terug te lezen: de prioriteit ligt vanuit zorgvuldig ruimtegebruik en veranderende vraag in de toekomst bij inbreiding en aanwas bij bestaande kernen (stroken grond tegen een kern aan). De kwalitatieve opgave vertalen we ook naar woningtypes. We spelen in op huishoudensverdunning en vergrijzing door in te zetten op het toevoegen van gelijkvloerse en kleinere woningen aan de woningvoorraad.

Toelichting

33

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

Gelet op de locatie en boogde doelgroepen (doorstromers en senioren) past deze verdichting met de opgave geformuleerd in de RAW 2019. Conclusie Het woningbouwprogramma van maximaal 25 woningen is in overeenstemming met de vastgestelde uitgangspunten in de Woonvisie. Deze ontwikkeling levert een bijdrage aan het meerjarenprogramma woningbouw om voldoende woningen te realiseren voor de doelgroepen doorstromers en senioren. Bij uitwerking van de bouwplannen wordt rekening gehouden met de ambitie om duurzame woningen te realiseren (zie ook 4.4.4). 4.4.3 Mobiliteitsplan 2013-2020 De gemeenteraad heeft op 26 juni 2013 het Mobiliteitsplan Waddinxveen 2013-2020 vastgesteld. Het mobiliteitsplan vervangt de verkeersvisie Waddinxveen uit 2006 en de second opinion uit 2007. In het mobiliteitsplan staan ambities: een optimaal bereikbaar Waddinxveen, verkeersveiligheid voor alle verkeersdeelnemers, stimuleren van het fietsgebruik en het optimaal benutten van het openbaar vervoer. Het doel van het mobiliteitsplan is om deze vier ambities te realiseren. Hiervoor is een routeboek opgesteld. Dit routeboek bestaat uit beleidskaders die gebruikt worden bij diverse (integrale) ontwikkelingen en maatregelen waarmee de grootste knelpunten aangepakt kunnen worden. Het mobiliteitsplan is een sectorale uitwerking van de in oktober 2012 vastgestelde “Structuurvisie Waddinxveen 2030”.

In het mobiliteitsplan staan geen detailuitwerkingen. Hiervoor worden, waar relevant, aparte plannen gemaakt. Nieuwe ontwikkelingen worden getoetst aan acht beleidskaders om de ambities te realiseren. Zowel de beleidskaders als de maatregelen om de knelpunten te reduceren hebben als doel om de mobiliteitsambities te realiseren. De beleidskaders worden gebruikt in het integrale afwegingskader bij nieuwe ontwikkelingen. Conclusie De herontwikkeling van Bedrijf naar Wonen brengt een verlichting van de verkeersgeneratie met zich mee, omdat de bereikbaarheid via de Wilhelminakade niet geschikt is voor (zwaar) vrachtverkeer. De woningen zijn verkeerskundig een verbetering. Het plangebied wordt via Wilhelminakade in noordelijke richting ontsloten op gebiedsontsluitingswegen (waaronder N454). Vanaf deze weg is het centrum van Waddinxveen en het rijkswegennet uitstekend bereikbaar. Deze ontwikkeling is niet strijdig met de uitgangspunten van het Mobiliteitsplan. 4.4.4 Duurzaamheid De gemeenteraad heeft op 13 december 2017 de Woonvisie vastgesteld. Het doel van deze Woonvisie is richting te geven aan het beleid rondom wonen en de woningmarkt in Waddinxveen. Deze richting bestaat uit een hoofddoelstelling en vier pijlers die hier vorm aan geven. Pijler 3 heeft betrekking op duurzaamheid. Duurzaamheid is een belangrijk thema.

Bij woonbeslissingen wordt duurzaamheid steeds vaker meegenomen door kopers/bewoners. Duurzaamheid speelt zowel een rol in de bestaande woningvoorraad als in de nieuwbouw. Door duurzaam te bouwen of woningen te verduurzamen, wordt bijgedragen aan energiebesparing in woningen. Duurzaamheid is echter meer dan energiebesparing. Het draagt ook bij aan voorkomen van uitputting van grondstoffen, een beter woon- en leefklimaat, een gezond binnenmilieu en gezondheid van bewoners. In de duurzaamheidsvisie is een tweetal ambities op het gebied van duurzaamheid en wonen opgenomen. Het gaat om het stimuleren van duurzame nieuwbouw en verduurzaming van de bestaande voorraad. Duurzaam bouwen heeft ook een positieve weerslag op de leefbaarheid van de woningen en de woonomgeving en op de betaalbaarheid, woonlasten worden lager. Klimaatadaptie/ risico's van klimaatverandering Het klimaat in Nederland verandert. Het KNMI verwacht hogere temperaturen, nattere winters, hevigere regenbuien en kans op drogere zomers. Dit heeft gevolgen voor de stedelijke omgeving, bijvoorbeeld door meer wateroverlast, grondwaterproblemen en hittestress. Landelijk zijn deze problemen geadresseerd in de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie. Overheden kunnen hierbij gebruik maken van het stappenplan “weten, willen en werken” om het proces naar een klimaatbestendige inrichting vorm te kunnen geven.

34

Toelichting

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

De gevolgen van de risico's van klimaatverandering zijn beoordeeld voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte. Hierbij is gebruik gemaakt van de klimaateffectatlas van Zuid-Holland. Wateroverlast door overvloedige neerslag In het plangebied is er op de Kaart Wateroverlast geen knelpunt voor wateroverlast. Bij de nieuwbouw is het zaak het vloerpeil zo te kiezen dat het water van het erf niet naar binnen loopt. Er wordt rondom de woningen groen aangelegd. Er zijn geen maatregelen nodig om wateroverlast tegen te gaan. Overstroming In het plangebied is er op de Kaart Overstromingsbeeld geen knelpunt voor overstroming. Er zijn geen maatregelen nodig om wateroverlast tegen te gaan. Hitte Hittestress is een term die aangeeft dat een sterk verhoogde gevoelstemperatuur optreedt, die onaangenaam en zelfs schadelijk kan zijn voor mens en dier. De aanwezigheid van veel verhard oppervlak verhoogt de gevoelstemperatuur en daarmee de hittestress, terwijl de aanwezigheid van schaduw en groen deze verlaagt. Het verhard oppervlak wordt verkleind ten gunste van groen. In het plangebied worden nieuwe bomen en beplanting geplant voor meer schaduwwerking. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig. Droogte In het plangebied is er geen sprake van extra bodemdaling door droogte.

Het appartementengebouw en de vrijstaande woningen dalen niet, omdat de palen van beton zijn. Er zijn uit dien hoofde geen beperkingen. Conclusie In de duurzaamheidsvisie is een tweetal ambities op het gebied van duurzaamheid en wonen opgenomen. Het gaat om het stimuleren van duurzame nieuwbouw en verduurzaming van de bestaande voorraad. Duurzaam bouwen heeft ook een positieve weerslag op de leefbaarheid van de woningen en de woonomgeving en op de betaalbaarheid, woonlasten worden lager. De woningen worden duurzaam gebouwd overeenkomstig de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Zo worden de woningen zonder gasaansluiting gerealiseerd en wordt er gedacht aan het plaatsen van zonnepanelen op het appartementengebouw en op daken van de vrijstaande woningen, alsmede het plaatsen van bodemwarmtepompen. De isolatie-eisen zijn conform eisen van het Bouwbesluit. Bij uitwerking van de plannen wordt rekening gehouden met de door de gemeente gehanteerde beleidsuitgangspunten op het gebied van Duurzaam Bouwen en klimaatadaptief bouwen.

Toelichting

35

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

36

Toelichting

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

Hoofdstuk 5 5.1

Water

Inleiding

Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.

5.2

Beleidskader rijk, provincie en gemeente

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's. 5.2.1 Rijk Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid en is, voor wat betreft de ruimtelijke aspecten, een structuurvisie zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. In de Waterwet is vastgelegd dat het Rijk dit plan eens in de zes jaar actualiseert. Het NWP2 geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot duurzaam waterbeheer. Het NWP2 richt zich op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. In het Nationaal Waterplan zijn de maatregelen benoemd die worden genomen om de verschillende doelen te bereiken.

In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust. Het waterbeleid zoals geformuleerd in het NWP2 werkt door op provinciaal en regionaal niveau, om zo te komen tot gebiedsgericht beleid. Via het provinciaal en gemeentelijk waterbeleid en het beleid van de waterschappen dient het rijksbeleid zoals geformuleerd in het NWP door te werken tot op bestemmingsplanniveau. De watertoets, die is geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening, blijft een belangrijk instrument om de waterbeheerder vroegtijdig bij ruimtelijke planprocessen te betrekken. Daarnaast is in het NWP2 aangegeven dat aandacht moet worden geschonken aan de planologische borging van beschermingszones van primaire waterkeringen, door deze vast te leggen in bestemmingsplannen. Eén en ander is op rijksniveau in het Barro vastgelegd. 5.2.2 Provincie Regionaal waterprogramma Zuid Holland 2022-2027 Provinciale Staten hebben op 9 maart 2022 het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid.

In dit programma staat wat de provincie doet om uitvoering te geven aan de Europese richtlijnen die betrekking hebben op water (verplichte onderdelen). Het gaat om de volgende richtlijnen: Kaderrichtlijn Water; Grondwaterrichtlijn; Drinkwaterrichtlijn; Richtlijn Overstromingsrisico’s; Zwemwaterrichtlijn. Naast deze verplichte onderdelen bevat het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 ook niet-verplichte onderwerpen, zoals zoetwatervoorziening, wateroverlast, vaarwegbeheer en

Toelichting

37

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

waterrecreatie. Hiermee laat provincie Zuid-Holland zien hoe ze samen met haar partners werkt aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. Het regionaal waterprogramma is zelfbindend. Dat betekent dat alleen Gedeputeerde Staten eraan gebonden zijn. Toch heeft het regionaal waterprogramma ook gevolgen voor andere overheden. Die zijn wettelijk verplicht rekening te houden met de verplichte onderdelen van het regionaal waterprogramma. De binding van andere overheden aan de niet-verplichte onderdelen is waar nodig geregeld via de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. 5.2.3 Gemeente Het gemeentelijke beleid is vastgelegd in het Waterplan Boskoop en Waddinxveen (februari 2010). Dit Waterplan is een gezamenlijk plan van de gemeenten Waddinxveen en Boskoop, het hoogheemraadschap van Rijnland en het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Deze partijen hebben het Waterplan opgesteld om knelpunten in het watersysteem aan te pakken en kansen op verbeteringen te benutten. Een opgave voor het Waterplan is te voorzien in de lokale implementatie van het nieuwe waterbeleid (Kaderrichtlijn Water, Nationaal Bestuursakkoord Water). Ook willen de gemeenten en de hoogheemraadschappen met het Waterplan zorgen voor een optimale, gezamenlijke aanpak van de wateropgaven.

De verwachting is dat hierdoor kostenefficiënter kan worden gewerkt. Het waterplan focust op de maatregelen in het bebouwde gebied. Het waterplan heeft tot doel een integrale visie op te stellen over alle aspecten van het water (met uitzondering van drinkwater en zwembaden) en het implementeren van duurzaam waterbeleid in het bebouwd gebied van beide gemeenten. Het waterplan resulteert uiteindelijk in een maatregelenpakket om te komen tot: een veilig en robuust watersysteem; het voorkomen van wateroverlast en watertekort; een goede waterkwaliteit en een ecologisch gezond watersysteem; het benutten van mogelijkheden voor beleving en recreatie; het optimaliseren van beheer en onderhoud; het optimaliseren van communicatie binnen en tussen partijen.

5.3

Beleid hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard

Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2022-2027, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, algemene regels bij de Keur, peilbesluiten, leggers en andere documenten (zie www.hhsk.nl/diensten/publicaties). In deze documenten heeft HHSK de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard vastgelegd. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Op 26 januari 2022 heeft het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft het hoogheemraadschap haar visie en ambities voor het waterbeheer voor de komende jaren. Naast de wettelijke taken heeft het hoogheemraadschap voor de periode 2022-2027 ook specifieke ambities en doelen. Deze worden in aan de hand van de volgende drie thema's uiteengezet: 1. Een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat. Door de omgeving aan te passen aan het veranderende klimaat blijft het mogelijk om de taken in de toekomst goed uit te voeren. Het vasthouden van regenwater kan helpen verdroging te bestrijden, de waterkwaliteit te verbeteren en wateroverlast te voorkomen.

Waar nodig zullen ook dijken versterkt moeten worden. 2. Een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen. Het hoogheemraadschap wil de eigen bijdrage aan klimaatverandering verkleinen en het hergebruik van grondstoffen vergroten. In samenwerking met andere partijen wil het hoogheemraadschap ook een bijdrage leveren aan de verbetering van de waterkwaliteit en de vergroting van de biodiversiteit. 3. Water en waterschap als onderdeel van de samenleving. Het hoogheemraadschap staat in dienst van de gebruikers en wil vanuit die verbondenheid samen aan de wateruitdagingen werken. Tevens

38

Toelichting

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

wil zij graag het waterbewustzijn vergroten en het versterken van participatie. Digitalisering en innovatie speelt daarbij een steeds belangrijkere rol. Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 De Verenigde Vergadering van het hoogheemraadschap heeft op 27 juni 2012 het Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 vastgesteld. Dit beleid heeft tot doel om ongewenste effecten van verhardingstoename op het watersysteem te voorkomen. Een belangrijk ongewenst effect van verhardingstoenamen is de versnelde afvoer van neerslag. Voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorwaarden beschreven om de te verwachten effecten op het watersysteem te compenseren. Toetsingscriteria Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen plannen: kleine, middelgrote en grote ruimtelijke ontwikkelingen. Onderstaand is per type toegelicht hoe HHSK omgaat met de typen ruimtelijke ontwikkelingen: 1. Kleine plannen: Plannen met een verhardingstoename tot 500 m². 2. Middelgrote plannen: Plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m² en kleiner dan 10 hectare bruto planoppervlak. 3. Grote plannen: Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak Kleine plannen Voor kleine ruimtelijke ontwikkelingen met een verhardingstoename is geen compensatie noodzakelijk. Kleine plannen hebben een gering effect op de waterhuishouding.

Daarnaast bestaat er een zekere onzekerheid in berekening door de invoergegevens, berekeningsmethode en gevolgen van de klimaatsverandering. Door rekening te houden met de onzekerheid en om onevenredige belasting van de organisatie door dergelijke plannen te voorkomen, wordt compensatie voor een geringe verhardingstoename kwijtgescholden. Deze kwijtschelding, namelijk de aftrek van 500 m² verhardingstoename, geldt in verband met gelijkheid voor alle ruimtelijke ontwikkelingen binnen het beheergebied van HHSK.

5.4

Waterhuishouding

Beschrijving watersysteem Het plangebied ligt in een kleine polder met een eigen peilbesluit en een lager waterpeil (-3,4 m NAP) dan de omgeving. De grondwaterstand fluctueert tussen 1-1,5 m onder maaiveld (Gemiddeld Laagste Grondwaterstand) tot minder dan 0,2 m onder maaiveld (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand). Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt niet in de kern- en beschermingszones van een bestaande waterkering. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied. Waterhuishoudkundige situatie Het projectgebied maakt onderdeel uit van de Polder Zuidplas. De aangrenzende sloten in het plangebied betreffen overige watergangen. Een uitsnede van de legger is opgenomen in figuur 10. In het plangebied vindt binnen de beschermingszones geen bebouwing plaats. Er is geen beperking voor het plangebied.

Toelichting

39

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

Figuur 10: Uitsnede Legger oppervlaktewatersysteem. Plangebied blauw omlijnd. Beschrijving waterkwantiteit Het perceel is groot 1,86 ha. In de bestaande situatie is het perceel verhard met bedrijfsbebouwing en buitenverharding. Voor het overige is het gebied met groen aangekleed. In de nieuwe situatie wordt de bedrijfsbebouwing gesloopt om plaats te maken voor een appartementengebouw en negen woonkavels met een ontsluiting. Er wordt extra water gegraven ten oosten van de Wilhelminakade, zodat de woningbouwlocatie landschappelijk wordt ingepast. Per saldo is er sprake is van een afname van verhard oppervlak van (8.910 - 1.664 m² =) 5.034 m². Op grond van de richtlijnen van het hoogheemraadschap is het realiseren van watercompensatie niet nodig. Overigens wordt extra watercompensatie gegraven om het plangebied landschappelijk in te passen. Voor het graven van extra watercompensatie zal tijdig een watervergunning worden aangevraagd.

40

Toelichting

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

Tabel 5.1: Waterbalans plangebied.

Watersysteemkwaliteit en ecologie Voor de nieuwe bebouwing zal gebruik worden gemaakt van niet-uitloogbare bouwmaterialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen) om diffuse verontreiniging van water en bodem te voorkomen. Indien desondanks gebruik wordt gemaakt van uitloogbare materialen, dienen deze te worden voorzien van een coating om uitloging tegen te gaan. Afvalwaterketen en riolering Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-)filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Het hemelwater van de nieuwe bebouwing zal op het oppervlaktewater worden geloosd. Voor vergunningplichtige activiteiten zal tijdig een Waterwetvergunning worden aangevraagd bij het hoogheemraadschap. 5.4.1 Wateradvies De Watertoets is via www.dewatertoets.nl op 3 mei 2021 (dossiercode 20210503-40-26339) uitgevoerd. Op basis hiervan is geconcludeerd dat er een waterstaatkundig belang is. In verband hiermede wordt het voorontwerpbestemmingsplan om advies voorgelegd aan het hoogheemraadschap. De resultaten worden verwerkt, nadat het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro is afgerond.

5.4.2 Conclusie Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen bestaan er geen bezwaren tegen de in dit bestemmingsplan opgenomen planontwikkeling, nadat het hoogheemraadschap een watervergunning heeft verleend op de door initiatiefnemer in te dienen aanvraag. Op basis hiervan kan het Hoogheemraadschap een positief advies uitbrengen omtrent het plan.

Toelichting

41

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

42

Toelichting

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

Hoofdstuk 6

Milieu en omgevingsaspecten

De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsaspecten die een rol spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen dit plan. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht.

6.1

Milieu

De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van milieu van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn M.E.R., Milieuzonering, Geluid, Bodem, Luchtkwaliteit en Externe veiligheid. 6.1.1 M.E.R. Wettelijk kader In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Omdat dit project wordt genoemd in de D-lijst (categorie D 11.2, stedelijk ontwikkelingsproject), maar de omvang onder de drempelwaarde van 2.000 woningen ligt, kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling, die onderdeel moet zijn van de toelichting van dit bestemmingsplan. Onderzoek/ beoordeling Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994.

In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Plan/besluit Dit bestemmingsplan voorziet in het oprichten van maximaal 21 woningen. De planontwikkeling zit qua omvang ruim onder de grens voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Op basis van de kenmerken genoemd in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particulier projecten' dient te worden gemotiveerd waarom geen MER noodzakelijk is voor de beoogde ontwikkeling. Het plan is getoetst aan de volgende kenmerken. Kenmerken van het project Sprake is van een geringe omvang van het plangebied, terwijl er geen cumulatie is met andere projecten. Evenmin is het gebruik van natuurlijke hulpbronnen aan de orde. Voorts is er geen sprake van productie van afvalstoffen en verontreiniging. Hinder wordt ondervangen door voldoende afstand te houden van nabijgelegen milieubelastende activiteiten (in paragraaf 6.1.2 wordt hierop nader ingegaan). Risico van ongevallen speelt eveneens niet bij de voorgestelde planontwikkeling. Plaats van het project Het plangebied is weliswaar van archeologisch belang, maar deze waarden worden niet geschaad. Dit aspect is beschreven in paragraaf 6.2.

De op te richten woningen liggen buiten de invloedssfeer van verderop gelegen Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied, 'Broekvelden Vettenbroek & Polder Stein', bevindt zich op een afstand van circa 5,5 km ten oosten van het plangebied. Het Natura2000 gebied 'Nieuwkoopse Plassen en de Haeck' ligt op een afstand van circa 10,5 kilometer. De nieuwe woningen liggen niet binnen de invloedssfeer van deze Natura 2000-gebieden voor wat betreft stikstofdepositie. Dit onderdeel is beschreven in paragraaf 6.3. Kenmerken van het potentiële effect Het project heeft in samenhang met de hiervoor genoemde criteria geen aanzienlijke effecten op de bevolking. Evenmin is er sprake van een grensoverschrijdend karakter. De complexiteit is gering gelet

Toelichting

43

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

op de omvang van het plangebied. Conclusie Op basis van bovenstaande korte toelichting in relatie tot vormvrije M.e.r.-beoordeling kan worden geconcludeerd dat de beoogde planontwikkeling geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu tot gevolg zal hebben. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit is opgenomen in Bijlage 3. 6.1.2 Milieuzonering Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding.

Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Onderzoek/ beoordeling Het plangebied maakt een woningbouwontwikkeling mogelijk met 21 woningen nabij woningen en een recreatiegebied. De locatie kan daarom worden aangemerkt als een rustig woongebied. De richtafstanden uit de VNG-publicatie voor de omgevingstypen bij verschillende hindercategorieën zijn in tabel 6.1 vermeld. Tabel 6.1: Richtafstanden en omgevingstype. Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m Met behulp van het inrichtingenbestand is geïnventariseerd welke activiteiten relevant kunnen zijn voor de geplande woningen. Voor het bepalen van de milieuzones is uitgegaan van de afstandnormen op basis van de VNG-richtlijn. Ten westen van het plangebied aan de Kanaaldijk zijn bedrijven toegestaan tot en met milieucategorie 3.2 met een richtafstand van 100 m. De afstand tussen de woningen en het bedrijventerrein is meer dan 125 m. Bovendien staan hiertussen al woningen die maatgevend zijn voor de aldaar gevestigde bedrijven.

Er zijn geen beperkingen zijn voor het plangebied. Verder zijn aan de overzijde van de Gouwe op het bedrijventerrein Goudse Poort bedrijven toegestaan tot en met milieucategorie 3.2 met eveneens een richtafstand van 100 m. De afstand tussen de woningen en het bedrijventerrein is meer dan 150 m, zodat er geen beperkingen zijn voor het plangebied. Conclusie Uit de inventarisatie is gebleken dat er geen relevante milieubelastende activiteiten in de nabijheid van het plangebied zijn gevestigd. Andersom geredeneerd is voor de woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de beoogde activiteiten binnen het plangebied milieuhygiënische knelpunten naar de omgeving zullen opleveren. Vanuit milieuzonering

44

Toelichting

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

bestaan er geen bezwaren tegen dit bestemmingsplan. 6.1.3

Geluid

6.1.3.1 Wegverkeerslawaai Wettelijk kader Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij deze binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. Deze wegen hebben een zone. Dit is een aandachtsgebied waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden, voor zover sprake is van gevoelige functies. De grootte van de zones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Buitenstedelijk is het gebied dat buiten de bebouwde kom is gelegen en het gebied binnen de bebouwde kom voor zover liggend langs een autosnelweg. Het overige gebied is binnenstedelijk. Onderzoek/ beoordeling De relevante wegen in de directe omgeving van het plangebied zijn de Nieuwe Gouwe O.Z. met een zonebreedte van 200 m, N207 (80 km/uur) met een zonebreedte van 250 m en rijksweg A12 met een zonebreedte van 600 m. De overige wegen binnen een zone van 200 m zijn zogenaamde 30 km/uur gebieden. In deze situatie is sprake van bestaande wegen en nieuwe woningen. De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe woningen bedraagt (inclusief aftrek) 48 (dB) Lden met een maximale ontheffingswaarde van 63 (dB) Lden voor de Nieuwe Gouwe O.Z./ N207 en 53 (dB) voor de A12.

Indien de berekende belasting de genoemde waarde overschrijdt, dient in eerste instantie onderzocht te worden of maatregelen mogelijk zijn die de geluidsbelasting verlagen tot de voorkeursgrenswaarde of minder. In verband met het vorenstaande is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Caubergh Huygen B.V. te Rotterdam (rapport van 5 oktober 2021, referentie 07650-54591-03, Bijlage 4). Uit de berekeningen blijkt ten gevolge van de verschillende gezoneerde wegen een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 (dB) Lden aanwezig is. Rijksweg A12: 53 dB na aftrek Nieuwe Gouwe O.Z.: 49 dB na aftrek N207: 51 dB na aftrek De maximale ontheffingswaarden worden niet overschreden. Beleidsregel Hogere waarden, Regio Midden-Holland De Wet geluidhinder geeft 'voorkeursgrenswaarden' aan. Wanneer uit akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting op de te bouwen woningen of andere geluidsgevoelige objecten hoger is dan deze voorkeursgrenswaarde, moeten maatregelen worden onderzocht. Als eerste moeten maatregelen 'bij de bron' worden onderzocht, bijvoorbeeld stil wegdek bij verkeerslawaai; als tweede worden maatregelen in de 'overdracht' onderzocht, bijvoorbeeld een geluidscherm of een wal en daarna worden maatregelen bij de ontvanger onderzocht (bijvoorbeeld geluidisolatie aan een woning).

Met de maatregelen bij de bron en in de overdracht wordt ernaar gestreefd om te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde. Bron-/ overdrachtsmaatregelen om de geluidbelastingen te reduceren zijn gelet op het geringe aantal woningen waarbij sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde, redelijkerwijs niet mogelijk of stuiten op bezwaren van financiële, stedenbouwkundige, landschappelijke, verkeerskundige of vervoerskundige aard. Bij een hogere waarde van meer dan 53 dB voor wegverkeerslawaai dienen conform de Beleidsregel Hogere waarden, Regio Midden Holland woningen gerealiseerd te worden met een geluidsluwe gevel en buitenruimte. Dit betekent dat bij alle woningen een geluidluwe gevel en tenminste één buitenruimte gelegen aan de geluidsluwe gevel gerealiseerd moeten worden. Een grondgebonden woning hoeft alleen een geluidsluwe gevel te hebben op de verdieping waar de buitenruimte aan grenst. Als een tuin op de begane grond geluidsluw ligt hoeft de geluidsbelasting op de verdieping niet aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Een geluidsluwe gevel is een gevel waarbij de geluidbelasting afkomstig van wegverkeerslawaai gesommeerd voor de bronnen niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Toetsing aan hogere waarden beleid De maximale geluidbelasting is 53 dB op de gevels van de appartementen en vrijstaande woningen. Er

Toelichting

45

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

zijn geen aanvullende eisen nodig voor het aanvragen van hogere waarden. Alle vrijstaande woningen hebben overigens wel een geluidluwe zijde. Datzelfde geldt voor de appartementen die niet aan de noord- of westgevel van het appartementengebouw zijn gesitueerd. Voor de appartementen die aan de noord- of westgevel gesitueerd zijn kan een geluidluwe zijde worden gerealiseerd door bij voorbeeld (deels) een verglaasde loggia aan te brengen. Dit zal in een later ontwerpstadium worden uitgewerkt. Voor de woningen dient een verzoek om hogere waarde te worden aangevraagd in verband met het wegverkeerslawaai van de Nieuwe Gouwe O.Z., N207 en Rijkwsweg A12. Deze procedure zal gelijktijdig worden gestart met de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan. In het kader van het Bouwbesluit zal nog onderzoek worden uitgevoerd naar de geluidwering van de gevels van de woningen. Bij dit onderzoek wordt uitgegaan van de cumulatieve geluidsbelasting van alle wegen zonder aftrek op grond van artikel 110 Wet geluidhinder. Dit rapport zal ter goedkeuring worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel wegverkeerslawaai, bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling, die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.

Tegen het ontwerpbesluit hogere grenswaarde ten gevolge van het wegverkeerslawaai zijn gedurende de termijn van tervisielegging geen zienswijzen ingediend. Het besluit Hogere waarden Wet geluidhinder is opgenomen in Bijlage 5. 6.1.3.2 Spoorweglawaai Wettelijk kader De zonebreedte van spoorwegen zijn vastgesteld op basis van de GPP's (Geluid Productie Plafonds) uit het Geluidregister Spoor van 8 april 2016. Uit artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder valt de breedte van de zones van spoorweg af te leiden. Hieruit blijkt dat het plangebied gelegen is binnen de zone van een spoorweg Gouda - Utrecht. Spoorwegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van spoorwegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) en het Besluit geluidhinder verplichten ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs spoorwegen (art. 1 Wgh en art 1.3 Bgh). Tevens stelt de Wgh regels aan de maximale geluidsbelasting op deze bestemmingen. Voor deze bestemmingen zijn voorkeursgrenswaarden opgesteld. Bij realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen, dient de geluidsbelasting ten hoogste de voorkeursgrenswaarde te bedragen.

In tabel 6.2 is de voor dit onderzoek relevante voorkeursgrenswaarde en maximale grenswaarde weergegeven. Tabel 6.2: voorkeursgrenswaarden (vgw) spoorwegverkeerslawaai (art. 4.9 Bgh) Voorkeurswaarde (dB) Maximale grenswaarde (dB) Bestemming Woningen 55 68 Onderzoek/ beoordeling De nieuwbouwlocatie is gelegen binnen de zone van het spoorwegtraject Rotterdam/Den Haag - Utrecht. Daarom is de geluidsbelasting als gevolg van het spoorwegverkeerslawaai op het plangebied berekend (rapport van Cauberg Huygen B.V. te Rotterdam van 5 oktober 2021, Bijlage 4). Uit de resultaten blijkt dat de voorkeursgrenswaarde met maximaal 2 dB wordt overschreden. De geluidsbelasting bedraagt ten hoogste 57 dB. Er is een hogere waarden procedure vanuit de Wet geluidhinder nodig. Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel spoorweglawaai, bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling, die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. Tegen het ontwerpbesluit hogere grenswaarde ten gevolge van het spoorweglawaai zijn gedurende de termijn van tervisielegging geen zienswijzen ingediend. Het besluit Hogere waarden Wet geluidhinder is opgenomen in Bijlage 5.

46

Toelichting

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

6.1.3.3 Industrielawaai Wettelijk kader Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform art. 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (art. 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour voorkeursgrenswaarde) in het bestemmingsplan. Onderzoek/ beoordeling Bedrijven(terreinen) kunnen beperkingen opleggen aan nieuwe gevoelige functies, waaronder wonen, in verband met een geluidzone. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de richtafstanden uit de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (zie hiervoor paragraaf 6.1.2). Voor gezoneerde bedrijventerreinen geldt dat er binnen de geluidszone in beginsel geen woningbouw is toegestaan op grond van het bepaalde in de Wet geluidhinder. In de nabijheid van het plangebied liggen geen gezoneerde bedrijventerreinen. Dit betekent dat er voor de woningbouw sprake van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Het plangebied ligt niet in de zone van een gezoneerd industrieterrein.

Industrielawaai vormt daarmee geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. 6.1.4 Bodem Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft in oktober 2013 het lokaal beleid voor het uitvoeren van bodemonderzoeken in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geactualiseerd. Het nieuwe beleid is vastgelegd in de Nota 'Bodemkwaliteit bij bouwen' van oktober 2013. De beleidsregels hebben burgemeester en wethouders van Waddinxveen op 4 maart 2014 vastgesteld. De bodemkwaliteitskaart heeft de gemeenteraad op 14 december 2011 vastgesteld. Onderzoek/ beoordeling 6.1.4.1 Actualiserend bodemonderzoek In verband met deze planontwikkeling is er een actualiserend bodemonderzoek overeenkomstig NEN 5740 uitgevoerd door Bodex Milieu B.V.

te Middelbeers (rapport van 5 augustus 2021, kenmerk BM.0321121/VBO/jri.01, Bijlage 6). Op basis van het veld- en laboratoriumonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd (overgenomen uit rapport). Conclusies (noordoostelijk terreindeel) Grond (interventiewaarde contour) Ter plaatse van dit terreindeel zijn diverse bodemvreemde bijmengingen met puin, kolengruis en repac aangetoond. Binnen de interventiewaarde contour (B14, B15 en B16) zijn lichte verontreinigingen met kwik, molybdeen, zink, som PCB, lood, minerale olie, koper en cadmium aangetoond. Ter plaatse van boring B14 (1,7 - 1,8 m-mv) wordt een sterke verontreiniging met PAK aangetoond en in boring B16 (1,9 - 2,0 m-mv) wordt een sterke verontreiniging met lood aangetoond, waarmee de interventiewaarde contour groter lijkt dan is aangenomen in 2010. De 2 separate interventiewaarde contouren lijken in elkaar over te lopen, waardoor het totaal verontreinigd volume aan verontreinigd materiaal groter zal zijn. Grond (streefwaarde contour) Ter plaatse van dit terreindeel zijn diverse bodemvreemde bijmengingen met puin, kolengruis, slakken

Toelichting

47

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

en repac aangetoond. In de streefwaarde contour (B04, B05 en PB06) zijn lichte verontreinigingen met cadmium, kobalt, molybdeen, nikkel, koper, lood, zink, minerale olie, som PCB en PAK aangetoond. In de streefwaarde contour (B07 en B08) zijn lichte verontreinigingen met cadmium, lood, zink en/of koper aangetoond. Ter plaatse van boring B04 (0,3 - 0,8 m-mv) worden sterke verontreinigingen met koper, lood en zink aangetoond, waarmee de interventiewaarde contour van de bovengrond groter is dan in 2010 werd aangenomen. Grondwater Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat in het grondwatermonster uit peilbuizen 104 en 204 een lichte verontreiniging (overschrijding streefwaarde) met barium is aangetoond. In het grondwater uit peilbuis 43 zijn lichte verontreinigingen met naftaleen, som xylenen en een sterke verontreiniging met barium aangetoond. In het grondwater uit peilbuis PB06 zijn lichte verontreinigingen met barium, molybdeen, VOCL• fs, naftaleen, benzeen, ethylbenzeen en een sterke verontreiniging met minerale olie en som xylenen aangetoond. Deze verontreinigingen zijn vergelijkbaar met de resultaten van peilbuizen SL05 en SL06 uit het onderzoek van 2010. Conclusies (westelijk terreindeel) Grond (interventiewaarde contour) Ter plaatse van dit terreindeel is een repaclaag aangetoond.

In de interventiewaarde contour (B11, B12 en B13) zijn lichte verontreinigingen met cadmium, kobalt, kwik, molybdeen, minerale olie, som PCB, PAK en/of koper, lood, zink, nikkel aangetoond. Ter plaatse van boring B11 (1,0 - 1,5 m-mv) wordt een sterke verontreiniging met koper, nikkel, lood en zink aangetoond. Ter plaatse van dit terreindeel is in diverse boringen een sterke brandstofgeur aangetroffen. In de interventiewaarde contour (B17 en B20) zijn lichte verontreinigingen met cadmium, kobalt, kwik, molybdeen, nikkel, som PCB, PAK en/of minerale olie aangetoond. Ter plaatse van B17 (0,5 . 1,0 m-mv) en B20 (1,3 . 1,8 mmv) worden sterke verontreinigingen met koper, lood en zink aangetoond. In de interventiewaarde contour (B18) zijn lichte verontreinigingen met cadmium, kobalt, koper, nikkel, lood, som PCB, PAK en een sterke verontreiniging met zink aangetoond. In de interventiewaarde contour (B19 en B21) zijn lichte verontreinigingen met lood, zink, minerale olie, som PCB en/of cadmium en koper aangetoond. Ter plaatse van boring B07 (1,5 . 1,7 m-mv) is een steekbus genomen van de laag met een onbekende geur. Uit de analyseresultaten blijkt dat geen van de onderzochte parameters (VOCL en BETXN) in de steekbus zijn aangetroffen. Grond (streefwaarde contour) Ter plaatse van dit terreindeel zijn diverse bodemvreemde bijmengingen met puin, stenen en slakken aangetoond.

In de streefwaarde contour (B01) zijn lichte verontreinigingen met kobalt, koper, molybdeen, PAK en een sterke verontreiniging met nikkel aangetoond. In de streefwaarde contour (B03) zijn lichte verontreinigingen met cadmium, kobalt, koper, kwik, nikkel, lood, zink en som PCB aangetoond. In de streefwaarde contour (B09 en B10) zijn lichte verontreinigingen met lood, som PCB en/of koper en zink aangetoond. De op tekening aangegeven interventiewaarde contour van de grond lijken hier ook weer in elkaar over te lopen, waardoor het volume van verontreinigd materiaal groter zal zijn. Grondwater Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat in het grondwatermonster uit peilbuis PBX01 lichte verontreinigingen (overschrijding streefwaarde) met barium, kobalt, molybdeen, nikkel, dichlooretheen en een sterke verontreiniging met zink zijn aangetoond. Het grondwater uit peilbuis SL20 is licht verontreinigd met barium, minerale olie, trichloorethaan en naftaleen. Het grondwater uit peilbuis 32 is licht verontreinigd met barium, molybdeen, nikkel, zink en minerale olie. Het grondwater uit peilbuis 38 en 104 is licht verontreinigd met barium. Op basis van de analyseresultaten van het grondwater zijn (behoudens de sterke verontreiniging met zink in PBx01) er geen bijzonderheden waargenomen.

Wel wordt verwacht mede vanwege de uitgevoerde grondwater sanering dat de streefwaarde contour kleiner is dan eerst werd aangenomen. Aanbevelingen noordoostelijk terreindeel In het verkennend onderzoek (Lexmond, 1997) is destijds de interventiewaarde contour voor zware metalen, VOCL• fs, VAK• fs en minerale olie aangegeven. Na het verifiëren van het onderhavige onderzoek wordt enkel de interventiewaarde contour voor zware metalen (koper, zink en lood) en PAK boven de interventiewaarde aangetoond. Minerale olie wordt enkel licht verhoogde aangetoond in boring B04 en B14. De beide interventiewaarde contouren lopen in ieder geval in elkaar over, waardoor de verontreiniging groter zal zijn dan in eerste instantie was aangenomen. Ter plaatse van PB06 worden in

48

Toelichting

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

het grondwater xylenen en minerale olie boven de interventiewaarde, en in peilbuis 43 wordt barium boven de interventiewaarde aangetoond. Aanbevelingen westelijk terreindeel In het verkennend onderzoek (Lexmond, 1997) is destijds de interventiewaarde contour voor zware metalen, VOCL• fs, VAK• fs en minerale olie aangegeven. Na het verifiëren van het onderhavige onderzoek wordt enkel de interventiewaarde contour voor zware metalen (nikkel, koper, zink en lood) aangetoond. De interventiewaarde contouren lopen in ieder geval in elkaar over, waardoor de verontreiniging groter zal zijn dan in eerste instantie was aangenomen. Enkel ter plaatse van peilbuis PBx01 is een sterke verontreiniging met zink aangetoond. In de overige peilbuizen 32 en SL20 wordt een lichte verontreiniging met minerale olie aangetoond. Resumé Op onderhavige locatie zijn de interventiewaarde contouren van de grond groter dan eerder is aangegeven. Over de gehele locatie worden bijmengingen (repac, kolengruis, sintels en stenen) aangetroffen tot soms 1,9 m-mv diepte. Binnen de interventiewaarde contouren worden nagenoeg alleen zware metalen (koper, zink, lood en nikkel) en zeer plaatselijk PAK sterk verhoogd aangetoond. In het grondwater worden zware metalen (barium en zink) en zeer plaatselijk minerale olie en xylenen sterk verhoogd aangetoond.

Aangenomen wordt dat de streefwaarde contour van de grondwater verontreiniging veel kleiner is dan is aangegeven in het voorgaand onderzoek (Lexmond, 1997). 6.1.4.2 Aanvullend bodemonderzoek Als vervolg op het actualiserend onderzoek is na overleg met de Omgevingsdienst Midden-Holland een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd door Hoste Milieutechniek B.V. te Hazerswoude-Dorp in het kader van de voorgenomen herontwikkeling op de locatie (rapport van 29 juni 2022, kenmerk U22-0513, Bijlage 6). Op basis van het veld- en laboratoriumonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd (overgenomen uit rapport). Waarnemingen Tijdens het verrichten van de boringen is gebleken dat de bodemopbouw ter hoogte van de huidige bebouwing over het algemeen bestaat uit een zandige bovengrond onder de betonvloer en kruipruimte. In deze zandige bovengrond worden puin-, baksteen- en slakkenbijmengingen aangetroffen variërend in hoeveelheid en combinatie. Overwegend bevindt zich onder de zandige bovengrond een kleiige, zintuiglijk onverdachte ondergrond op circa 1,0 á 1,8 m-mv. Uitzonderingen hierop zijn de aangetroffen puinbijmengingen in de klei ter hoogte van de boringen 17, 18, 105 en de aangetroffen veenlaag in de ondergrond van de boringen 14 en 17.

Ter hoogte van de boringen 02, 03, 04 en 103 is tevens een volledig slakkenlaag aangetroffen in de bodemlaag van circa 0,50 - 1,00 met een gemiddelde dikte van 20 centimeter. In de boringen 06, 100, 101, 103 en 104 is in de bodemlaag rondom de grondwaterstand (overwegend vanaf ca 1,5 m-mv) een zwakke 'onbekende geur' aangetroffen. Ter hoogte van boring 109 is een zwakke oliegeur aangetroffen. Deze boring staat ter hoogte van een bekende verontreinigingscontour. Ter hoogte van het onderzochte buitenterrein is een tweedeling in bodemopbouw te zien. Ter hoogte van de voormalige bosschage bestaat de bodemopbouw uit een kleiige bovengrond, waarin sporadisch tevens baksteenbijmengingen zijn aangetroffen, met een venige onderlaag welke vanaf circa 0,5 m-mv aanwezig is. Dichter bij de bebouwing bestaat de bovengrond overwegend uit zandgrond, welke ter hoogte van de boringen 34, 35 en 38 puin-, baksteen- en slakkenbijmengingen bevat variërend van zwakke tot sterke hoeveelheid. Ter hoogte van de boringen 27, 28, 37 en 113 zijn deze bijmengingen in zulke mate aanwezig dat de toplaag als volledige puinlaag wordt beschreven. Bij de gegraven inspectiesleuven ter hoogte van de voormalige slootdemping wordt in de slootloop vanaf circa 0,5 m-mv een grijsblauwe compacte zandcement/slakkenlaag aangetroffen, variërend in dikte van 0,4 tot 1,25 meter.

Ter hoogte van Sleuf 1 (nabij de bebouwing) en Sleuf 5 (nabij de slootkant) wordt deze laag pas op 1,2 á 1,4 m-mv aangetroffen en bevindt zich hierboven zandgrond. In deze zandige bovengrond worden bij zowel sleuf 1 als sleuf 5 sporen slib aangetroffen rond de grondwaterstand. Op het achterterrein aan de zuidoost kant van de locatie is een klein gronddepot aanwezig waarop asbestverdacht plaatmateriaal is aangetroffen. Verder zijn tijdens de maaiveldinspectie op het maaiveld geen asbestverdachte materialen waargenomen. In de uitgeharkte en uitgezeefde fractie van de gegraven inspectiegaten zijn geen mogelijk asbesthoudende materialen aangetroffen. Algemeen

Toelichting

49

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

In algemene zin geldt dat indien de gemiddelde grondconcentratie van een verontreinigende parameter in 25 m³ grond en/of de gemiddelde grondwaterconcentratie van een verontreinigende parameter in 100 m³ bodem, de interventiewaarde van die parameter overschrijdt, er in het kader van de Wet bodembescherming sprake is van een "geval van ernstige bodemverontreiniging". Een 'ernstige bodemverontreiniging' dient in principe gesaneerd te worden. In bepaalde gevallen kan bij lagere concentraties en geringere omvang toch sprake zijn van een "ernstig geval". Voorafgaand aan een sanering dient de spoedeisendheid van sanering te worden bepaald. Deze wordt bepaald aan de hand van de eventueel aanwezige actuele risico's voor mens en ecosysteem en op basis van de risico's voor verspreiding. Indien voor één of meer van deze drie toetsingscriteria geldt dat er sprake is van een onacceptabel risico wordt sanering van de verontreiniging spoedeisend geacht. Bij herinrichting van een locatie (bijvoorbeeld bij nieuwbouw) kan ook sprake zijn van • 'planurgentie'. Daarnaast geldt dat 'nieuwe' verontreinigingen (ontstaan na 1 januari 1987), ongeacht de eventuele ernst en urgentie van deze verontreiniging, in het kader van de • 'zorgplicht' gesaneerd dienen te worden.

Het vermoeden van en/of de aanwezigheid van een ernstige'' of 'nieuwe' bodemverontreiniging dient te worden gemeld bij het bevoegde gezag. Interpretatie De gehele bovengrond op het onderzochte terrein die zintuiglijke bijmengingen bevat (puin/slakken/baksteen, variërend van zwak tot sterke hoeveelheid) is matig tot sterk verontreinigd met nikkel, zink, lood en/of koper. Deze bijmengingen worden nagenoeg overal op het terrein in de bovengrond aangetroffen. Een duidelijke uitzondering hierop betreft het voormalige bosschagegebied in de zuidoostelijke hoek van de locatie. De zintuiglijk schone boven- en ondergrond is overwegend maximaal licht verontreinigd. Aanvullend op bovengenoemde algemene beeld zijn enkele spots met individuele verontreinigingen aanwezig. Dit betreft: een aangetoonde verontreiniging met PCB's in de grond bij boring 01; een aangetoonde verontreiniging met Xylenen in de grond bij boring 06/103; een aangetoonde verontreiniging met koper, lood en zink in de grond bij boringen 18 en 35. Dit zijn twee individuele spots. Deze metalenverontreiniging is hier plaatselijk tot meer dan 10x de Interventiewaarde aangetoond, terwijl deze op het overige terrein over het algemeen niet tot meer dan 2x de Interventiewaarde aanwezig is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12651084/2